<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR132216_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Pekela</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-03-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Pekela</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Pekelder Streekblad, 07-02-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening raad- en commissieleden 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 95 tot en met art. 99, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-03-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-03-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006R0069</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>artt. 1 tot en met 10 werken terug tot 1-3-2006</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Pekela;</al><al>gelet op de artikelen 95 tot en met 99 en 147 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de volgende </al><al><vet>“VERORDENING RECHTSPOSITIE WETHOUDERS, RAADS- EN COMMISSIELEDEN
                            2006”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993,
                                    Stb. 144;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="h."><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="i."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                                gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens de
                            gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                            gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking. </al></li><li nr="2."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een raadslid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    tegemoetkoming voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor zover er sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>een belastingheffing in verband met een ten laste van de
                                            gemeente ter beschikking gestelde computer, bijbehorende
                                            apparatuur en software als bedoeld in het eerste
                                            lid;</al></li><li nr="b."><al>een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van
                                            de eigen computer, bijbehorende apparatuur en software
                                            als bedoeld in het tweede lid, ontvangt het raadslid ten
                                            laste van de gemeente op aanvraag per jaar een
                                            tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan
                                            voor een periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt
                                            ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                            computer, bijbehorende apparatuur en software welke het
                                            college aan raadsleden in bruikleen ter beschikking
                                            stelt.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Kinderopvang </label></kop><al>Het raadslid ontvangt een tegemoetkoming in de kosten van in verband met
                            de vervulling van het raadslidmaatschap noodzakelijke kinderopvang
                            overeenkomstig de ter zake voor het gemeentelijk personeel geldende
                            kinderopvangregeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</label></kop><al>Op aanvraag verlaagt het college de vergoeding voor de werkzaamheden,
                            bedoeld in artikel 2, in het geval een raadslid een uitkering ontvangt
                            in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Compensatie korting werkloosheidsuitkering </label></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van
                                    die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                    Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt
                                    en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit
                                    ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de gemeenteraad</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer
                                    dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag
                                    van 8% van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                                    werkzaamheden over de tijd van de waarneming. </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk III Voorzieningen voor commissieleden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                    vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een
                                    vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 14
                                    van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit
                                    bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                    Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
                                    die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet
                                    ontvangt.</al></li><li nr="3."><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                    commissie</al></li><li nr="a."><al>als raadslid, wethouder of burgemeester;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                    ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie
                                    bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                    gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                    organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                    commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                    dient.</al></li><li nr="4."><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                    hogere vergoeding vaststellen ten aanzien van </al></li><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                    beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie
                                    voor deelname aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding niet
                                    geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de
                                    zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten
                                    arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Reis- en verblijfkosten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid, wethouder of
                                    burgemeester is en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot
                                    lid van de commissie is benoemd worden de reiskosten voor het
                                    bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed. </al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer: een
                                            volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                            noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig de bedragen in artikelen 4, onderdeel b,
                                            van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                            redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter
                                            zake van reizen binnen en buiten het grondgebied van de
                                            gemeente vergoed overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                            4, onderdeel c, van de Regeling rechtspositie
                                            wethouders.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Cursus, congres, seminar of symposium </label></kop><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens de
                            gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                            gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Computer en internetverbinding</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het commissielid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het commissielidmaatschap een
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking. </al></li><li nr="2."><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verleent het college een commissielid op
                                    aanvraag voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    tegemoetkoming voor:</al></li><li nr="a."><al>aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en software,
                                    of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                    software.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover er sprake is van:</al></li><li nr="a."><al>een belastingheffing in verband met een ten laste van de
                                    gemeente ter beschikking gestelde computer, bijbehorende
                                    apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al>een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van de eigen
                                    computer, bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het
                                    tweede lid,</al></li></lijst><al>ontvangt het commissielid ten laste van de gemeente op aanvraag per jaar
                            een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                            periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van
                            de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software
                            welke het college aan raadsleden in bruikleen ter beschikking
                            stelt.</al><lijst><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het commissielid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het commissielid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label> Hoofdstuk IV De procedure van declaratie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 14 Betaling van kosten</label></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Declaratie van vooruit betaalde kosten</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergoeding van de kosten wordt gebruik gemaakt van een
                                    declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                    betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid of het commissielid dient het declaratieformulier
                                    binnen 2 maanden bij de griffier of, indien het geen leden
                                    betreft van een door de gemeenteraad ingestelde commissie, bij
                                    de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen ambtenaar in,
                                    onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Rechtstreekse facturering bij de gemeente</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten kan plaatsvinden door rechtstreekse
                                    toezending van de door het raadslid, onderscheidenlijk het
                                    commissielid voor akkoord ondertekende factuur aan de
                                    gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door
                                    het begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></li><li nr="3."><al>Het raadslid, onderscheidenlijk het commissielid dient het
                                    begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                    griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                    aangewezen ambtenaar.</al><al>Hoofdstuk V Citeertitel en inwerkingtreding</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Intrekking oude regeling</label></kop><al>De Verordening geldelijke voorzieningen raads- en commissieleden wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de dag na haar bekendmaking en werkt
                            voor wat betreft de artikelen 1 tot en met 10 terug tot en met 16 maart
                            2006. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads-
                            en commissieleden 2006.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de raad</ondertekening><ondertekening>van de gemeente Pekela van 19 december 2006</ondertekening><ondertekening>voorzitter, de heer M. Schollema </ondertekening><ondertekening>griffier, de heer G. Wijers</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING</label></kop><al/><tussenkop> ALGEMEEN </tussenkop><al/><lijst><li nr="6."><lijst><li nr="3."><al><onderstreept>Wettelijke regelingen </onderstreept></al><al>De regeling van de rechtspositie van raadsleden en leden van
                                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats,
                                    te weten bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen
                                    wethouders) en gemeentelijke verordening. In de Gemeentewet is
                                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van
                                    raads- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe
                                    is totstandgekomen het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                                    bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                                    overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor secundaire
                                    voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling voor de
                                    kinderopvang en de uitkering bij aftreden als raadslid, geldt
                                    dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te
                                    treffen.</al><al/><al><onderstreept>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening
                                    </onderstreept></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de
                                    rechtspositie raadsleden en leden van gemeentelijke commissies.
                                    De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde
                                    rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de
                                    wet is toegekend genieten de raadsleden geen inkomsten, in welke
                                    vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 99 van de
                                    Gemeentewet). Het tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe
                                    dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de
                                    goedkeuring van de minister van Binnenlandse Zaken en
                                    Koninkrijksrelaties (BZK) vereist. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                                    (artikelen 2 en 11) en een vaste algemene onkostenvergoeding
                                    voor wethouders en raadsleden (artikelen 3 en 14);</al><al>reis- en verblijfkosten van commissieleden, waarbij voor
                                    wethouders een onderscheid is gemaakt tussen woon-werkverkeer en
                                    zakelijke reizen (artikel 12);</al><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                                    raadsleden (artikel 6)</al><al>een regeling voor kosten van deelname van raads- en
                                    commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikelen 5 en
                                    13);</al><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals
                                    tegemoetkoming in de kosten van noodzakelijke kinderopvang
                                    (artikel 7), het vragen van een verlaging van de vergoeding voor
                                    werkzaamhedenbij arbeidsongeschiktheid (artikel 8), compensatie
                                    voor korting op werkloosheidsuitkering (artikel 9)</al><al>vergoeding voor waarneming van het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad (artikel 10) de procedure van declareren (artikelen
                                    14 t/m 16).</al><al/><al><onderstreept>De arbeidsverhouding van de wethouder en het
                                        raadslid</onderstreept></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De
                                    gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat
                                    zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet
                                    aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en
                                    hebben derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding
                                    door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                                    basisverzekering. </al><al> Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en in onderhavige
                                    verordening. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is
                                    vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964
                                    maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting
                                    2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door te
                                    kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder).</al><al/><al><onderstreept>De loon- en inkomstenbelasting
                                    </onderstreept></al><al>Opting in regeling</al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid
                                    kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt.
                                    Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De administratie van
                                    de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de
                                    daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                                    gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan
                                    draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele
                                    zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om
                                    die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies
                                    sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft
                                    in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden
                                    gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente
                                    onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en
                                    bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen.
                                    Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten
                                    en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn
                                    ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt.
                                    Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na
                                    inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                                    resteert.Ook kan betrokkene deelnemen in de spaarloonregeling
                                    die er voor het gemeentelijk personeel is. </al><al>Fiscale standaardpositie</al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor
                                    het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001
                                    resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het
                                    winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten
                                    daarop in mindering brengen. Zij kunnen niet deelnemen aan de
                                    spaarloonregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun
                                    werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal
                                    wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op
                                    hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient
                                    jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze
                                    verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische
                                    verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik
                                    leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                                    kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of
                                    niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor
                                    hieronder de toelichting op artikel 3).</al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet
                                    te opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende
                                    gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te
                                    opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt
                                    in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan
                                    betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de
                                    resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij
                                    aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook
                                    gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode</al><al/><al><onderstreept>De vergoedingssystematiek</onderstreept></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders
                                    niet het eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate
                                    vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele
                                    uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met
                                    een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen
                                    middelen vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen
                                    middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden
                                    worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de
                                    kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen
                                    voor de volgende wijze van redeneren:</al><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                                    (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van
                                    het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de
                                    organisatie;</al><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                                    aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden,
                                    kan een (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</al><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s; </al><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door
                                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de
                                    voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen
                                    derhalve buiten de vergoedingssfeer. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet
                                    onbelast kunnen worden vergoed </al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                                    kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikel 3 is
                                    aangegeven om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd
                                    geldt dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders.
                                    Zij dienen alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in
                                    het economische verkeer als opbrengst te verantwoorden. Omdat
                                    zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><al><onderstreept>Controle en verantwoording</onderstreept></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van
                                    alle andere publieke middelen - transparantie van groot belang.
                                    Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die
                                    voor het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en
                                    anderzijds een duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk
                                    gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van
                                    onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en
                                    over de eventueel verschuldigde belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen
                                    uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent
                                    de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist
                                    dat er een zodanig sluitende financiële en administratieve
                                    organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                                    beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal
                                    procedures vastgelegd over facturering van betaalde kosten.
                                    Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere
                                    afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                                    communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                                    uitoefening van de politieke functie.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al/><tussenkop> ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><al/><lijst><li nr="6."><lijst><li nr="3."><al><vet>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het
                                        raadslid</vet></al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld
                                    dat raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen.
                                    De hoogte van de vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                                    bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag
                                    van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In artikel 2
                                    is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag.
                                    De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het
                                    door de minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden
                                    kan op twee manieren:</al><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op
                                    een percentage tussen 80 en 100 van het door de minister
                                    vastgestelde maximum;</al><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                    uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de
                                    raadsvergoeding zijn.</al><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                    vast.</al><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden
                                    gemaakt tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een
                                    lagere raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de
                                    hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de
                                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                                    verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding
                                    gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                                    percentage daarvan. </al><al/><al><vet>Artikel 3 onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het
                                    raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd
                                    op basis van de volgende kostencomponenten:</al><al>representatie</al><al>vakliteratuur</al><al>contributies, lidmaatschappen</al><al>telefoonkosten</al><al>bureaukosten, porti</al><al>zakelijke giften</al><al>bijdrage aan fractiekosten</al><al>ontvangsten thuis</al><al>excursies.</al><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten
                                    fax/pc en cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat
                                    tijdstip specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 8,
                                    12 t/m 14).</al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer
                                    onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste
                                    kostenvergoeding gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen
                                    het belastingtarief van 52%. </al><al>Deze brutering heeft echter geen betrekking op raadsleden die
                                    niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen
                                    blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten
                                    op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven
                                    daaruit kunnen onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast.
                                    Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden belast bij de
                                    aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke
                                    verordening bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor
                                    raadsleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding
                                    aangegeven. In de artikel 3 is de hoogte van de kostenvergoeding
                                    bepaald op het maximale bedrag. Ook de onkostenvergoeding kan
                                    door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat echter niet
                                    lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                                    maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt
                                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van de
                                    consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                                    besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene zin is
                                    aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de
                                    minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><al><vet>Artikelen 5 en 13 Cursus, congres, seminar of
                                        symposium</vet></al><al>Deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht. De kosten
                                    rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in verband
                                    hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. </al><al/><al><vet>Artikelen 8 en 14 Computer en internetverbinding
                                    </vet></al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap wordt op aanvraag
                                    om niet een computer met bijbehorende apparatuur en software in
                                    bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is
                                    apparatuur die is bestemd om aan de computer te worden gekoppeld
                                    om informatie uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een
                                    modem, een printer, een fax en een digitale fotocamera. De
                                    nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die
                                    het raadslid met de gemeente sluit. Het model van die
                                    overeenkomst is door het college vastgesteld. </al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de
                                    rechtspositiebesluiten voor raads- en commissieleden.</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en
                                    software alleen onbelast worden vergoed, verstrekt of ter
                                    beschikking gesteld indien deze geheel of nagenoeg geheel
                                    zakelijk wordt gebruikt. In de Nota naar aanleiding van het
                                    verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14, blz. 22) wordt
                                    hierover het volgende opgemerkt:</al><al>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium
                                    geheel of nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die
                                    louter zakelijk worden gebruikt buiten de heffing. Het
                                    aanvullende criterium 'nagenoeg geheel' zorgt ervoor dat de
                                    werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik niet meteen de
                                    gehele computer in de heffing hoeft te betrekken. De werkgever
                                    dient aannemelijk te maken dat de computer geheel (of nagenoeg
                                    geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen
                                    vergoeden, verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij
                                    geldt de vrije bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden
                                    gedacht aan situaties waarin technische voorzieningen zijn
                                    aangebracht aan de computer die privé-gebruik als zodanig
                                    bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang heeft tot het
                                    intranet van de werkgever, hij via de computer geen vrije
                                    internettoegang heeft, er op de computer geen software anders
                                    dan bedrijfsmatige software op staat, de werknemer ook niet de
                                    mogelijkheid heeft er software op te zetten en hij geen eigen
                                    randapparatuur kan aansluiten.’</al><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de
                                    belastingheffing, wordt er in de respectievelijke
                                    rechtspositiebesluiten en de verordening van uitgegaan dat
                                    betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor
                                    zakelijk gebruik bestemmen.</al><al>Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                                    terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan
                                    gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee
                                    vindt er gedurende de afschrijvingsperiode van drie jaar voor de
                                    door de gemeente beschikbaar gestelde computer een fiscale
                                    bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch
                                    verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde
                                    jaar wordt de waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de
                                    gemeente op aanvraag 30% van de aanschafprijs vergoedt gedurende
                                    de drie jaar dat i.v.m. het beschikbaar stellen van de computer
                                    belasting is verschuldigd. Deze vergoeding is overigens belast.
                                    Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt
                                    geldt in het eerste en vierde kalenderjaar een vergoeding naar
                                    evenredigheid van het aantal kalendermaanden waarin de computer
                                    beschikbaar is gesteld. Het is ook mogelijk om een dergelijke
                                    vergoeding te geven voor de aanschaf of het gebruik van een
                                    eigen computer.</al><al>De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm
                                    kan daarvoor worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                    computer die de gemeente ter beschikking stelt. </al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen
                                    ten laste van de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat
                                    de internetverbinding niet geheel of nagenoeg geheel voor
                                    zakelijk gebruik is. De verstrekte vergoeding is dan ook belast.
                                    Ook hierbij kan de gemeente zelf een normbedrag vaststellen
                                    uitgaande van bijvoorbeeld de laagste of de gemiddelde
                                    kosten,</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting
                                    geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in
                                    het economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten
                                    binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                                    kunnen worden opgevoerd.</al><al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden
                                    de toepassing van de opting-in-regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Kinderopvang</vet></al><al>Een goede kinderopvangvoorziening is belangrijk. Hierdoor wordt
                                    bevorderd dat raadsleden hun politieke werk goed kunnen
                                    combineren met het ouderschap. Vanaf 1 januari 2005 is er een
                                    wettelijke regeling (Wet kinderopvang). Aan deze wet kunnen ook
                                    raadsleden aanspraken ontlenen in de vorm van een
                                    (inkomensafhankelijke) rijksbijdrage. Het rechtspositiebesluiten
                                    voor raadsleden maakt het mogelijk om hen ten laste van de
                                    gemeente in aanvulling op de rijksbijdrage een tegemoetkoming te
                                    verlenen in de kosten van noodzakelijke kinderopvang. Artikel 7
                                    voorziet hierin. Daarin is geregeld dat raadsleden de voor het
                                    gemeentepersoneel geldende kinderopvangregeling van
                                    overeenkomstige toepassing is. </al><al>De gemeentelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang kan aan
                                    het raadslid dat heeft geopteerd voor de loonbelasting onbelast
                                    worden verstrekt. Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting
                                    hebben geopteerd zal de tegemoetkoming bij de aangifte
                                    inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en
                                    kunnen de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als
                                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                        arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr.
                                    21) is aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van
                                    de bevolking dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om
                                    raadslid te worden of te blijven, worden weggenomen. In WAO en
                                    WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon inkomen
                                    uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
                                    Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg
                                    van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen
                                    te vergoeden. Voor raads- en commissieleden kan dit ertoe leiden
                                    dat een geringe verhoging van het inkomen door een raads- of
                                    commissievergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte
                                    van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van
                                    de anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij
                                    aanvaarding van een raads- of commissiezetel of bij verhoging
                                    van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten
                                    hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11
                                    van de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een
                                    raadslid een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt
                                    gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden
                                    tot een verlaging van de wettelijke
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Compensatie korting
                                    werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op
                                    het moment dat iemand een werkloosheidsuitkering op grond van
                                    die wet ontvangt, nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW-
                                    uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in de nieuwe
                                    functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van
                                    het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant.
                                    Indien derhalve iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de
                                    WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV
                                    voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor
                                    de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden.
                                    Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt
                                    gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                                    geregeld in artikel 9 van de verordening</al><al/><al><vet>Artikel 10 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                        de gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 75 van de Gemeentewet is geregeld dat het
                                    voorzitterschap van de gemeenteraad bij verhindering of
                                    ontstentenis van de burgemeester wordt waargenomen door het
                                    langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In
                                    overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden is in artikel 10 van de verordening geregeld dat
                                    bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het
                                    betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op
                                    een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en
                                    van de vaste onkostenvergoeding.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Vergoeding voor het bijwonen van
                                        commissievergaderingen</vet></al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                                    commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden,
                                    wethouders en burgemeester, die in de commissie zitten. Hun
                                    vergoeding is immers al geregeld in de rechtspositiebesluiten en
                                    elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder onder meer
                                    ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de
                                    commissie zitting hebben. </al><al>Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in
                                    belangrijke mate het gemeentelijk belang dient. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke
                                    verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                                    Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1 januari herzien aan de
                                    hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>In artikel 11, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de
                                    vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde
                                    maximum. De raad kan ook een lager bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter
                                    ook de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te
                                    regelen dat in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan
                                    presentiegeld wordt toegekend dan het eerder bedoelde
                                    maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 11, vierde lid, van de
                                    verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 12 reis- en verblijfkosten
                                    commissieleden</vet></al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en
                                    commissieleden wel in de mogelijkheid van een vergoeding van de
                                    reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het grondgebied van
                                    de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                    gemeentebestuur. Aan commissieleden kan krachtens artikel 96,
                                    eerste lid, van de Gemeentewet wel een vergoeding worden gegeven
                                    de reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de
                                    gemeente.</al><al>In de verordening is voor wat betreft de hoogte van de
                                    vergoedingen aansluiting gezocht bij de vergoedingen uit de
                                    Regeling rechtspositie wethouders. Tot 2004 werd in de
                                    rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                                    Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die
                                    voor de sector Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is
                                    voor wethouders de Regeling rechtspositie wethouders en voor
                                    burgemeesters de Regeling rechtspositie burgemeesters ingevoerd.
                                    De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe dezelfde als
                                    in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister
                                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze
                                    specifieke regelingen voor politieke ambtsdragers de
                                    mogelijkheid meer op het ambt toegespitste vergoedingen vast te
                                    stellen. Om deze reden wordt in de artikelen 5, 6 en 27 van de
                                    verordening verwezen naar Regeling rechtspositie
                                    wethouders.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij
                                    gebruik van eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals
                                    die voor het rijkspersoneel geldt (in 2006: € 0,28 bij gebruik
                                    van de eigen auto). De vergoeding van de reiskosten met het
                                    openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor €
                                    0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het
                                    Handboek loonheffingen 2006 wordt over de kilometervergoeding
                                    opgemerkt:</al><al>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer
                                    betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor
                                    parkeer- en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage aan
                                    de auto, voor het inbouwen van een carkit of navigatiesysteem,
                                    voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een aanhangwagen
                                    of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de
                                    eindheffing. </al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat
                                    hogere deel belast. </al><al/><al><vet>Artikelen 14 t/m 16 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 14 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. In de
                                    artikelen 15 en 16 is vervolgens aangegeven in welke gevallen
                                    welke betalingswijze aan de orde is en welke
                                    procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. </al><al/><al><vet>Artikelen 17 t/m 19 Citeertitel en
                                    inwerkingtreding</vet></al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de
                                    gewijzigde bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe
                                    gemeenteraad. </al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding voor de raads- en
                                    commissieleden met terugwerkende kracht tot en met 16 maart
                                    2006. Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de
                                    nieuwe aanspraken geen verslechtering inhouden van de op dat
                                    moment vigerende verordening. De nieuwe verordening kent geen
                                    verslechteringen. Alleen voor wat betreft regeling van de
                                    computers is de zaak veranderd als gevolg van de terugwerkende
                                    kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor
                                    artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                                    (Stb. 2006, 8).</al></li></lijst></li></lijst><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>