<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR132036_1</dcterms:identifier><dcterms:title>TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 28 december
                2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 30 Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschre¬ven hebben dezelfde betekenis als
                                    beschreven in de Wet werk en bijstand en in de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gezinsnorm: de norm, genoemd in artikel 21, eerste lid,
                                            van de wet;</al></li><li nr="c."><al>zorgbehoevend gezinslid: de belanghebbende, bedoeld in
                                            artikel 4, vijfde lid, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>zorgbehoevend niet-gezinslid: de belanghebbende die
                                            voldoet aan het gestelde in artikel 4, vijfde lid, van
                                            de wet, waarbij geen sprake is van eerstegraads bloed-
                                            of aanverwantschap tussen verzorger en verzorgende;</al></li><li nr="e."><al>woonlasten:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van
                                    het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als
                                    bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de hypotheeklasten
                                    verbonden aan de woning waarin de belanghebbende zijn
                                    hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="3."><al>ontbreken van woonlasten: van het ontbreken van woonlasten is
                                    sprake als er </al></li></lijst><al> geen kosten van huur of hypotheek zijn verbonden aan de woning waarin
                            de </al><al> belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;</al><al>4.woonlasten voldaan door derden: hiervan is sprake als kosten van huur
                            of hypotheek </al><al> worden voldaan door derden;</al><lijst><li nr="f."><al>schoolverlater: de belanghebbende zoals beschreven in artikel 28
                                    van de wet;</al></li><li nr="g."><al>medebewoner: de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens
                                    woning ook een</al></li></lijst><al> ander zijn hoofdverblijf heeft, niet zijnde een eerstegraads
                            bloedverwant of </al><al> aanverwant en niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke
                            huishouding wordt </al><al> gevoerd;</al><al>h.college: het college van burgemeester en wethouders.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorie-aanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>medebewoner en</al></li><li nr="d."><al>gezin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verordening heeft alleen betrekking op de in het tweede lid,
                                onderdelen a, b en c genoemde belanghebbenden, voor zover zij 21
                                jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar zijn en op gezinnen als
                                bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een toeslag of verlaging volgens deze verordening kan alleen worden
                                gegeven als er recht bestaat op algemene bijstand.;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bepalingen in de hoofdstukken 3 en 4 van deze verordening laten
                                de toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslag alleenwonende alleenstaande</titel></kop><al>Voor de belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                            heeft, wordt de norm genoemd in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van
                            de wet verhoogd met 20 procent van de gezinsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toeslag alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de wet
                                wordt verhoogd met een toeslag van 20 procent van de gezinsnorm voor
                                de belanghebbende in wiens woning geen andere meerderjarige zijn
                                hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een kind van 18 jaar of ouder als bedoeld in artikel 4, tweede lid,
                                van de wet wordt niet aangemerkt als een ander die in dezelfde
                                woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Toeslag medebewoner</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de belanghebbende in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf
                                heeft, niet zijnde een eerstegraads bloedverwant of aanverwant en
                                niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke huishouding wordt
                                gevoerd, wordt de norm genoemd in artikel 20 eerste lid onderdeel b,
                                en tweede lid, onderdeel b van de wet verhoogd met 20 procent van de
                                gezinsnorm, wanneer de door belanghebbende te betalen woonlasten
                                meer bedragen dan 18 procent van de gezinsnorm;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de belanghebbende in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf
                                heeft, niet zijnde een eerstegraads bloedverwant of aanverwant en
                                niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke huishouding wordt
                                gevoerd, wordt de norm genoemd in artikel 20 eerste lid onderdeel b,
                                en tweede lid, onderdeel b van de wet verhoogd met 10 procent van de
                                gezinsnorm, wanneer de door belanghebbende te betalen woonlasten
                                minder bedragen dan 18 procent van de gezinsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afwijkende toeslag bij zorgbehoefte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college toepassing heeft gegeven aan artikel 4, vijfde
                                lid, van de wet, bedraagt in afwijking van artikel 5, tweede lid, de
                                toeslag 20 procent van de gezinsnorm voor de belanghebbende die een
                                zorgbehoevend gezinslid verzorgt, dan wel als de belanghebbende zelf
                                als zorgbehoevend gezinslid wordt aangemerkt;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college toepassing heeft gegeven aan het verzoek als
                                zorgbehoevend niet-gezinslid te worden aangemerkt, bedraagt in
                                afwijking van artikel 5, tweede lid, de toeslag 20 procent van de
                                gezinsnorm voor de belanghebbende die een zorgbehoevend
                                niet-gezinslid verzorgt, dan wel als de belanghebbende zelf als
                                zorgbehoevend niet-gezinslid wordt aangemerkt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De bijstandsnorm die met inachtneming van de vorige artikelen is
                            vastgesteld, wordt gedurende zes maanden na het tijdstip waarop de
                            deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding is beëindigd, verlaagd
                            met 15 procent van de gezinsnorm voor de schoolverlater, bedoeld in
                            artikel 28 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verlaging in verband met ontbreken van woonlasten</titel></kop><al>Voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin die een
                            woning be¬woont waarvoor zij geen woonlasten betalen of waarvoor de
                            woonlasten worden voldaan door een derde, wordt de bijstandsnorm,
                            verhoogd met de eventueel toe te kennen toeslag, verlaagd. De verlaging
                            bedraagt 10 procent van de gezinsnorm.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                            afwijken van de be¬palingen in deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De “Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2009” die
                            in werking is getreden met ingang van 1 januari 2009, wordt ingetrokken
                            met ingang van de in artikel 13 bedoelde datum, met dien verstande dat
                            zij van toepassing blijft op personen die vallen onder artikel 78s van
                            de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt na bekendmaking in werking op het tijdstip
                            waarop de “Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die
                            wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van
                            deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                            verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden” in werking treedt.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Toelichting Toeslagenverordening</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al><vet>1. Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al/><al>Hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand (Wwb) kent voor de periodieke bijstand
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten een systeem van
                    basisnormen, toeslagen en verlagingen. Dit systeem is grotendeels overgenomen
                    uit de Algemene bijstandswet (Abw). Bij de inwerkingtreding in 1996 was de
                    beleidskeuze om binnen een bepaalde brandbreedte de toeslagen en verlagingen
                    vast te stellen nog primair zonder al te zware budgettaire consequenties. Thans
                    is dat geheel anders. Voor zowel basisnormen als toeslagen draagt de gemeente
                    binnen het regime van de Wwb volledige financiële verantwoordelijkheid. </al><al/><al>De Wwb stelt grenzen aan de vrijheid om normen, toeslagen en verlagingen vast te
                    stellen. Een aantal normen staat vast. Deze zijn geregeld in paragraaf 2 van de
                    Wwb, de artikelen 20 tot en met 24. In paragraaf 3 voorziet de Wwb in toeslagen
                    en verlagingen. In de artikelen 25 tot en met 29 is geregeld dat in een aantal
                    gevallen toeslagen moeten worden toegekend op de basisnormen. Voorts kan in een
                    beperkt aantal gevallen worden besloten om de norm en/of de toeslag te verlagen.
                    Dat is echter geen verplichting. </al><al/><al>Normen </al><al>Voor de doelgroep van het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid bestaat
                    er een drietal basisnormen (artikelen 20 en 21 Wwb), te weten:</al><al>• gezin: 100% van het wettelijke minimumloon</al><al>• alleenstaande ouders: 70% van de gezinsnorm</al><al>• alleenstaanden: 50% van de gezinsnorm</al><al/><al>Toeslagen</al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    als de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel kunnen worden
                    gedeeld (artikel 25 Wwb). De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt
                    aanwezig geacht als naast de belanghebbende nog één of meer anderen hun
                    hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, waarbij er geen sprake is van eerste
                    graads bloed- of aanverwantschap. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en
                    licht, maar ook krant etc. gedeeld worden.</al><al/><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gezinsnorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><al>• alleenstaande ouders: 90% van de gezinsnorm</al><al>• alleenstaanden: 70% van de gezinsnorm</al><al/><al>Het college is verplicht om het maximale percentage te verstrekken als er geen
                    medebewoners zijn of als deze medebewoners niets kunnen bijdragen aan de
                    algemeen noodzakelijke bestaanskosten.</al><al/><al>In de Wwb is de toeslag in verband met verzorgingsbehoeftigheid niet geregeld.
                    Wel is sinds 1 januari 2012 in artikel 4, vijfde lid, van de Wwb opgenomen aan
                    welke voorwaarden iemand moet voldoen om als zorgbehoevend gezinslid aangemerkt
                    te kunnen worden. Net als een groot aantal andere gemeenten is in de verordening
                    opgenomen dat onder voorwaarden de toeslag behoort te worden verhoogd voor
                    degene die een zorgbehoevend gezinslid of niet-gezinslid verzorgt, dan wel de
                    belanghebbende zelf zorgbehoevend is.</al><al/><al>Verlagingen</al><al>De Wwb noemt de volgende mogelijkheden om de bijstandsnorm te verlagen:</al><al>1. verlaging i.v.m. het kunnen delen van de algemene bestaanskosten door een
                    gezin (artikel 26 Wwb);</al><al>2. verlaging i.v.m. de woonsituatie (artikel 27 Wwb);</al><al>3. verlaging i.v.m. recent beëindigen studie (artikel 28 Wwb);</al><al>4. verlaging i.v.m. leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden (artikel 29
                    Wwb).</al><al>De verlagingen genoemd onder 2 en 3 zijn uitgewerkt in de artikelen 7 en 8 van
                    de verordening. De verlagingen genoemd onder 1 en 4 worden niet toegepast.</al><al/><al><vet>2. De Toeslagenverordening </vet></al><al/><al>In artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en artikel 30 Wwb is geregeld dat de
                    gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke groepen de
                    bijstandsnorm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de
                    hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Deze criteria moeten voor
                    de lezer helder zijn en voor de praktijk eenvoudig uitvoerbaar. Dat zijn
                    noodzakelijke randvoorwaarden.</al><al/><al>Mede gelet op de genoemde randvoorwaarden heeft de toeslag een zgn. forfaitair
                    karakter. Deze benadering gaat ervan uit dat voor medebewoners geldt dat zij
                    kunnen bijdragen in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de
                    andere medebewoners. Daarbij is niet relevant dat er ook daadwerkelijk een
                    bijdrage in die kosten plaatsvindt. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van
                    de daadwerkelijke woonlasten van de medebewoner. </al><al/><al>De verlagingen gelden ook voor situaties waarbij de woonkosten ontbreken (bijv.
                    bij krakers) en de tijdelijke verlaging voor schoolverlaters.</al><al>Voor zorgbehoevende personen is de regeling in alle zorgrelaties, bijvoorbeeld
                    ouder-kind/broer-zus/vriendin-vriendin, gelijk getrokken met de wettelijke
                    regeling voor zorgbehoevende gezinsleden. Degene die een verzorgingsbehoeftige
                    verzorgt dan wel zelf zorgbehoevend is komt in aanmerking voor een maximale
                    toeslag.</al><al/><al>Verschil met de vorige verordening ligt hem in de terminologie van de
                    aangescherpte Wwb die in werking is getreden op 1 januari 2012. Gevolg hiervan
                    is dat de term ‘gehuwden’ is vervangen door ‘gezin’. Hierdoor vervalt de aparte
                    toeslag of verlaging voor de inwonende eerstegraads bloed- of aanverwant,
                    aangezien onder de nieuwe Wwb geen ‘inwonende’ meer bestaat. Deze ‘inwonenden’
                    maken voortaan automatisch deel uit van het gezin en vallen daarmee onder de
                    gezinsnorm. </al><al/><al>Verder is opgenomen dat studerende, thuiswonende kinderen met een inkomen van
                    maximaal € 1.023,42 (artikel 4, tweede lid, Wwb) niet worden meegeteld als
                    onderdeel van de gezamenlijke huishouding. In artikel 25 Wwb wordt bepaald dat
                    met een thuiswonend kind met een inkomen tot de norm van levensonderhoud als
                    bedoeld in de Wet Studiefinanciering in ieder geval geen kosten kunnen worden
                    gedeeld. In de verordening is opgenomen dat met thuiswonende studerende kinderen
                    met een inkomen tot maximaal het bedrag genoemd in artikel 4, tweede lid, Wwb
                    geen kosten kunnen worden gedeeld. Dit houdt in dat indien er sprake is van een
                    inkomen tussen de bedragen genoemd in artikel 4, tweede lid, Wwb en 25 Wwb er
                    nog wel een toeslag wordt verstrekt aan alleenstaanden en alleenstaande ouders. </al><al/><al/><al><vet>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al/><al>De algemene bijstandsuitkering voor alleenstaanden en alleenstaande ouders van
                    21 tot 65 jaar wordt als volgt berekend:</al><al>1. Basisnorm</al><al>Indien sprake is van een zorgbehoevend gezinslid of van een meerderjarig,
                    thuiswonend studerend kind met studiefinanciering (WSF of WTOS) en een maximaal
                    inkomen zoals genoemd in artikel 4, tweede lid, Wwb dan</al><al>2. optellen maximale toeslag </al><al>Als dit niet aan de orde is dan</al><al>3. optellen toeslag i.v.m. woonsituatie (alleen bij alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders)</al><al>4a. basisnorm en toeslag verlagen bij ontbrekende woonkosten</al><al>4b. basisnorm en toeslag verder verlagen met verlaging schoolverlater voor zover
                    dit van toepassing is </al><al/><al>De algemene bijstandsuitkering voor gehuwden van 18 tot 65 jaar en gezinnen in
                    deze leeftijdscategorie die vallen onder de reikwijdte van de verordening, wordt
                    als volgt berekend:</al><al>1. Basisnorm</al><al>Indien sprake is van een zorgbehoevend gezinslid of van een meerderjarig,
                    thuiswonend studerend kind met studiefinanciering (WSF of WTOS) en een maximaal
                    inkomen zoals genoemd in artikel 4, tweede lid, Wwb dan</al><al>2. bijstandsuitkering vaststellen op basisnorm voor een gezin</al><al>Als dat niet aan de orde is dan</al><al>3. basisnorm en toeslag eventueel verlagen i.v.m. ontbrekende woonkosten</al><al>4. basisnorm en toeslag eventueel verder verlagen i.v.m. schoolverlating</al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al>In dit artikel worden de begrippen omschreven.</al><al>Artikel 1, eerste lid</al><al>Er is voor gekozen om begrippen, die reeds omschreven zijn in de Wwb of in de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet afzonderlijk te definiëren in deze
                    verordening. Dit voorkomt dat in het geval van wijziging van betreffende
                    definities in de Wwb of de Awb ook deze verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>Artikel 1, tweede lid</al><al>Definities die niet in de wet worden genoemd zoals de begrippen zorgbehoevend,
                    woonlasten en medebewoner zijn in het tweede lid van de begripsomschrijving
                    opgenomen. Hieronder volgt nog een nadere toelichting over de begrippen
                    zorgbehoevend en schoolverlater.</al><al/><al>Zorgbehoevend</al><al>Artikel 4, vijfde lid, Wwb beschrijft voorwaarden voor een situatie waarvoor de
                    wet geen definitie hanteert. Gekozen is om hiervoor de term ‘zorgbehoevend
                    gezinslid’ te gebruiken. In alle andere zorgverhoudingen waar het niet gaat om
                    ouder-kind relaties is de term ‘zorgbehoevend niet-gezinslid’ gehanteerd.</al><al/><al>Schoolverlater</al><al>In artikel 1, tweede lid, onderdeel f, wordt verwezen naar artikel 28 van de wet
                    waarin de hoofdgroep staat omschreven. Het al dan niet behoren tot deze
                    categorie is bepalend voor de hoogte van de bijstandsuitkering.</al><al>De hoofdgroep omvat degenen die recent onderwijs of beroepsopleiding hebben
                    gevolgd op grond waarvan de zij recht hadden op studiefinanciering op grond van
                    de Wet op de studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming in de
                    onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming
                    onderwijsbijdrage en schoolkosten. Dit onderwijs kan zowel in Nederland als in
                    het buitenland zijn gevolgd. Zij worden als schoolverlater aangemerkt als de
                    beëindiging van dit onderwijs of die beroepsopleiding nog geen half jaar geleden
                    heeft plaatsgevonden. De periode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend
                    op de beëindiging van het onderwijs. Voor degenen die het onderwijs met
                    studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten volgden, is dat de maand na
                    beëindiging van het recht op studiefinanciering of tegemoetkoming
                    studiekosten.</al><al/><al>Met deze hoofdgroep worden degenen gelijkgesteld die onderwijs of een
                    beroepsopleiding hebben gevolgd waarvoor - anders dan bij de hoofdgroep het
                    geval is - geen recht bestond op Nederlandse studiefinanciering of Nederlandse
                    tegemoetkoming studiekosten, maar die overigens wel met zo'n studie of opleiding
                    vergelijkbaar is.</al><al>Met de term "onderwijs of beroepsopleiding van overeenkomstige aard" is
                    aangegeven dat het in het buitenland gevolgde onderwijs qua karakter overeen
                    moet komen met het onderwijs waarbij aanspraak op studiefinanciering of
                    tegemoetkoming studiekosten kan bestaan. Dit houdt in dat het een in het
                    betreffende land erkende vorm van onderwijs betreft. Voorts dient het onderwijs
                    voor ten minste 19 lesuren per week te zijn gevolgd. </al><al>Net zoals personen die tot de hoofdgroep behoren, dienen ook zij die onder deze
                    bepaling vallen aan te tonen of, en zo ja wanneer, recentelijk gevolgd onderwijs
                    is beëindigd. Indien de beëindiging van het onderwijs niet afdoende door de
                    betrokkene kan worden aangetoond, zal de gemeente uitgaan van de dag waarop dat
                    onderwijs aantoonbaar niet meer gevolgd kan zijn. Over het algemeen zal dat de
                    dag van vestiging of terugkeer in Nederland zijn.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 CATEGORIEËN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2 Categorieën</vet></al><al>Artikel 30 Wwb schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke categorieën
                    de bijstandsnorm wordt verlaagd of verhoogd. </al><al>De verordening is alleen van toepassing op personen van 21 jaar tot 65 jaar. Een
                    eventuele aanvulling op de bijstandsnorm voor de 18- tot 21-jarigen valt onder
                    de bijzondere bijstand. Dit kan op grond van artikel 12 Wwb. In dit artikel
                    staat dat zij bij hogere noodzakelijke kosten van het bestaan, die zij niet
                    kunnen voldoen uit de jongerennorm en waarvoor zij geen beroep kunnen doen op
                    hun ouders, recht hebben op een aanvulling via de bijzondere bijstand. </al><al/><al>De in het vijfde lid opgenomen verplichting voor het college om –zo nodig- de
                    bijstand in afwijking van de verordening de bijstand anders vast te stellen,
                    volgt uit artikel 30, vierde lid Wwb. </al><al/><al>Voor personen van 65 jaar en ouder is de bijstandsnorm geregeld in artikel 22
                    Wwb.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3 Toeslag alleenwonende alleenstaande </vet></al><al>Artikel 30, tweede lid, Wwb schrijft voor dat in de verordening in elk geval
                    wordt opgenomen, dat de alleenwonende alleenstaande recht heeft op de maximale
                    toeslag. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Toeslag alleenstaande ouders</vet></al><al>Artikel 30, tweede lid, Wwb schrijft voor dat in de verordening in elk geval
                    wordt opgenomen, dat de alleenstaande ouder in wiens woning geen andere
                    meerderjarige zijn hoofdverblijf heeft recht heeft op de maximale toeslag. </al><al/><al>Artikel 4, tweede lid, Wwb vermeldt dat een meerderjarig studerend kind met een
                    inkomen dat minder bedraagt dan het in genoemd artikel vermelde bedrag per maand
                    niet wordt aangemerkt als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                    heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Toeslag medebewoner</vet></al><al>Wanneer een belanghebbende een medebewoner heeft, niet zijnde een eerstegraads
                    bloedverwant of aanverwant en niet zijnde een ander waarmee een gezamenlijke
                    huishouding wordt gevoerd, kan hij mogelijk de woonlasten delen. Wanneer de door
                    belanghebbende te betalen woonlasten meer bedragen dan 18 procent van de
                    gezinsnorm, bedraagt de toeslag 20 procent van de gezinsnorm. Zijn de woonlasten
                    lager, dan bedraagt de toeslag 10 procent van de gezinsnorm. </al><al/><al>Wat onder woonlasten moet worden verstaan is omschreven in artikel 1 tweede lid,
                    onder e.</al><al/><al>Bij de bepaling van de woonlasten bij kamerhuur wordt volgens de richtlijnen 15%
                    van de te betalen kamerhuur gezien als vaste lasten voor water, elektriciteit en
                    verwarming. Deze 15% wordt op de kamerhuur in mindering gebracht en het
                    resterende bedrag is voor woonlasten. Van het bedrag dat een kostganger per
                    maand betaalt voor kost en inwoning wordt 50% gezien als woonlasten. </al><al/><al>Bij het bepalen van het recht op toeslag wordt in beginsel uitgegaan van de
                    feitelijke kosten. Uitkeringsgerechtigden dienen deze kosten aan te tonen aan de
                    hand van betalingsbewijzen op naam.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Afwijkende toeslag bij zorgbehoefte</vet></al><al>Indien er sprake is van hulpbehoevendheid kan gesteld worden dat er in verband
                    hiermee hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, waarvan het
                    niet redelijk is dat deze evenredig worden gedeeld. Te denken valt aan extra
                    verwarming, grotere woning in verband met een rolstoel of extra kosten die niet
                    altijd (geheel) door voorliggende voorzieningen worden gedekt. Een maximale
                    toeslag voor zowel de hulpbehoevende als de verzorgende ligt dan ook voor de
                    hand.</al><al/><al>De Wwb bepaalt aan welke voorwaarden iemand moet voldoen om als zorgbehoevend
                    gezinslid te kunnen worden aangemerkt. Als er sprake is van een zorgbehoevend
                    gezinslid kan aan het college worden verzocht deze persoon buiten het gezin dan
                    wel de gezamenlijke huishouding te houden. In die gevallen ontvangt degene die
                    een zorgbehoevende gezinslid verzorgt, dan wel als de belanghebbende zelf
                    zorgbehoevend is de maximale toeslag.</al><al/><al>Deze lijn is ook doorgetrokken voor alle zorgrelaties waarbij geen sprake is van
                    gezin omdat er geen sprake is van eerstegraads bloed- of aanverwantschap. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval bij een broer-zus relatie waarbij één van hen voldoet aan
                    de eisen van verzorgingsbehoeftig zijn. Men dient dus ook in alle andere
                    zorgrelaties te voldoen aan de wettelijke eisen die gesteld zijn voor
                    gezinsleden om voor dit artikel in aanmerking te komen. Ook in deze zorgrelatie
                    dient er een verzoek te worden gedaan aan het college om als zorgbehoevend
                    niet-gezinslid te worden aangemerkt.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE
                        TOESLAG</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7 Verlaging schoolverlaters</vet></al><al>Degene die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op
                    grond waarvan er recht bestond op studiefinanciering in het kader van de Wet op
                    de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming in het kader van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, ontvangt een lagere uitkering.
                    De reden hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden van degenen die
                    recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding hebben beëindigd gedurende een
                    zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van studerenden, dat voor hen
                    de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld
                    als dat voor hen tijdens de studieperiode was gegarandeerd. Bij de vaststelling
                    van de verlaging wordt echter wel rekening gehouden met het feit dat de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan stijgen op grond van een wijziging van het
                    uitgavenpatroon, in verband met activiteiten in het kader van
                    arbeidsmarktinschakeling (aanschaf extra kleding en dergelijke).</al><al/><al>Uitgangspunt van de verlaging is de relatie met het bedrag dat in de
                    studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. Omgerekend naar een
                    percentage van de uitkering bedraagt deze verlaging, afgerond, 25% van het netto
                    minimumloon. Daar de kosten van het bestaan stijgen, onder meer als gevolg van
                    de activiteiten die betrokkene dient te verrichten in het kader van
                    arbeidsinschakeling (sollicitaties, aanschaf kleding en dergelijke), wordt de
                    verlaging vastgesteld op 15% van het netto minimumloon.</al><al/><al>Op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel f, in combinatie met artikel 7 van
                    deze verordening geldt de verlaagde uitkering voor een periode van zes maanden,
                    aansluitend op de datum waarop het onderwijs of de beroepsopleiding is
                    beëindigd.</al><al>Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van
                    werkaanvaarding, heeft dit geen invloed op de termijn van zes maanden.</al><al>Voor de schoolverlater die in het buitenland een opleiding gaat volgen, geldt in
                    beginsel hetzelfde. </al><al/><al><vet>Artikel 8 Verlaging in verband met ontbreken woonlasten</vet></al><al>Het begrip woonsituatie wordt in de wet niet verder uitgewerkt dan dat het moet
                    gaan om het hebben van lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als
                    gevolg van de woonsituatie. In de toelichting op de wet wordt gesteld dat
                    verlaging mogelijk is als er wel woonlasten zijn die voldaan moeten worden maar
                    deze woonlasten worden niet door de uitkeringsgerechtigde betaald maar door een
                    derde bijvoorbeeld de ex-echtgenoot. Er is dan sprake van een financieel
                    voordeel voor de uitkeringsgerechtigde. In dit geval zal de vastgestelde
                    uitkering (norm eventueel verhoogd met de toeslag) verlaagd worden met 10
                    procent van de gezinsnorm. Artikel 27 Wwb biedt daarvoor de wettelijke
                    basis.</al><al>Zijn er daadwerkelijk geen woonlasten aan de woonsituatie verbonden, dan wordt
                    de hoogte van de bijstand ook verlaagd met 10 procent van de gezinsnorm. </al><al>Daarnaast kan de hoogte van de bijstand afgestemd worden op grond van artikel
                    18, lid 1 van de Wwb. In dit artikel staat vermeld dat het college de bijstand
                    kan afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    belanghebbende. Te denken valt aan bijvoorbeeld kraakpanden, waar de woonlasten
                    nihil zijn.</al><al/><al>Om te verduidelijken wat met ‘woonkosten’ wordt bedoeld, is in artikel 2, tweede
                    lid, onderdeel e, opgenomen dat het om huur of hypotheeklasten moet gaan,
                    conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 november 2001, nrs.
                    99/7 en 99/29 NABW.</al><al/><al>Deze bepaling ziet primair, maar niet uitsluitend, op uitkeringsgerechtigden die
                    alleen een zelfstandige woonruimte bewonen. De regeling is echter tevens van
                    toepassing als er andere personen bij hem inwonen. Bovendien kan deze bepaling
                    worden toegepast als niet vastgesteld kan worden wie als hoofdbewoner moet
                    worden aangemerkt. Dat kan zich voordoen bij krakers.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9 Uitvoering</vet></al><al>Artikel 7 van de wet schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij het
                    college van burgemeester en wethouders. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</vet></al><al>Artikel 10 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    belanghebbende kunnen afwijken van de bepalingen van deze verordening. Het
                    gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een
                    uitzondering en niet als regel. In verband met precedentwerking moet in een
                    bepaalde situatie duidelijk worden aangegeven waarom van de verordening wordt
                    afgeweken. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel van de verordening opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Intrekking</vet></al><al>De “Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2009” wordt
                    ingetrokken en wordt vervangen door deze verordening. Aangezien er op grond van
                    de aanscherping Wwb een overgangsperiode van (maximaal) zes maanden geldt voor
                    diegenen die bij inwerkingtreding van de nieuwe wet al een bijstandsuitkering
                    ontvangen, blijft voor deze groep de oude verordening van 2009 nog van kracht
                    tot (maximaal) zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe wet. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></al><al>In dit artikel is de inwerkingtreding van deze verordening opgenomen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>