<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR131949_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Precariobelasting 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortsecourant.nl">Zandvoortse Courant dd. 29 november 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Precariobelasting 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">artikel 216 en 228 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z2012-003701 doc nr 2012/09/000525</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiële Middelen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt Verordening Precariobelasting 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Precariobelasting 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>1 DE VERORDENING</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van </al><al>15 november 2011, nummer Z2011-005473 doc nr 2011/11/000589;</al><al/><al>gelet op artikel 216 en 228 van de Gemeentewet;</al><al/><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting en tarieventabel,
                        vast te stellen:</al><al/><al>Verordening Precariobelasting 2012.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>jaar</vet>: een kalenderjaar; </al></li><li nr="b."><al><vet>maand</vet>: een kalendermaand; </al></li><li nr="c."><al><vet>week</vet>: een periode van zeven achtereenvolgende dagen;
                                </al></li><li nr="d."><al><vet>dag</vet>: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00
                                    uur, of een gedeelte daarvan; </al></li><li nr="e."><al><vet>bedrijfspompen</vet>: de pompen, die met uitsluiting van
                                    verstrekking of verkoop aan derden, slechts worden gebruikt ter
                                    verstrekking van motorbrandstoffen voor interne
                                    bedrijfsdoeleinden; </al></li><li nr="f."><al><vet>het college: </vet>het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort; </al></li><li nr="g."><al><vet>bestuursorgaan: </vet>de raad, het college of de
                                    burgemeester van de gemeente Zandvoort; </al></li><li nr="h."><al><vet>vergunning: </vet>een door het gemeentebestuur verleende en
                                    in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond
                                    waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven
                                    voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben; </al></li><li nr="i."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                    die door het college is aangewezen als ambtenaar belast met de
                                    heffing van de gemeentelijke belastingen; </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.2 NORMSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Belastbaar feit</label></kop><al>Onder de naam Precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter
                            zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare
                            dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en
                            de daarbij behorende tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Belastingplicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De Precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp
                                    of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst
                                    bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van
                                    wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de
                                    openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien een
                                    bestuursorgaan een vergunning heeft verleend voor het hebben van
                                    het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de
                                    openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de
                                    vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als
                                    degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het
                                    voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare
                                    dienst bestemde gemeentegrond heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vrijstellingen</label></kop><al>De Precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van
                                    voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;</al></li><li nr="b."><al>voorwerpen welke ingevolge een wettelijk voorschrift, een
                                    overeenkomst of anderszins rechtens moeten worden gedoogd;</al></li><li nr="c."><al>voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de
                                    voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het
                                    voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond
                                    van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet,
                                    dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is
                                    overeengekomen.</al></li><li nr="d."><al>voorwerpen, gebruikt voor activiteiten met een politiek,
                                    godsdienstig, geestelijk, wereldbeschouwelijk, sociaal, weldadig
                                    doel dan wel, voor zover geen sprake is van een directe of
                                    indirecte commerciële (neven)activiteit, voor activiteiten met
                                    een sportief, cultureel, recreatief of mediadoel;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen op de openbare weg bij kleinschalige niet-commerciële
                                    buurtactiviteiten;</al></li><li nr="f."><al>voorzieningen, aangebracht ten behoeve van mindervaliden, tot
                                    het toegankelijk maken van een eigendom;</al></li><li nr="g."><al>vlaggen, vlaggenmasten, vlaggenstokhouders en dergelijke
                                    voorwerpen;</al></li><li nr="h."><al>alarminstallaties, tv-camera’s en dergelijke voorwerpen die ten
                                    behoeve van de veiligheid van het perceel zijn aangebracht;</al></li><li nr="i."><al>voor het gebruik of genot van voorwerpen die niet gesloopt,
                                    verplaatst of veranderd mogen worden door plaatsing op de rijks-
                                    of gemeentelijke monumentenlijst;</al></li><li nr="j."><al>voorwerpen aangebracht aan een perceel ten behoeve van de afvoer
                                    van hemelwater van dat betreffende perceel;</al></li><li nr="k."><al>kabels voor elektriciteitsvoorziening welke zijn aangebracht aan
                                    het perceel;</al></li><li nr="l."><al>spionnetjes, bloembakken, buitenbrievenbussen, rolluiken,
                                    receptenbussen, spandoeken, antennes en andere gelijksoortige
                                    voorwerpen, huisnummerplaatjes en dergelijk voorwerpen;</al></li><li nr="m."><al>balkons en andere gelijksoortige open uitbouwen met balustrade
                                    aan een bovenverdieping van een onroerende zaak of aan een flat,
                                    welke slechts voor woondoeleinden door de gebruiker van die
                                    onroerende zaak kan worden gebruikt;</al></li><li nr="n."><al>ten behoeve van het publiek aangebrachte brievenbussen;</al></li><li nr="o."><al>wegwijzers en verkeersaanwijzingen van de Koninklijke
                                    Nederlandse Toeristenbond A.N.W.B. en van andere overeenkomstige
                                    instellingen dan wel soortgelijke voorwerpen ten dienste van het
                                    wegverkeer om het gebruik van wegen door zich daarop
                                    voortbewegend verkeer te vergemakkelijken, waaronder in ieder
                                    geval worden begrepen algemene bewegwijzeringen waarmee een
                                    algemeen belang wordt gediend;</al></li><li nr="p."><al>borden, masten, palen e.d. die in verband met verkiezingen van
                                    vertegenwoordigende lichamen zijn aangebracht;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief</label></kop><al>De Precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven
                            opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met
                            inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Berekening van de Precariobelasting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de berekening van de Precariobelasting wordt met betrekking
                                    tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat
                                    een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.</al></li><li nr="2."><al>Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de
                                    Precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de
                                    horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is
                                    bepaald.</al></li><li nr="3."><al>De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt
                                    gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een
                                    om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.</al></li><li nr="4."><al>Indien een bestuursorgaan een vergunning heeft verleend voor het
                                    hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor
                                    de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de
                                    berekening van de Precariobelasting aangesloten bij de
                                    geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het
                                    belastbaar feit zich gedurende een kortere of langere periode
                                    heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing,
                                    waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.</al></li><li nr="5."><al>Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor
                                    verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de
                                    Precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige
                                    meest voordelige wijze.</al></li><li nr="6."><al>Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief,
                                    weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak
                                    een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of
                                    een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk
                                    week of maand van het belastingtijdvak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Belastingtijdvak</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In de gevallen waarin een bestuursorgaan een vergunning heeft
                                    verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen
                                    onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde
                                    gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de
                                    vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een
                                    kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning
                                    het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.</al></li><li nr="2."><al>In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het
                                    belastingtijdvak de aaneengesloten periode gedurende welke het
                                    belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Wijze van heffing</label></kop><al>De wordt geheven bij wege van aanslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de
                                    Precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het
                                    belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de
                                    belastingplicht.</al></li><li nr="2."><al>In de gevallen bedoeld in artikel 7, tweede lid, is de
                                    Precariobelasting verschuldigd bij het einde van het
                                    belastingtijdvak.</al></li><li nr="3."><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
                                    aanvangt is de naar jaartarieven geheven Precariobelasting
                                    verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat
                                    tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na
                                    aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                                    overblijven.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
                                    eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar
                                    jaartarieven geheven Precariobelasting voor zoveel twaalfde
                                    gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde als er in dat
                                    tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle
                                    kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de
                                    ontheffing minder bedraagt dan € 5,00.</al></li><li nr="5."><al>Belastingbedragen van minder van € 5,00 worden niet
                                    geheven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Termijnen van betaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste
                                    dag van de derde maand volgend op de maand die in de dagtekening
                                    van het aanslagbiljet is vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid,
                                    onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een
                                    belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
                                    bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></li><li nr="3."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in
                                    voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Nadere regels door het college</label></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                            invordering van de Precariobelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Kwijtschelding</label></kop><al>Bij de invordering van de Precariobelasting wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 13 Bevoegdheden</label></kop><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De 'Verordening Precariobelasting 2011' vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 9 november 2010 wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                    Precariobelasting 2012 '.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2011,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Tarieventabel behorende bij de “Verordening
                        Precariobelasting 2012”.</titel></kop><al>Tarieventabel, als bedoeld in artikel 5 van de verordening Precariobelasting
                    2012</al><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 1 - Algemeen</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Het tarief bedraagt voor voorwerpen waarvoor in deze
                                        tarieventabel geen afzonderlijk tarief is opgenomen per
                                        voorwerp</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>1.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 1,30 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>1.1.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per week</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 3,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>1.1.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per maand</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 6,50 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>1.1.4</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 28,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 2 - Benzinepompinstallaties
                                        e.d.</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Enkele benzine- of oliepompinstallatie of dergelijke
                                        inrichting, met inbegrip van de daarbij behorende
                                        pompheuvel, vulput en leidingen </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 464,90 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Dubbele benzine- of oliepompinstallatie of dergelijke
                                        inrichting, met inbegrip van de daarbij behorende
                                        pompheuvel, vulput en leidingen</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€929,90 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Mengpomp voor benzine en olie ten behoeve van bromfietsen,
                                        voor zover deze niet is geïncorporeerd in de normale
                                        benzine- of oliepomp als bedoeld in 2.1 en/of 2.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.3.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 23,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.4</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Water- en/of luchtpompinstallatie met inbegrip van de
                                        daarbij behorende geleidingen </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.4.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 58,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.5</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Benzine- of olietank of dergelijke inrichting met een inhoud
                                        van 5.000 liter of minder </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.5.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 69,90 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.6</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Benzine- of olietank of dergelijke inrichting met een inhoud
                                        van meer dan 5.000 liter per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.6.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€115,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.7</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Vulput en leidingen, niet behorende bij een benzine- of
                                        oliepompinstallatie </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>2.7.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 23,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 3 - Reclamevoorwerpen</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>3.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Aankondigings- of andere reclameborden, waaronder (driehoek)
                                        sandwichborden </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>3.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per voorwerp per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 1,30 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>3.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Lichtbakken, lantaarns, letterreclame, uithangbord of
                                        –tekens, gevelborden, alsmede alle andere soortgelijke tot
                                        reclamedoeleinden dienende of gebezigde voorwerpen, voor
                                        zover deze buiten het gevelvlak uitsteken </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>3.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 40,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>3.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Vitrine-, uitstal- of etalagekast en dergelijke</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>3.3.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 46,50 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 4 - Bouw- en
                                        onderhoudswerken</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Bouwmaterialen, waaronder ook een werk- of bergloods,
                                        schaft-, directieketen of -wagens, steiger of stelling </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.1.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 25,40 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Heikar of –stelling, kraan, betonmolen, asfaltketel,
                                        trechter of enig ander werktuig ten dienste van bouwwerken
                                    </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.2.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 25,40 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Containers, laadbakken </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.3.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.4</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Voor een hek of andere afschutting, andere dan die genoemd
                                        in hoofdstuk 5.4 </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.4.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per strekkende meter per dag </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.4.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per strekkende meter per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 25,40 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>4.5</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Indien de onder hoofdstuk 4 genoemde voorwerpen zich
                                        bevinden op de in hoofdstuk 7 aangeduide parkeervakken
                                        zullen voor de berekening van het tarief de tarieven van
                                        hoofdstuk 7 van toepassing zijn.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 5 - Objecten bij (on)roerende
                                        zaken</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Fundering, licht- en luchtopening (koekoek), kelderingang of
                                        baldakijn</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 9,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Transportbaan, tunnel of leidingkoker, afvoerputje e.d.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 9,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Markies of zonnescherm</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.3.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per strekkende meter per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 9,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.4</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Tochtscherm, windscherm, hek of andere afschutting, andere
                                        dan die genoemd in hoofdstuk 4.4</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.4.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per strekkende meter per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 23,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.5</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Automatisch weeg- of verkooptoestel, verrekijker of ander
                                        dergelijk toestel</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per maand</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 13,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.1.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 65,50 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.6</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Luifel, arcade e.d.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>5.6.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 23,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 6 - Gebruik van grond voor andere
                                            doeleinden</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Terras, waaronder mede begrepen de daarop geplaatste banken,
                                        tafels, parasols, stoelen e.d.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>In gebied A</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.1.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per maand</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 13,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.1.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 66,30 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>In gebied B</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,30 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.2. 2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per maand</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 6,90 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.1.2.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 33,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Uitstallen van goederen langs de percelen</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>In gebied A</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per maand</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 13,80 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2.1.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 66,30 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>In gebied B</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per maand</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 6,90 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.2.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 33,20 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.3</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Het plaatsen van voorwerpen in verband met het houden van
                                        een evenement op grond van de APV Zandvoort, zoals
                                        buitenpodia of een andere verhoging voor publieke optredens,
                                        tenten, parasols, kramen, buitentaps, mobiele urinoirs of
                                        toiletten, geluidsinstallaties alsmede alle andere
                                        soortgelijke voorwerpen ten behoeve van het evenement</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.3.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>In gebied A</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.3.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.3.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>In gebied B</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.3.2.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per m² per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,30 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.4</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Onder de gebieden welke in hoofdstuk 6 zijn opgenomen dient
                                        te worden verstaan: </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.4.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Gebied A: de wegen, straten en pleinen e.d. van de gemeente
                                        gelegen tussen de noordzijde J. van Heemskerckstraat,
                                        oostzijde Burg. Engelbertsstraat in aansluiting met hoek
                                        Zeestraat, noordzijde Zeestraat, oostzijde Haltestraat,
                                        noordzijde Louis Davidsstraat, Noordzijde Prinsesseweg, de
                                        Oostzijde van de Koniginneweg, de noordzijde van de
                                        Haarlemmerstraat,zuidzijde Hogeweg, de Oostzijde van de
                                        Westerparkstraat, de zuidzijde van de Torenstraat, zuidzijde
                                        Thorbeckestraat in aansluiting met Boulevard Paulus Loot, de
                                        Boulevard Paulus Loot tot aan de Boulevard de Favauge,
                                        Boulevard de Favauge tot Boulevard Barnaart; en voorts aan
                                        de binnen dit gebied liggende wegen, straten, pleinen e.d.
                                        uitkomende zijstraten tot een afstand van 20 meter van het
                                        snijpunt van de rijbaankanten of de verlengden daarvan.
                                        Indien de onder hoofdstuk 6 genoemde voorwerpen zich
                                        gedeeltelijk bevinden binnen voormelde afstand van 20 meter,
                                        worden voor de berekening van het tarief de voorwerpen
                                        geacht geheel binnen die afstand te zijn gelegen.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.4.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Gebied B: alle niet onder gebied A (6.4.1.) genoemde wegen,
                                        straten, pleinen e.d.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>6.5</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Indien de onder hoofdstuk 6 genoemde voorwerpen zich
                                        bevinden op de in hoofdstuk 7 aangeduide parkeervakken zal
                                        voor de berekening van het tarief de tarieven in hoofdstuk 6
                                        van toepassing zijn.</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 7 - Plaatsen van voorwerpen in
                                            parkeervak</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>7.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Voor het plaatsen van voorwerpen anders dan een voertuig in
                                        een parkeervak waar parkeren slechts tegen betaling van
                                        parkeergeld of met gebruikmaking van een vergunning is
                                        toegestaan in:</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>7.1.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>per parkeervak per dag</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 22,00 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al><vet>Hoofdstuk 8 - Leidingen, kabels en
                                        buizen</vet></al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al/></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>8.1</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Voor de eerste 20 strekkende meters per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€28,70 </al></entry></row><row><entry morerows="0" rotate="0"><al>8.2</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Voor elke volgende strekkende meter per jaar</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>€ 0,50 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al>Behoort bij raadsbesluit van 14 december 2011</al><al/><al/><al>De griffier van Zandvoort</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</label></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.1 ALGEMEEN</titel></kop><al>De verordening bestaat uit twee gedeelten, namelijk de verordening zelf met de
                    formele en materiële bepalingen en de tarieventabel met een omschrijving van de
                    te belasten voorwerpen en de tarieven. Deze opzet heeft twee voordelen.
                    Aangezien het aantal voorwerpen waarvoor kan worden geheven zeer divers is,
                    maakt een aparte tarieventabel het voor de gemeente eenvoudiger om de
                    verordening aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden. Voorts zijn
                    tariefwijzigingen op eenvoudige wijze in de tarieventabel te verwerken zonder
                    dat de onderlinge samenhang van de artikelen in de verordening verloren
                    gaat.</al><al>Aangezien er bij de veelal geen relatie met de gemeentelijke kosten ter zake van
                    het hebben van voorwerpen aanwezig is, is de tariefstelling geheel afhankelijk
                    van het gemeentelijke beleid .</al><al>Onderstaand allereerst een artikelsgewijs toelichting op de verordening gevolgd
                    door een</al><al>toelichting op de tarieventabel.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de
                        verordening, meer in het bijzonder de tarieventabel, voorkomende begrippen
                        is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.</al><al/><al><cursief>Ad. g.</cursief></al><al>Vergunningen kunnen worden verleend door verschillende bestuursorganen,
                        afhankelijk van hun bevoegdheid. De bevoegdheden zijn geregeld in de
                        betreffende bepalingen of beleid met betrekking tot de vergunningen.</al><al/><al><cursief>Ad. h.</cursief></al><al>Er is voor gekozen om een omschrijving op te nemen van het begrip
                        'vergunning' . In verband met een doelmatige uitvoering wordt in de
                        verordening zoveel mogelijk aangesloten bij een door een bestuursorgaan
                        verleende vergunning (zie de artikelen 3, tweede lid, 6, vierde lid en 7,
                        eerste lid). Het gaat er dan om dat een door een bestuursorgaan verleende
                        toestemming om voorwerpen te hebben onder, op of boven voor de openbare
                        dienst bestemde gemeentegrond in een gemeentelijke registratie is opgenomen.
                        Dit betekent dat het moet gaan om een samenhangende verzameling van
                        vergunningen, ontheffingen, instemmingen met meldingen en dergelijke, die
                        langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende
                        raadpleging van deze gegevens systematisch is aangelegd. Te denken valt
                        hierbij aan vergunningen of ontheffingen op grond van de Algemene
                        plaatselijke verordening (APV), bouwvergunningen, meldingen en dergelijke.
                        De gekozen begripsomschrijving omvat al deze toestemmingen. De term
                        'persoon' in de begripsomschrijving ziet zowel op natuurlijke als op
                        rechtspersonen.</al><al><cursief>Ad. i.</cursief></al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                        verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                        gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college (ad i).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Ingevolge artikel 228 van de Gemeentewet kan de gemeente een
                        Precariobelasting heffen ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of
                        boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De voorwerpen ter zake
                        waarvan Precariobelasting wordt geheven, zijn genoemd in de tarieventabel.
                        Daarnaast bevat artikel 4 een aantal vrijgestelde voorwerpen van
                        belasting.</al><al>De woorden 'hebben', 'voorwerpen' en 'onder, op of boven' kunnen naar het
                        spraakgebruik worden geïnterpreteerd. Voor het 'hebben' van voorwerpen is
                        blijkens Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal geen
                        eigendomsverhouding nodig. 'Hebben' kan onder meer zijn: bezitten,
                        beschikken over, in het genot zijn van. Indien de wetgever hier eigendom of
                        een beperkt recht zou hebben bedoeld, zou dit expliciet in artikel 228 van
                        de Gemeentewet zijn opgenomen. Dit is bevestigd in de jurisprudentie. Hof
                        Arnhem overwoog dat het begrip 'hebben' ingevolge de jurisprudentie ruim
                        moet worden geïnterpreteerd, daarbij verwijzend naar het arrest van de Hoge
                        Raad van 7 oktober 1998, nr. 33553, BNB 1998/384 (Leiden) Daaronder moet
                        niet alleen worden verstaan het hebben als eigenaar, maar ook het hebben als
                        huurder of direct belanghebbende (Hof Arnhem 12 juni 2001, nr. 99/264,
                        Belastingblad 2001, blz. 1152 (Nijmegen). In genoemd arrest ging het
                        overigens om reclamebelasting. Met betrekking tot het begrip 'voorwerpen'
                        heeft Hof Arnhem in zijn uitspraak van 12 mei 1999, nr. 97/22442,
                        Belastingblad 1999, blz. 781 (Apeldoorn), geoordeeld dat, gelet op het
                        taalgebruik, hieronder dient te worden verstaan niet tot de levende natuur
                        behorende stoffelijke dingen, welke afgezien van weersinvloeden of ingrepen
                        door de mens, onveranderlijk zijn in vorm en volume en een plaats innemen in
                        de ruimte. Met betrekking tot het woord 'boven' overwoog de Hoge Raad in
                        zijn arrest van 20 september 1933, WvhR nr. 12661: 'er is geen reden om aan
                        het woord 'boven' in artikel 275, derde lid (oud) de beperkende en van het
                        spraakgebruik afwijkende betekenis toe te kennen (…) terwijl zodanige
                        beperkte opvatting ook niet uit de strekking en geschiedenis der Wet van 18
                        mei 1929, S. no 230, tot wijziging van artikel 238 (oud) is af te leiden'. </al><al>Een voorwerp moet zich anders dan van voorbijgaande aard, onder, op of boven
                        gemeentegrond bevinden (Hoge Raad 27 april 1983, nr. 21606, Belastingblad
                        1983, blz. 400 (Beverwijk). De voorwerpen moeten worden aangetroffen onder,
                        op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. De grond moet in
                        eigendom zijn van de gemeente (Hoge Raad 17 februari 1932, WvhR nr. 12414;
                        Hof 's-Gravenhage 25 oktober 1973, nr. 91/1973, BNB 1974/214 (Gorinchem)).
                        Grond, welke eigendom is van de gemeente, is voor de openbare dienst bestemd
                        indien die grond kan worden gebruikt tot algemeen nut en indien in beginsel
                        een ieder bij die grond belang kan hebben. Niet relevant is de planologische
                        bestemming van de grond (Hof Amsterdam 2 maart 1990, nr. 4211/88,
                        Belastingblad 1991, blz. 42, BNB 1991/170 (Amsterdam) en Hof 's-Gravenhage
                        11 mei 1994, nr. 93/2846, FED 1995/4). Ook ter zake van het hebben van
                        voorwerpen onder, op of boven het gemeentelijke water kan Precariobelasting
                        worden geheven. Artikel 277, eerste lid, onderdeel c, van de gemeentewet
                        (Stb. 1931, 89) bepaalde dit uitdrukkelijk. Met de inwerkingtreding van het
                        nieuwe Burgerlijk Wetboek ingaande 1 januari 1992 was dat niet langer nodig.
                        Thans bepaalt artikel 20, onderdeel d van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek
                        dat de eigendom van de grond ook omvat het water dat zich op de grond
                        bevindt en niet in open gemeenschap met water op eens anders erf staat.
                        Overigens geldt ook hier de eis dat het voorwerp zich 'anders dan
                        voorbijgaande aard' onder, op of boven het gemeentelijk water bevindt. Het
                        moet gaan om 'een enigszins duurzame bestemming boven dezelfde plek
                        gemeentegrond, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij woonschepen' (Hof
                        's-Gravenhage 20 september 2001, nr. 00/00451, Belastingblad 2002, blz.
                        35).</al><al>Het is vaste jurisprudentie dat een gemeente alleen Precariobelasting kan
                        heffen indien de gemeente uitdrukkelijk of stilzwijgend veroorlooft of
                        toelaat, dan wel onverplicht gedoogt dat een derde onder, op of boven de
                        gemeentegrond voorwerpen heeft. Van veroorloven of toelaten is sprake indien
                        de gemeente rechtens bevoegd is het hebben van de voorwerpen te verbieden.
                        Deze bevoegdheid is een uitvloeisel van het eigendomsrecht van de gemeente
                        alsmede van de mogelijkheden van de gemeente om bepaalde verboden op te
                        leggen in het belang van de openbare orde.</al><al>Verschillende omstandigheden kunnen de oorzaak zijn dat een gemeente
                        rechtens niet bevoegd is tot tussenkomst en de voorwerpen derhalve rechtens
                        moeten gedogen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kabels ten
                        dienste van een openbaar telecommunicatienetwerk of omroepnetwerk die
                        gemeenten moeten gedogen op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de
                        Telecommunicatiewet. Voorts kan worden gedacht aan de situatie waarbij een
                        derde krachtens recht van erfpacht de zeggenschap heeft over de grond of dat
                        het gebruik van gemeentegrond is afgedwongen op grond van de
                        Belemmeringenwet privaatrecht (voor een geval waarin dat niet was gebeurd
                        zie de uitspraak van Hof 's-Gravenhage van 12 oktober 1994, nr. 920986 M I,
                        Belastingblad 1995, blz. 3). De enkele omstandigheid dat een belanghebbende
                        op grond van een verleende vergunning (concessie) gehouden is in de gemeente
                        gas en elektriciteit te leveren, brengt voor de gemeente niet de
                        verplichting mee te gedogen dat de haar toebehorende grond zou worden
                        gebruikt om daarin de voor die leveringen nodige leidingen en kabels te
                        laten liggen. Een gemeente kan ook Precariobelasting heffen indien zij het
                        gebruik van de gemeentegrond onverplicht gedoogt (Hoge Raad 13 augustus
                        2004, nrs. 37408, 37409, 37410, LJN: AF7810 (Den Haag)).</al><al>Daarmee is de uit de jaren dertig van de vorige eeuw gewezen jurisprudentie
                        over concessies, vergunningen en erfdienstbaarheden achterhaald. Gedoeld
                        wordt hierbij op:</al><lijst><li nr="i."><al>HR 22 mei 1936, nr. 6898, NJ 1936/514: op grond van een concessie
                                dient de concessieverlenende gemeente de aanwezigheid van kabels te
                                gedogen;</al></li><li nr="ii."><al>HR 20 oktober 1937, nr. 7599, NJ 1937/1147: op grond van een
                                vergunning van een andere overheid dient een gemeente de
                                aanwezigheid van tramrails te gedogen;</al></li><li nr="iii."><al>HR 16 december 1942, nr. 9275, NJ 1943/61: op grond van een
                                erfdienstbaarheid dient een gemeente de aanwezigheid van een
                                waterleiding te gedogen.</al><al/></li></lijst><al>Op grond van het vorenstaande dient er expliciet een gedoogplicht, in een
                        wettelijke regeling zijn opgenomen of moet zijn afgedwongen (op grond van de
                        Belemmeringswet Privaatrecht) wil de gemeente ter zake van bepaalde
                        voorwerpen geen Precariobelasting kunnen heffen. </al><al>In verband hiermee kan in beginsel worden geheven van andere nutsleidingen
                        dan telecommunicatieleidingen. Het gaat hier om leidingen of kabels voor
                        gas, water en elektriciteit. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge
                        Raad van 13 augustus 2004, nrs. 37408, 37409, 37410, LJN: AF7810 (Den Haag).
                        De situatie kan zich echter voordoen dat deze leidingen of kabels toch
                        moeten worden gedoogd op grond van artikel 1 van de Belemmeringenwet
                        privaatrecht.</al><al/><al>De laatste jaren komt het steeds vaker voor dat aan leidingen een afgeleide
                        functie wordt gegeven. Zo bieden de Nederlandse Spoorwegen hun interne
                        telefoonlijnen langs spoorwegen ook aan derden aan. In de jurisprudentie
                        zijn geen voorbeelden te vinden waar bij de aanwezige kabels en leidingen
                        meerdere functies zijn te onderscheiden. Bij de beoordeling van wet of
                        overeenkomst zal in de eerste plaats moeten worden bekeken of ook is
                        voorzien in de nevenfunctie en in de verplichting deze nevenfunctie al dan
                        niet te gedogen. Indien de nevenfunctie van de leiding niet nader is
                        geregeld, moet worden aangesloten bij de hoofdfunctie van de leiding. Het is
                        immers de hoofdfunctie die aanleiding geeft tot aanleg van de leiding,
                        terwijl de nevenfunctie in het algemeen wordt ingegeven door
                        capaciteitsoverschot. Indien de nevenfunctie van een leiding de overhand
                        gaat nemen, kan de mogelijkheid bestaan dat de functie van de leiding
                        wijzigt. In dat geval zal een heroverweging nodig zijn over het al dan niet
                        verschuldigd zijn van precariobelasting. Dit is anders voor kabels waarbij
                        er sprake is van de gedoogplicht ingevolge artikel 5.2 van de
                        Telecommunicatiewet. Op grond van artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet is
                        een gemeente verplicht de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels ten
                        dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in haar openbare
                        grond te gedogen. Uit de definitie van kabels in artikel 1.1, onder z, van
                        de Telecommunicatiewet blijkt dat het begrip kabels ruim moet worden
                        opgevat. Kabels in de zin van de wet zijn niet alleen de fysieke
                        geleidingsdraden, maar ook alle voorzieningen terzake van de aanleg en
                        instandhouding ervan, zoals de beschermingswerken of zogenaamde HDPE-buizen
                        waarin glasvezelkabels worden geblazen. Ook lege mantelbuizen vallen onder
                        deze definitie.</al><al>Vanaf 19 mei 2004 is het niet meer mogelijk Precariobelasting te heffen ter
                        zake van niet gevulde mantelbuizen ten dienste van een openbaar elektronisch
                        communicatienetwerk, omdat er sprake is van een wettelijke gedoogplicht
                        (Stb. 2004, 189). Deze gedoogplicht geldt niet alleen voor kabels die door
                        exploitanten van openbare elektronische communicatienetwerken worden
                        aangelegd, maar ook voor kabels (ten dienste van openbare elektronische
                        communicatienetwerken) die door andere partijen worden aangelegd (artikel
                        5.1 van de Telecommunicatiewet). Een aanbieder van een openbaar elektronisch
                        communicatienetwerk is voor de toepassing van de gedoogplicht dus ook een
                        partij die op eigen initiatief voorzieningen aanlegt, instandhoudt en
                        opruimt, maar zelf geen exploitant is van een openbaar elektronisch
                        communicatienetwerk. In artikel 5.2, achtste lid is de gedoogplicht voor
                        niet gevulde mantelbuizen beperkt tot tien jaar (Stb. 2007, 16). Als een
                        niet gevulde mantelbuis niet binnen tien jaar in gebruik wordt genomen,
                        vervalt de gedoogplicht en kan precariobelasting worden geheven. De
                        aanleggers krijgen zodoende geruime tijd om de voorzieningen zelf in gebruik
                        te nemen of door (andere) aanbieders van elektronische communicatienetwerken
                        te laten gebruiken. Deze regeling geldt voor voorzieningen die na 1 februari
                        2007 zijn aangelegd. Voor ongebruikte kabels, lege mantelbuizen of andere
                        ondergrondse ondersteuningswerken of beschermingswerken die op die datum al
                        in de grond liggen geldt een overgangsregeling (artikel 20, vijfde lid, van
                        de Telecommunicatiewet).</al><al/><al>Onder omstandigheden kan de eigendom van voorwerpen onder, op of boven
                        gemeentegrond door natrekking overgaan op de gemeente. Zie uitspraak Hof
                        Arnhem 12 juni 2001, nr. 99/264, Belastingblad 2001/1152 (Nijmegen), waarin
                        de gemeente ingevolge natrekking eigenaar is geworden van een olietank.</al><al>Veelal is voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond
                        een vergunning vereist. Bij de heffing van Precariobelasting kan hierbij
                        worden aangeknoopt. Gekozen hiervoor is in artikel 3, tweede lid, artikel 6,
                        vierde lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, eerste lid. In artikel 1,
                        onderdeel h, is een begripsomschrijving van vergunning opgenomen.
                        Aansluiting bij een vergunningenbestand bevordert een doelmatige uitvoering
                        van de heffing. Door het samenstel van genoemde bepalingen wijkt de
                        verordening af van de situatie die zich voordeed in de zaak die heeft geleid
                        tot de uitspraak van Hof Arnhem van 11 februari 2004, nr. 02/01932, LJN:
                        AO6963, Belastingblad 2004, blz. 531 (Kampen). In het betreffende geval had
                        de gemeente een aanslag opgelegd over de vergunningperiode die
                        kalenderjaaroverschrijdend was, terwijl in de belastingverordening het
                        belastingtijdvak gelijk was gesteld aan het kalenderjaar. Ook had de
                        gemeente bij de aanvang van de vergunningperiode geheven. Het hof
                        vernietigde de aanslag omdat die betrekking had op twee belastingtijdvakken.
                        Ook bepaalde het hof dat pas na afloop van het belastingtijdvak kon worden
                        geheven, omdat pas dan de belastingschuld vaststond. In de verordening is
                        voor een doelmatige uitvoering aangeknoopt bij de vergunningverlening, maar
                        is ook een tegenbewijsregeling opgenomen. Het gaat immers om - ondanks een
                        eventuele vergunning - om de feitelijke situatie, derhalve los gezien van de
                        juridische inbedding van die voorwerpen, zoals een vergunning (Hof
                        's-Gravenhage 30 oktober 1997, nr. 94/4220, Belastingblad 1998, blz. 745
                        (Delft)). Alvorens een aanslag op te leggen, zal de gemeente dus inzicht
                        moeten hebben in de feitelijke situatie, dat wil zeggen moeten nagaan of en
                        in hoeverre op grond van de vergunning voorwerpen onder, op of boven voor de
                        openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. In verband met een
                        mogelijk van de</al><al>vergunning afwijkende feitelijke situatie, is in artikel 3, tweede lid, en
                        artikel 6, vierde lid, ook een tegenbewijsregeling opgenomen. In de
                        verordening is niet gekozen voor de mogelijkheid de heffing van
                        Precariobelasting te beperken tot voorwerpen waarvoor vergunning is
                        verleend. Illegale voorwerpen zouden dan namelijk niet in de heffing kunnen
                        worden betrokken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>Ingevolge artikel 217 van de Gemeentewet dient in de belastingverordening te
                        worden vermeld wie de belastingplichtige is. In het eerste lid is gekozen
                        voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te voorkomen dat in
                        bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden. In
                        de eerste zinsnede is aangesloten bij het belastbaar feit voor de
                        precariobelasting, te weten het hebben van voorwerpen. Het gebruik van de
                        woorden 'dan wel' is bedoeld om te voorkomen dat ter zake van hetzelfde
                        belastbare feit van twee belastingplichtigen, te weten degene die voorwerpen
                        heeft en degene ten behoeve van wie de voorwerpen aanwezig zijn,
                        Precariobelasting zal worden geheven. Vanuit de systematiek van de
                        verordening ligt het voor de hand in eerste instantie degene die de
                        voorwerpen heeft in de heffing te betrekken. Deze zal het meest
                        rechtstreekse belang hebben ter zake van het hebben van de voorwerpen onder,
                        op of boven gemeentegrond. Indien het niet mogelijk is deze
                        belastingplichtige aan te wijzen, bijvoorbeeld indien deze duidelijk niet de
                        belanghebbende is, kan degene ten behoeve van wie de voorwerpen aanwezig
                        zijn als belastingplichtige worden aangemerkt. Dit laatste zal zich niet
                        snel voordoen omdat degene die de voorwerpen heeft per definitie een belang
                        daarbij heeft, welk belang bovendien veelal op de voorgrond zal treden.
                        Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 1992, nr. 27819,
                        Belastingblad 1992, blz. 383, en Hof 's-Gravenhage 16 december 1992, nr.
                        912262, Belastingblad 1993, blz. 225 (beide betreffende de reclamebelasting
                        Rotterdam). In een geval dat een belanghebbende op grond van een
                        overeenkomst met een aannemer door deze een container liet plaatsen en
                        daarvoor een vergoeding betaalde, moest belanghebbende worden aangemerkt als
                        degene ten behoeve van wie de container aanwezig was (Hof Amsterdam 22 maart
                        1993, nr. 92/1386, FED 1993/287). In een geval dat belanghebbende
                        toiletunits verhuurde en deze gedurende de huurperiode ook schoonmaakte,
                        oordeelde de Hoge Raad dat zowel de eigenaar als de huurder de toiletunit
                        'heeft', maar dat de verhuurder onder deze omstandigheden moest</al><al>worden aangemerkt als degene ten behoeve van wie de toiletunits aanwezig
                        waren (Hoge Raad van 3 november 1999, nr. 34122, LJN: AA2919, Belastingblad
                        2000, blz. 107 (Haarlem)).Indien een vergunning is verleend voor het hebben
                        van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde
                        gemeentegrond, zal degene aan wie de vergunning is verleend (of diens
                        rechtsopvolger) in de meeste gevallen ook de voorwerpen 'hebben', dan wel
                        zullen de voorwerpen ten behoeve van hem aanwezig zijn. Bij de heffing van
                        Precariobelasting wordt zoveel mogelijk aangekoppeld bij het bestand
                        vergunningverlening (dit kan bijvoorbeeld zowel bouw- als APV-vergunningen
                        betreffen). In verband hiermee is er in het tweede lid voor gekozen degene
                        aan wie de vergunning is verleend als belastingplichtige aan te merken.
                        Overigens kan het de gemeente ambtshalve bekend zijn dat niet de
                        vergunninghouder, maar een ander de voorwerpen 'heeft'. De uitzondering in
                        de slotzinsnede ('tenzij …') doet zich dan voor; laatstgenoemde is dan op
                        grond van het eerste lid belastingplichtig. De vergunninghouder kan op grond
                        van de slotzinsnede van het tweede lid ook zelf tegenbewijs leveren. Indien
                        de vergunninghouder niet overtuigend kan aantonen dat hij de voorwerpen niet
                        'heeft', is hij belastingplichtig. Bestaat daarover desondanks twijfel, dan
                        zal in redelijkheid kunnen worden aangenomen dat de voorwerpen wel ten
                        behoeve van hem aanwezig zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn vrijstellingen opgenomen. In de praktijk kunnen meer
                        vrijstellingen voor. Het opnemen van vrijstellingen is afhankelijk van het
                        gemeentelijk beleid . Het mag echter niet zo zijn dat het opnemen van
                        vrijstellingen leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing,
                        die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van
                        Precaribelasting niet kan hebben bedoeld. Op enkele afzonderlijke
                        vrijstellingen zal hieronder nog nader worden ingegaan.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>De in dit onderdeel opgenomen vrijstelling is uit doelmatigheidsoverwegingen
                        opgenomen.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>De in dit onderdeel opgenomen vrijstelling ziet op de gevallen waarin de
                        gemeente rechtens niet bevoegd is het hebben van voorwerpen te verbieden. In
                        die gevallen kan de gemeente geen Precaribelasting heffen. Verwijzen wordt
                        naar de toelichting op artikel 2. </al><al/><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>In de praktijk komen verschillende vormen van vergoedingen voor, die verband
                        houden met het gebruik van gemeentelijke eigendommen. Zo kunnen
                        gebruiksretributies worden gevorderd voor het gebruik overeenkomstig de
                        bestemming van gemeentebezittingen. Indien dat gebruik het hebben van
                        voorwerpen omvat, zou tevens Precariobelasting kunnen worden geheven. Voor
                        het heffen van Precariobelasting is overigens niet vereist dat het gebruik
                        'overeenkomstig de bestemming' plaatsvindt. Voorts worden soms
                        privaatrechtelijke vergoedingen bedongen in verband met het gebruik van
                        gemeentegrond. Deze vergoedingen (recognities) zijn geen gebruiksvergoeding,
                        maar moet worden gezien als een erkenning van</al><al>het eigendomsrecht van de gemeente (Hof 's-Gravenhage 12 oktober 1994, nr.
                        920986, Belastingblad 1995, blz. 3; Hof Amsterdam 6 maart 2002, nr.
                        01/00964, Belastingblad 2002, blz. 656 (Amsterdam)). De in dit onderdeel
                        opgenomen vrijstelling dient om cumulatie van Precariobelasting en
                        gebruiksretributies of privaatrechtelijke vergoedingen te voorkomen. Deze
                        vrijstelling is niet verplicht. Het gebruik overeenkomstig de bestemming van
                        voor de openbare dienst gemeentebezittingen is een ander belastbaar feit dan
                        het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst
                        bestemde gemeentegrond. Zie voor een voorbeeld van het naast elkaar bestaan
                        van een Precariobelasting en een gebruiksretributie: Hof Leeuwarden 16 juni
                        2000, nr. 160/99, Belastingblad 2001, blz. 1140 (Groningen). De gemeente
                        Groningen hief onder de naam 'Precariobelasting woonschepen' een belasting
                        en rechten ter zake van het hebben van een woonschip op gemeentegrond,
                        alsmede ter zake van het gebruik van openbaar water met een woonschip. Er
                        was geen sprake van een ongeoorloofde cumulatie van heffingen.Wij gaan er in
                        het bovenstaande voorshands van uit dat het de gemeenten vrijstaat om in
                        plaats van een precariobelasting, dat wil zeggen een publiekrechtelijke
                        heffing, een privaatrechtelijke vergoeding te vragen voor het hebben van
                        voorwerpen. Wij achten het zgn. Windmill-arrest (Hoge Raad 26 januari 1990,
                        nr. 13724, BNB 1990/162, waarin de Hoge Raad oordeelt dat een
                        privaatrechtelijk handelen van de overheid niet een publiekrechtelijke
                        regeling op onaanvaardbare wijze mag doorkruisen, niet van toepassing. Een
                        dergelijke opvatting is met betrekking tot retributies ook te vinden in de
                        memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de
                        gewijzigde materiële belastingbepalingen met ingang van 1 januari 1995
                        (Kamerstukken II 1989/90, 21591, nr. 3, blz. 79).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De slotzinsnede is opgenomen met het oog op het bepaalde in artikel 6. Met
                        betrekking tot de Precariobelasting is een tariefdifferentiatie naar straten
                        of gebieden mogelijk te achten. Door de tarieven te koppelen aan bepaalde
                        gebieden wordt de mate van nut of voordeel dat de gebruiker van een
                        gemeentewerk heeft, tot uitdrukking gebracht (Hoge Raad 26 juni 1968, nr.
                        15850, BNB 1968/178 (Haarlem). Zie ook Hof Leeuwarden 16 juni 2000, nr.
                        160/99, Belastingblad 2000, blz. 1140 (Groningen)).</al><al/><al><cursief>Tarieventabel</cursief></al><al>Voor de maatstaf van heffing en de belastingtarieven is verwezen naar de
                        tarieventabel. De reden waarom voor een tarieventabel is gekozen is gelegen
                        in het feit dat door middel van een tarieventabel het eenvoudiger is om de
                        verordening aan te passen aan gewijzigde plaatselijke omstandigheden.</al><al/><al><cursief>Kostendekkendheid</cursief></al><al>Bij de Precariobelasting zijn de kosten van de gemeentelijke prestatie
                        veelal niet duidelijk. Dit vormde voor de regering aanleiding de
                        precariorechten om te dopen tot Precariobelasting. Wat voor de
                        precariorechten reeds gold, geldt ook voor de Precariobelasting: er bestaan
                        geen eisen met betrekking tot de kostendekkendheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Berekening van de Precariobelasting </titel></kop><al>In dit artikel is een aantal bepalingen opgenomen die de uitvoeringspraktijk
                        vergemakkelijken.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat een gedeelte van een in de tarieventabel
                        opgenomen lengte- of oppervlaktemaat voor een volle eenheid wordt
                        aangemerkt. Voor gedeelten van de tijdseenheden dag, week, maand of jaar
                        bevatten artikel 1, onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 6, vijfde lid, en
                        artikel 9, derde en vierde lid, een regeling. </al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In het tweede en derde lid worden nadere bepalingen gegeven voor die
                        gevallen waarin een tarief per oppervlakte in de tarieventabel is opgenomen.
                        Horizontale projectie van de voorwerpen betekent dat projectie van het
                        voorwerp in een horizontaal vlak moet plaatsvinden en dat vervolgens van dat
                        horizontale vlak de oppervlakte wordt bepaald. Bij andere dan rechthoekige
                        voorwerpen kan het berekenen van de oppervlakte leiden tot ingewikkelde
                        wiskundige berekeningen. In verband hiermee is in het derde lid bepaald dat
                        dan de oppervlakte van een denkbeeldig om het voorwerp geplaatste rechthoek
                        in</al><al>aanmerking wordt genomen. Horizontale projectie vindt niet plaats indien in
                        de verordening of tarieventabel anders is bepaald. Dat is bijvoorbeeld het
                        geval indien de frontoppervlakte maatstaf van heffing is.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Aan het slot van de toelichting op artikel 2 en in de toelichting op artikel
                        3 is reeds aangegeven dat een gemeente bij de heffing van Precariobelasting
                        zal willen aankoppelen bij het bestand vergunningverlening voor het hebben
                        van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde
                        gemeentegrond. De vergunning zal voor bepaalde of onbepaalde tijd zijn
                        verleend. Uit doelmatigheidsoverwegingen wordt in het vierde lid bepaald dat
                        voor de berekening van de Precariobelasting ervan wordt uitgegaan dat de
                        voorwerpen gedurende de gehele vergunningperiode worden gehouden. Ook hier
                        is tegenbewijs mogelijk. De gemeente dient zich er wel van te vergewissen of
                        ook daadwerkelijk voorwerpen aanwezig zijn. Het gaat bij de
                        Precariobelasting immers om de feitelijke en niet om de mogelijke
                        aanwezigheid van de voorwerpen. Indien de voorwerpen niet de gehele
                        vergunningperiode aanwezig zijn, wordt naar tijdsgelang geheven c.q. bestaat
                        aanspraak op ontheffing. De artikelen 244 (ambtshalve) of 242 (op verzoek)
                        van de Gemeentewet vinden toepassing. Als de geldigheidsduur van de
                        vergunning kalenderjaaroverschrijdend is of als de vergunning voor
                        onbepaalde tijd is verleend, het belastingtijdvak het kalenderjaar is (zie
                        artikel 7, onderdeel a). Met behulp van het bepaalde in het vijfde lid en
                        artikel 9, tweede en derde lid, kan de Precariobelasting berekend worden.
                        Vergelijk de uitspraak van Hof Arnhem van 11 februari 2004, nr. 02/01932,
                        LJN: AO6963, Belastingblad 2004, blz. 531 (Kampen) en hetgeen wij hierover
                        gesteld hebben aan het einde van de toelichting op artikel 2.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>In de tarieventabel zijn voor eenzelfde belastbaar feit soms tarieven per
                        dag, per week, per maand of per jaar opgenomen. Uit de verordening zal dan
                        echter moeten blijken wanneer het jaar-, maand-, week of dagtarief wordt
                        toegepast (Hof Amsterdam 29 maart 1985, nr. 2201/82 M IV, Belastingblad
                        1986, blz. 421, (Amsterdam).</al><al>Gewenst is het jaartarief lager te stellen dan het overeenkomstige tarief
                        voor de kortere perioden. Om die reden is het vijfde lid opgenomen. In het
                        vijfde lid is aangegeven dat de Precariobelasting wordt berekend op de voor
                        de belastingplichtige in de verordening meest voordelige wijze.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al> Als in de tarieventabel een week- of maandtarief is opgenomen, geldt dat
                        tarief zonder nadere regeling voor een periode van zeven achtereenvolgende
                        dagen, onderscheidenlijk een kalendermaand (artikel 1). Als de voorwerpen
                        een kortere periode dan een week, onderscheidenlijk een maand aanwezig zijn,
                        zou dan niet kunnen worden geheven. Daarom is - in afwijking van het
                        bepaalde in artikel 1 - opgenomen dat als er geen dagtarief,
                        onderscheidenlijk dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een
                        week, onderscheidenlijk een maand voor een geheel wordt gerekend. Wellicht
                        ten overvloede wijzen wij erop dat voor een gedeelte van een dag artikel 1
                        een regeling kent. Voor een gedeelte van een jaar bevat artikel 9 een
                        heffing naar tijdsgelang. Het bepaalde in het zesde lid kan evengoed als
                        tweede lid in artikel 1 worden opgenomen. Aangezien het in feite een
                        regeling is voor de berekening van de precariobelasting hebben wij voor
                        opneming in artikel 6 gekozen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingtijdvak</titel></kop><al>De bepaling inzake het belastingtijdvak moet worden opgenomen indien de
                        gemeentelijke belasting over een bepaald tijdvak wordt geheven.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is weer aansluiting gezocht bij de gemeentelijke
                        vergunningverlening. In beginsel is het belastingtijdvak gelijk aan de
                        periode waarvoor de vergunning is verleend. Indien de geldigheidsduur van de
                        vergunning over het kalenderjaar heengaat, is het belastingtijdvak gelijk
                        aan het kalenderjaar. Dit behoeft niet alleen betrekking te hebben op
                        'jaarvergunningen', maar kan ook een vergunning voor 2 dagen (31 december
                        jaar t en 1 januari jaar (t+1)) of een vergunning voor een aantal maanden
                        betreffen. In elk kalenderjaar waarop de vergunning betrekking heeft, wordt
                        dan een aanslag Precariobelasting opgelegd</al><al>over de periode gedurende welke de voorwerpen in dat jaar aanwezig
                        zijn/waren. Vergelijk de uitspraak van Hof Arnhem van 11 februari 2004, nr.
                        02/01932, LJN: AO6963, Belastingblad 2004, blz. 531 (Kampen).</al><al>Als belastingplichtige erin slaagt te bewijzen dat de voorwerpen niet
                        gedurende de gehele geldigheidsduur van de vergunning aanwezig waren of als
                        de gemeente dat uit eigen hoofde bekend is (vergelijk artikel 6, vierde
                        lid), wordt de Precariobelasting berekend over de kortere periode, maar wel
                        wordt opgelegd voor het gehele belastingtijdvak, dat is de geldigheidsduur
                        van de vergunning. Er wordt dan dus één aanslag opgelegd tijdens de
                        geldigheidsduur van de vergunning. Dit is slechts anders indien die
                        geldigheidsduur kalenderjaaroverschrijdend is. In dat geval volgt er per
                        kalenderjaar een aanslag.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Voor de niet onder het eerste lid te brengen gevallen geldt voor de
                        aaneengesloten periode gedurende welke de voorwerpen onder, op of boven voor
                        de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Of sprake is van
                        een aaneengesloten periode wordt per kalenderjaar bezien (‘in een
                        kalenderjaar gelegen’). Een ander tijdvak - bijvoorbeeld een maand of een
                        week – is ook mogelijk. Bedacht moet evenwel worden dat per belastingtijdvak
                        maar één aanslag kan worden opgelegd of kennisgeving kan worden gedaan.In
                        zijn arrest van 2 november 1994, nr. 29595, Belastingblad 1994, blz. 819,
                        BNB 1995/12 (Amsterdam), oordeelde de Hoge Raad dat indien de grootte van de
                        belastingschuld eerst na afloop van het belastingtijdvak kan worden
                        vastgesteld en de belastingplicht niet in de loop van het tijdvak eindigt,
                        eerst na afloop van het tijdvak een (definitieve) aanslag kan worden
                        opgelegd. Op grond van de verordening hief de gemeente Amsterdam
                        precariorecht over het tijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Aan een aannemer
                        die van 12 februari tot en met 31 maart 1988 een stukje gemeentegrond had
                        gebruikt voor de opslag werd in juli van dat jaar een aanslag die betrekking
                        had op het belastingjaar 1988 voor die periode opgelegd, terwijl zijn
                        belastingplicht door liep. De Hoge Raad oordeelde dat in dat geval ingevolge
                        het systeem van de artikelen 11 tot en met 15 van de AWR pas na afloop van
                        het tijdvak een definitieve aanslag kan worden opgelegd, omdat de grootte
                        van de belastingschuld pas na afloop van het tijdvak kan worden vastgesteld.
                        Nu de aanslag binnen het heffingstijdvak was opgelegd, was aldus de Hoge
                        Raad de aanslag terecht vernietigd. Indien de door het college vastgestelde
                        regeling gemeentelijke belastingen (zie artikel 11) daarin voorziet kan
                        eventueel een voorlopige aanslag worden opgelegd of van een voorlopig
                        gevorderd bedrag worden kennisgegeven. Het is vaste jurisprudentie dat de
                        belastingplichtige de omvang van zijn belastingschuld uit de verordening
                        moet kennen. De regeling omtrent het belastingtijdvak is daarmee niet in
                        strijd, nu deze niet ziet op de omvang van de (materiële) belastingschuld,
                        maar - in combinatie met de regeling van artikel 9 - op het tijdstip waarop
                        die belastingschuld kan worden geformaliseerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte en
                        op andere wijze.In deze verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsgelang</titel></kop><al>Bij de heffing van Precariobelasting is aansluiting gezocht bij de
                        vergunningverlening voor de betreffende voorwerpen. De geldigheidsduur van
                        de vergunning is bekend. Ingevolge artikel 6, vierde lid, worden de
                        voorwerpen - behoudens tegenbewijs - geacht gedurende deze gehele periode
                        onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig
                        te zijn. Een en ander betekent dat de belastingschuld in deze gevallen in
                        beginsel vaststaat bij de aanvang van het belastingtijdvak (de periode
                        waarvoor de vergunning geldt, dan wel het kalenderjaar). Daarom wordt in het
                        eerste lid bepaald dat de belasting in deze gevallen is verschuldigd bij de
                        aanvang van het tijdvak, tenzij de belastingplicht later aanvangt. Dit
                        betekent dat bij de aanvang van het tijdvak of latere aanvang van de
                        belastingplicht, aanslagen Precariobelasting voor vergunninggevallen kunnen
                        worden opgelegd. Indien in de tarieventabel dag-, week- of maandtarieven
                        zijn opgenomen kunnen deze tarieven worden toegepast al naar gelang de duur
                        van het belastingtijdvak. Ingeval een jaartarief geldt, kan in combinatie
                        met de regeling inzake de heffing naar tijdsgelang in het derde en vierde
                        lid, de 'exacte' omvang van de belastingschuld worden vastgesteld. Indien al
                        in de loop van het kalenderjaar (op grond van de vergunning) een definitieve
                        aanslag wordt</al><al> opgelegd, verdient het aanbeveling de beslissing op een verzoek om
                        ontheffing in verband met het niet meer hebben van de voorwerpen uit te
                        stellen tot na afloop van het kalenderjaar (en hiervan mededeling te doen
                        aan belastingplichtige). Indien direct ontheffing wordt verleend en
                        belastingplichtige op grond van <cursief>dezelfde </cursief>vergunning later
                        in het jaar nog eens dezelfde voorwerpen heeft, is nog steeds sprake van
                        hetzelfde belastingtijdvak en kan geen (tweede) primitieve aanslag meer
                        worden opgelegd. Een andere mogelijkheid is wel ontheffing te verlenen en na
                        te vorderen indien blijkt dat later in het kalenderjaarbelastingplichtige de
                        voorwerpen op basis van dezelfde vergunning opnieuw heeft (artikel 16,
                        eerste lid, AWR). Uitstel van een beslissing op het ontheffingsverzoek is de
                        beste optie. Indien sprake is van intrekking of beëindiging van de
                        geldigheidsduur van de vergunning, zal het opnieuw hebben van voorwerpen
                        plaatsvinden op basis van een nieuwe vergunning (of zonder vergunning) en
                        daarmee ook een nieuw belastingtijdvak aanvangen. Indien geen vergunning is
                        verleend voor het hebben van de voorwerpen onder, op of boven voor de
                        openbare dienst bestemde gemeentegrond, staat de omvang van de
                        belastingschuld pas vast aan het einde van de aaneengesloten periode
                        gedurende welke de voorwerpen aanwezig zijn. Gelet op het arrest van de Hoge
                        Raad van 2 november 1994, nr. 29595, Belastingblad 1994, blz. 819, BNB
                        1995/12 (Amsterdam), kan dan pas na afloop van het belastingtijdvak (de
                        aaneengesloten periode) een aanslag worden opgelegd. In het tweede lid is
                        dit geëxpliciteerd. In voorkomend geval kan een voorlopige aanslag worden
                        opgelegd of van een voorlopig gevorderd bedrag worden kennisgegeven, mits de
                        door het college vastgestelde uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen
                        (zie artikel 12) daarin voorziet . Het derde en het vierde lid geven een
                        regeling voor de heffing naar tijdsgelang voor de gevallen dat alleen
                        jaartarieven in de tarieventabel zijn opgenomen. Het vijfde lid is
                        facultatief en is uit doelmatigheidsoverwegingen opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 10 is afgeweken van de wettelijke
                        betalingstermijn om doelmatigheidsredenen ten aanzien van de invordering. Er
                        is voor gekozen dat het recht betaald moet worden binnen drie maanden na
                        dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing
                        op in een wet gestelde termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in
                        formele zin bedoeld. Artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990
                        bepaalt echter dat de ATW niet van toepassing is op de in de leden 1 tot en
                        met 9 gestelde termijnen. Indien gemeenten afwijkende termijnen in de
                        belastingverordening hebben opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet 1990 niet geldt, is voor de betaling van de definitieve
                        aanslag de ATW wel van toepassing. Dit volgt ook uit artikel 145 van de
                        Gemeentewet, waarin is bepaald dat de ATW van toepassing is op in een
                        verordening gestelde termijnen, tenzij in de verordening anders is bepaald.
                        Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een
                        aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het
                        college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling
                        opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de
                        heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het
                        voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
                        gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en
                        ander uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kwijtschelding van belastingen</titel></kop><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                        kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                        Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Indien gemeenten niets regelen
                        geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle gemeentelijke
                        belastingen. Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om
                        van de ministeriële regeling af te wijken. Omdat geen kwijtschelding bij de
                        invordering van Precariobelasting wordt verleend is dit expliciet opgenomen
                        in artikel 12.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid
                        wordt de inwerkingtreding geregeld, in het derde lid de datum van ingang van
                        de heffing en in het vierde lid de citeertitel.</al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van
                        toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis
                        van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken.</al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot
                        het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot
                        onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034,
                        BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr.
                        33.632). Deze verordening is bekend gemaakt in de Zandvoortse Courant.</al><al>De belastingverordening treedt in werking op 1 januari van het betreffende
                        belastingjaar waarop de verordening betrekking heeft. Als voorbeeld:</al><al>Op 1 november 2007 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding 1 januari 2008 (tweede lid) en als tijdstip van ingang
                        van de heffing eveneens 1 januari 2008 (derde lid). </al><al>In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal
                        wordt opgenomen, omdat de gemeente ieder jaar een nieuwe verordening
                        vaststelt. Door het jaartal op te nemen is duidelijk voor welk jaar de
                        verordening bedoeld is.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7
                        maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid,
                        Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet).</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>3 TOELICHTING OP DE TARIEVENTABEL</label></kop><al/><al><vet>3.1 ALGEMEEN</vet></al><al/><al>Het belastbaar feit voor de Precariobelasting is het hebben van voorwerpen
                    onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Gelet op deze
                    ruime formulering is de diversiteit van voorwerpen die in een tarieventabel
                    kunnen worden genoemd zeer groot. In de tabel zijn voorwerpen opgenomen die in
                    de praktijk veel voorkomen. Een 'restbepaling' (onderdeel 1) voorziet erin dat
                    ook in niet genoemde gevallen kan worden geheven. De gemeente is echter vrij om
                    alleen voor met name genoemde voorwerpen te heffen (vergelijk Hoge Raad 3 maart
                    1999, nr. 33121, LJN: AA2687, Belastingblad 1999, blz. 410 (Den Haag)). De
                    restbepaling dient dan ook in uitzonderlijke gevallen te worden toegepast. Gelet
                    op een doelmatige uitvoering is een dergelijke restbepaling bovendien minder
                    gewenst. </al><al/><al>In de tarieventabel is in sommige onderdelen een tariefdifferentiatie
                    aangebracht naar gebied. De tarieven in het centrum zijn hoger zijn dan de
                    tarieven in de ring om het centrum. Een gemeente heeft de vrijheid om deze
                    differentiatie voor de gehele tarieventabel toe te passen of slechts voor één of
                    meerdere onderdelen van de tabel. Waar er sprake is van een differentiatie is
                    dit in de tabel opgenomen.</al><al/><al>In de tarieventabel zijn voor eenzelfde belastbaar feit soms tarieven per dag,
                    per week, per maand of per jaar opgenomen. De verordening moet een duidelijk
                    stelsel bevatten, aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of van een jaar-,
                    maand-, week- of dagtarief dient te worden uitgegaan (Hof Amsterdam 29 maart
                    1985, nr. 2201/82, Belastingblad 1986, blz. 421, (Amsterdam)). Dit betekent dat
                    een dergelijke tariefstelling alleen is toegestaan, indien deze tarieven
                    onderling overeenkomen. De omvang van de (materiële) belastingschuld staat dan
                    in beginsel vast. In de meeste gevallen zal de gemeentelijke voorkeur uitgaan
                    naar een zekere degressie in de tariefstelling. Het jaartarief wil de gemeente
                    bijvoorbeeld lager stellen dan het overeenkomstige tarief voor de kortere
                    perioden. Alsdan is het noodzakelijk dat in de</al><al>verordening c.q. tarieventabel wordt opgenomen in welke gevallen welk tarief
                    wordt toegepast. Alleen dan is bij de aanvang van het belastbaar feit voor de
                    belastingplichtige de omvang van zijn belastingschuld kenbaar.</al><al>In verband met het bovenstaande is in artikel 6 van de verordening een bepaling
                    opgenomen, waarin voor de toepassing van het jaar-, maand-, week- of dagtarief
                    wordt aangesloten bij een door het bestuursorgaan verleende vergunning. In alle
                    gevallen – ook de gevallen waarin geen vergunning is afgegeven – wordt de
                    Precariobelasting berekend op de voor belastingplichtige meest voordelige
                    wijze.</al><al>Een tariefstelling per jaar heeft alleen zin voor voorwerpen, welke iemand
                    doorgaans gedurende langere tijd – en in beginsel voor ten minste een jaar –
                    onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. Veelal
                    zal aan de hand van een verleende vergunning ter zake kunnen worden bepaald
                    welke periode het belastbaar feit zich zal voordoen.</al><al/><al><vet>3.2 TOELICHTING PER HOOFDSTUK</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1</vet></al><al>Zoals in de inleiding op de artikelsgewijs toelichting reeds is vermeld, staat
                    het de gemeente vrij de Precariobelasting te beperken tot die voorwerpen die in
                    de tarieventabel zijn genoemd. Indien de gemeente ook in onvoorziene gevallen
                    wil kunnen heffen, kan het aanbeveling verdienen om een ‘restbepaling’ op te
                    nemen. Dit onderdeel bevat een regeling voor de gevallen die niet specifiek in
                    de tarieventabel zijn genoemd. Er is geen onderscheid gemaakt tussen kleine
                    voorwerpen en grotere voorwerpen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Benzinepompinstallaties e.d.</vet></al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen tariefstellingen zien met name op benzinestations
                    en dergelijke. Ook met betrekking tot benzinestations zal - gelet op de bij
                    hoofdstuk 2 genoemde uitspraak van Hof Amsterdam van 2 maart 1990 - heffing per
                    afzonderlijk voorwerp dienen plaats te vinden.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Reclamevoorwerpen</vet></al><al>In dit hoofdstuk is een regeling getroffen voor aankondigingsborden, waaronder
                    reclameborden. Dit is geen reclamebelasting, aangezien de reclamebelasting een
                    ander karakter heeft dan de Precariobelasting. Bij de reclamebelasting wordt
                    niet zozeer het voorwerp, maar de reclame-uiting in de heffing betrokken.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Bouw- en onderhoudswerken</vet></al><al>Bij een bouwplaats moet geheven moet worden van de verschillende voorwerpen die
                    op de bouwplaats aanwezig zijn. De ruimte tussen de voorwerpen kan niet in de
                    heffing van Precariobelasting worden betrokken (Hof Amsterdam 2 maart 1990, nr.
                    4211/88, Belastingblad 1991, blz. 42, (Amsterdam)). De door de verschillende
                    voorwerpen ingenomen oppervlakte wordt getotaliseerd. Hiermee worden discussies
                    over het aantal m2 voorkomen c.q. beperkt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Objecten bij (on)roerende zaken</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn enkele voorwerpen opgenomen die niet zijn te rubriceren
                    onder een ander hoofdstuk, maar welke wel veel aanwezig kunnen zijn in de
                    gemeente. Dit rechtvaardigt dat zij met name worden genoemd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Gebruik van grond voor andere doeleinden</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn niet alleen de voorwerpen opgenomen, die voorkomen op
                    terrassen. Het gaat om het geheel van ingenomen grond met de daarop geplaatste
                    voorwerpen. Ook met betrekking tot evenementen geldt de in de toelichting bij
                    hoofdstuk 2 genoemde uitspraak van Hof Amsterdam van 2 maart 1990 dat heffing
                    per afzonderlijk voorwerp dient plaats te vinden. Om die reden wordt geen
                    rekening gehouden met de vrije ruimte tussen de verschillende voorwerpen.</al><al>Met betrekking tot terrassen is een tariefdifferentiatie naar gebied
                    opgenomen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Plaatsen van voorwerpen in parkeervak</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt geregeld dat voor het plaatsen van voorwerpen, anders dan
                    een voertuig, in een betaald parkeervak een vergoeding verschuldigd is. De
                    tarieven zijn gelijk aan de betreffende parkeertarieven voor de maximale
                    parkeerduur van 10 uur in dat gebied op grond van de
                    parkeerbelastingverordening.</al><al>Opgemerkt dient te worden dat in dit onderdeel geen motorrijtuigen mogen worden
                    opgenomen. Ingevolge artikel 80 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting, wordt
                    ter zake van het gebruik van de weg met motorrijtuigen geen belasting geheven
                    door andere publiekrechtelijke lichamen dan het rijk en kunnen gemeenten alleen
                    parkeerbelastingen of een mobiliteitsheffing heffen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 Leidingen, kabels en buizen</vet></al><al>In de toelichting op artikel 2 is gewezen op de gedoogplicht die gemeenten
                    (kunnen) hebben met betrekking tot leidingen enz. van nutsbedrijven, daaronder
                    begrepen een openbaar telecommunicatie- of omroepnetwerk. Voor zover er geen
                    gedoogplicht bestaat, kan van het hebben van leidingen enz. onder, op of boven
                    voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond Precariobelasting worden
                    geheven.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>