<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR131929_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Afstemmingsbeleid WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Feanster</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Afstemmingsbeleid Wwb</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artt. 8 lid 1b en 18 lid 2 Wwb</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Afstemmingsbeleid WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al><vet>Verordening Afstemmingsbeleid WWB </vet></al><al><vet>Dienst Werk en Inkomen “De Wâlden”</vet></al><al><vet> November </vet><vet>2011</vet></al><al><vet> Gemeente Achtkarspelen </vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub b en artikel 18, lid 2
                        van de Wet Werk en Bijstand; </al><al>overwegende dat moet worden vastgesteld voor welke gedragingen de
                        bijstand wordt verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
                        verlaging wordt bepaald;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de Verordening Afstemmingsbeleid WWB </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de WWB</vet>: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>de belanghebbende</vet>: degene wiens belang rechtstreeks
                                    bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en
                                    welke in deze verordening ook wordt aangeduid met de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin of “hij”,
                                    "hem" of “hen”;</al></li><li nr="c."><al><vet>de bijstand</vet>: de bijstandsnorm al dan niet vermeerderd
                                    of verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of
                                    verlaging als bedoeld in hoofdstuk3, paragraaf 3.2 en 3.3
                                    WWB, alsmede de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12
                                    WWB;</al></li><li nr="d."><al><vet>de bijzondere bijstand</vet>: de bijstand bedoeld in
                                    artikel 35 WWB;</al></li><li nr="e."><al><vet>de participatie</vet>: het totaal van activiteiten van
                                    gemeenten en door gemeenten ingeschakelde derden op het gebied
                                    van een zinvolle deelname aan het maatschappelijk leven met als
                                    hoogste doel arbeidsinschakeling via arbeidstoeleiding;</al></li><li nr="f."><al><vet>de arbeidsinschakeling</vet>: het totaal van activiteiten
                                    van gemeenten en door gemeenten ingeschakelde derden op het
                                    gebied van de arbeidstoeleiding en arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="g."><al><vet>de onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden</vet>:
                                    het totaal aan activiteiten die het college aan een
                                    belanghebbende met een bijstandsuitkering kan opdragen als
                                    tegenprestatie voor het ontvangen van de uitkering en welke van
                                    nut zijn voor de maatschappij en niet leiden tot verdringing op
                                    de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="h."><al><vet>het plan van aanpak</vet>: het in artikel 44a WWB bedoelde
                                    document waarin de uitwerking van de ondersteuning van de
                                    arbeidsinschakeling en de daaraan verbonden verplichtingen en de
                                    gevolgen van het niet nakomen hiervan staan omschreven;</al></li><li nr="i."><al><vet>uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs</vet>: Vormen van
                                    onderwijs waarop de Wet Studiefinanciering van toepassing
                                    is.</al></li><li nr="j."><al><vet>de verlaging</vet>: het lager vaststellen van de bijstand
                                    op grond van artikel 18, lid 2 WWB;</al></li><li nr="k."><al><vet>het college</vet>: het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Achtkarspelen;</al></li><li nr="l."><al><vet>de gemeenteraad</vet>: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Achtkarspelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepasbaarheid</titel></kop><al>Bij het toepassen van een verlaging van de bijstand als bedoeld in
                            artikel 18, lid 2 WWB worden de bepalingen van deze verordening in acht
                            genomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>De categorieën van verwijtbare gedragingen in het kader van
                            de WWB</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Categorieën van verwijtbare gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij UWV
                                            Werkbedrijf, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig
                                            doen verlengen;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                            belang is voor de participatie of het recht op bijstand (waaronder
                            documenten waaruit de mogelijkheden tot het volgen van uit ’s Rijks kas
                            bekostigd onderwijs blijkt) hetgeen niet heeft geleid tot het ten
                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>het niet verstrekken van een geldig identificatiebewijs;</al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan het in zijn naam doen van noodzakelijke
                                    betalingen;</al></li><li nr="e."><al>het niet meewerken aan schuldhulpverlening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor de participatie of het
                                            recht op bijstand hetgeen heeft geleid tot het ten
                                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand
                                            tot een bedrag van</al><al> € 2.000,00 netto;</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het
                            plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de WWB;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>het niet verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is
                                    voor de uitvoering van de WWB;</al></li><li nr="e."><al>het niet ten behoeve van de kinderen en zichzelf verzoeken van
                                    alimentatie en er voor zorgen dat de inning tot uitvoer wordt
                                    gebracht;</al></li><li nr="f."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen die verband houden
                                    met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="g."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering of beëindiging van de bijstand;</al></li><li nr="h."><al>het zich niet houden aan de verplichtingen om zich te
                                    onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische
                                    aard.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><vet>derde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie
                                    die van belang is voor de participatie of het recht op bijstand
                                    hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                    bedrag verlenen van bijstand tot een bedrag tussen € 2.000,00 en
                                    € 4.000,00 netto;</al></li><li nr="c."><al>het geen gebruik maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening, waaronder sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden;</al></li><li nr="e."><al>het niet of niet volledig een beroep doen op een voorliggende
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>het vervreemden van vermogen;</al></li><li nr="g."><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of zijn
                                    ambtenaren.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>vierde categorie:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van inkomsten uit of in
                                    verband met arbeid in dienstbetrekking;</al></li><li nr="c."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie
                                    die van belang is voor de participatie of het recht op bijstand
                                    hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                    bedrag verlenen van bijstand tot een bedrag tussen € 4.000,00 en
                                    € 10.000,00 netto.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al><vet>categorie bijzondere bijstand:</vet></al></li><li nr="a."><al>het betonen van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De verlagingen in het kader van de WWB</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstand gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li><li nr="e."><al>honderd procent van de bijstand bij gedragingen van de
                                        categorie bijzondere bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De periode van verlaging van de bijstand genoemd in het eerste lid
                                en afgestemd met inachtneming van artikel 5 van deze verordening
                                wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
                                hogere categorie (recidive). Dit lid is niet van toepassing op de
                                verlaging als genoemd in het eerste lid, onder e. van dit
                                artikel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De voorbereiding van het besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de vaststelling van de verlaging wordt een beoordeling
                                    gemaakt van de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                    belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                    omstandigheden waarin belanghebbende verkeert.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de algemene
                                    bijstand/inkomensvoorziening op de mate van verwijtbaarheid
                                    geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt
                                            wordt de periode van verlaging vastgesteld op een
                                            maand.</al></li><li nr="b)"><al>indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt
                                            aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
                                            twee maanden.</al></li><li nr="c)"><al>indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
                                            aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
                                            drie maanden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over twee of
                                    drie maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt
                                    ter vervanging daarvan de verlaging over één maand verdubbeld,
                                    danwel verdrievoudigd.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 9 van deze
                                    verordening in beschouwing te worden genomen.</al></li><li nr="5."><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de bijzondere
                                    bijstand op de mate van verwijtbaarheid geldt het volgende:</al><al>Indien er sprake is van omstandigheden waardoor er aanleiding is om toch
                            bijzondere bijstand te verlenen wordt op individuele gronden in meer of
                            mindere mate afgeweken van het percentage als genoemd in artikel 4, lid
                            1, sub e. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de mogelijkheden van de
                            verstrekking in de vorm van een geldlening, als bedoeld in artikel 48,
                            lid 2, sub b van de Wet Werk en Bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Dringende redenen</titel></kop><al>Indien er dringende redenen aanwezig zijn kan worden afgezien van het
                            toepassen van een verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 2 van de WWB.
                            Hiervan wordt de belanghebbende schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><al> a) de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al>b) de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                            zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan;</al><al>c) de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                            of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7, lid 4
                            WWB werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                            inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB; </al><al>d) het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                            ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Besluit tot verlaging</titel></kop><al>Het besluit tot verlaging dient belanghebbende bij beschikking
                            onverwijld na het constateren van de verwijtbare gedraging te worden
                            toegezonden. Hierin dient in ieder geval te worden vermeld: de reden van
                            de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage van de verlaging,
                            het bedrag van de verlaging en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van de standaardverlaging. Bij een verlaging als bedoeld in
                            artikel 4, lid 1, sub e is het vermelden van de duur van de verlaging
                            niet van toepassing. Overigens dienen bij het besluit tot verlaging
                            uitdrukkelijk de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur in acht te
                            worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt, voor zover mogelijk, in principe opgelegd
                                    met ingang van de kalendermaand waarin de verwijtbare gedraging
                                    is geconstateerd. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Indien de verlaging niet conform het eerste lid kan plaatsvinden
                                    wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend
                            op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de
                            belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende bijstand. </al></li><li nr="3."><al>Indien oplegging van de verlaging niet conform het eerste en het
                            tweede lid kan plaatsvinden kan de verlaging met terugwerkende kracht
                            met toepassing van artikel 54, lid 3, sub b WWB worden opgelegd, voor
                            zover het verwijtbaar gedrag, dat tot de verlaging heeft geleid, in deze
                            periode heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand(en) geldende bijstand. Dit artikel is niet van toepassing op de
                            verlaging als genoemd in artikel 4, lid 1, sub e van deze
                            verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Cumulatie</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende verwijtbare gedragingen, dan vindt voor het bepalen van de
                            hoogte en duur van de verlagingen cumulatie plaats. </al><al>Dit artikel is niet van toepassing op de verlaging als genoemd in
                            artikel 4, lid 1, sub e van deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><al>Ter voldoening aan het gestelde in artikel 18, lid 3 van de WWB dient
                            bij een verlaging, die met toepassing van artikel 5, lid 2, sub c van
                            deze verordening op 3 maanden is vastgesteld, aan het einde van die
                            termijn te worden vastgesteld of belanghebbende de tekortkomingen heeft
                            hersteld. Indien dit niet het geval is, dan is artikel 4, lid 2 van deze
                            verordening van toepassing. </al><al>Indien de verlaging plaatsvindt in het kader van recidive als bedoeld in
                            artikel 4, lid 2 van deze verordening, vindt de heroverweging na
                            maximaal 3 maanden na de ingangsdatum van de verlaging plaats, waarbij,
                            indien belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld, alsnog besloten
                            kan worden tot een nadere afstemming of het afzien van de verlaging. Dit
                            artikel is niet van toepassing op de verlaging als genoemd in artikel 4,
                            lid 1, sub e van deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Uitkeringsgerechtigden van 65 jaar en ouder</titel></kop><al>In afwijking van de vorige artikelen is op de uitkeringsgerechtigden die
                            op grond van een mandaatregeling van de Sociale Verzekeringsbank (SVB)
                            een algemene bijstandsuitkering ingevolge de WWB ontvangen, het
                            maatregelenbeleid van de SVB (zoals gepubliceerd in de Staatscourant
                            2006, 121 en 2008, 98) van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            Afstemmingsbeleid WWB. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2012.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Afstemmingsbeleid WWB en WIJ, vastgesteld op 17
                                    juni 2010 wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op </ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide P. Adema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Afstemmingsbeleid WWB </tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Vanaf 2012 is de Wet Werk en Bijstand (WWB) ingrijpend gewijzigd. Zo is de Wet
                    Investeren in Jongeren, (WIJ), nog maar sedert oktober 2009 van kracht, al weer
                    ingetrokken en is de materie weer in de WWB opgenomen. </al><al>Nog sterker dan voorheen ligt de nadruk op participatie met als hoogste doel het
                    aanvaarden van werk. Om dit doel te bereiken is in de WWB een systeem van
                    voorwaarden en rechten en plichten opgenomen. </al><al>Nieuw in de WWB 2012, vergeleken met de oorspronkelijke situatie, is de
                    verplichting tot tegenprestatie. Dit behelst het uitvoeren van door het college
                    opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Verder is een
                    nieuwe verplichting opgenomen om mee te werken aan het opstellen, het uitvoeren
                    en het evalueren van een zogenaamd “Plan van aanpak”. Een dergelijk plan van
                    aanpak moet de uitwerking van de ondersteuning bevatten, alsmede de daaraan
                    verbonden verplichtingen vermelden en aangeven wat de gevolgen zijn bij het niet
                    nakomen van die verplichtingen. Overigens was het opstellen van een zogenaamd
                    Re-integratieplan (te vergelijken met het Plan van aanpak) bij de organisaties
                    al jaren gebruikelijk. En tenslotte wordt voor jongeren tot 27 jaar een nieuwe
                    verplichting geïntroduceerd om zelf te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om
                    onderwijs te volgen, waarop de Wet Studiefinanciering van toepassing zou kunnen
                    zijn en om hierover documenten in te leveren. </al><al>Deze verplichtingen van de belanghebbenden als individu óf als lid van het
                    “gezin” kunnen desnoods worden afgedwongen door de hoogte van de uitkering af te
                    stemmen (het toepassen van een maatregel) op het getoonde besef van
                    verantwoordelijkheid. </al><al>Bij het opnieuw beschouwen van deze verordening zijn aldus alle denkbare
                    verwijtbare handelingen weer tegen het licht gehouden en zoveel mogelijk weer
                    logisch gerangschikt in “zwaarte” van de gedraging in vier categorieën. </al><al>Wel is kritisch gekeken naar de omvang van de standaard-verlaging per categorie.
                    Daarbij is de conclusie getrokken dat de uitwerking van de voorgaande
                    verordening als redelijk mild zou kunnen worden opgevat, althans, als géén
                    gebruik wordt gemaakt van de (voorgeschreven) individuele afstemming. In de
                    dagelijkse praktijk lijkt deze individuele afstemming (verzwaring) onvoldoende
                    aandacht te krijgen. Er van uitgaande dat in de nieuwe WWB veel meer het accent
                    komt te liggen op uitstroom en een rechtmatige verstrekking betekent dit ook dat
                    aan de daaraan verbonden verplichtingen veel meer gewicht wordt toegekend en dat
                    schending daarvan ook daadkrachtiger moet worden aangepakt.Om deze reden
                    verdient het aanbeveling om de standaard-maatregel voor de eerste drie
                    categorieën te verhogen van 5% naar 10% (eerste categorie) van 10% naar 20%
                    (tweede categorie) en van 20% naar 50% (derde categorie). Zoals het een goede
                    verordening betaamd kan de verlaging dan via de individuele benadering en
                    afstemming vervolgens eventueel neerwaarts worden bijgesteld. </al><al>De verordening kent de volgende hoofdstukken: </al><lijst><li nr="1."><al>Algemene bepalingen</al></li><li nr="2."><al>De categorieën van verwijtbare gedragingen in het kader van de
                                <onderstreept>WWB</onderstreept></al></li><li nr="3."><al>De verlagingen in het kader van de <onderstreept>WWB</onderstreept></al></li><li nr="4."><al>de voorbereiding van het besluit</al></li><li nr="5."><al>Het besluit</al></li><li nr="6."><al>Slotbepalingen</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Ten aanzien van de begrippen die in de verordening worden gebruikt is
                    aansluiting gezocht bij wettelijke omschrijvingen. Voorts is aan aanvullende,
                    voor de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand, belangrijke begrippen een eigen
                    omschrijving gegeven. </al><al>a.<vet>de WWB</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>b.<vet>de belanghebbende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>c.<vet>de bijstand</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt bereikt dat de verlaging betrekking heeft op de
                    volledige uitkering, dus inclusief toeslag en vakantie-uitkering. Hierbij wordt
                    de bijzondere bijstand die in sommige situaties als aanvulling op de lage
                    jongerennorm wordt verstrekt in dit verband ook tot "de bijstand" gerekend. In
                    het kader van de langdurigheidstoeslag is eerder besloten hierop geen
                    afstemmingen plaats te laten vinden. Verwijtbaar gedrag dat specifiek naar de
                    langdurigheidstoeslag kan worden toegeschreven vertaalt zich zondermeer in het
                    niet toekennen daarvan. </al><al>d.<vet>de bijzondere bijstand</vet>:</al><al>De bijzondere bijstand is apart benoemd. Hierdoor wordt bereikt dat ook hier een
                    verlaging op kan worden toegepast als er sprake is van ongenoegzaam besef van
                    verantwoordelijkheid. Overigens laat dit onverlet dat een aanvraag om bijzondere
                    bijstand ook kan worden afgewezen als er geen sprake is van noodzakelijke
                    kosten. Dit is bijvoorbeeld het geval als het kosten betreft die vermijdbaar
                    waren geweest. </al><al>e.<vet>de participatie</vet>:</al><al>Door het opnemen van het begrip participatie met deze omschrijving wordt het
                    belang benadrukt van een actieve deelname aan de maatschappij maar tevens dat
                    het niet een vrijblijvendheid is. </al><al>f.<vet>de arbeidsinschakeling</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt bereikt dat de arbeidsinschakeling zo ruim mogelijk
                    wordt opgenomen. </al><al>g.<vet>de onbeloonde, maatschappelijk nuttige werkzaamheden</vet>:</al><al>Omdat schending van dit nieuw geïntroduceerde begrip, gebaseerd op een plicht
                    tot “tegenprestatie”, een verlaging kan opleveren is het aan te bevelen deze
                    omschrijving in de verordening op te nemen. Uit de omschrijving komt overigens
                    naar voren dat het opdragen van onbeloonde, maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden een bevoegdheid is van het college. Wanneer er geen
                    “tegenprestatie” wordt verlangd, kan een belanghebbende vanzelfsprekend daar ook
                    niet op worden afgerekend. </al><al>h.<vet>het plan van aanpak</vet>:</al><al>Door de introductie van dit begrip is het nodig in de verordening op te nemen
                    wat er onder verstaan wordt. Vanzelfsprekend wordt een verwijzing naar de WWB
                    gegeven. </al><al>i.<vet>uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>j.<vet>de verlaging</vet>:</al><al>Door deze omschrijving wordt duidelijk het onderscheid gemaakt tussen de
                    verlaging op de bijstand op grond van de WWB en de inkomensvoorziening op grond
                    van de WIJ.</al><al>k.<vet>het college</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>l.<vet>de gemeenteraad</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de Verordening Afstemmingsbeleid de uitwerking is van
                    de in artikel 8, lid 1, sub b WWB aan de gemeenteraden gegeven opdracht. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel is het product van een inventarisatie van alle verplichtingen die in
                    de WWB zijn opgenomen, die zijn vertaald naar verwijtbare gedragingen, alsmede
                    de in het gemeentelijk beleid opgenomen verwijtbare gedragingen inzake het
                    ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. De aldus ontstane verzameling
                    verwijtbare gedragingen is vervolgens zo logisch mogelijk in verschillende
                    categorieën ondergebracht: </al><tussenkop>(eerste categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij UWV Werkbedrijf,
                    dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen" vloeit voort uit de
                    plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de participatie of het recht op bijstand (waaronder
                    documenten waaruit de mogelijkheden tot het volgen van uit ’s Rijks kas
                    bekostigd onderwijs blijkt) hetgeen niet heeft geleid tot het ten onrechte of
                    tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand" vloeit voort uit de
                    inlichtingenplicht ex artikel 17 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet verstrekken van een geldig identificatiebewijs" vloeit
                    eveneens voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 17 van de WWB. </tussenkop><al>"d. het niet meewerken aan het in zijn naam doen van noodzakelijke betalingen"
                    vloeit voort uit de verplichting om mee te werken aan noodzakelijk geachte
                    doorbetalingen ex artikel 57 WWB.</al><al>"e. het niet meewerken aan schuldhulpverlening" vloeit voort uit de plicht om
                    mee te werken aan alle inspanningen om financiële problemen op te lossen en is
                    een gemeentelijke invulling van het begrip "tekort schietend besef van
                    verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB. </al><tussenkop>(tweede categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de participatie of het recht op bijstand hetgeen heeft geleid
                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand tot een
                    bedrag van € 2.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel
                    17 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het
                    plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de WWB" vloeit voort uit de
                    plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de WWB en is ook uitdrukkelijk
                    van toepassing op alleenstaande ouders, van wie de ontheffing van de
                    arbeidsplicht op grond van artikel 9a van de WWB is ingetrokken als bedoeld in
                    lid 5, sub d van artikel 9a van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling" vloeit voort uit de plicht tot
                    arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de WWB. </tussenkop><tussenkop>"d. het niet verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van de WWB" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 17 van
                    de WWB. </tussenkop><tussenkop>"e. het niet ten behoeve van de kinderen (en zichzelf) verzoeken van
                    alimentatie en er voor zorgen dat de inning tot uitvoer wordt gebracht" vloeit
                    voort uit de verplichting om in voorkomende gevallen zelf alimentatie te eisen
                    en via het LBIO voor inning te zorgen ex artikel 55 van de WWB. </tussenkop><al>"f. het zich niet houden aan de verplichtingen die verband houden met aard en
                    doel van een bepaalde vorm van bijstand" vloeit voort uit de mogelijkheid
                    dergelijke aanvullende verplichtingen op te kunnen leggen ex artikel 55 WWB. </al><al>"g. het zich niet houden aan de verplichtingen die strekken tot vermindering of
                    beëindiging van de bijstand" vloeit eveneens voort uit de mogelijkheid
                    dergelijke aanvullende verplichtingen op te kunnen leggen ex artikel 55
                    WWB.</al><al>"h. het zich niet houden aan de verplichtingen om zich te onderwerpen aan een
                    noodzakelijke behandeling van medische aard" vloeit eveneens voort uit de
                    mogelijkheid dergelijke aanvullende verplichtingen op te kunnen leggen ex
                    artikel 55 WWB.</al><al>(derde categorie)</al><tussenkop>"a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen" vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van
                    de WWB. </tussenkop><al>"b. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de participatie of het recht op bijstand hetgeen heeft geleid tot
                    het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand tot een bedrag
                    van € 4.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 17 van
                    de WWB.</al><tussenkop>"c. het geen gebruik maken van een door het college aangeboden
                    voorziening, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling"
                    vloeit eveneens voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de
                    WWB en is ook uitdrukkelijk van toepassing op alleenstaande ouders, van wie de
                    ontheffing van de arbeidsplicht op grond van artikel 9a van de WWB is
                    ingetrokken als bedoeld in lid 5, sub d van artikel 9a van de WWB. </tussenkop><al>"d. het niet of niet volledig een beroep doen op een voorliggende voorziening"
                    vloeit voort uit de verplichting om de mogelijkheden van een voorliggende
                    voorziening te onderzoeken en te benutten en is een gemeentelijke invulling van
                    het begrip "tekort schietend besef van verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB. </al><al>"e. het vervreemden van vermogen" vloeit voort uit de plicht om zelf alles te
                    doen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en is een
                    gemeentelijke invulling van het begrip "tekort schietend besef van
                    verantwoordelijkheid" ex artikel 18 WWB.</al><al>“f. het zich zeer ernstig misdragen jegens het college of zijn ambtenaren” is op
                    basis van artikel 18, lid 2 WWB een reden om een verlaging toe te passen. Er
                    moet dan wel een direct verband bestaan tussen geweld en uitkering. Tevens moet
                    een onderscheid worden gemaakt in instrumenteel geweld (geweld om een bepaald
                    doel te bereiken) en frustratiegeweld (geweld uit onmacht, ontevredenheid en
                    dergelijke). Het is duidelijk dat de verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in
                    beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Voorkomen moet worden dat het
                    toepassen van een dergelijke verlaging vervolgens nog weer meer ongepast gedrag
                    uitlokt.</al><al>(vierde categorie)</al><tussenkop>"a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid" vloeit voort
                    uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 9 van de WWB. </tussenkop><al>"b. het door eigen toedoen niet behouden van inkomsten uit of in verband met
                    arbeid in dienstbetrekking" vloeit voort uit de plicht om zelf alles te doen om
                    in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en is een gemeentelijke
                    invulling van het begrip "tekort schietend besef van verantwoordelijkheid" ex
                    artikel 18 WWB. </al><al>"c. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand hetgeen heeft
                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand tot
                    een bedrag tussen € 4.000,00 en € 10.000,00 netto" vloeit voort uit de
                    inlichtingenplicht ex artikel 17 van de WWB. Voorts wordt hiermee aangesloten
                    bij de afspraak met het Openbaar Ministerie dat bij fraude die meer bedraagt dan
                    € 10.000,00 netto aangifte plaatsvindt bij de Officier van Justitie. </al><al>(categorie bijzondere bijstand) </al><al>“a. het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid” vloeit
                    rechtstreeks voort uit de omschrijving van artikel 18, lid 2 WWB. Het is een
                    onmogelijke zaak om alle mogelijke gedragingen apart te benoemen. </al><al>Door de schending van de inlichtingenplicht in de eerste4 categorieën
                    op te nemen, al naar gelang het benadelingsbedrag dat daarmee gemoeid is, wordt
                    bereikt dat de ernst van de gedraging ook tot uitdrukking komt in de hoogte van
                    de verlaging. </al><al>Naast de mogelijkheid om de uitkering in het kader van deze verordening te
                    verlagen bij wijze van sanctionering, zijn uiteraard de mogelijkheden van
                    opschorting (onder aanbieding van een hersteltermijn), herziening of intrekking
                    van de uitkering zoals bedoeld in artikel 54 van de WWB onverkort van kracht. </al><al>Daarnaast blijft natuurlijk de mogelijkheid bestaan om in gevallen van
                    bijstandsverlening als gevolg van een tekort schietend besef van
                    verantwoordelijkheid, de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken
                    zoals bedoeld in artikel 48 van de WWB. </al><al>Ter illustratie de twee volgende voorbeelden: </al><lijst><li nr="1."><al>Het niet tijdig verstrekken verstrekken van inlichtingen (waardoor
                            teveel bijstand wordt verstrekt) kan zowel een verlaging (art 3, lid 2,
                            sub b, lid 3, sub b of lid 4, sub c van de afstemmingsverordening) als
                            een opschorting ex art 54 WWB, welke kan leiden tot beëindiging,
                            opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het onverantwoord besteden van (over)vermogen kan zowel een verlaging
                            (art 3, lid 3, sub e van de afstemmingsverordening) als een verdere
                            verstrekking in de vorm van geldlening ex art 48 WWB opleveren.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Dit artikel vormt de basis voor de vaststelling van de verlaging, onverlet de
                    nadere afstemming van artikel 7. Het feit dat in de WWB 2012 extra gewicht wordt
                    toegekend aan participatie en rechtmatigheid vertaalt zich in hogere
                    standaard-sancties. In het tweede lid worden de gevolgen van recidive (herhaling
                    van het verwijtbare gedrag) beschreven. Ten aanzien van verlagingen die op de
                    bijzondere bijstand worden toegepast is deze recidivesystematiek niet van
                    toepassing. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van het individualiseringsbeginsel, dat ook
                    voor het toepassen van verlagingen geldt. In lid 2 is ten aanzien van de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid een nadere aanwijzing gegeven. Het
                    derde lid is een ontsnappingsclausule wanneer er sprake is van ontoereikend
                    aantal maanden waarop een verlaging kan worden toegepast. In die situatie kan er
                    voor worden gekozen de verlaging over de "beschikbare" maand te verdubbelen of
                    te verdrievoudigen. Ook wordt in dit artikel uitdrukkelijk verwezen naar artikel
                    9 van deze verordening omdat voorkomen moet worden dat er verlagingen worden
                    toegepast op maanden waarin geen sprake is geweest van verwijtbare gedragingen. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Evenals het kunnen afstemmen van de verlaging, zoals bedoeld in artikel 7, dient
                    in het kader van de individualisering tevens de mogelijkheid te worden ingebouwd
                    om op grond van dringende redenen te kunnen afzien van het toepassen van een
                    verlaging.</al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>Vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvoorbereiding is het goed om, alvorens
                    de negatieve beschikking te versturen, belanghebbende in de gelegenheid te
                    stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Tevens worden in dit artikel
                    de gronden genoemd, op basis waarvan van het horen van belanghebbende kan worden
                    afgezien. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Het is in het kader van "Lik op stuk", maar evenzeer in het kader van de
                    Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, van belang dat belanghebbende zo
                    spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van de gevolgen van zijn verwijtbare
                    handelen. Aangezien het hier gaat om een (hernieuwde) vaststelling van het recht
                    op bijstand wordt een verlaging bij beschikking medegedeeld. Uiteraard dient het
                    besluit en de daaruit voortvloeiende beschikking te voldoen aan de Algemene
                    beginselen van Behoorlijk Bestuur. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Bij het toepassen van verlagingen wordt het Lik op Stuk-principe toegepast. Dat
                    betekent dat verlagingen, voor zover dat wettelijk mogelijk is, in principe
                    worden toegepast op de maand waarin het verwijtbare handelen is geconstateerd.
                    Indien dit op belemmeringen stuit wordt de verlaging toegepast op de daarop
                    volgende maand. In het tweede lid is bepaald dat wanneer het voorgaande niet
                    mogelijk is, bijvoorbeeld doordat de uitkering reeds is beëindigd, dit ook door
                    middel van herziening (en terugvordering) van de uitkering kan worden bereikt.
                    De beperking die hier geldt is dat er over de maanden waarin geen sprake was van
                    verwijtbaar handelen ook geen verlaging mogelijk is. </al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat een samenloop van verschillende verwijtbare gedragingen
                    er toe leidt dat de percentages van de verlagingen in principe bij elkaar worden
                    opgeteld. Natuurlijk kan door gebruik te maken van artikel 5 een nadere
                    afstemming plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogenaamde heroverweging genoemd. Een dergelijke
                    heroverweging zou tot gevolg kunnen hebben dat een besluit tot verlaging op
                    grond van individuele omstandigheden of een gewijzigd gedrag van belanghebbende
                    alsnog zou kunnen worden herzien in die zin dat de verlaging ongedaan wordt
                    gemaakt. In de verordening is er echter voor gekozen om deze mogelijkheid niet
                    nader in te vullen. De reden hiervoor is dat bij het besluit tot verlaging is
                    geconstateerd dat het verwijtbare gedrag een feit is en daarbij de individuele
                    omstandigheden reeds in de beoordeling zijn meegenomen. De gemeentelijke
                    invulling op dit punt behelst veel meer een beoordeling van het gedrag in
                    relatie tot het mogelijk moeten toepassen van recidive als bedoeld in artikel 4,
                    lid 2. </al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Artikel 7 van de WWB schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij
                    Burgemeester en Wethouders. Zij kunnen deze bevoegdheid overeenkomstig hetgeen
                    hierover in de wet is geregeld vervolgens mandateren aan ambtenaren. Het tweede
                    lid voorziet in de bevoegdheid om in individuele gevallen af te wijken van het
                    in de verordening bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Bij besluit B&amp;W van 10 oktober 2008 is besloten om de uitvoering van de
                    (aanvullende) algemene bijstandsverstrekking op grond van de WWB aan personen
                    ouder dan 65 jaar met een onvolledig AOW-pensioen te mandateren aan de Sociale
                    Verzekeringsbank. Deze bevoegdheid omvat ook het eventueel bij gelegenheid
                    afstemmen van de uitkering als gevolg van verwijtbaar handelen. Omdat het
                    inkomen van de uitkeringsgerechtigden in eerste instantie en veelal
                    hoofdzakelijk uit een AOW-pensioen bestaat is hierbij het maatregelenbeleid van
                    de SVB van toepassing. De bepaling genoemd in dit artikel regelt formeel het van
                    kracht worden van dit maatregelenbeleid.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>