<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR131912_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortsecourant.nl">Zandvoortse Courant 29 november 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=216">Gemeentewet, art. 216 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet, art. 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z2012-003701 doc nr 2012/09/00964</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiële middelen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>nieuwe regeling</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>1 DE VERORDENING</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 15
                        november 2011, nummer Z2011-005473 doc nr 2011/11/00626;</al><al>gelet op de overwegingen van de gemeenteraad dd 14 december 2011,</al><al>gelet op artikel 216 en 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2012.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college:</vet> het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad:</vet> de gemeenteraad van Zandvoort.</al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                    die door het college is aangewezen als ambtenaar belast met de
                                    heffing van de gemeentelijke belastingen</al></li><li nr="d."><al><vet>Wet WOZ: </vet>deWet waardering onroerende
                                    zaken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.2 NORMSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Belastingplicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder de naam 'Onroerende-zaakbelastingen' worden voor ter zake
                                    van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe
                                    belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van
                                            het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in
                                            hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens
                                            eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht
                                            gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van
                                            het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft
                                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te
                                            noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende
                                            zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker),
                                            aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                                            gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de
                                            gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te
                                            verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                            volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene
                                            die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld.
                                            Degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft
                                            gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen
                                            op degene aan wie die zaak ter beschikking is
                                            gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                                    begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie
                                    kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                    genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Belastingobject</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld
                                    in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li><li nr="2."><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de
                                    waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                    onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in
                                    hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende
                                    zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                                    woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Maatstaf van heffing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                    waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                    waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 2.</al></li><li nr="2."><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de
                                    voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken
                                    wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                                    overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
                                    artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering
                                    onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Vrijstellingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit
                                    niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel
                                    bedoelde waarde, de waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                            cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond,
                                            alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                            bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                            gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                            te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor
                                            de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                                            daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde
                                            grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                            openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                            bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
                                            een en ander met uitzondering van delen van zodanige
                                            onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een
                                            op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen
                                            landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in
                                            artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet
                                            1928 , met uitzondering van de daarop voorkomende
                                            gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                            heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen,
                                            die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid
                                            welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het
                                            behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                            worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                                            vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                            kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdediging- en waterbeheersingwerken die worden
                                            beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                            de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                            ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                            instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                            rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                                            zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                            afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan
                                            die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf
                                            als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                            gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                            onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig
                                            gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen - welke zijn
                                            geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek,
                                            ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
                                            gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's,
                                            hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de
                                            gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot
                                            heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            dienen als woning.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het
                                    eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting
                                    geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot
                                    heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten
                                    aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende
                                    zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
                                    dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Belastingtarieven</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                    heffingmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de gebruikersbelasting 0,09162% ;</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al><al>1.voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,08223%;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                    0,12764%.</al><lijst><li nr="·"><al>Als het bedrag van de belasting beneden € 10,- blijft,
                                            wordt geen belasting geheven. Voor de toepassing van de
                                            vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                                            verenigde verschuldigde bedragen aan belastingen of
                                            andere heffingen aangemerkt als één
                                            belastingbedrag.</al></li><li nr="·"><al>Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag
                                            naar beneden afgerond op gehele euro's.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Wijze van heffing</label></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Termijnen van betaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet
                                    1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk 2 maanden na de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag
                                    van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan €
                                    70, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van
                                    automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                                    aanslagen moeten worden betaald in 7 gelijke termijnen. De
                                    eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                    later. </al></li><li nr="3."><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid,
                                    onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een
                                    belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
                                    bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                                    toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de
                                    vaststelling van de aanslag.</al></li><li nr="4."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Nadere regels door het college</label></kop><al>Het college kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering
                            van de Onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Bevoegdheden</label></kop><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Overgangsrecht, inwerkingtreding en
                                citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De 'Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2011 vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 9 november 2010 , wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                    Onroerende-zaakbelastingen 2012.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december
                        2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.1 ALGEMEEN</titel></kop><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening Onroerende-zaakbelastingen is gebaseerd op de tekst van de
                    Gemeentewet (artikelen 220-220h). Voor de waardebepaling gelden ook de
                    bepalingen van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). In de
                    verordening is gekozen voor een duidelijke scheiding tussen
                    verantwoordelijkheden op waarderingsgebied (geregeld in de Wet WOZ) en op
                    heffingsgebied. Overeenkomstig de Gemeentewet is daarom gekozen voor verwijzing
                    naar de bepalingen in de Wet WOZ en is de tekst van de desbetreffende bepalingen
                    niet overgenomen in de verordening. Ten behoeve van de praktijk wordt in de
                    toelichting bij het betreffende artikel een korte toelichting op de werking van
                    de Wet WOZ gegeven. De verordening en toelichting zijn gebaseerd op de
                    wetteksten zoals die op 1 januari 2011 bekend zijn.</al><al><vet>Financiële verhoudingswet</vet></al><al>Er is samenhang tussen de hoogte van de algemene uitkering van een gemeente en
                    haar belastingcapaciteit voor de Onroerende-zaakbelastingen. De werkelijke
                    hoogte van de tarieven heeft geen invloed op de uitkering uit het gemeentefonds.
                    Het gemeentefonds is te zien als egalisatiefonds voor verschillen in
                    belastingcapaciteit.</al><al><vet>Wet WOZ</vet></al><al>De Wet WOZ regelt de bepaling en vaststelling van de waarde van onroerende zaken
                    ten behoeve van de belastingheffing door rijk, gemeenten en waterschappen,
                    waaronder ook de Onroerende-zaakbelastingen. De waardebepaling geschiedt onder
                    verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de
                    gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen. De waarde wordt door de
                    heffingsambtenaar met een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking aan de
                    eigenaar en aan de gebruiker (belanghebbenden) bekendgemaakt. Vanaf 2007 wordt
                    de waarde jaarlijks vastgesteld.</al><al><vet>Geen tarieflimieten wel een macronorm</vet></al><al>Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van de drie tarieven: een eigenarentarief
                    en een gebruikerstarief voor niet-woningen en een eigenarentarief voor woningen.
                    Daarbij gelden geen absolute of relatieve limieten. Wel is ter voorkoming van
                    een onevenredige stijging van de collectieve lastendruk een macronorm ingesteld.
                    Dit is een norm voor de totale opbrengsten OZB in Nederland. Bij overschrijding
                    van de norm vindt er een bespreking plaats tussen Rijk en gemeenten in het
                    bestuurlijk overleg Financiële Verhoudingen in de maand april. Het Rijk kan
                    uiteindelijk als machtsmiddel de hoogte van de uitkering uit het gemeentefonds
                    gebruiken.</al><al><vet>Tarief als percentage van de waarde</vet></al><al>De Onroerende-zaakbelasting wordt berekend naar een percentage van de waarde van
                    de onroerende zaak.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Aanhef</vet></al><al>In de aanhef wordt verwezen naar artikelen 220 tot en met 220h van de
                    Gemeentewet. Omdat in de Gemeentewet in voorkomende gevallen al wordt verwezen
                    naar de Wet WOZ, is het niet nodig om ook in de aanhef te verwijzen naar de Wet
                    WOZ.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening
                        voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel
                        1.</al><al><cursief>Ad b.</cursief></al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                        verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                        gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Voor iedere onroerende zaak die binnen de gemeente ligt kan een directe
                        belasting voor het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht worden
                        geheven. De belasting wegens genot krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht wordt aangeduid als eigenarenbelasting. De belasting wegens het
                        gebruik van een onroerende zaak wordt aangeduid als gebruikersbelasting en
                        wordt alleen geheven ter zake van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                        woning dienen. De Onroerende-zaakbelastingen zijn tijdstipbelastingen. Het
                        begin van het kalenderjaar bepaalt de belastingplicht. Indien het gebruik
                        dan wel het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in de loop van
                        het jaar aanvangt of eindigt, heeft dat geen invloed op de belastingplicht.
                        De aanslag wordt dan niet tijdsevenredig verminderd (zie Hof Den Haag 26
                        januari 2000, nr. 98/02639, Belastingblad 2001, blz.163).</al><al/><al><vet>Gebruikersbelasting</vet></al><al>De gebruikersbelasting wordt vanaf 1 januari 2006 alleen geheven van degene
                        die (naar de omstandigheden beoordeeld) bij het begin van het kalenderjaar
                        een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient (niet-woning) al
                        dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht
                        gebruikt. Daarbij is het niet van belang op grond waarvan gebruik wordt
                        gemaakt van de niet-woning. Ook bij wederrechtelijk gebruik (krakers) is
                        sprake van gebruik (Hoge Raad 10 maart 1982, nr. 20 860, BNB 1982/115,
                        Belastingblad 1982, blz. 148 (Dordrecht).</al><al/><al><vet>Het begrip gebruik</vet></al><al>Of er sprake is van gebruik wordt beoordeeld naar de feitelijke
                        omstandigheden. Er is in ieder geval sprake van gebruik als een niet-woning
                        daadwerkelijk wordt gebruikt (Hoge Raad 5 september 1979, nr. 19420, BNB
                        1979/268 (Uitgeest): “metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn eigen
                        behoeften”). Maar er is ook gebruik als een persoon de niet-woning bewust
                        leeg laat staan met de bedoeling die voor bepaalde doeleinden voor zichzelf
                        ter beschikking te houden: Gebruik is aanwezig als de persoon een
                        niet-woning bouwt of laat bouwen op een ongebouwd eigendom. Er is alleen
                        geen sprake is van gebruik als de bevrediging van behoeften door externe
                        belemmeringen wordt geblokkeerd, zoals het wachten op verstrekking van een
                        bouwvergunning na aanvraag daarvan.</al><al>Het aanhouden voor handels- of beleggingsdoeleinden levert geen metterdaad
                        bezigen en dus geen gebruik op, aldus Hoge Raad 22 juli 1985, nr. 22649, BNB
                        1985/258, Belastingblad 1985, blz. 658 (De Bilt). De afwezigheid van de
                        gebruiker van een niet-woning op 1 januari leidt niet zonder meer tot het
                        achterwege laten van heffing van de gebruikersbelasting. Zie Hoge Raad 30
                        juni 1993, nr. 28345, BNB 1993/265.</al><al><vet>Leegstand</vet></al><al>‘Een leegstaand object, dat wil zeggen een object dat echt leeg staat, en
                        dat dus geen meubilair en dergelijke bevat, wordt ook niet gebruikt in de
                        zin van artikel 219, onderdeel a (thans artikel 220, onderdeel a; VNG) . Dit
                        is slechts anders indien een genothebbende krachtens een zakelijk recht zijn
                        object bewust leeg laat staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden
                        voor zichzelf ter beschikking te houden.’ (Kamerstukken II, 1989-1990, 21
                        591, nr. 3, blz. 68)</al><al>"Met betrekking tot de suggestie van de leden van de fractie van GroenLinks
                        om het OZB-gebruikersdeel van leegstaande panden (niet-woningen) door de
                        eigenaar te laten betalen (om leegstand vanuit speculatief oogpunt te
                        voorkomen) merken wij op dat de Gemeentewet sedert 1 januari 1995 al de
                        mogelijkheid biedt dat de eigenaar wordt aangeslagen voor leegstaande
                        panden. Sedert deze datum is het begrip "feitelijk gebruik" namelijk
                        gewijzigd in "gebruik" juist om mogelijk te maken dat in meer situaties dan
                        voorheen OZB kan worden geheven. Omdat onder gebruik in deze zin ook kan
                        worden verstaan het voor eigen gebruik ter beschikking houden, zal het
                        bewust leeg houden van een onroerende zaak voor eigen doeleinden als een
                        vorm van gebruik kunnen worden gezien. De genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht is dan tevens de gebruiker als hiervoor bedoeld en
                        zal de gebruikersbelasting voor zijn rekening moeten nemen." (Kamerstukken
                        II, 1996-1997, 25 037, nr. 6, blz. 12)</al><al>Om te bepalen of er sprake is van belastbare leegstand moet worden
                        beoordeeld of de zakelijk gerechtigde de niet-woning bewust leeg laat staan.
                        De feitelijke omstandigheden worden daarbij beoordeeld.</al><al>De Hoge Raad laat zich in zijn arrest van 7 oktober 1998, nr. 33767, LJN:
                        AA2318, Belastingblad 1998, blz. 878 (Haarlem) voor het eerst uit over het
                        nieuwe begrip gebruik. De Hoge Raad oordeelt dat een woning die op de
                        peildatum in afwachting van een verbouwing ‘kaal’ is en niet geschikt voor
                        bewoning of enige andere vorm van gebruik, niet wordt gebruikt. Dit oordeel
                        lijkt op gespannen voet te staan met de bedoeling van de wetgever dat
                        onroerende zaken die de eigenaar bewust leeg laat staan in de
                        gebruikersbelasting dienen te worden betrokken, maar beslissend is hier
                        waarschijnlijk geweest dat de eigenaar op de peildatum nog niet in het bezit
                        was van de door hem reeds aangevraagde bouwvergunning. De leegstand is dan
                        niet zozeer toe te schrijven aan de motieven van de eigenaar, maar aan het
                        feit dat de eigenaar formeel niet mag bouwen. Hof ’s-Gravenhage heeft in
                        zijn uitspraak van 22 augustus 2000, nr. 99/00456, Belastingblad 2001, blz.
                        1220, beslist dat een (nagenoeg) leegstaande woning door de eigenaar wordt
                        gebruikt omdat zij hem ter beschikking staat. Er is ook sprake van gebruik
                        wanneer de eigenaar de woning ter beschikking houdt van zijn ouders.</al><al/><al><vet>Het begrip gebruiker</vet></al><al>Wie de gebruiker van een niet-woning is, zal bijvoorbeeld uit de
                        administratie van nutsbedrijven blijken. Overigens kan ook door het gebruik
                        maken van inlichtingenformulieren of aangiftebiljetten inzichtelijk worden
                        gemaakt wie als gebruiker kan worden aangemerkt. Zie voor een nadere
                        invulling van het begrip gebruiker ook hierna bij de toelichting op het
                        tweede lid, onderdeel c.</al><al><vet>Tweede lid, onderdeel a</vet></al><al>In artikel 2, tweede lid, van de verordening is een aanvullende bepaling
                        voor de gebruikersbelasting opgenomen (zie ook Artikel 220b, eerste lid, van
                        de Gemeentewet): gebruik door degene aan wie een (onzelfstandig) deel van
                        een onroerende zaak in gebruik is gegeven (gebruiker), wordt aangemerkt als
                        gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (gebruikgever). De
                        verhuurder (al of niet tevens eigenaar) is ook belastingplichtig voor de
                        gebruikersbelasting als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de
                        niet-woning is maar het gehele object in onzelfstandige delen verhuurt (Hoge
                        Raad 5 juni 2009, nr. 44103, LJN: BI6157). Bij kantoorverzamelgebouwen met
                        meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ en de Onroerende-zaakbelastingen
                        als één object kunnen gelden), wordt de verhuurder in de heffing van de
                        gebruikersbelasting betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig.
                        De bepaling ziet alleen op situaties waarin delen van de onroerende zaak
                        worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het
                        geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker
                        worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één
                        onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende onzelfstandige
                        delen aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig.
                        Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers
                        (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij
                        staat dan immers niet een gedeelte van de niet-woning in gebruik af. De
                        gebruikgever mag de gebruikersbelasting wel verhalen op de gebruiker.</al><al/><al><vet>Tweede lid, onderdeel b</vet></al><al>Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende
                        zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die de
                        onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet met name op
                        niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de
                        eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig
                        gebruik. Dit is alleen anders indien gebruik wordt gemaakt van een
                        verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële
                        risico van meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit
                        handen geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage
                        van de verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze
                        verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari
                        2001, nr. 35865, LJN: AA9843, BNB 2001/113, Belastingblad 2001, blz. 456,
                        BNB 2001/113, m.n. Snoijink (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr.
                        37361, LJN: AF0960, BNB 2003/36 m.n. Snoijink (Oostburg). Degene die de
                        niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op
                        degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De vaststelling van de belastingplicht voor het genot baseert de gemeente in
                        het algemeen op de basisregistratie kadaster. De tot belastingplicht
                        leidende beperkte rechten zijn:</al><al>• appartementsrecht;</al><al>• erfpachtrecht;</al><al>• recht van opstal;</al><al>• recht van vruchtgebruik;</al><al>• recht van beklemming;</al><al>• recht van gebruik en bewoning;</al><al>• beperkt recht in de zin van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de
                        Belemmeringenwet privaatrecht.</al><al>De basisregistratie kadaster geeft in bijna alle gevallen uitsluitsel over
                        de vraag wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
                        Gezien de omschrijving van de belastingplicht heeft de gemeente ten aanzien
                        van de belastingplichtige een keuzemogelijkheid indien er naast eigendom ook
                        sprake is van een afgeleid recht (bijvoorbeeld recht van vruchtgebruik). Ook
                        hier brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met zich dat de
                        aanwijzing van een belastingplichtige geschiedt op basis van beleidsregels
                        die door het college zijn vastgesteld en bekendgemaakt. Hetzelfde geldt
                        indien er meer genothebbenden zijn die met betrekking tot één onroerende
                        zaak in dezelfde hoedanigheid verkeren (bijvoorbeeld in geval van
                        mede-eigendom twee eigenaren). Ook dan zal de gemeente bij de keuze van de
                        belastingplichtige handelen op grond van de hiervoor genoemde vastgestelde
                        en bekendgemaakte beleidsregels.</al><al/><al>In een beperkt aantal gevallen geeft de basisregistratie kadaster niet aan
                        wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Op grond
                        van artikel 5:20 BW is de eigenaar van de grond ook eigenaar van alle
                        gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, tenzij de wet
                        anders bepaalt of als er sprake is van een bestanddeel van een andere
                        onroerende zaak. Wettelijke uitzonderingen staan onder andere in artikel 5.6
                        van de Telecommunicatiewet waarin de aanbieder van een
                        telecommunicatienetwerk als eigenaar wordt aangemerkt en in artikel 3 van de
                        Mijnbouwwet waarin de Staat als eigenaar wordt aangemerkt van de nog niet
                        gewonnen delfstoffen. De uitzondering van het bestanddeel van een andere
                        onroerende zaak wordt horizontale natrekking genoemd. Dat is bijvoorbeeld
                        het geval indien een kelder onder de grond doorloopt over een ander perceel.
                        Van horizontale natrekking is ook sprake indien een garage gedeeltelijk op
                        een ander perceel staat (Hoge Raad 17 september 2004, nr. 3800, LJN: AR2307,
                        Belastingblad 2004, blz. 1176 (Amsterdam)).</al><al/><al>Overigens bestaan er verschillende vormen van zogenaamde economische
                        eigendom die niet gepaard gaan met een recht van eigendom, bezit of beperkt
                        recht. Iemand heeft de economische eigendom van een zaak indien hij niet de
                        juridische eigenaar daarvan is, maar economisch daarbij wel belang heeft in
                        die zin dat hij het volle risico voor alle waardeveranderingen en zelfs voor
                        het eventuele tenietgaan van die zaak draagt. Niet de economische eigenaar
                        maar de juridisch eigenaar is de genothebbende krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht. De Hoge Raad heeft beslist dat de overdracht van de
                        economische eigendom niet belet dat de juridisch eigenaar in de heffing van
                        de Onroerende-zaakbelastingen wordt betrokken omdat het objectieve karakter
                        van de Onroerende-zaakbelastingen met zich meebrengt dat door de eigenaar,
                        bezitter of beperkt gerechtigde vrijwillig aanvaarde beperkingen van zijn
                        genot niet in de weg staan aan zijn belastingplicht (Hoge Raad 29 november
                        1989, nr. 26308, BNB 1990/43, Belastingblad 1991, blz. 63 (Amsterdam)).</al><al/><al>Van een economische eigenaar is bijvoorbeeld sprake bij een huurkoper, maar
                        ook het lidmaatschapsrecht van een coöperatieve flatvereniging kan worden
                        gezien als een vorm van economische eigendom van een flatwoning. De figuur
                        van de economische eigendom doet zich in de praktijk ook nogal eens voor
                        wanneer een vennoot in een vennootschap onder firma of een aandeelhouder van
                        een NV of BV niet de juridische eigendom, maar alleen het belang bij de
                        onroerende zaak inbrengt. Een huurder of pachter kan daarentegen niet als
                        economisch eigenaar worden aangemerkt, omdat hij niet het volle waarderisico
                        loopt. Dit geldt ook in een bijzonder geval van erfpacht, als een zeer hoge
                        canon moet worden betaald. De erfpachter is ook in dat geval nog de
                        genothebbende. Onder het bedoelde genot moet immers, nu op de onroerende
                        zaak een erfpachtrecht rust, worden verstaan de aan dat recht ontleende
                        bevoegdheid om de onroerende zaak te gebruiken overeenkomstig de bepalingen
                        van het erfpachtrecht (Hoge Raad 18 april 1990, nr. 26 607, BNB 1991/197,
                        Belastingblad 1990, blz. 419 (Ommen)).</al><al/><al>De eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde wordt in de belastingheffing
                        betrokken ongeacht de omvang van zijn genot. Slechts indien de eigenaar
                        wederrechtelijk de uitoefening van zijn eigendomsrecht is ontnomen, kan hij
                        niet als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht worden
                        aangemerkt, tenzij die ontneming slechts van voorbijgaande aard is (Hoge
                        Raad 10 maart 1982, nr. 20 860, BNB 1982/115, Belastingblad 1982, blz. 148
                        (Dordrecht)). Het enkele ingeschreven staan bij het basisregistratie
                        kadaster levert echter nog geen belastingplicht op (Hoge Raad 4 juni 1986,
                        nr. 23764, BNB 1986/240, Belastingblad 1986, blz. 442 (Amsterdam)).</al><al/><al>Voorts kan zich het geval voordoen dat het genot niet voortspruit uit de
                        eigendom, het bezit of het beperkte recht, maar uit een persoonlijk recht.
                        Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij een huurafhankelijk recht van opstal. In
                        dat geval worden twee objecten en derhalve twee genothebbenden krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht onderscheiden, te weten de eigenaar van de
                        grond en de eigenaar van de opstal. Bij een zelfstandig recht van opstal
                        wordt slechts een genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                        onderscheiden. Zie over het recht van opstal ook de arresten Hoge Raad 7
                        maart 1979, nr. 20 860, BNB 1979/126 (Rotterdam); Hoge Raad 21 oktober 1992,
                        nr. 28 641, BNB 1993/9, Belastingblad 1992, blz. 840 (Tilburg) en Hoge Raad
                        14 september 1994, nr. 29 871, BNB 1994/322, Belastingblad 1994, blz. 627 en
                        727 (Rotterdam).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>De voorschriften voor de objectafbakening worden sinds 1997 niet meer in de
                        Gemeentewet zelf gegeven, maar in artikel 16 van de Wet WOZ. Daarom wordt
                        voor de afbakening van het belastingobject (de onroerende zaak) in de tekst
                        van de verordening verwezen naar hoofdstuk III van de Wet WOZ.</al><al/><al><vet>Roerend of onroerend</vet></al><al>Alleen de onroerende zaken worden in de heffing betrokken. Wat onroerend is,
                        is bepaald in artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW):</al><lijst><li nr="-"><al>de grond,</al></li><li nr="-"><al>de nog niet gewonnen delfstoffen,</al></li><li nr="-"><al>de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en
                                werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks,
                                hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.</al></li></lijst><al>Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.</al><al/><al>De verschillende rechters toetsen daarbij niet alleen aan de technische
                        vereisten van een gebouw of werk maar ook aan de beoogde bestemming waarbij
                        wordt gekeken naar de bedoeling van de bouwer (of zijn opdrachtgever) zoals
                        die naar buiten kenbaar is (Hoge Raad 31 oktober 1997, nr. 16404, NJ
                        1998/97, Belastingblad 1998, blz. 252 (portocabine). In navolging van dit
                        arrest zijn onroerend:</al><al>Weekendhuisjes (Hoge Raad 20 september 2000, nr. 34371, LJN: AA7147
                        (Maasbree), Belastingblad 2001, blz. 61 en Hoge Raad 7 juni 2002, nr. 36759,
                        LJN: AE3831 (Nunspeet);</al><al>Drijvende steigers Hoge Raad 20 september 2002, nr. 37128, LJN: AE7857 (Den
                        Haag).</al><al>Een woonark is roerend als deze niet duurzaam met de oever is verenigd,
                        aldus Hoge Raad 15 januari 2010, nr. 07/13305, LJN: BK9136. Een woonark is
                        in ieder geval niet duurzaam met de bodem verenigd als deze drijft.
                        Onderzoek bij het verwijzingshof moet uitwijzen of de woonark duurzaam met
                        de oever is verenigd.</al><al/><al><vet>Objectafbakening</vet></al><al>De Wet WOZ merkt als onroerende zaak aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een ongebouwd eigendom;</al></li><li nr="c."><al>een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd
                                eigendom;</al></li><li nr="d."><al>een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of
                                een zelfstandig deel daarvan.</al></li><li nr="e."><al>een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee
                                of meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige
                                gedeelten;</al></li><li nr="f."><al>het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een
                                ongebouwd eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een
                                als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel.</al><al/></li></lijst><al><vet>Gebouwd en ongebouwd eigendom</vet></al><al>Onder een gebouwd eigendom worden niet alleen constructies van min of meer
                        duurzame aard verstaan die dienen voor het bewaren van goederen of het
                        beschutten van personen of goederen tegen atmosferische invloeden. Uit de
                        jurisprudentie volgt dat ook installaties, open inrichtingen, locaties en
                        dergelijke bouwsels vallen onder het begrip gebouwd eigendom:</al><al>Zwembad (Hoge Raad 7 maart 1979, nr. 19017, BNB 1979/125 (Rotterdam)),</al><al>Aardgaslocatie (Hoge Raad 10 december 1980, nr. 19869, BNB 1981/45
                        (Denekamp)),</al><al>Hoogspanningsmasten (Hoge Raad 16 april 1980, nr. 19727, BNB 1980/183
                        (Beverwijk)),</al><al>Windmolens (Hoge Raad 23 februari 1994, nr. 28837, BNB 1994/135,
                        Belastingblad 1994, blz. 301 (Vlissingen) en Hoge Raad 23 februari 1994, nr.
                        29115, BNB 1994/136, Belastingblad 1994, blz. 299 (Franekeradeel)).</al><al>Een onroerende zaak die geen gebouwd eigendom is, is een ongebouwd eigendom.
                        Ook als aan de grond werkzaamheden zijn verricht of drainage is aangebracht,
                        is sprake van een ongebouwd eigendom:</al><al>Tennisbaan (Hoge Raad 13 mei 1987, nr. 24454, BNB 1987/219, Belastingblad
                        1987, blz. 495),</al><al>Opstal in aanbouw (Hoge Raad 25 november 1998, nr. 33944, BNB 1999/19,
                        Belastingblad 2000, blz. 387 (Amsterdam).</al><al/><al><vet>Gedeelten</vet></al><al>Een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom dat blijkens zijn
                        indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt is in
                        beginsel een afzonderlijk belastingobject. Het gaat daarbij om gedeelten die
                        elk nog als zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt
                        (bijvoorbeeld de woning in een flatgebouw). Gemeenschappelijke ruimten in
                        een gebouw worden niet aangemerkt als een zelfstandig gedeelte maar moeten
                        evenredig aan de overige zelfstandige gedeelten worden toegerekend. Dit
                        volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 1994, nr. 29859,
                        Belastingblad 1994, blz. 659 (Haren). Uit de jurisprudentie volgt dat van
                        een zelfstandig woongedeelte sprake is indien een gedeelte redelijk
                        afsluitbaar is en beschikt over een eigen keuken of kookgelegenheid, douche
                        en toiletruimte. Eventueel kunnen ook aansluitingen op nutsvoorzieningen,
                        telefoon en kabel een aanwijzing zijn. Zie onder meer Hoge Raad 9 september
                        1992, nr. 28352, BNB 1992/341, Belastingblad 1992, blz. 649 (Leiden), Hof
                        's-Hertogenbosch 9 oktober 1996, nr. 94/3506, Belastingblad 1998, blz. 348
                        en Hof Amsterdam 3 december 1999, nr. 98/1032, Belastingblad 2000, blz. 202
                        (Zaanstad). Van een redelijke afsluitbaarheid is sprake indien het gedeelte
                        feitelijk afsluitbaar is. Een deur waarop een slot ontbreekt is niet
                        afsluitbaar (Hoge Raad 12 februari 2010, LJN: BL3592). Het afsluitbaar maken
                        door het alsnog aanbrengen van een deurslot was in de casus van Hof Arnhem
                        17 februari 1999, nr. 98/1265, Belastingblad 2000, blz. 667, niet voldoende.
                        Een gedeelte van een kantoorgebouw is blijkens zijn indeling bestemd om als
                        een afzonderlijk geheel te worden gebruikt als zodanig gedeelte redelijk
                        afsluitbaar is en aldus kan worden gescheiden van de overige gedeelten van
                        het gebouw (Hoge Raad 16 december 1987, nr. 25015, BNB 1988/91,
                        Belastingblad 1988, blz. 121 (Amsterdam)). Voor een zelfstandig
                        kantoorgedeelte is het niet voldoende dat een kamer afsluitbaar is (Hoge
                        Raad 8 oktober 2004, nrs. 38443 en 38444, LJN:AR3500). Indien op een camping
                        sprake is van feitelijk afzonderlijk te onderscheiden percelen die aan
                        derden worden verhuurd om daarop stacaravans te plaatsen en deze tezamen met
                        het perceel gebruiken, is op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28
                        september 2001, nr. 36224, LJN: AD3888 (Maarssen), sprake van zelfstandige
                        gedeelten.</al><al/><al><vet>Samenstel (complex)</vet></al><al>Kenmerkend voor samenstellen is dat de daartoe behorende eigendommen naar de
                        omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren en door een en dezelfde
                        (rechts)persoon worden gebruikt. Er zijn dus, naast het eigendom, twee
                        voorwaarden. Allereerst moeten de eigendommen naar de omstandigheden
                        beoordeeld bij elkaar behoren. Daarbij kan bijvoorbeeld de afstand tussen de
                        eigendommen een rol spelen. Vaak zal het ene eigendom een hulpfunctie
                        vervullen voor het andere eigendom. Bijvoorbeeld de garage die naast de
                        woning staat. Bij de bepaling of de eigendommen naar de omstandigheden bij
                        elkaar behoren moet ook aansluiting worden gezocht bij de maatschappelijke
                        opvatting. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 mei 2003, nr. 35987, LJN:
                        AD6058, bepaald dat 'bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de door
                        belanghebbende in haar bedrijf aangewende (gedeelten van) eigendommen - die
                        onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormen – als een samenstel
                        moeten worden aangemerkt, beslissend is of dat bedrijf als één samenhangend
                        geheel moet worden beschouwd, waarbinnen alle (gedeelten van) eigendommen
                        voor één organisatorisch doel worden aangewend'. De tweede voorwaarde is dat
                        de eigendommen in gebruik zijn bij dezelfde persoon. Wanneer bijvoorbeeld de
                        bij een woonhuis behorende garage wordt gebruikt door een ander dan de
                        bewoner van het huis, dan vormen woonhuis en garage niet één
                        belastingobject. Woonhuis en garage zijn immers niet meer in gebruik bij
                        dezelfde persoon. Bedrijfsobjecten met een afzonderlijke bovenwoning kunnen
                        niet als één onroerende zaak worden aangemerkt. Zie onder meer Hoge Raad 18
                        januari 1984, nr. 22165, BNB 1984/100, Belastingblad 1984, blz. 99 (Loon op
                        Zand), Hof Amsterdam 18 september 1998, nr. 97/20861, Belastingblad 1999,
                        blz. 238 en Hof Amsterdam 3 december 1999, nr. 98/1032, Belastingblad 2000,
                        blz. 202 (Zaanstad).</al><al/><al><vet>Recreatieterrein</vet></al><al>Een recreatieterrein waarop standplaatsen voor stacaravans worden verhuurd
                        of andere vakantieonderkomens staan, wordt vanaf 1 januari 2005 voor de Wet
                        WOZ aangemerkt als één onroerende zaak. De wetgever heeft het ondoelmatig
                        geacht om van alle op recreatieterreinen gelegen onroerende
                        recreatiewoningen en stacaravans met de bijbehorende (onder)grond, de waarde
                        afzonderlijk te bepalen en vast te stellen en deze afzonderlijk in de
                        heffing te betrekken. Daarom geldt dat de afbakening als afzonderlijke
                        objecten achterwege blijft wanneer het gaat om een geheel van onroerende
                        zaken, zoals recreatiewoningen en stacaravans, dat bijeengenomen een terrein
                        vormt dat bestemd is voor verblijfsrecreatie en als zodanig wordt
                        geëxploiteerd. Anders gezegd: een recreatieterrein met de opstallen die niet
                        in privé-eigendom zijn, dat als geheel bestemd is en geëxploiteerd wordt
                        voor verblijfsrecreatie, wordt als één onroerende zaak aangemerkt.</al><al/><al><vet>Binnen de gemeentegrens</vet></al><al>Het binnen de gemeente gelegen deel is een afzonderlijk belastingobject dat
                        afzonderlijk in de heffing zal moeten worden betrokken. Een gebouw dat op de
                        gemeentegrens ligt, zal dus door twee (of meer) gemeenten moeten worden
                        aangeslagen.</al><al/><al><vet>Eigendomsgrens is grens object</vet></al><al>Alleen als van de samenstellende delen van een onroerende zaak de
                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht dezelfde is, is
                        sprake van één belastingobject. Dit betekent dat de eigendomsgrens de
                        uiterste grens van het object vormt. Dit volgt uit het arrest van de Hoge
                        Raad van 20 oktober 1993, nr. 29464, BNB 1993/ 349, Belastingblad 1994, blz.
                        174 (Amsterdam) en de uitspraak van Hof 's-Gravenhage van 14 juni 1995, nr.
                        93/3928, Belastingblad 1995, blz. 699 (Noordwijk).</al><al><vet>Gevolgen verkeerde objectafbakening</vet></al><al>Oorspronkelijk kon een afbakeningsfout volgens de Hoge Raad in bezwaar of
                        beroep niet worden hersteld zodat de aanslag moest worden vernietigd (zie
                        o.a. Hoge Raad 8 juli 1992, nr. 28262, BNB 1992/311, Belastingblad 1992,
                        blz. 490 (Utrecht)). Een uitzondering gold indien een aanhorigheid niet in
                        aanmerking was genomen (zie o.a. Hoge Raad 21 januari 1981, nr. 20302, BNB
                        1981/100 (Maassluis)). In de arresten Hoge Raad 27 september 2002, nr.
                        34927, LJN: AE8146 (Rotterdam) en Hoge Raad 27 september 2002, nr. 34928,
                        LJN: AD5341 (Rotterdam) en Hoge Raad 9 november 2002, nr. 36941, LJN:
                        AF0074, Belastingblad 2002/1220 (Goedereede) komt de Hoge Raad voor te groot
                        afgebakende objecten echter terug op deze jurisprudentie omdat het gevolg
                        van een gemaakte afbakeningsfout (vernietiging van de gehele aanslag) vaak
                        niet in verhouding staat tot de ernst van de fout. Dit heeft de Hoge Raad
                        ertoe gebracht om de rechtspraak inzake een onjuiste objectafbakening voor
                        zowel de uitvoering van de Onroerende-zaakbelastingen als de WOZ te herzien.
                        De nieuwe leer houdt in dat de objectafbakening in bezwaar of beroep door de
                        gemeente of de belastingrechter kan worden aangepast indien de
                        oorspronkelijke beschikking of de aanslag mede betrekking heeft op objecten
                        die in eigendom of gebruik zijn bij derden of geheel of gedeeltelijk op het
                        grondgebied van een andere gemeente zijn gelegen. De aanpassing dient
                        zodanig te geschieden dat de aanslag nog slechts betrekking heeft op één -
                        op de juiste wijze afgebakend - belastingobject. Daarbij dient zo nodig de
                        waarde van het object te worden verlaagd. Voor te klein afgebakende objecten
                        heeft de Hoge Raad de gevolgen geschetst in het arrest van 9 mei 2003, nr.
                        35987, LJN: AD6058. Het komt erop neer dat WOZ-beschikkingen en aanslagen
                        OZB (op grond van artikel 18a AWR) van te klein afgebakende objecten dienen
                        te worden vernietigd. Binnen de driejaarstermijn van artikel 11, lid 3 AWR
                        kunnen nieuwe aanslagen (eventueel tot behoud van rechten) worden opgelegd.
                        Dat is anders indien de driejaarstermijn is overschreden. Nieuwe
                        beschikkingen en navorderingsaanslagen (o.g.v. artikel 18a AWR) kunnen dan
                        worden verzonden en opgelegd binnen acht weken nadat de 'oude' beschikkingen
                        (onherroepelijk) zijn vernietigd (artikel 4:13, lid 3 Awb).</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Aan artikel 3 is een nieuw lid toegevoegd. Dit lid geeft een definitie van
                        het begrip woning overeenkomstig de bepaling in de Gemeentewet (artikel
                        220a, lid 2). Een onroerende zaak dient tot woning indien de vastgestelde
                        WOZ-waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende
                        zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                        woondoeleinden. Het ‘in hoofdzaakcriterium’ wordt uitgelegd als: 70% of
                        meer. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met betrekking tot de term 'maatstaf van heffing' of 'heffingsmaatstaf'
                        dient te worden opgemerkt dat de eerste term wordt gebruikt in algemene zin
                        terwijl de tweede term in concrete zin wordt gebruikt (de concrete waarde
                        van een onroerende zaak). Daarom is in de aanhef van artikel 4 van de
                        verordening sprake van 'maatstaf van heffing' en in het vervolg van de
                        verordening steeds over 'heffingsmaatstaf'. Dit correspondeert met de
                        wettekst. De heffingsmaatstaf is de waarde van de onroerende zaak zoals deze
                        is vastgesteld op basis van de Wet WOZ. In het eerste lid is de tekst van
                        artikel 220c van de Gemeentewet overgenomen. Is de waarde middels een
                        WOZ-beschikking vastgesteld, dan kunnen de waardebepalende elementen in een
                        bezwaar- en/of beroepsprocedure tegen de aanslag niet meer aan de orde
                        komen. Anders: Hof Leeuwarden 29 november 2002, nr. BK 440/01, LJN: AF1496
                        dat in een beroepsprocedure de werktuigenvrijstelling in de beoordeling
                        betrok, ondanks het feit dat de WOZ-beschikking onherroepelijk
                        vaststond.</al><al/><al><vet>Eerste lid</vet></al><al/><al><vet>Waarde in het economische verkeer</vet></al><al>Artikel 17 van de Wet WOZ geeft de regels voor de waardering. Uitgangspunt
                        daarbij is de waarde in het economische verkeer. Dat is de waarde die aan de
                        onroerende zaak kan worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom
                        van de onroerende zaak zou kunnen worden overgedragen (overdrachtsfictie) en
                        de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en
                        in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (verkrijgingfictie). Bij de
                        waardebepaling wordt geen rekening gehouden met eventueel op de onroerende
                        zaak rustende lasten, zoals een antispeculatiebeding met kettingbeding.
                        Volgens de Hoge Raad dient bij de waardebepaling wel rekening te worden
                        gehouden met een zakelijke of daarmee gelijk te stellen verplichting die de
                        omvang van het genot van de zaak beperkt (Hoge Raad 25 november 1998, nr.
                        33212, LJN: AA2572, Belastingblad 1999, blz. 93 (Rotterdam)). Voor woningen
                        en rijksmonumenten is de waarde in het economische verkeer altijd van
                        toepassing. Voor niet-woningen daarentegen wordt de gecorrigeerde
                        vervangingswaarde genomen indien deze hoger is dat de waarde in het
                        economische verkeer.</al><al/><al><vet>Gecorrigeerde vervangingswaarde</vet></al><al>De overdracht- en verkrijgingfictie gelden ook voor de gecorrigeerde
                        vervangingswaarde (Hoge Raad 9 juli 1999, nr. 34377, LJN: AA2808,
                        Belastingblad 1999, blz. 622 (kettingbeding met recht van terugkoop)). De
                        gecorrigeerde vervangingswaarde wordt bepaald door de vervangingswaarde van
                        de onroerende zaak te verminderen met de afschrijving wegens technische en
                        functionele veroudering. De afschrijving wegens technische veroudering vindt
                        plaats op grond van de verwachte levensduur van het object en de restwaarde
                        die het object aan het einde van die levensduur zal hebben. De afschrijving
                        wegens functionele veroudering brengt de mate tot uitdrukking waarin nog
                        behoefte bestaat aan de onroerende zaak als gevolg van technische,
                        economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Redenen voor een
                        afschrijving wegens functionele veroudering kunnen bijvoorbeeld gewijzigde
                        bouwtechnieken of bouwtechnische eisen zijn. Daarnaast kan ook worden
                        gedacht aan ondoelmatig ingerichte ruimten alsmede aan een tekort of
                        overschot aan ruimte. Ook economische veroudering als gevolg van algemene
                        conjuncturele ontwikkelingen en ontwikkelingen in de branche kunnen van
                        invloed zijn op de functionele veroudering. De omvang van de functionele
                        veroudering komt onder meer aan bod in het arrest van de Hoge Raad van 8
                        juli 1992, nr. 27678, BNB 1992/298, Belastingblad 1992, blz. 801 (Veendam).
                        In dit arrest concludeert de Hoge Raad dat bij onroerende zaken die in de
                        commerciële sfeer worden gebezigd, de gecorrigeerde vervangingswaarde niet
                        hoger wordt gesteld dan de bedrijfswaarde, oftewel de waarde die de
                        onroerende zaak in economische zin voor de huidige eigenaar
                        vertegenwoordigt. Zie ook de VNG-circulaire Circ. 92/196 -jurisprudentie
                        onroerendgoedbelastingen (18-09-1992). De bedrijfswaarde is niet van
                        toepassing op niet-commercieel gebezigde onroerende zaken, zoals
                        bijvoorbeeld een schoolgebouw (Hof Arnhem 18 januari 1994, nr. 931529,
                        Belastingblad 1994, blz. 397) en een kerk ( Hoge Raad 5 juni 1996, nr.
                        30314, BNB 1996/250, Belastingblad 1996, blz. 430 (Amsterdam)) of indien de
                        exploitatie vooral geschiedt om in het algemeen belang gelegen redenen (Hoge
                        Raad 7 februari 2001, nr. 34899 BNB 2001/112 (Leeuwarden). Advocaat-generaal
                        Moltmaker gaf in het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1992, nr. 27678, BNB
                        1992/298 aan wanneer sprake is van niet-commerciële activiteiten: - de
                        activiteiten kunnen alleen door middel van subsidies worden gebezigd, of -
                        er wordt bij de activiteiten slechts gestreefd naar kostendekking. In de
                        situatie waarin alle aandelen in handen zijn bij de overheid en deze in het
                        algemeen belang handelt kan toch sprake zijn van toepassing van de
                        bedrijfswaarde, aldus de Hoge Raad 9 mei 2003, nr. 35987, LJN: AD 6058
                        (Schiphol). De Hoge Raad herhaalt de punten die de A-G in BNB 1992/298 noemt
                        en constateert dat die situaties niet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Wijzigingen na waardepeildatum</vet></al><al>De waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld naar de waarde die de
                        zaak heeft op de waardepeildatum en naar de staat waarin de zaak verkeert op
                        het tijdstip van de waardepeildatum. De waardepeildatum ligt één jaar vóór
                        het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld. Met wijzigingen
                        tussen deze waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar wordt alleen
                        in bepaalde gevallen rekening gehouden. Deze gevallen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een onroerende zaak gaat op in een andere onroerende zaak dan wel in
                                meer onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>een onroerende zaak wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing,
                                verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van
                                bestemming;</al></li><li nr="c."><al>een onroerende zaak ondergaat als gevolg van een andere, specifiek
                                voor de onroerende zaak geldende, omstandigheid een
                                waardeverandering.</al></li></lijst><al>Wijzigingen onder a betreffen de objectafbakening. Onder b gaat het om
                        wijzigingen van het object zelf. De wijzigingen onder c betreffen
                        wijzigingen aan het object zelf, maar ook omgevingsfactoren. De
                        waardeverandering wordt meegenomen vanaf het begin van het kalenderjaar
                        wanneer de bedoelde feiten of omstandigheid geheel of gedeeltelijk hun
                        beslag hebben gekregen.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling' en voorziet erin dat
                        indien voor een onroerende zaak onverhoopt geen WOZ-beschikking is
                        vastgesteld, toch een aanslag kan worden opgelegd. De memorie van
                        toelichting noemt als voorbeeld het geval dat een WOZ-beschikking door de
                        rechter is vernietigd vanwege een fout in de objectafbakening. Als de
                        WOZ-beschikking wel is vastgesteld, maar niet is bekend gemaakt, dan is de
                        vangnetbepaling niet van toepassing, maar de gewone hoofdregel van het
                        eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, LJN:
                        AR6816).</al><al>De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel
                        mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel
                        een WOZ-beschikking is vastgesteld. In de memorie van toelichting wordt
                        opgemerkt dat de waardevaststelling in deze gevallen alleen voor het
                        betreffende kalenderjaar geldt. Zolang er geen WOZ-beschikking is, dient de
                        waardevaststelling (door het opleggen van de aanslag
                        Onroerende-zaakbelastingen) dus voor elk kalenderjaar plaats te vinden. Voor
                        de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel
                        220d, vierde lid, van de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De verplichte vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 220d van de
                        Gemeentewet. Op grond van jurisprudentie heeft de wetgever bij de Wet
                        materiële belastingbepalingen de opzet van de vrijstellingen gewijzigd. Een
                        object als zodanig wordt niet vrijgesteld maar de waarde van (een gedeelte)
                        van een object wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat
                        een onroerende zaak gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt
                        vrijgesteld. De vrijstellingen zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen
                        maar vormen een onderdeel van de maatstaf van heffing. Immers, bij het
                        bepalen van de maatstaf van heffing wordt (een gedeelte van) de waarde
                        buiten aanmerking gelaten. Met nadruk wordt erop gewezen dat een
                        vrijstelling voor de Onroerende-zaakbelastingen niet inhoudt dat ook de
                        waardering achterwege kan blijven. In het kader van de Wet WOZ kan de
                        waardering (niet de gegevensverzameling) van een onroerende zaak alleen
                        achterwege blijven indien op grond van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                        objecten Wet WOZ de gehele waarde buiten aanmerking kan worden gelaten. In
                        beginsel zijn de vrijstellingen die in de Uitvoeringsregeling staan in de op
                        de beschikking vastgestelde WOZ-waarde meegenomen. De waarde van de volgende
                        objecten (of objectonderdelen) wordt bij het vaststellen van de</al><al>WOZ-beschikking vrijgesteld:</al><lijst><li nr="•"><al>bedrijfsmatige geëxploiteerde cultuurgrond;</al></li><li nr="•"><al>Natuurschoonwetlandgoederen;</al></li><li nr="•"><al>natuurterreinen beheerd door rechtspersonen die zich uitsluitend of
                                nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurterreinen ten doel
                                stellen;</al></li><li nr="•"><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail;</al></li><li nr="•"><al>werktuigen die zonder schade van betekenis kunnen worden
                                afgescheiden van de onroerende zaak en die niet op zichzelf als
                                gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="•"><al>waterverdedigingswerken en waterbeheersingwerken in beheer bij
                                organen en dergelijke van publiekrechtelijke rechtspersonen, met
                                uitzondering van woningen;</al></li><li nr="•"><al>kerken en andere onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor
                                de openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard, met
                                uitzondering van woningen;</al></li><li nr="•"><al>rioolzuiverings- en afvalwaterwerken in beheer bij organen en
                                dergelijke van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                van woningen.</al></li></lijst><al/><al>Alle overige objecten moeten worden gewaardeerd ook al zijn zij voor de
                        Onroerende-zaakbelastingen (wettelijk of facultatief) vrijgesteld. De enige
                        wettelijke vrijstelling is sinds 1 januari 2005 de kassenvrijstelling. Vanaf
                        1 januari 2007 is ook de vrijstelling voor woondelen bij niet-woningen
                        verplicht. De uitwerking hiervan is te vinden in het derde lid. De
                        (gedeelten van) objecten zijn vrijgesteld voor de onroerende
                        zaakbelastingen, maar worden niet als uitgezonderd object voor de waardering
                        beschouwd (zie artikel 220d, eerste lid, onderdeel b in vergelijking tot
                        artikel 2 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering
                        onroerende zaken). Indien de WOZ-waarde onherroepelijk vaststaat is het niet
                        meer mogelijk om de waardebepalende elementen, waaronder de al dan niet
                        toegepaste vrijstellingen, die in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                        objecten staan, bij bezwaar of beroep tegen de aanslag
                        Onroerende-zaakbelastingen ter discussie te stellen. Zie echter Hof
                        Leeuwarden 20 december 2002, nr. 440/01, LJN: AF1496 waarin de
                        werktuigenvrijstelling in beroep onderdeel uitmaakt van de procedure ondanks
                        dat de WOZ-beschikking vaststaat. De uitspraak lijkt in strijd met de
                        bedoeling van de wetgever.</al><al><vet>Eerste lid, onderdeel a</vet></al><al>Ingevolge artikel 220d, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet is
                        vrijgesteld de ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                        geëxploiteerde cultuurgrond. Men spreekt hier wel van de
                        'cultuurgrondvrijstelling'. Of er sprake is van landbouw moet sinds 1
                        september 2007 worden beoordeeld aan de hand van artikel 312 van Boek 7 van
                        het Burgerlijk Wetboek. Zie artikel 220d, tweede lid, van de Gemeentewet. In
                        zijn uitspraak van 24 mei 2000 heeft Hof Amsterdam bepaald dat
                        volkstuinverenigingen niet in aanmerking komen voor de
                        cultuurgrondvrijstelling (Hof Amsterdam 24 mei 2000, nr. 99/2643). In het
                        arrest van 9 mei 2003, nr 35987, AD6058 (Schiphol) heeft de Hoge Raad
                        bepaald dat 'set-aside'-gronden onder de cultuurvrijstelling vallen. De
                        vrijstelling is ruimer dan de vrijstelling voor de Wet WOZ, omdat ook de
                        ondergrond van glasopstanden is vrijgesteld. De glasopstanden zelf zijn op
                        grond van onderdeel b vrijgesteld.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel b</vet></al><al>Op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet zijn
                        glasopstanden vrijgesteld waarvan de ondergrond bestaat uit vrijgestelde
                        cultuurgrond. Het gaat hier om de 'kassenvrijstelling'. Zie onder andere Hof
                        's-Gravenhage 9 september 1980, NR. 36/80, BNB 1982/25, Belastingblad 1982,
                        blz. 69 (Naaldwijk), Hof 's-Gravenhage 26 oktober 1983, nr. 49/83,
                        Belastingblad 1985, blz. 125 (Goes) en Hof 's-Hertogenbosch 21 november
                        1996, nr. 94/3124, Belastingblad 1997, blz. 119 (Aalburg).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel c</vet></al><al>In onderdeel c is de kerkenvrijstelling geregeld, waarin twee categorieën
                        onroerende zaken zijn opgenomen, te weten: </al><lijst><li nr="•"><al>onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd voor de openbare
                                eredienst;</al></li><li nr="•"><al>onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor
                                bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, waarbij het
                                niet vereist is dat het bijeenkomsten betreft van genootschappen die
                                rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zijn.</al></li></lijst><al>De onroerende zaak moet 'in hoofdzaak bestemd' zijn voor de omschreven
                        activiteiten. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 4 december 1991, nr. 27
                        661, BNB 1992/47, Belastingblad 1992, blz. 73 (Vlaardingen) geldt dat ten
                        minste 70% van de inhoud van de onroerende zaak aan de omschreven
                        activiteiten moet kunnen worden toegerekend. De vrijstelling geldt niet voor
                        het onzelfstandige gedeelte van de onroerende zaak dat dient als woning
                        (bijvoorbeeld de inpandige, niet zelfstandige kosterswoning).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel d</vet></al><al>Ingevolge artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet is
                        vrijgesteld de onroerende zaak die deel uitmaakt van een op de voet van de
                        Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252) aangewezen landgoed met uitzondering
                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen. Deze formulering heeft tot
                        gevolg dat een ongebouwd gedeelte (bijvoorbeeld het erf) wel onder de
                        vrijstelling valt.</al><al>De werking van de Natuurschoonwet 1928 is per 1 juni 2007 verruimd, maar die
                        verruiming geldt niet voor de Wet WOZ en de Gemeentewet. Daarvoor blijven
                        dezelfde voorwaarden gelden als voorheen: ten minste 30 percent van de
                        oppervlakte van het landgoed is bezet met houtopstanden; of de oppervlakte
                        van het landgoed is voor ten minste 20 percent met houtopstanden bezet
                        waarbij de oppervlakte voorts voor ten minste 50 percent bestaat uit
                        natuurterreinen (artikel 8 Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928). Voor
                        de Wet WOZ en de Gemeentewet moet die engere toets aan de voorwaarden alsnog
                        plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel e</vet></al><al>De vrijstelling voor natuurterreinen staat in artikel 220d, eerste lid,
                        onderdeel e, van de Gemeentewet. Meestal zal het bij natuurterreinen gaan om
                        gronden die niet of nauwelijks in cultuur zijn gebracht. Dit in
                        tegenstelling tot cultuurgronden die voor land-, tuin- en bosbouw worden
                        gebruikt. Enige grondbewerking in verband met de instandhouding van het
                        natuurterrein hoeft daarbij het karakter van het natuurterrein niet aan te
                        tasten. Het gebruik van de zinsnede 'waaronder mede worden verstaan' houdt
                        in dat ook andere terreinen als natuurterrein zijn aan te merken. Daarbij
                        kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bossen, vennen, kwelders, rietlanden,
                        wad of grotten. Alleen de natuurterreinen in beheer bij rechtspersonen die
                        het behoud van natuurschoon voor 90% of meer als taak hebben, zijn
                        vrijgesteld. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Vereniging voor
                        Natuurmonumenten of Stichtingen voor provinciale landschappen. De overheid
                        is niet aan te merken als een rechtspersoon die natuurbehoud als primaire
                        taak heeft (Hof Leeuwarden 20 februari 1981, nr. 545/78, Belastingblad 1986,
                        blz. 373 (Ulrum). Overigens hoeft de eigenaar van het natuurterrein het
                        natuurbehoud niet als primaire taak te hebben. Zo zal een natuurterrein dat
                        eigendom is van het rijk maar wordt beheerd door bijvoorbeeld
                        Natuurmonumenten ook in aanmerking komen voor de vrijstelling (eigenaar en
                        gebruik).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel f</vet></al><al>De vrijstelling van openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                        vervoer per rail staat in artikel 220d, eerste lid, onderdeel f, van de
                        Gemeentewet. Voor het begrip 'openbare (land)weg' in de zin van de
                        vrijstelling moet aansluiting worden gezocht bij de Wegenwet (Hoge Raad 21
                        september 2001, nr. 35.502, LJN: AD3522 (Alkmaar). Tot de wegen behoren ook
                        voetpaden, rijwielpaden, molenwegen en kerkwegen en bruggen (artikel 2 van
                        de Wegenwet). Op grond van artikel 4 van de Wegenwet wordt een weg openbaar
                        indien de rechthebbende de weg bestemd tot openbare weg door daaraan die
                        bestemming te geven met noodzakelijke medewerking van de gemeenteraad.
                        Daarnaast wordt een weg openbaar indien een gemeente, waterschap, provincie
                        of het Rijk een weg bestemd tot openbare weg (artikel 5 van de Wegenwet).
                        Start- en landingsbanen vallen niet onder deze vrijstelling (Hoge Raad 9 mei
                        2003, nr. 35987, LJN: AD6058).</al><al>Onder banen voor openbaar vervoer per rail worden verstaan de spoorbanen
                        zelf en de bestanddelen daarvan in de zin van artikel 3:4 van het BW alsmede
                        al hetgeen nodig is om die banen te kunnen laten functioneren, dat wil
                        zeggen dat het naar de heden ten dage aan het openbaar railvervoer te
                        stellen eisen het mogelijk moet zijn om over de banen op een goede en
                        veilige manier voertuigen te laten rijden. De spoorbaan zelf, de beveiliging
                        en de verkeersleidinggebouwen zijn vrijgesteld, maar perrons en
                        stationsgebouwen zijn belast (Hoge Raad 21 september 2001, nr. 35.502, LJN:
                        AD 3522 (Alkmaar). Het begrip 'kunstwerk' dient overeenkomstig het
                        spraakgebruik worden uitgelegd. Hieronder vallen onder andere viaducten,
                        aquaducten, bruggen, tunnels en sluizen. Daarbij geldt dat alleen die
                        kunstwerken zijn vrijgesteld die zodanig met openbare land- of waterwegen,
                        dan wel spoorbanen zijn verbonden dat het kunstwerk aan het verkeer over die
                        wegen of banen dienstbaar is en mitsdien nodig is om die wegen of banen als
                        zodanig te kunnen laten functioneren. (Hoge Raad 21 september 2001, nr.
                        35.502, LJN: AD 3522 (Alkmaar). Inzake een ontvangst- en toegangsgebouw voor
                        een veerdienst bevestigde de Hoge Raad de hofuitspraak dat deze onderdeel
                        uitmaakt van de aanleginrichting die als vrijgesteld kunstwerk tussen twee
                        openbare landwegen is aan te merken omdat het kunstwerk zodanig met de
                        openbare land- dan wel waterwegen is verbonden dat het aan het verkeer over
                        die wegen dienstbaar is, en daardoor nodig is om die wegen als zodanig te
                        kunnen laten functioneren. ( Hoge Raad 2 november 2001, nr. 36565, LJN:
                        AD5041). Daarentegen is een vuurtoren geen vrijgesteld kunstwerk (Hof
                        's-Gravenhage 23 augustus 2000, nr. 99/30954, Belastingblad 2001, blz. 935).
                        Een remise is niet te beschouwen als een trambaan en valt derhalve niet
                        onder de railwegvrijstelling (Hoge Raad 25 september 1996, nr. 31 004,
                        Belastingblad 1996/ blz. 798 (Den Haag)).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel g</vet></al><al>De vrijstelling voor waterverdediging- en waterbeheersingwerken is niet van
                        toepassing op de delen die dienen tot woning. De waarde van de woning dient
                        derhalve in de heffing te worden betrokken.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel h</vet></al><al>Ook de vrijstelling voor rioolwaterzuiveringsinstallaties ziet niet op de
                        delen die dienen tot woning zodat deze woningen niet onder de vrijstelling
                        vallen. De vrijstelling beperkt zich niet alleen tot installaties die zijn
                        gericht op de feitelijke waterzuivering (in biologische zin) of de scheiding
                        van het biologisch gezuiverde water van het slib. Ook andere onroerende
                        zaken die een niet weg te denken functie hebben in het
                        afvalwaterzuiveringprocedé vallen onder deze vrijstelling (Hof 's-Gravenhage
                        22 mei 1996, nr. 94/2474, Belastingblad 1996, blz. 758 (Rotterdam). In
                        dezelfde procedure concludeerde het Hof tevens dat ook sprake is van een
                        orgaan, instelling of dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon indien
                        de activiteiten plaatsvinden in een vennootschap waarvan uitsluitend
                        overheden aandeelhouder zijn. De vrijstelling vereist dat de installatie in
                        beheer is bij een publiekrechtelijke rechtspersoon. Ten aanzien van een
                        rioolzuiveringsinstallatie van een stichting die wel in de heffing werd
                        betrokken, concludeerde Hof 's-Gravenhage dat er sprake is van schending van
                        het gelijkheidsbeginsel maar in de cassatieprocedure concludeerde de Hoge
                        Raad dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden (arrest van 9 mei 2003,
                        nr. 37517, LJN: AE7337)</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel i</vet></al><al>De werktuigenvrijstelling is van toepassing op onroerende werktuigen welke
                        verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet op
                        zichzelf bezien als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. Zie onder
                        andere Hoge Raad 16 april 1980, nr. 19 727, BNB 1980/183 (Beverwijk), Hoge
                        Raad 17 juni 1992, nr. 27 639, BNB 1992/296, Belastingblad 1992, blz. 577
                        (Venlo), Hof Arnhem 10 januari 1995, nr. 940837, Belastingblad 1995, blz.
                        382 (windmolen), Hof Arnhem 28 april 1995, nr. 922262, Belastingblad 1995,
                        blz. 443 (Nijmegen) en Hof Leeuwarden 7 april 1995, nr. 900/92,
                        Belastingblad 1995, blz. 523 (Leeuwarden), Hoge Raad 30 juni 1999, nr. 34
                        134, BNB 1999/298, Belastingblad 1999, blz. 688 (Asfaltmenginstallatie) en
                        Hoge Raad 7 juni 2000, nr. 34 985, BNB 2000/230, Belastingblad 2000, blz.
                        723 (Franekeradeel). In deze laatste twee arresten introduceert de Hoge Raad
                        het criterium van de uiterlijke herkenbaarheid. Daar de
                        verwijzingsuitspraken in deze zaken sterk feitelijk zijn, is het in de
                        praktijk nog onduidelijk wat er precies met dit criterium wordt bedoeld. Zie
                        voor de verwijzingsuitspraak inzake de asfaltmenginstallatie Hof
                        's-Gravenhage 22 februari 2001, nr. 99/01787 en inzake de windmolens Hof
                        Arnhem 18 december 2000, nr. 00/1107, Belastingblad 2001, blz. 416
                        (Franekeradeel). Van een werktuig is geen sprake indien een bestanddeel in
                        hoofdzaak dienstbaar is aan het gebouw in die zin dat het bestanddeel het
                        gebouw beter geschikt maakt voor gebruik. Zie Hoge Raad 2 maart 1994, nr. 29
                        559, BNB 1994/113, Belastingblad 1994, blz. 303 (Leeuwarden).</al><al><vet>Eerste lid, onderdelen j tot en met m</vet></al><al>In de onderdelen j tot en met m zijn facultatieve vrijstellingen opgenomen.
                        De systematiek van de facultatieve vrijstellingen sluit aan bij de
                        systematiek voor de wettelijke vrijstellingen (zie hiervoor). In het
                        verleden werden deze vrijstellingen opgenomen om waardering van deze
                        objecten achterwege te kunnen laten. Nu deze objecten niet zijn vrijgesteld
                        van waardering in het kader van de Wet WOZ, is dit argument komen te
                        vervallen. De vrijstelling in onderdeel j is vanaf de inwerkingtreding van
                        de Politiewet (1 april 1994) niet meer van toepassing op politiebureaus.
                        Door de regionalisering van de politie wordt een politiebureau namelijk niet
                        meer gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente. De in onderdeel m
                        opgenomen vrijstelling geldt niet voor de delen van begraafplaatsen,
                        urnentuinen en crematoria die dienen als woning. Hiermee is aansluiting
                        gezocht bij enkele wettelijke vrijstellingen die ook de woning van de
                        vrijstelling uitzonderen.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Dit lid bevat een uitzondering op de in het eerste lid, onderdeel j,
                        opgenomen vrijstelling. De vrijstelling voor onroerende zaken die bestemd
                        zijn voor de publieke dienst geldt niet voor de eigenarenbelasting, indien
                        die onroerende zaken geen eigendom van de gemeente zijn.</al><al/><al><vet>Sportvelden</vet></al><al>In de huidige verordening zijn vrijstellingen voor sportvelden niet
                        opgenomen. Het opnemen van een dergelijke vrijstelling brengt, door de
                        werking van het gelijkheidsbeginsel bij een objectieve heffing als de
                        Onroerende-zaakbelastingen, het risico met zich dat op grond van het
                        gelijkheidsbeginsel een bredere categorie objecten (onbedoeld) in de
                        vrijstelling deelt. Een dergelijke vrijstelling strookt daarnaast niet met
                        het uitgangspunt van een zo breed mogelijke lastenverdeling. Ten slotte
                        voorkomt deze vrijstelling niet dat de betreffende onroerende zaken toch
                        moeten worden gewaardeerd in het kader van de Wet WOZ.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Als de waarde van de woningdelen van een onroerende zaak minder dan 70%
                        uitmaakt van de totale waarde van die onroerende zaak, is sprake van een
                        niet-woning voor de OZB. Deze onroerende zaken, zoals boerderijen en
                        verzorgingstehuizen, worden dus naar het tarief voor niet-woningen
                        aangeslagen en zouden zonder nadere regeling niet profiteren van de
                        afschaffing van de gebruikersbelasting op woningen per 1 januari 2006. Door
                        aanvaarding van een amendement De Pater is een regeling getroffen voor deze
                        niet-woningen: het woongedeelte wordt vrijgesteld voor de
                        gebruikersbelasting niet-woningen.</al><al>Vanaf 2007 wordt de waarde van het woongedeelte buiten de heffingsmaatstaf
                        voor de gebruikersbelasting niet-woningen gelaten. Dit geldt ook voor
                        gedeelten van de niet-woning die dienstbaar zijn aan woondoeleinden. In de
                        regeling vanaf 2007 wordt de vermindering dus al in het aanslagbedrag van de
                        gebruikersbelastingen niet-woningen verdisconteerd. Tegen een onjuiste
                        toepassing van de vermindering kan dan bezwaar worden gemaakt in het
                        bezwaarschrift tegen de aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 2008 zijn de limieten voor tarieven en
                        tariefstijgingen afgeschaft (Wet van 7 december 2007, Stb. 570. Kamerstukken
                        31133). Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van drie tarieven: een
                        eigenarentarief en een gebruikerstarief voor niet-woningen en een
                        eigenarentarief voor woningen. Daarbij gelden geen absolute of relatieve
                        limieten. Wel is ter voorkoming van een onevenredige stijging van de
                        collectieve lastendruk een macronorm afgesproken (zie hieronder). Met ingang
                        van 1 januari 2009 worden de tarieven naar een percentage van de waarde
                        berekend (Stb. 2008, 262).</al><al/><al><vet>Eerste lid</vet> De tarieven worden met ingang van 1 januari 2009
                        berekend naar een percentage van de waarde van de onroerende zaak. Voor elke
                        afzonderlijke belasting kan een apart percentage worden vastgesteld dat
                        volgens artikel 220f van de Gemeentewet wel gelijkelijk moet zijn.
                        Vaststellen van een degressief of progressief tarief is niet mogelijk. </al><al/><al><vet>Macronorm</vet> De regering heeft met de VNG afgesproken dat gemeenten
                        zich collectief houden aan een macronorm, dat wil zeggen dat de stijging van
                        de totale, landelijke OZB-opbrengsten niet boven een bepaalde limiet mogen
                        uitgaan. Dat heeft echter geen gevolgen voor de vaststelling van de tarieven
                        van een individuele gemeente. De macronorm is een bestuurlijke norm. Bij
                        overschrijding van de norm vindt er een bespreking plaats tussen Rijk en
                        gemeenten in het bestuurlijk overleg Financiële Verhoudingen in de maand
                        april. Het Rijk kan uiteindelijk als machtsmiddel de hoogte van de uitkering
                        uit het gemeentefonds gebruiken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 10 is deze wettelijke betalingstermijn
                        opgenomen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om de belasting door middel van
                        automatische incasso te voldoen. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt
                        gemaakt gelden andere betaaltermijnen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing.</al><al>Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de
                        ATW van toepassing is op in een verordening gestelde termijnen, tenzij in de
                        verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 10 vierde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet – de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een
                        aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het
                        college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling
                        opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de
                        heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het
                        voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
                        gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en
                        ander uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid
                        wordt de inwerkingtreding geregeld, in het derde lid de datum van ingang van
                        de heffing en in het vierde lid de citeertitel.</al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van
                        toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis
                        van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken.</al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot
                        het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot
                        onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034,
                        BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr.
                        33.632). Deze verordening is bekend gemaakt in de Zandvoortse Courant.</al><al> De belastingverordening treedt in werking op 1 januari van het betreffende
                        belastingjaar waarop de verordening betrekking heeft. Als voorbeeld:</al><al>Op 1 november 2007 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding 1 januari 2008 (tweede lid) en als tijdstip van ingang
                        van de heffing eveneens 1 januari 2008 (derde lid). </al><al>In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal
                        wordt opgenomen, omdat de gemeente ieder jaar een nieuwe verordening
                        vaststelt. Door het jaartal op te nemen is duidelijk voor welk jaar de
                        verordening bedoeld is.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7
                        maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid,
                        Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>