<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR131702_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 18-07-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB/ Ioaw/Ioaz gemeente Roerdalen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-06-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-07-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/06/27/06</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen, uitkeringen en toeslagen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening WWB/ Ioaw/Ioaz gemeente Roerdalen 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Roerdalen heeft;</al><al/><al>gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 3
                        januari 2012,</al><al/><al>gehoord de commissie Bewonerszaken d.d. 25 januari 2012;</al><al/><al>in de openbare vergadering d.d. 16 februari 2012 het navolgende besluit
                        genomen:</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen: de Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen
                        2012</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="2."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder b,
                                    van de wet;</al></li><li nr="3."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder d,
                                    van de wet;</al></li><li nr="4."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="5."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onder c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="6."><al>langdurigheidtoeslag: de toeslag bedoeld in artikel 5, onderd e,
                                    van de wet;</al></li><li nr="7."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="8."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="9."><al>Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="10."><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                    grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="11."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidtoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de
                                    WWB of het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel
                                    20, twede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het
                                    blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering
                                    op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede
                                    lid IOAZ.</al></li><li nr="12."><al>voorziening: voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid
                                    onder a, van de wet: een instrument binnen een traject dat
                                    ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid weg te nemen;</al></li><li nr="13."><al>traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door
                                    het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten gericht op
                                    het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid;</al></li><li nr="14."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Roerdalen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel een verplichting uit de WWB, of
                                een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond
                                van hoofdstuk 3 IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting –
                                anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                onderdeel c IOAZ – schendt, of de artikelen 28, tweede lid, of
                                artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt c.q. schendt, waaronder begrepen het zich jegens het college
                                zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7, van de WWB, werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        WWB, of artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag en de ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd op de bijstandsnorm of de
                                uitkeringsnorm</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden opgelegd
                                op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere
                                bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op
                                de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag, indien de
                                verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht
                                op bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag, daartoe
                                aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de maatregel in met
                                ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop
                                het besluit tot het opleggen van een maatregel aan de belanghebbende
                                is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende bijstandsnorm of uitkeringsnorm</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de bijstand/ uitkering of de
                                langdurigheidtoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel (Verjaring)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de maatregelwaardige gedraging meer dan 1 jaar vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                        ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van 5 jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid van deze verordening inhouden, wordt
                            voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                            gedraging waarvoor de hoogste maatregel geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Niet of in onvoldoende mate medewerking verlenen aan het verkrijgen
                            of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de WWB of artikel 37 IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting
                            bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of
                            onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><al/><al>1. Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie.</al><al/><al>2. Tweede categorie:</al><al>a. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan arbeidsinschakeling,
                            waaronder begrepen het niet meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid
                            tot </al><al>het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject of
                            voorziening;</al><al>b. het zich niet onderwerpen aan een door een arts noodzakelijk geachte
                            behandeling van medische aard;</al><al/><al>3. Derde categorie:</al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen of te aanvaarden;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken een voorziening of traject
                            gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit heeft geleid tot het geen
                            doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject of
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6
                                derde lid, wordt de maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm c.q. uitkeringsnorm gedurende 1
                                        maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>25% van de bijstandsnorm c.q. uitkeringsnorm gedurende 1
                                        maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm c.q. uitkeringsnorm gedurende 1
                                        maand bij gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen de
                                maatregel met een langere duur worden opgelegd, als de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Het niet of te laat nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 17 van de WWB of artikel 13 IOAW/IOAZ en/of artikel 30c,
                            tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                            inkomen niet of niet voldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in
                            de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet uit eigen beweging of binnen een door het
                                            college daartoe gestelde termijn mededeling doen van
                                            alle feiten en omstandigheden, waarvan de belanghebbende
                                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed
                                            kunnen zijn op zijn recht op bijstand of uitkering;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                            termijn verlenen van medewerking die redelijkerwijs
                                            nodig is voor de uitvoering van de WWB of
                                            IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk mededeling doen van alle
                                            feiten en omstandigheden, waarvan de belanghebbende
                                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed
                                            kunnen zijn op zijn recht op WWB c.q. IOAW/IOAZ, voor
                                            zover dit heeft geleid tot een ten onrechte of tot een
                                            te hoog verleend bedrag aan bijstand of uitkering;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde
                                            termijn verlenen van medewerking die redelijkerwijs
                                            nodig is voor de uitvoering van de wet, waarvan de
                                            jongere redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van
                                            invloed kan zijn op zijn recht op WWB c.q. IOAW/IOAZ,
                                            voor zover dit heeft geleid tot een ten onrechte of tot
                                            een te hoog verleend bedrag aan bijstand of
                                            uitkering.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel behorend bij de in artikel 9 vermelde categorieën wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel
                                        9;</al></li><li nr="b."><al>vijftien procent van het benadelingsbedrag, met een minimum
                                        van € 100,- en een maximumbedrag van € 1000,- indien sprake
                                        is van een ten onrechte of een te hoog verleend bedrag aan
                                        bijstand of uitkering bij een gedraging van de tweede
                                        categorie als bedoeld in artikel 9;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde (of een hogere)
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de
                                beëindiging van het recht op bijstand of uitkering niet kan worden
                                opgelegd, wordt de maatregel alsnog opgelegd wanneer binnen één jaar
                                na beëindiging van de bijstand of uitkering een nieuw recht op WWB
                                of IOAW/IOAZ ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onverwijld</titel></kop><al>Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WWB dient als
                            onverwijld te worden verstaan: bij het eerste
                            rechtmatigheidonderzoeksformulier of, indien dit niet van toepassing is,
                            vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel
                            de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet zich
                            heeft voorgedaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt,
                                met uitzondering van hetgeen in lid 3 staat vermeld, een maatregel
                                opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als
                                gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel als bedoeld
                                in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode
                                        van 3 maanden of korter; </al></li><li nr="b."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode
                                        van 3 tot 6 maanden; </al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode
                                        van 6 maanden en langer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er sprake is van een te snelle intering van vermogen, wordt
                                een maatregel opgelegd in dier voege dat de bijstand wordt verstrekt
                                in de vorm van een geldlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien de belanghebbenden zich jegens het college of zijn medewerkers
                            zeer ernstig misdraagt legt het college een maatregel op. De maatregel
                            bedraagt honderd procent van de bijstandsnorm c.q. uitkering gedurende
                            een maand​</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de WWB zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de
                            bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4a.</nr><titel>Regelingen in verband met samenvoeging/wijziging van de WWB en WIJ
                        </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14a.</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Waar in deze verordening de begrippen “alleenstaande”,
                                “alleenstaande ouder” en “gezin” worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over “gehuwde(n)” of
                                “gehuwdennorm” hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als “gezin”, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                “gezinsnorm”, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14b.</nr><titel>Onvoldoende meewerken aan plan van aanpak</titel></kop><al> Onder “het niet of in onvoldoende mate meewerken aan
                            arbeidsinschakeling….” als bedoeld in artikel 7 lid 2 sub a, wordt vanaf
                            1 januari 2012 mede verstaan: het onvoldoende meewerken aan het
                            opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14c.</nr><titel>Intrekking WIJ</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening zijn vanaf 1 januari 2012 evenzo
                                van toepassing op personen van 18 jaar en ouder doch jonger dan 27
                                jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging op grond van gedragingen, benoemd in deze verordening,
                                kan eveneens worden toegepast op de bijzondere bijstand die aan
                                belanghebbenden op grond van artikel 12, van de wet, wordt
                                verstrekt. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB/
                            Ioaw/Ioaz gemeente Roerdalen 2012 en treedt in werking op 1 januari
                            2012, onder gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening WWB
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al>Met de invoering van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) per 1-10-2009 is het
                    van belang de verordeningen WWB aanpassen aan de nieuwe wetgeving. Met ingang
                    van 1-1-2010 is bovendien de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening
                    aan gemeenten (Wet BUIG) inwerking getreden.</al><al/><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. Op
                    basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1 juli 2010
                    in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te
                    komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. </al><al/><al>Gekozen is voor een integrale verordening WWB, IOAW en IOAZ. </al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al> De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB en de IOAW/IOAZ. In de verordening wordt
                    het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang
                    rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al> Lid 1 </al><al>Dit artikel bundelt de verplichtingen die opgenomen zijn in de WWB, het bepaalde
                    in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20, tweede lid IOAW en de
                    verplichtingen opgenomen in de Wet SUWI.</al><al>Lid 2 </al><al>In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen
                    standaard-maatregelen vastgesteld. Desondanks blijft het mogelijk de op te
                    leggen maatregel aan te passen aan de ernst van het feit en de gedraging, de
                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Beoordeeld dient te worden of men als gevolg van de ernst van het feit en de
                    gedraging, bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang van
                    de gevolgen of zoveelste recidive wil afwijken van de standaardmaatregel. De
                    mate van verwijtbaarheid dient altijd in de beoordeling meegenomen te worden.
                    Hierbij dient de vraag gesteld te worden in hoeverre de belanghebbende op de
                    hoogte was/kon zijn van zijn verplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid
                    van de belanghebbende.</al><al>Bij de omstandigheden van de belanghebbende dient overwogen te worden of de
                    individuele omstandigheden aanleiding zijn om af te wijken van de
                    standaardmaatregel. Als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de
                    mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden kan een maatregel, in
                    afwijking van de standaardmaatregel hoger worden vastgesteld (tot maximaal 100%)
                    of juist lager. In het laatste geval is het in uitzonderlijke situaties zelfs
                    mogelijk de verlaging toe te passen tot 0%. </al><al>Een maatregel kan op basis van dit tweede lid niet alleen hoger of lager worden
                    vastgesteld maar kan in voorkomende gevallen ook over een langere periode worden
                    gespreid. De standaard maatregel is dan bijvoorbeeld één maand 100%, maar wordt
                    vervolgens verdeeld over twee </al><al>maanden 50%.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Horen van de belanghebbende </vet></al><al>Lid 1</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Lid 2 </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4. De berekeningsgrondslag en ingangsdatum</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnom of de uitkeringsnorm. In de
                    begripsomschrijvingen zijn deze termen uitgewerkt.</al><al>Leden 2 + 3 </al><al>Deze bepalingen maken het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een
                    maatregel toepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. De hoogte van het
                    bedrag waarmee de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag wordt
                    verminderd, bedraagt het bedrag van de maatregel welke belanghebbende opgelegd
                    zou krijgen wanneer hij een algemene bijstandsuitkering zou ontvangen. De
                    maatregel op de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag bedraagt daarbij
                    overigens nooit meer dan het bedrag dat belanghebbende aan bijzondere bijstand
                    of langdurigheidtoeslag zou ontvangen.</al><al>Lid 4 </al><al>Een maatregel wordt in principe naar de toekomst opgelegd. Hiermee wordt
                    voorkomen dat het recht herzien moet worden en de teveel verstrekte
                    inkomensvoorziening moet worden teruggevorderd. De maatregel wordt opgelegd met
                    ingang van de eerst volgende kalendermaand nadat het maatregelbesluit is
                    genomen.</al><al>Lid 5 </al><al>In voorkomende situaties kan het praktisch zijn om de maatregel te verrekenen
                    met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet het recht op
                    inkomensvoorziening wel worden herzien en moet worden teruggevorderd.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel (Verjaring)</vet> Lid
                    1 </al><al>Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is een reden om af te zien van
                    het opleggen van een maatregel.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is verjaring.
                    Omwille van de effectiviteit van een maatregel is het geboden dat deze zo snel
                    mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt opgelegd (“lik op stuk”).
                    Deze verjaringstermijn wordt vastgesteld op één jaar met uitzondering van de
                    gedragingen wegens het niet of niet voldoende nakomen van de inlichtingenplicht.
                    In dat geval geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. Daarmee wordt
                    aangesloten op hetgeen hieromtrent verwoord is in de handreiking handhaving
                    rechten en plichten welke in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid is opgesteld na inwerkingtreding van de WWB. Een termijn van
                    vijf jaar bij het schenden van de inlichtingenlicht ligt tevens voor de hand
                    gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente
                    vaak tijd nodig heeft om de omvang van de fraude vast te stellen.</al><al>Lid 2 </al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie. Lid 3 </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 6. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>Bij samenloop van meerdere verwijtbare gedragingen zijn er in beginsel 3
                    mogelijkheden: niet cumuleren van maatregelen, uitgaan van de meest ernstige
                    gedraging of de maatregelen gelijktijdig toepassen (cumuleren). Gekozen is voor
                    de tweede optie.</al><al>De bepaling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen die (min of meer) gelijkertijd plaatsvinden. Indien sprake is van
                    schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het
                    toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de
                    zwaarste maatregel van toepassing is.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Niet of in onvoldoende mate medewerking verlenen aan het
                        verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7. Gedragingen</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed achter de
                    WWB/IOAW/IOAZ: een klant dient zelf alles in het werk te stellen om aan het werk
                    te komen dan wel te blijven.</al><al>Lid 1 </al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.</al><al>Lid 2 </al><al>Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet
                    op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt. Aan de belanghebbende die
                    niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien,
                    kan de verplichting worden opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn
                    mogelijkheden en de benodigde voorzieningen of deel te nemen aan een concreet
                    aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige
                    maatschappelijke participatie. Het LWI Roermond vormt een bijzondere plek.
                    Binnen deze setting gelden bepaalde huisregels die ertoe moeten bijdragen dat
                    het diagnostisch onderzoek zo goed mogelijk kan verlopen. Overtreding van die
                    regels zou kunnen worden opgevat als een gedraging van de tweede categorie. </al><al>Het zonder meer toepassen van de daarbij behorende maatregel van één maand 50%
                    wordt echter als een te zware sanctie ervaren. Het is dan toch mogelijk om een
                    maatregel te baseren op artikel 7, tweede lid, maar vervolgens de hoogte te
                    matigen met toepassing van artikel 2, tweede lid van de verordening.</al><al>Ook het niet meewerken aan een noodzakelijk geacht medisch onderzoek of een door
                    een arts noodzakelijk geachte behandeling van medische aard is aan te merken als
                    een maatregelwaardige gedraging. Dit zal met name zo zijn indien het niet
                    meewerken van invloed is op het leerwerktraject of het verwerven van
                    loonvormende arbeid.</al><al>In andere gevallen worden meestal meerdere verplichtingen tegelijkertijd
                    geschonden. Er kan dan op grond daarvan een zwaardere maatregel worden opgelegd. </al><al>Wanneer de gedraging in onderdeel b bij herhaling plaatsvindt, kan op basis van
                    “recidive” de duur van de maatregel worden verdubbeld. </al><al>Lid 3 </al><al>De derde categorie onderdeel a, betreft enerzijds het niet aanvaarden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan:
                    gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde
                    duur. Anderzijds betreft dit het door eigen toedoen (verwijtbaar) voorafgaand
                    aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de
                    bijstand deeltijdarbeid niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan het niet
                    correct uitoefenen van het beroep als zelfstandige. Bij de derde categorie,
                    onderdeel b, gaat het om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de tweede
                    categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft
                    geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van een traject of
                    voorziening. In de praktijk zal beëindiging van een traject of voorziening
                    veelal pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk
                    heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan voorzieningen gericht op
                    een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer
                    ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot
                    beëindiging van het traject/voorziening leiden. In alle gevallen betreft het
                    gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken.
                    Zonder traject/voorziening is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende
                    belanghebbende immers niet mogelijk. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 8. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al> Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Lid 1 </al><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingspercentage gekoppeld al naar gelang de
                    zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                    uiteindelijke vaststelling van de maatregel, waarbij te allen tijde de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden
                    moeten worden meegewogen.</al><al>Vooral bij toepassing van een zware maatregel (zoals een 100% maatregel) speelt
                    artikel 2, tweede lid een belangrijke rol. Er moet dan met name goed gekeken
                    worden naar de individuele</al><al>omstandigheden.</al><al>Ook in de beoordeling van overtredingen van de huisregels van het LWI Roermond
                    vormt het in artikel 2, tweede lid geschetste toetsingskader een belangrijk
                    element. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 7, tweede lid van de
                    verordening.</al><al>Lid 2 </al><al>Indien er binnen één jaar na een vorige verwijtbare gedraging sprake is van
                    herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Er moet
                    hier echter op worden gewezen dat bij recidive in de regel tot intrekking van de
                    bijstand of uitkering moet worden overgegaan. In het individuele geval kan hier
                    gemotiveerd van worden afgeweken en kan een zware maatregel voor langere duur
                    worden opgelegd. </al><al>Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                    aanleiding is geweest een maatregel toe te passen, ook indien de maatregel
                    wegens dringende redenen niet is geëffectueerd.</al><al>Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden aangemerkt indien deze
                    is beoordeeld en in een beslissing aan de jongere kenbaar is gemaakt. </al><al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de eerste
                    verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom van belang
                    dit goed weer te geven in het maatregelbesluit en dat vervolgens adequaat te
                    registreren.</al><al>Lid 3 </al><al>Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om ook bij een
                    eerste of tweede gedraging de maatregel voor een langere periode op te leggen
                    als de situatie daartoe aanleiding geeft. Ook hier geldt het beginsel dat in een
                    concreet geval maatwerk mogelijk moet zijn. Hieraan moet met name gedacht worden
                    indien de kansen van de belanghebbende op uitstroom ernstig worden bemoeilijkt
                    door het afbreken van een traject. In dergelijke gevallen moet het mogelijk zijn
                    om, rekening houdend met de betrekkelijk ernstige gevolgen van de gedraging,
                    reeds bij een eerste of tweede gedraging deze voor langere duur op te
                    leggen.</al><al>Lid 4 </al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor een bepaalde duur wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan
                    na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                    maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een
                    maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college
                    de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in
                    artikel 18 derde lid WWB. Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die
                    herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het
                    besluit is genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw
                    tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college
                    moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt
                    gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                    betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan
                    zijn verplichtingen voldoet.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. Het niet of te laat nakomen van de
                    inlichtingenplicht</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9. Gedragingen</vet></al><al>Hier gaat het over de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen met
                    betrekking tot het recht op bijstand/uitkering, de medewerkingsverplichting en
                    het tonen van een identiteitsbewijs. Voor het begrip ‘onverwijld’ geld dat bij
                    wijzigingen die van belang zijn voor de bijstand/uitkering of het traject of de
                    voorziening direct melding wordt gemaakt van de situatie die zich voordoet.</al><al>Lid 1</al><al>De eerste categorie, onderdeel a en b, heeft betrekking op het te laat voldoen
                    aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Veel voorkomende gedragingen ten
                    aanzien van de inlichtingenplicht zijn onder meer het niet verschijnen op een
                    ingelast rechtmatigheidsonderzoek of het niet inleveren van status- en
                    wijzigingsformulier en periodieke verklaring.</al><al>Voorbeelden van het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting zijn het niet
                    tonen van het identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en niet
                    meewerken aan een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte
                    gegevens. Indien de belanghebbende niet in de daartoe gestelde termijn de
                    informatie verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het
                    recht op bijstand/uitkering opgeschort en wordt de belanghebbende verzocht het
                    verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (de zogenaamde
                    hersteltermijn). Indien de informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt of
                    verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien de belanghebbende het verzuim
                    niet herstelt, wordt het recht op bijstand/uitkering beëindigd met ingang van de
                    eerste dag waarover dat recht is opgeschort.</al><al>Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het in
                    onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                    arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een
                    verplichting in het kader van een traject/voorziening, wordt deze specifieke
                    gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op grond van artikel
                    7, tweede categorie onder a. De gedraging kan overigens wel nog steeds als een
                    schending van de medewerkingsplicht worden gezien, waardoor ná de
                    maatregelwaardige gedraging, de hierboven geschetste weg kan worden
                    gevolgd.</al><al>Ten aanzien van oproepen door een Reïntegratiebedrijf (RIB) kan hier nog worden
                    aangegeven dat de hiervoor bedoelde hersteltermijn niet gaat lopen vanaf het
                    moment dat de belanghebbende dient te verschijnen op een afspraak van het RIB,
                    maar pas na de daaropvolgende oproep van de gemeente. Deze oproep vindt in de
                    regel plaats nadat de jongere niet is verschenen op de afspraak van het RIB.
                    Geeft de jongere ook geen gehoor aan de oproep dan geldt voor de hersteltermijn
                    de datum van deze oproep.</al><al>Om vast te kunnen stellen waarom de jongere niet op de afspraak van het RIB is
                    verschenen.</al><al>Voldoet een jongere niet aan de oproep van de gemeente dan gaat de
                    hersteltermijn in op het moment van deze oproep. </al><al>Daarnaast omvat de eerste categorie, onderdeel a, het schenden van de
                    inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot een teveel of ten onrechte
                    verstrekt bedrag aan uitkering, de zogenaamde nulfraude. Voorbeelden van
                    zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                    vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. Rekeninghoudend met de
                    gedraging van de eerste categorie (te late verstrekking van gegevens) dient hier
                    ook een maatregel te worden opgelegd. Immers het niet sanctioneren van nulfraude
                    zou anders positiever beoordeeld worden dan het alsnog na herhaald verzoek
                    verstrekken van gegevens.</al><al>Lid 2 </al><al>De tweede categorie betreft het schenden van de inlichtingenplicht welke wel
                    heeft geleid tot een ten onrechte verstrekt bedrag. Er kan in deze situaties
                    sprake zijn van fraude als betrokkene de bedoelde inlichtingen bewust heeft
                    verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de
                    inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager
                    vaststellen van het recht op inkomensvoorziening of tot beëindiging van de
                    inkomensvoorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Bij gedragingen van de eerste categorie, onderdeel a, kan er sprake zijn van
                    vroegtijdig constateren van inlichtingenfraude waardoor is voorkomen dat er ten
                    onrechte bijstand/uitkering wordt verstrekt. Bijvoorbeeld constatering gedurende
                    de aanvraagprocedure voor de eerste uitbetaling. Ook bij gedragingen van de
                    tweede categorie dient de maatregel te worden afgestemd op de ernst van de
                    gedraging, de mate waarin de jongere de gedraging kan worden verweten en de
                    omstandigheden waarin hij verkeert. Dit kan betekenen dat -zeker vanuit het
                    oogpunt van hoogwaardig handhaven- in bepaalde situaties een hogere maatregel
                    kan worden opgelegd. </al><al>Toepassing geven aan artikel 2, tweede lid kan echter ook inhouden dat -met name
                    bij een zware standaard maatregel- deze bijvoorbeeld over een langere periode
                    wordt gespreid. Maatwerk is dus mogelijk.</al><al>Lid 2 </al><al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    herhaald verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met
                    eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding
                    is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen
                    niet is geëffectueerd. Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden
                    aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een beslissing aan de jongere kenbaar
                    is gemaakt.</al><al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de eerste
                    verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom van belang
                    dit goed weer te geven in de beslissing en die vervolgens adequaat te
                    registreren.</al><al>Lid 3 </al><al>Indien na de constatering van de schending van de inlichtingenplicht de
                    uitkering wordt beëindigd, biedt deze bepaling de mogelijkheid om de maatregel
                    alsnog te effectueren wanneer binnen één jaar na beëindiging van de
                    bijstand/uitkering een nieuw recht op bijstand/uitkering ontstaat.</al><al>Er is gekozen voor deze termijn omdat de verwachting is dat dan het effect van
                    de maatregel, namelijk het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de
                    belanghebbende, groot is.</al><al>Voor het bepalen van de ingangsdatum van de termijn, dient de datum van
                    feitelijke beëindiging van de bijstand/uitkering te worden genomen. Deze hoeft
                    niet samen te vallen met de formele beëindiging. Die kan immers vanwege fraude
                    met terugwerkende kracht zijn bepaald.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Onverwijld</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot verlaging</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al> Lid 1 </al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden. Bij
                    de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang
                    betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals: - een
                    onverantwoorde besteding van vermogen; - geen of te late aanvraag doen voor een
                    voorliggende voorziening; - het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                    alimentatievordering. Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven
                    van alle gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid. </al><al>Lid 2 </al><al>Het tweede lid regelt de hoogte van de maatregel bij tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid. </al><al>Lid 3 </al><al>Deze bepaling richt zich op de relatie tussen het recht op bijstand en de hoogte
                    van het vermogen van de klant. Indien een klant ofwel tijdens de periode van
                    bijstandverstrekking ofwel hieraan voorafgaand de beschikking heeft (gehad) over
                    vermogen, dat het vrij te laten vermogen op grond van de wet overtreft, en dit
                    vermogen te snel heeft ingeteerd c.q. opgemaakt, dan bestaat er eigenlijk géén
                    recht op bijstand. </al><al/><al>Omdat de klant dan feitelijk niet meer over de nodige middelen beschikt, dient
                    er echter toch bijstand te worden verstrekt. </al><al/><al>De maatregel bestaat eruit dat de bijstand, tot het bedrag dat te snel is
                    ingeteerd, in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, terug te betalen in
                    termijnen ter hoogte van 10 procent van de betreffende bijstand(norm). </al><al/><al><vet>Artikel 13. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Een maatregelwaardige gedraging is het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen. Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                    agressie worden verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het normale
                    menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. In de
                    verordening is aangegeven dat agressief gedrag van een jongere aanleiding vormt
                    voor het opleggen van een maatregel. Een nadere uitwerking van wat onder “het
                    zeer ernstig misdragen” kan worden verstaan, volgt hieronder.</al><al>Zeer ernstige misdragingen:</al><al>Onder ernstige misdragingen wordt verstaan agressie en (verbaal) geweld waarbij
                    een medewerker psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of
                    aangevallen, onder omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met de te
                    vervullen functie van de medewerker (van de eigen organisatie of van de
                    ketenpartners).</al><al/><al><vet>Artikel 14. Nadere verplichtingen</vet></al><al>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in Hoofdstuk
                    2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere
                    verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering
                    dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische
                    behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het artikel. Een ander
                    voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven indien
                    er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen.</vet></al><al/><al>Artikel 15 van de verordening betreffende de datum van inwerkingtreding en de
                    citeertitel spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>