<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR131401_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang gemeente Mill en Sint Hubert</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Mill en Sint Hubert</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang gemeente Mill en Sint Hubert</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang gemeente Mill en Sint Hubert</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    gemeente Mill en Sint Hubert;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>kinderopvang: de opvang zoals omschreven in artikel 1 lid 1 sub
                                    b van de wet;</al></li><li nr="d."><al>gastouderopvang: de opvang zoals omschreven in artikel 1 lid 1
                                    sub c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>kindercentrum: een voorziening zoals omschreven in artikel 1 lid
                                    1 sub d van de wet;</al></li><li nr="f."><al>gastouderbureau: een organisatie zoals omschreven in artikel 1
                                    lid 1 sub e van de wet;</al></li><li nr="g."><al>ouder: een persoon zoals omschreven in artikel 1 lid 1 sub i van
                                    de wet;</al></li><li nr="h."><al>partner: een persoon zoals omschreven in artikel 2 van de
                                    wet;</al></li><li nr="i."><al>tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                    door de gemeente, zoals omschreven in artikel 1 lid 1 sub j van
                                    de wet;</al></li><li nr="j."><al>sociaal medische indicatie: een indicatie zoals bedoeld in
                                    artikel 23 van de wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang,
                                voor personen bedoeld in artikel 22 van de wet bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>Als dit van toepassing is: naam en sofi-nummer van de
                                        partner en, als dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en (zo mogelijk) sofi-nummer van het
                                        kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                        betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang,
                                voor personen waarvoor mogelijk een sociaal medische indicatie geldt
                                zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k en/of l van de
                                wet, bevat de gegevens zoals aangegeven in het vorige lid onder
                                a,b,c,e en f.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een sociaal medische
                                indicatie kan het college verzoeken de gegevens zoals bedoeld in lid
                                1 onder d te overleggen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt op de aanvraag zoals bedoeld
                                onder lid 2 wint zij advies in bij een onafhankelijke organisatie
                                die over voldoende deskundigheid beschikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat voor de aanvraag gebruik gemaakt wordt
                                van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend
                                door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                college informeert de aanvrager hierover schriftelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de aanvrager niet behoort
                            tot de personen als bedoeld in artikel 22 of artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel k en/of l van de wet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang zal plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Beperking van de aanspraak op de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang per kind dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder en/of partner behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per kind waarvoor de
                                    tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>het maximaal toegekende bedrag per kalenderjaar of andere
                                    periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend en de wijze
                                    waarop dit berekend is;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst><al>Als de aanvraag betrekking heeft op een persoon bedoelt in artikel 6,
                            eerste lid, onderdeel k en of l van de wetbevat het besluit
                            tevens:</al><lijst><li nr="a."><al>of er al dan niet sprake is van een indicatie;</al></li><li nr="b."><al>wat de geldigheidsduur van de indicatie is;</al></li><li nr="c."><al>wie de geïndiceerde persoon is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier
                                weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Te veel betaalde voorschotten worden zo mogelijk verrekend met
                                lopende voorschotten dan wel teruggevorderd op grond van het
                                bepaalde in de wet. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt het college onmiddellijk, uit eigen
                                beweging, schriftelijk alle gegevens die kunnen leiden tot de
                                vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder verstrekt desgevraagd het college, binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn, alle gegevens van hem en zijn
                                partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming
                                van de gemeente van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt het college maandelijks een kopie van
                                de nota van het kindercentrum of gastbureau dat de kinderopvang
                                verzorgt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan beleidsregels formuleren waarin nadere invulling gegeven
                            wordt aan het bepaalde in de artikelen 2.1 lid 1 sub d en f, 2.1 lid 4,
                            3.1 lid 2, 3.4 lid 2, 3.5 en hoofdstuk 6 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Afwijken van bepalingen; hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder afwijken
                            van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening
                            tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking drie dagen na haar
                                bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid treedt artikel 2.1 lid 2, 3 en 4 van
                                deze verordening in werking op</al><al> het moment dat artikel 23 van de Wet kinderopvang in werking
                                treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                            gemeente Mill en Sint Hubert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De verordening kinderopvang en peuterspeelzaalwerk wordt op 1 januari
                            2005 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De Algemene Subsidieverordening 2003 gemeente Mill en Sint Hubert is
                            niet van toepassing op de subsidiëring op grond van de Wet
                            kinderopvang.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 14 oktober 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>1. inleiding </vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang (Wk) in werking. De Wk wil het
                    ouders of verzorgers gemakkelijker maken werk en zorg te combineren. Niet alleen
                    werkenden kunnen een beroep doen op de Wk, maar ook niet werkenden. Een aantal
                    in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het
                    betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang heet
                    ‘tegemoetkoming’, in juridische zin gaat het om een subsidie. </al><al>Artikel 25 Wk bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben in ieder geval
                    betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
                    tegemoetkoming. </al><al><vet>2. Karakter van de tegemoetkoming</vet></al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Dit betekent dat de regels die de Awb stelt over subsidies van
                    toepassing zijn op de tegemoetkomingen. Daarnaast natuurlijk de Wk zelf en deze
                    verordening. De Algemene subsidieverordening 2003 gemeente Mill en Sint Hubert
                    is niet van toepassing voor deze vorm van subsidieverlening, omdat deze
                    verordening in juridische zin specifieker is en dus voorgaat op de algemene
                    verordening. Ten overvloede is dit in artikel 8 opgenomen.</al><al><vet>3. De gemeentelijk doelgroepen </vet></al><al>In de artikelen 22 en 23 van de Wk zijn de gemeentelijke doelgroepen geregeld.
                    In artikel 22 worden de doelgroepen aangeduid die aanspraak kunnen maken op een
                    tegemoetkoming van de gemeente om arbeid en zorg te kunnen combineren. Daarbij
                    moet het begrip ‘arbeid’ ruim worden opgevat. Ook het volgen van een traject in
                    het kader van arbeidsinschakeling of het volgen van een scholing of een cursus
                    valt er onder. </al><al>Op grond van artikel 23 kunnen ook ouders in aanmerking komen voor een
                    tegemoetkoming van de gemeente op grond van een sociaal-medische indicatie.
                    Daarbij kan het zowel gaan om sociaal-medische problemen bij de ouder of zijn
                    partner als bij het kind (artikel 6 Wk, eerste lid, onderdelen k en l). Bij
                    sociaal-medische problemen van ouder of zijn partner moet worden gedacht aan
                    lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen die kinderopvang
                    noodzakelijk maken. </al><al>Het college moet vaststellen of er een sociaal-medische indicatie aanwezig is.
                    Het college dient zich daarover te laten adviseren door een onafhankelijke
                    organisatie die beschikt over adequate deskundigheid (artikel 23, derde lid).
                    Het zesde lid maakt het mogelijk om bij of krachtens een algemene maatregel van
                    bestuur nadere regels te stellen ten aanzien van het vaststellen van de noodzaak
                    van kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie. Bovendien kunnen
                    organisaties worden aangewezen die belast worden met de advisering aan het
                    college en kunnen regels worden gesteld over de door deze organisaties te
                    hanteren werkwijze. Naar verwachting zal dit in eerste instantie niet gebeuren
                    zodat het de gemeente vrij staat om hier zelf een keuze in te maken. </al><al>Om te bepalen of iemand tot de doelgroep van de gemeente behoort of niet, moet
                    gekeken worden naar de omstandigheden van de ouder én indien aanwezig, de
                    partner van de ouder. </al><al>Artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wk, geeft de definitie van het begrip
                    ‘ouder’: </al><lijst><li nr="1."><al>een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie
                            de kinderopvang betrekking heeft, welk kind in belangrijke mate door hem
                            wordt onderhouden in de zin van artikel 2 van de Uitvoeringsregeling
                            inkomstenbelasting 2001, dan wel</al></li><li nr="2."><al>een persoon die een huishouding voert waartoe het kind behoort, op wie
                            de kinderopvang betrekking heeft, waarvoor die persoon een
                            pleegvergoeding in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening
                            ontvangt.</al></li></lijst><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘partner’ wordt in de Wk aangesloten bij het
                    partnerbegrip in de Wet inkomstenbelasting 2001.</al><al><vet>4. Aanwijzen van gemeentelijke doelgroepen</vet></al><al>De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn
                    benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een
                    tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Daarbij kan gedacht worden aan
                    ouders die vrijwilligerswerk doen of ouders die zich bezighouden met mantelzorg. </al><al>Er is voor gekozen om dit (vooralsnog) niet te doen. De kosten hiervan zouden
                    immers volledig voor rekening van de gemeente zelf komen. Zolang er geen goed
                    zicht is op de te verwachte uitgaven in het kader van de wet is het niet
                    verantwoord hier nog extra uitgaven te creëren.</al><al><vet>5. Hoogte van de tegemoetkoming ten behoeve van de gemeentelijke
                        doelgroepen</vet></al><al>In artikel 24 van de wet is de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                    bepaald. Naast de plicht tot betaling van het werkgeversdeel van de kosten van
                    kinderopvang ten behoeve van de in artikel 22 en 23 genoemde wettelijke
                    doelgroepen (1/6 of 1/3 deel van de kosten) heeft de gemeente voor een deel van
                    deze groepen nog een verplichting tot betaling van de inkomensafhankelijke
                    ouderbijdrage. In de hierna volgende schema's zijn de groepen aangegeven ten
                    aanzien van wie deze verplichting bestaat. Deze inkomensafhankelijke
                    ouderbijdrage moet in overeenstemming met de jaarlijks door het ministerie van
                    SZW vast te stellen ouderbijdragentabel kinderopvang ("percentagetabel") bepaald
                    worden.</al><al>Hieronder wordt een overzicht gegeven van de gemeentelijke doelgroepen in de Wk,
                    met daarbij de betreffende bepalingen in de wet. Bovendien wordt per doelgroep
                    aangegeven welk deel van de kosten van de kinderopvang door de gemeente wordt
                    vergoed door middel van een tegemoetkoming. </al><al>Naast het 1/6 of 1/3 deel van de kosten van de kinderopvang zoals opgenomen in
                    artikel 7 lid 1 van de wet, bestaat er voor ouders in een
                    arbeidstoeleidingstraject met een uitkering en voor ouders met een deeltijdbaan
                    en een aanvullende WWB-uitkering nog recht op een aanvullende vergoeding. Dit
                    heeft tot doel om met name voor deze groep ouders de kosten van de kinderopvang
                    geen belemmering te laten zijn voor deelname aan het reïntegratietraject dan wel
                    het arbeidsproces. </al><al><vet> Een ouder zonder partner:</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="54*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Doelgroep overeenkomstig Wk:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bepaling in de Wk:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente en
                                            bepaling in Wk:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.Ontvangt een uitkering in het kader van de WWB, IOAW/IOAZ
                                        of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling </al><al> Artikel 6 lid 1 sub c</al><al>2.Ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening kunstenaars</al><al> Artikel 6 lid 1sub d</al><al>3.Heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt algemene
                                        bijstand op grond van de WWB of kan zo’n uitkering
                                        ontvangen</al><al> Artikel 6 lid 1 sub e</al><al>4.Is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                        werkzoekende geregistreerd bij het CWI én maakt gebruik van
                                        een voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al> Artikel 6 lid 1 sub f</al><al>5.Is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt</al><al> Artikel 6 lid 1 sub g</al><al>6.Is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld
                                        in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming
                                        onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11
                                        van de Wet Studiefinanciering 2000</al><al> Artikel 6 lid 1 sub j</al><al>7.Heeft een inkomen uit arbeid, aangevuld met algemene
                                        bijstand op grond van de WWB</al><al> Artikel 6 lid 1 sub a</al><al>8.Behoort niet tot een andere doelgroep én het college</al><al> heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.</al><al> Artikel 6 lid 1 sub k, l </al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22 lid 1 sub a </al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 2 sub b</al><al>Artikel 22 lid 2</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a juncto artikel 23 lid 1</al></entry><entry colname="col3"><al>Art. 24 lid 2 sub a </al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging. </al><al>Art. 24 lid 2 sub b </al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al><al>Art. 24 lid 2 sub a </al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging. </al><al>Art. 24 lid 2 sub a</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging.</al><al>Art. 24 lid 2 sub b</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al><al>Art. 24 lid 2 sub b</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al><al>Art. 24 lid 3 en 4 </al><al>Art. 24 lid 2 sub b</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Een ouder met partner:</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="54*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Doelgroep:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bepaling in de Wk:</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente:
                                        </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8.Zowel de ouder als zijn partner behoren tot een van de
                                        categorieën 1, 3 of 4</al><al> Artikel 6 lid 1 sub c, e of f</al><al>9.Zowel de ouder als zijn partner behoren tot een van
                                        de</al><al> categorieën 2, 5 of 6</al><al> Artikel 6 lid 1 sub d, g of j</al><al>10.De ouder of zijn partner behoort tot een van de</al><al> categorieën 1, 3 of 4 én de andere persoon </al><al> ontvangt een WW-uitkering en maakt gebruik van een </al><al> voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al> Artikel 29 lid 1 sub a</al><al> Artikel 6 lid 1 sub c, e of f</al><al>11.De ouder of zijn partner behoort tot een van de</al><al> categorieen 2, 5, of 6 én de andere persoon ontvangt </al><al> een WW-uitkering en maakt gebruik van een </al><al> voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al> Artikel 29 lid 1 sub a</al><al> Artikel 6 lid 1 sub d, g of j</al><al>12.De ouder of zijn partner behoort tot een van de</al><al> categorieën 1,3 of 4 én de andere persoon is</al><al> arbeidsgehandicapte als bedoeld in de Wet op de </al><al> (re)integratie arbeidsgehandicapten die gebruik maakt </al><al> van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al> van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al><al> Artikel 6 lid 1 sub c, e of f</al><al>13.De ouder of zijn partner behoort tot een van de</al><al> categorieën 2, 5 of 6 én de andere persoon is</al><al> arbeidsgehandicapte als bedoeld in de Wet op de </al><al> (re)integratie arbeidsgehandicapten die gebruik maakt </al><al> van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling </al><al> van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</al><al> Artikel 6 lid 1 sub d, g of j</al><al>14.De ouder of zijn partner behoort tot een van de</al><al> categorieën 1, 3 of 4 én de andere persoon </al><al> verricht betaalde arbeid </al><al> Artikel 6 lid 1 sub a</al><al> Artikel 6 lid 1 sub c, e of f</al><al>15.De ouder of zijn partner behoort tot een van de</al><al> categorieën 2, 5 of 6 én de andere persoon </al><al> verricht betaalde arbeid </al><al> Artikel 6 lid 1 sub a</al><al> Artikel 6 lid 1 sub d, g of j</al><al>16.Zowel de ouder als zijn partner hebben een inkomen</al><al> uit arbeid die wordt aangevuld met algemene bijstand </al><al> op grond van de WWB</al><al> Artikel 6 lid 1 sub a</al><al>17.De ouder of zijn partner behoren niet tot een andere</al><al> doelgroep én het college heeft sociaal-medische </al><al> indicatie vastgesteld.</al><al> Artikel 6 lid 1 sub k en l </al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, lid 1 sub b</al><al>Artikel 22 lid 1 sub b </al><al>Artikel 22 lid 1 sub a en c</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a en c</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 1 sub d</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lis 1 sub d</al><al>Artikel 22 lid 1 sub a</al><al>Artikel 22 lid 2</al><al>Artikel 22 lid 1 sub b juncto artikel 23</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 24 lid 1 sub a </al><al>1/3 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging</al><al>artikel 24 lid 1 sub b</al><al>1/3 deel van de kosten van kinderopvang </al><al>Artikel 24 lid 1 sub a</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging</al><al>Artikel 24 lid 1 sub b</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al><al>Artikel 24 lid 2 sub a</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging</al><al>Artikel 24 lid 2 sub b</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang </al><al>Artikel 24 lid 2 sub a</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang en de bij
                                        ministeriële regeling vast te stellen verhoging</al><al>Artikel 24 lid 2 sub b</al><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang </al><al>artikel 24 lid 3 en 4</al><al>Voorliggende voorziening van werkgever gaat voor.
                                        Anticumulatiebepaling</al><al>Artikel 24 lid 1 sub b</al><al>1/3 deel van de kosten van kinderopvang </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>6. Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                        tegemoetkomingen</vet></al><al>In deze verordening zijn de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. </al><al><cursief>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                        bevorderen</cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een "open-einde
                    regeling". Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort tot de
                    gemeentelijke doelgroep recht heeft op een tegemoetkoming van de gemeente. </al><al>Om greep te houden op de kosten die het gevolg zijn van de verstrekking van de
                    tegemoetkomingen, zijn in de verordening de volgende bepalingen opgenomen: </al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de
                            gemeente wordt aan beperkingen gebonden. In de verordening is bepaald
                            dat de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang
                            per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken. De wens van de ouder is hier dus uitdrukkelijk niet
                            bepalend.</al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijke tegemoetkoming wordt op zijn vroegst verstrekt met ingang
                            van datum waarop de aanvraag is ingediend.</al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er ook feitelijk
                            kinderopvang plaatsvindt. </al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                            Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die
                            de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt. In overleg met de
                            kindercentra ontwikkelt de gemeente een zo efficiënt mogelijk
                            betalingssysteem.</al></li></lijst><al><cursief>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar</cursief></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één
                    kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij de wijze waarop de betalingen door
                    de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk
                    jaar opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de
                    gevallen waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de
                    tegemoetkoming beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat). Daarnaast kunnen
                    natuurlijk ook twee besluiten genomen worden, één voor het lopende jaar en één
                    voor het komende jaar. Dit zal het geval zijn als de behoefte aan kinderopvang
                    bijvoorbeeld kort doorloopt in het komende jaar.</al><al><cursief>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</cursief></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen
                    van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming
                    een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een maximumbedrag. De
                    aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven
                    nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak.</al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt, achteraf, vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de
                    gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindercentrum of gastouderbureau op te vragen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In de begripsbepalingen is aangesloten bij de begrippen die in de Wk worden
                        gehanteerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel
                        26 Wk). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de ouder woont
                        (artikel 22, derde lid, Wk). De aanvraag moet schriftelijk gebeuren (artikel
                        4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een kalenderjaar wordt verstrekt
                        (artikel 3.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. </al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                        aantal uren of dagdelen kinderopvang per kind, zal ook moeten worden
                        aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering
                        van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder
                        moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28,
                        derde lid, Wk en artikel 5.1, eerste lid). </al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                        verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort
                        tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder
                        volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de
                        gegevens beschikt: </al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt van een uitkering in het kader van de
                                WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening gericht
                                op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt gebruik van
                                een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;
                            </al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                        verstrekken:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op grond van
                                            de Wet inkomensvoorziening kunstenaars </al><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft
                                            bereikt, volgt scholing of een opleiding en ontvangt
                                            algemene bijstand op grond van de WWB of kan zo’n
                                            uitkering ontvangen</al><al>De ouder of partner is ingeschreven bij een school of
                                            instelling als bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de
                                            Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen of in de artikelen
                                            2.8 tot en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering
                                            2000</al><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en
                                            maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling</al><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en
                                            maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Als de uitkering wordt verkregen in een andere gemeente:
                                            naam van deze gemeente</al><al>Bewijs van inschrijving school of
                                            opleidingsinstituut</al><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut </al><al>Trajectplan van het UWV</al><al>Trajectplan van het UWV</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het tweede lid is aangegeven dat als ouders een tegemoetkoming aanvragen
                        op grond van een sociaal medische indicatie er nog geen offerte of contract
                        overlegd hoeft te worden bij de aanvraag. Eerst zal dan immers de indicatie
                        vastgesteld moeten worden. Overigens is bij de vormgeving van de verordening
                        er van uitgegaan dat er bijna nooit sprake zal zijn van een verzoek om
                        uitsluitend een sociaal medische indicatie vast te stellen zonder daaraan
                        gekoppeld het verzoek om een tegemoetkoming te ontvangen. Mocht onverhoopt
                        een dergelijke aanvraag toch ingediend worden dan kan die op grond van
                        artikel 7.3 afgewerkt worden. Alleen ouders die niet op grond van een andere
                        bepaling in de Wk aanspraak kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten
                        van kinderopvang, kunnen aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten
                        van kinderopvang wegens een sociaal-medische noodzaak. </al><al>In het derde lid is bepaald dat als een aanvraag op grond van een sociaal
                        medische indicatie ingediend wordt er advies ingewonnen wordt. </al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat het college kan bepalen dat van een
                        aanvraagformulier gebruik gemaakt wordt waarop aangegeven staat welke
                        gegevens overlegd moeten worden bij de aanvraag.</al><al>In het vijfde lid wordt bepaald dat als de aanvrager een partner heeft, deze
                        partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is volledigheidshalve in
                        de verordening opgenomen. De verplichting is al neergelegd in artikel 26,
                        derde lid, Wk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag
                        van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming.
                        Dus niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor aanvragen die een
                        voortzetting van een tegemoetkoming betreffen en voor aanvragen voor een
                        hogere tegemoetkoming in verband met verhoging van de uurprijs van
                        kinderopvang of uitbreiding van de omvang van de kinderopvang. </al><al>In de verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten hoogste acht
                        weken die eventueel met vier weken kan worden verlengd. Dit sluit aan bij de
                        termijnen die bij de uitvoering van de WWB gehanteerd worden. </al><al>De beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                        aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om
                        er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden
                        voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari
                        bij de gemeente moeten indienen. </al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen
                        over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het
                        college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er
                        naar streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden
                        en met name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door
                        middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid wordt de besluitvorming
                        versneld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden
                        om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                        toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden
                        geweigerd als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                        ieder geval kan worden geweigerd als de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                                beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of </al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend
                                of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                                personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe
                                bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat een tegemoetkoming niet met terugwerkende kracht
                        wordt verleend. Zoals eerder bij Hoofdstuk 6 (Hoofdlijnen van het proces van
                        verstrekking van de tegemoetkomingen) van de Algemene Toelichting aangegeven
                        is, ligt hieraan een financiële reden ten grondslag. Het niet verlenen van
                        tegemoetkomingen met terugwerkende kracht is één van de mogelijkheden om
                        greep te houden op de kosten.</al><al>De bepaling dat een tegemoetkoming niet met terugwerkende kracht wordt
                        verleend heeft ook betrekking op aanvragen voor een verhoging van de
                        tegemoetkoming in verband met een uitbreiding van het aantal uren
                        kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt, op zijn vroegst, verstrekt
                        vanaf het moment waarop die aangevraagd is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                        Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                        tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                        betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht
                        heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject
                        voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de
                        tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een
                        andere vorm van arbeid), kan in sommige gevallen voorkomen worden dat ten
                        onrechte subsidie verleend wordt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Beperking van de aanspraak op de tegemoetkoming</titel></kop><al>De Wk regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van
                        de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die
                        aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot
                        een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze recht op een gemeentelijke
                        tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren
                        kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het
                        systeem van de wet waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij
                        nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al>De eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang van de ouders die tot de
                        gemeentelijke doelgroep behoren is in bepaalde gevallen nihil, namelijk
                        wanneer de inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente wordt
                        gecompenseerd (zie artikel 24, eerste en tweede lid, onderdeel a). </al><al>Dit betekent dat voor degenen die tot deze gemeentelijke doelgroep behoren
                        de hoogte van de eigen bijdrage geen rem zet op de vraag naar kinderopvang.
                        Ouders die een (substantiële) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang
                        moeten betalen, zullen de hoogte van die bijdrage mee laten wegen bij hun
                        vraag naar kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te beperken, is daarom deze bepaling over de
                        noodzaak van het aantal uren kinderopvang per week in de verordening
                        opgenomen, die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt. Dit
                        artikel geeft het college de bevoegdheid om in elk individueel geval te
                        beoordelen hoeveel kinderopvang per week een ouder redelijkerwijs nodig
                        heeft om de arbeid die deze ouder verricht te kunnen combineren met
                        zorgtaken. </al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig
                        is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden
                        met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of
                        een beperking die de huiselijke situatie met zich meebrengt voor de goede en
                        gezonde ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op
                        grond van sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 van de Wk,
                        hoeft voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd. </al><al>In beleidsregels kan neergelegd worden hoe omgegaan wordt met deze
                        bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel mogelijk
                        geobjectiveerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                        tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f). Artikel 3.7 bepaalt dat de
                        uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel
                        g van artikel 3.6 schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van
                        de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen
                        worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen zes weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                te verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode; </al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en
                                met derde lid, Wk (en in ongeveer dezelfde bewoordingen is
                                overgenomen in artikel 5.1 van de verordening). </al></li></lijst><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit
                        betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                        worden ingesteld.</al><al>Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie
                        wordt vastgesteld, wordt in de beschikking aangegeven hoeveel uren of
                        dagdelen kinderopvang per week noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over
                        de noodzakelijke omvang van de kinderopvang vormt de grondslag voor de
                        aanvraag voor een tegemoetkoming van de gemeente. </al><al>Bovendien moet in het besluit de geldigheidsduur van de indicatie worden
                        vermeld. Deze verplichting staat in het vierde lid van artikel 23 Wk. Het
                        kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een
                        geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal hierover
                        ook een uitspraak moeten worden gedaan. </al><al>Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte indicatieadvies.
                        Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het college van dat advies kan
                        afwijken. Als het college een beschikking geeft die afwijkt van het
                        uitgebrachte advies, zal het college de redenen voor de afwijking in de
                        beschikking moeten motiveren (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting
                        geldt vooral voor het geval waarin een positief advies wordt gegeven en het
                        college een afwijzend besluit neemt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                        voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                        waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen. Bij
                        kortere perioden wordt naar gelang de duur daarvan een andere verdeling
                        toegepast.</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming in principe uit aan de ouder. De ouder
                        kan, al dan niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de
                        gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of
                        gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien niets
                        aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag
                        gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft
                        sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                        stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Deze zullen
                        er op gericht zijn om een zo eenvoudig mogelijke administratie te
                        verkrijgen. Daarbij wordt gestreefd naar rechtstreekse betalingen aan de
                        kindercentra waardoor achteraf zo min mogelijk verrekeningen nodig zijn.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie
                        (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen
                        houdt in dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt
                        en dat de ouders daarvoor geen aanvraag hoeven in te dienen.</al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                        waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                        feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                        tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, moet het overzicht van de
                        kosten uiterlijk vier weken na 31 december bij het college worden ingediend.
                        Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door
                        het kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                        maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                        tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een
                        onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens
                        van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van
                        een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                        precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                        recht op heeft en de manier waarop dit berekend is. Het bedrag in de
                        beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt daarbij als het
                        maximumbedrag. De uiteindelijke vastgestelde tegemoetkoming kan wel lager,
                        maar nooit hoger zijn dan het bedrag dat is vermeld in de beschikking tot
                        het verlenen van de tegemoetkoming. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                        tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                        betekenen op nul vaststellen. </al><al><vet> Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                            tegemoetkoming</vet></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in
                        de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                        teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of
                            wijzigen van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel
                            4:48 Awb)</cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                        beschikking tot verlening van de</al><al>tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van de
                        tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                                geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                                tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                        subsidie is verleend, tenzij bij de </al><al>intrekking of wijziging anders is bepaald.</al><al>Het derde lid van artikel 4:46 luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                        afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor
                        subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als
                        noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie
                        niet in aanmerking genomen’.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat
                        het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd.
                        Het college kan al eerder besluiten de betaling van de</al><al>tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college
                        de verplichting tot betaling van een voorschot opschorten met ingang van de
                        dag waarop het college aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het
                        ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van
                        de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot
                        en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
                        bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige
                        vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen
                            van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49
                        Awb)</cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                        gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in
                        te trekken of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen.
                        Het gaat om de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                                vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte
                                kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan
                                overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger
                                van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                                tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                                verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van
                        de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de
                        dag waarop zij is bekendgemaakt.</al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                        tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan
                        de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen.</al><al>In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en
                        bijstand (WWB) over de</al><al>terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard op het
                        terugvorderen van een</al><al>tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt
                        teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder
                        wordt verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal
                        worden teruggevorderd worden vermeld (artikel 60, eerste lid WWB).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen
                        deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                        uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                        bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wk. Zoals in
                        de toelichting op artikel 3.7 is aangegeven wordt er naar gestreefd om de
                        uitbetaling en administratie zo te organiseren dat het ontstaan van
                        verrekeningen voorkomen wordt. Overigens zijn de bepalingen over
                        terugvordering uit de WWB van toepassing voor de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        28, eerste tot en met derde lid van de wet. </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van
                        een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                        verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                        gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                        tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang; </al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik gemaakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                                doelgroep). </al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                        onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                        college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de
                        tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                        terugvorderen. Ook is het mogelijk om hiernaast een bestuurlijke boete op te
                        leggen aan de betreffende ouder of partner.</al><al><vet>De bestuurlijke boete</vet></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming (zie toelichting
                        bij artikel 4.1) kan het college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke
                        boete opleggen. De bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet
                        kinderopvang. Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende
                        een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht
                        is op bestraffing van de overtreder (artikel 1, eerste lid, onderdeel t, Wet
                        kinderopvang). Het betreffende bedrag komt toe aan de gemeente (artikel 72,
                        vierde lid Wet kinderopvang).</al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                        inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                        volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                                kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                                college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid,
                                Wet kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2.269 (artikel 72,
                        eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de
                        hoogte van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                        Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete
                        wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                        overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin die
                        persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk
                        geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                        bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende
                        situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                bestuurlijke boete opgelegd of er is hem een kennisgeving gedaan dat
                                een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                        artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang.</al><al><vet>Artikelen 6.1 Beleidsregels</vet></al><al>In dit artikel is geregeld dat het college beleidsregels kan opstellen
                        waarin nader aangegeven is hoe omgegaan wordt met bevoegdheden ten aanzien
                        van de genoemde artikelen. Op die wijze wordt de beoordeling zoveel mogelijk
                        geobjectiveerd.</al><al><vet>Artikelen 6.2 Hardheidsclausule</vet></al><al>De hardheidsclausule maakt het mogelijk om in gevallen dat toepassing van de
                        verordening tot een onbillijke uitkomst zou leiden van de verordening af te
                        wijken.</al><al><vet>Artikelen 6.3 Onvoorzien</vet></al><al>Anders dan de hardheidsclausule geeft dit artikel ruimte om in onvoorziene
                        omstandigheden adequaat te kunnen handelen. Deze ruimte is nodig nu het hier
                        een nieuwe regelgeving betreft waarbij op voorhand niet te overzien is welke
                        situaties zich zullen aandienen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld op welk moment de verordening in werking treedt.
                        De verordening is vastgesteld in de raadsvergadering van 14 oktober 2004 en
                        treedt in werking drie dagen na publicatie. Dit is mogelijk door af te zien
                        van inspraak en op grond van artikel 25 van de Tijdelijke referendumwet. Om
                        tijdig de aanvragen te kunnen afwerken is het immers nodig om in de maand
                        oktober over een geldige verordening te beschikken zodat geen ruimte gelaten
                        kan worden voor een mogelijk te houden referendum. Beschikkingen moeten
                        immers voor 1 december 2004 door de gemeente afgegeven worden omdat dan de
                        aanvraagtermijn van de Belastingdienst sluit. Althans van aanvragen die na
                        die datum ingediend zijn wordt geen garantie gegeven dat de eerste betaling
                        begin januari 2005 plaats vindt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>