<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR131226_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening Langedijk 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Langedijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Langedijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad GB 19052014 nr. 27490</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening Langedijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=HUISVESTINGSWET">Huisvestingswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-04-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-05-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art.2.5.4 lid 1, 2.7.4. lid 4, onder a., Bijlage 3 Volgordebepaling, Bijlage 3 Uitvoeringsvoorschrift urgentiebepaling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R22042014 GB 19052014 nr. 27490</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging volgordebepaling grote huishoudens, behoud inschrijfduur, urgentiebepaling</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening Langedijk 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Langedijk; gelezen het voorstel van burgemeester en
                        wethouders van 18 maart 2014, nummer 20; gelet op het bepaalde in artikel
                        149 Gemeentewet en artikel 2 Huisvestingswet; </al><al> b e s l u i t : </al><al> de Huisvestingsverordening Langedijk 2011 te wijzigen - artikel 2.5.4 lid 1
                        - artikel 2.7.4. 4de lid onder a</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel>Deel</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder: a. wet: de
                                Huisvestingswet; b. besluit: het Huisvestingsbesluit; c. woonruimte:
                                het daaromtrent in artikel 1, lid 1 sub b, van de wet bepaalde; d.
                                huurprijs: de huurprijs als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub j van
                                de wet; e. rekenhuur: de rekenhuur zoals bedoeld in artikel 1, sub h
                                van de Wet op de Huurtoeslag; f. koopprijs: het daaromtrent in
                                artikel 1, lid 1 sub k, van de wet bepaalde; g. huurprijsgrens: de
                                huurprijs waarboven, op grond van artikel 13, lid 1, sub. a. van de
                                Wet op de Huurtoeslag, geen huurtoeslag wordt toegekend; h.
                                koopprijsgrens: het daaromtrent in artikel 6, lid 3, van de wet
                                bepaalde, dan wel het op grond van artikel 6, lid 4, van de wet
                                toegestane; i. regio Alkmaar: het grondgebied van de gemeenten
                                Alkmaar, Bergen, Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo,
                                Langedijk en Schermer; j. ingezetene: degene die in het
                                bevolkingsregister van één of meer van de gemeenten in de regio
                                Alkmaar is opgenomen en feitelijk in dat gebied hoofdverblijf heeft
                                in een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte; k.
                                huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een
                                duurzame, gemeenschappelijke huishouding voeren; l. woningzoekende:
                                het huishouden dat in het register als bedoeld in artikel 2.7.1 is
                                ingeschreven; m. economische binding: de binding van een persoon aan
                                de regio Alkmaar, daarin gelegen dat die persoon, met het oog op de
                                voorziening in het bestaan, een redelijk belang heeft zich in dat
                                gebied te vestigen, waarbij een economische binding wordt aangenomen
                                bij personen die:</al><al> 1. voor de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op duurzaam
                                verrichten van arbeid binnen of vanuit de regio Alkmaar gedurende
                                minimaal 20 uur in de week en die minimaal een jaarcontract
                                hebben;</al><al> 2. een voltijd dagopleiding volgen aan een erkende
                                onderwijsinstelling binnen de regio Alkmaar; n. maatschappelijke
                                binding: de binding van een persoon aan de regio Alkmaar, daarin
                                gelegen dat die persoon een redelijk, met de plaatselijke
                                samenleving verband houdend belang heeft zich in dat gebied te
                                vestigen, waarbij een maatschappelijke binding wordt aangeno¬men bij
                                personen die gedurende de afgelopen tien jaar tenminste zes jaar
                                onafgebroken ingeschreven hebben gestaan in het bevolkingsregister
                                van één of meer van de gemeenten in de regio Alkmaar; o.
                                woningzoekende van de regio: hiertoe behoren de volgende groepen: -
                                woningzoekende ingezetenen;</al><al> - woningzoekenden met economische binding;</al><al> - woningzoekenden met maatschappelijke binding;</al><al> - woningzoekenden die in de positie verkeren als aangegeven in
                                artikel 13c, lid 1 van de wet; p. vestiger: een huishouden niet
                                zijnde woningzoekende van de regio; q. inkomen: de gezamenlijke
                                toetsingsinkomens, bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet
                                inkomensafhankelijke regelingen, die in aanmerking worden genomen
                                voor het bepalen van de draagkracht, bedoeld in artikel 7 van die
                                wet; r. huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7
                                van de wet; s. eigenaar: het daaromtrent in artikel 1, lid 2, van de
                                wet bepaalde; t. onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde
                                woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en
                                welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit
                                daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die
                                woonruimte; u. inwoning: het bewonen van een woonruimte die
                                onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden
                                in gebruik is genomen; v. standplaats: een standplaats als bedoeld
                                in artikel 1, eerste lid, onderdeel h van de Woningwet; w.
                                woonwagen: een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                onderdeel e van de Woningwet; x. onttrekkingsvergunning: de
                                vergunning als bedoeld in artikel 30 van de wet; y.
                                splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de
                                wet; z. student: de persoon die als dagstudent staat ingeschreven
                                bij een erkende hbo of wo-onderwijsinstelling in de regio Alkmaar of
                                ingeschreven staat het komend schooljaar te starten; aa. woningruil:
                                het door twee of meer partijen wederkerig in gebruik nemen van
                                elkaars woning, met de bedoeling de woning daadwerkelijk permanent
                                te bewonen; bb. monumenten: een zaak die vanwege zijn
                                cultuurhistorische waarde op basis van regelgeving op Rijks-,
                                provinciaal of gemeentelijk niveau is beschermd; cc. bestuurlijke
                                boete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 85a van de wet. dd.
                                woningcorporatie: instelling, werkzaam in het belang van de
                                volkshuisvesting, als bedoeld in artikel 70 van de Woningwet; ee.
                                studentenwoning: een zelfstandige woning bestemd voor
                                studentenhuisvesting waar op basis van een campuscontract gehuurd
                                kan worden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Verdeling van woonruimte</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.1 Werkingsgebied</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Huur- en koopprijsgrens</titel></kop><al> Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing
                                    op:</al><al> a. woonruimten met een huurprijs beneden de huurprijsgrens,
                                    en</al><al> b. nieuw te bouwen woonruimten met een koopprijs beneden de
                                    koopprijsgrens.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Nadere afperking</titel></kop><al> 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1 is het
                                    bepaalde in dit hoofdstuk niet van toepassing op:</al><al> a. woonruimten, als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de wet
                                    (woonruimten bestemd voor inwoning, woonwagens,
                                    woonschepen);</al><al> b. onzelfstandige woonruimten;</al><al> c. woonruimten waarvoor burgemeester en wethouders op grond van
                                    de Leegstandwet vergunning tot verhuur hebben verleend;</al><al> d. monumenten;</al><al> e. studentenwoningen.</al><al> 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.1 kunnen
                                    burgemeester en wethouders onderdelen van het bepaalde in de
                                    paragrafen 2.2 (huisvestingsvergunning), 2.5 (volgordebepaling
                                    en urgentie) en 2.6 (leegmelding, voordracht en aanbieding van
                                    woonruimte) niet van toepassing verklaren op woonruimten, in
                                    eigendom van een eigenaar waarmee een overeenkomst is gesloten,
                                    als bedoeld in artikel 2.7.6.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.2 Huisvestingsvergunning</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><al> 1. Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een
                                    woonruimte, aangewezen c.q. niet uitgezonderd in de artikelen
                                    2.1.1 en 2.1.2, in gebruik te nemen voor bewoning.</al><al> 2. Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte
                                    voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden dat niet
                                    beschikt over een huisvestingsvergunning.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Aanvragen van een huisvestingsvergunning</titel></kop><al> 1. De aanvraag van een huisvestingsvergunning wordt ingediend
                                    bij burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de door
                                    burgemeester en wethouders verlang­de bescheiden benodigd voor
                                    de beoorde­ling van de aanvraag. 2. Burgemeester en wethouders
                                    besluiten de aanvraag niet verder te behandelen, indien de
                                    aanvrager niet aannemelijk kan maken dat hij, indien hij een
                                    huisves­tingsvergun­ning voor de in de aanvraag aangege­ven
                                    woonruimte krijgt, die woonruimte ook daadwer­kelijk in gebruik
                                    zal kunnen nemen, één en ander echter met uitzondering van de
                                    gevallen, genoemd in artikel 23, lid 3, van de wet
                                    (mede­huurder­schap). 3. Op of bij de huisvestingsvergunning
                                    vermelden burge­mees­ter en wethouders de volgende informatie:
                                    a. de mededeling dat binnen 2 maanden van de
                                    huis­ves­tings­vergunning gebruik gemaakt moet worden; b. de
                                    namen van de personen die als vergunninghouder worden
                                    aange­merkt; c. het aantal personen dat de woonruimte in
                                    ge­bruik neemt;</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><al> 1. Burgemeester en wethouders verlenen de
                                    huisves­tings­ver­gun­ning, indien aan de vol­gende
                                    voor­waar­den wordt voldaan: a. het huishouden dat de
                                    huisvestingsvergunning aan­vraagt behoort tot de ingevol­ge
                                    paragraaf 2.3 (toelating tot de woningmarkt) aan­gewezen
                                    catego­rieën van woningzoe­kenden die voor het ver­krij­gen van
                                    een huisvestingsver­gunning in aanmer­king komen; b. de
                                    woonruimte wordt met toepassing van het bepaalde in para­graaf
                                    2.4 (passendheid) passend geacht voor het huishouden dat de
                                    huis­ves­tings­vergunning aan­vraagt; het huishouden dat de
                                    huisvestingsvergunning aanvraagt komt na toepassing van het
                                    bepaalde in para­graaf 2.5 (volgordebepaling en urgentie) en/of
                                    2.6 (voor­dracht) voor de woning in aanmerking. 2. Het in het
                                    vorige lid, sub c, bepaalde blijft buiten toepassing, indien
                                    zich een situatie voordoet: als aangegeven in artikel 9 van het
                                    besluit (mede­huur­derschap, voorgeno­men woning­ruil en
                                    ESTEC-personeel) of; als een huishouden binnen een complex met
                                    huurwoningen verhuist naar een woning die in type en grootte
                                    gelijkwaardig is aan de huidige woning. De huidige woning dient
                                    dan wel voor verhuur ter beschikking te worden gesteld conform
                                    paragraaf 2.6.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Woningruil</titel></kop><al> Indien er sprake is van woningruil wordt de
                                    huisvestingsvergunning verleend indien</al><al> wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.3 lid 1
                                    sub a en b.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.2.5</nr><titel>Intrekking</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.3 Toelating tot de regionale woningmarkt</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Leeftijd</titel></kop><al> Ten minste één van de leden van het huishouden moet de leeftijd
                                    van 18 jaar hebben bereikt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Verblijfsstatus</titel></kop><al> 1. De leden van het huishouden moeten:</al><al> a. de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een
                                    wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld, of</al><al> b. vreemdeling zijn en rechtmatig verblijf houden.</al><al> 2. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan rechtmatig verblijf
                                    zoals bedoeld in artikel 8, onder a. tot en met e. en l., van de
                                    Vreemdelingenwet 2000.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.4 Passendheid</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verhouding inkomen - huurprijs/koopprijs</titel></kop><al> 1. Het inkomen van het huishouden moet in een redelijke
                                    verhou­ding staan tot de huurprijs of de koopprijs van de
                                    woon­ruimte. 2. Bij de toepassing van het gestelde in lid 1
                                    hanteren burgemeester en wethouders de in bijlage 1 opgenomen
                                    tabellen voor de bepaling van de verhouding tussen de huurprijs
                                    of de koopprijs en het inkomen. 3. Burgemeester en wethouders
                                    zijn bevoegd de in lid 2 bedoelde tabellen te wijzigen
                                    uitsluitend voor regionaal afgesproken aanpassingen. Zij zijn
                                    verplicht de raad dan wel de raadscommissie van deze wijzigingen
                                    in kennis te stellen. 4. Voor de bepaling van het inkomen dat in
                                    de in lid 2 bedoelde tabellen wordt toegepast hanteren
                                    burgemeester en wethouders de volgende nadere uitvoeringsregels:
                                    als bewijs van het bruto jaarinkomen bedoeld in artikel 1.1
                                    onder q. geldt de eigen verklaring van de woningzoekende over
                                    het verwachte inkomen in het jaar dat het huurcontract ingaat,
                                    op basis van de benodigde bewijsstukken (bv aanslag IB,
                                    IB60-formulier van de Belastingdienst); Indien de woningzoekende
                                    verklaart dat het verwachte jaarinkomen wezenlijk veranderd is
                                    ten opzichte van de voorgelegde bewijsstukken of geen
                                    bewijsstukken kan overleggen, moet hij/zij een verklaring
                                    opstellen met minimaal de volgende elementen: de oorzaak van de
                                    inkomensverandering, de geschatte omvang ervan en een bewijs,
                                    bijvoorbeeld in de vorm van een recente
                                    loonstrook/uitkeringsspecificatie.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Bezettingsnorm</titel></kop><al> 1. De omvang van het huishouden moet passen bij het aantal
                                    kamers van de woonruimte. Als kamer worden gerekend de woonkamer
                                    en slaapkamer(s).</al><al> 2. Bij de toepassing van het gestelde in lid 1 hanteren
                                    burgemeester en wethouders de in bijlage 1 onder
                                    “bezettingsnorm” opgenomen regels.</al><al> 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in lid 2 genoemde
                                    regels te wijzigen uitsluitend voor regionaal afgesproken
                                    aanpassingen. Zij zijn verplicht de raad dan wel de
                                    raadscommissie van deze wijzigingen in kennis te stellen.</al><al> 4. In afwijking van het gestelde in lid 2 en lid 3 kan een
                                    huishouden waaraan een stadsvernieuwingsurgentie is toegekend en
                                    waarvan de samenstelling niet wijzigt, aanspraak maken op
                                    woonruimte die wat betreft type en aantal kamers vergelijkbaar
                                    is met de te slopen of te renoveren woning.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.5 Volgordebepaling en urgentie</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Volgordebepaling</titel></kop><al> 1. Burgemeester en wethouders stellen de volgorde waarin
                                    woningzoekenden voor woonruimte in aanmerking komen vast aan de
                                    hand van het in bijlage 2 opgenomen uitvoeringsvoorschrift
                                    volgordebepaling.</al><al> 2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het in lid 1
                                    bedoelde voorschrift te wijzigen uitsluitend voor regionaal
                                    afgesproken aanpassingen. Zij zijn verplicht de raad dan wel de
                                    raadscommissie van deze wijzigingen in kennis te stellen.</al><al> 3. In afwijking van het eerste lid geldt volgordebepaling niet
                                    bij woningruil.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Urgentieverklaring</titel></kop><al> 1. Indien een woningzoekende dringend behoefte heeft aan
                                    (andere) woonruimte, kan hij aan burgemeester en wethouders
                                    verzoeken hem een urgentieverklaring te verstrek¬ken.</al><al> In afwijking van het gestelde in de eerste volzin wordt de
                                    urgentieverklaring ambtshalve verstrekt, indien de dringende
                                    behoefte gebaseerd is op stadsvernieuwing. In dat geval zijn de
                                    artikelen 2.5.3., lid 1, 2.5.4., lid 1 en 2.5.5., lid 1 niet van
                                    toepassing.</al><al> 2. De urgentieverklaring houdt het volgende in:</al><al> a. de erkenning dat verhuizing van de woningzoekende
                                    noodzakelijk is;</al><al> b. de toezegging dat de woningzoekende dientengevolge gedurende
                                    een periode van zes maanden na de datum van verstrekking van de
                                    urgentieverklaring voorrang krijgt bij de toewijzing van een
                                    bepaald soort woonruimte (voor wat betreft woningtype,
                                    woninggrootte en huurprijs) in de regio;</al><al> c. de mededeling dat de woningzoekende gedurende drie maanden
                                    na de datum van verstrekking van de urgentieverklaring
                                    zelfstandig dient te reageren op krachtens artikel 2.6.4
                                    aangeboden woonruimte die voldoet aan de in sub b. bedoelde
                                    omschrijving;</al><al> d. de toezegging dat, indien – als gevolg van het ontbreken van
                                    passend aanbod die via de gangbare media bekend is gemaakt - na
                                    drie maanden geen (andere) woonruimte is verkregen, burgemeester
                                    en wethouders overeenkom¬stig artikel 2.5.5 bemidde¬ling zullen
                                    verlenen;</al><al> e. de mededeling dat de in artikel 2.5.6 lid 2 omschreven
                                    gevallen leiden tot intrekking van de urgentieverklaring. </al><al> 3. In afwijking van het in lid 2, onder sub b. tot en met e.
                                    gestelde geldt voor een urgentieverklaring die wordt verstrekt
                                    op grond van stadsvernieuwing:</al><al> a. de urgentie wordt verstrekt tenminste 18 maanden voor de
                                    verwachte sloopdatum en geeft de woningzoekende voorrang bij de
                                    toewijzing van een bepaald soort woonruimte (voor wat betreft
                                    woningtype, woninggrootte en huurprijs);</al><al> b. zolang nog geen andere woonruimte is verkregen, blijft de
                                    urgentie van kracht tot de sloop van de woning;</al><al> c. de voorrang geldt uitsluitend voor woonruimte in de gemeente
                                    waar de te slopen woning zich bevindt;</al><al> d. de woningzoekende dient zelfstandig te reageren op krachtens
                                    artikel 2.6.4. aangeboden woonruimte, met uitzondering van de
                                    woningzoekende die een nieuwbouw huur- of koopwoning in de eigen
                                    wijk wil betrekken. Deze categorie woningzoekenden wordt
                                    bemiddeld.</al><al> e. de mededeling dat de in artikel 2.5.6., lid 2 sub a. en b.
                                    omschreven situaties leiden tot intrekking van de
                                    urgentieverklaring.</al><al> f. De in lid 3 sub a. tot en met e. genoemde bepalingen zijn
                                    ook van kracht indien de stadsvernieuwingsurgentie in verband
                                    met renovatie wordt verstrekt. Van de in lid 3 sub a. vermelde
                                    minimale termijn van 18 maanden kan worden afgeweken.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Aanvraag en registratie</titel></kop><al> 1. De aanvraag voor een urgentieverklaring wordt ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de door
                                    burgemeester en wethouders verlangde bescheiden benodigd voor de
                                    beoordeling van de aanvraag.</al><al> 2. Op of bij de urgentieverklaring vermelden burgemeester en
                                    wethouders ten minste de inhoud van de urgentieverklaring, zoals
                                    bedoeld in artikel 2.5.2.</al><al> 3. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en
                                    bijhouden van een register van woningzoekenden die beschikken
                                    over een urgentieverklaring.</al><al> 4. Burgemeester en wethouders halen een inschrijving in dit
                                    register door, indien:</al><al> a. de woningzoekende (andere) zelfstandige woonruimte heeft
                                    verkregen;</al><al> b. de urgentieverklaring op grond van artikel 2.5.6. lid 2
                                    wordt ingetrokken.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Criteria voor verlening van een
                                        urgentieverklaring</titel></kop><al> 1. Burgemeester en wethouders verlenen een urgentieverklaring
                                    slechts aan woningzoekenden met een binding aan de regio die
                                    over zelfstandige woonruimte beschikken of hebben beschikt in de
                                    12 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag urgentie, die
                                    buiten eigen schuld in een zodanige noodsituatie verkeren dat
                                    verhuizen op zeer korte termijn noodzakelijk is en die
                                    aannemelijk kunnen maken niet in staat te zijn binnen deze
                                    termijn andere, gezien het probleem, geschikte woonruimte te
                                    vinden. </al><al> 2. In afwijking van het gestelde in lid 1 verlenen burgemeester
                                    en wethouders bovendien een urgentie-verklaring aan
                                    woningzoekenden op grond van stadsvernieuwing zonder dat de
                                    woningzoekende aannemelijk moet maken niet in staat te zijn
                                    geschikte woonruimte te vinden.</al><al> 3. Om te bepalen of sprake is van een situatie zoals omschreven
                                    in lid 1 en lid 2 hanteren burgemeester en wethouders het in
                                    bijlage 3 opgenomen uitvoeringsvoorschrift
                                    urgentiebepaling.</al><al> 4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het in lid 3
                                    bedoelde voorschrift te wijzigen uitsluitend voor regionaal
                                    afgesproken aanpassingen. Zij zijn verplicht de raad dan wel de
                                    raadscommissie van deze wijzigingen in kennis te stellen.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Bemiddeling</titel></kop><al> 1. Voor woningzoekenden die beschikken over een
                                    urgentieverklaring bemiddelen burgemeester en wethouders, na
                                    afloop van de in artikel 2.5.2, lid 2 sub c., bedoelde termijn,
                                    bij eigenaren van woonruimte, opdat aan hen een overeenkomstig
                                    paragraaf 2.4 passende en overeenkomstig artikel 2.5.2, lid 2
                                    sub b., nader omschreven woonruimte wordt aangeboden.</al><al> 2. In afwijking op het gestelde in lid 1 bemiddelen
                                    burgemeester en wethouders ook voor huishoudens die als gevolg
                                    van een calamiteit onvrijwillig dakloos zijn geworden, zonder de
                                    termijn als bedoeld in artikel 2.5.2, lid 2 sub c. af te
                                    wachten.</al><al> 3. Het gestelde in lid 1 geldt niet voor woningzoekenden die op
                                    grond van stadsvernieuwing over een urgentieverklaring
                                    beschikken. Deze woningzoekenden worden uitsluitend bemiddeld
                                    indien men een nieuwbouw huur- of koopwoning in de eigen wijk
                                    wil betrekken. Deze bemiddeling treedt in werking zonder dat de
                                    woningzoekende zelfstandig dient te reageren op krachtens
                                    artikel 2.6.4. aangeboden woonruimte.</al><al> 4. Burgemeester en wethouders geven deze bemiddeling nader vorm
                                    in het in paragraaf 2.6 beschreven voordrachtstelsel en/of in de
                                    in artikel 2.7.1 bedoelde overeenkomsten met eigenaren.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Wijziging en intrekking</titel></kop><al> Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en
                                    wethouders, al dan niet op verzoek van de woningzoekende,
                                    besluiten de inhoud van de afgegeven urgentieverklaring te
                                    wijzigen. Dit wordt schriftelijk en gemotiveerd ter kennis van
                                    de woningzoekende gebracht door middel van de verstrekking van
                                    een gewijzigde urgentieverklaring, waarbij tevens wordt
                                    meegedeeld dat de voor¬dien verstrekte urgentieverklaring is
                                    vervallen.</al><al> 2. Burgemeester en wethouders kunnen een urgentieverklaring
                                    intrekken, indien:</al><al> a. aan de vereisten voor het verkrijgen van een
                                    urgentieverklaring niet meer wordt voldaan;</al><al> b. de urgentieverklaring is verstrekt op grond van gegevens
                                    waarvan de woningzoekende wist of redelijkerwijs kon vermoeden
                                    dat zij onjuist of onvolledig waren;</al><al> a. de woningzoekende een naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders passende woonruimte weigert;</al><al> b. de woningzoekende daarom verzoekt.</al><al> 3. De intrekkingsgronden genoemd in lid 2, sub c en sub d zijn
                                    niet van toepassing op de categorie urgenten op grond van
                                    stadsvernieuwing.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.6 Leegmelding, voordracht en aanbieding van
                                        woonruimte</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Melding van ter beschikking komen</titel></kop><al> De eigenaar van een woonruimte, aangewezen in de artikelen
                                    2.1.1 en 2.1.2 is verplicht het ter beschikking komen van die
                                    woonruimte onverwijld aan burgemeester en wethouders te melden.
                                    Het daaromtrent in artikel 18 van de wet bepaalde is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al><al> 2. Een woonruimte wordt geacht ter beschikking te zijn gekomen,
                                    wanneer:</al><al> a. degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar
                                    het gebruik daarvan heeft opgezegd;</al><al> b. de woonruimte is ontruimd;</al><al> c. de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij
                                    aannemelijk wordt gemaakt dat dit slechts korte tijd het geval
                                    is;</al><al> d. op enigerlei andere wijze is gebleken dat de woonruimte te
                                    huur of vrij van huur te koop is.</al><al> 3. De eigenaar dient de burgemeester of door de burgemeester
                                    aan te wijzen gemeenteambtenaren in de gelegenheid te stellen de
                                    woonruimte te inspecteren ter vaststelling van de in de vorige
                                    leden genoemde gegevens.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Melding van leegstand</titel></kop><al> 1. Zodra de leegstand van een woonruimte langer duurt dan 3
                                    maanden, is de eigenaar verplicht daarvan melding te doen aan
                                    burgemeester en wethouders.</al><al> 2. Burgemeester en wethouders noteren de ingevolge het eerste
                                    lid aangemelde woonruimten, dan wel de langer dan 3 maanden
                                    leegstaande woonruimten in een leegstandsregister.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Voordracht</titel></kop><al> 1. Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 19, 20 en
                                    21 van de wet</al><al> kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een ter
                                    beschikking gekomen woonruimte die behoort tot de in artikel
                                    2.6.1, eerste lid, aangewezen categorieën een voordracht tot
                                    verhuring van de woonruimte aan een door burgemeester en
                                    wethouders aangegeven woningzoekende doen.</al><al> 2. Voor plaatsing op de in het vorige lid bedoelde voordracht
                                    komen in aanmerking de woningzoekenden die:</al><al> a. beschikken over een urgentieverklaring, (nog) geen passende
                                    woonruimte hebben verkregen ingevolge het bepaalde in artikel
                                    2.5.2 lid 2 en derhalve zijn aangewezen op bemiddeling ingevolge
                                    artikel 2.5.5 lid 1, òf</al><al> b. aangewezen zijn op bemiddeling ingevolge artikel 2.5.5. lid
                                    2 in geval van onvrijwillige dakloosheid als gevolg van een
                                    calamiteit, òf</al><al> c. behoren tot de navolgende categorieën:</al><al> 1. statushouders;</al><al> 2. mensen met een beperking aangewezen op een ingrijpend
                                    aangepaste woning (aanpassingskosten meer dan € 5.000,--);</al><al> 3. woongroepen;</al><al> 4. personen die verblijven in een
                                    blijf-van-mijn-lijf-huis;</al><al> 5. personen die in aanmerking komen voor bijzondere woonvormen,
                                    zoals begeleid wonen voor mensen met een verstandelijke- en
                                    lichamelijke beperking, voor ex-gedetineerden, voor (ex-)
                                    psychiatrisch patiënten en dergelijke.</al><al> 3. a. Binnen 1 week nadat de eigenaar het ter beschikking komen
                                    van de woonruimte heeft gemeld of anderszins is gebleken dat de
                                    woonruimte ter beschikking is gekomen, zenden burgemeester en
                                    wethouders een voordracht van ten hoogste 3 woningzoekenden, of
                                    berichten zij aan de eigenaar dat geen voordracht zal worden
                                    gedaan. Van de voordracht worden de desbetreffende
                                    woningzoekenden door burgemeester en wethouders schriftelijk in
                                    kennis gesteld.</al><al> b. Binnen 2 weken na ontvangst van de voordracht dient de
                                    eigenaar de woningzoekende(n) te benaderen en burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk te berichten of met (één van) de
                                    voorgedragen woningzoekende(n) een huurovereenkomst afgesloten
                                    zal worden. Indien de eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n)
                                    weigert, dient hij de reden daarvan aan burgemeester en
                                    wethouders te berichten. Burgemeester en wethouders stellen de
                                    voorgedragen woningzoekende(n) hiervan in kennis en geven
                                    daarbij aan wat het vervolg van de procedure zal zijn. Indien de
                                    voorgedragen woningzoekende(n) de woonruimte weigert (weigeren),
                                    dient (dienen) hij (zij) de reden daarvan schriftelijk aan
                                    burgemeester en wethouders te berichten.</al><al> 4. Indien de voorgedragen woningzoekende(n) de woonruimte
                                    weigert (weigeren), of de eigenaar de voorgedragen
                                    woningzoekende(n) om naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders gegronde redenen weigert, kan een tweede voordracht
                                    worden gedaan binnen 2 weken nadat burgemeester en wethouders
                                    van de weigering in kennis zijn gesteld.</al><al> 5. Voorgedragen woningzoekenden worden geacht geweigerd te
                                    hebben, indien zij niet binnen 1 week nadat zij van de
                                    voordracht in kennis zijn gesteld aan de eigenaar of aan
                                    burgemeester en wethouders hebben laten weten dat zij de
                                    aangeboden woonruimte accepteren.</al><al> 6. Indien de eigenaar niet binnen de gestelde termijn een
                                    bericht als bedoeld in lid 3, sub b. heeft gezonden of als hij
                                    de voorgedragen woningzoekende(n) zonder naar het oordeel van
                                    burgemeester en wethouders gegronde reden weigert, kunnen
                                    burgemeester en wethouders overeenkomstig hoofdstuk IV van de
                                    wet tot vordering van de woonruimte overgaan.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Aanbieding van woonruimte</titel></kop><al> 1. Burgemeester en wethouders bieden de voor verhuur ter
                                    beschikking gekomen woonruimte per advertentie aan in, in de
                                    gehele regio Alkmaar toegankelijke, media.</al><al> 2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde vindt geen
                                    aanbieding plaats van woonruimte waarvoor door burgemeester en
                                    wethouders op grond van artikel 2.6.3 een voordracht is gedaan
                                    en die dientengevolge is of zal worden toegewezen aan een door
                                    burgemeester en wethouders aangegeven woningzoekende.</al><al> 3. De in het eerste lid bedoelde advertentie vermeldt in ieder
                                    geval de normen die op grond van paragraaf 2.4 (passendheid) op
                                    de ter beschikking gekomen woonruimte betrekking hebben.</al><al> 4. Woningzoekenden maken hun belangstelling voor aangeboden
                                    woonruimte kenbaar aan burgemeester en wethouders op de wijze
                                    zoals vermeld in de in het eerste lid bedoelde media.</al><al> 5. Indien meerdere gegadigden zich naar aanleiding van het in
                                    lid 1 en lid 4 genoemde bij de gemeente melden, hanteren
                                    burgemeester en wethouders bij de keuze uit gegadigden het
                                    uitvoeringsvoorschrift volgordebepaling als bedoeld in artikel
                                    2.5.1, lid 1.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><structuurtekst><tussenkop> Paragraaf 2.7 Organisatie en bevoegdheden</tussenkop></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Register van woningzoekenden</titel></kop><al> 1. Burgemeester en Wethouders houden een register van
                                    woningzoekenden bij.</al><al> 2. In dit register worden alle huishoudens die daarom verzoeken
                                    als woningzoekenden ingeschreven . Burgemeester en Wethouders
                                    kunnen hieromtrent nadere regels stellen.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Verzoek om inschrijving</titel></kop><al> Het verzoek om als woningzoekende te worden ingeschreven in het
                                    in het vorige artikel bedoelde register wordt gericht aan
                                    Burgemeester en Wethouders op een door hen aangegeven
                                    wijze.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Vereisten voor inschrijving</titel></kop><al> Om ingeschreven te kunnen worden moet de woningzoekende aan de
                                    volgende vereisten voldoen:</al><al> a. de woningzoekende moet voldoen aan het gestelde paragraaf
                                    2.3 (toelating tot regionale woningmarkt).</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Bewijs van inschrijving</titel></kop><al> 1. Burgemeester en Wethouders verstrekken aan de in het
                                    register ingeschreven woningzoekenden een bewijs van
                                    inschrijving.</al><al> 2. Het bewijs van inschrijving blijft, behoudens het in het
                                    derde en vierde lid gestelde, één jaar geldig.</al><al> 3. De inschrijving in het register van woningzoekenden kan
                                    telkens met een periode van één jaar verlengd worden.</al><al> 4. Burgemeester en Wethouders halen een inschrijving door,
                                    indien:</al><al> a. de woningzoekende een woning van een woningcorporatie in de
                                    regio Alkmaar accepteert, dit geldt niet voor woningtoewijzing
                                    bij woningen waarvoor behoud inschrijftijd geldt;</al><al> b. de woningzoekende niet meer aan de vereisten voor
                                    inschrijving voldoet;</al><al> c. de woningzoekende daarom schriftelijk of per e-mail
                                    verzoekt;</al><al> d. de woningzoekende bij de inschrijving onjuiste gegevens
                                    heeft verstrekt.</al><al> e. De woningzoekende niet tijdig de door of namens Burgemeester
                                    en wethouders vastgestelde inschrijvings- of verlengingsbijdrage
                                    heeft betaald.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al> Eigenaren van woonruimten die zelf een registratie van
                                    woningzoekenden bijhouden zijn desgevraagd verplicht de
                                    informatie waarover zij in dat verband beschikken aan
                                    Burgemeester en Wethouders te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Overeenkomsten</titel></kop><al> 1. Burgemeester en wethouders kunnen met eigenaren
                                    overeenkomsten sluiten over het in gebruik geven van woonruimte,
                                    welke overeenkomsten voor het bezit van deze eigenaren in de
                                    plaats treden van delen van hoofdstuk 2 van deze
                                    verordening.</al><al> 2. De overeenkomsten dienen een evenwichtige en rechtvaardige
                                    verdeling van woonruimte te bevorderen.</al><al> 3. Burgemeester en wethouders zijn verplicht de raad dan wel de
                                    raadscommissie van de overeenkomsten in kennis te stellen.</al><al> 4. De inhoud van de overeenkomsten wordt in ruime mate bekend
                                    gemaakt aan de inwoners van de gemeente en aan andere
                                    belanghebbenden.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Mandatering</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van
                                    bevoegdheden krachtens dit hoofdstuk, voorzover deze de
                                    uitvoering van de woonruimteverdeling betreffen, te mandateren
                                    aan eigenaren van woonruimte.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Toewijzing standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al> Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op
                                huurstandplaatsen van woonwagens, waarbij de huurstandplaats een
                                huurprijs heeft beneden de huurprijsgrens.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al> Het is verboden zonder huisvestingsvergunning van het college van
                                burgemeester en wethouders een standplaats in gebruik te nemen of te
                                geven voor bewoning</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Aanvragen van een vergunning</titel></kop><al> 1. Degene die in de gemeente een standplaats wil innemen met een
                                woonwagen, dient hiervoor een schriftelijke aanvraag in op een door
                                het college van burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al><al> 2. De aanvrager verstrekt bij het indienen van de aanvraag aan
                                burgemeester en wethouders de volgende gegevens:</al><al> a. de naam, burgerlijke staat en personalia van de aanvrager en van
                                de eventueel tot het huishouden behorende personen;</al><al> b. het adres van herkomst;</al><al> c. het adres, met aanduiding van huisnummer, van de locatie waar de
                                aanvrager standplaats wenst in te nemen.</al><al> 3. Het verlenen van een huisvestingsvergunning kan ook ambtshalve
                                plaatsvinden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Voorwaarde voor inschrijving</titel></kop><al> 1. Het college van burgemeester en wethouders gaat over tot
                                inschrijving op de in artikel 3.5 of 3.6 genoemde lijst indien:</al><al> a. de aanvrager 18 jaar of ouder en een verblijfstatus heeft zoals
                                bedoeld in artikel 2.3.2, en</al><al> b. een aanvraagformulier volledig is ingevuld.</al><al> 2. Als datum van inschrijving geldt de datum van ontvangst van het
                                aanvraagformulier.</al><al> 3. Aan de aanvrager wordt zo spoedig mogelijk een
                                inschrijvingsbewijs verstrekt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Wachtlijst</titel></kop><al> 1. Het college van burgemeester en wethouders stelt een wachtlijst
                                vast van kandidaten die voor een standplaats in aanmerking wensen te
                                komen.</al><al> 2. Kandidaten kunnen zich laten inschrijven op de wachtlijst indien
                                is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.4.</al><al> 3. Inschrijving als standplaatszoekende op de wachtlijst kan ook
                                ambtshalve plaatsvinden.</al><al> 4. De wachtlijst vermeldt de namen van de kandidaten in volgorde
                                van inschrijving.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Voorrangslijst</titel></kop><al> 1. Als kandidaten die in aanmerking komen voor de in artikel 3.5
                                genoemde wachtlijst kunnen aantonen dat zij tevens voor 1 maart 1999
                                legaal in een woonwagen op een standplaats woonden of hebben
                                gewoond, wordt hun naam vermeld op een voorrangslijst.</al><al> 2. De voorrangslijst vermeldt de namen van de kandidaten in de
                                volgorde van de inschrijving</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Vervallen van de inschrijving</titel></kop><al> De inschrijving als gegadigde voor een standplaats van een
                                woonwagen vervalt:</al><al> a. Indien de ingeschrevene andere woonruimte – zoals een andere
                                standplaats, een woning of een ligplaats – wordt toegewezen en hij
                                deze woonruimte heeft geaccepteerd;</al><al> b. bij overlijden van de ingeschrevene.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Toewijzing</titel></kop><al> 1. Het college van burgemeester en wethouders wijst alleen dan een
                                standplaats toe indien de aanvrager staat ingeschreven op de in
                                artikel 3.5 of 3.6 genoemde lijst.</al><al> 2. De standplaats wordt toegewezen aan een aanvrager wiens naam
                                bovenaan de lijst staat, met dien verstande dat gegadigden op de in
                                artikel 3.6 bedoelde voorrangslijst voorgaan boven de gegadigden op
                                de in artikel 3.5 genoemde wachtlijst.</al><al> 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, wordt bij de
                                toewijzing van de standplaats voorrang verleend aan aanvragers die
                                voor 1 maart 1999 in een woonwagen wonen of hebben gewoond in de
                                regio Alkmaar.</al><al> 4. Bij de toepassing van het gestelde in lid 3 bepaalt het college
                                van burgemeester en wethouders de onderlinge
                                prioriteitsvolgorde.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Verlenen van de vergunning</titel></kop><al> Een huisvestingsvergunning wordt verleend voor een onbepaalde
                                periode, is persoonsgebonden en niet overdraagbaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al> Het college van burgemeester en wethouders kan de
                                huisvestingsvergunning intrekken indien:</al><al> 1. de standplaats niet binnen een termijn van vier weken na de
                                bekendmaking van het besluit tot verlening van de vergunning wordt
                                ingenomen. Indien de termijn is verlengd en de standplaats nog niet
                                is ingenomen, kan de vergunning na afloop van de termijn van de
                                verlenging worden ingetrokken of</al><al> 2. de vergunninghouder binnen twee weken na de bekendmaking
                                schriftelijk te kennen heeft gegeven hiervan geen gebruik te maken
                                of</al><al> 3. gebleken is van onjuistheid van de door de aanvrager bij de
                                inschrijving verstrekte gegevens of</al><al> 4. de vergunninghouder in strijd handelt met de bepalingen van deze
                                verordening.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Wijziging van de samenstelling van de woonruimtevoorraad
                                (geschrapt)</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Verdere bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de
                                toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere
                                hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al> Hij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 2.2.1, 2.6.1,
                                2.6.2, 4.1.2 of 4.2.2 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
                                vier maanden of geldboete van de derde categorie. De genoemde
                                strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Handhaving</titel></kop><al> 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en
                                wethouders aangewezen ambtenaren.</al><al> 2. Met de opsporing van de bij artikel 5.2 strafbaar gestelde
                                feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van
                                Strafvordering en de in artikel 75 van de wet aangewezen ambtenaren
                                belast de in het eerste lid genoemde ambtenaren, voor zover zij door
                                de minister van justitie daartoe zijn aangewezen.</al><al> 3. De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheden
                                als genoemd in artikel 76, 77 en 78 van de wet.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Restbepaling</titel></kop><al> In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen
                                burgemeester en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend zullen
                                laten leiden door overwegingen betrekking hebbende op de
                                evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse
                                woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Overleg bij wijziging</titel></kop><al> Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze
                                verordening plegen burgemeester en wethouders overleg met de in de
                                gemeente werkzame, ingevolge artikel 70, eerste lid, of artikel 72,
                                eerste lid, van de Woningwet (Stbl. 1991, 439) toegelaten
                                instellingen en met andere daarvoor naar hun oordeel in aanmerking
                                komende organisaties die binnen de gemeente op het gebied van de
                                woonruimteverdeling werkzaam zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al> 1. Overtreding van artikel 7, lid 1 van de Huisvestingswet kan
                                worden beboet met een bestuurlijke boete van € 340,--.</al><al> 2. Overtreding van artikel 7, lid 2 van de Huisvestingswet kan
                                worden beboet met een bestuurlijke boete van € 18.500,--.</al><al> 3. Overtreding van artikel 30, lid 1 sub a van de Huisvestingswet
                                kan worden beboet met een bestuurlijke boete van € 18.500,--.</al><al> 4. Overtreding van artikel 30, lid 1 sub b van de Huisvestingswet
                                kan worden beboet met een bestuurlijke boete van € 18.500,--.</al><al> 5. Overtreding van artikel 30, lid 1 sub c van de Huisvestingswet
                                kan worden beboet met een bestuurlijke boete van € 18.500,--.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr/><titel/></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al> Aanvragen om verlening van een, met een vergunning volgens deze
                                verordening gelijkgestelde vergunning welke zijn ingediend</al><al> a. vóór of op de dag van inwerkingtreding van deze verordening
                                of</al><al> b. vóór of op de dag van inwerkingtreding van wijzigingen in deze
                                verordening worden behandeld volgens het voordien geldende recht,
                                indien dit voor de betrokkene gunstiger is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als Huisvestingsverordening
                                Langedijk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> De Huisvestingsverordening Langedijk 2007 wordt ingetrokken.</al><al> 2. Deze Huisvestingsverordening Langedijk (2011) treedt in werking
                                met ingang van de dag na bekendmaking.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld door de raad van de</ondertekening><ondertekening> gemeente Langedijk in zijn openbare</ondertekening><ondertekening> vergadering van 20 december 2011. De voorzitter, </ondertekening><ondertekening> drs. J.F.N. Cornelisse De griffier, </ondertekening><ondertekening> J. van den Bogaerde</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Passendheidsregels</titel></kop><al/><al> I. Verhouding inkomen – huur</al><al> Om te bepalen of het inkomen van het huishouden in een redelijke verhouding
                    staat tot de huurprijs of koopprijs van de woonruimte (art. 2.4.1, lid 1)
                    hanteren burgemeester en wethouders de volgende tabellen: Voor huurwoningen:
                    Rekenhuur Bruto jaarinkomen voor huishoudens</al><al> Tot € 699,48 Tot € 34.678,- </al><al> Jaarlijks geldt voor maximaal 10% van de per corporatie vrijgekomen sociale
                    huurwoningen de volgende tabel: Rekenhuur Bruto jaarinkomen voor
                    huishoudens</al><al> Tot € 699,48 Tot € 38.500,- Voor nieuw te bouwen koopwoningen: Koopprijs Bruto
                    jaarinkomen voor huishoudens</al><al> Tot € 174.925,- Tot € 48.500,- 1</al><al> Vanaf € 174.925,- Geen inkomenseis </al><al> Toelichting:</al><al> Huishoudens met een bruto jaarinkomen boven de € 48.500,- komen alleen in
                    aanmerking voor koopwoningen boven de € 174.925,- 2.</al><al> Huishoudens met een bruto jaarinkomen onder de € 48.500,- komen in principe in
                    aanmerking voor alle koopwoningen. </al><al> 1 Dit is de inkomensgrens die hoort bij een categorie 1 koopwoning, opgehoogd
                    met 13%.</al><al> 2 De koopprijsgrens is de maximale koopsom uit de Wet Bevordering Eigen
                    Woningbezit (prijspeil 1 januari 2014). Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties past deze grens jaarlijks aan op 1 januari. </al><al> II. Bezettingsnorm</al><al> Om te bepalen of de omvang van het huishouden past bij het aantal kamers van de
                    woonruimte</al><al> (artikel 2.4.2) hanteren burgemeester en wethouders de volgende regels:</al><al> a. Eénpersoonshuishoudens komen niet in aanmerking voor eengezinswoningen van 4
                    kamers of meer en voor appartementen van 5 kamers of meer;</al><al> b. In afwijking van het gestelde onder a. kan een huishouden waaraan een
                    stadsvernieuwingsurgentie is toegekend en waarvan de samenstelling niet wijzigt,
                    aanspraak maken op woonruimte met eenzelfde aantal kamers als de te slopen of te
                    renoveren woning.</al><al> Tabel 3.1: Samenvatting van de categorieën en prijsklassen woningen</al><al> Huur Koop Bij nieuwbouw Regionaal minimaal</al><al> 1 €556,82 (2014)</al><al> 1e aftoppingsgrens</al><al> Wet op de huurtoeslag</al><al> was €535,91 (2013) €174.925 (2014)</al><al> Koopprijsgrens</al><al> Wet bevordering Eigen Woningbezit</al><al> was €172.750 (2013) 30%</al><al> 2 €699,48 (2014)</al><al> maximale huurtoeslaggrens</al><al> Wet op de huurtoeslag</al><al> was €681,02 (2013) €174.925 - €225.000</al><al> 3 &gt;€699,48 (2014)</al><al> Vrije sector huur €225.000- €325.000</al><al> 4 &gt;€325.000</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Systeem van volgordebepaling</titel></kop><al> UITVOERINGSVOORSCHRIFT VOLGORDEBEPALING Om te bepalen in welke volgorde
                    woningzoekenden voor ter beschikking gekomen woonruimte in aanmerking komen
                    (art. 2.5.1) hanteren burgemeester en wethouders de volgende regels: I. Het
                    systeem van volgordebepaling</al><al> Voor de volgordebepaling worden uitsluitend de woningzoekende huishoudens voor
                    huurwoningen in aanmerking genomen die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt
                    op grond van art. 2.6.4 en die voldoen aan de passendheidscriteria (paragraaf
                    2.4). Inschrijfduur kan alleen opgebouwd worden vanaf de leeftijd van 18 jaar.
                    De volgordebepaling vindt als volgt plaats: Bepaling toewijzingscategorie voor
                    huurwoningen</al><al> Allereerst wordt bepaald tot welke categorie de woningzoekende behoort: a.
                    huishoudens die op grond van artikel 2.6.3 op bemiddeling zijn aangewezen;</al><al> b. huishoudens die op grond van artikel 2.5.2 voorrang krijgen bij de
                    toewijzing van een bepaald soort woonruimte;</al><al> c. woningzoekenden van de regio;</al><al> d. vestigers. Nadere volgordebepaling</al><al> Huishoudens uit categorie a. gaan voor op huishoudens uit categorie b., die op
                    hun beurt weer voorgaan op woningzoekenden uit categorie c. en die gaan weer
                    voor op woningzoekenden uit categorie d. Voor de huishoudens uit categorie a.
                    bepalen burgemeester en wethouders wie voor de woning in aanmerking komt. Voor
                    huishoudens uit categorie b. is de datum van de urgentieverklaring van belang.
                    Degene met de oudste urgentieverklaring gaat voor. Als de urgentieverklaring op
                    dezelfde datum is afgegeven, dan gaat degene met de oudste aanvraagdatum voor.
                    Binnen de eigen gemeente gaan stads- of dorpsvernieuwingsurgenten voor op de
                    andere urgenten. Als van categorie c. en d. meerdere woningzoekenden uit
                    eenzelfde categorie reageren, bepaalt de tijd die men als woningzoekende staat
                    ingeschreven wie voor de woning in aanmerking komt. Degene met de langste
                    inschrijftijd gaat voor.</al><al> Als na toepassing van de volgordebepalingen er gelijkwaardige huishoudens
                    blijken te zijn, wordt de volgorde voor deze huishoudens bepaald door loting.
                    Bepaling toewijzingscategorie voor nieuwbouwkoopwoningen</al><al> Allereerst wordt bepaald tot welke categorie de woningzoekende behoort: a.
                    woningzoekenden van de regio met een inkomen tot € 43.050 (prijspeil januari
                    2014);</al><al> b. woningzoekenden van de regio met een inkomen tot € 48.500 (prijspeil januari
                    2014);</al><al> c. overige woningzoekenden met een inkomen tot € 48.500 (prijspeil januari
                    2014). Nadere volgordebepaling</al><al> Woningzoekenden uit categorie a. gaan voor op woningzoekenden uit categorie b.,
                    die op hun beurt weer voorgaan op woningzoekenden uit categorie c.</al><al> Als na toepassing van de volgordebepalingen er gelijkwaardige woningzoekenden
                    blijken te zijn, wordt de volgorde voor deze woningzoekenden bepaald door
                    loting. </al><al> II. Relatie type huishouden – type woning en de gevolgen voor de
                    volgordebepaling</al><al> Bepaalde typen woningen zijn bijzonder geschikt voor bepaalde typen
                    huishoudens. Wanneer deze woningen voor verhuur ter beschikking komen, komt dat
                    bepaalde type huishouden het eerst voor die woning in aanmerking. Uitsluitend de
                    hieronder vermelde regels mogen worden toegepast:</al><al> a. Woningen met zorgteam</al><al> 1. Voorrang aan kandidaten met een zorgindicatie ‘Verpleging’ of ‘Persoonlijke
                    Verzorging’, afgegeven voor een periode van minimaal 1 jaar. Deze zorgindicaties
                    worden verstrekt door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Ook jong
                    gehandicapten kunnen tot deze groep behoren.</al><al> 2. Voorrang aan kandidaten met een zorgindicatie ‘Huishoudelijke Verzorging’,
                    afgegeven voor een periode van minimaal 1 jaar. Deze zorgindicatie wordt
                    verstrekt door de gemeente in het kader van de WMO.</al><al> 3. Voorrang aan kandidaten van 75 jaar en ouder.</al><al> 4. Overige kandidaten niet passend. b. Beschut wonen</al><al> 1. Voorrang aan kandidaten met een zorgindicatie ’Huishoudelijke verzorging’ of
                    ‘Verpleging’ of ‘Persoonlijke Verzorging’, afgegeven voor een periode van
                    minimaal 1 jaar.</al><al> 2. Voorrang aan kandidaten van 75 jaar en ouder.</al><al> 3. Overigen. c. Woningen met 5 kamers of meer, waarbij de kleinste slaapkamer
                    minimaal 6 m2 is, worden met voorrang toegewezen aan woningzoekende huishoudens
                    van 5 personen of meer uit de regio. Daarna aan huishoudens met 4 personen uit
                    de regio. Daarna aan huishoudens met 3 personen uit de regio. Daarna aan
                    huishoudens van vestigers met 5 personen of meer. Daarna aan huishoudens van
                    vestigers met 4 personen. Daarna aan huishoudens van vestigers met 3 personen.
                    Binnen de groepen gaat het huishouden met de langste inschrijftijd voor.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Urgentiebepaling</titel></kop><al> 1. Inleiding Op grond van artikel 2.5.4 lid 3 van de huisvestingsverordening is
                    het college van burgemeester en wethouders bevoegd om regels vast te stellen met
                    betrekking tot de uitvoering van de urgentieregeling. Deze regels zijn bedoeld
                    om uiteen te zetten op welke wijze de criteria zoals deze zijn geformuleerd in
                    artikel 2.5.4 lid 1 van de huisvestingsverordening geïnterpreteerd moeten
                    worden. Een aanvraag wordt getoetst in 2 stappen. Eerst wordt getoetst of
                    voldaan wordt aan de gestelde randvoorwaarden. Als aan alle randvoorwaarden is
                    voldaan wordt er getoetst op de aanvullende beoordelingscriteria. Om in
                    aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring moet in volgorde getoetst
                    worden aan vijf criteria/randvoorwaarden: a. Beschikken of hebben beschikt in de
                    12 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag urgentie over zelfstandige
                    woonruimte; b. Binding aan de regio; c. Buiten eigen schuld; d. Zelfredzaamheid
                    en e. Noodsituatie.</al><al> Dit betekent dat wanneer iemand al niet voldoet aan criterium a. op de vier
                    daaropvolgende criteria b, c, d en e in principe niet meer getoetst hoeft te
                    worden. Er zal echter ook op de overige criteria getoetst worden; welke toetsing
                    betrokken wordt bij de argumentatie voor de toekenning of afwijzing van de
                    aanvraag voor een urgentieverklaring.</al><al> Pas als iemand aan alle vijf criteria/randvoorwaarden voldoet, wordt er
                    vervolgens getoetst op de aanvullende beoordelingscriteria: dreigende
                    onvrijwillige dakloosheid door stads- of dorpsvernieuwing; medische urgentie;
                    sociale urgentie; stadsvernieuwingsurgentie.</al><al> Het resultaat van deze toets is de conclusie / de rapportage en advies dat
                    voorgelegd wordt aan de Regionale Urgentiecommissie.</al><al/><al> 2. Randvoorwaarden Randvoorwaarden zijn beoordelingscriteria waaraan een
                    woningzoekende in ieder geval moet voldoen om voor een urgentieverklaring in
                    aanmerking te komen. Burgemeester en wethouders verlenen een urgentieverklaring
                    slechts aan woningzoekenden die over zelfstandige woonruimte beschikken of
                    hebben beschikt in de 12 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag urgentie
                    met een binding aan de regio die buiten eigen schuld in een zodanige
                    noodsituatie verkeren dat verhuizen op zeer korte termijn noodzakelijk is en die
                    aannemelijk kunnen maken niet in staat te zijn binnen deze termijn andere,
                    gezien het probleem, geschikte woonruimte te vinden. In één zin wordt hier de
                    definitie van een urgentie gegeven. Vijf belangrijke criteria vormen de kern van
                    deze bepaling. Ze worden als volgt uitgewerkt: a. Beschikken of hebben beschikt
                    in de 12 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag urgentie over
                    zelfstandige woonruimte</al><al> Een woningzoekende komt alleen in aanmerking voor een urgentie als hij over
                    zelfstandige woonruimte beschikt of heeft beschikt in de 12 maanden voorafgaand
                    aan de datum van aanvraag urgentie. Voor een ingezetene betekent dit dat hij
                    over zelfstandige woonruimte in de regio moet beschikken of hebben beschikt in
                    de 12 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag urgentie. Voor
                    woningzoekenden met een maatschappelijke binding betekent het dat hij over
                    zelfstandige woonruimte in Nederland moet beschikken of hebben beschikt in de 12
                    maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag urgentie in Nederland.
                    Woningzoekenden met een economische binding komen in ieder geval niet in
                    aanmerking voor een urgentie.</al><al> b. Binding aan de regio</al><al> De volgende personen of huishoudens komen in aanmerking voor het aanvragen van
                    een urgentie:</al><al> • Ingezetenen van de regio die langer dan 1 jaar in het GBA van één of meer van
                    de gemeenten in de regio Alkmaar staan ingeschreven, en;</al><al> • Maatschappelijk gebondenen aan de regio, en;</al><al> • Woningzoekenden die in de positie verkeren als aangegeven in artikel 13c, lid
                    1 van de wet. D.w.z. woningzoekenden die het ontbreken van binding niet mag
                    worden tegengeworpen; hieronder vallen in ieder geval: langdurig werklozen,
                    arbeidsongeschikten, gepensioneerden, remigranten, toegelaten vluchtelingen,
                    woningzoekenden die niet beschikken over woonruimte t.g.v. echtscheiding of een
                    procedure tot echtscheiding. Vestigers, economisch gebondenen en
                    personen/huishoudens die nog geen jaar in het GBA van één of meer van de
                    gemeenten in de regio Alkmaar staan ingeschreven kunnen wel reageren op het
                    aanbod van woningen, maar kunnen niet voor een urgentieverklaring in aanmerking
                    komen. c. Buiten eigen schuld</al><al> De noodsituatie moet buiten de schuld van betrokkene zijn ontstaan en deze kan
                    niet verantwoordelijk gesteld worden voor het ontstaan ervan. Eigen
                    verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de noodsituatie kan zowel uit een
                    handelen als een nalaten voortvloeien. De noodsituatie was voor betrokkenen niet
                    te voorzien ofwel betrokkene was niet in staat tijdig maatregelen te nemen om de
                    noodsituatie te voorkomen. Verder was de woningzoekende niet in staat daarop te
                    anticiperen. In zeer bijzondere situaties kan de toepassing van de regel ‘buiten
                    eigen schuld’ niet gerechtvaardigd zijn. d. Zelfredzaamheid</al><al> De woningzoekende wordt zelfredzaam geacht als men de mogelijkheden heeft om
                    binnen de termijn van een half jaar woonruimte te vinden in de regio Alkmaar. De
                    betrokkene heeft eerst zelf naar een oplossing van het probleem gezocht,
                    alvorens urgentie aan te vragen. Andere oplossingen kunnen zijn: een kamer
                    huren, inwoning bij derden, sociaal pension, crisisopvang, een woning kopen,
                    particuliere huur, etc. De randvoorwaarde zelfredzaamheid is niet van toepassing
                    op huishoudens die op grond van het aanvullende beoordelingscriterium
                    stadsvernieuwing voor urgentie in aanmerking komen. e. Noodsituatie</al><al> Er moet een absolute noodzaak zijn om binnen een half jaar te verhuizen en het
                    probleem kan niet op eigen kracht of binnen die periode opgelost worden. Er
                    dient een directe relatie te bestaan tussen probleem en woonsituatie. De huidige
                    woning is niet geschikt (te maken) om het probleem op te lossen. Een (andere)
                    woning in de regio Alkmaar is binnen een half jaar absoluut vereist. </al><al> 3. Aanvullende beoordelingscriteria Naast de randvoorwaarden zijn er
                    aanvullende beoordelingscriteria waar de urgentieaanvragen op getoetst worden.
                    Er moet namelijk aantoonbaar sprake zijn van een medische of sociale noodzaak of
                    er is sprake van dreigende onvrijwillige dakloosheid door stads- of
                    dorpsvernieuwing. 3.1 Dreigende onvrijwillige dakloosheid door stads- of
                    dorpsvernieuwing</al><al> Als huishoudens het dak boven hun hoofd kwijtraken als gevolg van sloop vanwege
                    stads- of dorpsvernieuwing kan er een urgentie worden verstrekt. Stads- of
                    dorpsvernieuwingsurgenten kunnen alleen reageren in de eigen gemeente en gaan
                    daarbij voor op de andere urgenten. De gemeente kan ervoor kiezen een apart
                    zoekprofiel voor deze urgenten op te stellen. De passendheidseis inkomen uit
                    bijlage 1 van deze verordening geldt niet voor stads- en
                    dorpsvernieuwingsurgenten 3.2 Medische Urgentie</al><al> Een medische urgentie kan verstrekt worden, wanneer men te maken heeft met
                    woonomstandigheden die de medische situatie onhoudbaar maken. De situatie wordt
                    als onhoudbaar beschouwd in de volgende gevallen:</al><al> • als de bruikbaarheid of toegankelijkheid van de woning door ziekte of door
                    een lichamelijke of verstandelijke beperking ernstig wordt belemmerd
                    (ergonomische belemmeringen).</al><al> • als de huidige woonsituatie ernstige schade veroorzaakt aan de
                    gezondheid.</al><al> Voor een medisch urgenten dient een advies gevraagd te worden van een
                    aangewezen medische deskundige. De passendheidseis inkomen uit bijlage 1 van
                    deze verordening geldt niet voor medisch urgenten. Daarnaast wordt aan medisch
                    urgenten een zoekprofiel meegegeven, bijvoorbeeld waarin staat dat de medische
                    urgentie alleen geldt voor gelijkvloerse woningen. 3.3 Sociale Urgentie</al><al> Alleen in zeer uitzonderlijke situaties waarbij sprake is van ernstige
                    psychiatrische en/of psycho-sociale problematiek in relatie met de zelfstandige
                    woonomstandigheden kan een beroep gedaan worden op een medisch/sociale
                    urgentie.</al><al> Daarbij moet aannemelijk gemaakt worden dat medicatie/therapie in de afgelopen
                    6 maanden niet tot verbetering/oplossing van de problematiek heeft geleid en een
                    andere zelfstandige woonsituatie een oplossing biedt voor de ernstige
                    psychiatrische en/of psychosociale problemen.</al><al> Het is onmogelijk om alle omstandigheden, die tot een sociale urgentie kunnen
                    leiden, te formuleren. Het zijn vaak heel persoonlijke en unieke omstandigheden.
                    De aanvragen worden behandeld door een regionale urgentiecommissie, zodat een
                    consistente beoordeling van de aanvragen gewaarborgd is. In een aantal situaties
                    is het echter wel mogelijk om vooraf duidelijkheid te geven of een urgentie
                    verleend wordt. De volgende situaties zijn op zichzelf staand onvoldoende
                    ernstig om urgentie te rechtvaardigen. Een combinatie van deze situaties kan
                    echter wel tot een dusdanige uitzonderlijke situatie leiden dat deze toch voor
                    urgentie in aanmerking komt. Om een goede afweging te kunnen maken van de
                    individuele omstandigheden van de aanvrager, moet de aanvraag altijd getoetst
                    worden aan de randvoorwaarden en aanvullende criteria in dit
                    uitvoeringsvoorschrift. </al><al> De situaties waarin in beginsel geen urgentie wordt verstrekt, zijn: Problemen
                    met de woning:</al><al> • Ruimtegebrek, wonend in een te kleine woning;</al><al> • Slecht onderhouden woning.</al><al> • Problemen met tuinonderhoud, het huishouden, en het onderhoud van de woning
                    vanwege slechte gezondheid.</al><al> • Vrijwillige verkoop van de eigen woning.</al><al> • Huuropzegging door verhuurder.</al><al> • Onderhuur of een tijdelijk huurcontract. Problemen met de woonomgeving:</al><al> • Conflict met de buren.</al><al> • Lawaaioverlast van de directe omgeving.</al><al> • Achteruitgang van de buurt. Gezinsproblemen:</al><al> • Inwonend met of zonder kinderen.</al><al> • Zwangerschap.</al><al> • Echtscheiding/relatieverbreking met of zonder kinderen.</al><al> • Slechte ouder-kind relatie.</al><al> • Wanneer men de partner (eventueel met kinderen) vanuit het buitenland wil
                    laten overkomen. Overige problemen:</al><al> • Geen eigen woning of dakloos.</al><al> • Werk in de regio aanvaard.</al><al> • Vanuit het buitenland teruggekeerd.</al><al> • Wanneer men reeds gedurende een lange periode op woonruimte wacht.</al><al> • Financiële problemen.</al><al> • Het verlenen of ontvangen van mantelzorg. Met mantelzorg wordt de hulp van
                    niet-professionele instanties bedoeld. Bovenstaande situaties zijn niet
                    limitatief omschreven. Het niet genoemd staan van een situatie in bovenstaande
                    lijst leidt niet automatische toekenning van een urgentieverklaring. De
                    bovenstaande lijst is niet van toepassing op huishoudens die op grond van
                    stadsvernieuwing in aanmerking komen voor een urgentie. </al><al> 4. Samenstelling van de Regionale Urgentiecommissie Het hierna volgende onder
                    punt 4 bepaalde is niet van toepassing op huishoudens die op grond van
                    stadsvernieuwing in aanmerking komen voor een urgentie. De Regionale
                    Urgentiecommissie bestaat tenminste uit vier leden: een onafhankelijk
                    voorzitter, een adviseur uit het maatschappelijke werk en afgevaardigden op
                    voordracht van gemeenten en corporaties in de Regio Alkmaar. De administratieve
                    ondersteuning van de Commissie wordt verzorgd door een secretaris. Voor alle
                    leden dienen plaatsvervangende leden te worden benoemd. De leden mogen niet
                    zijn: - medewerkers van gemeenten of corporaties die belast zijn met het
                    opstellen van pré-adviezen;</al><al> - wethouders of burgemeesters van de regiogemeenten;</al><al> - artsen of andere specialisten die beoordelingen uitbrengen over
                    urgentie-aanvragers. Voor de benoeming van de leden wordt een voordracht gedaan
                    door het regionaal bestuurlijk overleg wonen in de regio Alkmaar. Om praktische
                    redenen vindt de daadwerkelijke benoeming plaats door burgemeester en wethouders
                    van de gemeente Alkmaar. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar
                    en kunnen een keer herbenoemd worden Het lidmaatschap van de Commissie eindigt
                    wanneer een lid van functie verandert of door schriftelijke opzegging van een
                    lid. Binnen drie maanden wordt de functie weer opgevuld. Gedurende die periode
                    wordt de vacante plaats vervuld door de plaatsvervanger. </al><al> 5. Werkwijze van de Regionale Urgentiecommissie De vergaderingen van de
                    Commissie vinden conform een jaarlijks te plannen vergaderschema plaats, waarbij
                    uitgegaan wordt van de frequentie 1 keer per 2 weken. De vergaderstukken worden,
                    spoedeisende gevallen uitgezonderd, tenminste één week voor aanvang van de
                    vergadering bij de leden bezorgd. De vergaderingen zijn niet openbaar. De
                    Commissie is bevoegd andere deskundigen voor de vergadering uit te nodigen. Bij
                    het staken van de stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Voor het
                    houden van vergaderingen van de Commissie is vereist dat in ieder geval de
                    voorzitter en 2 overige leden aanwezig zijn. De leden van de Commissie zijn
                    verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun bij het verrichten van hun taak
                    bekend is geworden met betrekking tot de aanvrager. De gegevens die met
                    betrekking tot een verzoek om toekenning van een urgentie bekend zijn geworden,
                    worden geregistreerd. De Regionale Urgentiecommissie: • beoordeelt of de
                    aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor urgentie die zijn vermeld in dit
                    uitvoeringsvoorschrift urgentiebepaling, aan de hand van de aanvraag en het
                    pré-advies;</al><al> • beziet of er vergelijkbare aanvragen zijn geweest en hoe daarop is
                    beslist;</al><al> • geeft op basis van deze twee afwegingen advies aan het betreffende college
                    van burgemeester en wethouders over het wel of niet toekennen van urgentie;</al><al> • rapporteert periodiek over haar werkzaamheden (onder andere over aantal
                    behandelde aanvragen, afwijzingen, redenen) en kan beleidsvoorstellen doen op
                    het gebied van de urgentietoekenning. </al><al> 6. Aanvraag van een urgentieverklaring Het hierna volgende onder punt 6
                    bepaalde is niet van toepassing voor huishoudens die op grond van
                    stadsvernieuwing in aanmerking komen voor urgentie. Deze urgentie wordt door de
                    gemeente verstrekt zonder dat deze behoeft te worden aangevraagd. Een
                    woningzoekende kan urgentie aanvragen in de eigen woongemeente of in de gemeente
                    waarmee de woningzoekende maatschappelijke binding heeft. Woningzoekenden die in
                    de positie verkeren als aangegeven in artikel 13c, lid 1 van de wet kunnen zelf
                    bepalen in welke gemeente ze urgentie aanvragen. Ook wanneer op basis van de
                    vastgestelde toetsingscriteria geen aanleiding is voor het innemen van een
                    urgentieaanvraag kan op uitdrukkelijk verzoek van de woningzoekende een
                    urgentieaanvraag ingediend worden. Urgentie dient aangevraagd te worden op een
                    daarvoor bestemd formulier. Gelet op de uniformiteit in de behandeling van de
                    urgentieaanvraag wordt een standaard aanvraagformulier voor urgentie gebruikt.
                    Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien deze niet compleet is, dat
                    wil zeggen onvolledig ingevuld, niet ondertekend of niet voorzien van de
                    vereiste bijlagen. </al><al> 7. Beoordeling van een urgentieaanvraag Het hierna volgende onder punt 7
                    bepaalde is niet van toepassing voor huishoudens die op grond van
                    stadsvernieuwing in aanmerking komen voor urgentie. Naar aanleiding van de
                    urgentieaanvraag kan de woningzoekende uitgenodigd worden voor een
                    intakegesprek. Het gesprek wordt vastgelegd in een standaard
                    rapportageformulier. Na het indienen van een volledige urgentieaanvraag stuurt
                    de intaker binnen een periode van 2 weken de aanvraag met de benodigde bijlagen
                    voorzien van een pré-advies door naar de secretaris van de Regionale
                    Urgentiecommissie. Hiervoor wordt een pré-adviesformulier gebruikt. Het
                    pré-adviesformulier bevat de volgende elementen: Persoonsgegevens van de
                    aanvrager (en partner).</al><al> Waaronder de grootte van het huishouden. Aanleiding</al><al> Dit onderdeel bevat een weergave van:</al><al> • de woonproblemen zoals de aanvrager deze ziet en ervaart; (de reden van
                    zijn/haar aanvraag);</al><al> • hoe de woonproblemen zijn ontstaan;</al><al> • wat aanvrager gedaan heeft om ze op te lossen, wie hij/zij daarvoor heeft
                    ingeschakeld en met welke resultaten;</al><al> • hoe vaak en voor welke woningen door hem of haar via de gangbare media is
                    gereageerd sinds het ontstaan van de woonproblemen;</al><al> • de financiële mogelijkheden. Omschrijving van de probleemsituatie</al><al> Naast een omschrijving van de probleemsituatie komt in ieder geval de eigen
                    indruk van de rapporteur aan de orde ten aanzien van hetgeen in het onderdeel
                    “aanleiding” is vermeld. Het is de taak van de rapporteur steeds een relatie te
                    leggen met andere zaken, die hij/zij onderzocht heeft teneinde een zekere
                    objectivering tot stand te brengen in zijn/haar oordeel.
                    Conclusie/pré-advies</al><al> De intaker rapporteert en brengt advies uit over de noodzaak tot verhuizen. Het
                    advies wordt getoetst aan het uitvoeringsvoorschrift urgentiebepaling. Iedere
                    rapportage wordt afgesloten met een conclusie en een pré-advies. Advisering en
                    beoordeling door de Regionale Urgentiecommissie</al><al> Binnen 3 weken na ontvangst van het intake rapportageformulier adviseert de
                    Regionale Urgentiecommissie burgemeester en wethouders of een woningzoekende al
                    dan niet als urgent dient te worden aangemerkt. Advisering en beoordeling vindt
                    plaats aan de hand van het uitvoeringsvoorschrift urgentiebepaling en op basis
                    van het voorgestelde pré-advies. Adviesbesluiten worden genomen bij meerderheid
                    van stemmen. Bij afwijzing van het pré-advies motiveert de regionale
                    urgentiecommissie de afwijzing. Na behandeling door de Urgentiecommissie sturen
                    burgemeester en wethouders binnen 3 weken een gemotiveerd besluit naar de
                    woningzoekende. Bij het gemotiveerd besluit delen burgemeester en wethouders
                    mede, dat de woningzoekende tegen het besluit binnen zes weken na bekendmaking
                    daarvan een bezwaarschrift kan indienen bij burgemeester en wethouders. Als de
                    woningzoekende besluit een aanvraag in te dienen terwijl een eerdere aanvraag al
                    is afgewezen en de omstandigheden niet gewijzigd zijn, zal de nieuwe aanvraag op
                    dezelfde gronden worden afgewezen. 8. Inhoud van de urgentieverklaring Een
                    urgentieverklaring is een verklaring waarin burgemeester en wethouders de
                    verplichtingen ten opzichte van de urgent woningzoekende vastleggen.
                    Burgemeester en wethouders verklaren dat:</al><al> • zij erkennen dat de woningzoekende urgent is;</al><al> • zij zich zullen inspannen de woningzoekende binnen zes maanden een, conform
                    zoekprofiel, passende woning aan te bieden;</al><al> • de woningzoekende gedurende die periode van zes maanden in de regio Alkmaar
                    absolute voorrang krijgt bij de toewijzing van een bepaald soort woonruimte. De
                    voorrang geldt niet voor het woningaanbod dat uitgesloten is voor urgenten. Dit
                    is maximaal 25% per gemeente.</al><al> • de woningzoekende geacht wordt gedurende drie maanden na dagtekening van de
                    urgentieverklaring zelfstandig te reageren op de in de gangbare media aangeboden
                    passende woonruimte;</al><al> • zij bemiddeling verlenen tussen woningzoekende en eigenaren van woonruimte in
                    de gemeente waar de verklaring is afgegeven, indien na drie maanden geen
                    (andere) woonruimte is verkregen als gevolg van het ontbreken van een passend
                    aanbod in de gangbare media aangeboden woonruimte;</al><al> • zij een beroep doen op een gemeente in de regio als zij de woningzoekende
                    geen aanbieding kunnen doen in de eigen gemeente, zodat de termijn van zes
                    maanden niet in het geding komt.</al><al> • zij bij een weigering van een passende woning op basis van het zoekprofiel de
                    urgentie zullen intrekken.</al><al> Bij de urgentieverklaring delen burgemeester en wethouders mede, dat de
                    woningzoekende tegen het besluit binnen zes weken na bekendmaking daarvan een
                    bezwaarschrift kan indienen bij burgemeester en wethouders. In afwijking van het
                    hiervoor onder punt 8 bepaalde verklaren burgemeester en wethouders in een</al><al> urgentie die wordt verstrekt op grond van stadsvernieuwing dat:</al><al> • zij erkennen dat de woningzoekende urgent is;</al><al> • zolang nog geen andere woonruime is verkregen, de urgentie van kracht blijft
                    tot de sloop van</al><al> de woning;</al><al> • de woningzoekende die wil verhuizen naar een bestaande woning, zelf moet
                    reageren op de in de gangbare media aangeboden woonruimte;</al><al> • de woningzoekende die een nieuwbouw huur- of koopwoning in de eigen wijk wil
                    betrekken direct wordt bemiddeld;</al><al> • de woningzoekende bij gelijkblijvende samenstelling van het huishouden recht
                    heeft op woonruimte die wat betreft het type en het aantal kamers vergelijkbaar
                    is met de huidige woning. In afwijking van het hiervoor onder 8 bepaalde geldt
                    de voorrang van stadsvernieuwingsurgente woningzoekenden uitsluitend voor
                    woonruimte in de gemeente waarin de te slopen woning zich bevindt. Waar sprake
                    is van bemiddeling geldt een inspanningsverplichting van de gemeente gedurende
                    de gehele periode waarin de urgentie van kracht is.</al><al/></bijlage><bijlage><al><vet>Deel 1 Inhoudsopgave</vet></al><al> HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen </al><al> HOOFDSTUK 2 Verdeling van woonruimte Paragraaf 2.1 Werkingsgebied
                    Artikel 2.1.1 Huur- en koopprijsgrens</al><al> Artikel 2.1.2 Nadere afperking Paragraaf 2.2 Huisvestingsvergunning
                    Artikel 2.2.1 Vergunningvereiste</al><al> Artikel 2.2.2 Aanvragen van een huisvestingsvergunning</al><al> Artikel 2.2.3 Criteria voor vergunningverlening</al><al> Artikel 2.2.4 Woningruil</al><al> Artikel 2.2.5 Intrekking Paragraaf 2.3 Toelating tot de regionale
                    woningmarkt Artikel 2.3.1 Leeftijd</al><al> Artikel 2.3.2 Verblijfsstatus Paragraaf 2.4 Passendheid Artikel 2.4.1
                    Verhouding inkomen - huurprijs/koopprijs</al><al> Artikel 2.4.2 Bezettingsnorm Paragraaf 2.5 Volgordebepaling en urgentie
                    Artikel 2.5.1 Volgordebepaling</al><al> Artikel 2.5.2 Urgentieverklaring</al><al> Artikel 2.5.3 Aanvraag en registratie</al><al> Artikel 2.5.4 Criteria voor verlening van een urgentieverklaring</al><al> Artikel 2.5.5 Bemiddeling</al><al> Artikel 2.5.6 Wijziging en intrekking Paragraaf 2.6 Leegmelding,
                    voordracht en aanbieding van</al><al> woonruimte Artikel 2.6.1 Melding van ter beschikking komen</al><al> Artikel 2.6.2 Melding van leegstand</al><al> Artikel 2.6.3 Voordracht</al><al> Artikel 2.6.4 Aanbieding van woonruimte</al><al> Paragraaf 2.7 Organisatie en bevoegdheden Artikel 2.7.1 Register van
                    woningzoekenden</al><al> Artikel 2.7.2 Verzoek om inschrijving</al><al> Artikel 2.7.3 Vereisten voor inschrijving</al><al> Artikel 2.7.4 Bewijs van inschrijving</al><al> Artikel 2.7.5 Informatieverstrekking</al><al> Artikel 2.7.6 Overeenkomsten</al><al> Artikel 2.7.7 Mandatering </al><al> HOOFDSTUK 3 Toewijzing standplaatsen Artikel 3.1 Toepassingsbereik</al><al> Artikel 3.2 Verbodsbepaling</al><al> Artikel 3.3 Aanvragen van vergunning</al><al> Artikel 3.4 Voorwaarden voor inschrijving</al><al> Artikel 3.5 Wachtlijst</al><al> Artikel 3.6 Voorrangslijst</al><al> Artikel 3.7 Vervallen van de inschrijving</al><al> Artikel 3.8 Toewijzing</al><al> Artikel 3.9 Verlenen van de vergunning</al><al> Artikel 3.10 Intrekken van de vergunning </al><al> HOOFDSTUK 4 Wijziging van de samenstelling van de</al><al> woningvoorraad (geschrapt) </al><al> HOOFDSTUK 5 Verdere bepalingen Artikel 5.1 Hardheidsclausule</al><al> Artikel 5.2 Strafbepaling</al><al> Artikel 5.3 Handhaving</al><al> Artikel 5.4 Restbepaling</al><al> Artikel 5.5 Overleg bij wijziging</al><al> Artikel 5.6 Bestuurlijke boete </al><al> HOOFDSTUK 6 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.1
                    Overgangsbepaling</al><al> Artikel 6.2 Citeertitel</al><al> Artikel 6.3 Inwerkingtreding </al><al> BIJLAGE 1 Passendheidstabellen BIJLAGE 2 Uitvoeringsvoorschrift
                    volgordebepaling BIJLAGE 3 Uitvoeringsvoorschrift urgentiebepaling</al></bijlage></regeling></body></cvdr>