<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR130879_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening (ASV) Wageningen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stad Wageningen, 2-11-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening Wageningen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht (Awb)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Casenr. BB11.0176</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Subsidieregelingen inzake Stimuleringsregeling afkoppeling hemelwater afvoer;Zaalsportaccommodaties Tarthorst, Aanloop, Vlinder I en II; Cultuur; Groengas; Jubileumsubsidie; Maatschappelijke ondersteuning; Projecten versterken basisvoorzieningen; Sportbuurtcoaches; Stimuleringsregeling 0 op de meter; Wijkbudget Wijkgericht werken; Behoud en herstel knotbomen en subsidiedeelverordeningen inzake Middelbanen en doelbanen en Stedelijke vernieuwing.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Als bijlage 1 is het door het college d.d. 190313 vastgestelde en 270313 in de Stad Wageningen gepubliceerde Aanwijzingsbesluit Controle Subsidies 2013 bijgevoegd.</al><al>Het aanwijzingsbesluit betreft de inhoud van de accountantscontrole en is daarmee voor zowel de gesubsidieerde instellingen als de accountant van belang.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-1962</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening Wageningen 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Considerans </al><al>De raad van de gemeente Wageningen,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, </al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de Algemene subsidieverordening Wageningen 2012</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.1</nr><titel>BEGRIPSBEPALING</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>activiteit: een verzameling van samenhangende werkzaamheden en
                                    handelingen (of een nalaten), gericht op het algemeen belang van
                                    de gemeente en/of haar inwoners en passend binnen het door de
                                    raad vastgestelde beleid zoals genoemd onder artikel 1.2.</al></li><li nr="b."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht</al></li><li nr="c."><al>beleidsnota: een door de raad vastgesteld stuk, waarin een
                                    samenhangend overzicht gegeven wordt van voorgenomen
                                    overheidsbeleid met als functie een bijdrage te leveren aan het
                                    realiseren van een (beleids)doelstelling.</al></li><li nr="d."><al>college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Wageningen.</al></li><li nr="e."><al>deelsubsidieverordening: een bijzondere en/of aanvullende
                                    regeling op de Algemene subsidieverordening waarin bepalingen
                                    zijn opgenomen die specifiek van toepassing zijn op
                                    subsidieverlening op een of meer beleidsterreinen.</al></li><li nr="f."><al>nadere regels: door het college vast te stellen nadere regels in
                                    de zin van artikel 156 lid 3 Gemeentewet, waarin de te
                                    subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de
                                    subsidie per beleidsterrein waarvoor subsidie kan worden
                                    verleend worden beschreven.</al></li><li nr="g."><al>beleidsregels: door het college vast te stellen beleidsregels in
                                    de zin van artikel 1.3 lid 4 Awb, betreffende de afweging van
                                    belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van
                                    voorschriften in verband met de uitoefening van de bevoegdheden
                                    ingevolge deze verordening.</al></li><li nr="h."><al>gemeente: de gemeente Wageningen </al></li><li nr="i."><al>instelling: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid
                                    die zich ten doel stelt om zonder winstoogmerk activiteiten te
                                    verrichten ten behoeve van de ingezetenen van de gemeente
                                    Wageningen.</al></li><li nr="j."><al>raad: gemeenteraad van de gemeente Wageningen</al></li><li nr="k."><al>kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31
                                    december.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.2</nr><titel>REIKWIJDTE VAN DE ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op het subsidiëren van activiteiten
                            op de beleidsterreinen die vallen onder de door de raad in de
                            programmabegroting vastgestelde programma's. </al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.3</nr><titel>RECHTSPERSOONLIJKHEID</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie kan slechts worden verleend aan rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het college in afwijking van het gestelde
                                in het eerste lid, gemotiveerd subsidie verlenen aan instellingen
                                zonder volledige rechtsbevoegdheid of natuurlijke personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.4</nr><titel>DE ROL VAN DE RAAD</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door de raad vastgestelde beleidsnota’s kunnen ter verdere
                                invulling van de activiteiten als bedoeld in artikel 1.2 Asv dienen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een wettelijke bepaling en/of doelmatigheid daartoe
                                noodzaakt, kan de raad in afwijking van of ter aanvulling van de Asv
                                voor een specifiek beleidsterrein een deelsubsidieverordening
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt jaarlijks in het kader van de begrotingsbehandeling de
                                budgetten vast die voor subsidiëring beschikbaar zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.5</nr><titel>DE ROL VAN HET COLLEGE</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en voor
                                zover van toepassing van titel 4.2 Awb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ter nadere uitwerking van de Algemene
                                subsidieverordening nadere regels en beleidsregels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.6</nr><titel>TOEZICHTHOUDERS</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen toezichthouders als bedoeld in artikel
                            5:11 van de Awb aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op de
                            naleving van de verplichtingen die zijn opgelegd aan de
                            subsidieontvanger.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.7</nr><titel>SUBSIDIEPLAFOND EN VERDELINGSMAATSTAF</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in de door de raad vastgestelde programma’s of een daaronder
                                vallend product uit de programmabegroting een bedrag is opgenomen,
                                dat volgens de daarbij behorende omschrijving uitsluitend bestemd is
                                als subsidie ten behoeve van het betreffende programma binnen de
                                programmabegroting of een onder dit programma vallend product, geldt
                                dit bedrag als subsidieplafond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de beschrijving van de programmabegroting vastgestelde
                                programma’s of een daaronder vallend product niet zonder meer blijkt
                                dat de raad voor dit programma of product een subsidieplafond heeft
                                vastgesteld, is het college bevoegd binnen de kaders van de
                                begroting van de gemeente een subsidieplafond voor dit programma of
                                product vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een subsidieplafond is vastgesteld, zoals bedoeld in dit
                                artikel, verdeelt het college het beschikbare bedrag in volgorde van
                                ontvangst van de aanvragen, tenzij het college vooraf criteria
                                bekend heeft gemaakt aan de hand waarvan aanvragen zullen worden
                                beoordeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.8</nr><titel>SUBSIDIESOORTEN</titel></kop><al> De gemeente onderscheidt de volgende subsidievormen:</al><lijst><li nr="a."><al>eenmalige subsidie:</al><al>subsidie ten behoeve van bijzondere incidentele projecten of
                                    activiteiten waarvoor het college slechts voor een van tevoren
                                    bepaalde periode van maximaal vier jaar subsidie wil
                                    verstrekken.</al></li><li nr="b."><al>jaarlijkse subsidie: </al><al>subsidie die per kalenderjaar of voor een bepaald aantal
                                    kalenderjaren aan een instelling voor een periode van maximaal
                                    vier jaar wordt verstrekt. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.9</nr><titel>INDEXERING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het subsidiebedrag wordt jaarlijks door het college geïndexeerd in
                                overeenstemming met de gemeentelijke begrotingsrichtlijnen. Het
                                college kan hier in bijzondere gevallen van afwijken en dient dit
                                besluit vóór 1 april aan betrokkenen bekend te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor instellingen met vast personeel kan het college een ander
                                indexeringspercentage vaststellen dan voor andere instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.10</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan naast de in artikel 4:37 bedoelde
                                standaardverplichtingen ook bij nadere regels of bij de
                                subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen van de Wageningse bevolking aan de
                                        activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>activiteiten gericht op doelgroepen waarvoor de gemeente
                                        speciale aandacht wenst;</al></li><li nr="c."><al>een verbod tot speculeren en de wijze waarop de middelen
                                        worden ingezet en beheerd, waarmee de gesubsidieerde
                                        activiteit wordt verricht;</al></li><li nr="d."><al>de verplichting van de aanvrager om medewerking te verlenen
                                        aan onderzoeken die redelijkerwijs nodig zijn voor de
                                        uitvoering van deze verordening en een onderzoek van de
                                        gemeentelijke rekenkamer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verplichtingen als genoemd in de artikelen 4:68, 4:69, 4:70 en
                                4:71 Awb zijn van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De instelling die subsidie ontvangt, dient, voor zover gewerkt wordt
                                met vrijwilligers, te waarborgen dat de vrijwilligers zijn
                                verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra
                                aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is
                                verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of
                                niet geheel aan de aan de beschikking tot subsidieverlening
                                verbonden verplichtingen zal worden voldaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in lid 2 tot en met 4 genoemde verplichtingen
                                vrijstelling of ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.11</nr><titel>VERGOEDING VERMOGENSVORMING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, lid 2 Awb, is de
                                subsidieontvanger aan het college een vergoeding van de
                                vermogenswaarden verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag, waarmee subsidiëring
                                door de gemeente heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in
                                verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben
                                bijgedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van
                                de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het
                                tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande
                                dat bij verlies of beschadiging van eigendommen wordt uitgegaan van
                                het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is
                                ontvangen. Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de
                                waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de activiteiten van de subsidieontvanger met toestemming van
                                het college door een andere rechtspersoon wordt voortgezet en de
                                activa en passiva tegen boekwaarde aan die ander in eigendom worden
                                overgedragen, is de subsidieontvanger ter zake in afwijking van het
                                eerste lid geen vergoeding verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>1.12</nr><titel>EVALUATIEVERSLAG</titel></kop><al>Indien het noodzakelijk is om inzicht te verkrijgen of te vergroten in
                            de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie evalueert het college
                            de subsidieverstrekking, tenzij de kosten van de evaluatie onevenredig
                            zouden zijn in verhouding tot het daarmee gediende belang.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>SUBSIDIEVERLENING</titel></kop><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2.1</nr><titel>TERMIJN INDIENING AANVRAAG SUBSIDIEVERLENING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor de verlening van een eenmalige subsidie dient
                                uiterlijk 8 weken voorafgaand aan het tijdstip waarop een aanvang
                                wordt gemaakt met de uitvoering van de voorgenomen activiteit bij
                                het college te worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor de verlening van een jaarlijkse subsidie dient
                                uiterlijk 1 mei in het jaar voorafgaand aan het jaar of de jaren
                                waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft te worden ingediend.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing
                                indien het college in nadere regels een andere termijn heeft
                                vastgesteld waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2.2</nr><titel>BIJ AANVRAAG IN TE DIENEN GEGEVENS</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het
                                college, eventueel met behulp van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om een subsidie overlegt de aanvrager de gegevens
                                als bedoeld in artikel 4:61 lid 1 Awb, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>een activiteitenplan als bedoeld in artikel 4:62 Awb;</al></li><li nr="b."><al>een begroting als bedoeld in artikel 4:63 Awb;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval het een eerste aanvraag voor een subsidie betreft kan
                                het college de in 4:64 lid 1 Awb genoemde aanvullende gegevens
                                vragen, waarbij op grond van artikel 4:64 lid 3 Awb vrijstelling of
                                ontheffing kan worden verleend van het in artikel 4:64 lid 2 Awb
                                bepaalde. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van de in
                                het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die
                                voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk,
                                respectievelijk voldoende zijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvrager is op grond van artikel 4:65 Awb verplicht in de
                                aanvraag een mededeling te doen van een aanvraag om subsidie bij één
                                of meer andere bestuursorganen voor dezelfde activiteit als waarvoor
                                bij het college een aanvraag is ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2.3</nr><titel>TERMIJN AFHANDELING AANVRAAG SUBSIDIEVERLENING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige en een
                                jaarlijkse subsidie tot € 5.000,- binnen 13 weken na ontvangst van
                                de volledige aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een subsidie vanaf €
                                5.000,-:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>bij eenmalige subsidies: uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van
                                de volledige aanvraag;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>bij jaarlijkse subsidies: uiterlijk vóór 31 december van het jaar
                                waarin de aanvraag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing
                                indien het college in de beschikking tot subsidieverlening of in
                                nadere regels een andere termijn heeft vastgesteld waarbinnen op de
                                aanvraag wordt beslist. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2.4</nr><titel>BEVOORSCHOTTING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de subsidieontvanger bij de beschikking tot
                                subsidieverlening voorschotten verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschotten worden verleend op basis van de volgende indeling:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de subsidie minder dan € 10.000,- bedraagt, wordt zij in één
                                termijn beschikbaar gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de subsidie tussen de € 10.000,- en de € 100.000,- bedraagt,
                                wordt zij in kwartaaltermijnen beschikbaar gesteld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de subsidie meer dan € 100.000,- bedraagt, wordt zij
                                beschikbaar gesteld in maandelijkse termijnen</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het in lid 2
                                onder a tot en met c gestelde. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorschotten worden binnen 8 weken na de voorschotverlening
                                betaald, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2.5</nr><titel>WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><al>De subsidieverlening kan naast de in artikel 4:25 en 4:35 van de Awb
                            genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden en criteria die bij
                                    of krachtens deze verordening zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager ook zonder subsidietoekenning over voldoende
                                    gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van
                                    derden, kan beschikken om de activiteiten te dekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>2.6</nr><titel>WET BIBOB</titel></kop><al>Het college kan voor subsidies binnen door de raad vast te stellen
                            beleidsterreinen of onderdelen daarvan bepalen dat de gevraagde subsidie
                            kan worden geweigerd of de verleende subsidie kan worden ingetrokken in
                            het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet
                            bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SUBSIDIEVASTSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3.1</nr><titel>SUBSIDIEVASTSTELLING TOT € 5.000,-</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag om subsidieverlening minder bedraagt dan € 5.000,
                                wordt de subsidie aan de hand van deze aanvraag:</al></lid><lid><lidnr/><al>a.direct vastgesteld, dat wil zeggen zonder dat voorafgaande daaraan
                                een aanvraag om subsidievaststelling dient te worden ingediend. Het
                                bepaalde in artikel 2.3 lid 1 en lid 3 is van toepassing, </al></lid><lid><lidnr/><al>of:</al></lid><lid><lidnr/><al>b.ambtshalve vastgesteld, dat wil zeggen binnen 13 weken nadat de
                                activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in lid 1 sub b kan het
                                college de aanvrager verplichten om op de door haar aangegeven wijze
                                aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                                verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3.2</nr><titel>INDIENEN AANVRAAG SUBSIDIEVASTSTELLING VANAF € 5.000,- TOT €
                                50.000,-</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening een bedrag betreft van € 5.000 tot €
                                50.000,-, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling
                                in bij het college:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het verricht zijn
                                van de activiteiten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het
                                jaar na afloop van het kalenderjaar, danwel 4 maanden na het
                                subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat een financieel verslag in de zin
                                van artikel 4:76 Awb en een activiteitenverslag in de zin van
                                artikel 4:80 Awb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling
                                vereist zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3.3</nr><titel>INDIENEN AANVRAAG SUBSIDIEVASTSTELLING VANAF € 50.000,-</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 50.000,-, dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het
                                college:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, danwel 4 maanden
                                        na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag tot vaststelling dienen de gegevens als bedoeld in
                                de artikelen 4:75 Awb tot en met 4:80 Awb te worden overlegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling
                                vereist zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3.4</nr><titel>TERMIJN AFHANDELING AANVRAAG SUBSIDIEVASTSTELLING VANAF €
                                5.000,-</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de volledige
                                aanvraag voor de vaststelling van een subsidie de subsidie
                                vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                daarvan volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger
                                daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het
                                eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, gaat het college binnen
                                zes weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3.5</nr><titel>VERZOEK OM UITSTEL VAN HET INDIENEN VAN DE GEGEVENS TOT
                                SUBSIDIEVASTSTELLING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een subsidieontvanger de vereiste gegevens voor de
                                subsidievaststelling niet tijdig of slechts onvolledig kan
                                overleggen, kan de subsidieontvanger schriftelijk een gemotiveerd
                                verzoek om uitstel indienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college het verzoek om uitstel inwilligt is de uiterste
                                termijn voor de indiening of aanvulling:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor een eenmalige subsidie 17 weken na afloop van de activiteit
                                waarvoor de eenmalige subsidie is verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk 1 juni na afloop van het
                                kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>3.6</nr><titel>BETALING</titel></kop><al>Binnen 8 weken na dagtekening van de beschikking tot vaststelling van de
                            subsidie wordt het ubsidiebedrag betaald en/of verrekend met gedane
                            voorschotten, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>4.1</nr><titel>HARDHEIDSCLAUSULE</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            van het bepaalde in deze verordening of de deelverordeningen gemotiveerd
                            afwijken, indien toepassing van de betreffende verordening tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>4.2</nr><titel>OVERGANGSBEPALING</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het in werking treden van deze verordening wordt de Algemene
                                Subsidieverordening Wageningen 2007, zoals vastgesteld bij besluit
                                van de raad van 14 december 2006, en de Deelverordening Subsidiëring
                                activiteiten minderhedenbeleid en zelforganisaties gemeente
                                Wageningen (2006), zoals vastgesteld bij besluit van de raad van 13
                                februari 2006, ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanvragen om verlening van een jaarlijkse subsidie voor het
                                begrotingsjaar 2012 welke zijn ingediend op grond van de Algemene
                                Subsidieverordening Wageningen 2007 en de Deelverordening
                                Subsidiëring activiteiten minderhedenbeleid en zelforganisaties
                                gemeente Wageningen (2006) wordt beslist conform voornoemde
                                verordeningen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vaststelling van subsidies welke zijn verleend op grond van de
                                Algemene Subsidieverordening Wageningen 2007 en de Deelverordening
                                Subsidiëring activiteiten minderhedenbeleid en zelforganisaties
                                gemeente Wageningen (2006) vindt plaats conform voornoemde
                                verordeningen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>4.3</nr><titel>INWERKINGTREDING</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>4.4</nr><titel>CITEERTITEL</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Algemene subsidieverordening
                            Wageningen 2012’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Aanwijzingsbesluit Controle Subsidies vanaf € 50.000 (versie januari
                        2013)</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Wageningen/i227929.pdf">Aanwijzingsbesluit Controle Subsidies vanaf € 50.000 (versie januari 2013)</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Algemene toelichting op de Algemene subsidieverordening Wageningen
                        2012</titel></kop><al><vet>1. Inleiding </vet></al><al>Subsidieverstrekking is een belangrijk sturings- en/of voorwaardenscheppend
                    bestuursinstrument voor de overheid.</al><al>Om de doelen te kunnen bereiken die de gemeente Wageningen nastreeft met
                    subsidieverlening, misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan
                    en om subsidieontvangers voldoende rechtszekerheid te geven, moeten de rechten,
                    plichten en bevoegdheden van de gemeente als subsidiegever en –ontvangers op een
                    heldere wijze worden vastgelegd. Het juridische kader, dat wordt gegeven door
                    deze Algemene subsidieverordening (Asv) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
                    levert een bijdrage aan de controle op de rechtmatigheid en doelmatigheid van
                    verleende subsidies.</al><al>Voor het verstrekken van subsidies zijn drie kaders van belang:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>1.</al></entry><entry><al>beleidskaders: beleidsnota’s;</al></entry></row><row><entry><al>2.</al></entry><entry><al>financieel kader: de programmabegroting;</al></entry></row><row><entry><al>3.</al></entry><entry><al>juridisch kader: de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene
                                        subsidieverordening, (deel) subsidieverordeningen, nadere
                                        regels, beleidsregels en beschikkingen. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De Asv geldt voor alle in artikel 1.2 genoemde beleidsterreinen die vallen onder
                    de door de raad in de programmabegroting vastgestelde programma´s. De Asv strekt
                    zich uit over meerdere afdelingen van de gemeente Wageningen. De bedragen die in
                    de programmabegroting genoemd zijn gelden als subsidieplafond.</al><al/><al><vet>2. De Algemene wet bestuursrecht (Awb)</vet></al><al>De Asv vindt dus haar grondslag in de Awb en moet worden beschouwd in samenhang
                    met de bepalingen in de Awb over subsidiëring. De Awb betreft de kaderregeling
                    voor alle subsidies op alle bestuursniveaus. Titel 4.2 Subsidies (Awb)
                    bevat:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>1.</al></entry><entry><al><vet>dwingende regels</vet>, waarvan niet mag worden
                                        afgeweken;</al></entry></row><row><entry><al>2.</al></entry><entry><al><vet>gangbare regels</vet>, die voor normale gevallen de
                                        beste regeling geven. De bepalingen maken een afwijkende
                                        regeling mogelijk door toevoeging van de clausule: “tenzij
                                        bij wettelijk voorschrift anders is bepaald”;</al></entry></row><row><entry><al>3.</al></entry><entry><al><vet>aanvullende regels</vet>, die normen geven voor de
                                        gevallen dat de bijzondere wetgever (bijvoorbeeld de
                                        gemeente) zelf geen regel heeft vastgesteld;</al></entry></row><row><entry><al>4.</al></entry><entry><al><vet>facultatieve regels</vet>, die niet uit zichzelf
                                        gelden, maar in een wet, verordening of besluit van
                                        toepassing moeten worden verklaard.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Dat wat al in de Awb geregeld is, hoeft in principe niet meer in de Asv te
                    worden opgenomen. In de Asv zijn dan aanvullende regels opgenomen en
                    facultatieve regelingen uit de Awb van toepassing verklaard. De Awb en de Asv
                    vormen samen met (indien van toepassing) deelverordeningen en de nadere regels
                    die op grond van de Asv kunnen worden opgesteld, en de beschikkingen het
                    juridische kader waarbinnen het toekennen van subsidies plaatsvindt.</al><al/><al><cursief>Vereiste van wettelijke grondslag</cursief></al><al>In de Awb staat dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een wettelijk
                    voorschrift. Deze eis komt voort uit de wens van de wetgever, dat de
                    rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en subsidieontvanger voldoende is
                    gewaarborgd. Hiermee wordt tevens een doelmatige besteding van overheidsuitgaven
                    nagestreefd. Mogelijk onzorgvuldig of willekeurig handelen van het
                    overheidsorgaan of nalatigheid van de subsidieontvanger is immers beter te
                    toetsen aan de hand van een wettelijke regeling dan aan de hand van een op
                    zichzelf staand besluit van een bestuursorgaan.</al><al/><al>Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op
                    een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Awb). Deze verordening moet de
                    essentiële elementen van het proces van subsidieverstrekking bevatten, zoals een
                    omschrijving of aanduiding van de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid
                    voor het vaststellen van een subsidieplafond en de bijbehorende
                    verdelingsmaatstaf. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Awb moet een
                    wettelijk voorschrift, in dit geval een gemeentelijke verordening, aan de twee
                    volgende eisen voldoen om de beoogde doelmatigheid en rechtszekerheid te
                    bereiken. Het moet een omschrijving bevatten van de activiteiten, waarvoor
                    subsidie kan worden verleend en het moet een grondslag bevatten voor de
                    verplichtingen, die het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden
                    (voor zover die grondslag niet reeds in de Awb is neergelegd; zie artikel 4:37
                    Awb).</al><al/><al><cursief>Uitzonderingen wettelijke grondslag</cursief></al><al>Op de hoofdregel dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                    wettelijke grondslag bestaan, op grond van het derde lid van artikel 4:23 Awb,
                    zijn er vier uitzonderingen:</al><lijst><li nr=""><al>a. de spoedeisende subsidieverstrekking;</al></li><li nr=""><al>b. de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost;</al></li><li nr=""><al>c. de incidentele subsidieverstrekking;</al></li><li nr=""><al>d. de Europese subsidies.</al></li></lijst><al/><al>Deze laatste zijn voor gemeenten minder van belang en worden verder buiten
                    beschouwing gelaten.</al><al/><al>a. Spoedeisende subsidies</al><al>Wanneer er een wettelijk voorschrift in voorbereiding is, mag het bestuurorgaan,
                    vooruitlopend op de totstandkoming van dit voorschrift, alvast beginnen met het
                    verlenen van de subsidie. Van deze bevoegdheid om zonder grondslag te
                    subsidiëren, kan gedurende maximaal een jaar gebruik worden gemaakt. Het doel
                    van deze uitzondering is te voorkomen, dat de slagvaardigheid van de overheid
                    bij het kunnen inzetten van het subsidie-instrument onnodig wordt belemmerd. Om
                    democratische controle mogelijk te maken, geldt er voor deze vorm van subsidie
                    wel een verslagleggingsplicht voor het bestuursorgaan.</al><al/><al>b. Subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost</al><al>In bepaalde gevallen is het toegestaan om niet op basis van een verordening,
                    maar op basis van een post op de begroting subsidie te verlenen. Artikel 4:23,
                    derde lid, onderdeel c Awb bepaalt hierover dat er geen verordening is vereist,
                    indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag, waarop de subsidie ten
                    hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt. De vermelding van de ontvanger en het
                    bedrag kan overigens ook in de toelichting bij de begroting worden gedaan.</al><al>Subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost kan bijvoorbeeld handig
                    zijn bij subsidies die, veelal structureel, slechts aan één of enkele ontvangers
                    worden verstrekt. Door in de begroting of de toelichting de subsidieontvanger en
                    het bedrag te vermelden, is publieke controle mogelijk en kan een wettelijke
                    subsidieregeling achterwege blijven.</al><al/><al>c. Incidentele subsidies</al><al>Strikt genomen is voor incidentele subsidies geen wettelijk voorschrift nodig.
                    In artikel 4:23, derde lid, onderdeel d Awb is neergelegd, dat in incidentele
                    gevallen kan worden afgezien van het basisvereiste dat slechts op grond van een
                    wettelijk voorschrift subsidie kan worden verstrekt. Die situatie doet zich
                    voor, indien er geen beleid is dat voorziet in subsidiëring van de
                    desbetreffende activiteiten en evenmin sprake is van een vaste bestuurspraktijk
                    om dat soort activiteiten te subsidiëren.</al><al/><al>Deze uitzondering in de Awb is bedoeld voor gevallen, waarin zowel het aantal
                    subsidieontvangers als het tijdvak van subsidiëring beperkt is. Een subsidie
                    voor maximaal één jaar, maar met een groot aantal subsidieontvangers, is dus al
                    niet meer incidenteel. Evenmin is een eenmalige subsidie voor alle scholen in
                    het basisonderwijs een incidentele subsidie volgens artikel 4:23, derde lid,
                    onderdeel d Awb.</al><al/><al>Een messcherpe afbakening tussen incidentele en andere subsidies is dit echter
                    niet. Vandaar dat er bij het opstellen van de onderhavige subsidieverordening
                    voor is gekozen om ook incidentele subsidies op te nemen in de verordening onder
                    de grondslag eenmalige subsidie, zodat ook deze een wettelijke grondslag hebben.
                    Voorts werd dit ingegeven door de wens om te komen tot heldere, voor alle
                    subsidiesoorten geldende regels. Hiermee wordt bereikt, dat door de gemeente
                    niet voor iedere incidentele subsidie een geheel nieuw regime voor de wijze van
                    behandeling, beoordeling en aanvraag moet worden vastgesteld. Dat is er immers
                    nu al. De bestuurlijke en administratieve lasten worden hiermee beperkt.</al><al/><al><cursief>Overige regelgeving en regels op het gebied van subsidiëring</cursief></al><al>Naast de Awb en de Asv kan verdere normstelling op het gebied van subsidiëring
                    plaatsvinden in de vorm van een (deel)verordening van de gemeenteraad of in
                    nadere regels van het college (zie hiervoor ook hoofdstuk 3 van deze algemene
                    toelichting). Beleidsnota’s worden door de gemeenteraad vastgesteld. Het gebruik
                    daarvan dient zo veel mogelijk te worden vermeden, omdat met beleidsnota’s niet
                    rechtstreeks verplichtingen aan burgers kunnen worden opgelegd. Beleidsnota’s
                    binden alleen het bestuursorgaan en werken niet extern. Het college kan tevens
                    beleidsregels vaststellen. Deze zijn wel extern bindend en geven een nadere
                    uitleg aan bepalingen uit een verordening, zoals de afweging van belangen of de
                    vaststelling van feiten. Bijvoorbeeld op welke wijze het begrip
                    “jubileumbijdrage” bij verschillende verenigingen moet worden geïnterpreteerd.
                    In ieder geval kunnen zaken als termijnen en subsidieverplichtingen niet worden
                    geregeld via een beleidsregel. Voor zover het betreft de bevoegdheid van het
                    college gaat de voorkeur dan ook uit naar het opstellen van nadere regels. </al><al/><al>Voor de allerlaatste versie van de Awb wordt verwezen naar bijvoorbeeld de
                    internetsite www.overheid.nl. Hier kan de gehele wetstekst worden opgeroepen of
                    specifieke artikelen, eventueel met toelichting, worden bekeken.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al/><al><vet>3. Opbouw van de Asv</vet></al><al>De Asv vormt de formele grondslag voor subsidieverlening in
                                        onze gemeente. Daarnaast geeft zij algemene beheersmatige
                                        voorschriften. In aanvulling daarop bestaat de mogelijkheid
                                        om via nadere regels, beleidsregels en subsidiebeschikkingen
                                        nadere voorwaarden te stellen. De opbouw van deze Asv volgt
                                        zoveel mogelijk de chronologie van het subsidieproces en de
                                        terminologie van de Awb:</al><al>Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen</al><al>Hoofdstuk 2: Subsidieverlening</al><al>Hoofdstuk 3: Subsidievaststelling</al><al>Hoofdstuk 4: Slotbepalingen</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>De verdeling van bevoegdheden zoals genoemd in artikel 1.4
                                        en 1.5 gaat er vanuit dat de gemeenteraad stuurt op
                                        hoofdlijnen en het college van burgemeester en wethouders
                                        zorgt voor de uitvoering hiervan.</al><al/><al>De raad zet de beleidslijnen uit, stelt prioriteiten vast en
                                        stelt door middel van de vaststelling van de
                                        gemeentebegroting middelen ter beschikking. De raad bepaalt
                                        ook de diverse grondslagen van subsidieverstrekking door
                                        middel van het vaststellen van de Asv.</al><al/><al>Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering, onder
                                        meer voor de verlening, weigering, bevoorschotting,
                                        vaststelling en betaling van de subsidies. Ook is het
                                        college bevoegd om controle uit te oefenen op de naleving
                                        van subsidieafspraken en subsidies in te trekken als er niet
                                        aan de in de Asv gestelde regels wordt voldaan. Daarnaast is
                                        het college bevoegd om de hoofdlijnen van de Asv nader uit
                                        te werken. Dit kan op grond van artikel 1.5 Asv zowel in de
                                        vorm van beleidsregels als zgn. nadere regels. Verschil
                                        tussen beide soorten regels is dat in nadere regels tevens
                                        verplichtingen kunnen worden opgelegd. In beleidsregels is
                                        dat in principe niet mogelijk. Daarnaast zijn sommige regels
                                        zodanig kaderstellend dat daarbij de voorkeur blijft bestaan
                                        voor het vastleggen daarvan in een deelverordening van de
                                        raad. </al><al/><al>Door de inwerkingtreding van de nieuwe Asv vervalt de
                                        Algemene Subsidieverordening Wageningen 2007. Bovendien
                                        zullen na vaststelling van de Asv 2012 een aantal
                                        beleidsregels door het college worden ingetrokken en voor
                                        zover nodig worden vervangen door nadere regels. Dit alles
                                        past tevens binnen het traject om de recht- en doelmatigheid
                                        van onze lokale regelgeving en subsidieverstrekking te
                                        verbeteren.</al><al/><al><vet>4. Wat is een subsidie?</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>4.1 De definitie ontleed</onderstreept></vet></al><al>De Awb hanteert de volgende definitie (art. 4:21): </al><al>een subsidie is een aanspraak op financiële middelen, door
                                        een bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde
                                        activiteiten van de aanvrager, anders dan een betaling voor
                                        de aan het bestuursorgaan geleverde goederen of
                                        diensten.</al><al/><al>Met het woord <cursief><vet>“aanspraak”</vet></cursief>
                                        wordt aangegeven dat de financiële middelen (nog) niet
                                        daadwerkelijk verstrekt hoeven te worden. Zo is bijvoorbeeld
                                        ook het garant staan van de gemeente een subsidie in de zin
                                        van de wet.</al><al/><al>Door <cursief><vet>“op financiële middelen”</vet></cursief>
                                        in de definitie op te nemen worden verstrekkingen in natura
                                        (ook niet indien zij op geld waardeerbaar zijn zoals bv het
                                        beschikbaar stellen van sportvelden of accommodaties) niet
                                        onder het subsidiebegrip gerekend. Kredietverlening valt
                                        overigens wel onder het verlenen van een aanspraak op
                                        financiële middelen.</al><al/><al><cursief><vet>"Bestuursorganen"</vet></cursief> van de
                                        gemeente zijn de burgemeester, het college van burgemeester
                                        en wethouders en de gemeenteraad. Soms kan het ook een
                                        commissie zijn met bepaalde bevoegdheden.</al><al/><al>Met het begrip <cursief><vet>“met het oog op bepaalde
                                                activiteiten”</vet></cursief> wordt bedoeld dat
                                        voorafgaand aan de activiteiten de bestedingsrichting van de
                                        gelden is vastgelegd. Ook een nalaten, zoals het braak laten
                                        liggen van grond, kan een activiteit zijn. De aard van de
                                        activiteiten kan zeer uiteenlopen. Het kan gaan om eenmalige
                                        of langdurende activiteiten. Door deze omschrijving vallen
                                        de sociale uitkeringen, huursubsidie, schadevergoedingen en
                                        studiefinanciering niet onder het subsidiebegrip. De
                                        bestedingsrichting staat hier immers niet vast. Uitkeringen
                                        die naast de sociale zekerheid worden verstrekt vallen wel
                                        onder het subsidiebegrip, tenzij zij in betreffende
                                        wetgeving uitgezonderd zijn van het subsidiebegrip.</al><al/><al><cursief><vet>“Anders dan als betaling voor goederen of
                                                diensten”</vet></cursief> heeft tot gevolg dat
                                        commerciële transacties met de gemeente buiten het
                                        subsidiebegrip vallen. Deze vallen onder het Burgerlijk
                                        Wetboek. Of sprake is van subsidieverlening of een
                                        commerciële transactie moet aan de hand van de
                                        omstandigheden van het concrete geval worden vastgesteld
                                        (zie ook art. 4:21 Awb).</al><al/><al><vet><onderstreept>4.2 Toepassing en
                                                uitgangspunt</onderstreept></vet></al><al>De subsidietitel van de Awb is van toepassing indien aan
                                        alle elementen van de begripsomschrijving wordt voldaan,
                                        ongeacht de benaming die eraan wordt gegeven.</al><al/><al>Subsidie kan zich in vele gedaanten voordoen. Cruciaal is
                                        niet de feitelijke verstrekking (vandaar de term aanspraak),
                                        maar de beslissing om de voorgenomen activiteit te
                                        subsidiëren.</al><al/><al>Uitgangspunt hierbij is dat:</al><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1. subsidie een <vet>sturingsinstrument</vet> is;</al></entry></row><row><entry><al>2. subsidie <vet>vernieuwing en samenwerking</vet>
                                        stimuleert;</al></entry></row><row><entry><al>3. subsidieafspraken worden vastgelegd in
                                            <vet>beschikkingen</vet> (al dan niet met
                                        prestatie/productafspraken of eventuele
                                        overeenkomsten);</al></entry></row><row><entry><al>4. subsidieafspraken <vet>meetbaar</vet> worden gemaakt in
                                        beschikkingen (al dan niet met prestatie/productafspraken of
                                        eventuele overeenkomsten).</al><al/></entry></row><row><entry><al><vet><onderstreept>4.3 Subsidieverlening, -vaststelling en
                                                uitbetaling</onderstreept></vet></al><al>In het proces van subsidieverstrekking zijn drie belangrijke
                                        momenten te onderscheiden:</al><al/><al>de subsidieverlening, de subsidievaststelling en de
                                        uitbetaling.</al><al/><al>Met de term <cursief><vet>subsidieverlening</vet></cursief>
                                        duidt de Awb de beschikking aan die voorafgaand aan de
                                        (voltooiing van de) te subsidiëren activiteit wordt gegeven.
                                        De subsidieverlening geeft de subsidieontvanger een
                                        voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen, waarvan de
                                        precieze omvang vaak nog niet vaststaat. Ondanks dit
                                        voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening al een
                                        rechtens afdwingbare aanspraak. De aanspraak is
                                        voorwaardelijk omdat het op dat moment nog niet zeker is of
                                        de aanvrager daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten
                                        verricht en hij zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. </al><al/><al>De <cursief><vet>subsidievaststelling</vet></cursief> is het
                                        besluit (tweede beschikking), waarin wordt vastgesteld in
                                        hoeverre de voorwaarden zijn vervuld en hoeveel het exacte
                                        subsidiebedrag bedraagt. De subsidievaststelling geeft een
                                        onvoorwaardelijke en definitieve aanspraak op een bepaald
                                        bedrag. Als de subsidieontvanger de bij de verlening
                                        omschreven activiteit heeft verricht en de verplichtingen is
                                        nagekomen en er zich geen onregelmatigheden hebben
                                        voorgedaan, dan moet de subsidie worden vastgesteld op het
                                        bedrag dat bij de verlening in het vooruitzicht is
                                        gesteld.</al><al/><al>Voor subsidies tot € 5.000,- geldt een aparte
                                        vaststellingsprocedure. Deze is vastgelegd in artikel 3.1
                                        Asv. De subsidie wordt in die gevallen in principe direct
                                        vastgesteld op basis van de aanvraag voor de
                                        subsidieverlening of ambtshalve, in meer complexe gevallen. </al><al/><al>De <vet><cursief>uitbetaling</cursief></vet> van de subsidie
                                        is geen beschikking, maar een rechtshandeling naar
                                        burgerlijk recht. In de praktijk wordt veelal gewerkt met
                                        voorschotten die moeten worden verrekend bij de vaststelling
                                        van de subsidie. De beslissing tot verstrekking van een
                                        voorschot is wel een beschikking. </al><al/><al><vet><onderstreept>Intrekken en wijzigen
                                                subsidies</onderstreept></vet></al><al>In de Asv zijn geen bepalingen opgenomen over de intrekking
                                        en wijziging van subsidies. De mogelijkheden daartoe zijn
                                        geregeld in de artikelen 4:48 tot en met 4:51 van de
                                        Awb.</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>5. Soorten subsidies</vet></al><al>In de Asv worden 2 soorten subsidies onderscheiden:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>1.</al></entry><entry><al>jaarlijkse subsidies;</al></entry></row><row><entry><al>2.</al></entry><entry><al>eenmalige subsidies.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Jaarlijkse subsidies</cursief></al><al>In de Awb is een aparte afdeling opgenomen voor jaarlijkse subsidies, afdeling
                    4.2.8 “per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen”. De bepalingen in
                    deze afdeling zijn facultatief en kunnen maar moeten dus niet door het college
                    in haar verordening van toepassing worden verklaard. Ze kunnen ook in een
                    individueel geval worden toegepast. De jaarlijkse subsidie wordt voor meerdere
                    jaren danwel het tijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft verleend en heeft
                    betrekking op voortdurende activiteiten van een instelling. Het begrip
                    “jaarlijks’ duidt er immers op dat de activiteiten zich in principe jaarlijks
                    voordoen. </al><al/><al>In de Asv is bepaald dat de verlening van de jaarlijkse subsidie per
                    kalenderjaar plaatsvindt. Op grond van artikel 4:68 Awb stelt de
                    subsidieverstrekker het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, tenzij dit in de
                    verordening anders wordt geregeld. Dit laatste is in de Asv niet gebeurd,
                    artikel 4:68 is wel van toepassing verklaard, en wel in artikel 1.10 lid 2, dus
                    een boekjaar staat gelijk aan een kalenderjaar. De jaarlijkse subsidies worden
                    meestal in de vorm van een meerjarige subsidieverleningsbeschikking voor een
                    periode van ten hoogste 4 jaren verstrekt. Na het verstrijken van die periode
                    kan uiteraard opnieuw worden besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken.
                    Voor de periode van 4 jaar is gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de
                    zittingstermijn van de raad (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven
                    te lopen) én het een goede termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde
                    beleidsdoelen nog gelden en, zo ja, die met de verstrekte subsidies worden
                    gediend. Aan het na afloop van het subsidietijdvak weigeren van de jaarlijkse
                    subsidie voor een nieuw tijdvak stelt artikel 4:51 Awb in het kader van de
                    zorgvuldigheid (vertrouwensbeginsel e.d.) hoge eisen. </al><al/><al>Naast het in afdeling 4.2.8 Awb bepaalde kunnen in de subsidiebeschikking zeer
                    goed afspraken over de verplichtingen e.d. worden vastgelegd. Dit laatste is ook
                    mogelijk in de vorm van een uitvoeringsovereenkomst (artikel 4:36). De
                    uitvoeringsovereenkomst betreft een uitwerking van de subsidieverplichtingen
                    zoals opgenomen in de subsidieverlening. Het opnemen van volstrekt nieuwe
                    verplichtingen in de overeenkomst is dus niet toegestaan. In het kader van de
                    deregulering heeft echter niet het opstellen van een uitvoeringsovereenkomst
                    naast de subsidiebeschikking, maar het opnemen van alle verplichting e.d. in één
                    document, de subsidieverleningsbeschikking, de voorkeur. Op deze wijze wordt
                    voorkomen dat er twee "momenten" binnen de subsidieverlening ontstaan, waardoor
                    de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar wordt gefrustreerd. Immers, als de
                    uitvoeringsovereenkomst niet op hetzelfde moment tot stand komt als het moment
                    van de beschikking tot subsidieverlening zelf, maar bv. pas na vier weken nadat
                    de subsidieverlening is afgegeven, is de totale bezwarentermijn van zes weken is
                    dan al voor een aanzienlijk deel verstreken.</al><al>Juist bij per jaarlijks verstrekte subsidies is de aard en grootte van de
                    instelling en de hoogte van de subsidie bepalend voor de omvang van aanvullende
                    afspraken. </al><al/><al><cursief>Eenmalige subsidies</cursief></al><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies die voor een eenmalige activiteit of een
                    activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te voren bepaalde periode
                    van maximaal vier jaar subsidie wil verlenen. Het kan zowel om grote als kleine
                    bedragen gaan. Het gaat het om subsidieverstrekking van activiteiten met een
                    eenmalig, experimenteel of projectmatig karakter. Ook kan het gaan om een
                    subsidie ten behoeve van het doorgang doen vinden van de gebruikelijke
                    activiteiten van de subsidieontvanger, terwijl die doorgang door bijzondere,
                    incidentele omstandigheden anders niet gewaarborgd zou zijn. Hierbij kan worden
                    gedacht aan inhuur van uitzendkrachten voor de vervanging van niet-verzekerd,
                    arbeidsongeschikt geworden personeel, het vervangen van een teloor gegaan
                    bedrijfsgebouw en dergelijke. Of aan projectsubsidies die worden gegeven voor
                    door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere projecten, zoals bijvoorbeeld
                    een dansvoorstelling of kunstmanifestatie. Eenmalige subsidies hebben een
                    looptijd, afhankelijk van de duur van het project en kunnen onder omstandigheden
                    dus een looptijd hebben van langer dan een jaar.</al><al/><al>In de praktijk is het mogelijk dat meerdere malen achter elkaar een eenmalige
                    subsidie aan dezelfde instelling wordt verleend. Deze biedt dan echter niet
                    dezelfde waarborgen wat betreft de voortzetting daarvan in de toekomst als een
                    jaarlijkse subsidie, die immers is bedoeld voor de reguliere activiteiten. Ook
                    subsidies voor incidentele gevallen kunnen hier onder vallen. Zie voor de
                    toelichting hierbij hierboven onder 2 “De Awb”, de toelichting bij “incidentele
                    subsidies”. </al><al/><al><vet>6. Begrotingsvoorbehoud</vet></al><al>In de Awb is in artikel 4:34 geregeld dat bij de subsidieverlening een beroep
                    kan worden gedaan op het zogenaamde begrotingsvoorbehoud: de voorwaarde dat,
                    voor zover een subsidie is verleend ten laste van een begroting die nog niet is
                    vastgesteld of goedgekeurd, zij kan worden verleend onder de voorwaarde dat
                    voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Het begrotingsvoorbehoud dient
                    in de subsidieverleningsbeschikking te worden opgenomen, tenzij in de
                    verordening waarop de subsidieverlening berust, de Asv dus, voortvloeit dat dit
                    niet kan. In de Asv is dit niet uitgesloten. De voorwaarde vervalt als het
                    college niet binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de
                    begroting een beroep op de voorwaarde doet. Als het college een beroep op het
                    begrotingsvoorbehoud wil doen in verband met bezuinigingen dient dit zorgvuldig
                    te geschieden. De procedure daarvoor in geval van langdurige subsidierelaties is
                    terug te vinden in de artikelen 4:50 (intrekking tijdens subsidietijdvak) en
                    4:51 Awb (weigering subsidieverlening voor nieuw subsidietijdvak).</al><al/><al><vet>7. Beslistermijnen en Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                        beslissen</vet></al><al>Per 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in
                    werking getreden. Hierdoor lopen bestuursorganen, die zich niet aan de termijnen
                    houden, het risico met een dwangsom te worden geconfronteerd. Het doel van de
                    wet is waarborgen dat de overheid een betrouwbare partner is van burgers,
                    bedrijven en maatschappelijke organisaties. In de wet staat dat de overheid dit
                    onder andere moet doen door tijdig te beslissen op een aanvraag. De aanvrager
                    heeft daar recht op. Tijdig betekent: binnen de geldende termijn. Dat kan een
                    wettelijke of een redelijke termijn zijn. Een beslissing moet zo nodig kunnen
                    worden afgedwongen. Onder bepaalde voorwaarden kan de gemeente de beslistermijn
                    verlengen. De wet omschrijft de volgende situaties:</al><al/><al>- de gemeente verzoekt de aanvrager de aanvraag aan te vullen door meer
                    informatie te verschaffen. </al><al>- de gemeente wacht op informatie uit het buitenland. </al><al>- de aanvrager stemt schriftelijk in met uitstel. </al><al>- de vertraging is te wijten aan de aanvrager, bijvoorbeeld als hij steeds
                    opnieuw vraagt om uitstel van aan te leveren gegevens of de dag voor de
                    beslistermijn afloopt een dik pak met aanvullende gegevens opstuurt. </al><al>- de gemeente is door overmacht niet in staat is te beslissen. Er moeten dan wel
                    abnormale en onvoorziene omstandigheden zijn, waarop de gemeente geen invloed
                    heeft, zoals het volledig afbranden of onder water lopen van het gemeentehuis. </al><al/><al>In bijna alle gevallen dient de gemeente de aanvrager direct mee te delen, dat
                    de beslistermijn is opgeschort en binnen welke termijn alsnog een beslissing
                    moet worden genomen. Met de in de verordening opgenomen mogelijkheid om de
                    beslistermijn te verlengen moet dus niet al te makkelijk worden omgegaan. De in
                    deze Algemene verordening gekozen termijnen voor besluiten zijn met 13 weken aan
                    de ruime kant. Voor de beoordeling van complexe subsidieaanvragen heel redelijk;
                    voor afhandeling van een eenvoudig besluit tot subsidievaststelling zeer ruim.
                    De praktijk leert dat gemeenten wel alert zijn op het verstrijken van de termijn
                    bij een besluit tot aanvraag van een subsidie en minder alert bij besluiten op
                    verzoeken tot vaststellen van een subsidie. De wet biedt voldoende handvatten om
                    proactief te reageren. Zo bestaat de mogelijkheid om, indien nodig, de aanvrager
                    schriftelijk te laten instemmen met onvoorzien uitstel.</al><al/><al><vet>8. Sanctiebeleid</vet></al><al>In de Algemene subsidieverordening zijn geen bepalingen opgenomen over de
                    werkwijze en procedures indien subsidieontvangers zich niet houden aan de
                    procedures en verplichtingen. De Awb geeft hiervoor voldoende handvaten.
                    Bijvoorbeeld, indien aanvragen niet tijdig of onvolledig worden ingediend, dient
                    de subsidieontvanger een termijn gegund te worden waarbinnen de aanvraag kan
                    worden aangevuld, dit volgt uit artikel 4:5 Awb. Voldoet de aanvrager daar niet
                    aan binnen de termijn, dan kan de gemeente de aanvraag op vereenvoudigde wijze
                    afdoen. Dat betekent dat de gemeente niet op de inhoudelijke merites van de
                    aanvraag hoeft in te gaan. Of, indien de aanvrager niet voldoet aan zijn
                    verplichtingen kan de gemeente op grond van de artikelen 4:46 – 4:50 Awb de
                    subsidieverlening intrekken of wijzigen. Aangezien met deze bevoegdheden een
                    inbreuk gemaakt wordt op het vertrouwensbeginsel, dient hiermee terughoudend en
                    in alle redelijkheid te worden omgegaan. Daarbij zijn de ernst van de
                    tekortkoming en de gevolgen van de verlaging voor de subsidieontvanger van
                    belang zijnde factoren. De artikelen 4:50 en 4:51 Awb bieden tevens een handvat
                    voor het afbouwen of niet opnieuw verlenen van subsidies o.a. in verband met
                    bezuinigingen binnen de gemeente.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting op de Algemene Subsidie Verordening gemeente
                        Wageningen 2012</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al>De begripsomschrijvingen in dit artikel van de Asv zijn opgenomen om
                    interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen die al in de Awb worden
                    gebruikt en toegelicht worden zo min mogelijk herhaald. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.2 Reikwijdte van de Algemene
                            subsidieverordening</onderstreept></vet></al><al>Dit artikel is van belang omdat het de terreinen waarop de gemeente subsidie kan
                    geven afbakent. Tevens vallen hier de subsidies onder die rechtstreeks in de
                    begroting zijn opgenomen. De subsidie valt dan rechtstreeks onder de Awb. De Awb
                    biedt voor deze mogelijkheid een uitzonderingsbepaling.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.3 Rechtspersoonlijkheid</onderstreept></vet></al><al>Regel is, dat subsidie wordt verstrekt aan instellingen die een volledige
                    rechtspersoonlijkheid bezitten. Dit artikel biedt de mogelijkheid om daarvan in
                    bijzondere gevallen af te wijken, dat wil zeggen voor activiteiten die passen
                    binnen het subsidiebeleid en waarbij de omstandigheid dat deze niet worden
                    gerealiseerd door een (volledige) rechtspersoonlijkheid bezittende instelling
                    geen beletsel is.</al><al>De eis dat alleen aan rechtspersonen subsidie wordt verleend is mede ter
                    bescherming van de aanvrager. Is de aanvrager een natuurlijk persoon, dan is
                    deze hoofdelijk aansprakelijk c.q. verantwoordelijk voor de besteding van de
                    subsidie. Verder voorkomt het mogelijke fraude en biedt een rechtspersoon meer
                    waarborgen voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten (i.v.m. de
                    continuïteit).</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.4 De rol van de raad</onderstreept></vet></al><al>De bevoegdheidsverdeling in dit artikel geeft aan dat de raad stuurt op
                    hoofdlijnen. De raad stelt het inhoudelijke en financiële kader. Zie ook
                    hoofdstuk 3 van de algemene toelichting.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.5 De rol van het college</onderstreept></vet></al><al>De bevoegdheidsverdeling geeft aan dat het college verantwoordelijk is voor de
                    uitvoering van het door de raad vastgestelde beleid. Zo besluit het college
                    omtrent verlening, intrekking, wijziging en vaststelling van subsidie. Daarnaast
                    is het college bevoegd de nadere regels en beleidsregels vast te stellen ter
                    uitwerking van de Asv. Zie ook hoofdstuk 3 van de algemene toelichting.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.6 Toezichthouders</onderstreept></vet></al><al>In de Awb is in hoofdstuk 5, afdeling 5.1 het nodige geregeld omtrent
                    toezichthouders. Een uitgebreide regeling in de Asv is daarom niet nodig. Wel
                    moet de Asv de mogelijkheid aangeven om toezichthouders aan te wijzen.</al><al>Op grond van het bepaalde in afdeling 5.1 moet de instelling de toezichthouder
                    toegang verlenen tot de accommodatie en de administratie. Hij is bevoegd
                    inlichtingen te vorderen en zo nodig zakelijke bescheiden en gegevens mee te
                    nemen om kopieën te kunnen maken.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.7 Subsidieplafond en
                            verdelingsmaatstaf</onderstreept></vet></al><al>Volgens de Awb kan een subsidieplafond alleen bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift worden ingesteld. Deze Asv doet dat door de bedragen genoemd in de
                    door de raad vastgestelde programma’s of een daaronder vallend product uit de
                    programmabegroting te bestemmen als subsidieplafond.</al><al/><al>Met de vaststelling van een subsidieplafond wordt voorkomen dat een
                    subsidieregeling tot onbegrensde uitgaven leidt. Een subsidie moet namelijk
                    worden geweigerd, voor zover door verstrekking van de subsidie een vastgesteld
                    subsidieplafond zou worden overschreden.</al><al/><al>Het subsidieplafond is dus tevens een weigeringsgrond. Hiertoe is geen verdere
                    motivatie vereist. Verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid Awb is voldoende. De
                    weigeringsplicht geldt overigens niet als het bestuursorgaan te laat is met de
                    aankondiging van een voornemen tot niet-voortzetten van een meer dan drie jaar
                    durende subsidieverstrekking (art. 4:51 Awb).</al><al/><al>De regeling van het subsidieplafond beoogt enerzijds recht te doen aan de
                    rechtszekerheid van subsidieaanvragers, anderzijds aan de
                    begrotingsdiscipline.</al><al/><al>Lid 3 biedt de mogelijkheid om naast het principe van de volgorde van ontvangst
                    ook de mogelijkheid te hebben te kiezen voor een van de volgende
                    verdelingsmaatstaven:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>1.</al></entry><entry><al>aan de hand van alle tijdig ingediende aanvragen en aan de
                                        hand van vastgestelde grondslagen, wordt berekend tot aan
                                        welk totaalbedrag aan subsidie zou moeten worden verleend.
                                        Bij overschrijding van het subsidieplafond wordt de subsidie
                                        van alle in aanmerking komende subsidieaanvragers naar rato
                                        verlaagd. Dit gebeurt door het totaal beschikbare
                                        subsidiebudget te delen door het berekende totaalbedrag en
                                        deze uitkomst te vermenigvuldigen met de individuele
                                        subsidieaanvraag.</al><al/></entry></row><row><entry><al>2.</al></entry><entry><al>aan de hand van alle tijdig ingediende aanvragen, wordt op
                                        basis van vooraf vastgestelde criteria een vergelijk en
                                        beoordeling gemaakt van de aanvragen. Vervolgens worden de
                                        aanvragen tegen elkaar afgewogen en gerangschikt op basis
                                        van kwaliteit. Het beschikbare budget wordt op volgorde van
                                        rangorde verdeeld.</al><al/></entry></row><row><entry><al>3.</al></entry><entry><al>indien de te verlenen subsidie verstrekt wordt op basis van
                                        een (gedeeltelijk) beschikbaar gesteld budget van een “derde
                                        partij” (bijvoorbeeld Rijk of Provincie) zijn de door deze
                                        “derde partij” gehanteerde voorwaarden bepalend voor de
                                        verdeling van deze budgetten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het subsidieplafond incl. de verdelingsmaatstaven moet conform art. 4:27 lid 1
                    Awb bekendgemaakt worden voor aanvang van het tijdvak waarop het betrekking
                    heeft. Ook behoren potentiële subsidieaanvragers te weten dat hun
                    subsidieaanvraag kan worden geweigerd wegens het ontbreken van gelden, ook al
                    voldoet de aanvraag aan de gestelde eisen.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.8 Subsidiesoorten</onderstreept></vet></al><al>Zie hoofdstuk 2 en 5 van de algemene toelichting.</al><al>In de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld welke subsidiesoort
                    (jaarlijks of eenmalig) voor de desbetreffende instelling van toepassing is. Op
                    deze manier is voor de subsidieontvanger meteen duidelijk welke regels op de
                    subsidieverstrekking van toepassing zijn.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.9 Indexering</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Indexering voor instellingen zonder vast personeel </vet></al><al>Ieder jaar wordt de indexering opnieuw bezien en vastgesteld aan de hand van de
                    gemeentelijke begrotingsrichtlijn. In geval van bezuinigingen kan de indexering
                    worden vastgesteld op nul. De betreffende subsidieaanvragers moeten hiervan
                    tijdig (dat wil zeggen vóór 1 april) op de hoogte worden gesteld, opdat zij
                    hiermee rekening kunnen houden bij het opstellen van de begroting voor het
                    volgende kalenderjaar.</al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="colA"/><thead><row><entry><al>Voorbeeld (dit is slechts een fictief voorbeeld:</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>•</al></entry><entry><al>Subsidie jaar A:</al></entry><entry><al>€ 30.000,-</al></entry></row><row><entry><al>•</al></entry><entry><al>inflatie % gemeentebegroting:</al></entry><entry><al>2 % (fictief percentage)</al></entry></row><row><entry><al>•</al></entry><entry><al>Subsidie jaar A+1:</al></entry><entry><al>€ 30.750,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het tweede deel van deze bepaling is bedoeld voor de situaties die zo specifiek
                    zijn dat het wenselijk is dat het college deze mogelijkheid tot haar beschikking
                    heeft. Het college dient bij toepassing hiervan te motiveren waarom zij gebruik
                    maakt van de afwijkingsmogelijkheid. Als het college gebruik maakt van deze
                    afwijkingsmogelijkheid dienen de betreffende subsidieaanvragers tijdig (dat wil
                    zeggen vóór 1 april) op de hoogte worden gesteld, opdat zij hiermee rekening
                    kunnen houden bij het opstellen van de begroting voor het volgende
                    kalenderjaar.</al><al/><al><vet>Indexering voor instellingen met vast personeel </vet></al><al>In de vorige Asv (2007) werd bij de subsidieverlening voor instellingen met vast
                    personeel een onderscheid gemaakt tussen materiële en personele kosten. In de
                    praktijk was de hoogte van de personele en de materiële kosten niet altijd
                    duidelijk. Er werden dan aannames gedaan. Bij de vaststelling van de subsidie
                    werd de indexering van de personele kosten gecorrigeerd met de op dat moment
                    beschikbare CAO-percentages. Daardoor was er vaak pas ver na afloop van het
                    subsidiejaar duidelijkheid over de definitieve hoogte van het subsidiebedrag. </al><al/><al>In de Asv 2012 is geregeld dat het college voor instellingen met vast personeel
                    een ander indexeringspercentage dan genoemd in lid 1 van dit artikel kan
                    vaststellen. Het is van belang dat de aanvragende instelling deze indexering al
                    aangeeft in de begroting die zij op grond van artikel 2.2 lid 2 sub b bij de
                    aanvraag indient. De verantwoordelijkheid voor een juiste indexering ligt
                    daardoor in eerste instantie bij de aanvragende instelling zelf. Het
                    indexeringspercentage bij de subsidieverlening zal dan in principe worden
                    bepaald aan de hand van het bedrag dat de instelling bij de aanvraag aangeeft.
                    Als dit percentage en/of de onderbouwing onvoldoende, onduidelijk of niet
                    aannemelijk zijn, kan het college op grond van artikel 2.2 lid 4 alsnog
                    verzoeken de desbetreffende gegevens te overleggen, te verduidelijken of nader
                    te verklaren. Ook kan het college besluiten bij onvoldoende gegevens op basis
                    van art. 4:5 Awb de aanvraag verder niet in behandeling te nemen. In het
                    algemeen past deze werkwijze bij de terugtredende positie van de overheid en
                    meer in het bijzonder bij het karakter van de subsidierelatie met grotere
                    instellingen, waarbij merendeels sprake is van budgetfinanciering met de nodige
                    eigen verantwoordelijkheid voor de instelling.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.10 Verplichtingen van de
                            subsidieontvanger</onderstreept></vet></al><al>De mogelijkheid tot het opleggen van verplichtingen wordt noodzakelijk geacht om
                    een doelmatig en rechtmatig subsidiebeleid te kunnen voeren. Enkele
                    verplichtingen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb. </al><al/><al>In lid 1 van dit artikel wordt verwezen naar de standaardverplichtingen in
                    artikel 4:37 Awb. Op grond van artikel 4:37 Awb kan het college in de
                    subsidiebeschikking of bij nadere regels verplichtingen opleggen met betrekking
                    tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en
                            inkomsten;</al></li><li nr="c."><al>het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden
                            die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;</al></li><li nr="d."><al>de te verzekeren risico’s;</al></li><li nr="e."><al>het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte
                            activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover
                            deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;</al></li><li nr="g."><al>het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor
                            derden</al></li><li nr="h."><al>het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel
                            393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het
                            bestuursorgaan gevoede financiële beheer en de financiële verantwoording
                            daarover. </al></li></lijst><al>Daarnaast zijn in lid 2 van dit artikel de volgende verplichtingen rechtstreeks
                    bij een subsidieverlening van toepassing verklaard, zodat deze gelden, ook als
                    in de subsidiebeschikking daar niet rechtstreeks naar wordt verwezen: </al><al>- artikel 4:68: de subsidie-ontvanger stelt het boekjaar gelijk aan het
                    kalenderjaar;</al><al>- artikel 4:69 Awb: de subsidie-ontvanger voert een inzichtelijke
                    administratie;</al><al>- artikel 4:70 Awb: de subsidie-ontvanger meldt aanmerkelijke verschillen tussen
                    de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten onder
                    vermelding van de oorzaak daarvan;</al><al>- artikel 4:71 Awb: de subsidie-ontvanger vraagt toestemming voor de deelname in
                    een rechtspersoon, het wijzigen van de statuten e.d..</al><al/><al>De subsidieverplichtingen eindigen als de subsidie wordt vastgesteld.</al><al/><al>In lid 3 is een verplichting opgelegd in de gevallen waarin met vrijwilligers
                    wordt gewerkt. De activiteiten worden immers vaak op vrijwillige basis
                    uitgevoerd. Het is van belang dat deze vrijwilligers in voldoende mate verzekerd
                    zijn. De instelling dient hiervoor zorg te dragen, hetgeen niet wil zeggen dat
                    zij deze verzekering ook zelf dient te bekostigen. </al><al/><al>De meldingsplicht zoals opgenomen in lid 4 verplicht de subsidieontvanger tijdig
                    (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente dat het aannemelijk is
                    dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens
                    alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de
                    subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden
                    gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van
                    meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze
                    meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van
                    artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de
                    ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist
                    was.Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele
                    subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de
                    ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag ligt
                    aan de onderhavige subsidieverordening. De meldingsplicht is bedoeld als
                    tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere het
                    direct vaststellen van subsidies tot € 5.000,- zoals geregeld in artikel 3.1,
                    het vragen van minder tussenrapportages en automatische bevoorschotting.</al><al/><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                    vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de belanghebbende)
                    door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de verplichting om een
                    prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te voeren.</al><al/><al>Lid 5 van dit artikel biedt de mogelijkheid om ontheffing te verlenen van de in
                    lid 2 tot en met 4 opgenomen verplichtingen.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.11 Vergoeding vermogensvorming</onderstreept></vet></al><al>De subsidieontvanger is onder bepaalde omstandigheden verplicht tot het betalen
                    van een schadevergoeding aan de gemeente, wanneer de ontvangen subsidie tot
                    vermogensvorming bij de subsidieontvanger heeft geleid. Hierbij gaat het in het
                    bijzonder om situaties, waarbij vermogensbestanddelen niet langer dienen voor
                    het verwezenlijken van het doel, waarvoor subsidie is verleend: denk aan
                    situaties waarbij de subsidieontvanger goederen vervreemdt, de activiteiten
                    heeft beëindigd, de subsidieverlening of –vaststelling wordt ingetrokken of de
                    rechtspersoon wordt ontbonden.</al><al>Aangezien het niet redelijk is iedere vermogenstoename af te romen is de
                    vergoedingsplicht gehouden aan enkele beperkingen, zoals genoemd in art. 4:41,
                    lid 2, Awb.</al><al/><al>Voorbeeld: De gemeente subsidieert de bouw van een clubhuis. De vereniging heft
                    zichzelf op en verkoopt het clubhuis. De opbrengst van de verkoop na aftrek van
                    de kosten wordt verdeeld onder de leden.</al><al/><al>Voorbeeld: De gemeente subsidieert de exploitatie van een Stichting. De
                    Stichting bouwt een reserve op. De Stichting stopt met de activiteiten waarvoor
                    subsidie is verleend en zet de reserve in voor andere activiteiten die niet
                    passen binnen het gemeentelijke beleid.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1.12 Evaluatieverslag</onderstreept></vet></al><al>In artikel 4:24 van de Awb wordt bepaald dat, indien een subsidie op een
                    wettelijk voorschrift berust, tenminste één maal in de vijf jaar een verslag
                    moet worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie
                    in de praktijk, tenzij bij verordening anders is bepaald. Het artikel in de Asv
                    biedt de mogelijkheid om, als het college van mening is dat de verslaglegging
                    omtrent de subsidieverstrekking onvoldoende inzicht biedt in de doeltreffendheid
                    en de effecten van de subsidie, de subsidieverstrekking te evalueren op
                    gescreend op rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid.</al><al/><al>Onder “rechtmatigheid” wordt in dit verband verstaan of de subsidie is besteed
                    aan het doel, waarvoor zij verstrekt is, onder “doelmatigheid” of het beoogde
                    doel op een efficiëntere manier is gerealiseerd en onder “doeltreffendheid” of
                    het met de subsidieverstrekking beoogde in de beschikking vermelde doel
                    daadwerkelijk is gerealiseerd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Subsidieverlening</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2.1 Termijn voor indiening aanvraag</onderstreept></vet></al><al>Bij dit artikel wordt ten aanzien van de termijn een onderscheid gemaakt tussen
                    de jaarlijkse subsidies en de eenmalige subsidies. Bij eenmalige subsidies is
                    uitgegaan van een termijn van 8 weken voorafgaande aan de activiteit. Hiermee
                    kan er enerzijds al wel voldoende concrete informatie door de subsidie-aanvrager
                    over de activiteit worden aangeleverd, maar is er voor de gemeente ook nog tijd
                    om de aanvraag te kunnen beoordelen en eventueel aanvullende stukken op te
                    vragen. De termijn is bij jaarlijkse subsidies gesteld op uiterlijk 1 mei, dit
                    in verband met de begrotingscyclus.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2.2 Vereisten aanvraag voor subsidie </onderstreept></vet></al><al>Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. Wat een
                    aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. Awb. </al><al/><al>In lid 1 van dit artikel is bepaald dat de aanvraag schriftelijk moet worden
                    ingediend. Met schriftelijk wordt meer bedoeld dan “op papier”. Zo kan de
                    aanvraag ook digitaal worden ingediend, mits het college het door hem
                    vastgestelde aanvraagformulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft
                    gesteld.</al><al/><al>In de leden 2 en 3 is vastgelegd welke gegevens de aanvrager moet overleggen bij
                    zijn subsidieaanvraag. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de aanvraag om
                    een eenmalige en een jaarlijkse subsidie.</al><al/><al><cursief>Aanvraag subsidie</cursief></al><al>In lid 2 zijn de eisen vastgelegd ten aanzien van de te overleggen gegevens bij
                    een aanvraag voor een subsidie. De over te leggen gegevens maken het mogelijk te
                    beoordelen of de subsidiegelden doelmatig en rechtmatig worden ingezet. </al><al/><al>Het gaat om de gegevens als genoemd in artikel 4:61 Awb lid 1, namelijk een
                    activiteitenplan en een begroting. De inhoud van een activiteitenplan is
                    vastgelegd in art. 4:62 van de Awb. Ingevolge dit artikel behelst het
                    activiteitenplan een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt
                    gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen. Daarnaast worden per
                    activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen vermeld,
                    waardoor het college zich een voorlopig oordeel kan vormen over de doelmatigheid
                    waarmee de subsidieontvanger opereert.</al><al/><al>De inhoud van de begroting is vastgelegd in artikel 4:63 Awb. De begroting
                    betreft een overzicht van de voor het boekjaar/kalenderjaar geraamde inkomsten
                    en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de
                    activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. De begrotingsposten moeten ieder
                    afzonderlijk van een toelichting worden voorzien. In lid 4:63 lid 3 wordt
                    bepaald dat, tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog
                    niet eerder subsidie is verstrekt, de begroting een vergelijking bevat met de
                    begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van
                    het jaar, voorafgaand aan het lopende boekjaar. </al><al/><al>Artikel 4:64 Awb verplicht een aanvrager die in het vorige jaar geen subsidie
                    heeft aangevraagd (een zogeheten eerste aanvraag) om een aantal extra stukken te
                    overleggen. Dit is noodzakelijk omdat het bestuursorgaan bij een eerste aanvraag
                    in het algemeen nog niet voldoende inzicht heeft in het reilen en zeilen van de
                    subsidieontvanger. Van de in lid 2 van artikel 4:64 Awb opgenomen verplichting
                    tot het overleggen van een accountantsverklaring bij de laatste jaarrekening kan
                    op grond van artikel 4:64 lid 3 Awb door het college ontheffing worden verleend. </al><al/><al>De bevoegdheid van het college om nadere eisen te stellen of juist vrijstelling
                    of ontheffing te verlenen van bepaalde vereisten is vastgelegd in lid 4. Een
                    vrijstelling heeft betrekking op groepen van gevallen (besluit van algemene
                    strekking), een ontheffing op individuele gevallen (beschikking). Het college
                    kan zo desnoods per geval regelen welke gegevens dienen te worden verstrekt,
                    waarbij het uitgangspunt is dat het college dit doet om de administratieve en
                    bestuurlijke lasten voor alle betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden. De
                    mogelijkheid om van de eisen als genoemd onder af te wijken heeft met name
                    betrekking op de eisen bij de aanvraag voor kleinere subsidies.</al><al/><al>In lid 5 tenslotte is vastgelegd dat artikel 4:65 van toepassing is, dat wil
                    zeggen dat als de aanvrager bij één of meer andere bestuursorganen tevens een
                    aanvraag voor subsidie voor dezelfde activiteit heeft ingediend, hij hiervan
                    mededeling doet in de aanvraag en daarbij de stand van zaken met de betrekking
                    tot de beoordeling van die aanvraag aan de gemeente doorgeeft. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2.3 Afhandelingstermijn aanvraag</onderstreept></vet></al><al>Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te
                    beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte
                    beslistermijnen op een aanvraag om subsidie.</al><al/><al><cursief>Directe subsidievaststelling zonder voorafgaande subsidieverlening bij
                        subsidies tot € 5.000,-</cursief></al><al>Bij aanvragen om subsidie tot € 5.000,- is het uitgangspunt dat aan de
                    beschikking tot subsidievaststelling geen beschikking tot subsidieverlening
                    vooraf gaat. De aanvraag om subsidieverlening is dan de basis voor de
                    subsidievaststelling. De subsidieverlening en tevens directe vaststelling vindt
                    dan uiterlijk binnen 13 weken plaats. Dit is geregeld in artikel 3.1 Asv. In
                    artikel 4:43 Awb is deze procedure vastgelegd, waarbij de artikelen 4:32 Awb
                    (subsidie wordt verleend voor bepaald tijdvak), 4:35 lid 2 Awb
                    (weigeringsgronden subsidieverlening in verband door oorzaak bij de
                    subsidieontvanger ), 4:38 ((doelgebonden verplichtingen) en artikel 4:39 Awb
                    (niet-doelgebonden verplichtingen) tevens van toepassing worden verklaard. </al><al/><al><cursief>Afhandelingstermijn aanvraag subsidies vanaf € 5.000,-</cursief></al><al>In de regel wordt bij een eenmalige subsidie een afhandelingstermijn van acht
                    tot dertien weken redelijk geacht. Uitgangspunt moet zijn, dat afhandelen binnen
                    13 weken de maximale termijn is, in principe wordt de aanvraag zo
                    servicegericht, dus zo snel mogelijk afgehandeld. </al><al/><al>Bij jaarlijkse subsidies ontvangt een instelling de verleningsbeschikking in
                    principe nadat de gemeenteraad de begroting voor het komende jaar heeft
                    goedgekeurd. Uiterlijk 31 december hebben de instellingen de beschikking
                    ontvangen, zodat zij weten op welk bedrag zij kunnen rekenen voor het komende
                    jaar.</al><al/><al>In lid 3 van dit artikel is bepaald dat in nadere regels de beslistermijnen
                    kunnen worden verkort of verlengd. Dit mede vanwege het feit dat de gemeente op
                    grond van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, als zij zich niet
                    aan de door zichzelf gestelde beslistermijnen houdt, met een dwangsom kan worden
                    geconfronteerd. In gevallen waarin de behandeling van aanvragen zeker meer tijd
                    zal vergen dan de hiervoor genoemde termijnen ligt het dan ook voor de hand in
                    nadere regels deze langere beslistermijn vast te leggen. Ook kan het gaan om een
                    (nieuwe) subsidie waarbij eerst moet worden afgewacht of in de begroting
                    hiervoor gelden beschikbaar zullen worden gesteld. </al><al/><al>Daarnaast kan juist een kortere termijn dan zoals in de Asv bepaald uitkomst
                    bieden. Dit geldt bv. als de beslissing op de aanvraag voor een jaarlijkse
                    subsidie op een kortere termijn wenselijk is dan na vaststelling van de
                    gemeentebegroting voor het jaar of de jaren waarvoor de subsidie is aangevraagd.
                    In dat geval kan met een begrotingsvoorbehoud worden gewerkt.</al><al/><al>Onder omstandigheden kan het college zich een termijn van een half jaar gunnen
                    om tot een beslissing te komen. Gezien de complexiteit van bepaalde
                    subsidieaanvragen en de daarmee gemoeide gelden en nagestreefde beleidsdoelen is
                    deze termijn verdedigbaar. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2.4 Bevoorschotting</onderstreept></vet></al><al>In de praktijk wordt meestal met voorschotten gewerkt. Op grond van art. 4:53
                    Awb is voorschotverlening alleen mogelijk indien de Asv dat bepaalt. Afgewogen
                    moet worden of voorschotverlening noodzakelijk is. In principe wordt er voor
                    100% bevoorschot, dat wil zeggen dat het verleende subsidiebedrag in principe
                    bij voorschot wordt uitbetaald. Er wordt naar gestreefd om bevoorschotting
                    plaats te doen vinden op de eerste van de maand, het kwartaal of het jaar waarop
                    deze betrekking heeft. Als er tegelijkertijd met een subsidieverlening meteen
                    wordt vastgesteld is dit artikellid niet aan de orde.</al><al/><al>Welk systeem van bevoorschotting wordt gehanteerd wordt vastgelegd in lid 2.
                    Doel van bevoorschotting is het op zorgvuldige wijze omgaan met overheidsgelden,
                    maar ook het voorkomen van renteverlies aan de zijde van de gemeente. </al><al/><al>De wijze waarop de bevoorschotting plaatsvindt wordt in principe in de
                    beschikking tot subsidieverlening meegenomen. Als er toch een separaat besluit
                    over bevoorschotting wordt genomen is er sprake van een beschikking waartegen
                    bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al>De beslissing omtrent de bevoorschotting verplicht tot uitbetaling. Artikel 4:87
                    Awb geeft als standaardtermijn voor de betaling van geldschulden een termijn van
                    6 weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Van
                    deze termijn kan bij wettelijk voorschrift worden afgeweken. In de Asv is deze
                    termijn bepaald op 8 weken.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2.5 Weigeringsgronden</onderstreept></vet></al><al>De in dit artikel genoemde weigeringsgronden bevatten een aanvulling op de
                    weigeringsgronden die al in artikel 4:25 en 4:35 Awb zijn vermeld. Artikel 4:25,
                    tweede lid Awb bepaalt dat een subsidie moet worden geweigerd (NB dit is
                    verplicht) indien door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou
                    worden overschreden. Het betreft hier het deel dat boven het subsidieplafond
                    uitstijgt. Dit betekent dat in de weigeringsbeschikking niet meer behoeft te
                    worden gemotiveerd, waarom het belang van de begrotingsdiscipline zwaarder moet
                    wegen dan de belangen van de aanvrager. Artikel 4:35 betreft diverse
                    omstandigheden aan de zijde van of te wijten aan de aanvrager.</al><al/><al>Naast de weigeringsgronden in de Awb en de Asv kunnen in specifieke situaties in
                    de beschikking nog andere weigeringsgronden worden geformuleerd. Zowel de
                    artikelen van de Awb als de gronden in de Asv of beschikking vereisen een
                    deugdelijke motivatie.</al><al/><al>De voorwaarden en criteria genoemd onder lid a zijn alle verplichtingen en
                    vereisten zoals deze in de Asv zijn geformuleerd. Bijvoorbeeld de vereisten
                    genoemd in artikel 3.2.</al><al/><al>De aanvullende weigeringsgronden zijn opgenomen om een extra waarborg in te
                    bouwen voor de rechtmatige en doelmatige besteding van subsidiegelden.</al><al/><al>Art. 3.5 sub b geeft aan dat een subsidie altijd aanvullend is, dat wil zeggen,
                    subsidie wordt in principe alleen verstrekt als een instelling niet zelf in zijn
                    financiële middelen kan voorzien. Hieronder worden tevens begrepen activiteiten
                    die gefinancierd kunnen worden uit een “voorliggende voorziening”, zoals
                    bijvoorbeeld de AWBZ, als activiteiten die gefinancierd kunnen worden uit
                    ondersteunende acties en/of bijdragen van betrokken groeperingen, instanties,
                    instellingen of bedrijven.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2.6 Wet Bibob</onderstreept></vet></al><al>Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in artikel 3.6. Het betreft het
                    geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de Wet Bibob niet kan
                    doorstaan, dat wil zeggen dat er een vermoeden bestaat dat de subsidie voor
                    criminele doeleinden e.d. zal worden gebruikt. Artikel 6 Wet Bibob biedt de
                    mogelijkheid om de subsidie om die reden te weigeren mits de mogelijkheid
                    hiertoe in de subsidieregeling, de Asv, is opgenomen. </al><al/><al>Het is niet mogelijk te bepalen dat de Wet Bibob generiek op alle subsidies
                    wordt toegepast. Het college dient zelf een afweging te maken in welke situatie
                    en voor welke (soort) subsidies de toepassing zinvol is. Als deze afweging is
                    gemaakt dient het college hiervoor vervolgens goedkeuring te vragen aan de
                    ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (artikel
                    6 lid 3 Wet Bibob). </al><al/><al>Indien deze weigeringsgrond niet zou zijn opgenomen, dan zou het kunnen
                    betekenen dat het college gehouden is subsidie te verlenen aan aanvragers aan
                    wie het college geen vergunning voor niet-subsidiabele activiteiten zou
                    verlenen. Daarbij is niet van belang of de activiteiten, waarvoor subsidie wordt
                    gevraagd, op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat bij deze
                    weigeringsgrond louter om de persoon, dan wel rechtspersoon van de
                    aanvrager.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Subsidievaststelling </vet></al><al>De vaststelling van subsidies wordt geregeld in hoofdstuk 3 Asv en in artikel
                    4:42 tot en met 4:47 Awb. </al><al/><al>Bij het systeem van verantwoording van de subsidies zoals geregeld in de
                    artikelen 3.1 t/m 3.3 Asv is aansluiting gezocht bij de nota ‘Kaderbeheer
                    financieel beheer rijkssubsidies’ en wel in die zin, dat de wijze van
                    verantwoording afhankelijk is gemaakt van de hoogte van de subsidies.</al><al/><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in artikel 3.2 lid 3 en 3.3 lid 3
                    geregeld dat alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen worden gevraagd.
                    Daarmee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt, dat de
                    verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het
                    subsidiebedrag. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 3.1 Vaststelling subsidies tot <onderstreept><vet>€
                                    5000,-</vet></onderstreept></vet></onderstreept></al><al>Op de afhandeling van subsidies tot € 5000,- is het bepaalde in artikel 4:43 Awb
                    van toepassing: nadat de aanvraag voor subsidieverlening is ingediend wordt er
                    direct vastgesteld, de subsidieverlening wordt “overgeslagen”. Dit gelet op het
                    geringe bedrag en het veelal eenmalige karakter van de subsidie. Er is dus
                    sprake van een rechtstreekse vaststellingsbeschikking aan de hand van de
                    aanvraag om subsidieverlening. De subsidieontvanger hoeft dan achteraf niet
                    standaard verantwoording af te leggen aan de subsidieverstrekker, er hoeft geen
                    aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) te worden ingediend.
                    Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de
                    subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al/><al>Ook indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a
                    worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de
                    subsidie (bijvoorbeeld een ‘waarderingssubsidie’ dwz subsidies die verstrekt
                    worden om waardering voor de activiteiten van de ontvanger uit te drukken zonder
                    daarbij verder zware verantwoording te eisen) en risicoafweging van de
                    subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling is mogelijk,
                    maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering.</al><al/><al>In het geval van verlening, gevolgd door ambtshalve vaststelling (eerste lid,
                    onderdeel b), wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde
                    activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen 13 weken
                    na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve
                    (zonder voorafgaande aanvraag) vastgesteld door de subsidieverstrekker. De
                    ambtshalve vaststelling zal in de praktijk veelal al vóór het verstrijken van de
                    termijn gebeuren, namelijk als het vanuit oogpunt van een efficiënte werkwijze
                    wenselijk wordt geacht, dat dergelijke vaststellingsbeschikkingen op een vaste
                    datum worden genomen. Wel dient de gemeente binnen een beperkte termijn, hier is
                    gekozen voor 13 weken na afloop van de activiteit, te reageren.</al><al/><al>Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling is er juridisch meer
                    mogelijkheid om op te treden, indien de gemeente bemerkt dat de activiteit niet
                    (geheel) is gerealiseerd. De subsidie is immers niet bij verstrekking reeds
                    vastgesteld. De subsidieontvanger dient, desgevraagd, op een door het college in
                    de beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de
                    subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen. De subsidieverstrekker zal steekproefsgewijs van deze
                    bevoegdheid gebruik maken.</al><al/><al>Overigens kan middels de meldingsplicht in artikel 1.10 lid 4 Asv ook na de
                    directe subsidievaststelling nog inzicht worden verkregen in de besteding van de
                    subsidiegelden. Immers de subsidieontvanger is op grond van deze bepaling
                    verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente dat
                    het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet
                    geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen wordt verricht. In
                    dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere
                    afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld
                    het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet
                    voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met
                    toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden
                    ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling
                    onjuist was. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3.2. Indienen aanvraag subsidievaststelling vanaf €
                            5.000,- tot € 50.000,- </onderstreept></vet></al><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem verleende
                    subsidie aan het college dient te verantwoorden. De wijze van verantwoording
                    wordt al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend
                    gemaakt. In artikel 4:45 Awb is geregeld wat bij de subsidievaststelling moet
                    worden aangetoond. Lid 1 van artikel 4:45 Awb bepaalt dat moet worden aangetoond
                    dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten
                    wordt vastgesteld, dus bij toekomstige activiteiten. In dat laatste geval moet
                    worden teruggevallen op artikel 4:2 Awb, de algemene bepaling over bij een
                    aanvraag in te dienen gegevens. In artikel 4:45 lid 2 Awb is bepaald dat de
                    subsidieontvanger rekening en verantwoording moet afleggen omtrent de aan de
                    activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                    vaststelling van de subsidie van belang zijn. In de Asv wordt uitgegaan van een
                    activiteitenverslag en een financieel verslag, waarbij voor de omschrijving
                    daarvan voor de duidelijkheid en eenduidigheid is aangesloten op de wijze van
                    verantwoorden bij subsidies boven de € 50.000,- (zie artikel 3.3 lid 2 Asv). </al><al/><al>Ingevolge het derde lid kan het college bepalen dat voor de verantwoording van
                    de subsidieverlening andere of minder dan de in dit artikel genoemde gegevens
                    vereist zijn. Waar het hier mede om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers
                    speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij
                    gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken,
                    dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor de subsidie werd
                    verstrekt.</al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 3.3 Indienen aanvraag subsidievaststelling vanaf
                                <cursief>€ 50.000,-</cursief></vet></onderstreept></al><al>Bij jaarlijkse subsidies kan op grond van deze bepaling er dus voor worden
                    gekozen om óf na afloop van een gedeelte van het tijdvak, dat wil zeggen na
                    ieder kalenderjaar de subsidie vast te stellen, óf na afloop van het gehele
                    subsidietijdvak. Dit kan in de beschikking tot subsidieverlening worden
                    aangegeven. Voor eenmalige subsidies is het vaststellingsmoment eenmalig, te
                    weten na afloop van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend. De
                    vaststelling van de subsidie kan na afloop van het jaar, danwel na afloop van
                    het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend. </al><al>Op grond van dit artikel worden op de vaststelling van subsidies vanaf €
                    50.000,- de artikelen 4:75 tot en met 4:80 Awb van toepassing verklaard. </al><al>Artikel 4:75 Awb bepaalt de aanvraag tot vaststelling in ieder geval vergezeld
                    gaat van een financieel verslag en activiteitenverslag. </al><al>In artikel 4:76 Awb is omschreven wat onder een financieel verslag wordt
                    verstaan bij volledige subsidiëring, dat wil zeggen dat de subsidie-ontvanger
                    zijn inkomsten geheel ontleed aan de subsidie. </al><al>Artikel 4:77 Awb bepaalt wat de inhoud van een financieel verslag moet zijn bij
                    niet-volledige subsidiëring. </al><al/><al>Artikel 4:78 betreft de accountantsverklaring, waarvan bij wettelijk voorschrift
                    of per individuele beschikking vrijstelling respectievelijk ontheffing kan
                    worden verleend. In de Asv wordt van deze vrijstellingsmogelijkheid gebruik
                    gemaakt door alleen bij subsidies vanaf € 50.000,- een accountantsverklaring te
                    eisen. </al><al>Artikel 4:79 Awb betreft een uitbreiding van de accountantscontrole met de
                    controle op de naleving van de subsidieverplichtingen. </al><al>Artikel 4:80 bevat de inhoud van het activiteitenverslag, namelijk een
                    beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten waarvoor
                    subsidiewerd verleend en een vergelijking tussen de nagestreefde en de
                    gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen.</al><al>Ook hier is, evenals in artikel 3.2, in het derde lid vastgelegd dat het college
                    kan bepalen dat voor de verantwoording van de subsidieverlening andere of minder
                    dan de in dit artikel genoemde gegevens vereist zijn. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3.4 Verzoek om uitstel van het indienen van de
                            gegevens tot subsidievaststelling</onderstreept></vet></al><al>Er kunnen redenen zijn waarom een instelling niet kan voldoen aan de termijn als
                    bedoeld in artikel 3.2 en 3.3. Dit artikel biedt de mogelijkheid om dit
                    schriftelijk en onderbouwd voor te leggen aan het college. In lid 2 worden de
                    indieningstermijnen genoemd die bij het inwilligen van het uitstel in beeld
                    komen. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 3.5 Afhandelingstermijn aanvraag subsidievaststelling vanaf €
                            5.000,</vet></onderstreept></al><al>In lid 1 van dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit
                    ter zake van de vaststelling van de subsidie. Dit geldt dus voor alle subsidies
                    vanaf € 5.000,-, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                    3.1. lid 2. </al><al/><al>Artikel 3.5 lid 2 biedt de mogelijkheid om de beslistermijn op te schorten. </al><al/><al>Artikel 3.4 lid 3 biedt de basis om, als de aanvraag niet binnen de daarvoor
                    gestelde termijn is ingediend, na een rappel tot ambtshalve vaststelling (zonder
                    voorafgaande aanvraag) van de subsidie over te gaan.Op deze wijze kan de
                    procedure toch worden afgerond zonder dat de gemeente moet blijven wachten tot
                    de subsidie-ontvanger actie onderneemt. Dit in aansluiting op artikel 4:44 lid 3
                    en 4 Awb.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3.6 Betaling</onderstreept></vet></al><al>De instellingen hebben recht op een vlotte afwikkeling als de subsidie eenmaal
                    is vastgesteld. Ook hier is, in aansluiting op het bepaalde in artikel 2.4 Asv
                    omtrent de uitbetaling van voorschotten, gekozen voor een termijn van 8 weken.
                    Het gaat hier om de feitelijke uitbetaling aan de hand van de
                    subsidievaststelling, er is geen sprake van een aparte beschikking waartegen
                    bezwaar mogelijk is. Dit in tegenstelling tot bij de bevoorschotting, waarbij
                    wel sprake is van een aparte beschikking, tenzij in de beschikking tot
                    subsidieverlening de bevoorschotting al is meegenomen. </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4.1 Hardheidsclausule</onderstreept></vet></al><al>Dit artikel is opgenomen om ten opzichte van een instelling in begunstigende zin
                    te kunnen afwijken van deze Asv. Daarvoor is wel nodig dat sprake is van
                    bijzondere omstandigheden.</al><al>De aanduiding “hardheidsclausule” geeft aan, dat zich bijzondere omstandigheden
                    kunnen voordoen, waarin een strikte toepassing van één of meer artikelen in
                    redelijkheid niet kan worden verlangd.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4.2 Overgangsbepaling</onderstreept></vet></al><al>Een aantal verordeningen komt te vervallen met de inwerkingtreding van de nieuwe
                    algemene subsidieverordening. Een aantal deelverordeningen en voormalige
                    beleidsregels zijn vervangen door nadere regels. Het overgangsrecht strekt ertoe
                    om, in het geval subsidieverlening nog onder het oude recht heeft
                    plaatsgevonden, de subsidie volgens dat zelfde regime wordt vastgesteld.Voor
                    jaarlijkse subsidies geldt het jaar 2012 nog als overgangsjaar. Dit aangezien de
                    aanvragen hiervoor al in 2011, nog op basis van de Asv 2007, zijn
                    ingediend.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4.3 Inwerkingtreding</onderstreept></vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4.4 Citeertitel</onderstreept></vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>