<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR130629_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels tijdelijke omgevingsvergunning</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ermelo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ermelo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ermelo's weekblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels tijdelijke omgevingsvergunning</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 2.12 lid 2 Wabo</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nvt</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>tijdelijke omgevingsvergunning</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels tijdelijke omgevingsvergunning</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Nieuw afdeling</vet></al><al/><al/><al>Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna:
                        de Wabo) in werking getreden. De Wabo vervangt onder andere delen van de
                        Wet ruimtelijke ordening (Wro). </al><al>Vóór de invoering van de Wabo had het college van burgemeester en
                        wethouders voor de toepassing van artikel 3.22 Wro beleidsregels
                        opgesteld. Dit beleid gaf handvaten voor het verlenen van medewerking
                        aan een tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan. Nu de Wabo in
                        werking is getreden is het artikel 3.22-beleid niet meer rechtsgeldig.
                        Daarom zal nieuw beleid voor een tijdelijke omgevingsvergunning (thans
                        artikel 2.12, tweede lid, juncto 2.24 Wabo) moeten worden
                        vastgesteld.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>2.Juridisch kader</label></kop><paragraaf><kop><label>Wro</label></kop><structuurtekst><al>In artikel 3.22, eerste lid, Wro staat dat burgemeester en
                                wethouders met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte
                                voor een bepaalde termijn ontheffing kunnen verlenen van een
                                bestemmingsplan. De termijn kan en mag ten hoogste vijf jaar
                                belopen. Aan de tijdelijke ontheffing kunnen voorschriften worden
                                verbonden.</al><al>De wetgever heeft geen enkele ruimte gegeven om hiervan af te wijken
                                of de mogelijkheid gegeven de tijdelijke ontheffing te verlengen. </al><al>In het tweede lid van artikel 3.22 Wro worden regels gegeven met
                                betrekking tot de situatie na afloop van de tijdelijke ontheffing.
                                Vergunninghouder kan kiezen tussen herstel van de oude toestand of
                                aanpassen aan het bestemmingsplan.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Wabo</label></kop><structuurtekst><al>In artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo staat dat in afwijking van
                                het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º (het
                                projectafwijkingsbesluit waarbij er geen strijd is met een goede
                                ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede
                                ruimtelijke onderbouwing bevat), de vergunning, voor zover zij
                                betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn, kan
                                worden verleend indien die activiteit niet in strijd is met een
                                goede ruimtelijke ordening. </al><al>Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het
                                Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), wordt in een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste
                                lid, onder a, van de wet, van een bouwwerk, bestemd om in een
                                tijdelijke behoefte te voorzien bepaald dat zij slechts geldt voor
                                een daarin aangegeven termijn. Ingevolge artikel 5.16, tweede lid,
                                van het Bor is in de categorie gevallen, bedoeld in het eerste lid,
                                aanhef en onder a, de termijn ten hoogste vijf jaar. </al><al>In het vierde lid is bepaald dat de termijn kan worden verlengd,
                                voor zover het een woning betreft, en de termijn in eerste instantie
                                op minder dan vijf jaar is gesteld, kan worden verlengd tot maximaal
                                vijf jaar. </al><al>Ingevolge artikel 5.18, eerste lid, van het Bor wordt in een
                                omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
                                eerste lid, onder c, van de wet, die voorziet in een tijdelijke
                                behoefte, bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven
                                termijn van ten hoogste vijf jaar. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Wijzigingen ten opzichte van de Wro</label></kop><structuurtekst><al>Er lijkt geen wijziging ten opzichte van de Wro te zijn. Wel valt
                                het op dat in de Wabo uitdrukkelijk gesteld wordt dat de tijdelijke
                                vergunning niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke
                                ordening. In de Wro werd dit niet uitdrukkelijk aangegeven. Dit in
                                tegenstelling tot bij een projectafwijkingsbesluit op basis van de
                                Wabo, waarbij dit wel gemotiveerd moet worden, is dit kennelijk niet
                                nodig in het geval van een tijdelijke vergunning. Het lijkt erop dat
                                het bevoegd gezag in de tijdelijke vergunning kan volstaan met de
                                stelling dat er geen strijd is met een goede ruimtelijke
                                ordening.</al><al>Een ander punt dat opvalt, is dat de mogelijkheid voor een
                                tijdelijke vergunning slechts mogelijk is voor de activiteiten
                                bouwen en gebruik van gronden. Van een tijdelijke vergunning voor
                                het uitvoeren van werkzaamheden of brandveilig gebruik wordt niet
                                gerept. Wellicht komt dit door het meer permanente karakter van deze
                                vergunningen, hoewel het bouwen van een bouwwerk in dat opzicht net
                                zo permanent is. Hoe dan ook, de wetgever heeft deze beide gevallen
                                expliciet benoemd. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>De Memorie van Toelichting op de Wabo en het Bor</label></kop><structuurtekst><al>De Memorie van Toelichting (MvT) op de Wabo zwijgt ten aanzien van
                                de verschillen tussen de oude situatie onder de Wro en die onder de
                                Wabo. De MvT laat enkel zien dat de mogelijkheid bestaat om een deel
                                van de activiteiten die wordt aangevraagd, tijdelijk te vergunnen.
                                Het voorbeeld dat wordt genoemd is de bouw van een bouwwerk, waar
                                tijdelijk stoffen worden opgeslagen. Indien alle activiteiten
                                tijdelijk zouden worden toegekend, betekent dit dat het bouwwerk na
                                afloop van de termijn ook zou moeten worden afgebroken. </al><al>De MvT op het Bor geeft ten aanzien van artikel 5.16 aan dat de
                                achtergrond van het feit dat grenzen zijn gesteld aan de
                                instandhoudingtermijn voor tijdelijke bouwwerken, is dat voor
                                dergelijke bouwwerken ingevolge het op de Woningwet (hierna: de Ww)
                                gebaseerde Bouwbesluit 2003 minder zware eisen gelden dan voor
                                bouwwerken met een permanent karakter. De instandhoudingtermijn voor
                                tijdelijke bouwwerken, voor zover het betreft woningen, bedraagt,
                                ook na een eventuele verlenging, maximaal vijf jaar. Voor tijdelijke
                                bouwwerken, niet zijnde woningen, kan de instandhoudingtermijn, ook
                                na verlenging, meer dan vijf jaar bedragen, indien de duur van de
                                voorlopige bestemming is verlengd. Deze regeling is ontleend aan
                                artikel 45, vijfde lid, van de Ww. </al><al>De MvT geeft hier dus aan, dat bij bouwwerken, geen woning zijnde,
                                een langere termijn dan vijf jaar vergund kan worden. Wij nemen aan
                                dat het nog steeds moet gaan om een aanvraag voor een tijdelijke
                                behoefte. Het is de vraag waar de grens tussen tijdelijke en
                                permanente behoefte ligt. Wellicht verschilt dit per geval en moet
                                ook per geval bekeken worden of er reden is een langere termijn te
                                vergunnen. Het is even de vraag of dit meteen bij de eerste
                                toekenning van de vergunning kan, of dat in eerste instantie een
                                vergunning voor de duur van vijf jaar wordt verleend, waarna dit
                                verlengd kan worden. </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Jurisprudentie</label></kop><structuurtekst><al>Op 17 maart 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van
                                State (hierna: ABRvS) in twee uitspraken duidelijk gemaakt hoe de
                                ABRvS denkt over de tijdelijke omgevingsvergunning.</al><al>De ABRvS sluit zich aan bij een soepele uitleg van artikel 3:22 Wro.
                                De ABRvS overweegt “dat dit niet betekent dat bij de toepassing van
                                artikel 3.22 Wro niet vereist is dat aannemelijk is dat de behoefte
                                aan de voorziening waarvoor tijdelijk ontheffing wordt verleend,
                                niet langer dan vijf jaar zal bestaan. Artikel 3.22 Wro bepaalt
                                immers nog steeds dat de ontheffing voor niet langer dan vijf jaar
                                kan worden verleend. Steun voor deze opvatting wordt voorts gevonden
                                in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.22 Wro”. De
                                ABRvS oordeelt dat het door de voorzieningenrechter is miskend dat
                                na het verstrijken van de termijn waarvoor ontheffing is verleend,
                                geen behoefte meer mag bestaan aan enige vorm van voorziening in de
                                wijk. De ABRvS wijst in beide uitspraken nadrukkelijk naar de
                                wetsgeschiedenis, waarin ook concrete voorbeelden zijn genoemd van
                                ontheffingsmogelijkheden, zoals een noodlokaal of noodwinkel. De
                                ABRvS stelt wel dat het wel aannemelijk moet zijn dat de betreffende
                                voorziening niet langer op het perceel aanwezig zal zijn. De Raad
                                overweegt dat dit niet slechts gebaseerd kan worden op intenties en
                                verwachtingen. In de eerste zaak werd dit wel aangetoond, doordat
                                een ontwerp-bestemmingsplan inmiddels ter inzage was gelegd en door
                                de gemeentelijke commissie onderwijshuisvesting ingestemd was met de
                                bouw van de school. </al><al>In de tweede zaak ging het college wel onderuit, omdat onvoldoende
                                concreet zicht was op de tijdelijke behoefte op dat perceel,
                                aangezien het vestigen van de vaste ontmoetingsplek voor jongeren
                                afhankelijk was van het vertrek van een BSO, die weer afhankelijk
                                was van de vondst van andere huisvesting. </al><al>Inmiddels is dit vaste rechtspraak geworden van de Raad van State.
                                De rechters zijn ook van oordeel dat de Wabo geen wijziging heeft
                                beoogd te brengen in de toepassing van de rechtspraak van de
                                Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreffende
                                artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening en haar voorganger
                                artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waar het betreft
                                de vraag in hoeverre aannemelijk gemaakt moet zijn dat de
                                desbetreffende voorziening tijdelijk is. </al><al>Dat betekent dat ook voor een voorziening waar permanent behoefte
                                aan is, een omgevingsvergunning mag worden verleend, in het geval
                                dat aannemelijk gemaakt wordt dat aan deze voorziening na afloop van
                                de gestelde termijn op de thans beoogde plaats geen behoefte meer
                                bestaat. Dat kan zijn doordat nu al aannemelijk is dat deze
                                voorziening, waaraan immers permanente behoefte bestaat, over 5 jaar
                                elders wordt gesitueerd. De rechter geeft wel aan dat het niet de
                                bedoeling van een tijdelijke omgevingsvergunning is, om vooruit te
                                lopen op planologische besluitvorming en met het oog daarop reeds de
                                voorziening, waaraan volgens een aanvrager grote behoefte is.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3.Gemeentelijk beleid</label></kop><structuurtekst><al>Onder artikel 3.22 Wro had het college van burgemeester en wethouders
                            een duidelijk beleid vastgesteld. Het verdient de voorkeur dat dit
                            beleid zoveel mogelijk wordt voortgezet, waarbij aangesloten wordt bij
                            de lijn die is uitgezet door de ABRvS. De interpretatie van de ABRvS van
                            tijdelijke vergunningen onder de Wabo biedt deze mogelijkheid ook. Voor
                            toetsing van de tijdelijke omgevingsvergunning wordt de aanvraag langs
                            de gebruikelijke weg afgerond, dat wil zeggen dat de afdelingen die
                            normaal gesproken advies worden gevraagd voor een bouwplan (zoals de
                            afdelingen Openbare werken en Groen) ook in het geval van een tijdelijke
                            ontheffing zullen worden geraadpleegd. De aanvraag en de toekenning
                            worden ook gepubliceerd in “Het Ermelo’s Weekblad”, zodat
                            belanghebbenden een zienswijze kunnen indienen en bezwaar kunnen
                            maken.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>4.Toetscriteria</label></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager dient aan te tonen dat de activiteit voorziet in
                                    een tijdelijke behoefte. Hiervoor dient de aanvrager
                                    schriftelijk gemotiveerd aan te tonen dat er sprake is van een
                                    tijdelijke behoefte aan die activiteit, hierbij zullen zowel de
                                    tijdelijkheid als de daadwerkelijke behoefte moeten worden
                                    aangetoond. In geval van een bouwwerk toont de aanvrager tevens
                                    aan, op welke manier het bouwwerk in stand wordt gehouden;</al></li><li nr="2."><al>het college dient te onderzoeken of de gewenste situatie
                                    strijdig is met een goede ruimtelijke ordening; </al></li><li nr="3."><al>bij woonunits voor tijdelijke huisvesting van bewoners waarvan
                                    de woning wordt verbouwd of vervangen, worden de volgende
                                    specifieke voorwaarden gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de unit mag alleen geplaatst worden op het perceel waar
                                            de te verbouwen of te vervangen woning staat. Indien het
                                            perceel bij een ander dan de aanvrager van de tijdelijke
                                            vergunning in eigendom is, dient de eigenaar
                                            uitdrukkelijk schriftelijk toestemming te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de tijdelijke omgevingsvergunning kan pas worden
                                            verleend nadat een omgevingsvergunning is verleend voor
                                            het verbouwen of vervangen van de woning; </al></li><li nr="c."><al>de unit moet binnen drie maanden nadat de verbouwing of
                                            vervanging gereed is gemeld door de gemeente, zijn
                                            verwijderd, inclusief alle daarbij behorende tijdelijke
                                            voorzieningen. De afwijking van het bestemmingsplan
                                            geldt voor maximaal 5 jaar; en</al></li><li nr="d."><al>indien belanghebbende na plaatsing van de unit tijdelijk
                                            of volledig afziet van de nieuwbouw door middel van het
                                            intrekken (ambtshalve of op verzoek) van de vergunning,
                                            moet de unit binnen één maand nadat dit door de
                                            toezichthouder of toetser is geconstateerd, worden
                                            verwijderd;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>de regels ten aanzien van woonunits gelden ook voor tijdelijke
                                    bedrijfsunits; en</al></li><li nr="5."><al>in geval van een calamiteit kan het college afwijken van het
                                    gestelde onder b; </al></li><li nr="6."><al>in geval vooraf duidelijk is dat de tijdelijkheid langer is dan
                                    5 jaar, kan het college een andere termijn stellen. Dit geldt
                                    niet voor bouwwerken die als woning in gebruik worden
                                    genomen;</al></li><li nr="7."><al>indien na afloop van de termijn van vijf jaar blijkt dat de
                                    tijdelijke behoefte nog bestaat, kan het college de termijn
                                    verlengen. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>5.Toelichting op de toetscriteria</label></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager moet duidelijk omschrijven waar de tijdelijke
                                    omgevingsvergunning voor nodig is. Hierbij moet tevens
                                    omschreven worden waarom deze behoefte er is, voor welke periode
                                    en op welke manier één en ander wordt gerealiseerd en wordt
                                    onderhouden, wat voor unit geplaatst wordt (kwaliteit). Dit is
                                    een cruciaal punt in de verlening van de tijdelijke vergunning.
                                    De ABRvS heeft duidelijk aangegeven dat het concreet genoeg moet
                                    zijn dat de behoefte aan dat bouwwerk na de vergunde periode
                                    niet meer bestaat. Er zijn twee voorbeelden bekend waar de ABRvS
                                    heeft geoordeeld of de situatie concreet genoeg was. Deze
                                    voorbeelden kunnen als leidraad dienen. Tevens kan gedacht
                                    worden aan het hebben van een omgevingsvergunning of, bij
                                    niet-woon/bedrijfsunits, een ontvankelijke aanvraag om
                                    omgevingsvergunning;</al></li><li nr="2."><al>Uit artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo is af te leiden dat er
                                    geen sprake moet zijn van strijd met een goede ruimtelijke
                                    ordening. Dit kan alleen door het college onderzocht worden. Het
                                    is niet verplicht om dit in de vergunning te onderbouwen, maar
                                    met het oog op efficiency en bezwaar en beroep is het wel
                                    aanbevolen om hier iets van op papier te zetten, bijvoorbeeld in
                                    een intern advies, zodat in een juridische procedure al meteen
                                    duidelijk is wat de afwegingen zijn geweest van het bevoegd
                                    gezag;</al></li><li nr="3."><al>in situaties waarbij een tijdelijke omgevingsvergunning is
                                    verleend voor een termijn van vijf jaar, maar de herbouw van de
                                    woning is na twee jaar gereed gemeld door de gemeente, moet de
                                    woonunit wel binnen drie maanden verwijderd worden. De
                                    tijdelijke behoefte aan de woonunit met bijbehorende
                                    voorzieningen (zoals bijvoorbeeld een extra gerealiseerde
                                    uitrit), is met het gereedmelden van de nieuwe woning immers
                                    niet meer aanwezig. Het perceel moet zoveel mogelijk in de oude
                                    staat teruggebracht worden, zodat niet meer zichtbaar is dat de
                                    unit er gestaan heeft.</al></li></lijst><al>In het geval dat de eigenaar van een ander perceel toestemming heeft
                            gegeven om de unit op zijn perceel te (laten) plaatsen, moet er een
                            schriftelijke onderbouwing gegeven worden waarom plaatsing op een ander
                            perceel noodzakelijk is. Het college moet expliciet instemmen met
                            plaatsing op een ander perceel. De eigenaar van dat perceel moet ook
                            uitdrukkelijk toestemming gegeven worden om de unit te (laten)
                            verwijderen;</al><lijst><li nr="4."><al>het is van belang om de specifieke criteria voor woonunits ook
                                    toe te passen op bedrijfsunits, dit onder andere om een stok
                                    achter de deur te hebben dat er ook daadwerkelijk actie
                                    ondernomen wordt door belanghebbende;</al></li><li nr="5."><al>door het tenietgaan van een woning of bedrijfsgebouw kan het
                                    onredelijk zijn om te verwachten dat er een omgevingsvergunning
                                    ligt. Bij “calamiteit” kan gedacht worden aan gehele of
                                    gedeeltelijke verwoesting door brand of storm. Hier moet door de
                                    toetsers maatwerk worden toegepast per concreet geval. Hierbij
                                    moet wel gewaakt worden voor precedentwerking;</al></li><li nr="6."><al>deze termijn moet geen permanent karakter hebben. Dit wordt
                                    natuurlijk al ondervangen doordat er vooraf een concreet zicht
                                    moet zijn wat de tijdelijkheid inhoudt;</al></li><li nr="7."><al>zie onder 6. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>