<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR130507_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Westerveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Da's Mooi, 27-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0005416/article=220">Gemeentewet, artikel 220</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11/24568</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van
            onroerende-zaakbelastingen 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Westerveld;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        15 november 2011;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1 Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen
                            de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                            geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen
                                    op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst><al>3 Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet Waardering Onroerende Zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            Waardering Onroerende Zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2 Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                            vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet Waardering Onroerende
                            Zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                            overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
                            artikelen 17, 18 en 20, tweede lid van de Wet Waardering Onroerende
                            Zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet
                                    bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende
                                    gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken.</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                    voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten
                                    gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                    verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, abri's, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van
                                    zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li></lijst><al>2 De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                            lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al><al>3 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1 Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de eigenarenbelasting : 0,0820 %</al></li><li nr="b."><al>de gebruikersbelasting: 0,0611 %</al></li></lijst><al>2 Voor belastingbedragen tot € 5,-- vindt geen invordering plaats. Voor
                            de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
                                volgende termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt dat, ingeval
                                machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaalbedrag
                                van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen gemeentelijke
                                fiscale heffingen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat
                                het bedrag daarvan meer dan € 100,00 doch niet meer dan € 2.500,00
                                bedraagt, de aanslagen moeten worden betaald in 8 gelijke termijnen
                                waarvan de eerste termijn vervalt op of omstreeks de
                                vijfentwintigste dag van de maand volgende op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                                termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde machtiging tot automatische incasso
                                wordt geacht niet te zijn verleend indien twee van de acht termijnen
                                niet zijn betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening
                                van de belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen één
                                maand na afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de
                                betaaltermijnen als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
                                van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
                                beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn lid 1, 2 en 3 van
                                overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt
                                opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Algemene Termijnwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                                leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van
                                burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ”Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011”, vastgesteld
                                    bij raadsbesluit van 9 december 2010 wordt ingetrokken met
                                    ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening
                                    onroerende-zaakbelastingen 2012”.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 20 december
                        2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>I.Middelkamp, H. Jager</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>