<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR1304_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.do.nl/nieuwsklok/w0442.htm">Nieuwsklok, 13-10-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Oisterwijk 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-10-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>C-2820 .07.7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bestuur en organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van inwerkingtreding is bij benadering ingevuld. De datum van bekendmaking is bij benadering ingevuld.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan kan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                                gemeentelijk beleid.</al></li><li nr="2."><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></li><li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid 
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en
                        belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat
                        inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de
                        verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></li><li nr="2."><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt
                        aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt
                        overgegaan.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene inspraakverordening gemeente Oisterwijk 1997 wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente
                        Oisterwijk 2005.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Oisterwijk op 7 oktober
                        2004</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. Y.C. Th.J. Kortmann Mevr. P.G. van Wijk </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop><vet><onderstreept>Toelichting Inspraakverordening
                            gemeente Oisterwijk 2005</onderstreept></vet></tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. Deze nieuwe
                    inspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten
                    (zoals artikel 118 van de Algemene bijstandswet en artikel 7a van de Wet
                    stedelijke vernieuwing). Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor
                    de decentrale regelgeving (Adr).</al><tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    Awb</tussenkop><al>Met deze herziening wordt tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen aan
                    de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb. In deze wet wordt afdeling
                    3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de Gemeentewet gewijzigd. De
                    Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zal naar verwachting 1 januari
                    2005 in werking treden, tegelijk met de nog in procedure zijnde Aanpassingswet
                    uniforme openbare voorbereidingsprocedure.</al><al>Op grond van het overgangsrecht moet de inspraakverordening pas een jaar na de
                    inwerkingtreding aan artikel 150 van de Gemeentewet zijn aangepast. Het zou
                    juridisch gezien echter geen problemen geven indien de aanpassing wordt gepleegd
                    voor de inwerkingtreding van de wet, omdat deze inspraakverordening niet in
                    strijd is met de huidige wetgeving.</al><tussenkop>Afdeling 3.4 Awb (oud/nieuw)</tussenkop><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb wordt de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. De tekst van de
                    nieuwe afdeling 3.4 Awb alsmede de tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet
                    zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd.</al><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat</al><al>afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan. In de memorie van toelichting
                    (MvT) op de wet is te lezen dat in de inspraakverordening zowel geheel als
                    gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan
                    bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het wenselijk is om wel een ontwerp
                    ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren
                    dan via het mondeling naar voren brengen van zienswijzen of om te werken met
                    andere termijnen, aldus de MvT.</al><tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering</tussenkop><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Geadviseerd
                    wordt aan te sluiten bij de sobere regeling van de VNG. Voor deze sobere
                    regeling is gekozen mede met het oog op het dereguleringsstreven van
                    opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing verklaren van de
                    procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen van overbodige
                    bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige paragraafindeling, resteert nu
                    een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen. Bovendien
                    maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan de
                    behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en
                    reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers.</al><tussenkop>Alternatieven voor inspraak</tussenkop><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet onderscheiden worden van de andere
                    mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken
                    valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen (regeling
                    via het reglement van orde of een commissieverordening). Andere mogelijkheden
                    die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het bezoeken van
                    spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is
                    uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de
                    beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en beroep.</al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>a.Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit
                    artikel opgenomen</al><al>formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet.
                    Inspraak is een</al><al>onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en
                    heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                    geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt
                    inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor
                    de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging.</al><al>Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet ‘eenzijdig’
                    gedefinieerd, dat wil</al><al>zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen.
                    Geadviseerd wordt echter in praktijk het tweezijdige element van
                    gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de inspraakprocedure te brengen, omdat
                    hiermee een derde doel kan worden gediend, te weten het creëren van draagvlak
                    voor beleidsvoornemens.</al><lijst><li nr="b."><al>Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een
                            regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij
                            de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de
                            verordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 4, tweede
                            lid, van het model geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere
                            procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor
                            uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak.</al></li><li nr="c."><al>Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                            voornemen van het</al></li></lijst><al>bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                    zijn dat het hierbij niet</al><al>gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de
                    vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd.</al><tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023, nummer 3, blz. 20) is vermeld dat
                    het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke
                    beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen
                    doelmatiger kan zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld
                    spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste
                    lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze
                    van inspraak wordt geregeld. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder is opgesomd welke wettelijke
                    verplichtingen gelden. Er is vanaf gezien om dit op te nemen in de tekst van
                    artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe</al><al>wettelijke verplichting direct de verordening moet worden aangepast en in de
                    tweede plaats het een dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening
                    hiermee onoverzichtelijk wordt.</al><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel
                            bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO).</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="e."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li><li nr="f."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="g."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet werk en bijstand,
                            de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder d) en de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                            werknemers (artikel 42,eerste lid, onder d);</al></li><li nr="h."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al> Er zijn geen wettelijke beletselen om bij het in procedure brengen van het
                    ontwerpplan af te wijken van het voorontwerp dat aan inspraak onderworpen is
                    geweest. Dit neemt niet weg dat, indien de afwijkingen ten opzichte van het
                    voorontwerp naar aard en omvang zodanig zijn dat een geheel ander plan is
                    ontstaan, dit aanleiding kan zijn de inspraak opnieuw een aanvang te laten
                    nemen. In dit geval oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State (ABRS) dat terecht geen nieuwe inspraak is opengesteld (ABRS 22 januari
                    2003, inzake nummer 200001851/1, LJN-nummer AF3164).</al><al> Uitwerkingsplan ex artikel 11 WRO is een ruimtelijk plan waarop artikel 6a WRO
                    ziet en is dus</al><al>inspraakplichtig. De goedkeuring van een deel van een uitwerkingsplan dat de
                    bouw van woningen mogelijk maakt, is in strijd met artikel 6a WRO en de
                    inspraakverordening nu aan omwonenden geen inspraak is verleend met betrekking
                    tot dit plandeel (ABRS 2 maart 2000, GS, 151 (2001)7133, 7).</al><al>Het is niet in strijd met de inspraakverordening noch met artikel 6a WRO
                    noch met artikel 2:4 Awb dat de raad eerst zelf de aanvaardbaarheid van de
                    voorgestane ruimtelijke ontwikkeling heeft onderzocht en in het voorontwerp van
                    het plan de voorkeur voor een bepaalde ontwikkeling heeft laten blijken,
                    alvorens in het kader van de inspraakprocedure de bevolking daarover te
                    raadplegen. De afdeling concludeert dat de gevolgde inspraakprocedure correct is
                    (ABRS 31 januari 2000, inzake nummer E01.98.0409, LJN-nummer AA5106).</al><tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>In dit geval is het projectdocument uitsluitend aan het wijkoverlegorgaan
                    voorgelegd. De kring van personen die ingevolge artikel 6a WRO moeten worden
                    betrokken bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is ruimer. Conclusie is
                    dat de inspraak die niet overeenkomstig de inspraakverordening is verleend, in
                    strijd is met artikel 6a WRO (ABRS 14 augustus 2002, inzake nummer 200102132/1,
                    LJNnummer AE6455).</al><tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 (tot de
                    inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb:
                    artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na
                    terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden
                    gedurende zes weken (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun
                    zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend
                    zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de
                    inspraakprocedure worden aangepast. Dit kan bijvoorbeeld als de genoemde
                    zeswekentermijn door het bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze termijn kan
                    dan bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid worden
                    aangepast. </al><al>Het is mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer
                    nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor artikel 19 WRO-procedures een
                    aparte procedure kunnen worden ontwikkeld met bijvoorbeeld een standaardtermijn
                    van twee in plaats van zes weken.</al><tussenkop>Jurisprudentie</tussenkop><al>Bij de behandeling van het beroep tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan
                    wordt door de afdeling niet ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de
                    beperking van de spreektijd tijdens de inspraakavond. Appellant had hiertegen
                    een klacht kunnen indienen en heeft dit niet gedaan, aldus de afdeling (ABRS 10
                    juli 2002, inzake nummer 200103950/1, LJN-nummer AE5107).</al><tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 (tot de</al><al>inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure: artikel
                    3:13, vijfde lid) Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt
                    gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is
                    gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Bekendmaking van de resultaten van de
                    inspraak is belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken
                    een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag
                    algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het
                    aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een
                    algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om tijdens de inspraakavond al
                    duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn</al><al>burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b, van
                    de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 6 Intrekking oude verordening</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt de bestaande "Algemene inspraakverordening gemeente
                    Oisterwijk 1997" ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de
                    datum waarop de verordening in werking treedt (zie artikel 7)</al><al>.</al><tussenkop>Artikel 7 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt 1 januari 2005 in werking. </al><al>De vaststelling, wijziging of intrekking van een inspraakverordening is een van
                    de besluiten waarover een referendum kan worden gehouden.</al><al>Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden gehouden,
                    treden in</al><al>afwijking van artikel 142 van de Gemeentewet niet eerder in werking dan zes
                    weken na de</al><al>bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw). De termijn van zes weken hangt
                    ermee samen dat na bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over
                    deze verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het houden
                    van een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor een later
                    tijdstip van inwerkingtreding.</al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de inspraakverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen
                    referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5 Trw), opnieuw in de
                    inwerkingtreding moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat leidt
                    tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het referendum de
                    beslissing tot vaststelling of wijziging van de inspraakverordening
                    heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog besluit tot
                    inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de inspraakverordening, zal de
                    raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding moeten voorzien. Op grond van
                    de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van inwerkingtreding.
                    Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in de verordening
                    zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat
                    de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen tijdstip. Met
                    het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het tijdstip van
                    inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk vaststaat dat over
                    de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in de rede dat ook
                    een besluit van de raad waarbij de datum van</al><al>inwerkingtreding wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de
                    verordening zelf.</al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de</al><al>mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de verordening een verzoek tot
                    het houden van een referendum over de inspraakverordening kan worden ingediend.
                    Op grond van de Trw is de gemeente verplicht om een referendum te organiseren
                    over een verordening indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het
                    houden van een referendum indienen </al><tussenkop>Artikel 8 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: 'Inspraakverordening gemeente Oisterwijk
                    2005'.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>