<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR130051_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2012 gemeente Amstelveen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, Officiële bekendmakingen, 2011, week 51, blz.4</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Nr. 11-61</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening onroerende zaakbelastingen 2011, vastgesteld op 10 november 2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2012 gemeente Amstelveen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr/><titel/></kop><structuurtekst><al><vet>Verordening onroerende zaakbelastingen 2012</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1 Belastingplicht</nr></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden ter zake van
                                    binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe
                                    belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van
                                            het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in
                                            hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens
                                            eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht
                                            gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van
                                            het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft
                                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te
                                            noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende
                                            zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door
                                            degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die
                                            het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de
                                            belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat
                                            deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                            volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene
                                            die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld;
                                            degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft
                                            gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen
                                            op degene aan wie die zaak ter beschikking is
                                            gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die
                                    bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                                    registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip
                                    geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 Belastingobject</nr></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld
                                    in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li><li nr="2."><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de
                                    waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                    onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in
                                    hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende
                                    zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                                    woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                                vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak
                                bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
                                krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet
                                waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
                                waarde, de waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                        geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open
                                        grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                        bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                        gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                        kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan
                                        bestaat uit de in onderdeel a. bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                        openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en
                                        ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                                        zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                        voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat
                                        voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die
                                        wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop
                                        voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                        heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die
                                        door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke
                                        zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                                        natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                                        per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                        beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                                        delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                        ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                        instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                        rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                        werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                        afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                        werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                        gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voorzover die bestemd zijn te worden
                                        gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                        uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                        bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                        onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering
                                        van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                                        woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                                lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet
                                voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting</al><al> voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                        dienen 0,14604%; </al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al><al>1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                        dienen</al><al> 0,08533;</al><al>2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                        dienen 0,18137%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                                aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende
                                zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan
                                de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op
                                de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
                                de tweede twee maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van
                                de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                                aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan
                                € 75,- maar minder is € 2.000,- en zolang de verschuldigde bedragen
                                door een automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de
                                belastingschuldige</al><al>kunnen worden afgeschreven in dat geval moeten de aanslagen worden
                                betaald in negen opeenvolgende gelijke, met uitzondering van kleine
                                afrondingsverschillen, maandelijkse termijnen. De eerste termijn
                                vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en</al><al>elk van de volgende termijnen telkens een maand later;</al></lid><lid><lidnr> 3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid worden bedragen die buiten de marge
                                (meer dan € 75,- maar minder dan € 2.000,-) van lid 2 vallen en die
                                door een automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de
                                belastingschuldige kunnen worden afgeschreven in dezelfde termijnen
                                afgeschreven zoals in lid één; </al><al/></lid><lid><lidnr> 4.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel><vet>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                    wethouders</vet></titel></kop><lid><lidnr/><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven
                                met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende
                                zaakbelastingen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel><vet>Inwerkingtreding en citeertitel</vet></titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Verordening onroerende zaakbelastingen 2011” van 10 november
                                2010, voor het laatst gewijzigd op 9 februari 2011, wordt
                                ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                                ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing
                                blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                voorgedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na
                                die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende
                                zaakbelastingen 2012”. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 november 2011.</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>