<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR129291_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen (1992)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nijmegen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2011-108</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>APV</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 147 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-11-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-06-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen (1992)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="A."><al>Weg:</al><lijst><li nr="1."><al>alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                            wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen
                                            bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende
                                            bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en
                                            als zodanig aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor
                                            vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, welke
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet
                                            afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen,
                                            passages en galerijen, de afsluitbare alleen gedurende
                                            de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe
                                            naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Openbaar water:</al><al> alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het
                                    publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.</al></li><li nr="C."><al>Bebouwde kom:</al><al> de bebouwde kom als vastgesteld door gedeputeerde staten
                                    overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenverkeerswet,
                                    bij hun besluit van 20 juli 1982.</al></li><li nr="D."><al>Rechthebbende:</al><al> een ieder die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens
                                    een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="E."><al>Voertuigen:</al><al> alle gelede en ongelede motorvoertuigen, fietsen en andere rij-
                                    of voertuigen, met uitzondering van die, welke bestemd zijn om
                                    langs spoorstaven te worden voortbewogen en van kruiwagens,
                                    kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li><li nr="F."><al>Bouwwerk:</al><al> elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                                    ander materiaal, welke op de plaats van bestemming, hetzij
                                    direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                                    indirect steun vindt in of op de grond.</al></li><li nr="G."><al>Gebouw:</al><al> elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte,
                                    geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="H."><al>Vee:</al><al> grootvee en varkens</al></li><li nr="I."><al>Kleinvee:</al><al> schapen, geiten, pluimvee, konijnen en andere kleine dieren in
                                    het agrarisch bedrijf.</al></li><li nr="J."><al>Handelsreclame:</al><al> iedere openbare aanprijzing van goederen en diensten, waarmee
                                    kennelijk primair beoogd wordt een commercieel belang te
                                    dienen.</al></li><li nr="K."><al>Wilde dieren:</al><al> niet te domesticeren dieren in die zin dat zij niet tot nut of
                                    gezelligheid te houden zijn.</al></li><li nr="L."><al>Uitstalling:</al><al> een los voorwerp geplaatst voor een pand op de weg, dat een
                                    onmiskenbare relatie heeft met de handel van de in dat pand
                                    gevestigde onderneming en niet valt onder het gemeentelijke
                                    reclamebeleid.</al></li><li nr="M."><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Aanvraag vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het orgaan dat bevoegd is vergunningen of ontheffingen als bedoeld
                                in deze verordening te verlenen kan nadere regels stellen omtrent de
                                wijze van indiening van de aanvraag en de daarbij benodigde gegevens
                                en bescheiden. Deze regels worden openbaar gemaakt overeenkomstig
                                artikel 1.14 van deze verordening en artikel 3:42 van de Algemene
                                Wet Bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2,
                                2.1.5.3, 2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Aanvraag vergunning of ontheffing Vierdaagsemarsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning of ontheffing in het kader van de
                                vierdaagsemarsen wordt ingediend uiterlijk op 1 maart van het jaar
                                waarin de vierdaagsemarsen plaatsvinden waarop de aanvraag
                                betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan, in geval van een bijzondere omstandigheid,
                                afwijken van de in lid 1 bedoelde termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op aanvragen voor vergunningen als bedoeld in artikel
                                3.2.1.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3:9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.2, 2.1.5.3,
                                2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                    ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de
                                    aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                    bevoegde orgaan de aanvrager in zijn aanvraag niet ontvankelijk
                                    verklaren, indien het van mening is dat de aard van de gevraagde
                                    vergunning of ontheffing zodanig is dat voor een verantwoorde
                                    beoordeling van de aanvraag onvoldoende tijd aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>Voor door het bevoegde orgaan bij openbare kennisgeving nader
                                    aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste
                                    lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste zestig
                                    dagen.</al></li></lijst><al>3 In afwijking van het eerste en tweede lid moeten vergunningen of
                            ontheffingen betrekking hebbend op 31 december 1999 en 1 januari 2000
                            ingediend worden vóór 1 oktober 1999. (<cursief>Dit lid verliest zijn
                                werking per 1 januari 2000</cursief>)</al><al>4.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een aanvraag om
                            een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2, artikel 2.1.5.3,
                            artikel 2.4.15, 4.4.2 of 4.6.2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Vorm van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing is
                            slechts van kracht indien zij schriftelijk is gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Afwijking</titel></kop><al>Van de in artikel 1.2, eerste lid en artikel 1.7 gestelde eis mag worden
                            afgeweken indien de nakoming daarvan in verband met het spoedeisende
                            karakter van de zaak in redelijkheid niet kan worden gevergd.</al><al>In dat geval wordt in daartoe geëigende gevallen, van de mondeling
                            gegeven en medegedeelde vergunning of ontheffing binnen redelijke tijd
                            een schriftelijke bevestiging gegeven aan degene aan wie zij is
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden
                                verbonden.</al><al> Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht zich aan de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.11</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                        ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of
                                        wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter
                                        bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is
                                        vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                        gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                        termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit
                                        verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Een besluit tot intrekking of wijziging van een vergunning of
                                ontheffing is met redenen omkleed;</al><lijst><li nr="b."><al>dit besluit wordt niet genomen dan nadat de houder van de
                                        vergunning of ontheffing in de gelegenheid is gesteld binnen
                                        een door het bevoegde orgaan te stellen termijn zijn oordeel
                                        kenbaar te maken omtrent het voornemen tot het nemen van dit
                                        besluit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gestelde in het tweede lid sub b kan buiten toepassing blijven
                                in spoedeisende gevallen. 4. Vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.12</nr><titel>Inzage vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste
                            vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de naleving van een
                            of meer van de desbetreffende bepalingen van deze verordening ter inzage
                            te geven aan deze ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.13</nr><titel>Termijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de in deze verordening genoemde termijnen is het
                                bepaalde in de Algemene termijnenwet van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door
                                terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op
                                een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00
                                uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen
                                erkende feestdag is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.14</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><al>In de gevallen waarin openbare kennisgeving van besluiten en nadere
                            regels krachtens deze verordening plaatsvindt, liggen deze besluiten en
                            nadere regels voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage gedurende
                            drie maanden. Tevens worden deze besluiten en nadere regels aan het
                            arrondissementsparket medegedeeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.15</nr><titel>Weigering vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.16</nr><titel>Positieve fictieve beschikking</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op het volgende
                            artikel in deze verordening:</al><al>·Artikel 2.1.4.1.: Ontheffing van het verbod optreden als
                            straatartiest;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.17</nr><titel>Positieve fictieve beschikking</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de
                            volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="·"><al>Artikel 2.2.2.: Evenementenvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.2.7: Voetbalvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.3.1.6: Exploitatievergunning openbare
                                    inrichtingen;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.3.1.5: Terrasvergunning;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 2.3.3.2: Exploitatievergunning speelgelegenheden;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 3.2.1: Exploitatievergunning seksinrichtingen en
                                    escortbedrijven;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 3.2.6 (bijlage 2A): registratie tippelzone;</al></li><li nr="·"><al>Artikel 5.8.2: Ontheffing van het verbod tot recreatief
                                    nachtverblijf buiten kampeerterreinen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg zich tezamen met anderen te
                                        begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te
                                        nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door
                                        uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden,
                                        dan wel te vechten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het
                                        bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenkomsten, betogingen en optochten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Kennisgeving samenkomst, vergadering of betoging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        samenkomst tot het belijden van godsdienst of
                                        levensovertuiging, een vergadering of een betoging te
                                        houden, geeft hiervan voor de openbare aankondiging daarvan
                                        en ten minste 48 uur voor de aanvang, schriftelijk kennis
                                        aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft om op een openbare plaats op
                                        een vooraf bepaalbaar tijdstip een regelmatig terugkerende
                                        samenkomst tot het belijden van godsdienst of
                                        levensovertuiging te houden, geeft hiervan voor de openbare
                                        aankondiging daarvan en ten minste 48 uur voordat deze voor
                                        de eerste keer gehouden zal worden na de inwerkingtreding
                                        van dit artikel, eenmalig schriftelijk kennis aan de
                                        burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                        eerste en in het tweede lid genoemde termijn van 48 uur
                                        verkorten en/of een mondelinge kennisgeving ontvankelijk
                                        verklaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, is niet van
                                        toepassing op overtreding van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de kennisgeving wordt opgave gedaan van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene, die de samenkomst,
                                                vergadering of betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de samenkomst, vergadering of
                                                betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de samenkomst, vergadering of
                                                betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang
                                                en beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                                samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene, die de samenkomst, de
                                                vergadering of betoging houdt, zal treffen om een
                                                regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs,
                                        waarin in ieder geval het tijdstip van de kennisgeving is
                                        vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen en dergelijke op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of
                                        gids op of aan de weg op te treden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien
                                        wordt voldaan aan door de burgemeester te stellen nadere
                                        regels ten aanzien van de plaatsen, uren waarbinnen, duur en
                                        wijze van optreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten: bijlage 4A en
                                            bijlage 4C slotpagina's)</cursief></vet></al><al>1 Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen
                                    of stoffen in, op, aan of boven de weg aan te brengen, te hebben
                                    of achter te laten. </al><al>2 Het verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwobjecten, voor zover deze niet zodanig zijn
                                            opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen
                                            opleveren mits wordt voldaan aan de door het college te
                                            stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen
                                            van deze voorwerpen of stoffen;</al></li><li nr="b."><al>objecten op de weg bij feesten als bedoeld in artikel
                                            2.2.1 tweede lid onder e , voor zover deze niet zodanig
                                            zijn opgesteld dat zij hinder voor het verkeer kunnen
                                            opleveren en mits wordt voldaan aan de door het college
                                            te stellen nadere regels met betrekking tot het plaatsen
                                            van deze voorwerpen of stoffen;</al></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                            kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                            laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden
                                            verricht of doet verrichten draagt er zorg voor dat
                                            onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval
                                            voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                            verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                            worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.5;</al></li><li nr="g."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3 en
                                            uitstallingen als bedoeld hierna onder h;</al></li><li nr="h."><al>uitstallingen, mits gelegen in door het college
                                            aangewezen gebieden en indien voldaan is aan de door het
                                            college gestelde regels ten aanzien van
                                            uitstallingen;</al><al> i spandoeken mits aangebracht op de door het college
                                            aangewezen locaties en voldaan is aan de door het
                                            college vastgestelde regels omtrent spandoeken. </al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg
                                                  een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens
                                                  worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of
                                                  te hebben,indien:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of
                                            plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg,</al></li><li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg.</al></li></lijst><al>4 Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder
                                    weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                    daaronder verstaat. </al><lijst><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan
                                                  de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
                                                  de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                                  daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor
                                                  het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                                  hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                                  redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                                  overlast voor gebruikers van de in de nabijheid
                                                  gelegen onroerende zaak.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                            Wet milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement,
                                            artikel 19 van het Reglement verkeersregels en
                                            verkeerstekens 1990 of de Gelderse wegenverordening van
                                            toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                                        weg aan te leggen, de verharding van een weg op te breken,
                                        in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan hetgeen artikel l van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van
                                        gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap ter
                                        uitvoering van zijn of haar publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Gelderse
                                        wegenverordening, de Algemene Verordening Ondergrondse
                                        Infrastructuur van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd
                                            gezag.</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van
                                                  een uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                                  naar de weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                            verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                            daaronder verstaat.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                                  omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van de groenvoorziening in de
                                                  gemeente.</al></li></lijst></li></lijst><al>4 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994, de Waterschapskeur of de Gelderse wegenverordening van
                                    toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve</al><al>van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te
                                    voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                    herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het
                                    publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes
                                    terstond te verwijderen of te doen verwijderen. </al><al>2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt </al><al>2. voorzien door de Wet milieubeheer. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere
                                        beplanting, die aan personen en aan het wegverkeer het vrije
                                        uitzicht kan belemmeren of op andere wijze hinder of gevaar
                                        kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, te
                                        knotten, op te binden, te verwijderen of op te ruimen na
                                        aanschrijving door burgemeester en wethouders, binnen een
                                        door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun
                                        aanwijzingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden langs de weg een voorwerp aan te brengen, te
                                        plaatsen of te hebben dat aan personen en aan het wegverkeer
                                        het uitzicht belemmert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken en dergelijke</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting,
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen, koekoeken en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden aan of in wegen openingen of ingangen van
                                        kelders, regenbakken of putten te hebben, tenzij de
                                        openingen of ingangen gedekt zijn met luiken van geribd
                                        scheepsplaat van een gewicht van tenminste 50 kg per
                                        vierkante meter, welke zuiver vlak en vastliggen op een
                                        hardstenen rand of ijzeren ramen en gelijk van hoogte zijn
                                        met het omliggende wegdek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        artikel 427 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5,
                                        eerste lid onder h van het Rijkswegenreglement, de Gelderse
                                        wegenverordening of artikel 385 Nijmeegse Bouwverordening
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>(Dit artikel is aangepast en vernummerd tot artikel
                                        4.3.7)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Rookverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen of op heidegronden of
                                        binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen periode. Deze
                                        aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig
                                        artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen of op heidegronden of binnen een
                                        afstand van honderd meter daarvan brandende of smeulende
                                        voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                        liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                        niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 3e van het
                                        Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                        tuin ingerichte erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7a</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden
                                        en gedurende de door de burgemeester aangewezen tijden in de
                                        open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanwijzingbesluit als bedoeld in het eerste lid kan
                                        enkel voorschriften bevatten ter bescherming van:</al><lijst><li nr="a."><al>de flora en fauna;</al></li><li nr="b."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="c."><al>de openbare veiligheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                        wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van
                                        het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben lager dan twee meter
                                        boven de hoogte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de
                                        uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                        hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8a</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders
                                        aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek
                                        toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels,
                                        slagwapens of andere voorwerpen die als wapen gebruikt
                                        kunnen worden, openlijk bij zich te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                        behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en
                                        munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze
                                        voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar
                                        komt of kan komen.</al><al><vet><cursief> (zie voor aanwijzingsbesluit: bijlage 14 bij
                                                de slotpagina's)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen,
                                        borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer
                                        of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven tevoren schriftelijk kennis
                                        aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun
                                        voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                                        van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het
                                        eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als gebouwen of bouwwerken hoger dan twee meter te plaatsen
                                        of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische
                                        spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                        toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van objecten die deel uitmaken van de
                                        hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.12</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of
                                        de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.13</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoop-, theater- en schouwburgvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen, indien dit
                                            onderdeel uitmaakt van de reguliere bedrijfsvoering van
                                            de inrichting en gedurende minimaal 40 weken per jaar
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2.2.6 tot en
                                            met 2.2.11 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1, 2.1.4.1,
                                            2.1.4.2 en 2.3.3.1 van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>het voor publiek muziek ten te gehore brengen, behoudens
                                            straatmuziek;</al></li><li nr="d."><al>een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als
                                            bedoeld in artikel 2.1.2.1;</al></li><li nr="e."><al>een feest of wedstrijd op of aan de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een
                                    natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de
                                    bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde,
                                    die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet
                                    houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning voor een evenement als bedoeld in
                                    het eerste lid moet worden ingediend uiterlijk 12 weken vóór de
                                    datum van het evenement. De burgemeester kan voor bijzondere
                                    en/of periodiek terugkerende evenementen van de hiervoor
                                    vermelde termijn afwijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de woon- en leefklimaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd categorieën evenementen aan te wijzen
                                    waarvoor in verband met relatief geringe omvang of anderszins
                                    weinig hinder opleverende aard het verbod in het eerste lid niet
                                    geldt, mits de door het college te stellen algemene regels
                                    worden nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede
                                    lid, onder d, van artikel 2.2.1 voorziene gevallen, voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10
                                    juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al><al><vet><cursief>(Zie voor de Beleidsregels bootfeesten bij de
                                            slotpagina's: bijlage 10)</cursief></vet></al><al><vet><cursief> (Zie voor de Beleidsregels dansmuziekevenementen
                                            bij de slotpagina's: bijlage 16)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Beëindiging evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de
                                    veiligheid van personen of goederen, de zedelijkheid of
                                    gezondheid, dan wel het woon- en leefklimaat dit vordert, het
                                    bevel geven een evenement te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die een evenement organiseert dan wel bij een evenement
                                    feitelijk de leiding heeft, is verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>dat evenement onverwijld te beëindigen indien de burgemeester
                                    hiertoe een bevel geeft;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door de
                                    burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement
                                    toegelaten wordt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie te allen tijde
                                    toegang hebben tot het evenement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een evenement gepaard gaat of dreigt te gaan met een
                                    ernstige verstoring van de openbare orde is degene die dat
                                    evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding
                                    heeft, verplicht op bevel van een ambtenaar van politie het
                                    evenement onverwijld te beëindigen en geen publiek meer tot het
                                    evenement toe te laten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien
                                    waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, of in het
                                    derde lid gegeven is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Verwijderplicht</titel></kop><al>Indien een evenement is verboden of een bevel tot beëindiging als
                                bedoeld in artikel 2.2.4 is gegeven, is een ieder die zich op de
                                plaats of in de directe nabijheid van het evenement bevindt, op
                                eerste vordering van een ambtenaar van politie verplicht zich
                                terstond te verwijderen in de door die ambtenaar bevolen
                                richting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Betaald voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.11
                                    wordt onder organisator verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de betaalvoetbalorganisatie NEC, indien het betreft een
                                    voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de
                                    betaalvoetbalorganisatie NEC als thuis spelende ploeg betrokken
                                    is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen
                                    een amateurvoetbalorganisatie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een
                                    voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten
                                    de gemeente Nijmegen, waarbij ten minste één
                                    betaalvoetbalorganisatie is betrokken;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>degene die buiten de gevallen, genoemd onder a. en b. een
                                    voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één
                                    betaalvoetbalorganisatie is betrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.11
                                    wordt onder voetbalwedstrijd verstaan een voetbalwedstrijd
                                    georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Voetbalvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de organisator verboden zonder vergunning van de
                                    burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden.
                                    Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om een vergunning moet worden ingediend uiterlijk
                                    vier weken voor de datum van de voetbalwedstrijd. De
                                    burgemeester kan van de hiervoor vermelde termijn afwijken en de
                                    uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren dan wel aan de
                                    vergunning voorschriften verbinden in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersveiligheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8</nr><titel>Verbod voetbalwedstrijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan het doen spelen van een wedstrijd
                                    verbieden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de
                                    openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de krachtens artikel 2.2.7, derde lid, opgelegde
                                    voorschriften niet worden nageleefd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien geen of niet tijdig een vergunning is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voetbalwedstrijd te doen spelen, wanneer een
                                    verbod, als bedoeld in het vorige lid is uitgevaardigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.9</nr><titel>Orde in verband met voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd
                                    tot 4 uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het niet
                                    toegestaan voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan
                                    worden aangenomen dat deze zijn bedoeld om de openbare orde te
                                    verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een voetbalstadion de orde te verstoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.10</nr><titel>Verwijderingplicht voetbalsupporters</titel></kop><al>Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedragingen
                                manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van
                                een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd dan wel tegen wie
                                het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren,
                                zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar
                                van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het
                                bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te
                                begeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.11</nr><titel>Stadionomgevingsverbod</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
                                        een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te
                                        houden in de omgeving van het Goffertstadion vanaf 4 uur
                                        voor het vastgestelde aanvangstijdstip van een
                                        voetbalwedstrijd in het stadion tot 4 uur na afloop van de
                                        voetbalwedstrijd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt voor een bepaalde
                                        periode welke niet langer is dan 24 maanden.</al></li></lijst><al><vet><cursief>(Zie voor de Beleidsregels
                                        stadionomgevingsverboden(2008) bij de slotpagina's: bijlage
                                        8)</cursief></vet></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf en de daaruit volgende bepalingen wordt
                                        verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan
                                        behoort het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken
                                        van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, wordt
                                        uitgeoefend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, al dan niet door
                                        middel van een automaat, etenswaren of alcoholvrije dranken
                                        of rookwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>waar bedrijfsmatig of anders dan om niet, etenswaren worden
                                        bereid om te worden afgehaald;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een inrichting
                                        exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van
                                        die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
                                        persoon of personen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in
                                        een inrichting;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt onder bezoekers niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede diens
                                        elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn
                                        onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de personen die voorkomen in het register, bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting, welke uitsluitend of in
                                        hoofdzaak in gebruik is bij een sport- of jeugdorganisatie
                                        of instelling, dan wel in gebruik is als buurt- of wijkhuis,
                                        deze inrichting van 02.00 tot 05.00 uur voor bezoekers
                                        geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te
                                        laten verblijven.</al><al> De burgemeester is bevoegd in zeer bijzondere gevallen van
                                        tijdelijke aard ontheffing te verlenen van dit verbod.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet
                                        tijdelijk, tussen 00.00 uur en 06.00 uur voor publiek
                                        gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en
                                        leefmilieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor
                                        publiek toegankelijke ruimte gesloten dient te zijn, zich
                                        daarin te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor
                                        zover op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                        vergunningsvoorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2a</nr><titel>Venstertijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting als bedoeld in artikel 3 van de Drank-
                                        en Horecawet, onverminderd de bevoegdheid om voor reeds
                                        aanwezige bezoekers geopend te blijven, verboden tussen
                                        04.00 uur en 08.00 uur bezoekers toe te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod als genoemd in het eerste lid is niet van
                                        toepassing in de nacht van 31 december op 1 januari.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Toegang ambtenaren van politie</titel></kop><al>De exploitant en beheerder van een inrichting zijn verplicht er
                                    voor te zorgen dat ambtenaren van politie vanaf de openbare weg
                                    onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot die
                                    inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers
                                            geopend is; dan wel</al></li><li nr="b."><al>gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te
                                            zijn en er daarin of aldaar bezoekers aanwezig
                                            zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in een inrichting deel te nemen aan enig
                                        spel waarbij met of om geld - voor geld inwisselbare
                                        voorwerpen daaronder begrepen - wordt gespeeld, danwel
                                        daartoe gelegenheid te geven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid geldt niet voor zover de Wet op de Kansspelen
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Terrasvergunningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden
                                        over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning tot het hebben van een terras bevat in elk
                                        geval voorschriften met betrekking tot de terrasafmetingen,
                                        het onderhoud en de verzorging en het uiterlijk aanzien van
                                        het terras. Indien deze vergunning geen voorschriften
                                        omtrent de sluitingstijden bevat, is het verboden het terras
                                        te hebben tussen 01.00 en 09.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning ten behoeve van een of
                                        meer bij een horecabedrijf behorende terrassen
                                        weigeren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan
                                        wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                        het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de nabije
                                        omgeving van het terras;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien op het pand ten behoeve waarvan de terrasvergunning
                                        wordt aangevraagd krachtens het ter plaatse geldende
                                        bestemmingsplan geen horecabestemming rust.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Vergunningsplicht alcoholvrije inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van de vergunning van
                                        de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid onder a, sub 2 of sub 3van deze
                                        verordening te exploiteren (exploitatievergunning).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij
                                        de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de
                                        burgemeester vast te stellen formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt
                                        tenminste:</al><al> a: opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de
                                        exploitant en de beheerder;</al><al> b: opgaaf gedaan van het adres en de aard en
                                        exploitatiewijze van de inrichting;</al><al> c: overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten
                                        behoeve van de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                        natuurlijke perso(o)n(en)- en beheerder afgegeven verklaring
                                        omtrent het gedrag;</al><al> d: overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de
                                        inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en
                                        een plattegrond van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig
                                        in behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam
                                        gezet van de exploitant en beheerder van de inrichting. De
                                        vergunning is niet overdraagbaar. In geval van beëindiging
                                        of overdracht van de inrichting aan een rechtsopvolger is de
                                        exploitant verplicht, hiervan direct schriftelijk mededeling
                                        te doen aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan een maximum stellen aan het aantal te
                                        verlenen vergunningen per categorie van inrichtingen, te
                                        onderscheiden naar aard en exploitatiewijze.</al><al><vet><cursief> (zie voor nadere regulering bijlage 12a,
                                                bijlage 12b en bijlage 12c bij de
                                                slotpagina's)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Aanwezigheid van exploitant en beheerder</titel></kop><al>Het is verboden de inrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                    zonder dat de ingevolge artikel 2.3.1.6, zesde lid op de
                                    vergunning vermelde exploitant of beheerder in de inrichting
                                    aanwezig is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Weigeringgronden exploitatievergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning, bedoeld in artikel
                                        2.3.1.6, indien:</al><al> a: de vestiging of de exploitatie van de inrichting in
                                        strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure
                                        zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of
                                        leefmilieuverordening;</al><al> b: de inrichting niet voldoet aan de door de burgemeester
                                        vastgestelde inrichtingseisen;</al><al> c: gelegen is buiten een door de burgemeester aangewezen
                                        gebied;</al><al> d: een op de aanvraag vermelde exploitant - indien een
                                        rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of
                                        beheerder jonger is dan 21 jaar.</al><al><vet><cursief>(zie voor nadere regulering bijlage 12a bij de
                                                slotpagina's)</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning, bedoeld in artikel
                                        2.3.1.6, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar diens
                                        oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie
                                        in de omgeving van de inrichting of de openbare orde op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                        aanwezigheid van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde
                                        weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met:</al><al> a: het karakter van de straat en de wijk, waarin de
                                        inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;</al><al> b: de aard van de inrichting;</al><al> c: de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                        blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie
                                        van de inrichting;</al><al> d: de concentratie van inrichtingen in een bepaald
                                        gebied;</al><al> e: de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of
                                        beheerder van de inrichting in deze of andere
                                        inrichtingen;</al><al> f: de wijze van exploitatie van de inrichting in het
                                        verleden, voor zover de exploitant en beheerder onveranderd
                                        is gebleven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd indien de exploitant of
                                        de beheerder in de periode van 3 jaar voorafgaand aan het
                                        indienen van de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd
                                        die op grond van verstoring van de openbare orde gesloten is
                                        geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.9</nr><titel>Intrekkinggronden</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.11 kan de burgemeester de
                                    vergunning intrekken:</al><al>a: indien aannemelijk is, dat de exploitant of beheerder van de
                                    inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden
                                    verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
                                    gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen
                                    voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de
                                    inrichting;</al><al>b: indien de exploitant of beheerder van de inrichting toestaat
                                    dan wel gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden
                                    gepleegd;</al><al>c: indien zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten
                                    hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het geopend blijven
                                    van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde een
                                    bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving
                                    van de inrichting;</al><al>d: indien de exploitant of beheerder van de inrichting zich
                                    schuldig maakt aan feiten, die bij een aanvraag van een
                                    verklaring omtrent het gedrag zouden leiden tot een weigering
                                    daarvan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.10</nr><titel>Vervallen vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt, indien:</al><al> a: gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen
                                        handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de
                                        vergunning;</al><al> b: er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor
                                        geen nieuwe vergunning is aangevraagd;</al><al> c: de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft
                                        verloren;</al><al> d: een vergunning, strekkende ter vervanging van de
                                        eerstbedoelde vergunning is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien binnen veertien dagen nadat de exploitant of
                                        beheerder deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke
                                        aanvraag voor de exploitatie van dezelfde inrichting wordt
                                        ingediend, blijft het bepaalde in het eerste lid, onder c
                                        buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is
                                        beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.11</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende 52 weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op die inrichtingen, die voorheen op grond van de
                                        meldingsplicht voor alcoholvrije inrichtingen een melding
                                        hebben gedaan en over een ontvangst van kennisgeving
                                        beschikken, voor zover er geen wijzigingen optreden of zijn
                                        opgetreden in de gemelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens gedurende 52 weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op de ten tijde van de inwerkingtreding bestaande
                                        inrichtingen, waar bedrijfsmatig of anders dan om niet,
                                        etenswaren worden bereid om te worden afgehaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing
                                        op de in het eerste en tweede lid genoemde inrichtingen na
                                        afloop van de in de vorige leden genoemde termijn, indien de
                                        exploitant binnen die genoemde termijn een aanvraag om
                                        vergunning heeft ingediend, totdat op die aanvraag door de
                                        burgemeester is beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is gedurende vier weken na
                                        inwerkingtreding van de wijziging daarvan niet van
                                        toepassing op die inrichtingen, die tot het moment van
                                        inwerkingtreding van de wijziging van artikel 2.3.1.1 op
                                        grond van het vervallen artikel 2.3.1.1 eerste lid onder b
                                        niet beschouwd werden als een inrichting, maar wel
                                        beschikken over een zogenaamd meldingsdocument van de
                                        burgemeester of daarover beschikt hebben en voor dezelfde
                                        inrichting een nieuwe aanvraag hebben gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 2.3.1.6, eerste lid, is tevens niet van toepassing
                                        op de in het vorige lid genoemde inrichtingen na afloop van
                                        de in het vorige lid genoemde termijn, indien de exploitant
                                        binnen genoemde termijn een aanvraag om vergunning heeft
                                        ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester is
                                        beslist.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op vergunningaanvragen voor de in het vierde lid bedoelde
                                        inrichtingen zijn de artikelen 2.3.1.6, zevende lid,
                                        2.3.1.8, eerste lid onder c, tweede lid en derde lid niet
                                        van toepassing, voor zover er geen wijziging ten aanzien van
                                        de exploitant en inrichting is opgetreden. Artikel 2.3.1.8,
                                        vierde lid is niet van toepassing voor zover het sluitingen
                                        voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.3.1.6
                                        betreft.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor zover de voorgaande leden niet voorzien in een
                                        regeling, beschikt de burgemeester.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen
                                            tijdelijk de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                            gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="b."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel
                                    kampeert is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelautomatenhallen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><cursief>(zie voor nadere regulering bijlage 6 bij de
                                            slotpagina’s)</cursief></vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening
                                            van een spel dat bestaat uit een door de speler in
                                            werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch
                                            proces, waarbij het resultaat kan leiden tot een
                                            middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of
                                            premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder
                                            te spelen;</al></li><li nr="c."><al>behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan:</al></li><li nr="1."><al>het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een
                                            verlengde speelduur of het recht op gratis spellen
                                            en</al></li><li nr="2."><al>het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de
                                            speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel
                                            geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik
                                            van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke
                                            mate de speelduur verlengd of het recht op gratis
                                            spellen verkregen wordt;</al></li><li nr="d."><al>kansspelautomaat: een speelautomaat die geen
                                            behendigheidsautomaat is;</al></li><li nr="e."><al>speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het
                                            publiek gelegenheid te geven een spel door middel van
                                            speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet;</al></li><li nr="f."><al>ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de
                                            speelautomatenhal exploiteert;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de
                                            onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is
                                            belast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Exploitatie speelautomatenhal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan voor maximaal 3 speelautomatenhallen een
                                        vergunning verlenen, te weten: 2 speelautomatenhallen voor
                                        het deel van de gemeente dat wordt begrensd door de rivier
                                        de Waal en de singels en 1 speelautomatenhal in het
                                        grootwinkelcentrum Dukenburg (Zwanenveld).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.3</nr><titel>Bescheiden vergunningaanvraag</titel></kop><al>De ondernemer dient bij de vergunningaanvraag de volgende
                                    gegevens en bescheiden over te leggen:</al><lijst><li nr="a."><al>een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij
                                            is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een
                                            plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de
                                            speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of
                                            behendigheidsautomaten worden opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel
                                            en Fabrieken;</al></li><li nr="c."><al>een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over
                                            de ruimte te beschikken;</al></li><li nr="d."><al>een verklaring omtrent het gedrag:</al></li><li nr="-"><al>van de ondernemer dan wel, indien de ondernemer een
                                            rechtspersoon is, van degene(n) die de onderneming
                                            krachtens de (alsdan bij te voegen) statuten
                                            vertegenwoordigt(en) en</al></li><li nr="-"><al>van de beheerder;</al></li><li nr="e."><al>een verklaring dat hij beschikt over een
                                            exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h, eerste
                                            lid van de Wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.4</nr><titel>Persoonlijk karakter vergunning; voorschriften en
                                        beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de
                                        ondernemer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergunning wordt de naam van de beheerder
                                        vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen
                                        verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de sluitingstijden van de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het toezicht in de speelautomatenhal;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het aantal speelautomaten dat mag worden opgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.5</nr><titel>Weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30e, eerste en tweede
                                        lid van de Wet, wordt de vergunning geweigerd, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                        speelautomatenhallen is verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de
                                        openbare weg voor het publiek toegankelijk is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft
                                        (hebben) bereikt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de ondernemer of de beheerder(s) onder curatele staat
                                        (staan) of bewind is ingesteld over één of meer aan hen
                                        toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van
                                        het Burgerlijk Wetboek;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het
                                        oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de
                                        naaste omgeving of het karakter van de
                                        winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig
                                        wordt beïnvloed;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd
                                        oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel een
                                        stadsvernieuwingsplan c.q. leefmilieuverordening in de zin
                                        van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in
                                        het vorige lid, onder b en onder c. Een ontheffing van het
                                        bepaalde onder b geldt voor een periode van ten hoogste zes
                                        maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.6</nr><titel>Beëindiging vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een overeenkomstig artikel 2.3.3.4, tweede lid, in de
                                        vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder
                                        heeft verloren, dient de ondernemer onder overlegging van de
                                        in artikel 2.3.3.3, onder d, genoemde bescheiden, binnen
                                        drie maanden een nieuwe vergunning aan te vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de beslissing op een aanvrage
                                        voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel
                                        exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand
                                        onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvrage is
                                        ingediend binnen drie maanden na het verlies van de
                                        hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.7</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 30f, eerste en tweede lid
                                    van de Wet en artikel 1.11, eerste lid van deze verordening, kan
                                    de burgemeester de vergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan
                                            de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat
                                            een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 2.3.3.5,
                                            onder e;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een
                                            periode van langer dan zes maanden wordt
                                            onderbroken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.8</nr><titel>Voortzetting exploitatie na overlijden ondernemer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een ondernemer komt te overlijden dient, indien
                                        voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen drie
                                        maanden een nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle andere gevallen van wisseling van ondernemer dient
                                        binnen één maand na overname van de speelautomatenhal een
                                        nieuwe vergunning te worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zolang op een tijdig ingediende aanvrage niet is beslist is
                                        voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming
                                        van de voorschriften en beperkingen, verbonden aan de van
                                        rechtswege vervallen vergunning.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Toezicht op speelautomaten in andere inrichtingen dan
                                    speelautomatenhallen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: een speelautomaat als bedoeld in artikel
                                            2.3.3.1 onder b;</al></li><li nr="c."><al>behendigheidsautomaat: een behendigheidsautomaat als
                                            bedoeld in artikel 2.3.3.1 onder c;</al></li><li nr="d."><al>kansspelautomaat: een kansspelautomaat als bedoeld in
                                            artikel 2.3.3.1 onder d;</al></li><li nr="e."><al>hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in
                                            artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet,
                                            waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat
                                            artikellid wordt uitgeoefend:</al></li><li nr="1."><al>waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat
                                            en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan
                                            een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en</al></li><li nr="2."><al>waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn
                                            op personen van 18 jaar en ouder;</al></li><li nr="f."><al>laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in
                                            artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet,
                                            waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat
                                            artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige
                                            inrichting is, of een inrichting waarin
                                            horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de
                                            ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij
                                            het Bedrijfschap Horeca.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4.2</nr><titel>Opstelplaatsenbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                        toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                        toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                        geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verblijfsontzeggingen</titel></kop><al>Het is degenen aan wie dit door of namens de burgemeester in het
                                belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt,
                                verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te
                                bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen
                                gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in
                                de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit van de burgemeester:
                                        bijlage 3, 3a en 3b bij de
                                slotpagina's)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerend
                                    goed dat vanaf de weg zichtbaar is:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding,
                                    aan te plakken of op andere wijze aan te brengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                    afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid, aanhef en sub a gestelde verbod, geldt
                                    niet voor het aanplakken op daartoe door de gemeente geplaatste
                                    publicatieborden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer zaken met verboden handeling als kennelijk
                                    doel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels, gedurende
                                    de openingstijden daarvan, een tas te vervoeren of aanwezig te
                                    hebben die er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van
                                    winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in die leden
                                    bedoelde voorwerpen niet bestemd zijn voor de in die leden
                                    bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3.a</nr><titel>Handel in verdovende middelen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op of
                                aan de openbare weg te bevinden, indien redelijkerwijze kan worden
                                aangenomen, dat dit er kennelijk op gericht is een verdovend middel
                                als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                stof, te koop aan te bieden of de verkoop, aflevering of
                                verstrekking daarvan te bevorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3b</nr><titel>Gebruik harddrugs op straat</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke
                                plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als
                                bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen,
                                dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten
                                behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te
                                hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3c</nr><titel>Samenscholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer
                                    dan vier personen deel te nemen, indien deze verzameling verband
                                    houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als
                                    bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet, of indien deze verzameling
                                    verband houdt met de handel in middelen als bedoeld in artikel 3
                                    van de Opiumwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die zich bevindt in een verzameling van personen als
                                    in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend
                                    bevel van een ambtenaar van de politie zijn weg te vervolgen of
                                    zich in de aangewezen richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en
                                    leefmilieu, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke
                                    ruimte bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van
                                    de houder van de ruimte die het betreft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte
                                    verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar
                                    bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd
                                    dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de
                                    burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek
                                    toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid
                                    door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn,
                                    zich daarin te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers
                                    verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke
                                    ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de
                                    gemeente Nijmegen zijn ingeschreven als bewoners van de bij de
                                    ruimte behorende woning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>logeergasten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt
                                    vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Verbod betreden van voor het publiek gesloten ruimten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                    behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                    monument, overkapping, voertuig, hekheining, verkeersmeubilair
                                    en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                    of aan gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig
                                    overlast of hinder veroorzaakt wordt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 350, 351, 351bis, 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Verbod slapen op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg op een voor anderen hinderlijke wijze als
                                    slaapplaats te gebruiken, al dan niet in een voertuig,
                                    woonwagen, tent of vergelijkbaar ander onderkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar dit
                                    verbod niet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van
                                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid
                                    voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en
                                    beperking van hinder en overlast, ontsiering van het stadsbeeld,
                                    verontreiniging, besmettelijke ziekten en brandgevaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet op
                                    de Openluchtrecreatie van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6b</nr><titel>Overlast skateboarden</titel></kop><al>1.Onder skateboarden wordt in dit artikel verstaan: het zich
                                voortbewegen op skateboarden en vergelijkbare voorwerpen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen wegen aanwijzen waar het is
                                verboden om te skateboarden.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten: bijlage 13A en 13B bij
                                        de slotpagina's)</cursief></vet></al><lijst><li nr="3."><al>De in het vorige lid bedoelde plaatsen kunnen worden
                                        aangewezen in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede
                                        begrepen de bescherming van verkeersdeelnemers en de
                                        verdeling van de gebruiksmogelijkheden van de weg;</al></li><li nr="b."><al>de voorkoming of opheffing van hinder of overlast;</al></li><li nr="c."><al>de voorkoming van schade aan de weg en straatmeubilair.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat deel uitmaakt van of behoort bij een inrichting,
                                    als bedoeld in artikel 2.3.1.1 lid 1, onder a, sub 1;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gedeelte van de weg, waarvoor een ontheffing geldt krachtens
                                    artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7a</nr><titel>Gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door de
                                    burgemeester aangewezen gebied, drinkgerei van glas of geopende
                                    glazen verpakkingen, kennelijk bestemd voor het bewaren van
                                    dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel
                                    2.3.1.5;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de plaats waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van
                                    de Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de exploitant van een inrichting als bedoeld in artikel
                                    2.3.1.1 en degene die het winkelbedrijf of slijtersbedrijf
                                    uitoefent, welke inrichting, winkel of slijterij is gelegen aan
                                    een door de burgemeester aangewezen weg of weggedeelte, verboden
                                    dranken in door de burgemeester aangewezen verpakkingen, en/of
                                    drinkgerei van glas of blik te verstrekken gedurende een door de
                                    burgemeester aangewezen periode. De burgemeester wijst de wegen
                                    of weggedeeltes, verpakkingen en drinkgerei en de periode aan in
                                    het belang van de openbare orde en/of veiligheid indien en voor
                                    zover de genoemde belangen dit dringend noodzakelijk maken en
                                    dat ook in een aantoonbaar verband staat tot deze
                                    aanwijzing.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten bijlage 22 en 22a
                                            van de slotpagina’s)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort, onder een
                                    luifel, afdak, overkapping of onderdoorgang op te houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te
                                    zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor
                                de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Neerzetten van fietsen en bromfietsen</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan:</al><lijst><li nr="1."><al>indien dit schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor
                                        de bruikbaarheid van de</al><al> weg of voor het doelmatig en veilig gebruik ervan, dan wel
                                        een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van de weg;</al></li><li nr="2."><al>tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                                        gebouw dan wel in de</al><al> ingang van een portiek, indien:</al></li><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die doorgang gehinderd of die ingang versperd
                                        wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets bij publiek trekkende
                                    activiteiten</titel></kop><al>Het is verboden op door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen
                                zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11-a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar het
                                    verboden is om buiten de daarvoor aangewezen stallingruimten
                                    fietsen en bromfietsen te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al><al><vet><cursief> (zie voor aanwijzingsbesluiten: bijlage 5A bij de
                                            slotpagina's, waar ook de relevante beleidsregels voor
                                            ontheffingen zijn toegevoegd, bijlage 5B en bijlage
                                            5C)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11-b</nr></kop><al>Het is verboden om een (brom-)fiets, al of niet voor onmiddellijk
                                gebruik geschikt, langer dan 4 weken onbeheerd in een
                                fietsenstalling in een door Burgemeester en Wethouders aangewezen
                                zone achter te laten.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluiten: bijlage 5A bij de
                                        slotpagina's, waar ook de relevante beleidsregels voor
                                        ontheffingen zijn toegevoegd, bijlage 5B en bijlage
                                        5C)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al><al>2 Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                                bevindende persoon te bespieden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Loslopende honden, verboden plaatsen</titel></kop><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit: bijlage 20A en 20C bij
                                        de slotpagina's)</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of
                                        degene, die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden
                                        deze te laten verblijven of lopen:</al></li><li nr="a."><al>op de weg zonder dat de hond aangelijnd en voldoende in zijn
                                        macht is;</al></li><li nr="b."><al>op de weg zonder dat de hond voorzien is van een aan de
                                        halsband bevestigde, van gemeentewege verstrekte,
                                        hondenpenning;</al></li><li nr="c."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                        speelweide;</al></li><li nr="d."><al>op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen en
                                        als zodanig aangeduide plaats.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en Wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar
                                        het verbod sub a niet van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of degene
                                    die een hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze zich van
                                    zijn uitwerpselen te laten ontdoen in tuinen van derden en op de
                                    weg met uitzondering van de als zodanig door het college van
                                    burgemeester en wethouders aangewezen en ingerichte
                                    hondenuitlaatplaatsen.</al><al><vet><cursief> (Zie voor aanwijzingsbesluiten
                                            hondenuitlaatplaatsen bijlagen20B en
                                        volgende)</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod wordt opgeheven indien het gaat om openbare
                                    wegen en perken en de eigenaar, houder of verzorger van een hond
                                    dan wel degene die een hond onder zijn toezicht heeft, er zorg
                                    voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op of aan de openbare weg bevindt
                                    is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat
                                    geschikt is voor het verwijderen van hondenpoep. Dat geldt zowel
                                    aan het begin van de “uitlaatronde“ als aan het einde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond of hem, die
                                    een hond onder zijn toezicht heeft verboden die hond te laten
                                    verblijven of te laten lopen op de weg of enig andere -al dan
                                    niet met enige beperking- voor publiek toegankelijke plaats of
                                    op het terrein van een ander:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>anders dan kort aangelijnd en voldoende in iemands macht, nadat
                                    burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk
                                    hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                    achten en zij een kortaanlijngebod in verband met het gedrag van
                                    die hond noodzakelijk vinden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat
                                    burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder schriftelijk
                                    hebben medegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                    achten en zij een kortaanlijn- en muilkorfgebod in verband met
                                    het gedrag van die hond noodzakelijk vinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de
                                    Regeling agressieve dieren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Bescherming tegen gevaarlijke honden op eigen erven</titel></kop><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem, die een
                                hond onder zijn toezicht heeft, verboden deze hond op zijn erf
                                zonder muilkorf te laten loslopen, indien burgemeester en wethouders
                                hebben medegedeeld, dat zij het dier gevaarlijk achten, dan wel
                                indien de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en
                                verdedigingswerk, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>op een vanaf de weg zichtbare plaats een -ter beoordeling
                                        van burgemeester en wethouders- duidelijk leesbaar
                                        waarschuwingsbord is aangebracht;</al></li><li nr="b."><al>de gelegenheid bestaat een brievenbus te bereiken en aan te
                                        bellen zonder dat men het erf behoeft te betreden;</al></li><li nr="c."><al>het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke
                                        afrastering dat de hond zonder menselijke tussenkomst niet
                                        buiten het erf kan komen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gedeelten van de
                                    gemeente of bepaalde plaatsen, geen woningen zijnde, aan te
                                    wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van
                                    schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                                    dieren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben, dan wel;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen
                                    ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de
                                    openbare gezondheid gestelde regels, dan wel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing
                                    is aangegeven of mede is aangegeven.</al><al> De aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig
                                    artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde en
                                    overeenkomstig artikel 1.14 openbaar bekend gemaakte regels, dan
                                    wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een
                                    onroerend goed gelegen binnen een krachtens het eerste lid
                                    aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het
                                    in het tweede lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het aanwezig hebben van dieren gebeurt in strijd met het
                                    bepaalde krachtens het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders degene die de dieren aanwezig heeft aanschrijven tot
                                    het treffen van maatregelen ter voorkoming of opheffing van
                                    overlast of van schade aan de openbare gezondheid.</al><al> Degene tot wie de aanschrijving is gericht of diens
                                    rechtsopvolger is verplicht de aanschrijving op te volgen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ieder die een of meer dieren onder zijn hoede heeft, is
                                    verplicht door voorzorgsmaatregelen die in redelijkheid van hem
                                    verwacht mogen worden, te voorkomen dat deze dieren voor de
                                    omgeving hinderlijk zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    Milieubeheer of het Honden- en Kattenbesluit van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee en kleinvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of kleinvee dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee en kleinvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar;</al></li><li nr="c."><al>horecabedrijf: een inrichting als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid sub a;</al></li><li nr="d."><al>houder: de exploitant of beheerder als bedoeld in artikel
                                        2.3.1.1, eerste lid sub b en c.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan besluiten ten aanzien van de verkoop of
                                    overdracht van bepaalde categorieën gebruikte of ongeregelde
                                    goederen de verplichting op te leggen een verkoopregister bij te
                                    houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De handelaar houdt de verkoop of op andere wijze overdracht van
                                    aangewezen goederen als bedoeld in het eerst lid bij in een
                                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt
                                    register en vermeldt daarin onverwijld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van</titel></kop><al><onderstreept>Strafrecht </onderstreept></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: </al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij in overeenstemming met het bepaalde in artikel
                                        437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
                                        burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                        schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een
                                        beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
                                        te doen van zijn woonadres en van het volledige adres van
                                        elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in
                                        gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de onder a bedoelde functionaris.;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een
                                handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig
                                voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.2.1, 2.1.5.1, 2.1.5.2,
                                2.1.6.4, 2.1.6.8, 2.1.6.8a, 2.2.9, 2.2.10, 2.2.11, 2.4.6, 2.4.7,
                                2.4.8, 2.4.9 en 4.3.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening van
                                de gemeente Nijmegen groepsgewijze niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Spreiding van vuurwerk verkooppunten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Vuurwerk verkooppunten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, voor
                                    zover de locatie van de bedrijfsuitoefening niet voldoet aan het
                                    in het belang van de openbare orde en in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van overlast, door het college gestelde
                                    afstandscriterium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor vuurwerk verkooppunten die in 2004 en 2005 rechtsgeldig in
                                    werking waren en voor ondernemers die in 2005 een ontvankelijke
                                    aanvraag of een melding op grond van de Wet milieubeheer
                                    indienden, geldt het verbod van lid 1 niet.</al><al><vet><cursief> (zie voor besluit vaststelling afstandscriterium:
                                            bijlage 15 bij de slotpagina's)</cursief></vet></al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke
                                    plaatsen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>parkeerterreinen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>overige plaatsen die vanwege het doelgebonden verblijf niet
                                    onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet
                                    openbare manifestaties (Wom) vallen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na afloop van de in het eerste lid bepaalde duur worden
                                    cameraprojecten geëvalueerd. De burgemeester betrekt de
                                    gemeenteraad bij evaluatie van cameraprojecten.</al><al><vet><cursief>(zie voor besluit toezicht: bijlage 19 a en 19b
                                            bij de slotpagina’s) </cursief></vet></al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van
                                seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>b prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;</al><al>c seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                                seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder
                                tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in
                                combinatie met elkaar;</al><al>d escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al><al>e sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan
                                particulieren plegen te worden verkocht;</al><al>f raamprostitutiebedrijf: een seksinrichting met één of meer ramen
                                van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op
                                zich te vestigen;</al><al>g straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan
                                wel aanlokken;</al><al>h exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert
                                of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of
                                rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al><al>i beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of
                                escortbedrijf;</al><al>j bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van:</al><al> 1 de exploitant;</al><al> 2 de beheerder;</al><al> 3 de prostituee;</al><al> 4 het personeel dat in de inrichting werkzaam is;</al><al> 5 toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a;</al><al> 6 andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het
                                college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de
                                bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al><vet><cursief>(zie voor collegebesluit tot vaststellen nadere
                                        regels:bijlage 2B bij de slotpagina's)</cursief></vet></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
                                        <vet><cursief>(zie besluiten in bijlage 2D en bijlage 2E)
                                    </cursief></vet></al><al>2 Het bevoegd orgaan kan een maximum stellen aan het aantal te
                                verlenen vergunningen.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval overgelegd respectievelijk vermeld:</al><al> a de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al> b de persoonsgegevens van de beheerder; </al><al> c vervallen;</al><al> d de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al> e de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting
                                        door middel van een situatietekening met een schaal van
                                        tenminste 1:1000;</al><al> f een plattegrond van de seksinrichting door middel van een
                                        tekening met een schaal van tenminste 1:100;</al><al> g een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                        Kamer van Koophandel;</al><al> h een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                        tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                                        seksinrichting.</al></li><li nr="4."><al>Een aanvraag om een vergunning voor een seksinrichting wordt
                                        in behandeling genomen als blijkt dat er een aanvraag voor
                                        een geschiktheidsverklaring is gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel
                                    door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar
                                    Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                    artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                    toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan driehonderd vijfenzeventig euro
                                    bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van
                                    beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van
                                    de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    perso(o)n(en) - of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor
                                    ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                                    gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1
                                    is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen
                                    verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><al>1 Het bevoegd orgaan kan door middel van voorschriften als bedoeld
                                in artikel 1.9 voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingstijden
                                vaststellen. </al><al>2 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                gedurende de op grond van lid 1 opgelegde sluitingstijden.</al><al>3 Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4 eerste lid, gesloten
                                dient te zijn.</al><al>4 Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><al>1 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan
                                het bevoegd bestuursorgaan:</al><al> a tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid,
                                geldende sluitingsuren vaststellen;</al><al> b van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al><al>2 Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van
                                de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><al>1 Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. </al><al>2 De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe
                                te zien dat in de seksinrichting:</al><al> a geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX
                                (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek
                                van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens
                                en munitie;</al><al> b geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                Vreemdelingenwet bepaalde. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><al>1 Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet op of aan door het
                                college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen en gebieden,
                                indien de bij dat besluit vastgestelde voorschriften in acht worden
                                genomen; deze voorschriften betreffen in ieder geval de tijden,
                                waarop het verbod in het eerste lid vermeld niet geldt, de leeftijd
                                van de prostituee en de locatie waar het afwerken dient te
                                geschieden.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit met beleidsregels:
                                        bijlagen 2A-1 en 2A-2 bij de
                                slotpagina's)</cursief></vet></al><al>3 Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door een ambtenaar van politie of een buitengewoon
                                opsporingsambtenaar van de afdeling Toezicht van de gemeente
                                Nijmegen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                richting te verwijderen.</al><al>4 Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                wegen en tijden bedoeld in het tweede lid, het bevel worden gegeven
                                zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al><al>5 Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden op de in lid 2 bedoelde wegen en
                                gebieden dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een
                                ander doel dan waarvoor deze gebieden zijn bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en
                                wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit met nadere regulering:
                                        bijlage 2F bij de slotpagina's)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische</titel></kop><al><onderstreept>goederen, afbeeldingen en
                                dergelijke</onderstreept></al><al>1 Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al> a indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt;</al><al> b anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringgronden;</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>1 Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf
                                weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.</al><al>2 Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                twaalf weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>1 De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                geweigerd indien:</al><al> a de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                perso(o)n(en) - of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2
                                gestelde eisen;</al><al> b de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in
                                procedure zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of
                                leefmilieuverordening;</al><al> c er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel
                                250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de
                                Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;</al><al> d de aanvrager niet door het overleggen van een door het college
                                van burgemeester en wethouders afgegeven geschiktheidverklaring kan
                                aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3.1.3
                                gestelde nadere regels;</al><al> e het maximale aantal af te geven vergunningen voor
                                seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend;</al><al> f de vergunning is aangevraagd voor een raamprostitutiebedrijf dat
                                niet is gevestigd in de percelen Nieuwe Markt 24 tot en met 40 (even
                                nummers).</al><al>2 De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, kan
                                worden geweigerd:</al><al> a in het belang van de openbare orde;</al><al> b in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van
                                het woon- en leefklimaat;</al><al> d in het belang van de veiligheid van personen of goederen;</al><al> e in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al><al> f in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;</al><al> g in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                prostituee.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><al>1 De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al><al>2 Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><al>1 Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid,
                                onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd,
                                geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke
                                beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al>2 Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2,
                                eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al>3 In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Verbod geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om met toestellen of geluidsapparaten dan
                                        wel op andere wijze handelingen te verrichten, waardoor voor
                                        een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                        wordt veroorzaakt, of toe te laten dat deze handelingen
                                        worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen van het bepaalde in het
                                        eerste lid ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid van het artikel omschreven verbod
                                        geldt niet indien wordt voldaan aan de door het college te
                                        stellen nadere regels met betrekking tot het vrijstellen van
                                        bepaalde soorten geluidhinder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet, de
                                        Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet of
                                        het Reglement Verkeerstekens en Verkeersregels van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>"Festiviteitenregeling voor inrichtingen"</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                            milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al>Inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in
                                            het Besluit; </al></li><li nr="c."><al>Houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                            bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                            drijft; </al></li><li nr="d."><al>Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek
                                            aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
                                        </al></li><li nr="e."><al>Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                            gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
                                        </al></li><li nr="f."><al>Geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op
                                            grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden
                                            aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
                                            uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende
                                            inrichting; </al></li><li nr="g."><al>Stadscentrum: Het gebied van de stad Nijmegen, dat wordt
                                            afgebakend door de spoorbrug, Waal, Generaal James
                                            Gavinweg, Keizer Trajanusplein, St. Canisiussingel,
                                            Oranjesingel, Keizer Karelplein, Van Schaek
                                            Mathonsingel, Stationsplein en de Spoorlijn
                                            Arnhem-Nijmegen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel> bijlage 9a en 9b</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Algemene voorwaarden</al></li><li nr="a."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="b."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al></li><li nr="c."><al>In een aanwijzing als bedoeld onder a) en b), kan het college
                                    bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in bepaalde gebieden
                                    en/of voor bepaalde inrichtingen. </al></li><li nr="d."><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend. </al></li><li nr="e."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit aanwijzen. </al></li><li nr="2."><al>Voorwaarden voor collectieve festiviteiten</al></li><li nr="a."><al>Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) / 78 dB(C), gemeten
                                    op 1 meter buiten de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte
                                    van 1,5 meter boven plaatselijk maaiveld. </al></li><li nr="b."><al>Toeslagen voor de aard van het geluid en de
                                    bedrijfsduurcorrectieterm blijven achterwege. </al></li><li nr="c."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de
                                    artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om
                                    01.00 uur te worden beëindigd. </al></li><li nr="d."><al>Tijdens de collectieve festiviteit blijven ramen en deuren
                                    gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen
                                    of goederen.</al></li><li nr="3."><al>Aanvullende voorwaarden voor de Vierdaagsefeesten</al></li><li nr="a."><al>Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
                                    inrichting tijdens de vierdaagsefeesten, bedraagt niet meer dan
                                    80 dB(A) / 93 dB(C), gemeten op 5 meter van een geheel of
                                    gedeeltelijk geopende gevel van een inrichting.</al></li><li nr="b."><al>Toeslagen voor de aard van het geluid en de
                                    bedrijfsduurcorrectieterm blijven achterwege.</al></li><li nr="c."><al>De luidspreker(s) moeten binnen het gebouw zijn opgesteld.</al></li><li nr="d."><al>De luidspreker(s) binnen 3 meter van een geheel of gedeeltelijk
                                    geopende gevel mogen niet geheel of gedeeltelijk naar de
                                    geopende gevel zijn gericht.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><al>1.<vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal twee incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van
                                        de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                        festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
                                    </al></li><li nr="b."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee
                                        incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
                                        langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
                                        waarbij artikel 4.113 lid 1 van het Besluit niet van
                                        toepassing is mits de houder van de inrichting ten- minste
                                        twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                        daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="c."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                        kennisgeving.</al></li><li nr="d."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                        formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                        ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="e."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op een schriftelijk verzoek van de houder van
                                        een inrichting een incidentele festiviteit, die
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.</al></li></lijst><al><vet>2. Specifiek aangewezen gebieden</vet></al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>Het is een inrichting die niet gelegen is in het
                                                stadscentrum, toegestaan om één van de twee
                                                incidentele festiviteiten binnen de inrichting maar
                                                buiten een gebouw van de inrichting te laten
                                                plaatsvinden. </al></li><li nr="b."><al>Voor deze incidentele festiviteiten gelden de
                                                voorschriften uit de Beleidsregels geluid bij
                                                evenementen in de openlucht.</al></li><li nr="c."><al>Het is het Openluchttheater gelegen aan de
                                                Steinweglaan 2 te Nijmegen toegestaan maximaal zes
                                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
                                                waarbij de geluidnormen uit het Besluit niet van
                                                toepassing zijn mits de houder van de inrichting
                                                tenminste twee weken voor de aanvang van de
                                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                                gesteld.</al></li><li nr="d."><al>Het is de Atletiekbaan, gelegen aan de
                                                Heemraadstraat 3 te Nijmegen toegestaan maximaal zes
                                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
                                                waarbij de geluidnormen uit het Besluit niet van
                                                toepassing zijn mits de houder van de inrichting
                                                tenminste twee weken voor de aanvang van de
                                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                                gesteld.</al></li><li nr="e."><al>Het is de Vasim, gelegen aan de Winselingseweg 41 te
                                                Nijmegen toegestaan maximaal zes incidentele
                                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                                geluidnormen uit het Besluit niet van toepassing
                                                zijn mits de houder van de inrichting tenminste twee
                                                weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                                daarvan in kennis heeft gesteld. </al></li><li nr="f."><al>Het is een inrichting, gelegen aan een locatie zoals
                                                benoemd in de Beleidsregels geluid bij evenementen
                                                in de openlucht, toegestaan om een incidentele
                                                festiviteit te houden op de dagen en tijden dat op
                                                die locatie openbare evenementen plaatsvinden als
                                                bedoeld in Hoofdstuk 2 Afdeling 2 van deze Algemene
                                                Plaatselijke Verordening.</al></li><li nr="g."><al>Een incidentele festiviteit buiten een gebouw en
                                                binnen de inrichting die aan een locatie of binnen
                                                de invloedssfeer van een locatie zoals benoemd in de
                                                Beleidsregels geluid bij evenementen in de openlucht
                                                ligt, kan worden gehouden indien de maximaal
                                                toegestane gebruiksfrequentie, zoals bedoeld in de
                                                Beleidsregels geluid bij evenementen in de openlucht
                                                niet wordt overschreden. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al><vet>Aanvullende voorwaarden voor incidentele festiviteiten
                                            binnen een gebouw van een inrichting</vet></al></li><li nr="a."><al>Het equivalente geluidsniveau (Leq) veroorzaakt door de
                                        inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A) / 78 dB(C),
                                        gemeten op 1 meter buiten de gevel van geluidgevoelige
                                        gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al></li><li nr="b."><al>Het ten gehore brengen van muziek - hoger dan de geluidsnorm
                                        als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het
                                        Besluit wordt uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.</al></li><li nr="c."><al>Toeslagen voor de aard van het geluid en de
                                        bedrijfsduurcorrectieterm blijven achterwege. </al></li><li nr="d."><al>Tijdens incidentele festiviteiten blijven ramen en deuren
                                        gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                        personen of goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Een incidentele festiviteit mag niet worden gehouden tijdens een
                                    door het college voor bepaalde locaties vastgesteld
                                    evenementenvrij weekend, zoals vermeld in de Beleidsregels
                                    geluid bij evenementen in de openlucht. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Een incidentele festiviteit mag niet worden gehouden door een
                                    inrichting aan welke inrichting door het college een last onder
                                    dwangsom is opgelegd of een andere bestuursrechtelijke maatregel
                                    is getroffen wegens geluidsoverlast.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Wet Milieubeheer (Stb. 1992, 551 zoals sindsdien
                                            gewijzigd);</al></li><li nr="b."><al>autowrakken: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
                                            wet;</al></li><li nr="c."><al>inzameldienst: de dienst bedoeld in artikel
                                            4.2.1.2;</al></li><li nr="d."><al>wegen: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                            openstaande wegen of paden, de zijkanten;</al></li><li nr="e."><al>motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen, bestemd om
                                            anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen
                                            uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of
                                            aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door
                                            elektrische tractie met stroomtoevoer van elders;</al></li><li nr="f."><al>doelmatige verwijdering:</al><al> zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder
                                            geval:</al></li><li nr="1."><al>de continuïteit van de verwijdering wordt
                                            gewaarborgd;</al></li><li nr="2."><al>de afvalstoffen (met inachtneming van artikel 10.1, Wm)
                                            op effectieve en efficiënte wijze wordt verwijderd;</al></li><li nr="3."><al>de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is
                                            afgestemd op het aanbod te verwijderen
                                            afvalstoffen;</al></li><li nr="4."><al>een onevenwichtige spreiding van
                                            afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen;</al></li><li nr="5."><al>een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is
                                            en</al></li><li nr="6."><al>gewaarborgd is dat een inrichting voor het op of in de
                                            bodem brengen van afvalstoffen, nadat zij buiten gebruik
                                            is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het milieu
                                            veroorzaakt;</al></li><li nr="g."><al>afvalstoffen:</al><al> alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan
                                            de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan
                                            - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet
                                            ontdoen;</al></li><li nr="h."><al>huishoudelijke afvalstoffen:</al><al> afvalstoffen afkomstig uit particuliere huishoudens,
                                            afvalwater en autowrakken daaronder niet begrepen,
                                            behoudens voor zover het afgegeven of ingezamelde
                                            bestanddelen van die afvalstoffen betreft, die zijn
                                            aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen;</al></li><li nr="i."><al>grof huisafval:</al><al> huishoudelijke afvalstoffen die te groot en/of te zwaar
                                            zijn om op dezelfde wijze als andere huishoudelijke
                                            afvalstoffen aan de inzameldienst te worden
                                            aangeboden;</al></li><li nr="j."><al>restafval: huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering
                                            van klein chemisch afval, groente-, fruit- en tuinafval,
                                            glas, oud papier en karton, textiel en grof
                                            huisafval.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.2</nr><titel>Inzameldienst</titel></kop><al>Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en
                                    deze afdeling inzamelen van afvalstoffen wordt aangewezen DAR
                                    NV.</al><al>DAR NV wordt hiertoe concessie verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1</nr><titel>Uitsluiting grof huisafval</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op grof
                                    huisafval, behoudens voor zover bij artikel 4.2.3.4
                                    bepaalt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1a</nr><titel>Overdragen of aanbieden restafval aan de
                                        inzameldienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Restafval wordt éénmaal per week door de inzameldienst
                                        ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen over te dragen
                                        of ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de
                                        inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        burgemeester en wethouders krachtens paragraaf 4 van deze
                                        afdeling aan anderen dan de inzameldienst vergunning hebben
                                        verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde wordt
                                        restafval door de inzameldienst bij laagbouw éénmaal per
                                        twee weken ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet in het gebied
                                        voormalig sportpark Grootstal.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.2</nr><titel>De dagen en tijden voor het overdragen of het
                                        aanbieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen dagen en tijden vast voor
                                        het overdragen of het ter inzameling aanbieden van
                                        huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de in het eerste lid bedoelde afvalstoffen
                                        op andere dan de krachtens dat lid vastgestelde dagen en
                                        tijden over te dragen of ter inzameling aan te bieden aan de
                                        inzameldienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.3</nr><titel>De wijze en de plaats van het overdragen of het
                                        aanbieden</titel></kop><al>Het is verboden restafval anders aan de inzameldienst over te
                                    dragen, ter inzameling aan te bieden of achter te laten in van
                                    gemeentewege geplaatste wijkcontainers dan in groene
                                    huisvuilzakken van het type dat vastgesteld is door Burgemeester
                                    en wethouders (<vet><cursief>bijlage 7</cursief></vet>) en
                                    waarvoor gemeentelijke belastingen zijn afgedragen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.4</nr><titel>Verpakking van huishoudelijk afval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vuilniszakken moeten goed gesloten zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het overdragen of ter inzameling aanbieden moet de
                                        inhoud van de vuilniszakken die niet zwaarder mag zijn dan
                                        12 kg, zonder uitsteeksels in de zakken zijn gepakt, zodanig
                                        dat zulks geen aanleiding kan geven tot verwondingen of het
                                        scheuren van de zakken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.5</nr><titel>Ordelijke overdracht of aanbieding van huishoudelijk
                                        afval</titel></kop><al>Het overdragen of het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                    in vuilniszakken moet ordelijk geschieden door plaatsing
                                    daarvan, na 06.00 uur op een krachtens artikel 4.2.2.2, eerste
                                    lid, vastgestelde inzameldag, op het voetpad, zo dicht mogelijk
                                    bij de rijweg, of, bij het ontbreken van een voetpad, aan de
                                    kant van de rijweg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.6</nr><titel>Aangewezen plaats</titel></kop><al>In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke
                                    afvalstoffen kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de
                                    vuilniszakken overgedragen of ter inzameling aangeboden moeten
                                    worden op een door hen te bepalen plaats nabij de percelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.7</nr><titel>Het overdragen of aanbieden in containers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat huishoudelijke
                                        afvalstoffen in een gedeelte van de gemeente in van
                                        gemeentewege op of nabij de percelen geplaatste containers
                                        moeten worden overgedragen of ter inzameling
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze overdracht moet geschieden in gesloten verpakking en op
                                        een zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de
                                        containers achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen
                                        goed gesloten en, indien gesitueerd op voor het publiek
                                        toegankelijke plaatsen, tussen 18.00 en 06.00 uur afgesloten
                                        te zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.7a</nr><titel>Het overdragen of aanbieden in wijkcontainers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het navolgende gedeelte van de gemeente dient restafval
                                        in van gemeentewege geplaatste wijkcontainers te worden
                                        overgedragen of ter inzameling te worden aangeboden:
                                        voormalig sportpark Grootstal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze overdracht moet geschieden in de gesloten
                                        huisvuilzakken en op zodanige wijze dat geen afvalstoffen
                                        buiten de containers achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De containers moeten na het deponeren van de afvalstoffen
                                        goed gesloten worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.8</nr><titel>Verwijdering container</titel></kop><al>De gebruiker van een container moet er voor zorgen dat de
                                    container zo spoedig mogelijk, na lediging door de
                                    inzameldienst, doch uiterlijk op het eind van een krachtens
                                    artikel 4.2.2.2, eerste lid, vastgestelde inzameldag, van de weg
                                    is verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.9</nr><titel>Het in bijzondere gevallen overdragen of ter inzameling
                                        aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het in
                                    bijzondere gevallen op afroep overdragen of ter inzameling
                                    aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de
                                    inzameldienst</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.10</nr><titel>Aangewezen plaats achterlaten huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><al>Indien krachtens artikel 10.11, vijfde lid, van de wet een
                                    plaats binnen de gemeente is aangewezen, waar in voldoende mate
                                    gelegenheid geboden wordt huishoudelijke afvalstoffen achter te
                                    laten, stellen burgemeester en wethouders de dagen, tijden en
                                    wijzen vast waarop deze afvalstoffen daar kunnen worden
                                    achtergelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.11</nr><titel>Incidenteel achterlaten huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent het
                                    incidenteel achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.12</nr><titel>Verbod achterlaten huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen,
                                    tijden, wijzen en plaatsen achter te laten dan bij of krachtens
                                    de artikelen 4.2.2.4 tot en met 4.2.2.11 is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.12a</nr><titel>Achterlaten in daartoe bestemde bakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden andere huishoudelijke afvalstoffen dan van
                                        zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier,
                                        plastic bekertjes en blikjes, niet zijnde vloeistoffen,
                                        achter te laten in daartoe van gemeentewege geplaatste of
                                        voorgeschreven bakken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden glas op andere plaatsen achter te laten dan
                                        in daartoe van gemeentewege geplaatste glasbakken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden papier op andere plaatsen achter te laten
                                        dan in daartoe van gemeentewege geplaatste
                                        papierbakken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden textiel op andere plaatsen achter te laten
                                        dan in daartoe van gemeentewege geplaatste
                                        textielbakken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.13</nr><titel>Het zich afzonderlijk ontdoen van bijzondere categorieën
                                        huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen
                                        4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden de volgende categorieën
                                        van huishoudelijke afvalstoffen anders dan afzonderlijk over
                                        te dragen of aan te bieden aan de inzameldienst of achter te
                                        laten in daartoe in de nabijheid van de percelen geplaatste
                                        bakken of op een daartoe ter beschikking gestelde
                                        plaats:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Klein Chemisch Afval.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Glas.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Oud papier en karton.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Textiel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door de inzameldienst en/of een vergunninghouder
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.2.4.1 wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>klein chemisch afval één maal per week met behulp van de
                                        chemokar ingezameld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>glas via de van gemeentewege geplaatste glasbakken
                                        ingezameld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>oud papier en karton één maal per maand ingezameld;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>textiel vier maal per jaar ingezameld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.13a</nr><titel>Groente-, fruit- en tuinafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen
                                        4.2.2.1 tot en met 4.2.2.12 verboden groente-, fruit- en
                                        tuinafval anders dan afzonderlijk over te dragen of aan te
                                        bieden aan de inzameldienst of achter te laten in daartoe in
                                        de nabijheid van percelen geplaatste bakken of op een
                                        daartoe ter beschikking gestelde plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Door de inzameldienst wordt éénmaal per week groente, fruit
                                        en tuinafval afzonderlijk ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid wordt door de inzameldienst
                                        bij laagbouw éénmaal per twee weken groente-, fruit- en
                                        tuinafval afzonderlijk ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid dient in het voormalig
                                        sportpark Grootstal het groente-, fruit- en tuinafval achter
                                        te worden gelaten in van gemeentewege geplaatste groente-,
                                        fruit- en tuinafvalcontainers.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De overdracht van groente-, fruit- en tuinafval aan het de
                                        in het vierde lid bedoelde wijkcontainers moet geschieden op
                                        zodanige wijze dat geen afvalstoffen buiten de containers
                                        achterblijven.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde wijkcontainers moeten na het
                                        deponeren van het groente-, fruit- en tuinafval goed worden
                                        gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.14</nr><titel>Nadere regels bijzondere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop het groente-,
                                        fruit- en tuinafval en/of de in artikel 4.2.2.13. bedoelde
                                        categorieën van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden
                                        overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden het groente-, fruit- en tuinafval en/of de
                                        in artikel 4.2.2.13. bedoelde categorieën van huishoudelijke
                                        afvalstoffen over te dragen, aan te bieden of achter te
                                        laten in strijd met het krachtens het eerste lid
                                        bepaalde.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het zich ontdoen van grof huisafval</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.1</nr><titel>Verbod ontdoen grof huisafval</titel></kop><al>Het is verboden grof huisafval op een andere wijze of plaats aan
                                    de inzameldienst over te dragen of ter inzameling aan te bieden
                                    dan bij of krachtens deze paragraaf is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.2</nr><titel>Aanbieden en overdragen grof huisafval</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen vast op welke plaats, op
                                    welke tijden en op welke wijze, grof huisafval ter inzameling
                                    kan worden aangeboden en overgedragen aan de inzameldienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.3</nr><titel>Omvang en inhoud grof huisafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een stuk grof huisafval mag bij het overdragen of het
                                        aanbieden niet langer, hoger en breder zijn dan 1,5 meter.
                                        Kleinere stukken grof huisafval moeten zoveel mogelijk in
                                        één of meer bundels samengedrukt en -gebonden worden
                                        overgedragen of aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Stukken of bundels grof huisvuil mogen geen grotere inhoud
                                        hebben dan 1 m<sup>3</sup> of zwaarder zijn dan 30 kg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.4</nr><titel>Schakelbepaling</titel></kop><al>De artikelen 4.2.2.1a, 4.2.2.10, 4.2.2.12 en 4.2.2.13 zijn op
                                    het overdragen, het ter inzameling aanbieden en het achterlaten
                                    van grof huisafval van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en grof
                                    huisafval door anderen dan de inzameldienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.1</nr><titel>Inzamelvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ander dan de inzameldienst verboden zonder
                                        vergunning van burgemeester en wethouders van derden
                                        afkomstige huishoudelijke afvalstoffen en grof huisafval in
                                        te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                        moet deze tijdens het inzamelen steeds bij zich hebben en op
                                        verzoek van degenen bij wie hij inzamelt tonen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien vaststaat of met
                                        redenen is te vrezen dat het verlenen van een vergunning
                                        niet in het belang is van een doelmatige verwijdering van
                                        huishoudelijke afvalstoffen of grof huisafval.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.2</nr><titel>Aanbieden aan degene die inzamelt met vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop huishoudelijke
                                        afvalstoffen kunnen worden overgedragen of ter inzameling
                                        aangeboden aan degene die op grond van artikel 4.2.4.1
                                        bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in strijd met
                                        het krachtens eerste lid bepaalde over te dragen of ter
                                        inzameling aan te bieden aan degene die op grond van artikel
                                        4.2.4.1 bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te
                                        zamelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Het zich ontdoen van andere categorieën van
                                    afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5.1</nr><titel>Aanwijzing andere categorieën afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van derden afkomstige
                                        andere categorieën afvalstoffen dan huishoudelijke
                                        afvalstoffen aanwijzen, die aan de inzameldienst kunnen
                                        worden overgedragen of ter inzameling aangeboden dan wel
                                        kunnen worden achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Andere motorrijtuigen op meer dan twee wielen dan
                                        autowrakken, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                                        onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                        verkeren, kunnen ter verwijdering worden afgegeven op door
                                        burgemeester en wethouders tenminste één daartoe aangewezen
                                        plaats binnen de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                        dagen, tijden, wijze en plaatsen waarop de in het eerste lid
                                        bedoelde afvalstoffen aan de inzameldienst kunnen worden
                                        overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid
                                        over te dragen, aan te bieden of achter te laten in strijd
                                        met het krachtens het vorige lid bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        milieubeheer, de Destructiewet of de Provinciale
                                        Milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.5.2</nr><titel>Inzameling andere categorieën afvalstoffen door
                                        derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan anderen dan de inzameldienst verboden zonder
                                        vergunning van burgemeester en wethouders de krachtens
                                        artikel 4.2.5.1, eerste lid aangewezen afvalstoffen in te
                                        zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de in het vorige lid
                                        bedoelde vergunning voorschriften verbinden ter bescherming
                                        van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt in ieder
                                        geval geweigerd indien vaststaat of met redenen valt te
                                        vrezen dat het verlenen van een vergunning niet in het
                                        belang is van een doelmatige verwijdering van deze
                                        afvalstoffen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Openbare bekendmaking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.6.1</nr><titel>Bekendmaking van besluiten burgemeester en
                                        wethouders</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen
                                    4.2.2.2, eerste lid, 4.2.2.6, 4.2.2.7, eerste lid, 4.2.2.9,
                                    4.2.2.10, 4.2.2.11, 4.2.2.14, 4.2.3.2, 4.2.4.2 en 4.2.5.1,
                                    eerste, tweede en derde lid genomen besluiten worden openbaar
                                    bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Bodem-, weg- en andere milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Verontreiniging van de weg en van terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>afval of vuilnis of enig andere dergelijke stof of voorwerp,
                                    die/dat aanleiding kan geven tot verontreiniging, beschadiging
                                    of onvoldoende afwatering van de weg, dan wel aanleiding kan
                                    geven tot gevaar voor weggebruikers of hinder of nadelige
                                    beïnvloeding van het milieu, op of in de bodem, buiten een
                                    daarvoor bestemde verzamelplaats, te plaatsen, te storten, te
                                    werpen, uit te gieten, te laten vallen of lopen of te
                                    houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een op of aan de weg geplaatste afvalmand, -bak of soortgelijk
                                    voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan voor het daarin
                                    deponeren van klein afval, zoals verpakkingen van versnaperingen
                                    en kleine eetwaren, en sigaretten- en sigarendoosjes.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wordt gehandeld door of vanwege de overheid voor zover nodig in
                                    de uitoefening van haar taken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de stoffen of voorwerpen tijdelijk op de weg geraken of worden
                                    gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden of lossen of
                                    vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel van het verrichten
                                    van andere werkzaamheden op of aan de weg.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    voorts niet voor zover van toepassing zijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de Bestrijdingsmiddelenwet, de Kernenergiewet, de Wet
                                    Milieubeheer, de Wet bodembescherming;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>artikel 5 of 9 van het Rijkswegenreglement;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>artikel 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de Gelderse wegenverordening, de Verordening Bodembescherming
                                    Gelderland of de Provinciale Milieuverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                    voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt
                                    verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht,
                                    alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                    verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het
                                    verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg
                                    terstond na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of
                                    te doen reinigen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het
                                    verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg
                                    terstond na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze
                                    langer dan een dag duren, elke dag terstond na beëindiging van
                                    de werkzaamheden op die dag te reinigen of te doen
                                    reinigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement dan wel
                                    voorschriften bij of krachtens de Wet Milieubeheer of de
                                    Bodembeschermingwet van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of een andere
                                    inrichting waar eet- en/of drinkwaren worden verkocht welke ter
                                    plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting
                                    op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het
                                    publiek papier, etensresten, verpakkingsmateriaal en ander afval
                                    kan achterlaten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zorg te dragen dat die mand, die bak of dat soortgelijke
                                    voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin
                                    deugdelijk geborgen blijft en dat die mand, die bak of dat
                                    voorwerp steeds tijdig wordt geledigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder of beheerder van een inrichting bedoeld in het eerste
                                    lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na
                                    sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op
                                    eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op
                                    de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van
                                    de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen,
                                    voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verplichtingen gelden
                                    niet voor zover de Wet Milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.4</nr><titel>Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze,
                                    indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg
                                    of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het
                                    publiek worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of
                                    te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet ten aanzien van
                                    het verspreiden van reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften vanuit een luchtvaartuig.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.5</nr><titel>Verbod op het verspreiden van strooibiljetten met commerciële
                                    doeleinden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de week van de Vierdaagsefeesten zonder
                                    vergunning van Burgemeester en Wethouders gedrukte of omschreven
                                    stukken alsmede samples, monsters en andere goederen die vallen
                                    onder het begrip commerciële handelsreclame onder het publiek te
                                    verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of
                                    bekend te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet
                                    deze tijdens het verspreiden steeds bij zich hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien vaststaat of met redenen is
                                    te vrezen dat het verlenen van een vergunning leidt tot
                                    verontreiniging van de openbare ruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                    dagen en tijden waarop de strooibiljetten worden uitgereikt en
                                    de kwaliteit van het gebruikte papier.</al><al><vet><cursief> (zie voor collegebesluit tot vaststellen nadere
                                            regels: bijlage 11 bij de
                                    slotpagina's)</cursief></vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.7</nr><titel>Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande
                                    afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    huishoudelijke afvalstoffen, grof huisvuil of andere
                                    afvalstoffen, welke ter inzage gereed staan te doorzoeken of te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid moet
                                    deze tijdens het doorzoeken of verwijderen bij zich hebben en op
                                    verzoek van degenen bij wie hij doorzoekt of verwijdert
                                    tonen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de
                                    stronk uitlopen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                    houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>iepenspintkever: het insect in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.), Scolytus
                                    multistriatus (Marsh.) en Scolytus pygmaeus (F.);</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>bosplantsoen: aanplant van jong bos, hoofdzakelijk bestaande uit
                                    heesters, struiken en jonge bomen met een oppervlakte van
                                    minimaal 250m² en een breedte van minimaal 5 m.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand
                                    ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    houtopstand te kappen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bomen die geen eigendom zijn van de gemeente en een stamomtrek
                                    hebben van minder dan 95 centimeter;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bomen die eigendom zijn van de gemeente en een stamomtrek hebben
                                    van minder dan 65 centimeter;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                    landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte
                                    populieren of wilgen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>fruitbomen die geen deel uitmaken van een bedrijfsmatige
                                    exploitatie en windschermen om boomgaarden;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>naaldbomen, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als
                                    kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde
                                    terreinen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>kweekgoed;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap
                                    geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een
                                    bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid
                                    vormt die:</al><al> ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; </al><al> ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                    gerekend over het totale aantal rijen;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                    Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het bepalen van de stamomtrek als bedoeld in het tweede lid
                                    geldt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de stamomtrek van de stam 1.30 m. boven het maaiveld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij meerstammigheid de diameter van de dikste stam.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3a</nr><titel>Weigeringsgronden en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de vitaliteit van de houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende de
                                    in het eerste lid genoemde belangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de vergunning het voorschrift
                                    verbinden, dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de
                                    door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden
                                    herplant. Daarbij kan tevens worden bepaald binnen welke termijn
                                    na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                    herbeplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het
                                    bevoegd gezag aan de vergunning het voorschrift verbinden, dat
                                    een financiële compensatie moet worden betaald in het belang van
                                    de instandhouding van het bomenbestand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan aan de rooivergunning ook het voorschrift
                                    verbinden, dat niet wordt gerooid dan nadat de bouwvergunning
                                    waarvoor de rooivergunning wordt aangevraagd onherroepelijk is
                                    geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Herplant- en instandhoudingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
                                    gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de
                                    grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen de grond opnieuw te beplanten. Deze
                                    beplanting geschiedt overeenkomstig de door het bevoegd gezag te
                                    geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herplant en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden
                                    vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan het
                                    bevoegd gezag van de zakelijk gerechtigde van de grond waarop
                                    zich de houtopstand bevond dan wel van degene die uit andere
                                    hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, een
                                    financiële compensatie eisen, in het belang van de
                                    instandhouding van het bomenbestand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig
                                    wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                    die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te
                                    geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                    voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                    tweede, derde of vierde lid is opgelegd, alsmede diens
                                    rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van
                                artikel 17 juncto artikel 13, vierde lid, van de Boswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het collegegevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                    zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen en/of paddenstoelen te
                                plukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Opslag bromfietsen of motorvoertuigen, caravans,
                                    afvalstoffen, mest of ingekuilde landbouwproducten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een van de weg zichtbare plaats aanwezig te
                                    hebben:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan, indien het
                                    plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                    verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                    gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen,
                                    indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor
                                    verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                    verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afval, afbraakmaterialen en oude
                                    metalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod ontheffing te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                                    Provinciale Milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerend goed alsmede de
                                    hoofdgebruiker van dat goed verboden zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag dit goed of een daarop aanwezige zaak te gebruiken
                                    of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van
                                    handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                    afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een
                                    andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>opschriften, aankondigingen en afbeeldingen gericht op het
                                    inwendig gedeelte van een onroerend goed, dan wel deel uitmakend
                                    van een etalageopstelling;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen op zuilen, borden, muren of andere
                                    constructies, aangewezen door burgemeester en wethouders;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of
                                    verpachting van een onroerend goed, voor zolang zij feitelijke
                                    betekenis hebben;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op het onroerend
                                    goed wordt uitgeoefend of waarvoor dat goed is bestemd, zomede
                                    op naamborden: mits deze opschriften en aankondigingen
                                    gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15
                                    m<sup>2</sup> en geen van alle een grotere afmeting in een
                                    richting hebben dan 0,50 meter en mits deze opschriften en
                                    aankondigingen zijn aangebracht op of aan het onroerend
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>opschriften betrekking hebbend op de naam en/of aard van in
                                    uitvoering zijnde bouwwerken en/of op de namen van degenen die
                                    bij het ontwerp en/of de uitvoering van het bouwwerk betrokken
                                    zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op
                                    de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn,
                                    zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van
                                    openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van
                                    dat vervoer;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard,
                                    voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits van het
                                    aanbrengen ervan tevoren door of vanwege de rechthebbende of de
                                    hoofdgebruiker van het onroerend goed schriftelijk kennisgeving
                                    is gedaan aan burgemeester en wethouders en dit college niet
                                    binnen 14 dagen na ontvangst van die kennisgeving van enig
                                    bezwaar heeft doen blijken.</al><al> Zodanige opschriften en aankondigingen worden geacht hun
                                    tijdelijk karakter te hebben verloren, wanneer deze gedurende
                                    meer dan 4 weken op het onroerend goed aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover de Woningwet, de Monumentenwet, de gemeentelijke
                                    monumentenverordening of artikel 2.1.5.1 van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                    omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.3</nr><titel>Aanschrijving</titel></kop><al>Indien door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in
                                artikel 4.6.2, tweede lid dan wel aangebracht voor een ander doel
                                dan handelsreclame, de veiligheid van het verkeer in gevaar wordt
                                gebracht of ernstige hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt, zijn
                                burgemeester en wethouders bevoegd de rechthebbende
                                onderscheidenlijk de hoofdgebruiker van het onroerend goed aan te
                                schrijven tot het treffen van maatregelen ter voorkoming, ter
                                beperking of ter opheffing van dit gevaar of deze hinder.</al><al>Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger,
                                is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.4</nr><titel>Ledigen beerputten en dergelijke</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende onderscheidenlijk
                                de hoofdgebruiker van een onroerend goed aanschrijven tot het
                                ledigen of doen ledigen van de op of in dat onroerend goed aanwezige
                                beer-, gier- of zinkput of riool.</al><al>Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger,
                                is verplicht deze aanschrijving op te volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.5</nr><titel>Vervoer meststoffen over de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de maanden april tot en met september
                                    van 10.00 tot 24.00 uur en gedurende de overige maanden van
                                    12.00 tot 24.00 uur over de weg meststoffen, uitgezonderd
                                    kunstmeststoffen te vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden over de weg vloeibare meststoffen uit beer-,
                                    gier- of zinkputten te vervoeren anders dan in bakken, kuipen of
                                    tobben, welke waterdicht en met goed sluitende deksels gesloten
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod voor bepaalde wegen met een landelijk karakter
                                    een algemene of bijzondere ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                    Meststoffenwet of de Wet Bodembescherming van toepassing
                                    zijn.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wegen:</al><al> alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                        wegen of paden, de daarin liggende bruggen en duikers
                                        alsmede de tot de wegen behorende paden en bermen of
                                        zijkanten;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen:</al><al> alle gelede en ongelede motorvoertuigen, fietsen en andere
                                        rij- of voertuigen, met uitzondering van die, welke bestemd
                                        zijn om langs spoorstaven te worden voortbewogen en van
                                        kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                        voertuigen;</al></li><li nr="c."><al>parkeren:</al><al> het doen of laten staan van voertuigen, anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het
                                        onmiddellijk laden of lossen van goederen;</al></li><li nr="d."><al>aanhangwagens:</al><al> alle voertuigen, welke door een motorvoertuig worden
                                        voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om aldus te worden
                                        voortbewogen, met uitzondering van kampeerwagens, caravans
                                        of andere voor recreatie bestemde voertuigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100
                                    meter met als middelpunt een van deze voertuigen; dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt eveneens ten aanzien
                                    van voertuigen die worden gebruikt voor de uitoefening van een
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    eerste lid genoemde persoon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak, fiets- of bromfietswrak op de
                                    weg te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een voertuigwrak, fiets- of bromfietswrak wordt verstaan:
                                    een voertuig dat of een fiets of bromfiets die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en tevens in kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Parkeren van voertuigen met gevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om een voertuig dat wordt gebezigd voor het
                                    vervoer van meer dan 300 kilogram gevaarlijke stoffen als
                                    bedoeld in artikel 2 van de Wet gevaarlijke stoffen te parkeren
                                    indien zich binnen een straal van 250 meter gebouwen bevinden
                                    waarbinnen zich personen plegen op te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet gevaarlijke stoffen of de Wet Milieubeheer van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Caravans en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een kampeerwagen, een caravan of een ander voor
                                    de recreatie bestemd voertuig en aanhangwagens langer dan
                                    gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg of op een van
                                    af de weg zichtbare plaats te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Gelderse wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat kennelijk bedoeld is als
                                    voorwerp om handelsreclame mee te maken op de weg te
                                    parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op andere dan door burgemeester en
                                    wethouders bij openbaar te maken besluit aangewezen wegen. Deze
                                    aanwijzing wordt openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel
                                    1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                                    meter op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de
                                    tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
                                    werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter
                                    plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                    parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet Milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Aantasting groenvoorziening door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden,
                                    dan wel een voertuig, fiets of bromfiets te laten staan, door of
                                    in een park of plantsoen of op een niet van de weg deel
                                    uitmakende groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering
                                    van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Collectes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld en goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of gedeeltelijk voor een ideëel of liefdadig doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd collectes die aan te wijzen die voorkomen
                                    op een landelijk vastgesteld collecteplan en waarvoor het in het
                                    eerste lid genoemde verbod niet geldt.</al><al> Het college is bevoegd algemene regels te geven met betrekking
                                    tot het houden van deze collectes. De vrijstelling van het
                                    verbod geldt slechts, in het geval van vaststelling van deze
                                    algemene regels, indien zij worden nageleefd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen:</titel></kop><al><vet><cursief>(zie voor aanwijzingsbesluit: Bijlage 4 bij de
                                        slotpagina's)</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan
                                        wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor
                                        publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met
                                        een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een
                                        standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de
                                        uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te
                                        verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te
                                        bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is de rechthebbende op een voor publiek toegankelijk en
                                        in de openlucht gelegen perceel verboden toe te staan, dat
                                        daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                        standplaats wordt of is ingenomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of
                                        gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in art. 7 eerste
                                        lid van de Grondwet.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                        op de plaats die is aangewezen voor het houden van een door
                                        de gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden
                                        waarop die markt gehouden wordt en voor een evenement als
                                        bedoeld in artikel 2.2.1.</al></li><li nr="5."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        de Wet Milieubeheer, de Woningwet, het Rijkswegenreglement
                                        of de Gelderse wegenverordening van toepassing is.</al></li><li nr="6."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de omgeving;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een
                                        redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                        gevaar komt.</al></li><li nr="7."><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op een
                                        aanvraag voor een standplaatsvergunning aan, indien de
                                        aanvraag tevens een activiteit betreft die
                                        vergunningplichtig is op basis van de Wet Milieubeheer en
                                        indien geen toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid,
                                        tot de dag waarop de beslissing omtrent de vergunning
                                        ingevolge de Wet Milieubeheer is genomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Verbod te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    wegen een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te
                                    koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van dit verbod
                                    verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Slachten van dieren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Publiekelijk slachten</titel></kop><al>Het is verboden op of zichtbaar vanaf voor het publiek toegankelijke
                                plaatsen, dieren te slachten.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in artikel 4
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens een wedstrijd dan
                                    wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor
                                    het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
                                    Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik
                                    van deze terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het
                                    publiek.</al><al> De aanwijzing en de daarbij te stellen regels worden openbaar
                                    bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    Milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking gemotoriseerd verkeer, ruiterverkeer en
                                    terreinfietsen in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij
                                    verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig, bromfiets als
                                    bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                    of met een paard of terreinfiets aldaar overlast kan veroorzaken
                                    of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. De aanwijzing wordt
                                    openbaar bekend gemaakt overeenkomstig artikel 1.14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaatsen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich met een motorvoertuig, bromfiets als bedoeld in het vorige
                                    lid of met een paard of een terreinfiets te bevinden; dan
                                    wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich met een motorvoertuig, bromfiets als bedoeld in het vorige
                                    lid of met een paard of een terreinfiets te bevinden buiten de
                                    in die aanwijzing aangeduide en als zodanig gemarkeerde paden;
                                    dan wel</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>zich met een motorvoertuig, bromfiets of met een paard of een
                                    terreinfiets te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid
                                    tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor berijders
                                    van paarden en terreinfietsen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    plaatsen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van
                                    percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders
                                    aangewezen en overeenkomstig artikel 1.14 openbaar bekend
                                    gemaakte plaatsen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d. bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op primaire en secundaire wegen als bedoeld in de Wet
                                    uitkeringen wegen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op wegen die krachtens de Wet van 14 mei 1981, Stb. 287 voor
                                    motorrijtuigen of categorieën daarvan gesloten zijn
                                    verklaard;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op wegen gelegen binnen de krachtens de provinciale "Verordening
                                    verkeersbeperking ter bescherming van de natuur" aangewezen
                                    natuurgebieden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het tweede lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.2</nr><titel>Regulering incidentele asverstrooiing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kinderspeelterreinen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>ligweiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin voor
                                    een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan
                                    genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande
                                    die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                    omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste
                                    lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                    cramatoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.3</nr><titel>Verbod incidentele asverstrooiing bij hinder of overlast voor
                                    derden</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers, brandkranen en dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Gedoogplicht aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan het bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van burgemeester en wethouders, straatnaamborden,
                                    daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen,
                                    huisnummers, wijkaanduidingen, bordjes welke de ligging van
                                    brandkranen en afsluiters van nutsvoorzieningen aanduiden en die
                                    borden of merktekens, welke burgemeester en wethouders krachtens
                                    een bij de wet of verordening gegeven bevoegdheid noodzakelijk
                                    achten, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders geven tevoren schriftelijk kennis aan
                                    de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen
                                    over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van de in dat
                                    lid bedoelde borden of merktekens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verwijdering e.d. aanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 5.6.1.,
                                    eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen
                                    of onleesbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende
                                    op een bouwwerk die met inachtneming van het door burgemeester
                                    en wethouders vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in
                                    afwijkende vorm wenst aan te brengen. Burgemeester en wethouders
                                    kunnen ter zake nadere regels stellen, welke overeenkomstig
                                    artikel 1.14 openbaar bekend worden gemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Gevonden voorwerpen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.1</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.2</nr><titel>Detectorverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor
                                    een detectorverbod geldt. Deze aanwijzing wordt openbaar bekend
                                    gemaakt overeenkomstig artikel 1.14. <vet><cursief>(zie voor
                                            aanwijzingsbesluit: bijlage 1 bij de
                                            slotpagina's)</cursief></vet></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich anders dan met vergunning van burgemeester
                                    en wethouders, met een metaaldetector te bevinden op de onder
                                    lid 1 bedoelde terreinen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op degene
                                    aan wie ingevolge artikel 40 van de Monumentenwet 1988 een
                                    opgravingvergunning is verstrekt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Onder kampeermiddel wordt verstaan: tent, tentwagen, kampeerauto of
                                caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of
                                gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor als
                                gevolg van artikel 27 van de Woningwet een bouwvergunning is
                                vereist. Een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen
                                geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden
                                of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd. Dit verbod geldt ook voor het plaatsen van
                                    kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden door de
                                    rechthebbende van een terrein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de ontheffing weigeren in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                    goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de zedelijkheid of gezondheid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van het
                                    eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels
                                    stellen in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of andere
                                    goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de zedelijkheid of gezondheid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in de volgende leden, wordt overtreding van
                                het bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9
                                daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis
                                van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overtredingen van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met geldboete van de
                                eerste categorie: artikel 2.4.10, artikel 2.4.11, artikel 2.4.11a,
                                artikel 2.4.11b, artikel 2.4.22, artikel 2.5.1, artikel 2.5.2 en
                                artikel 4.1.1.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 4.2.2.1 tot en met
                                4.2.4.2 bepaalde en de op grond van artikel 1.9 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen geldt als strafbaar feit op grond van
                                artikel 1a van de Wet economische delicten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1a</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>1.Met inachtneming van de uitzonderingen als bedoeld in het tweede lid
                            van dit artikel zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                            bij of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9 daarbij
                            gegeven voorschriften en beperkingen belast de toezichthouders van het
                            bureau Toezicht afdeling Stadstoezicht van de Directie
                            Stadsbedrijven.</al><al>2 Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor: </al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2.1.1.1</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.1.2.3</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.2.3</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2.2.10 en 2.2.11</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.3.1.4</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.4.12</al></li><li nr="-"><al>artikel 2.6.1</al></li><li nr="-"><al>hoofdstuk 3 met uitzondering van artikel 3.2.6</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 4.2.2.1 tot en met 4.2.4.2</al></li><li nr="3."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening en de op grond van artikel 1.9
                                    daarbij gegeven voorschriften en beperkingen belast de door
                                    burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester aangewezen
                                    personen. (<vet><cursief>zie ook bijlage 12D en bijlage 18 bij
                                            de slotpagina's</cursief></vet>)</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>(Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Het binnentreden in woningen zonder toestemming van de
                                bewoners</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op een door burgemeester en
                                wethouders nader te bepalen dag na die waarop zij is
                                afgekondigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat tijdstip worden de volgende verordeningen of bepalingen uit
                                verordeningen ingetrokken:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de Nijmeegse Politieverordening, vastgesteld op 27 juni l962,
                                sedertdien gewijzigd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de Afvalstoffenverordening;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>artikelen 30 en 31 Brandbeveiligingsverordening;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>verordening houdende toepassing van de artikelen 8 en 22, lid 6 van
                                de Drank- en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de Geluidhinderverordening recreatie-inrichtingen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de verordening speelautomatenhallen;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>de verordening tot wering van overlast als gevolg van het zonder
                                toestemming van rechthebbende in gebruik nemen van gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en
                                voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en voor zover zij
                                niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende vijf jaren
                                na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid blijven - indien en voor zover de
                                bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn
                                opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende vijf jaren na
                                de inwerkingtreding van eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                gedurende vijf jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van
                                kracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op
                                grond van een verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op die aanvrage is beslist, wordt daarop de
                                overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat is ingekomen
                                binnen de daarvoor geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing van kracht totdat onherroepelijk is beslist
                                op een aanvraag voor een - krachtens een overeenkomstig gebod of
                                verbod ook in deze verordening vereiste - vergunning of ontheffing,
                                indien deze aanvraag ten minste zestig dagen voor afloop van de in
                                het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde orgaan is
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijven van kracht
                                de ontheffingen bedoeld in deel II van het raadsbesluit d.d. 16
                                december 1987 inzake wijziging van artikel 64 Nijmeegse
                                Politieverordening.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De in artikel 2.4.15, leden 1 en 2, gestelde verboden zijn niet van
                                toepassing op degenen die aantonen dat zij de daar bedoelde
                                apparatuur uiterlijk de dag van inwerking treden van deze
                                verordening in gebruik hebben en sindsdien onafgebroken in gebruik
                                hebben gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Aanhalingstitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel Algemene
                            Plaatselijke Verordening voor de gemeente Nijmegen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Nijmegen d.d.
                        29 januari 1992.</ondertekening><ondertekening>De Voorzitter, De Secretaris.</ondertekening><ondertekening>mr. E.M. d'Hondt mr. F.J. Derks </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Sedertdien gewijzigd, zoals op het titelblad en op het chronologisch overzicht
                    van de wijzigingen is aangegeven.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Nota-toelichting</titel></kop><al>Voor de volledige Verordening met de bijbehorende bijlagen zie de website van de
                    gemeente Nijmegen, bestuur, verordeningen en regels.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>