<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR129263_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Schiedam 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB gemeente Schiedam 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet;</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 eerste lid onderdeel c en</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 30 van de Wet werk en bijstand;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-06-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR106/2011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>het verstrekken van een toeslag op de basisnorm en het verlagen van de norm bij lagere bestaanskosten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Toeslagenverordening WWB-WIJ Schiedam</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Schiedam 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begrippen</titel></kop><al>1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colwidth="75*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.wet:</al></entry><entry colname="col2"><al>Wet werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.gezinsnorm:</al></entry><entry colname="col2"><al>de norm, bedoeld in artikel 21 eerste lid van de
                                                wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.woning:</al></entry><entry colname="col2"><al>een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
                                                Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                                                woonschip als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet
                                                werk en bijstand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.woonkosten:</al></entry><entry colname="col2"><al>1. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                                geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                                d, Wet op de huurtoeslag;</al><al>2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                                bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve
                                                van de financiering van de woning verschuldigde
                                                hypotheekrente, de in verband met het in eigendom
                                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten
                                                (het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende
                                                zaakbelasting, de opstalverzekering, het
                                                eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de
                                                erfpachtcanon), en een naar omstandigheden vast te
                                                stellen bedrag voor onderhoud;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.zorgbehoefte</al></entry><entry colname="col2"><al>de zorgbehoefte bedoeld in artikel 3, tweede lid van
                                                de wet.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de
                            Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Doelgroep</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In het geval van een gezin
                            gelden de bepalingen van deze verordening alleen als alle gezinsleden 21
                            jaar of ouder zijn doch jonger dan 65 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, bedraagt
                                20 procent van de gezinsnorm voor de belanghebbende in wiens woning
                                geen ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, bedraagt
                                10 procent van de gezinsnorm voor de belanghebbende die met één of
                                meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid bedraagt de toeslag 20 procent
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende een zorgbehoefte heeft en wordt verzorgd
                                        door een ander die zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende een ander met een zorgbehoefte verzorgt en
                                        zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel worden kinderen van 18 jaar of ouder
                                die voldoen aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de wet
                                niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging voor schoolverlaters als bedoeld in artikel 28 van de wet
                            bedraagt 20% van de gezinsnorm voor een periode van zes maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Alleenstaanden van 21 of 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>7,5% indien in dezelfde woning geen anderen hun
                                        hoofdverblijf hebben;</al></li><li nr="b."><al>2,5% indien in dezelfde woning een of meer anderen het
                                        hoofdverblijf hebben.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>5% indien in dezelfde woning geen anderen hun hoofdverblijf
                                        hebben;</al></li><li nr="b."><al>0% indien in dezelfde woning een of meer anderen het
                                        hoofdverblijf hebben;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                                op wie artikel 4 van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Ontbrekende woonkosten voor alleenstaanden en alleenstaande
                                ouders</titel></kop><al>In afwijking van artikel 3 wordt de norm, bedoeld in artikel 25, eerste
                            lid van de wet, niet verhoogd met een toeslag indien de belanghebbende
                            een woning bewoont, waaraan voor hem geen woonkosten zijn
                            verbonden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor gezinnen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Verlagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging, bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gezinsnorm voor een gezin dat met één of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de norm niet verlaagd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden een zorgbehoefte hebben en worden verzorgd
                                        door een ander die zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft, </al></li><li nr="b."><al>de gezinsleden een ander met een zorgbehoefte verzorgen en
                                        hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel worden kinderen van 18 jaar of ouder
                                die voldoen aan het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de wet
                                niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Ontbrekende woonkosten voor gezinnen</titel></kop><al>De verlaging, bedoeld in artikel 27 van de wet, bedraagt 20 procent
                            indien het gezin het hoofdverblijf heeft in een woning, waaraan voor hen
                            geen woonkosten zijn verbonden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van hoofdstuk 2 en 3 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm:</al><lijst><li nr="a."><al>minimaal 50% en maximaal 70% van de gezinsnorm bedraagt voor een
                                    alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>minimaal 70% en maximaal 90% van de gezinsnorm bedraagt voor een
                                    alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>minimaal 80% en maximaal 100% van de gezinsnorm bedraagt voor
                                    een gezin. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing
                            hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Toeslagenverordening WWB-WIJ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            Schiedam 2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schiedam in zijn openbare
                        vergadering van 15 december 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, J. Gordijn</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, ir. J.M. Leemhuis-Stout</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Toeslagenverordening </tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al/><al>De bijstandsnorm bestaat uit een rijksgerelateerd deel dat binnen bepaalde
                    grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van gemeentelijk beleid. De
                    artikelen 8, eerste lid onder c en 30 van de WWB dragen de gemeenteraad op om
                    dit beleid in een verordening vast te leggen. De landelijke bijstandsnorm
                    bedraagt voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder en het gezin
                    respectievelijk 50%, 70% en 100% van het wettelijk minimumloon. De hier
                    gehanteerde ‘gezinsnorm’ bedraagt 100% van het wettelijk minimumloon. De
                    alleenstaande en alleenstaande ouder kunnen in aanmerking komen voor een toeslag
                    van ten hoogste 20% van de gezinsnorm. De gezinsnorm kan onder bepaalde
                    omstandigheden worden verlaagd. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 - Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die niet reeds in WWB of Awb zijn gedefinieerd zijn hier omschreven.
                    Het begrip ‘gezinsnorm’ is omschreven omdat dit de basis vormt voor het
                    vaststellen van de toeslagen en verlagingen. Dit is het bedrag genoemd in
                    artikel 21 WWB.</al><al>Het begrip ‘woning’ is nader omschreven. Daarmee wordt bedoeld de woning in de
                    Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                    zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte
                    is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van de artikelen 6 en 8. Aangesloten is bij de begripsomschrijving
                    die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in het Besluit
                    landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Omdat een woning ook een
                    woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen naar artikel 3, zesde lid
                    WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden gelijkgesteld. </al><al>Met het begrip ‘zorgbehoefte’ wordt hetzelfde bedoeld als in artikel 3, tweede
                    lid, onderdeel a WWB. Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn
                    uitspraak van 18 september 2007 (LJN BB6205) is van zorgbehoefte sprake indien
                    de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling,
                    maar daar om hem moverende redenen van heeft afgezien of op een wachtlijst
                    daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte indien de betrokkene
                    vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of
                    geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar
                    hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen. </al><tussenkop>Artikel 2 - Doelgroep</tussenkop><al>Voor de leeftijdscategorieën jonger dan 21 jaar en ouder dan 65 jaar gelden
                    aparte wettelijke regels. Deze leeftijdsgrenzen zijn overigens niet relevant
                    voor medebewoners. </al><tussenkop>Artikel 3 - Toeslagen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de landelijke norm voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat
                    belanghebbende de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet
                    het geval is, wordt de norm verhoogd met een toeslag. Artikel 30, tweede lid WWB
                    schrijft voor dat de toeslag dan wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                    artikel 25, tweede lid WWB. De maximale toeslag komt neer op 20% van de
                    gezinsnorm. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Om die reden is
                    de toeslag gesteld op 10%. Op welke wijze de voordelen van het delen van de
                    bestaanskosten exact doorwerken tussen de verschillende medebewoners onderling,
                    is hierbij niet van belang. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Hierin is als uitzondering op het tweede lid bepaald dat de toeslag 20 procent
                    bedraagt als de belanghebbende inwoont bij iemand met een zorgbehoefte, of zelf
                    zorgbehoeftig is. De strekking daarvan is om te voorkomen dat de belanghebbende
                    als gevolg van financiële consequenties zou afzien van het in huis nemen van een
                    zorgbehoevende, of dat de zorgbehoeftige belanghebbende zou afzien van het in
                    huis nemen van een ander als verzorgende. Dit komt overeen met het streven om
                    zorgbehoeftigen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen en leven. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Naast de zorgbehoefte kan ook de inwoning van een meerderjarig kind dat niet kan
                    bijdragen aan de woonlasten, een reden zijn om de maximale toeslag van 20
                    procent te verstrekken. Dit is aan de orde als er uitsluitend een kind inwonend
                    is dat uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt en aanspraak maakt op
                    studiefinanciering of voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de
                    Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt.
                    Bovendien mogen de totale inkomsten van dit kind niet meer bedragen dan 80 % van
                    het netto minimumloon. Dit is vastgelegd in artikel 4, tweede lid WWB.</al><tussenkop>Artikel 4 - Schoolverlaters</tussenkop><al>De verlaging voor schoolverlaters is een bevoegdheid die voortvloeit uit artikel
                    28 WWB. De bedoeling van de verlaging is om de schoolverlater gedurende het
                    eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen als toen
                    hij nog aangewezen was op de studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens
                    de WTOS. Uitgangspunt van de verlaging is de relatie met het bedrag dat in de
                    toelage studiefinanciering zit voor de kosten van levensonderhoud. Omgerekend
                    naar een percentage van de uitkering zou dit een verlaging van 25% van de
                    gezinsnorm inhouden. Aangezien de situatie van studerenden in de praktijk
                    enigszins afwijkt van de positie van schoolverlaters - de mogelijkheden tot het
                    hebben van bijverdiensten zijn bijvoorbeeld voor studerenden aanzienlijk ruimer
                    - is de verlaging vastgesteld op 20%. </al><tussenkop>Artikel 5 - Alleenstaanden van 21 of 22 jaar</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>De landelijke normsystematiek kent geen afzonderlijke normen voor 21- en
                    22-jarige alleenstaanden. Artikel 29 WWB geeft het college wel de bevoegdheid om
                    een verlaging toe te passen indien het van oordeel is dat, gezien de hoogte van
                    het minimum jeugdloon, er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. In
                    bepaalde gevallen is de norm plus de toeslag bijvoorbeeld hoger dan het loon dat
                    men verdient met een gesubsidieerde dienstbetrekking. Ook het minimumloon dat
                    men in een voltijds dienstbetrekking kan verdienen, is nauwelijks hoger. Op die
                    manier zou er geen of een te geringe stimulans zijn om arbeid te aanvaarden.
                    Teneinde dit te voorkomen is de totale toeslag voor een 21-jarige 12,5% (zonder
                    medebewoner) dan wel 7,5% (met medebewoner). De toeslag voor een 22-jarige
                    zonder een medebewoner komt uit op 15%. De toeslag voor een 22-jarige met een
                    medebewoner blijft gehandhaafd op 10%. Er geldt geen extra verlaging. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Op grond van artikel 30, tweede lid, onderdeel b WWB is het niet mogelijk om een
                    schoolverlatersnorm gelijktijdig met de verlaging voor 21- en 22-jarigen toe te
                    passen. Voor het met voorrang toepassen van de schoolverlaterskorting is
                    gekozen, zodat op grond van deze verordening een 21-jarige of 22-jarige
                    schoolverlater niet beter af is dan een 23-jarige schoolverlater. </al><tussenkop>Artikel 6 - Ontbrekende woonkosten voor alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders</tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkosten zijn verbonden, is er sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 WWB biedt de mogelijkheid om
                    de norm of toeslag in dergelijke gevallen te verlagen. Daarbij kan het
                    bijvoorbeeld gaan om “krakers”, maar ook om de situatie dat de woonkosten worden
                    betaald door een derde, bijvoorbeeld de ouders of de ex-partner. Indien de
                    belanghebbende voor de woning geen kosten maakt, ontbreekt de noodzaak de norm
                    te verhogen met een toeslag. </al><tussenkop>Artikel 7 - Verlagingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 7 vormt het spiegelbeeld van artikel 3, tweede lid van deze verordening.
                    Wanneer één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in de woning van het gezin,
                    wordt verondersteld dat zij de kosten kunnen delen. Om die reden geldt voor het
                    gezin een verlaging van 10 procent van de gezinsnorm. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Geen verlaging geldt voor gezinnen die een zorgbehoefte hebben of een
                    zorgbehoevende verzorgen een percentage van 20 procent. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een en ander geldt tevens voor zover er slechts een kind inwonend is dat uit ’s
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt en aanspraak maakt op studiefinanciering of
                    voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                    onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt. Bovendien mogen de totale
                    inkomsten van dit kind niet meer bedragen dan 80 % van het netto minimumloon.
                    Dit is vastgelegd in artikel 4, tweede lid WWB. Deze kinderen worden niet tot
                    het gezin gerekend.</al><tussenkop>Artikel 8 - Ontbrekende woonkosten voor
                    gezinnen</tussenkop><al>Indien gezinnen geen woonkosten hebben, wordt de norm verlaagd met 20 procent
                    van de gezinsnorm. Dit percentage komt overeen met de op grond van artikel 6 van
                    deze verordening ontbrekende toeslag voor de alleenstaande of alleenstaande
                    ouder die geen woonkosten heeft. </al><tussenkop>Artikel 9 - Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>In deze bepaling worden garanties gegeven met betrekking tot de minimale en
                    maximale hoogte van de bijstandsnorm. Cumulatie van toeslagen en/of verlagingen
                    kan er namelijk toe leiden dat de uitkering hoger wordt dan wettelijk toegestaan
                    of te laag wordt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te
                    voorzien. </al><tussenkop>Artikel 10 - Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen indien de
                    strikte toepassing van de verordening tot bijzonder onredelijke gevolgen
                    leidt.</al><tussenkop>Artikel 11 - Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 12 - Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>