<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR129039_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Parkeerverordening voor de gemeente Uden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Udens Weekblad 04-01-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeerverordening gemeente Uden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149 en Wegenverkeerswet, art. 2a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/4353</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de verordening van 2005</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Parkeerverordening voor de gemeente Uden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        1 november 2011;</al><al>gelet op artikelen 149 en 154 van de Gemeentewet en artikel 2a van de
                        Wegenverkeerswet;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die </al><lijst><li nr="1."><al>is aangeduid met bord E09 uit bijlage I van het RVV
                                            1990, of </al></li><li nr="2."><al>gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E09 uit
                                            bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone voor
                                            zover deze plaats niet is uitgezonderd;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente
                                    Uden een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor registratie
                                    van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten
                                    op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een
                                    telefoon;</al></li><li nr="c."><al>college; het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Uden; </al></li><li nr="d."><al>houder: degene op wiens naam het voor het motorvoertuig
                                    opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven
                                    in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register
                                    van opgegeven kentekens;</al></li><li nr="e."><al>motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement
                                    Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, met inbegrip van
                                    brommobielen zoals bedoeld onder artikel 1a van het RVV 1990;
                                </al></li><li nr="f."><al>parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip
                                    van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar
                                    maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur
                                    wordt verstaan;</al></li><li nr="g."><al>parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor
                                    parkeerbelasting wordt geheven door middel van
                                    parkeerapparatuur;</al></li><li nr="h."><al>parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                                    staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig
                                    is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen
                                    van personen danwel het onmiddellijk laden of lossen van
                                    goederen, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar
                                    verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen
                                    of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is
                                    verboden; </al></li><li nr="i."><al>RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                    1990;</al></li><li nr="j."><al>vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens
                                    welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe
                                    aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;</al></li><li nr="k."><al>vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een
                                    vergunning is verleend.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en
                            vergunningbewijzen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het
                                parkeren van vergunninghouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan
                                vergunninghouders is toegestaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning
                                verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of
                                parkeerapparatuurplaatsen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een
                                motorvoertuig wanneer deze: </al><lijst><li nr="a."><al>woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede
                                        door vergunninghouders te gebruiken
                                        parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn;</al></li><li nr="b."><al>een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
                                        belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te
                                        gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en
                                        aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of
                                        bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motor
                                        voertuig te parkeren;</al></li><li nr="c."><al>een beroep uitoefent in het kader van medische en
                                        maatschappelijke zorgverlening in gebieden waar
                                        belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te
                                        gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen
                                aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet
                                aan één van de in het derde lid genoemde vereisten;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het tweede lid onder a kan worden
                                geweigerd indien de bewoner beschikt of kan beschikken over een
                                eigen niet-openbare parkeergelegenheid;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij openbaar te maken besluit een maximaal aantal
                                uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                                verbinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van een aanvraag
                                voor een vergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten
                                hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn
                                wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning
                                of ontheffing anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied waarvoor de vergunning geldt;</al></li><li nr="b."><al>de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het
                                        motorvoertuig of motorvoertuigen waarvoor de vergunning is
                                        verleend;</al></li><li nr="c."><al>de periode waarvoor de vergunning geldt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: </al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de vergunninghouder; </al></li><li nr="b."><al>wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen
                                    beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de
                                    vergunning is verleend;</al></li><li nr="c."><al>wanneer er zich anderszins een wijziging voordoet in een van de
                                    omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de
                                    vergunning; </al></li><li nr="d."><al>wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen
                                    komt te vervallen; </al></li><li nr="e."><al> wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
                                    vergunning verbonden voorschriften; </al></li><li nr="f."><al>wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
                                    gegevens zijn verstrekt; </al></li><li nr="g."><al>om redenen van openbaar belang;</al></li><li nr="h."><al>wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn
                                    betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Verbodsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een
                                belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan
                                aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden; </al><lijst><li nr="a."><al>zonder vergunning; </al></li><li nr="b."><al>zonder dat het voertuig duidelijk zichtbaar en leesbaar is
                                        voorzien van de vergunning; </al></li><li nr="c."><al>in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden;
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                lid van dit artikel;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                bepaalde in het eerste lid onder b. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen
                            dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de
                            parkeerapparatuur staan aangegeven, in werking te stellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te
                                plaatsen of te laten staan: </al><lijst><li nr="a."><al>op een parkeerapparatuurplaats; </al></li><li nr="b."><al>op een belanghebbendenplaats. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op
                                zodanige wijze op, tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te
                                laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt
                                belemmerd of verhinderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Overtreding van het bepaalde in hoofdstuk 3 van deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste van drie maanden of een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: de medewerkers van de cluster Toezicht
                                Openbare Ruimte (TOR) van de gemeente Uden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De Parkeerverordening voor de gemeente wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012;</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Parkeerverordening
                                    gemeente Uden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2011.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>In de aanhef van de Parkeerverordening dienen de artikelen 149 Gemeentewet en 2a
                    Wegenverkeerswet 1994 opgenomen te worden. Op grond van het eerste artikel mogen
                    autonome verordeningen worden opgesteld en op grond van het tweede artikel
                    behouden gemeenten hun autonome regelgevende bevoegdheid ten aanzien van het
                    onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorziet, voorzover die regels niet in
                    strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover
                    verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 1. Definities en begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>e. motorvoertuigen</tussenkop><al>Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden
                    geheven voor het parkeren met voertuigen. In de model-Parkeerverordening is
                    ervoor gekozen om de werking van deze verordening te beperken tot
                    motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 onder z van het RVV 1990 met
                    inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan:
                    ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met
                    trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails
                    te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia)
                    gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een
                    carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van
                    motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels
                    voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders
                    en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het
                    verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het
                    parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en
                    de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op
                    brommobielen. </al><tussenkop>h. parkeren</tussenkop><al>In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip
                    parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit
                    artikel 1 onder ac. van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat
                    het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is
                    op artikel 225 van de Gemeentewet.</al><tussenkop>d. houder</tussenkop><al>In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit
                    is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken
                    moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren
                    zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich
                    verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen
                    goeddeels overeen. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en
                    vergunningbewijzen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een
                    vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of
                    krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden,
                    plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van
                    de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen is de
                    aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd.</al><al> De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor
                    gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is. </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor
                    belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels
                    stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de
                    parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van
                    indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning. In het kader
                    van het voorkomen van onnodige administratieve lasten voor burgers en bedrijven
                    adviseren wij u geen gegevens te vragen die reeds binnen uw organisatie bekend
                    zijn of die u eenvoudig en vaak goedkoper zelf kunt opvragen. Wij denken hierbij
                    dan aan het opvragen van bedrijfsgegevens bij de Kamers van Koophandel voor het
                    afgeven van een parkeervergunning aan een bedrijf.</al><al>Ook kan het college regels stellen voor personen of bedrijven die nog niet in
                    het vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen. Zij zouden alvast op een eventuele wachtlijst voor
                    een parkeervergunning kunnen worden gezet. Wel zullen zij voldoende hard moeten
                    kunnen maken dat zij ook daadwerkelijk in het betreffende gebied gaan wonen of
                    zich daar gaan vestigen met een bedrijf. Denk hierbij een koopcontract of
                    huurcontract.</al><al>In het derde lid worden verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in
                    aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning. In de verordening zijn drie
                    categorieën opgenomen: bewoners en bedrijven. U kunt het aantal categorieën
                    eventueel uitbreiden met bijvoorbeeld: bezoekers, huisartsen, incidentele
                    vergunningen ed.</al><al>Door in de parkeerverordening te verwijzen naar categorieën en deze middels een
                    onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken
                    vergunninghouders ook bekend waar zij kunnen parkeren. Voor een uitgebreider
                    behandeling van de parkeerbebording verwijzen wij naar de CROW-uitgave
                    'Richtlijn parkeerbebording' (publicatie 134, 1999).</al><al>In het vierde lid is een soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere
                    gevallen kan het college ook een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de
                    eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de
                    vereisten die in het derde lid zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden
                    gedacht aan de eerder genoemde personen of bedrijven die nog niet in het
                    vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen.</al><al>Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied teveel parkeervergunningen worden
                    uitgegeven, is het verstandig om direct bij de invoering van een
                    belanghebbendengebied het maximum aantal uit te geven vergunningen te bepalen.
                    Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën
                    parkeervergunningen, waarbij het in de praktijk vooral zal gaan om het aantal
                    bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen
                    absoluut recht geeft op een parkeerplaats in een aangewezen
                    belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op kunnen vertrouwen dat
                    hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Wanneer het maximum aantal uit
                    te geven parkeervergunningen is bereikt, kan het college de parkeervergunning
                    weigeren en de betreffende persoon of het betreffende bedrijf op een wachtlijst
                    plaatsen</al><al>Op grond van het zesde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden
                    met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de
                    tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden
                    verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal
                    elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de
                    aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf
                    opgenomen. In de verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die
                    eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet
                    een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in
                    een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met
                    vier weken.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk
                    van gemeente tot gemeente. Het varieert van vergunningen voor onbepaalde tijd
                    tot vergunningen voor een periode van 1 jaar. De tekst moet op dit punt worden
                    aangepast aan de in de gemeente gangbare praktijk.</al><al>Het is mogelijk om een parkeervergunning voor onbepaalde tijd ofwel tot
                    wederopzegging te verlenen. Het voordeel hiervan is dat er minder
                    administratieve lasten bij de burger en het bedrijfsleven komen te liggen, omdat
                    zij niet steeds opnieuw een nieuwe vergunning behoeven aan te vragen. Ook de
                    administratieve lasten van het gemeentelijke apparaat komen hierdoor lager te
                    liggen dan bij tussentijdse verlenging. Een mogelijk nadeel is dat eenmaal
                    uitgegeven vergunningen alleen ingetrokken of gewijzigd kunnen worden op grond
                    van de in de verordening genoemde criteria. De intrekkings- en wijzigingsgronden
                    in artikel 6 zijn echter zodanig ruim geformuleerd, dat inspelen op gewijzigde
                    omstandigheden ook dan mogelijk is.</al><al>Wanneer gekozen wordt voor een parkeervergunning voor onbepaalde tijd is het
                    verstandig om wél jaarlijks – na betaling van de parkeerbelasting – een nieuw
                    vergunningbewijs te verstrekken. Dit vergunningbewijs moet achter de voorruit
                    worden bevestigd, zodat de parkeercontroleurs eenvoudig kunnen zien dat er nog
                    steeds sprake is van een geldige parkeervergunning.</al><al>Om de controle op de naleving van het belanghebbendenparkeren efficiënt te laten
                    verlopen, moet zo min mogelijk informatie op de vergunning worden vermeld. Een
                    overmaat aan informatie bemoeilijkt de waarneming voor de controleurs (veel
                    lezen, kleine letters etcetera). Wanneer er toch behoefte bestaat aan meer
                    informatie, zou deze op de achterzijde van de vergunning vermeld kunnen worden.
                    Ook is het denkbaar de vergunning vouwbaar uit te voeren of een bijlage te
                    verstrekken. Om fraude te bemoeilijken (het maken van bij voorbeeld een
                    fotokopie) is het denkbaar de vergunning in meer kleuren uit te voeren. In dat
                    geval moet gelet worden op de kleurechtheid van de inkt en/of het papier.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een
                    parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven
                    dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of
                    een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een
                    van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief
                    bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Verbodsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Zoals in de algemene toelichting aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag
                    worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied
                    ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet
                    op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij
                    parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling
                    worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet
                    Mulder’ in aanmerking komt.</al><al> Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én
                    belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer
                    iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de
                    parkeerapparatuur.</al><al>Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige)
                    vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het
                    fiscale regime gehanteerd worden.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet
                    gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.</al><al>Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het
                    fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald,
                    is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die
                    verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een
                    naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder
                    een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een
                    bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen,
                    op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke
                    voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en
                    doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen
                    die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook,
                    ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden
                    opgenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Strafbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun
                    verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                    tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
                    kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.</al><al>Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan
                    bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan
                    in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo
                    volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels)
                    individueel worden aangewezen. Voor een uitgebreide toelichting op deze
                    bepalingen verwijzen wij naar de toelichting op in de model Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de
                    Verordening Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden.
                    Bovendien moeten op dat ogenblik de oude verordeningen worden ingetrokken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>