<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR128719_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2011, nr. 44</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen Steenwijkerland 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220 t/m 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-12-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/106</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening onroerende-zaakbelastingen Steenwijkerland 2011.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2012
            </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2011,
                        nummer 2011/106;</al><al/><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ONROERENDE-</vet></al><al><vet>ZAAKBELASTINGEN 2012</vet></al><al><vet>(Verordening onroerende-zaakbelastingen Steenwijkerland
                        2012)</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1 </nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden ter zake van
                                    binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe
                                    belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van
                                            het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan
                                            niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                            persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                            gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van
                                            het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom,
                                            bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende
                                            zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door
                                            degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die
                                            het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de
                                            belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat
                                            deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                            volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene
                                            die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld;
                                            degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft
                                            gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen
                                            op degene aan wie die zaak ter beschikking is
                                            gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die
                                    bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                                    registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip
                                    geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 </nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld
                                    in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li><li nr="2."><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de
                                    waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                    onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in
                                    hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende
                                    zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                                    woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3 </nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                    waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                    waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></li><li nr="2."><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                                    vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                    onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende
                                    zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij
                                    of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet
                                    waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 </nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit
                                    niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel
                                    bedoelde waarde, de waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                            geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de
                                            open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                            bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                            gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                            te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor
                                            de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond
                                            daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde
                                            grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                            openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                            bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
                                            een en ander met uitzondering van delen van zodanige
                                            onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een
                                            op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen
                                            landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid,
                                            onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met
                                            uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde
                                            eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                            heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen,
                                            die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid
                                            welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het
                                            behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                            worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                                            vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                            kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                            beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                            de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                            ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                            instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                            rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                                            zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                            afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan
                                            die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf
                                            als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                            gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                            onderwijs;</al></li><li nr="k."><al> straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige
                                            gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn
                                            geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek,
                                            ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
                                            gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's,
                                            hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de
                                            gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot
                                            heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            dienen als woning.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het
                                    eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting
                                    geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot
                                    heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten
                                    aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende
                                    zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
                                    dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 </nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                    heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting: 0,1357%; </al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting:</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot
                                                  woning dienen 0,0932%;</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                  woning dienen 0,1678%.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering
                                    plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal
                                    van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                                    onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als
                                    één belastingbedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 </nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 </nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke
                                    termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de
                                    maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag
                                    van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                                    aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder
                                    is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door
                                    middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                                    afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien
                                    gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag
                                    van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen
                                    telkens een maand later.</al></li><li nr="3."><al>Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid
                                    tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt met
                                    betrekking tot het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot
                                    automatische incasso en gelden de betaaltermijnen als genoemd in
                                    het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 </nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 </nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Steenwijkerland 2011”,
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 7 december 2010, nummer 2010/122a,
                            wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde
                            datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                            toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                            voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 </nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11 </nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen Steenwijkerland 2012”.</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, R.G.H.P. Moonen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> de voorzitter, M.A.J. van der Tas</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>