<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR128126_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Parkeerverordening 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-11-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Barneveld Vandaag, 10 november
                2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Parkeerverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">Gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wegenverkeerswet/article=2a">wegenverkeerswet, art. 2a </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-11-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Parkeerverordening 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Barneveld</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van ...
                        [</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de
                        Wegenverkeerswet 1994;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de volgende Parkeerverordening 2011</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I.</nr><titel>Definities en begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens1990;</al><al>b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met
                            inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het
                            RVV 1990;</al><al>c. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                            staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is
                            voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                            personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op
                            binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande
                            terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge
                            een wettelijk voorschrift is verboden;</al><al>d. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven
                            kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de
                            Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens en/of
                            degene die naar omstandigheden als houder van het motorvoertuig moet
                            worden beschouwd;</al><al>e. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van
                            verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting
                            overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;</al><al>f. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting
                            wordt geheven door middel van parkeerapparatuur;</al><al>g. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die</al><al>a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of</al><al>b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van
                            het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is
                            uitgezonderd;</al><al>h. vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens
                            welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe
                            aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;</al><al>i. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een
                            vergunning is verleend;</al><al>j autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van
                            motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke
                            personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan
                            één huishouden;</al><al>k. autodateplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig
                            bestemd voor autodate.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II.</nr><titel>Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en
                            vergunningbewijzen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten
                            aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het
                            college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in
                            artikel 3, derde lid.</al><al>2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen
                            vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is
                            toegestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning
                            verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of
                            parkeerapparatuurplaatsen.</al><al>2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een
                            vergunning.</al><al>3. Een vergunning kan worden verleend aan:</al><al>a. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied
                            waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken
                            parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I);</al><al>b. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die permanent of met
                            aangetoonde regelmaat een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar
                            belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken
                            parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het
                            belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat
                            gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II);</al><al>c. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die werkzaam is in het
                            centrumgebied en aantoont dat het in verband met deze werkzaamheden van
                            belang is om op redelijke loopafstand van de locatie waar hij de
                            werkzaamheden verricht een motorvoertuig te parkeren (categorie
                            III)</al><al>d. een eigenaar of houder van een motorvoertuig (bedrijf/organisatie)
                            die in het kader van zijn beroep- of bedrijfsuitoefening tijdelijk
                            werkzaamheden uitoefent op een locatie gelegen binnen de
                            parkeerverbodszone en aantoont dat het in het belang van diens beroep-
                            of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig
                            te parkeren (categorie IV)</al><al>e. een eigenaar of houder van een motorvoertuig (particulier) voor wie
                            het, in verband met dringende omstandigheden of werkzaamheden van
                            tijdelijke aard op een locatie gelegen binnen de
                            parkeerverbodszone,noodzakelijk is om in dat gebied een motorvoertuig te
                            parkeren (categorie V)</al><al>f. een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate,
                            waarvan de autodateplaats is gelegen in een gebied waar
                            belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken
                            parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie VI).</al><al>4. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen
                            aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan
                            één van de in het derde lid genoemde vereisten.</al><al>5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal
                            uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie
                            vaststellen.</al><al>6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen
                            verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een vergunning voor
                            categorie V kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die
                            strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken
                            van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de
                            gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede
                            wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>1. Het college beslist binnen zes weken na ontvangst van een aanvraag
                            voor een vergunning.</al><al>2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste
                            vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de
                            aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>1. Een vergunning wordt voor onbepaalde tijd of voor ten hoogste twee
                            jaar verleend.</al><al>2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><al>a. de periode waarvoor de vergunning geldt;</al><al>b. het gebied waarvoor de vergunning geldt;</al><al>c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig
                            waarvoor de vergunning is verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:</al><al>a. op verzoek van de vergunninghouder;</al><al>b. wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of
                            bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is
                            verleend;</al><al>c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden
                            die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;</al><al>d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt
                            te vervallen;</al><al>e. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn
                            betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;</al><al>f. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de
                            vergunning verbonden voorschriften;</al><al>g. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste
                            gegevens zijn verstrekt;</al><al>h. om redenen van openbaar belang.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III.</nr><titel>Verbodsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een
                            belanghebbendenplaats of een autodateplaats slechts aan
                            vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of
                            geparkeerd te houden:</al><al>a. zonder vergunning;</al><al>b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de
                            voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning;</al><al>c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                            lid van dit artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere
                            middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op
                            de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te
                            plaatsen of te laten staan:</al><al>a. op een parkeerapparatuurplaats;</al><al>b. op een belanghebbendenplaats.</al><al>2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op
                            zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten
                            staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of
                            verhinderd.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                            lid van dit artikel.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>IV.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de
                            eerste categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>V.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door het college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening 2011</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2011;</al><al>2. Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                            Parkeerverordening 1992</al><al>3. Vergunningen die zijn verleend krachtens de Parkeerverordening 1992
                            worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. De
                            vergunningen verleend op grond van artikel .. van de Parkeerverordening
                            1992 vallen niet onder dit overgangsrecht.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 28 juni 2011,</al><al>De voorzitter,</al><al>De griffier,</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Parkeerbeleid is vanouds een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer-
                    en vervoerbeleid. Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van
                    de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Via
                    parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte
                    reguleren en overlast voorkomen. Een goed instrument dat gemeenten kunnen
                    gebruiken voor de parkeerregulering is het invoeren van betaald parkeren en
                    parkeren door vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren) en autodate.
                    Veel grote en middelgrote gemeenten passen dit instrument reeds vele jaren
                    toe.</al><al>In het verleden heeft de VNG drie varianten voor een model-Parkeerverordeningen
                    en drie varianten voor een model-Verordeningen Parkeerbelastingen
                    opgesteld:</al><al>1. model voor fiscale afhandeling;</al><al>2. model voor strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’</al><al>3. model voor een gecombineerde fiscale en strafrechtelijke afhandeling via de
                    ‘Wet Mulder’.</al><al>Bij het model voor de fiscale afhandeling wordt de handhaving door de gemeenten
                    zelf gedaan door middel van het opleggen van een fiscale naheffingsaanslag,
                    wanneer iemand niet, niet geheel of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting
                    via de aangewezen parkeerapparatuur heeft voldaan.</al><al>Bij de strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’ wordt de handhaving door
                    de politie, bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s) en het openbaar ministerie
                    gedaan. Bij de gecombineerde variant wordt de handhaving via beide wegen
                    uitgevoerd.</al><al>Voor zover wij weten hebben (nagenoeg) alle gemeenten die betaald parkeren
                    hebben ingevoerd gekozen voor de fiscale afhandeling (variant 1). Op zich niet
                    vreemd, omdat gemeenten op deze manier de handhaving van het betaald parkeren
                    zelf in de hand hebben. De kosten die gemeenten hiervoor moeten maken kunnen
                    voor een groot deel worden gedekt door de opbrengsten van de naheffingsaanslag
                    (anno 2008 max. € 49 per naheffingsaanslag). De andere varianten worden niet (of
                    nauwelijks) toegepast. Dit is voor de VNG aanleiding geweest om nog slechts één
                    model-Parkeerverordening en één model-Verordening Parkeerbelastingen op te
                    stellen. Deze beide model-verordeningen sluiten naadloos op elkaar aan.</al><al>In de model-Parkeerverordening wordt vooral aandacht besteed aan het verlenen
                    van parkeervergunningen en is een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het
                    zonder vergunning parkeren op een belanghebbendenplaats en het plaatsen van
                    andere voorwerpen op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor betaald parkeren of
                    belanghebbendenparkeren.</al><al>De model-Verordening Parkeerbelastingen gaat vooral over (het ontstaan van) de
                    belastingplicht, de maatstaf en de wijze van de heffing, de betaling en de
                    naheffingsaanslag.</al><al><vet>Fiscalisering en belanghebbendenparkeren</vet></al><al>Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en
                    verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij
                    deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester
                    en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd.
                    Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt
                    het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de
                    naheffingsaanslag doorgerekend.</al><al>Bij belanghebbendenparkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het
                    verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden
                    geparkeerd. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan
                    waar belanghebbendenparkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder
                    vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit
                    bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het
                    zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in de model-Parkeerverordening
                    (art. 9) en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet
                    Mulder’ in aanmerking.</al><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden
                    toch te fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook
                    parkeerapparatuur neer te zetten, nadat dit gebied door het college ook als
                    betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een gecombineerd
                    gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren. Wanneer iemand in zo’n
                    gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting,
                    kan alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de
                    parkeerplaatsen, die voor belanghebbendenparkeren bestemd waren, ook andere
                    parkeerders geduld moeten worden. Om te voorkomen dat het belanghebbendengebied
                    geheel door de losse parkeerders wordt bezet, kan een hoog (dag)tarief worden
                    gehanteerd waardoor het parkeren door anderen dan vergunninghouders wordt
                    ontmoedigd.</al><al><vet>Autodate</vet></al><al>Onder autodate wordt verstaan het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik
                    van een auto op basis van een overeenkomst tussen meerdere partijen (zie art.1
                    onder j van de Parkeerverordening). Vergunningen voor aanbieders van
                    motorvoertuigen bestemd voor autodate worden verleend met het oog op de bijdrage
                    die daardoor kan worden geleverd aan het selectief gebruik van de auto. De
                    voorschriften en beperkingen waaronder de vergunningen worden verleend en de
                    gronden waarop vergunningen worden geweigerd zouden dan ook betrekking moeten
                    hebben op deze bijdrage aan het publiek belang.</al><al>Om autodateplaatsen te kunnen reserveren in gebieden zonder parkeerdruk is het
                    noodzakelijk om het motief van de verordening expliciet te verbreden naar de in
                    artikel 2, tweede lid van de Wegenverkeerswet genoemde motieven: het voorkomen
                    of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede
                    de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waarbij onder het
                    laatste ook wordt verstaan het bevorderen van selectief autogebruik.</al><al>Bij de besluitvorming over het afgeven van een vergunning voor een
                    autodateplaats kunnen gemeenten de volgende criteria een rol laten spelen:</al><al>- de beschikbaarheid van de auto voor deelnemers dag en nacht</al><al>- het ophalen en terugbrengen van de auto is makkelijk en dicht in de buurt</al><al>- het systeem draagt bij aan een bewust en selectief autogebruik</al><al>- de afspraken tussen aanbieder en deelnemers zijn van langere duur (dus niet
                    incidenteel)</al><al>- de (technische ) kwaliteit en service bij ongevallen en storingen is
                    goed.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Aanhef</vet></al><al>In de aanhef van de Parkeerverordening dienen de artikelen 149 Gemeentewet en 2a
                    Wegenverkeerswet 1994 opgenomen te worden. Op grond van het eerste artikel mogen
                    autonome verordeningen worden opgesteld en op grond van het tweede artikel
                    behouden gemeenten hun autonome regelgevende bevoegdheid ten aanzien van het
                    onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorziet, voorzover die regels niet in
                    strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover
                    verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.</al><al><vet>Afdeling I Definities en begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>b. motorvoertuigen</al><al>Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden
                    geheven voor het parkeren met voertuigen. In de model-Parkeerverordening is
                    ervoor gekozen om de werking van deze verordening te beperken tot
                    motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 onder z van het RVV 1990 met
                    inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan:
                    ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met
                    trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails
                    te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia)
                    gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een
                    carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van
                    motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels
                    voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders
                    en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het
                    verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het
                    parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en
                    de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op
                    brommobielen.</al><al>c. parkeren</al><al>In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip
                    parkeren in artikel 225 van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit
                    artikel 1 onder ac. van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat
                    het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is
                    op artikel 225 van de Gemeentewet.</al><al>d. houder</al><al>In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit
                    is gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken
                    moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren
                    zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich
                    verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen
                    goeddeels overeen.</al><al>j. autodate</al><al>De omschrijving van het begrip autodate is bewust ruim gelaten, om ruimte te
                    bieden aan verschillende vormen van autodate. Anderzijds dient autodate te
                    worden onderscheiden van andere, met name reguliere vormen van autoverhuur,
                    hetgeen uiteraard niet betekent dat reguliere autoverhuurbedrijven geen autodate
                    kunnen aanbieden. Deze 'reguliere' vormen van autoverhuur vallen niet onder
                    autodate, omdat het daarbij niet gaat om herhaald gezamenlijk gebruik op grond
                    van een overeenkomst. Bij autodate worden overeenkomsten gesloten tussen
                    meerdere deelnemers en een aanbieder op grond waarvan deelnemers meerdere malen
                    een auto kunnen gebruiken. Bij reguliere autohuur wordt in beginsel per
                    huurperiode een overeenkomst gesloten.</al><al><vet>Afdeling II Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en
                        vergunningbewijzen</vet></al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een
                    vergunning op belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of
                    krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden,
                    plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van
                    de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen is de
                    aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd.</al><al>De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor
                    gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is. Voor het aanwijzen
                    van een autodateplaats is de aanwezigheid van parkeerdruk niet perse
                    noodzakelijk. Het motief van het aanwijzen van zo’n autodateplaats is veel meer
                    gelegen in het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                    hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet
                    milieubeheer (zie artikel 2, tweede lid WVW 1994).</al><al>Autodate levert een bijdrage aan een selectiever autogebruik en daarmee aan het
                    verbeteren van de luchtkwaliteit en het verminderen van de geluidsoverlast door
                    het verkeer. Het reserveren van een autodateplaats in een gebied zonder
                    parkeerdruk is nodig om autodate als werkbaar alternatief voor de eigen auto te
                    kunnen aanbieden. Voorkomen moet worden dat de gebruiker van een date-auto eerst
                    de gehele buurt moet gaan afzoeken naar de plek waar de date-auto door de vorige
                    gebruiker is geparkeerd. Het welslagen van autodatesystemen is in grote mate
                    afhankelijk van de mate waarin de aanbieder een dienst kan aanbieden die
                    hetzelfde gebruikersgemak kent als 'de (eigen) auto voor de deur'.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor
                    belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels
                    stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de
                    parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van
                    indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning. In het kader
                    van het voorkomen van onnodige administratieve lasten voor burgers en bedrijven
                    adviseren wij u geen gegevens te vragen die reeds binnen uw organisatie bekend
                    zijn of die u eenvoudig en vaak goedkoper zelf kunt opvragen. Wij denken hierbij
                    dan aan het opvragen van bedrijfsgegevens bij de Kamers van Koophandel voor het
                    afgeven van een parkeervergunning aan een bedrijf.</al><al>Ook kan het college regels stellen voor personen of bedrijven die nog niet in
                    het vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen. Zij zouden alvast op een eventuele wachtlijst voor
                    een parkeervergunning kunnen worden gezet. Wel zullen zij voldoende hard moeten
                    kunnen maken dat zij ook daadwerkelijk in het betreffende gebied gaan wonen of
                    zich daar gaan vestigen met een bedrijf. Denk hierbij een koopcontract of
                    huurcontract.</al><al>Voorbeeldformulieren voor het aanvragen van een parkeervergunning kunt u vinden
                    op de web-site van EGEM: www.egem-iteams.nl/overzicht-eformulieren .</al><al>In het derde lid worden verschillende categorieën belanghebbenden genoemd die in
                    aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning. In de verordening zijn drie
                    categorieën opgenomen: bewoners, bedrijven en autodate. U kunt het aantal
                    categorieën eventueel uitbreiden met bijvoorbeeld: bezoekers, huisartsen,
                    incidentele vergunningen ed.</al><al>Parkeervergunningen voor autodate worden veelal verleend aan bedrijven die zich
                    bezighouden met het aanbieden van date-auto’s. Deze vergunningen zijn geldig de
                    voor specifiek aangewezen autodateplaatsen. Daarnaast kunnen dit soort
                    vergunningen ook worden verleend aan natuurlijke personen of aan een maatschap
                    ten behoeve van particuliere autodate. De Vereniging voor Gedeeld Autogebruik
                    heeft een standaard-maatschapovereenkomst voor particuliere autodate: zie
                    www.autodate.nl</al><al>Een parkeervergunning voor autodate kan ook worden verleend voor een
                    subcategorie. Als bijvoorbeeld in één straat meerdere aanbieders van autodate
                    standplaatsen hebben, kunnen vergunningen worden verleend voor categorie III
                    (autodate) in zone A (wijk X), subcategorie 2 (plaatsen voor aanbieder Z).
                    Hiermee kan worden voorkomen dat een auto van bedrijfsmatige aanbieder Y wordt
                    geparkeerd op plaatsen gereserveerd voor een auto van aanbieder Z.</al><al>Door in de parkeerverordening te verwijzen naar categorieën en deze middels een
                    onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken
                    vergunninghouders ook bekend waar zij kunnen parkeren. Voor een uitgebreider
                    behandeling van de parkeerbebording verwijzen wij naar de CROW-uitgave
                    'Richtlijn parkeerbebording' (publicatie 134, 1999).</al><al>In het vierde lid is een soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere
                    gevallen kan het college ook een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de
                    eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de
                    vereisten die in het derde lid zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden
                    gedacht aan de eerder genoemde personen of bedrijven die nog niet in het
                    vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen
                    afzienbare tijd gaan doen.</al><al>Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied teveel parkeervergunningen worden
                    uitgegeven, is het verstandig om direct bij de invoering van een
                    belanghebbendengebied het maximum aantal uit te geven vergunningen te bepalen.
                    Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën
                    parkeervergunningen, waarbij het in de praktijk vooral zal gaan om het aantal
                    bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen
                    absoluut recht geeft op een parkeerplaats in een aangewezen
                    belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op kunnen vertrouwen dat
                    hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Wanneer het maximum aantal uit
                    te geven parkeervergunningen is bereikt, kan het college de parkeervergunning
                    weigeren en de betreffende persoon of het betreffende bedrijf op een wachtlijst
                    plaatsen</al><al>Op grond van het zesde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden
                    met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de
                    tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden
                    verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal
                    elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een
                    beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om voor de
                    aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf
                    opgenomen. In de verordening is een beslistermijn van vier weken opgenomen, die
                    eenmaal met ten hoogste vier weken kan worden verlengd. Normaal gesproken moet
                    een parkeervergunning binnen vier weken kunnen worden verstrekt. Mocht dit in
                    een enkel geval onverhoopt niet lukken, dan kan deze termijn worden verlengd met
                    vier weken.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk
                    van gemeente tot gemeente. Het varieert van vergunningen voor onbepaalde tijd
                    tot vergunningen voor een periode van 1 jaar. De tekst moet op dit punt worden
                    aangepast aan de in de gemeente gangbare praktijk.</al><al>Het is mogelijk om een parkeervergunning voor onbepaalde tijd ofwel tot
                    wederopzegging te verlenen. Het voordeel hiervan is dat er minder
                    administratieve lasten bij de burger en het bedrijfsleven komen te liggen, omdat
                    zij niet steeds opnieuw een nieuwe vergunning behoeven aan te vragen. Ook de
                    administratieve lasten van het gemeentelijke apparaat komen hierdoor lager te
                    liggen dan bij tussentijdse verlenging. Een mogelijk nadeel is dat eenmaal
                    uitgegeven vergunningen alleen ingetrokken of gewijzigd kunnen worden op grond
                    van de in de verordening genoemde criteria. De intrekkings- en wijzigingsgronden
                    in artikel 6 zijn echter zodanig ruim geformuleerd, dat inspelen op gewijzigde
                    omstandigheden ook dan mogelijk is.</al><al>Wanneer gekozen wordt voor een parkeervergunning voor onbepaalde tijd is het
                    verstandig om wél jaarlijks – na betaling van de parkeerbelasting – een nieuw
                    vergunningbewijs te verstrekken. Dit vergunningbewijs moet achter de voorruit
                    worden bevestigd, zodat de parkeercontroleurs eenvoudig kunnen zien dat er nog
                    steeds sprake is van een geldige parkeervergunning.</al><al>Om de controle op de naleving van het belanghebbendenparkeren efficiënt te laten
                    verlopen, moet zo min mogelijk informatie op de vergunning worden vermeld. Een
                    overmaat aan informatie bemoeilijkt de waarneming voor de controleurs (veel
                    lezen, kleine letters etcetera). Wanneer er toch behoefte bestaat aan meer
                    informatie, zou deze op de achterzijde van de vergunning vermeld kunnen worden.
                    Ook is het denkbaar de vergunning vouwbaar uit te voeren of een bijlage te
                    verstrekken. Om fraude te bemoeilijken (het maken van bij voorbeeld een
                    fotokopie) is het denkbaar de vergunning in meer kleuren uit te voeren. In dat
                    geval moet gelet worden op de kleurechtheid van de inkt en/of het papier.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een
                    parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven
                    dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of
                    een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een
                    van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief
                    bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Zoals in de algemene toelichting aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag
                    worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied
                    ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet
                    op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij
                    parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling
                    worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet
                    Mulder’ in aanmerking komt.</al><al>Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én
                    belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer
                    iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de
                    parkeerapparatuur.</al><al>Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige)
                    vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het
                    fiscale regime gehanteerd worden.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet
                    gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot
                    fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.</al><al>Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het
                    fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald,
                    is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die
                    verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een
                    naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder
                    een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een
                    bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen,
                    op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke
                    voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en
                    doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen
                    die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook,
                    ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun
                    verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                    tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak
                    kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.</al><al>Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de
                    zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van
                    maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken
                    van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij
                    parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de
                    Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo
                    volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen kunnen (deels) categoraal en (deels)
                    individueel worden aangewezen. Voor een uitgebreide toelichting op deze
                    bepalingen verwijzen wij naar de toelichting op in de model Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de
                    Verordening Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden.
                    Bovendien moeten op dat ogenblik de oude verordeningen worden ingetrokken.</al><al/><al><vet>VOORBEELD UITVOERINGSBESLUIT</vet></al><al><vet>BESLUIT TOT AANWIJZEN VAN GEBIEDEN EN WEGGEDEELTEN VOOR PARKEREN DOOR
                        VERGUNNINGHOUDERS</vet></al><al>Burgemeester en wethouders van ……… [gemeente]</al><al>gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en artikel 2 van de Parkeerverordening
                    …. [jaartal];</al><al>BESLUITEN:</al><al>1 als plaatsen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders aan te
                    wijzen de wegen, de weggedeelten en de als zodanig ingerichte openbare
                    parkeerterreinen, gelegen in het gebied begrensd door:</al><al>a. ……;</al><al>b. ……;</al><al>c. ……;</al><al>d. etcetera.</al><al>2. dat dit besluit in werking treedt op ….. [datum];</al><al>………[datum] Burgemeester en wethouders van….. [gemeente]</al><al>Burgemeester, secretaris,</al><al/><al><vet>VOORBEELD UITVOERINGSBESLUIT</vet></al><al><vet>BESLUIT TOT STELLEN VAN NADERE REGELS VOOR HET AANVRAGEN EN VERLENEN VAN
                        EEN PARKEERVERGUNNING</vet></al><al>Burgemeester en wethouders van ……… [gemeente]</al><al>gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en artikel 3 van de Parkeerverordening
                    …. [jaartal];</al><al>BESLUITEN:</al><al>1. de volgende regels te stellen voor het aanvragen en verlenen van een
                    parkeervergunning:</al><al>a. vaststellen aanvraagformulier met benodigde bijlagen;</al><al>b. per gebied aangeven hoeveel vergunningen maximaal kunnen worden verleend aan
                    bewoners, bedrijven en voor autodate;</al><al>c. vaststellen hoeveel vergunningen maximaal per huishouden of per bedrijf
                    kunnen worden verstrekt;</al><al>d. vaststellen of bewoners en bedrijven met mogelijkheid om te parkeren op eigen
                    terrein in aanmerking kunnen komen voor een parkeervergunning;</al><al>e. een regeling voor het geval het aantal aanvragen voor een parkeervergunning
                    het aantal beschikbare plaatsen overstijgt (wachtlijst);</al><al>f. mandateren van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen aan een of
                    meer ambtenaren.</al><al>g. etcetera.</al><al>2. dat dit besluit in werking treedt op ….. [datum];</al><al>………[datum] Burgemeester en wethouders van….. [gemeente]</al><al>Burgemeester, secretaris,</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>