<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR128094_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Verbinding 27-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c en art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11.09 B5</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Onderwerp: </al><al>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 </al><al>Datum: </al><al>15 december 2011 </al><al>Besluitnr.: 11.09 B5 </al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 november 2011, nr. </al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid
                        onderdeel c en artikel 18 van de Wet werk en bijstand</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al/><al>Vast te stellen de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand
                        2012.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="2."><al>woning: een woning een gebouwde onroerende zaak voor zover
                                        deze als zelfstandige woonruimte is bewoond, alsmede de
                                        onroerende aanhorigheden, een woonwagen of een
                                        woonschip;</al></li><li nr="3."><al>woonkosten:</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>indien een huurwoning wordt bewoond: de op de aanvraagdatum van het
                                lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld
                                in de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="4."><al>indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand
                                omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                                verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom
                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar de
                                omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;</al></li><li nr="5."><al>onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het
                                eigenaarsdeel van de onroerend-zaakbelasting, de opstalverzekering,
                                het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten;</al></li><li nr="6."><al>in­dien een woon­wa­gen in huur dan wel in eigendom wordt be­woond,
                                de tot een be­drag per maand her­leide op 1 juli gel­den­de
                                woon­kos­ten, als be­schre­ven in de Wet op de huurtoeslag en de
                                Regeling jaarlijkse bijdragen eigen woonwagens.</al></li><li nr="7."><al>De in deze verordening genoemde percentages worden berekend over de
                                gezinsnorm als bedoeld in artikel 21 lid 1 van de wet.</al></li><li nr="7."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Heumen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toeslagen alleenstaande en alleenstaande ouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de alleenstaande of de alleenstaande ouder die géén aantoonbare
                                woonkosten zelf betaalt wordt géén toeslag verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>De toeslag voor de alleenstaande van 21 jaar bedraagt 10%.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag voor de alleenstaande van 22 jaar, in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft, bedraagt 15%.</al></li><li nr="4."><al>De toeslag voor de alleenstaande van 23 jaar of ouder of de
                                alleenstaande ouder, in wiens woning géén ander zijn hoofdverblijf
                                heeft, bedraagt 20%.</al></li><li nr="5."><al>De toeslag voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder, in wiens
                                woning een ander of meerdere anderen zijn/hun hoofdverblijf
                                heeft/hebben, bedraagt 10%.</al></li><li nr="6."><al>In uitzondering op het derde lid bedraagt de toeslag 20% als de
                                ander</al></li><li nr="7."><al>het ten laste komend kind is, of</al></li><li nr="8."><al>het meerderjarig studerend kind is als bedoeld in artikel 4 tweede
                                lid van de wet; of</al></li><li nr="9."><al>de persoon is die zorg nodig heeft als bedoeld in artikel 4 vijfde
                                lid van de wet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verlagingen gezinsnorm</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gezinsnorm van het gezin dat géén aantoonbare woonkosten zelf
                                betaalt, wordt verlaagd met 20%.</al></li><li nr="2."><al>De gezinsnorm van het gezin in wiens woning een ander of meerdere
                                anderen zijn/hun hoofdverblijf heeft/hebben, wordt verlaagd met
                                10%.</al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing indien </al></li><li nr="4."><al>reeds toepassing is gegeven aan het eerste lid; of</al></li><li nr="5."><al>drie of meer meerderjarige personen onder de gezinsnorm vallen;
                                of</al></li><li nr="6."><al>de ander het meerderjarig studerend kind is als bedoeld in artikel 4
                                tweede lid van de wet; of</al></li><li nr="7."><al>de ander de persoon is die zorg nodig heeft als bedoeld in artikel 4
                                vijfde lid van de wet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd om daar waar toepassing van de verordening tot
                        onbillijke situaties leidt van de hierboven genoemde regels af te
                        wijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: De Verordening toeslagen en
                        verlagingen Wet werk en bijstand 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2012.</al></li><li nr="2."><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2004 en de
                                Toeslagenverordening Wet investeren in Jongeren 2009 gemeente Heumen
                                worden gelijktijdig ingetrokken met dien verstande dat indien de
                                inwerkingtreding van onderhavige verordening leidt tot een verlaging
                                van de toeslag of bijstandsnorm, de hoogte van de bijstand tot
                                uiterlijk 1 juli 2012 gehandhaafd blijft op het niveau zoals dat
                                gold vóór de inwerkingtreding van deze verordening, tenzij zich een
                                wijziging voordoet die leidt tot aanpassing van de bijstandsnorm
                                inclusief eventuele toeslag of verlaging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Heumen in zijn openbare
                        vergadering van 15 december 2011,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>LH</ondertekening><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L. Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P. Mengde.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al><vet>Systematiek van de bijstandsverlening</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de Wet Werk en Bijstand (WWB), hierna de wet, kent voor de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van landelijke
                        basisnormen en gemeentelijke toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen
                        zijn geregeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de wet. De artikelen 25
                        tot en met 29 van de wet regelen de toeslagen en verlagingen. </al><al>Op grond van artikel 8 eerste lid onderdeel c van de wet stelt de
                        gemeenteraad bij verordening vast voor welke categorieën de norm wordt
                        verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
                        verhoging of verlaging wordt bepaald. </al><al/><al>Bij het afbakenen van de categorieën is getracht te komen tot eenvoudig te
                        hanteren criteria. De gemeente Heumen kent een forfaitaire benadering met
                        een beperkt aantal categorieën en criteria. Hiermee sluiten we aan bij de
                        landelijke benadering die de juridische toets veelvuldig heeft doorstaan. De
                        VNG heeft voor haar modelverordening ook gekozen voor de forfaitaire
                        benadering. Voordelen van een forfaitaire benadering zijn:</al><lijst><li nr=""><al>Eenduidigheid: De systematiek laat direct en duidelijk zien in welke
                                situaties de toeslag (of verlaging) geldt. De klant weet snel in
                                welke categorie hij zich bevindt en op welke criteria de bijstand
                                wordt gebaseerd.</al></li><li nr=""><al>Eenvoudig: De categorieën en criteria zijn bovendien in aantal
                                beperkt. De mogelijkheid om voor specifieke gevallen uitzonderingen
                                te regelen is beperkt. </al></li><li nr=""><al>Vereenvoudiging uitvoering: Er is een korte beoordelingstoets. Een
                                GBA –check voldoet bij een eerste beoordeling. </al></li></lijst><al>In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college de
                        bevoegdheid om de bijstand bij wijze van individualisering afwijkend vast te
                        stellen. Deze mogelijkheid wordt geboden op grond van artikel 18 eerste lid
                        van de wet. </al><al/><al><vet>Normen, toeslagen en verlagingen</vet></al><al/><al><cursief>Normen</cursief></al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaat er een drietal
                        basisnormen te weten:</al><al>• Gezinnen: 100 procent van het wettelijk minimumloon (= de gezinsnorm)</al><al>• Alleenstaande ouders: 70 procent van de gezinsnorm</al><al>• Alleenstaanden: 50 procent van de gezinsnorm</al><al/><al><cursief>Toeslagen</cursief></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                        ouder indien de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet of niet
                        geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt
                        aanwezig geacht als naast de belanghebbende nog één of meer anderen hun
                        hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas,
                        water en licht, maar ook krant etc. worden gedeeld. Het is overigens niet
                        van belang of men deze kosten daadwerkelijk deelt. Dat is een
                        verantwoordelijkheid van de belanghebbende zelf. Het gaat uitsluitend om de
                        beoordeling of “deling” van kosten mogelijk is. De toeslag bedraagt ten
                        hoogste 20 procent van de gezinsnorm, zodat de bijstand de volgende maxima
                        kent:</al><al>• Alleenstaande ouders: 90 procent van de gezinsnorm</al><al>• Alleenstaanden: 70 procent van de gezinsnorm</al><al/><al><cursief>Verlagingen</cursief></al><al>De WWB kent de mogelijkheid om de toeslag lager vast te stellen of de
                        gezinsnorm te verlagen in de volgende situaties:</al><lijst><li nr=""><al>Een lagere toeslag voor alleenstaande of alleenstaande ouders of een
                                verlaging van de gezinsnorm in verband met het geheel of
                                gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen de
                                noodzakelijke kosten van het bestaan. (artikel 25 resp. 26 van de
                                wet);</al></li><li nr=""><al>Een lagere toeslag voor alleenstaande of alleenstaande ouders of een
                                verlaging van de gezinsnorm in verband met de woonsituatie (artikel
                                27 van de wet);</al></li><li nr=""><al>Verlaging van de toeslag of norm in verband met het recentelijk
                                beëindigen van een studie (artikel 28 van de wet) of</al></li><li nr=""><al>Een lagere toeslag vaststellen voor alleenstaanden in verband met de
                                leeftijd van 21 of 22 jaar (artikel 29 van de wet).</al></li></lijst><al>Er is afgezien van de bevoegdheid om de toeslag of norm te verlagen in
                        verband met het recentelijk beëindigen van de studie. De wetgever plaatst
                        personen die aanspraak maken op een studiefinanciering of tegemoetkoming
                        onderwijsbijdrage en schoolkosten in een gunstiger positie. Indien de studie
                        wordt beëindigd en een beroep op de Wwb wordt gedaan, komt er een einde aan
                        die gunstige positie. De belanghebbende wordt vervolgens nog extra benadeeld
                        als er een verlaging plaatsvindt. </al><al>Een eventuele lagere toeslag is alleen van toepassing op de uitwonende
                        ex-student, die met de basisbeurs, toeslag en lening zelfs een hoger inkomen
                        kan hebben dan waarop hij recht zou hebben als hij bijstand ontvangt.
                        Bovendien is de hoogte van de studiebeurs afhankelijk van de studie en wordt
                        er een vast bedrag voor de kosten van het levensonderhoud gehanteerd. Gelet
                        hierop houdt een verlaging van de bijstandsnorm of toeslag geen verband met
                        lagere kosten voor levensonderhoud, want de leefsituatie wijzigt niet bij
                        het beëindigen van de studie. Niet wenselijk is om bij de vaststelling van
                        de bijstand een verder onderscheid te maken op basis van studie voor de duur
                        van maximaal 6 maanden. Door geen gebruik te maken van deze mogelijkheid tot
                        verlaging behoudt de verordening zijn eenvoud.</al><al>Overigens biedt de wet wel de mogelijkheid om schoolverlaters extra te
                        stimuleren om zo snel mogelijk aan het werk te gaan. Via de
                        Afstemmingsverordening zal dit geborgd worden. </al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB niet
                        afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                        wijziging van de definities in de wet ook de verordening aangepast moet
                        worden. </al><al>Er zijn wel een omschrijvingen opgenomen voor de begrippen ‘woning’ en
                        ‘woonkosten’. Voor de omschrijving van de ‘woning’ is aangesloten bij
                        omschrijving in de Wet op de huurtoeslag. In deze Wet op de huurtoeslag is
                        ook het begrip ‘woonwagen’ opgenomen i.c. een verwijzing naar de
                        Huisvestingwet: “een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                        f, van de Huisvestingswet, zonder eigen aandrijving”. Door aansluiting te
                        zoeken bij de Wet op de huurtoeslag wordt de verificatie van medebewoning
                        vereenvoudigd. Een check in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)
                        volstaat.</al><al>Voor de omschrijving van het begrip woonkosten is aangesloten bij de
                        jurisprudentie. Zie hiervoor de uitspraak van <extref doc="http://www.handboekwwb.nl/show_jurisprudentie.php?action=toonJurisprudentie&amp;id=JU_CRvB_2001_99000007">CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 NABW e.a.</extref> Het begrip woonkosten is
                        voor de woningeigenaar uitgebreid met de zakelijke lasten van de woning. De
                        kosten voor het gebruik van de woning, zoals energiekosten, vallen hier
                        buiten.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Toeslagen alleenstaande en alleenstaande ouders</vet></al><al>Artikel 27 van de wet maakt het mogelijk om bij de berekening van de toeslag
                        rekening te houden met de woonsituatie. Gemiddeld geeft een huishouden in
                        een huurwoning per maand € 442 euro uit aan huur. Het betreft hier de
                        basishuur (kale huur plus subsidiabele servicekosten). Wanneer de
                        huurtoeslag wordt verrekend met de basishuur, komen we voor alle huurders
                        uit op een gemiddelde, netto (vaste) woonuitgavenpost van € 385 per maand
                        (prijspeil 2010). De overheid stelt dat een woningbezitter zo'n 26,3% van
                        zijn inkomen besteed aan wonen. Dit is <cursief>exclusief</cursief> de
                        kosten van onderhoud en zakelijke lasten. Voor een woningbezitter in de
                        bijstand is dat minimaal € 243,-- per maand. Indien de alleenstaande of
                        alleenstaande ouder geen woonkosten betaalt wordt verondersteld dat de
                        overige noodzakelijk kosten van het bestaan uit de norm betaald kunnen
                        worden. Er wordt daarom geen toeslag toegekend. Dit kan zich voordoen bij
                        krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld de
                        ouders of de ex-partner. </al><al>Indien het eerste lid van toepassing is dan zijn de leden 2 tot en 5 van dit
                        artikel niet van toepassing.</al><al/><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om een afwijkende toeslag
                        toe te passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het
                        minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                        Alleenstaanden van 21 of 22 jaar krijgen, gezien de hoogte van de
                        minimumjeugdloon, een aangepaste toeslag. </al><al/><al>Op grond van artikel 30 tweede lid onderdeel a van de wet is hoogte van de
                        toeslag 20 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande of alleenstaande
                        ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft zonder dat sprake is
                        van een gezin , wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het
                        bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten, maar ook
                        een krant). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                        worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van de
                        belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van een gezinssituatie moet er
                        echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                        toeslag blijft op zijn plaats. In de Toeslagenverordening is daarom gekozen
                        voor een toeslag van 10 procent van de gezinsnorm in het geval maximaal één
                        of meer anderen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Hierop wordt echter een tweetal uitzonderingen gemaakt. De kosten kunnen in
                        ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuiswonende
                        kinderen van 18 jaar of ouder die studeren en een inkomen hebben op grond
                        van de Wet studiefinanciering of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                        schoolkosten. Dit geldt ook voor de zorgbehoevende die minimaal 10 uur per
                        week zorg nodigt heeft. De personen die onder deze uitzonderingen vallen,
                        zijn die personen die niet tot het gezin behoren, zoals bedoeld in artikel 4
                        tweede en vijfde lid, maar ondanks dat ze hun hoofdverblijf hebben in
                        dezelfde woning als de alleenstaande of alleenstaande ouder die een beroep
                        doen op de WWB, blijft een toeslag van 20 procent gerechtvaardigd.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3 Verlagingen gezinsnorm</vet></al><al>Als aan een woning van het gezin geen woonkosten verbonden zijn, is er
                        sprake van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 van de
                        wet geeft om die reden de mogelijkheid om de gezinsnorm te verlagen. De
                        gezinsnorm wordt, in de situatie dat het gezin geen woonkosten betaald,
                        verlaagd met 20 procent. Dit is analoog aan het gestelde in artikel 2 eerste
                        lid.</al><al/><al>In de gezinsnorm is reeds rekening gehouden met het feit dat gezinsleden de
                        kosten van het huishouden kunnen delen met elkaar. Indien in de woning nog
                        een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten
                        van het bestaan nog verder gedeeld worden.</al><al>Er is echter een drietal uitzonderingen. De kosten kunnen in ieder geval
                        niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuiswonende kinderen van 18
                        jaar of ouder die studeren en een inkomen hebben op grond van de Wet
                        studiefinanciering of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                        schoolkosten. Dit geldt ook voor de zorgbehoevende die minimaal 10 uur per
                        week zorg nodigt heeft. De personen die onder deze uitzonderingen vallen,
                        zijn die personen die niet tot het gezin behoren, zoals bedoeld in artikel 4
                        tweede en vijfde lid, maar wel hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning
                        als het gezin die een beroep doet op de wet.</al><al/><al>Nog een uitzondering op het kunnen delen van de noodzakelijke kosten is in
                        gezinssituaties waarbij 3 of meer meerderjarigen tot het gezin behoren. Er
                        wordt geen verlaging op de gezinsnorm toegepast. Er is hiervoor gekozen,
                        omdat een verlaging leidt tot een onbillijke situatie waarbij drie of meer
                        gezinsleden ieder een ziektekostenverzekering moet betalen waardoor het
                        besteedbare inkomen onevenredig lager uitvalt dan in andere situaties.</al><al>Tot slot wordt er niet nogmaals een verlaging van 10 procent toegepast in
                        verband met een ander die zijn hoofdverblijf heeft in het woning van het
                        gezin als er reeds een verlaging is toegepast in verband met het niet
                        betalen van woonkosten.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Hardheidsclausule</vet></al><al>Niet alle mogelijke praktijksituaties kunnen in een verordening worden
                        vastgelegd. Vandaar dat, naast de afstemmingsverplichting van artikel 18,
                        eerste lid, van de wet, het college de bevoegdheid krijgt, hierin te
                        voorzien. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Inwerkingtreding en overgangsrecht</vet></al><al>De wetgever acht een overgangsrecht van 6 maanden redelijk en billijk voor
                        betrokkenen om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie, onderlinge
                        afspraken te maken en aanpassingen te plegen in het uitgavenpatroon.</al><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>