<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR127305_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Sint Anthonis 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">peelrandwijzer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Sint Anthonis 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-08-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>herziening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>huisvesting</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Sint Anthonis 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Sint Anthonis;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 4
                        november 2008</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs.</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de volgende: Verordening “Voorzieningen huisvesting
                        onderwijs gemeente Sint Anthonis 2009”. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:a. Minister: de minister van
                            Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van
                            een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                            expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde
                            openbare of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is
                            in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;c.
                            school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;d. - school voor
                            basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor
                            basisonderwijs als bedoeld in van de Wet op het primair onderwijs;-
                            school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal
                            onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een
                            instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet
                            speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            expertisecentra;- school voor voortgezet onderwijs: school of
                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor
                            hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                            beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2
                            en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.e. nevenvestiging: deel van
                            een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het
                            primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de
                            expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs
                            voor bekostiging in aanmerking is gebracht;f. voorziening: een van de
                            voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze
                            verordening;g. programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van
                            deze verordening;h. overzicht: het overzicht van de niet in het kader
                            van de vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld
                            in artikel 13 van deze verordening;i. aanvrager: het bevoegd gezag dat
                            een aanvraag voor vergoeding van een voorziening of voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                            verordening heeft ingediend;j. aanvraag: verzoek om vergoeding van een
                            voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding;k. voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens
                            de uitkomst van de prognose als bedoeld in van deze verordening, 15
                            jaren of langer noodzakelijk is;l. voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van
                            de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer
                            dan 15 jaren noodzakelijk is;m. permanent gebouw: schoolgebouw dat door
                            de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten
                            minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                            functioneren;n. noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van
                            het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 15
                            jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;o.
                            gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                            lichamelijke oefening;p. advies Onderwijsraad: een advies van de
                            Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie tot de
                            vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in
                            artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                            de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;q. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden,
                            niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                            maatschappelijke of recreatieve doeleinden.r. gezamenlijke akte: de akte
                            als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                            108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs;s. beslissing gedeputeerde staten: de beslissing
                            van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 ,
                            tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid
                            van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u , tweede lid van de Wet op
                            het voortgezet onderwijs;t. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht
                            als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                            108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                            voortgezet onderwijs. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:a. de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen bestaande uit:1. nieuwbouw voor een school die voor het
                            eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw
                            ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een school
                            is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;2. uitbreiding van een
                            gebouw waarin een school is gehuisvest;3. gehele of gedeeltelijke
                            ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting
                            van een school;4. verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;5. terrein voor zover nodig
                            voor de realisering van een onder a sub 1 tot en met 4 omschreven
                            voorziening;6. inrichting met onderwijsleerpakket betreffende het
                            basisonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs of met leer- en
                            hulpmiddelen betreffende het voortgezet onderwijs voor zover deze nog
                            niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                            gebracht;7. inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;8.
                            medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij
                            een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;b. aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer
                            activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;c. onderhoud aan gebouwen
                            van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals
                            onderscheiden in bijlage I;d. herstel van een constructiefout bestaande
                            uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf,
                            evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                            materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                            uitvoeringsfouten of wanprestatie;e. herstel en vervanging in verband
                            met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket betreffende het
                            basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs of leer- en
                            hulpmiddelen betreffende het voortgezet onderwijs en meubilair ingeval
                            van bijzondere omstandigheden;f. huur van een sportterrein, dat niet in
                            eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet
                            onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, kan, voor zover
                            van toepassing, een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in, deel A. De vergoedingsbedragen die
                                zijn gebaseerd op de feitelijke kosten worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel B.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a sub 1,2,6,7,8 en onder c en f en is
                                van toepassing op het bouwvoorbereidingskrediet als bedoeld in
                                artikel 3.Deel B van bijlage IV is van toepassing op de
                                voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 3,4,5 en onder
                                b, d, en e, en is van toepassing op het bouwvoorbereidingskrediet
                                als bedoeld in artikel 3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Nieuw Artikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:a. de naam en het adres van
                                    de aanvrager;b. de dagtekening;c. de naam van de school en, voor
                                    zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de
                                    voorziening is bestemd;d. welke voorziening wordt aangevraagd;e.
                                    de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                    voorziening;f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                    voorziening. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van:a. een prognose van het te verwachten
                                    aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage
                                    II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6 tot en met 8 en
                                    artikel 2, onder d, e en f;b. de aanduiding van de gewenste
                                    plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het
                                    een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a,
                                    onderdelen 1 t/m 4;c. een rapportage waaruit de bouwkundige
                                    noodzaak blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande
                                    uit:1. nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van
                                    een gebouw;2. onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                    basisonderwijs of van een school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs, of;3. herstel van een constructiefout.Bij de
                                    rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                    vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.d. een begroting van
                                    de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien
                                    de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                    gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing
                                    is;e. een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                    indien de aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding
                                    van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                    verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens
                                    in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg.In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de uiterste datum als genoemd in het tweede lid wordt
                                    overschreden, worden de aangevraagde en in behandeling genomen
                                    voorzieningen geacht voor bekostiging in aanmerking te zijn
                                    gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot:a. de beoordelingscriteria als bedoeld in
                                    bijlage I;b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;c.
                                    de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                    bijlage III.Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                    komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                    urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                    voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de
                                    deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                                    zijn. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven:a.
                                    het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de
                                    betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;b. het
                                    geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin;c. de
                                    voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling
                                    van gebouwen of lokalen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:a. het bouwheerschap als bedoeld in de
                                    Wet op het primair onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de
                                    Wet op het voortgezet onderwijs;b. het tijdstip van indiening
                                    van het bouwplan en de begroting door de aanvrager;c. een andere
                                    wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het
                                    beschikbaar te stellen bedrag;d. de wijze waarop het college
                                    toepassing geeft aan de toetsing van het bouwplan en de
                                    begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke
                                    voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in
                                    artikel 16;e. de controle op en het afleggen van verantwoording
                                    over de besteding van de beschikbaar te stellen middelen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.Het
                                    college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing
                                    schriftelijk mee aan de aanvrager. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>4. De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.De beslissing van het college als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Nieuw Artikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.1. De aanspraak op bekostiging van
                                    een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet vóór 1 oktober
                                    van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een
                                    bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                    erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan
                                    niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden.
                                    De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk
                                    en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn,
                                    uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk
                                    wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten
                                    zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt
                                    de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                    overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                                    aankoop. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:a. een nadere aanduiding van
                                    de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting
                                    spoedeisend maken;b. de reden waarom de voorziening in de
                                    huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog
                                    vast te stellen programma;c. een prognose van het te verwachten
                                    aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage
                                    II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                    bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot en met 8 en
                                    artikel 2 onder d, e en f;d. een begroting van de kosten gemoeid
                                    met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld
                                    in artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot:a. de
                                    beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;b. de
                                    prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;c. de oppervlakte en
                                    indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in, deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar
                                    wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                    voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke
                                    datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke
                                    datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden.
                                    Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het
                                    college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-,
                                    huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van vier maanden geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                    aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                    afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                    vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>1. Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding
                                indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand
                                aan het moment van aanbesteding van die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:a. de naam en
                                het adres van de aanvrager;b. de dagtekening;c. de naam van de
                                school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst;d. de reden,
                                de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de
                                voorziening;e. het gewenste tijdstip van realisering van de
                                voorziening;f. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                van de school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                vereisten;g. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van
                                een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het
                                door het college vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname';h. een
                                begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                                bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening
                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:a. er voldoende
                                middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding
                                beschikbaar zijn;b. de noodzaak van de gewenste voorziening
                                voldoende vaststaat;c. er een reële mogelijkheid is dat de
                                voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in
                                aanmerking kan worden gebracht. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:a. er sprake is
                                van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend
                                volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd
                                gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19
                                voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;b. het bevoegd gezag
                                van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening
                                heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting
                                kan worden voorzien;c. er sprake is van een tekort aan
                                huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als
                                bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de
                                hand van de voor die school of instelling gangbare
                                berekeningswijze;d. er sprake is van leegstand in een lesgebouw van
                                een school;e. er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                school.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:a. wanneer het
                                    betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                    het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                    berekend op basis van , deel B en de capaciteit van het gebouw
                                    in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op
                                    basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een
                                    aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van
                                    de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is
                                    voor de daar gevestigde school of scholen;b. wanneer het betreft
                                    een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit
                                    de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis
                                    van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals
                                    vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                    overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij
                                    het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters
                                    voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er
                                    binnen het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                    geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:a. wanneer
                                    het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of meer
                                    scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat
                                    door het college wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;b.
                                    wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet
                                    onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III,
                                    deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40
                                    lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                    de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar
                                    aantoont dat dit niet het geval is;c. wanneer het een gebouw
                                    betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voor
                                    basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs en
                                    voortgezet onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen
                                    genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:a.
                                    als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik
                                    is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit
                                    oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een
                                    ander gebouw een betere oplossing biedt;b. vervolgens de
                                    leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde
                                    richting is gehuisvest enc. vervolgens de leegstand gevorderd in
                                    het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de
                                    school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:a. de naam van de
                                    school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                                    gevorderd;b. een aanduiding van het aantal leerlingen ten
                                    behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                    onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat
                                    gevorderd wordt;c. een aanduiding van het gebouw waarop de
                                    vordering betrekking heeft;d. een aanduiding van het aantal en
                                    het type ruimten dat gevorderd wordt;e. de periode waarvoor
                                    gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Artikel 33 Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in, deel C. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:a. er sprake is van
                                leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bedoeld in
                                artikel 30;b. er sprake is van onderbenutting van een sportveld van
                                een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster
                                van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                gebruiken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:a. voor welke
                                    activiteit of activiteiten gevorderd wordt;b. of die activiteit
                                    of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het
                                    gebouw gevestigde school;c. welke maatregelen eventueel
                                    noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in
                                    het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik
                                    ondervindt;d. wat naar de mening van het college en het bevoegd
                                    gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;e. de
                                    datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                                    nemen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien:a. de bestemming
                                    van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen
                                    daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs of;b. de te
                                    verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al><al/></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:a. de
                                gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal
                                klokuren;b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin
                                het gebruik wordt gewenst;c. de tijden waarop het onderwijsgebruik
                                gedurende een schoolweek wordt gewenst </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>4. Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht:a. de afstanden in relatie tot de
                                omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                opgenomen in bijlage I, deel B;b. het bevoegd gezag van een niet
                                door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een
                                gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het eerste
                                ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;c. het gymnastiekonderwijs
                                van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één
                                gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens:a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                ingeroosterd in een gymnastiekruimte;b. de aanduiding van de
                                gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke het
                                on-derwijsgebruik plaatsvindt;c. een nadere onderverdeling van het
                                aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan
                                één gymnastiekruimte plaatsvindt;d. voor zover het gewenste aantal
                                klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge de
                                beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                                aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen
                                van het bevoegd gezag van de school. Het college neemt het aantal
                                klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel
                                tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is,
                                nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                bekostiging door de gemeente in aanmerking komt. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van
                            prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                de datum van haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op dat tijdstip vervalt de verordening “Voorzieningen huisvesting
                                onderwijs gemeente Sint Anthonis 2004”, vastgesteld bij raadsbesluit
                                van 29 maart 2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Voorzieningen huisvesting
                            onderwijs gemeente Sint Anthonis 2009”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Sint Anthonis van 15 december 2008.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. A.P.J.L. Keijzers J.M.J. Verbeeten</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningenPer
                    onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:- deel A: lesgebouwen;- deel B:
                    voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al>DEEL A Lesgebouwen</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de
                    minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                    brengt;b1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                    en dat voor een voor lijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht ofb2 het feit dat de te
                    huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een beschikbaar
                    (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om
                    door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren.</al><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a.
                    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);b1 het feit dat
                    de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht ofb2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig
                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:a. vervanging per saldo geen
                    meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college;b.
                    vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de
                    ruimtelijke ordening noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet> De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:a. het feit
                    dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de
                    ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, enb1
                    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht ofb2
                    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht ofb3
                    het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat
                    er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren
                    binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest enc. het afwezig zijn
                    van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet> De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit dat de minister de desbetreffende school
                    voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het
                    huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijlb1 de
                    te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht ofb2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. er binnen 2000 meter
                    hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting
                    voor de school te realiseren;d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt
                    te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt ene. de kosten
                    van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw of uitbreiding.</al><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet> De noodzaak van verplaatsing
                    van noodlokalen blijkt uit het feit dat:a. er op basis van een prognose die
                    voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor
                    ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op
                    een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijlb. er
                    binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren enc. de kosten van
                    verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een nieuwe tijdelijke
                    voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
                    beoordeling van het college.</al><al><vet>1.6 Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet> De noodzaak
                    voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit
                    dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij
                    sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en
                    voor zo’n uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft
                    plaatsgevonden.De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                    meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal
                    basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al><vet>1.8 Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    er ten minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III,
                    deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al><vet>1.9 Aanpassing</vet> De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>b. een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                    afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                    basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al><al>c. voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                    regelgeving;</al><al>d. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; </al><al>e. het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen
                    van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al><al>f. aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al><al>Ad a De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen
                    redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad b De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                    kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen
                    het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen.</al><al>Ad c De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad d De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad e De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.Bovenstaande aanpassingen
                    kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden,
                    kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk
                    is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende
                    leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen
                    andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>Ad f De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:a. de aanpassing
                    nog niet eerder is toegekend, enb. bij de bouw van het gebouw geen rekening is
                    gehouden met onderwijskundige vernieuwingen, enc. het een permanent gebouw
                    betreft, end. het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al><al><vet>1.10 Onderhoud </vet>De voorziening onderhoud bestaat uit:a. onderhoud aan
                    de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het overzicht 'onderhoud
                    primair onderwijs';b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                    (inclusief hang- en sluitwerk);c. algehele vervanging van radiatoren,
                    convectoren en leidingen voor centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:a. het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                    bijlage II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de school nodig is;
                    enb. voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                    medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al><al><vet>1.11 Herstel van constructiefouten </vet>De noodzaak van herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden </vet>De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al><vet>2.1 Nieuwbouw </vet>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de
                    minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;b1 het feit dat de te huisvesten leerlingen
                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    ofb2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al><vet>2.2 Vervangende bouw </vet>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a.
                    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de verlenging van de levensduur);b1 het feit dat de
                    te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht ofb2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig
                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:a. vervanging per saldo geen
                    meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college;b.
                    vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de
                    ruimtelijke ordening noodzakelijk is.Indien het voor de realisering van de
                    vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt
                    toekenning van sloopkosten plaats.</al><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet></al><al><vet>2.3.1 Uitbreiding algemeen</vet> De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:a.
                    het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de
                    ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de
                    capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met
                    tenminste de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt, en b1
                    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of b2 het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht ofb3 het feit dat de
                    laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen
                    aanwezig zijn die niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw
                    of de gebouwen kunnen worden gehuisvest enb. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al><vet>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</vet> De noodzaak van uitbreiding met
                    een speellokaal blijkt uit:a. het feit dat aan de school of afdeling kinderen
                    jonger dan zes jaar worden toegelaten;b. het feit dat de school volgens de
                    prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten
                    minste vijftien jaren zal blijven bestaan enc. het feit dat in het gebouw geen
                    speellokaal aanwezig is, terwijld. medegebruik van een speellokaal,
                    gymnastiekruimte of lokaal voor motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed
                    niet mogelijk is en,e. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                    het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                    verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                    oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of
                    gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet> De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit dat de minister de desbetreffende school
                    of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of a2 het
                    feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt,
                    terwijl b1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of b2 de te huisvesten leerlingen aanwezig
                    zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. er binnen 2000
                    meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren;d. er geen ander, beter geschikt of
                    beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt
                    ene. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                    verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al><vet>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet> De noodzaak van verplaatsing
                    van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl</al><al>b. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik
                    een passende huisvesting voor de school te realiseren enc. de kosten van
                    verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een nieuwe tijdelijke
                    voorziening voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
                    beoordeling van het college.</al><al><vet>2.6 Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al><vet>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet> De noodzaak
                    voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt uit het feit
                    dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij
                    sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school en
                    voor zo’n uitbreiding voor 1 januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft
                    plaatsgevonden.</al><al><vet>2.8 Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    er ten minste zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III,
                    deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al><vet>2.9 Aanpassing </vet>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><al>a. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de eisen als
                    gesteld in bijlage III, delen A en D;</al><al>b. verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al><al>c. verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al><al>d. functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander vak
                    (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al><al>e. voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                    regelgeving;</al><al>f. vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; eng. het terrein
                    toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een traplift
                    bij meerlaagse schoolgebouwen.</al><al>Ad a De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn. De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw
                    in gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die
                    dan noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort,
                    die nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al>Ad b De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                    leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                    beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs. </al><al>Ad c De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><al>Ad d De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een
                    ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><al>Ad e De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad f De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad g De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven. Bovenstaande aanpassingen kunnen
                    plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan
                    de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                    voldoende leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden
                    verwacht. Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de
                    voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen
                    worden verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>2.10 Onderhoud</vet> De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>c. algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:a. de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    zijn; enb. voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                    medegebruik elders.</al><al><vet>2.11 Herstel van constructiefouten</vet> De noodzaak van herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van</vet> De noodzaak van herstel of vervanging blijkt
                    uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in
                    het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/><al/><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><al><vet>3.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;</al><al>b1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of </al><al>b2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een beschikbaar
                    (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om
                    door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren.</al><al><vet>3.2 Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het
                    feit dat: </al><al>a. voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige
                    conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging); b1. de te huisvesten
                    leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht of</al><al>b2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal leerlingen
                    kan worden verwacht enc. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en
                    geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                    beoordeling van het college;</al><al>b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingsoperatie;</al><al>c. vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                    noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al><vet>3.3 Uitbreiding</vet> De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens
                    de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige capaciteit en bijlage III,
                    deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier
                    jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze
                    aantallen leerlingen kunnen worden verwacht enb. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet> De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt of </al><al>a2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking
                    komt, terwijl b1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of b2 de te
                    huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen
                    leerlingen kunnen worden verwacht enc. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen
                    mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de school
                    te realiseren;d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                    aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt ene. de kosten van
                    ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw of uitbreiding.</al><al><vet>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet> De noodzaak van verplaatsing
                    van noodlokalen blijkt uit het feit dat:a. er op basis van een prognose die
                    voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting van
                    ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op
                    een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijlb. er
                    binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren enc. de kosten van
                    verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor een nieuwe tijdelijke
                    voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter
                    beoordeling van het college.</al><al><vet>3.6 Terrein </vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al><vet>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet> Aanspraak op
                    eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat wanneer er
                    sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en daarbij sprake
                    is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school.Tevens
                    bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen
                    en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een andere
                    ruimtesoort wordt gecreëerd.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen.</al><al><vet>3.8 Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    de school een aantal leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting
                    geen capaciteit is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is
                    bij 3.3.a.</al><al><vet>3.9 Herstel van constructiefouten</vet> De noodzaak van herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet> De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de
                    minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                    brengt enb. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer
                    gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                    leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren
                    noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a.
                    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb. het afwezig zijn
                    van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten
                    minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste
                    15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                    klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                    een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet> De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt
                    uit:a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                    m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt
                    enb. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer
                    gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                    leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren
                    noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet> De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit dat de minister de school voor het eerst
                    voor bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging, conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt enb het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren het door het college vastgestelde aantal
                    klokuren aanwezig (zullen) zijn end de kosten van ingebruikneming inclusief
                    aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al><vet>1.5 Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of
                    de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet> De noodzaak van eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een
                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd enb. het
                    feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair </vet>De noodzaak van eerste inrichting
                    meubilair blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd enb. het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste inrichting meubilair
                    voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:a. het feit
                    dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd enb. het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een deel van) het
                    noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al><vet>1.8 Medegebruik</vet> De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en
                    waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats
                    is.</al><al><vet>1.9 Aanpassing </vet>De aanpassingen bestaan uit:1. het maken van voldoende
                    wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend
                    werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                    gymnastiekruimte;2. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik,
                    dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;3. wijzigingen
                    bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is
                    voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en
                    D;4. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;5. vervangen
                    van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3 De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                    noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>1.10 Onderhoud</vet> De voorziening onderhoud bestaat uit:a. onderhoud aan
                    de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het overzicht 'onderhoud
                    primair onderwijs';b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                    (inclusief hang- en sluitwerk);c. algehele vervanging van radiatoren, convectors
                    en leidingen voor centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet> De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet> De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. </al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al><vet>2.1 Nieuwbouw</vet> De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de
                    minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt enb. het afwezig zijn van mogelijkheden om
                    binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                    speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10
                    groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                    klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>2.2 Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a.
                    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb. het afwezig zijn
                    van mogelijkheden om binnen 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                    minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                    gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                    leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren
                    noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet> De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:a. het feit
                    dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en daardoor
                    het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt enb. het afwezig
                    zijn van mogelijkheden om binnen 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                    ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs gebruik te maken van een of
                    meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                    komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren
                    noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet> De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit dat de minister de school of
                    nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het
                    feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2 onder
                    a, in aanmerking komt enb het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2 km
                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet
                    speciaal onderwijs gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik
                    te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al><al>c. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn end. de kosten van
                    ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw.</al><al><vet>2.5 Terrein</vet> De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of
                    de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet> De noodzaak van eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een
                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt
                    goedgekeurd enb. het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                    eerder eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><al><vet>2.7 Eerste inrichting meubilair</vet> De noodzaak van eerste inrichting
                    meubilair blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd enb. het feit
                    dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste inrichting
                    meubilair is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:a. het feit
                    dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd enb. het feit
                    dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder het specifiek
                    noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al><vet>2.8 Medegebruik </vet>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    het door het college getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en
                    waarvoor binnen de huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte
                    is.</al><al><vet>2.9 Aanpassing</vet> De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>2. het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al><al>3. wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet
                    geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III,
                    delen A en D;</al><al>4. voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al><al>5. vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2 De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                    het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                    verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5 De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                    noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>2.10 Onderhoud</vet> De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><al>a. onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al><al>b. (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                    sluitwerk);</al><al>c. algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor centrale
                    verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                    is.</al><al><vet>2.11 Herstel constructiefouten </vet>De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet> De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al><vet>3.1 Nieuwbouw </vet>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de
                    minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                    brengt enb. het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                    gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke
                    termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vijftien jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is,
                    aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>3.2 Vervangende bouw</vet> De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a.
                    het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb. het afwezig zijn
                    van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of
                    meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen
                    waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al><vet>3.3 Uitbreiding</vet> De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:a. het feit
                    dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en daardoor
                    het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt enb. het afwezig
                    zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een
                    of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                    komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                    leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al><vet>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet> De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit dat de minister de school voor het eerst
                    voor bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging, conform het gestelde bij 3.2 onder a, in aanmerking komt enb het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken
                    van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten enc het feit dat de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig
                    zijn end het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                    van de kosten van vervangende bouw.</al><al><vet>3.5 Terrein </vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of
                    de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</vet> De noodzaak van eerste
                    inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:a. het feit dat nieuwbouw van een
                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd enb. het
                    feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste inrichting
                    voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al><vet>3.7 Medegebruik</vet></al><al><vet>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</vet> De noodzaak van medegebruik van
                    een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat klokuren gymnastiek noodzakelijk
                    zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen
                    ruimte is.</al><al><vet>3.7.2 Huur van een sportterrein</vet> De noodzaak van huur van een
                    sportveld blijkt uit:a. het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt,
                    terwijl het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld enb. er geen
                    mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander bevoegd
                    gezag.</al><al><vet>3.8 Herstel constructiefouten</vet> De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet> De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al>I-1Overzicht 'Onderhoud PO'Activiteiten die behoren tot het onderhoud:-
                    Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten- Vervangen
                    buitenberging c.q. dak buitenberging.- Vervangen rijwielstalling c.q.
                    rijwielstaanders.- Vervangen brandtrap.- Vervangen erfscheiding.-
                    Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.- Vervangen binnenkozijnen
                    inclusief hang- en sluitwerk (renovatie-activiteit).- Vervangen buitenkozijnen
                    inclusief hang- en sluitwerk (renovatie-activiteit).- Vervangen radiatoren,
                    convectoren, leidingen (renovatie-activiteit).- Vervangen dakpannen inclusief
                    houtwerk, dakrand en goten.- Vervangen boeiboorden </al><al><vet>TOELICHTING Bijlage I</vet></al><al><vet>Algemeen</vet> De wet geeft in artikel 100 WPO, 98 WEC en 76k WVO expliciet
                    aan op grond waarvan een voorziening kan worden geweigerd. Voor toepassing van
                    de weigeringsgronden dienen deze artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat
                    gebeurt in deze bijlage door per voorziening de beoordelingscriteria te
                    beschrijven. Ze hebben betrekking op de aanwezigheid van leerlingen, prognoses,
                    oppervlakten/capaciteit van gebouwen, bouwkundige staat van een gebouw
                    enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde voorziening(en) - of van mogelijke
                    alternatieve voorzieningen - voor de desbetreffende school wordt vastgesteld op
                    basis van de beoordelingscriteria. Na toepassing van de beoordelingscriteria kan
                    er antwoord worden gegeven op de vraag: 'Is de voorziening noodzakelijk? 'De
                    noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><al>- de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                    gebruikt;</al><al>- de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al><al>- het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al><al>- de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de noodzaak
                    van de gevraagde voorziening op te heffen.</al><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen.Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij medegebruik,
                    bij constructiefouten en bij vervanging of herstel van schade in geval van
                    bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose, die
                    voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat
                    over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor een termijn
                    van minimaal vier jaren. Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                    aanpassing) betreft, is de termijn voor de prognose in elk geval vijftien jaren
                    te rekenen vanaf het gewenste jaar van bekostiging.Voor nieuwbouw en voor
                    uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de verwachte duur van het
                    gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of ingebruikname van een bestaand
                    gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en dergelijke) of in permanente vorm
                    worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan de orde indien het gaat om een
                    nieuw instituut of om een nieuwe afdeling.</al><al>In alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al><al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven.</al><al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van het college om gebruik te
                    maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt zich in
                    principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs. Bij medegebruik is geen langetermijnprognose nodig. Voor inzicht in
                    de periode van medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig alsmede
                    inzicht in de eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de
                    hoofdgebruiker.Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur
                    zoveel mogelijk de leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen
                    dat de school over (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het
                    aantal locaties vrijgelaten.De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare
                    capaciteit hangen af van de ligging en de geschiktheid van de feitelijke
                    leegstand.</al><al>De verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft -
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen.De andere
                    mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden, is die
                    van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden bepaald door
                    te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het verwijsgebied
                    moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken - samenvallen met de
                    sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector. Binnen de
                    gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet.</al><al>Bij het bepalen of leegstand geschikt is kan als uitgangspunt dienen dat
                    onderwijsruimte die niet gedurende de gehele werkweek in gebruik zijn bij de
                    school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden gebruikt door
                    scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting.Voor het primair
                    onderwijs is leegstand binnen het primair onderwijs per definitie geschikt. Voor
                    het voortgezet onderwijs is het moeilijker leegstand vast te stellen. Voor zover
                    ruimte niet is, kunnen zij worden gebruikt door andere scholen.Ruimte die een
                    bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en waarvoor geen
                    (rijks)vergoeding wordt genoten telt niet mee voor de mogelijkheden van
                    medegebruik. Hieronder vallen dus niet de zogenaamde eigendoms- en
                    huurscholen.</al><al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.Indien binnen redelijke termijn een
                    ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden bezien of gebruik maken van het
                    vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt voor het huisvestingsprobleem.</al><al>Ervan uitgaande dat door toepassing van een meerjarenplanning samen met de
                    schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het vrijkomen van
                    (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden gekoppeld aan de
                    meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van ander beleid
                    beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor onderwijs wordt
                    gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of wordt afgebroken
                    opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden gegeven.</al><al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs hetzelfde. Voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die periode vijftien jaren.
                    Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier jaren of meer. Voor gebruik van
                    minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het bestaande gebouw,
                    bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts indien dit onmogelijk is, wordt
                    een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder uitbreiding in het
                    basisonderwijs en in het (voortgezet) speciaal onderwijs een
                    beoordelingscriterium opgenomen.Deel A</al><al><vet>Lesgebouwen</vet></al><al>(Vervangende) nieuwbouwVervangende bouw komt in het algemeen voort uit de
                    slechte conditie van een gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte)
                    bouwkundige staat en om verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende
                    gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek
                    van schouwing voor alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel
                    mogelijk zijn geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door het
                    college.</al><al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.Budgettair neutrale vervanging van een
                    gebouw betekent dat daarvoor geen extra kosten worden gemaakt. De kosten voor de
                    gemeente mogen niet hoger zijn dan de huidige kosten. Daarnaast kunnen - in
                    overeenstemming met het aanvragende schoolbestuur - eventuele gelden voor
                    exploitatie, aanpassingen (VO) en onderhoud (VO) van het schoolbestuur worden
                    ingezet.Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.Bij de ontwikkelingen in de
                    ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan stadsvernieuwing en het
                    realiseren van een centrumplan, waarvoor het noodzakelijk is dat het gebouw
                    vervangen wordt.</al><al><vet>Uitbreiding</vet> In het voortgezet onderwijs bestaat pas de noodzaak de
                    capaciteit uit te breiden, als ook met een 10% hogere gebruiksduur van de
                    bestaande capaciteit er onvoldoende capaciteit voor de school aanwezig is. De
                    wijze waarop de voorziening - na goedkeuring - wordt gerealiseerd, hangt af van
                    de normering die in bijlage III, deel C, is uitgewerkt.</al><al>Het speellokaal is voor het primair onderwijs als aparte voorziening verdwenen.
                    Wel is in de oppervlaktenormering rekening gehouden met deze vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. Het is aan het schoolbestuur om ervoor te kiezen deze
                    vierkante meters ook in te zetten als speellokaal. Daarbij zal het schoolbestuur
                    zich moeten realiseren dat er voor de leerlingen in deze leeftijdsgroep geen
                    automatische aanspraak bestaat op ruimte in een gymnastiekzaal.</al><al><vet>Ingebruikneming</vet> Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw
                    of een gedeelte daarvan spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de
                    omvang en de kwaliteit een belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar
                    hetgeen hiervoor is gesteld. De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de
                    noodzakelijke aanpassingen nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor
                    onderwijs geschikt is). Indien de kosten samen met de (eventuele)
                    verwervingskosten te hoog zijn (het ministerie van OCenW hield daarvoor 70
                    procent van de kosten van nieuwbouw aan), is de vraag gerechtvaardigd of
                    vervangende bouw niet een betere optie is. Natuurlijk staat het de gemeente vrij
                    hiertoe te besluiten (en daarmee af te wijken van dit percentage), bijvoorbeeld
                    in verband met de locatie, het (monumentale) gebouw of het ontbreken van
                    alternatieve mogelijkheden voor huisvesting binnen de wijk.</al><al>Ook ontstaat hier - evenals bijvoorbeeld bij het bijbouwen van noodlokalen - een
                    onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven worden bezien en
                    gewaardeerd.Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging
                    van een bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als:- dit per saldo geen
                    meerkosten met zich meebrengt;- er sprake is van een herschikkingsoperatie;- dit
                    noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                    ordening.Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het
                    huidige schoolgebouw aan de orde is.Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar
                    bij de eventuele toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening
                    mee gehouden.</al><al>In de systematiek van de verordening is voor de huisvestingsvoorziening
                    'ingebruikneming' op basis van artikel 7, tweede lid, onder a, een prognose
                    vereist. De toetsing van een prognose komt dan ook tot uiting in de criteria
                    voor de beoordeling van aangevraagde voorziening tot ingebruikneming van een
                    bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld b1 en b2 van paragraaf 1.4).</al><al>Eerste inrichtingDe aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair in het primair en voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning
                    van een voorziening in de huisvesting met dien verstande dat die voorziening een
                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet
                    hebben. Daarnaast geldt dat er niet eerder (voor de betreffende vierkante
                    meters) een vergoeding is gegeven voor deze voorziening. Indien artikel 7,
                    vierde lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard op eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage 'de laatste
                    teldatum voorafgaande aan de indiening van de aanvraag' vervangen door: 'de
                    meest recente teldatum'.</al><al>AanpassingenAanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk
                    geval zullen aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe)
                    wettelijke vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de
                    regelgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden,
                    voor zover niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een
                    (tijdelijke) vrijstelling is verleend.</al><al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                    schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                    onder andere het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken
                    van het gebouw voor gehandicapten.Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde
                    voorzieningen worden aangevraagd om het gebouw en/of het terrein toegankelijk te
                    maken voor in hun bewegingen beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het
                    terrein toegankelijk maken tot en met de entree (met name het realiseren van een
                    hellingbaan) en het aanbrengen van een traplift bij een meerlaags
                    schoolgebouw.</al><al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit
                    het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                    wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het onderwijs
                    aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                    integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:- samenvoegen van twee
                    lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte tot speellokaal inclusief
                    berging;- veranderen van leslokalen in werklokalen;- plaatsen van
                    kleutertoiletten en maken toezichtraam;- maken zandbak en buitenberging;-
                    aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren.</al><al>Ten eerste is moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te
                    geven en ten tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend
                    uit wet- en regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                    beoordelen.</al><al><vet>Onderhoud</vet> Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het
                    primair onderwijs. Ook hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden
                    aangetoond dat het onderhoud noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor
                    het bevoegd gezag in de materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet
                    langer volstaat.Voordat onderhoud aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt
                    toegekend, zal worden nagegaan of de desbetreffende noodlokalen of gebouwen nog
                    noodzakelijk zijn voor in elk geval meer dan vier jaar. Indien de groepen uit de
                    noodlokalen elders in medegebruik kunnen worden ondergebracht, zal voor die
                    optie worden gekozen.</al><al><vet>Herstel van constructiefout </vet>Bij herstel van constructiefouten is het
                    van (groot) belang daadwerkelijk vast te stellen dat het gaat om een
                    constructiefout. Voor het begrip constructiefout is een 'definitie'
                    geformuleerd, gebaseerd op hierover gevormde jurisprudentie. Uit artikel 2 van
                    de verordening blijkt dat onder constructiefout wordt verstaan: schade aan een
                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf en kosten gemoeid met het
                    voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit
                    ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie</al><al><vet>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden</vet> Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het
                    herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden kan rekening worden
                    gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld
                    een totaal afgebrande school met acht lokalen worden vervangen door een kleiner
                    gebouw met zes lokalen, omdat de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit
                    de prognose blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien
                    jaren meer dan zes groepen zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de
                    gemeente er verstandig aan eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot
                    uitkering overgaat.Deel B</al><al><vet>Gymnastiekruimten</vet> Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening
                    is steeds sprake van gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat
                    niet enkel het traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het
                    gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel
                    uit over de aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden
                    gerealiseerd. Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende
                    schoolbestuur voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die
                    de gemeente daar op korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal
                    gebruik worden gemaakt van de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan
                    elke beslissing - nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming - bezien of niet
                    door medegebruik de gevraagde voorziening overbodig is. Overigens laat de
                    praktijk zien dat - zeker in de plattelandsgemeenten - eventueel vervoer naar
                    een verder weg gelegen gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. Uiteraard
                    is hiervoor overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met gymnastiekruimte tevens
                    bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad
                    of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze laatste twee enkel voor de
                    onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is.</al><al>Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapte
                    kinderen met een lichamelijke handicap.Een watergewenningsbad is noodzakelijk
                    voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van zeer
                    moeilijk lerende kinderen en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten
                    behoeve van meervoudig gehandicapten met zeer moeilijk lerende kinderen.Bij
                    andere vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet
                    noodzakelijk geacht en komen ze niet voor.Om vast te stellen of er daadwerkelijk
                    medegebruik mogelijk is, wordt gekeken naar de klokuurnorm zoals het college die
                    voor het primair onderwijs heeft vastgesteld en naar het rooster. Voor het
                    voortgezet onderwijs is enkel het rooster van belang.Het maken van was- en
                    kleedgelegenheden in gymnastiekruimten wordt niet als uitbreiding gezien maar
                    als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes fysiek
                    meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft.Het maken van douches in
                    plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook tot de aanpassingen, met
                    name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met betrekking tot
                    hygiëne).Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste
                    inrichting worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer)
                    naar een grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is
                    verstrekt.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte
                    termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><al>a. het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al><al>b. de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al><al>c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding
                    van het voedingsgebied;</al><al>d. de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als
                    gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al><al>e. de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;</al><al>f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                    school eng. het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.Bij deze levering
                    worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met
                    betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening “Overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Sint
                    Anthonis”.</al><al/><al><vet>TOELICHTING Bijlage II</vet></al><al>In veel gevallen moet voor de beoordeling van een aanvraag voor een
                    huisvestingsvoorziening een prognose van leerlingenaantallen worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. De verordening geeft het college de bevoegdheid nadere
                    regels vast te stellen. Als model is hiertoe in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt
                    Programma van eisen voor leerlingprognoses opgesteld. In dit programma van eisen
                    is tot op het niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                    prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                    beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                    onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee
                    tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school.</al><al>Het Programma van eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld, is
                    aan gemeenten gezonden als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het vaststellen
                    van dit programma van eisen geeft het college invulling aan de bepaling dat het
                    nadere regels kan stellen. Het programma van eisen dient onderwerp te zijn van
                    het op overeenstemming gericht overleg.</al><al>Door geen prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan de
                    markt overgelaten elke programmatuur in de praktijk voor het prognosticeren van
                    leerlingenaantallen wordt gebruikt.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor oppervlakte en indeling</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>Bijlage III De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier
                    delen:- deel A: de bepaling van de capaciteit;- deel B: wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte;- deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;- deel D:
                    minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                        B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><al><vet>Basisschool </vet>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt
                    vastgelegd in het brutovloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-nettoverhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><al><vet>1.2 </vet><vet>Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een
                    hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                    rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is
                    vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen.</al><al>Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen
                    moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
                    hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het
                    meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de
                    regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                    capaciteit.Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de
                    overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de
                    fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde
                    scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als
                    dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven.De vaststelling
                    van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen
                    het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</al><al><vet>1.4 Terrein </vet>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                    perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich
                    bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster.Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>1.5 Inventaris </vet>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1
                    januari 2009 alle scholen voor basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                    voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de
                    school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                    inventaris.</al><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een gymnastiekruimte voor
                    het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al><vet>1.6.2 Terrein</vet> De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                    vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                    gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                    lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al><vet>1.6.3 Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                    geacht voldoende te zijn.</al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve
                    doeleinden.</al><al><vet>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet> De
                    bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het
                    gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                    worden afzonderlijk vastgesteld.Indien een speellokaal aanwezig is én de school
                    voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2
                    sub a. en sub b, wordt op de bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering
                    gebracht.Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.Indien sprake is van een schoolgebouw met een
                    bruto-netto-verhouding in het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari
                    1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen
                    tot vaststelling van een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                    capaciteitsbepaling.</al><al><vet>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                        tijdelijke bouwaard.</vet>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties
                    voor scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.
                        `<vet>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocatiesDe vaststelling van de
                        rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het
                        gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                        leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</vet>Indien
                    een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of meerdere
                    dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                    rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                    vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde
                    als volgt vastgesteld.Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                    capaciteit.Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.De vaststelling van de
                    rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het
                    bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</al><al><vet>2.4 Terrein</vet> Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                    perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich
                    bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster.Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>2.5 Inventaris</vet> Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1
                    januari 2009 alle scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente
                    zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De
                    bruto-vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de
                    omvang van de aanwezige inventaris.</al><al><vet>2.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>2.6.1 Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een gymnastiekruimte voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al><vet>2.6.2 Terrein </vet>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                    vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                    gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                    lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al><vet>2.6.3 Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                    geacht voldoende te zijn.3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:- de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;- het
                    aantal specifieke ruimten;- het aantal werkplaatsen;- het aantal
                    gymnastieklokalen.</al><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al><vet>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                        een tijdelijke bouwaard</vet> De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te
                    duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het
                    gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de
                    schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.Naast de bruto-vloeroppervlakte zal
                    het gegeven 'aantal gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het
                    gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voorzover deze
                    noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel
                    medegebruik. Bij het gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten
                    de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel
                    zijn opgenomen. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw
                    gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al><vet>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet> De vaststelling van de
                    rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik
                    beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit
                    is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening in de
                    huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer
                    dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                    rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                    vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde
                    als volgt vastgesteld.</al><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.De vaststelling van de
                    rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na overleg tussen het
                    bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</al><al><vet>3.3 Terrein</vet> Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                    perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich
                    bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>3.4 Inventaris</vet> Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1
                    januari 1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een
                    inventaris. De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke
                    ruimten en werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de
                    omvang van de aanwezige inventaris.</al><al><vet>3.5 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>3.5.1 Gymnastiekruimte</vet> De capaciteit van een gymnastiekruimte voor
                    het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur.</al><al><vet>3.5.2 Terrein</vet> De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals
                    vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                    gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                    lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al><vet>3.5.3 Inventaris</vet> De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt
                    geacht voldoende te zijn.</al><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Lesgebouwen Basisschool</vet> Voor een basisschool is het aantal
                    leerlingen en de gewichtensom bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De
                    berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met
                    een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen
                    vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening
                    beschouwd als een afzonderlijke school.De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                    basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:B = 200
                    + 5,03 * L, waarbijB = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,
                    rekenkundig afgerond op hele vierkante meters.enL = het aantal leerlingen dat op
                    1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de
                    school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:T = 1,40 * G, waarbijT= toeslag in m2
                    bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante metersen G=
                    gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:- bepaal de
                    (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten van alle
                    ingeschreven leerlingen);- verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een
                    bedrag ter grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de
                    gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig
                    afgerond op een geheel getal;- als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt
                    dan 80 % van het aantal ingeschre-ven leerlingen, wordt de gewichtensom
                    vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten Basisschool</vet> Voor een basisschool is het aantal
                    gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen
                    is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen, zoals bepaald in de
                    modelbeleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs.Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van
                    maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.Voor de vaststelling van de structurele noodzaak
                    van een nieuwe accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar
                    waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal
                    zijn ingeschreven.</al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al><vet>2.1 Lesgebouwen</vet> Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                    speciaal onderwijs is de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet
                    speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte.De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt berekend met de formule:R= V+f*L, waarbijR = ruimtebehoefte in
                    m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters, enV =
                    vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet
                    250 m2 . Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, enf =
                    factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel, enL
                    = et aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.De tabel geeft een
                    overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><al>Onderwijssoort SO VSO- Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige
                    spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen
                    (ES) - Visueel gehandicapten (VISG) 8,8 12,2- Langdurig zieke kinderen (LZ) -
                    Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK) - Kinderen in scholen verbonden aan
                    pedologische instituten (PI) - Dove kinderen (DO) - Lichamelijk gehandicapte
                    kinderen (LG) 13,8 15,5- Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)* - Zeer moeilijk
                    lerende kinderen (ZMLK) 8,8 9,2</al><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2 geldt 56,75, voor
                    VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met
                    N = 3 geldt 57,5.</al><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet
                    slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de
                    vaste voet van toepassing.De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school
                    of een SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk
                    vastgestelde ruimtebehoeften worden gesommeerd.Toekenning van een eventueel
                    speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte van 90 m2.</al><al><vet>2.2 Gymnastiekruimten</vet> Het aantal gymgroepen is bepalend voor het
                    aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de
                    modelbeleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs:Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar
                    wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school of
                    nevenvestiging niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met
                    leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur
                    gymnastiek.</al><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                    bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                    SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                    verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.3 School voor voortgezet
                    onderwijs</al><al><vet>3.1 Lesgebouwen</vet> Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met
                    behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale
                    ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van
                    twee componenten, te weten:1. een leerlinggebonden component;2. een vaste
                    voet.</al><al>ad 1 Een leerlinggebonden componentDeze wordt bepaald door aan de hand van in
                    tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen
                    met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de
                    soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt.</al><al>ad 2 Een vaste voetDe vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b
                    Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte
                    voortgezet onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of
                    sector. De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                    onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg.</al><al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al><al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs.</al><al>Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch
                    didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van
                    leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De
                    leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle
                    gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al><al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</al><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs</al><al>Onderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/leerlingOnderbouw (leerjaar 1 en 2) -
                    Algemeen 6,18Bovenbouw AVO/VWO - Algemeen 5,85Bovenbouw theoretische leerweg TLW
                    Algemeen 6,41- LWOO Algemeen 7,07Bovenbouw techniek GLW Algemeen 5,98- -
                    Specifiek 5,47- BLW Algemeen 4,69- - Specifiek 8,99- LWOO Algemeen 4,44- -
                    Specifiek 12,72Bovenbouw economie GLW Algemeen 5,95- - Specifiek 0,89- BLW
                    Algemeen 5,56- - Specifiek 2,25- LWOO Algemeen 5,85Specifiek 3,06Bovenbouw
                    zorg/welzijn GLW Algemeen 5,33Specifiek 2,10BLW Algemeen 4,71Specifiek 4,22LWOO
                    Algemeen 4,85Specifiek 5,53Bovenbouw landbouw GLW Algemeen 5,94Specifiek 0,78BLW
                    Algemeen 5,37Specifiek 2,34LWOO Algemeen 5,03Specifiek 4,69Praktijkonderwijs
                    Algemeen 4,41Specifiek 7,72</al><al>Legenda:TLW = theoretische leerwegLWOO= leerwegondersteunend onderwijsGLW =
                    gemengde leerwegBLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><al>Onderwijssoort Ruimtetype Vaste voetHoofdvestiging Algemeen 980Nevenvestiging
                    met spreidingsnoodzaak Algemeen 550Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak
                    0VMBO-techniek BLW Specifiek 299VMBO-economie BLW Specifiek 196VMBO-zorg/welzijn
                    BLW Specifiek 168VMBO-landbouw BLW Specifiek 117Praktijkonderwijs Algemeen
                    306</al><al>Legenda:BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><al><vet>3.2 Gymnastiekruimten</vet> De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de
                    ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto
                    vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de
                    voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</al><al>Onderwijssoort Leerweg BVO/leerlingOnderbouw (leerjaar 1 en 2) - 1,66Bovenbouw
                    AVO/VWO - 0,78Bovenbouw theoretische leerweg TLW 1,11- LWOO 1,26Bovenbouw
                    techniek GLW 1,11- BLW 1,38- LWOO 1,57Bovenbouw economie GLW 1,11- BLW 1,38-
                    LWOO 1,57Bovenbouw zorg/welzijn GLW 1,11- BLW 1,38- LWOO 1,57Bovenbouw landbouw
                    GLW 1,11- BLW 1,38- LWOO 1,57Praktijkonderwijs - 1,99</al><al>Legenda:TLW = theoretische leerwegLWOO = leerwegondersteunend onderwijsGLW =
                    gemengde leerwegBLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)DEEL C De
                    bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:- nieuwbouw, dan wel- vervangende nieuwbouwwordt bepaald aan de hand
                    van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting noodzakelijk is. Het bijbehorend
                    aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte wordt bepaald zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.Er is sprake
                    van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:- uitbreiding, dan wel- uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                    gebouw, dan wel- ingebruikneming dan wel- medegebruikwordt bepaald aan de hand
                    van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze
                    bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:- 55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs;- 40 m2
                    bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    basis-onderwijs;</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al><vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in m2
                    bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw
                    of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>1.3 Gymnastiekruimten</vet> De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan
                    wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de
                    realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.2 School voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs</al><al><vet>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><al>- nieuwbouw, dan wel- vervangende nieuwbouwwordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen waarvoor huisvesting noodzakelijk is. </al><al>Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte wordt bepaald zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’.Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de
                    hierboven genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                    bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                    hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                    blijven bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:- uitbreiding, dan wel- uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                    gebouw, dan wel- ingebruikneming dan wel- medegebruikwordt bepaald aan de hand
                    van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze
                    bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage. Het
                    verschil moet tenminste 50 m2 bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al><vet>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten
                    aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door de omvang in m2 bruto-
                    vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of
                    uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van
                    schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in
                    geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>2.3 Gymnastiekruimten</vet> De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan
                    wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering
                    zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.DEEL D Minimumnormen bij realisering
                    van nieuwe voorzieningen</al><al>1 School voor basisonderwijs- minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op
                    het verharde gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;- minimumoppervlakte van een
                    onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs- minimum terreinoppervlakte
                    betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2
                    netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;- een
                    speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;- minimum oppervlakte
                    van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijsMinimum afmetingen, uitgedrukt in netto
                    m2:</al><al>theorielokaal: 42 m2theorievaklokaal: 50 m2vaklokaal natuurkunde: 50 m2vaklokaal
                    biologie: 50 m2vaklokaal scheikunde: 60 m2vaklokaal handvaardigheid: 60
                    m2vaklokaal overig: 80 m2specifiek vaklokaal lassen: 50 m2specifiek vaklokaal
                    meten: 50 m2werkplaats: 115 m2restaurant: 80 m2</al><al>4 Gymnastiekruimten- De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.- De hoogte van de
                    oefenruimte is minimaal 5 m.Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten
                    met een was-/douchegelegenheid.III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw
                    geschiedt voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN
                    2580, met de volgende aantekeningen:- de in- en aangebouwde fietsenstallingen en
                    bergingen die uitsluitend van buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de
                    bruto-vloeroppervlakte gerekend;- de oppervlakte van verbindende ruimten tussen
                    in- of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;- bij
                    scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen
                    gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.- bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als
                    onderwijsruimte of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                    nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte van ten
                    minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;- voor zover een
                    zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken,
                    reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de
                    bruto-vloeroppervlakteIII-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van
                    de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'Deze
                    meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties
                    waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het ministerie van
                    OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:- de oppervlakte van trapgaten,
                    liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau;- de oppervlakte van
                    vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m2.Uitzonderingen:-
                    De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                    ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                    vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken,
                    de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet
                    overdekt) en dergelijke.- Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van
                    een gebouw worden bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.-
                    Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al><al><vet>TOELICHTING Bijlage III</vet></al><al><vet>Deel A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al><vet>S</vet><vet>chool voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>Capaciteit van de gebouwen </vet>De vaststelling van de capaciteit van de
                    gebouwen, ten behoeve van de nulmeting en later, is van belang om aanvragen voor
                    uitbreiding te kunnen beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten
                    behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd
                    in vierkante meters brutovloeroppervlakte. De eerste keer geschiedt dit in de
                    nulmeting.De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                    'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs'. Door de bepaling dat het college in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school kan bepalen dat de
                    capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het
                    mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere
                    gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                    brede schoolfaciliteiten, verhuur aan een kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten,
                    een peuterspeelzaal, een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs een
                    politiepost. Een dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet van de
                    hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het
                    schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen
                    - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun
                    leegstaande lokalen worden ingezet.Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze
                    ondervangen dat de algemene regel 'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt
                    dat het - vaak al geruime tijd optredende - medegebruik wordt beëindigd bij
                    groei van de school (of ingebruikname als gevolg van de grotere ruimtebehoefte
                    door de groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een verlaging van de
                    capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding
                    bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een
                    eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen elders.</al><al><vet>Rangordebepaling</vet> Indien de school beschikt over meerdere gebouwen,
                    een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval
                    dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of
                    en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel
                    voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere
                    dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het college, na
                    overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al><al><vet>Terrein </vet>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de
                    eerste keer geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.InventarisDe hoeveelheid inventaris die is
                    verstrekt is van belang voor het moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd.
                    Ten aanzien van de inventaris is bepaald dat deze op 1 januari 2009 wordt geacht
                    voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren ruimte
                    een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair kan
                    worden toegekend. Als in het verleden voor meer vierkante meters bvo eerste
                    inrichting is toegekend wordt dat vastgelegd.</al><al><vet>Gymnastiekruimten</vet> De vaststelling van de capaciteit van de
                    gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook
                    vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een
                    gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40 klokuren
                    worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de schooltijden
                    van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de
                    gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren
                    gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de
                    capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school
                    bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende
                    de schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het
                    betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of
                    voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><al><vet>Een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al><vet>Capaciteit van de gebouwen</vet> De vaststelling van de capaciteit van de
                    gebouwen is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt bepaald aan de hand van het aantal vierkante
                    meter brutovloeroppervlakte (bvo). De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting.
                    De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                    'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, verhuur aan een
                    kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost van
                    de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering
                    van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan
                    alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al><al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al><al><vet>Rangordebepaling</vet> Indien de school beschikt over meerdere gebouwen,
                    een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval
                    dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of
                    en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen.</al><al>Bijvoorbeeld: kan een kleinere dislocatie structureel voldoende huisvesting
                    bieden en kan door de rangorde aan te passen de grotere dislocatie worden
                    afgestoten? In een dergelijk geval stelt het college, na overleg met het bevoegd
                    gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al><al>TerreinDe terreinoppervlakte in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor
                    de eerste keer geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in
                    de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>Inventaris</vet> De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang
                    voor het moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Ten aanzien van de
                    inventaris is bepaald dat deze op 1-1-2009 wordt geacht voldoende te zijn. Dit
                    impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren ruimte een aanvraag voor eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair kan worden toegekend. Als in
                    het verleden voor meer vierkante meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt
                    dat vastgelegd.</al><al><vet>Gymnastiekruimten </vet>Het is van belang de capaciteit van de
                    gymnastiekruimten vast te stellen vanwege aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal klokuren gebruik van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling
                    van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de
                    gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren.</al><al>Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs kan40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan
                    26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school wordt de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de desbetreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een
                    andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van
                    de gemeente of een accommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte betreft de oppervlakte zoals deze
                    is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte
                    gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op
                    een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw,
                    wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</al><al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al><al><vet>Een school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs
                    wordt bepaald aan de hand van III-2, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van
                    de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.
                    Door de bepaling dat burgemeester en wethouders in overeenstemming met het
                    bevoegd gezag van de school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw of
                    de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige
                    wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke
                    (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan brede
                    schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een studiehuis-ruimte, een uitleenpost van de
                    openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering van
                    de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen
                    in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn
                    immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen
                    zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden ingezet.Met de bepaling wordt
                    op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel 'eigen gebruik voor
                    medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd optredende - medegebruik
                    wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens betekent een verlaging van de
                    capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding
                    bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een
                    eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen elders.</al><al><vet>Terrein</vet> De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                    registratie in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat
                    soms bij het openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het
                    openbaar groen en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een
                    geheel is geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>Inventaris</vet> De toekenning van inventaris is in het voortgezet
                    onderwijs vanaf de invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de
                    toekenning van een voorziening in de huisvesting.Bij de start van de nieuwe
                    systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle scholen voor voortgezet onderwijs
                    zijn voorzien van inventaris.</al><al><vet>Gymnastieklokalen</vet> Het gegeven 'aantal gymnastieklokalen in eigendom'
                    heeft de gemeente nodig om bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren
                    gymnastiek door een VO-instelling te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in
                    de eigen huisvesting kan verzorgen.</al><al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is
                    gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn.
                    Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair
                    of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden.</al><al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd.Ten aanzien van de inventaris van de
                    gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit
                    impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag
                    voor eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair kan worden
                    gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke
                    aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare
                    gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor
                    de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend
                    meubilair worden verstrekt.</al><al><vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>School voor basisonderwijs</vet></al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt bezien
                    hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot
                    de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                    capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante meter
                    brutovloeroppervlakte.Voor de scholen in het basisonderwijs gelden in de nieuwe
                    situatie de volgende waarden: een vaste voet van 200 m2 bvo en een bvo per
                    leerling van 5,03 m2. Daarnaast geldt een toeslag als een school (voldoende)
                    ‘gewichtenleerlingen’ heeft.</al><al>De huisvestingscomponent van gewichtenkinderen wordt toegekend in de vorm van
                    een toeslag bovenop de m2 bvo per leerling die hoort bij reguliere
                    leerlingen.Voor de bepaling van de toeslag worden in de nieuwe situatie de
                    volgende stappen doorlopen:1. De gewichtensom van de school wordt bepaald;2.
                    Deze gewichtensom wordt verminderd met 6,0 % van het totaal aantal ongewogen
                    leerlingen;3. De gewichtensom wordt gemaximeerd op 80 % van het aantal ongewogen
                    leerlingen.</al><al>De toeslag op de ruimtebehoefte bedraagt 1,40 m2 bvo * (gecorrigeerde)
                    gewichtensom. Er wordt geen additionele vaste voet toegekend.</al><al>De aparte normen in de verordening voor het realiseren van een (eerste of
                    tweede) speellokaal in het reguliere basisonderwijs zijn komen te vervallen.
                    Hiermee sluit de verordening (weer) aan op het gewijzigde Bouwbesluit 2003.</al><al>De vierkante meters brutovloeroppervlakte (bvo) zijn echter niet verdwenen. In
                    de waarde van 5,03 m2 bvo per leerling zijn de vierkante meters voor het eerste
                    en tweede speellokaal verwerkt. Op deze manier wordt het schoolbesturen mogelijk
                    gemaakt om de hen ter beschikking staande vierkante meters bvo al dan niet in te
                    zetten als speellokaal.De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor
                    voorzieningen die minder of niet afhankelijk zijn van het leerlingenaantal.
                    Voorbeelden hiervan zijn de staf- en dienstruimten, directieruimte,
                    administratie, teamkamer en spreekkamer. Verder de facilitaire ruimten als
                    reprografie, entree en bergingen.</al><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de
                    desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit.
                    De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt
                    uitgedrukt in vierkante meter brutovloeroppervlakte.</al><al>Bij de normoppervlakte wordt onderscheid gemaakt tussen:- De zwaarte van de
                    handicap(s) van de kinderen (onderwijssoort), tot uitdrukking gekomen in een
                    grotere of kleinere ruimtebehoefte;- Onderscheid oudere en jongere kinderen, tot
                    uitdrukking komend in het verschil tussen SO en VSO.Er is geen één op één
                    verband tussen de oppervlaktenormen voor het (V)SO en de bestaande
                    clusterindeling in clusters 1-4 ten behoeve van de indicatiestelling van de
                    kinderen.</al><al>Per onderwijssoort worden de volgende aantallen vierkante meter bvo per leerling
                    gebruikt:</al><al>schoolsoort SO jong VSO oudsh/esm, visg, lz, zmok, pi 8,7 m2 bvo/lln 12,2 m2
                    bvo/llnzmlk 8,7 m2 bvo/lln 9,2 m2 bvo/llndoven, lg, mg 13,8 m2 bvo/lln 15,5 m2
                    bvo/lln</al><al>Tabel. Leerling-afhankelijke ruimtenormering (V)SO</al><al>Eind 2005 is door het Kabinet een motie aangenomen om de groepsgrootte in het
                    voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (vso-zmlk) te
                    verkleinen van twaalf naar zeven leerlingen.</al><al>Vso-zmlk scholen krijgen vanaf 1 januari 2006 extra formatie van het Rijk om de
                    groepsgrootteverkleining mogelijk te maken. Hiermee kunnen scholen meer
                    personeel in dienst nemen. Daartoe is het Besluit bekostiging WEC aangepast (KB
                    van 9 mei 2006, Stb.2006, 283).</al><al>Schoolbesturen hebben hierdoor meer geld voor personeel gekregen. Gemeenten
                    hebben, na agendering van dit onderwerp door de VNG een (kleine) toevoeging in
                    het gemeentefonds gekregen om die kleinere groepen te huisvesten. Volledige
                    doorvoering in de huisvesting van de groepsgrootteverkleining vergt extra geld.
                    Daarom is voor dit type speciaal onderwijs uitgegaan van de beschikbare middelen
                    en is de groepsgrootteverkleining (noodgedwongen) niet geheel doorgevoerd.De
                    bvo/leerling-norm blijft daarmee afwijkend van de andere normen, zodat hier
                    sprake blijft van een status aparte voor VSO-zmlk.Daarnaast geldt een vaste
                    voet.</al><al>Deze is voor alle onderwijssoorten binnen SO en VSO bepaald op 370 m2 bvo (met
                    uitzondering van VSO-zmlk, waarvoor een vaste voet van 250 m2 geldt). Het gaat
                    hierbij overigens om een vaste voet zonder onderwijsruimten zoals
                    groepslokalen.De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor voorzieningen die
                    minder of niet afhankelijk zijn van het leerlingenaantal en van de specifieke
                    schoolsoort. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en dienstruimten, directieruimte,
                    administratie, teamkamer, spreekkamer, behandelkamers, rustruimten. Verder de
                    facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen.</al><al>De vaste voet voor een school met zowel SO als VSO binnen hetzelfde schooltype
                    is slechts eenmaal van toepassing. Om dezelfde reden is voor een
                    scholengemeenschap met meer schooltypen de vaste voet voor elk afzonderlijk
                    schooltype van toepassing.Evenals in de oude situatie geldt dat de vaste voet
                    alleen voor een hoofdvestiging van toepassing is en niet voor een
                    nevenvestiging.</al><al>Bij de berekeningen voor (V)SO zijn speellokalen niet meegenomen. In de
                    bvo/lln-getallen zijn de extra ruimten (ER) bij de 12e of 13e groep verwerkt
                    door te lineariseren. Indien sprake is van een speellokaal, wordt daarvoor als
                    ruimtebehoefte steeds 90 m2 bvo aangehouden.Voor SO-mg en VSO-mg kunnen bij
                    ministeriële beschikking kleinere n-factoren dan 7 worden vastgesteld. Voor
                    instellingen waarvoor dit van toepassing is, wordt een vaste voet en een omvang
                    bvo/lln berekend op dezelfde wijze als is toegepast voor de andere n-factoren.
                    (Toevoegen bedrag m2).</al><al>Voor het (V)SO-mg met n-factor kleiner dan 7 geldt onderstaande.</al><al>schoolsoort SO jong VSO oud vaste voetmg doven en visg, n=2 56,75 m² bvo/lln
                    57,5 m² bvo/lln 370 m² bvomg doven en zmlk, n=3 56,75 m² bvo/lln 57,5 m² bvo/lln
                    370 m² bvomg visg en een andere handicap, n=3 56,75 m² bvo/lln 57,5 m² bvo/lln
                    370 m² bvo</al><al>Tabel. Leerlingafhankelijke ruimtenormering (V)SO-mg N-factor &amp;lt; 7
                    leerlingen.</al><al><vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand
                    van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal
                    componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds
                    afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de vestiging en het
                    onderwijsaanbod).Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal
                    leerlingen per onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden
                    bepaald.</al><al>Een voorbeeld: Het Lokale Lyceum</al><al>Ruimtesoort Leerweg Ruimtetype BVO/II aantal II BVOonderbouw - Algemene ruimte
                    6,18 100 618avo/vwo - Algemene ruimte 5,85 200 1170totaal - Algemene ruimte 300
                    1788</al><al>Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                    7.1.b.De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en
                    heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste
                    voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het
                    totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2768 m² bruto
                    vloeroppervlakte Algemene Ruimte.Een school komt in aanmerking voor een vaste
                    voet per afdeling als op deze school de beroepsgerichte leerweg voor deze
                    afdeling wordt aangeboden. Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de
                    beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd
                    ten behoeve van het beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de
                    beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden,
                    mag voor die afdeling of sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde
                    leerweg worden aangeboden.Deel C De bepaling van de omvang van de
                    toekenning</al><al><vet>School voor basisonderwijs</vet></al><al>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van (vervangende)
                    nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal vierkante meter zoals
                    vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. In het
                    geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het
                    bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal
                    vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw
                    volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meter bvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik geldt in het primair
                    onderwijs een drempelwaarde van 55 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden
                    is, ontstaat aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen.Voor het
                    speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een drempelwaarde van
                    50 m2 bvo.</al><al>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van (vervangende)
                    nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal vierkante meter bvo zoals
                    vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke voorzieningen. In het
                    geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het
                    bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meter bvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    vierkante meter bvo waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in
                    verhouding tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden
                    van medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden
                    verwezen.Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik van voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen geldt in het primair onderwijs een
                    drempelwaarde van 40 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden is, ontstaat
                    aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen.</al><al>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe
                    omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.De voorziening eerste
                    aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is rechtstreeks gekoppeld aan de
                    toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een vergroting van de totale
                    capaciteit tot gevolg hebben.De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die strikt noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het geven van onderwijs. Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor
                    bekostiging in aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw
                    voor het geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk
                    zijn omdat een gebouw in gebruik wordt genomen. of omdat de capaciteit van het
                    gebouw van een school voor speciaal basisonderwijs moet worden vergroot voor het
                    creëren van een extra speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg
                    van specifieke wet- en regelgeving kunnen eveneens voor bekostiging in
                    aanmerking komen. Als een oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden
                    vervangen door een gasgestookte installatie komen de meerkosten ten opzichte van
                    het vervangen van een gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie
                    voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen
                    betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><al>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal vierkante
                    meter zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.</al><al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen
                    zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen.
                    Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                    gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De omvang van
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal vierkante
                    meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke
                    voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting
                    van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering.</al><al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig
                    is.</al><al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                    de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik
                    aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</al><al><vet>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet> De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt
                    bepaald door de minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in
                    bijlage III, deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang
                    van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.De voorziening eerste
                    aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is rechtstreeks gekoppeld aan de
                    toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een vergroting van de totale
                    capaciteit tot gevolg hebben.</al><al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen.</al><al>De aanpassing kan ook noodzakelijk zijn omdat een dislocatie wordt afgestoten en
                    specifieke voorzieningen die in de dislocatie aanwezig waren in het hoofdgebouw
                    moeten worden gerealiseerd. Ook kan het zijn dat een dislocatie, als gevolg van
                    een stijging van het aantal leerlingen, de status hoofdgebouw krijgt en als
                    gevolg hiervan moet worden aangepast. Indien de school een ander vak opneemt in
                    het schoolwerkplan en het schoolwerkplan wordt als zodanig door de inspectie
                    goedgekeurd, dan kan een noodzakelijke aanpassing van een lokaal tot het
                    desbetreffende vaklokaal worden goedgekeurd. Activiteiten die noodzakelijk zijn
                    als gevolg van specifieke wet- en regelgeving kunnen eveneens voor bekostiging
                    in aanmerking komen. In het geval dat een oliegestookte verwarmingsinstallatie
                    moet worden vervangen door een gasgestookte installatie komen de meerkosten van
                    het vervangen van de oliegestookte installatie ten opzichte van het vervangen
                    van een oliegestookte installatie door een gasgestookte installatie voor
                    bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking
                    hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</al><al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al><al>School voor voortgezet onderwijs</al><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet> De ruimtebehoefte voor
                    een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze bijlage en het
                    bijbehorende gedeelte van de toelichting.In de toekenningscriteria (Bijlage I)
                    is bepaald, dat voor de beoordeling of een instelling voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening in aanmerking komt de beschikbare capaciteit met
                    tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt bezien of de ruimtebehoefte op
                    basis van de leerlingprognose voor langer dan vijftien jaar deze verhoogde
                    capaciteit overschrijdt.Indien zulks het geval is wordt de omvang van de
                    voorziening bepaald door vaststelling van het verschil tussen de werkelijk
                    beschikbare capaciteit (100%) en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel
                    (tabellen 7.1.a en 7.1.b). Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan
                    worden opgesteld.</al><al>Om te bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets
                    moeten plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van
                    onderbezetting. In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet
                    onderwijs moet bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar
                    kunnen worden afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In geval
                    van medegebruik door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden
                    of binnen het lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.Het
                    lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van de
                    leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster
                    redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in
                    verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan
                    het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in
                    de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32
                    uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij
                    voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel
                    ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is in
                    plaats van 26 leerlingen.Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk
                    is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt
                    het aan de hand van de volgende criteria getoetst:- aantal lessen per week komt
                    niet boven de 29 lesuur per week (excl. gym);- het aantal lessen lichamelijke
                    oefening komt niet boven de 3 lesuur per week;- de gemiddelde groepsgrootte is
                    26 leerlingen. Uitzondering vormen het praktijkonderwijs (14 leerlingen en het
                    leerwegondersteunend onderwijs 16 leerlingen);- het normatieve gebruik per week
                    ligt voor algemene ruimten op 32 uur per week. Voor specifieke lokalen en
                    werkplaatsen ligt het normatieve gebruik op 24 uur per week;- gemiddeld past een
                    hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen ruimten voor machinale
                    houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor maximaal 8 leerlingen;- een
                    lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten dan wordt
                    het aantal lessen per week naar rato verhoogd.Voor de bepaling van de omvang van
                    de voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming, medegebruik en
                    verplaatsing van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien
                    procent.</al><al><vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet>Met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het leerlingenaantal, dat
                    voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode langer dan vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald. Vergelijking van deze
                    ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde beschikbare capaciteit geeft
                    als resultaat de omvang van de goedgekeurde tijdelijke voorziening, uitgedrukt
                    in m² bruto vloeroppervlakte.Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze
                    oppervlakte niet naar lokaalsoort toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het
                    niveau bruto m²'s lesruimte per instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1
                    lokaal gehanteerd, dat wil zeggen dat het geconstateerde ruimtetekort minimaal
                    100 m² bruto moet bedragen om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening in aanmerking te komen.Voor de bepaling van de voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming, medegebruik en
                    verplaatsing van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien
                    procent.</al><al>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningenDe voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is
                    rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting,
                    die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage
                    I, paragraaf 3.7).</al><al><vet>Gymnastiekruimten</vet> De bepaling van de omvang van de verschillende
                    voorzieningen in de huisvesting, die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder
                    toepassing van het Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang
                    van toekenningen voor lesgebouwen.Voor de bepaling van het aantal in medegebruik
                    te geven lessen gymnastiek is het lesrooster maatgevend. Het maximale aantal
                    lestijden gymnastiek kan met de in paragraaf 3.4 gegeven formule worden
                    berekend.Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningenDe wet
                    geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te nemen met
                    betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat
                    op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat het Bouwbesluit reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld
                    stelt.Ook de minister van OCenW heeft, door middel van een Algemene maatregel
                    van bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen gesteld. Deze betreffen echter
                    niet de specifieke ruimten, maar het totale gebouw, dan wel alle bij een school
                    in gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het
                    Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Stb. 1997, 125).In
                    aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over de
                    oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten, met
                    name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Financiële normering 2009</label><nr>4</nr><titel/></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>1 Volgorde van hoofdprioriteitenHuisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor
                    hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste
                    lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het
                    overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><al>1. voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op
                    te heffen;</al><al>2. voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c.
                    onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al><al>3. voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
                    verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                    capaciteitsuitbreiding inhouden;</al><al>4. voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                    inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan
                    de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al><al>Ad 1 Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al>Ad 2 Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                    ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3 Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al>Ad 4 Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteitenVervolgens
                    wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere
                    volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.Onder niet-lesruimten vallen:
                    kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.Onder
                    het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen
                    aan het terrein.</al><al>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald
                    op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</al><al>a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                    schoolgebouwen;b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                    schoolgebouwen enc. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                    mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al><al>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</al><al>a. als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige
                    rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                    kwaliteit wordt toegekend;b. vervolgens die voorziening aan een
                    theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                    artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;c.
                    vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                    waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;d. vervolgens die voorziening
                    aan een niet-lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                    artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;e.
                    vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend.</al><al>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij
                    of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover
                    deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het programma
                    in aanmerking:a. als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan
                    de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                    zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;b. vervolgens de
                    voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de wet- en
                    regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                    in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;c. vervolgens de voorziening aan een
                    vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan de wet- en
                    regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                    in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;d. vervolgens de voorziening aan een
                    niet-lesruimte die niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de
                    bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de minste is; ene. vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet
                    voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens
                    het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><al>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van
                    nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om
                    gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor
                    plaatsing op het programma in aanmerking:a. als eerste de voorziening aanpassing
                    als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt
                    waarbij het aantal groepen leerlingen het hoogst is;b. vervolgens de voorziening
                    voor theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het
                    nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;c. vervolgens de voorziening
                    voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage leerlingen
                    waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;d. vervolgens de
                    voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt genomen
                    waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt
                    het hoogst is;e. vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                    omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; enf. vervolgens de
                    activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard, waarbij de
                    ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</al><al><vet>TOELICHTING Bijlage V</vet></al><al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen - alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt het
                    college niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van het college zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.Voor het staande
                    houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de criteria die de
                    volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering daaraan strikt de
                    hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in hoofd- en
                    subprioriteiten is dit mogelijk.</al><al>De zorg voor adequate huisvesting betekent concreet dat het vastgestelde bedrag
                    voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:a. elke groep een dak
                    boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/ nieuwbouw/uitbreiding; blijvend
                    of tijdelijk);b. vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                    constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met bijzondere
                    omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het onderwijs niet in
                    gevaar te brengen, worden vergoed;c. voor alle aanwezige leerlingen eerste
                    aanschaf van onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                    vergoed.</al><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al><al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen.In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt
                    om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd te maken.De gemeente kan één
                    integraal budget vaststellen voor alle drie de onderwijssectoren tezamen. Dit
                    zorgt voor een integrale afweging. Van die systematiek is in de verordening
                    uitgegaan. De gemeente kan ook deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter
                    vóór de beoordeling van de voorzieningen plaats te vinden.</al><al>Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de
                    systematiek van de verordening te geschieden door een wijziging van de
                    urgentiecriteria, en dus door een wijziging van de verordening.De voorzieningen
                    die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden opgenomen als
                    hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog subprioriteiten worden
                    onderscheiden.</al><al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt).</al><al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen.</al><al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                    onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een
                    volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere
                    mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor
                    (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet-lesgebouwen.</al><al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen vallen onder
                    hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het
                    schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er
                    sprake van een voorziening die spoedeisend is. </al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Considerans</vet></al><al>Reikwijdte verordening De verordening behoeft alleen maar bepalingen te bevatten
                    over de onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de gemeente
                    bevinden. Zo kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar basisonderwijs
                    volstaan met een verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit dat deze
                    gemeente - afgezien van de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor het
                    onderscheid naar onderwijssoort niet relevant is - met minder
                    bepalingen/bijlagen kan volstaan dan een gemeente die beschikt over
                    voorzieningen voor zowel basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs als
                    voortgezet onderwijs. Wanneer deze situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een
                    gemeente de verordening alsnog aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook
                    inkorten bij het verdwijnen van een onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit
                    geen probleem te zijn, omdat dergelijke veranderingen in het
                    voorzieningenpatroon zich niet van de ene op andere dag voltrekken. De hiervoor
                    geschetste benadering kan in juridische zin worden gebaseerd op de wettelijke
                    bepaling dat 'de verordening zodanig wordt vastgesteld dat kan worden voldaan
                    aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van de scholen in de
                    gemeente stelt'. Met andere woorden: wanneer er geen scholen voor voortgezet
                    onderwijs (inclusief nevenvestigingen/dislocaties) in de gemeente aanwezig zijn,
                    dan is er ook geen sprake van de (juridische) noodzaak om te voldoen aan de
                    redelijke eisen van de onderwijshuisvesting van de 'niet-aanwezige
                    scholen'.</al><al>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging) verordeningHet wettelijk
                    voorgeschreven 'op overeenstemming gericht' overleg tussen de gemeente en de
                    schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de verordening, is van
                    groot belang met het oog op het streven om een zo breed mogelijk draagvlak voor
                    de verordening te bereiken binnen de onderwijssector. Om dit belang te
                    benadrukken is dit overleg in de considerans aangehaald.</al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet> Een belangrijk in de wet verankerd
                    uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de gemeente overgedragen
                    huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet
                    worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting in de verordening. Het
                    gemeentebestuur past bij de uiteindelijke beslissingen over de huisvesting voor
                    alle schoolbesturen dezelfde normen, criteria etc. toe. Ook in procedurele zin
                    is sprake van een volstrekt gelijke behandeling. Als concreet voorbeeld kan
                    genoemd worden dat de indieningsdatum voor aanvragen en de voorwaarden waaraan
                    deze moeten voldoen voor alle schoolbesturen dezelfde zijn.Om de gelijke
                    behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen om onder de
                    begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager' alle schoolbesturen te
                    vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening in stand houden
                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van de gemeente
                    (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen onderscheid gemaakt
                    tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder onderwijs.De
                    aanduiding ‘‘op het grondgebied van de gemeente’’ is overigens niet bedoeld om
                    scholen uit te sluiten die weliswaar voor een gemeente zijn opgenomen op een
                    plan van scholen, maar nog niet daadwerkelijk op het grondgebied van die
                    gemeente zijn gevestigd. Een dergelijke uitleg zou er toe leiden dat de
                    stichting van nieuwe scholen onmogelijk zou worden.</al><al><vet>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet> De omschreven
                    voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd, maar ook wat er
                    door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen. Voorzieningen die worden
                    gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit artikel kunnen worden
                    gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening. Slechts op deze grond
                    kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in
                    de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het
                    geen voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld
                    artikel 100, eerste lid, onder a WPO).</al><al>Voorbeeld: het buitenschilderwerk van een basisschool wordt volgens de opsomming
                    van de onderhoudsactiviteiten (zie bijlage I, overzicht 'Onderhoud PO') niet
                    gerekend tot de huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2,
                    onder c. Reden hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als
                    voorziening in de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het
                    buitenschilderwerk vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de
                    materiële instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk
                    ontvangt.)De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben
                    daarmee een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot
                    verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot
                    inperking.In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                    huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt
                    onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</al><al>Ad a1. Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2. Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair
                    onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal 55
                    m2 brutovloeroppervlakte.</al><al>3. Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de
                    wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met 'bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan'. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat
                    als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd
                    voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan
                    een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik.</al><al>4. Vanwege de aard van een gebouw is verplaatsing beperkt tot noodlokalen (men
                    kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een
                    permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw).</al><al>5. Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een
                    onderwijsgebouw is geen automatisme, zoals voor de decentralisatie in het
                    primair onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog
                    maar plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de
                    huisvestingsvoorziening.</al><al>6/7 De handelwijze om bij fusies uit te gaan van de inbreng van het bestaande
                    meubilair en onderwijsleerpakket in de gefuseerde school betekent een
                    verscherping ten opzichte van het huidige toekenningsbeleid, maar is in het
                    kader van het bereiken van efficiency en het leveren van maatwerk op lokaal
                    niveau te rechtvaardigen. De afwijkende terminologie voor het voortgezet
                    onderwijs (leer- en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</al><al>7. Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik
                    zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het
                    gebruik van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is van een school
                    (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke accommodatie). De genoemde
                    schoolsoorten in het (v)so betreffen de volgende. Voor een bad voor
                    bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                    voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen.</al><al>Ad b en c In bijlage I van de verordening is ter verduidelijking het overzicht,
                    dat ook onderdeel vormt van de toelichting op de wet, overgenomen. In dit
                    overzicht is aangegeven welke onderhoudsactiviteiten voor het primair onderwijs
                    (overzicht I-1) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen worden
                    gebracht. Daarnaast is in bijlage I verder de concrete inhoud van de begrippen
                    aanpassing en onderhoud aangegeven.</al><al>Ad d Voor het begrip constructiefouten is een 'definitie' geformuleerd,
                    gebaseerd op hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een
                    directe belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op
                    grond van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het
                    herstel van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen
                    van plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende
                    procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de
                    financiële weigeringsgrond van toepassing.</al><al>Ad e De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening
                    niet nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend
                    laten beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                    huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel
                    van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).De aanduiding in de wet dat herstel en
                    vervanging in verband met schade aan een gebouw geldt als een
                    huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van deze voorziening dient
                    te verlopen via de reguliere procedure van het programma of via de
                    spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn voor de
                    afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                    spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld
                    glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</al><al>Ad f Aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs kan onder bepaalde
                    voorwaarden een vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein
                    voor buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht weken.</al><al><vet>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</vet> De wet biedt de
                    gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en vergoeding van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom verzoekt een
                    vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de voorbereiding (van de
                    aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een facultatieve bepaling.
                    Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht daadwerkelijk deze
                    mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van 'kenbaar bestuur', waaronder het vooraf
                    geven van duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is ervoor gekozen om in
                    de verordening een bepaling op te nemen waarmee de lokale overheid aangeeft of,
                    en zo ja ten aanzien van welke soort van huisvestings-voorzieningen, de gemeente
                    de mogelijkheid van een bouwvoorbereidingskrediet opent.</al><al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat
                    een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar
                    aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht
                    aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze
                    voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten het meeste
                    geld, in het kader van de bouwplanontwikkeling.</al><al>In hoofdstuk 4 van de verordening wordt de aanvraag- en besluitvormingsprocedure
                    voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een - ook in
                    tijd bezien - gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een
                    huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een gescheiden
                    traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin van
                    de wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van
                    het huisvestingsprogramma kan zijn.</al><al><vet>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</vet> Dit artikel vormt de
                    'kapstok' op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld voor de door de
                    gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte huisvestingsvoorzieningen in
                    het kader van de programmavaststelling, de spoedprocedure, de bouwvoorbereiding
                    of het overgangsrecht. Ten aanzien van de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden
                    voorzieningen wordt hier de grondslag van de vergoeding gelegd. Hierbij zijn
                    twee benaderingen denkbaar: een normatieve en een feitelijke bepaling van de
                    kosten die vergoed worden. Ook hier is uit oogpunt van 'kenbaar bestuur' ervoor
                    gekozen om voorafgaande aan de indiening van en besluitvorming over aanvragen,
                    duidelijk per voorziening aan te geven welke benadering ten aanzien van de
                    vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de verordening dient per voorziening
                    de afweging te worden gemaakt welke benadering van toepassing is. Deze afweging
                    dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien van de voorzieningen in de
                    huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding. Dit
                    vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en uit artikel 25, derde lid,
                    onder h van de verordening. Bij de te maken afweging ligt het voor de hand om in
                    ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf te normeren kosten van bepaalde
                    voorzieningen te kiezen voor een vergoedingswijze die gebaseerd is op een
                    individuele beoordeling van de feitelijke kosten (de zgn. offertelijn).</al><al>Uitgaande van de voorzieningen waarvoor in bijlage IV, deel A, van de
                    verordening gezien de aard van de voorziening geen normvergoeding is bepaald, is
                    de offertelijn in ieder geval goed denkbaar bij de volgende voorzieningen:-
                    verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen;- herstel van
                    constructiefouten;- herstel en vervanging in verband met schade;- aanpassingen
                    aan gebouwen;- gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;-
                    aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                    huisvestingsvoorziening;- huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen-
                    kosten van bouwvoorbereiding;- medegebruik of nieuwbouw van een bad voor
                    watergewenning of bewegingstherapie in het (v)so.</al><al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze worden
                    gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de potentiële
                    aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing is op een
                    voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn).Het onderbrengen van een
                    van de hiervoor genoemde voorzieningen in een genormeerde benadering brengt met
                    zich mee dat daarvoor door de gemeente in bijlage IV, deel A, een genormeerde
                    vergoeding moet worden vastgesteld.Anders dan bij de vooraf genormeerde
                    vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een door de aanvrager bij de
                    aanvraag van de gewenste huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de
                    kosten. De gemeente toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag
                    van de al dan niet bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van
                    de vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele
                    uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma,
                    kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet in een
                    definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt
                    van de aanvrager.</al><al><vet>Artikel 5 Informatieverstrekking</vet> Dit artikel is de concrete
                    uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze bepaalt dat een bevoegd
                    gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te verschaffen die de gemeente
                    noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van de bevoegdheden terzake van
                    de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 112 WPO).In artikel 5 staat
                    beschreven hoe en welke informatie door het schoolbestuur aan het college moet
                    worden verstrekt. Er is voor gekozen om dit artikel een algemene invulling te
                    geven: afhankelijk van het moment en de situatie kan het college het
                    schoolbestuur verzoeken de benodigde informatie te verstrekken.</al><al>Het informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere
                    terughoudendheid bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken
                    informatie ook een aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke
                    zorg voor de huisvesting. Het opvragen van informatie waarbij een dergelijke
                    functie niet kan worden aangetoond, dient achterwege te blijven omdat het anders
                    onnodige administratieve lasten veroorzaakt .</al><al><vet>Artikel 6 Indiening aanvraag</vet> (Indienings)termijnenIn de algemene
                    toelichting op de verordening is in paragraaf 1.5.3 de procedure (koppeling aan
                    gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad) uitgebreid
                    beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen, dat de
                    gemeente voldoende voorbereidingstijd heeft om te komen tot een zorgvuldige
                    vaststelling van het programma. Dit sluit niet uit dat naar gelang de lokale
                    situatie (zoals de omvang van de gebouwenvoorraad en de hiermee samenhangende
                    omvang van het te verwachten aantal aanvragen, de mogelijke aanwezigheid van een
                    meerjarige planning en hieraan gekoppelde afspraken over de huisvesting en de
                    inrichting van de eigen organisatie) de voorbereidingstijd wordt bekort en dus
                    van een later tijdstip van indiening wordt uitgegaan (1 maart of 1 april). Een
                    verlenging van deze periode door het vervroegen van de indieningsdatum ligt
                    minder voor de hand. Het tijdstip tussen indiening van de aanvraag en de
                    beslissing daarop wordt dan aan de lange kant.In de verordening is een sanctie
                    verbonden aan een te late indiening van de aanvraag: deze aanvraag neemt het
                    college niet in behandeling. Het buiten behandeling laten van de aanvraag
                    betekent dat het college de aanvraag niet verder betrekt bij de voorbereiding
                    van het programma en het overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke
                    voorstel daarover aan de raad.</al><al>In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor
                    het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze
                    mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van
                    indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie
                    die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij
                    de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: 'Het overzicht
                    [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de
                    gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van
                    door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen
                    worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg
                    zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet
                    toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen
                    huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is.
                    De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is
                    informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in
                    een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als
                    huisvestingsplan.' (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).Geconstateerd kan worden dat de
                    wetgever geen kaders heeft willen stellen of instrumenten in de wet heeft
                    opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan 'dwingen' om ten aanzien van
                    de huisvesting te handelen in het licht van een meerjarig perspectief. Met dit
                    laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake is van een voortschrijdende
                    meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen, waarbij een koppeling is
                    gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting.</al><al>Zo'n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:- een inventarisatie van de
                    wensen ten aanzien de huisvesting (op basis van prognoses; woningbouwplanning;
                    verschuiving in leerlingstromen en voedingsgebieden; meerjarige
                    onderhoudsplannen e.d.);- een aangebrachte prioritering in de wensen, tot
                    uitdrukking komend in het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke
                    bekostiging;- een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                    meerjarenbegroting.</al><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een
                    dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de
                    vorm van 'integrale huisvestingsplannen' en plannen voor het meerjarig
                    onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:- het een efficiënte aanwending van de
                    gebouwenvoorraad bevordert (saneren van zowel voor gemeente als schoolbesturen
                    kostbare leegstand; capaciteit creëren of in stand houden op die locaties waar
                    de behoefte aanwezig is);- gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven
                    over de richting van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene
                    omstandigheden vormt het programma het (jaarlijkse) formele sluitstuk van de
                    bekostiging van voorzieningen die op zich reeds enige tijd werden voorzien en
                    waarmee rekening was gehouden.</al><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                    afgedwongen.Er is van af gezien om in de verordening (facultatieve) bepalingen
                    op te nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt
                    overeengekomen. Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming
                    weet te bereiken over een dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de
                    effectuering in het kader van de vaststelling van het programma, men ook zelf
                    invulling geeft aan de vormgeving van deze afspraken. Gezien het tweezijdige
                    karakter van deze afspraken is het opnemen van bepalingen in de verordening
                    daarvoor niet de aangewezen weg. Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de
                    rechtskracht van dergelijke bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen
                    af wil van de op vrijwillige basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op
                    de formele wettelijke kaders.Zoals gezegd bieden de onderwijswetten wel een
                    aangrijpingspunt om de verordening (op onderdelen) te passeren. Daarbij gaat het
                    om het zogenoemde doordecentralisatieartikel. Dat maakt het voor gemeente en
                    schoolbestuur mogelijk om, op basis van meerjarenbeleid, afspraken te maken die
                    ook wettelijk bindend zijn.</al><al>AanvraagformulierZeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde wijze van
                    indiening van aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge
                    vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn wanneer
                    men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.</al><al><vet>Artikel 7 Inhoud aanvraag</vet>; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                    behandelen onvolledige aanvraagLid 1Dit lid bevat een opsomming van enkele
                    basisgegevens die bij elke aanvraag moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt
                    met een aanvraagformulier, worden deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens
                    standaard opgenomen.</al><al>Lid 2In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                    afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden
                    overgelegd.</al><al>Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde
                    voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn enkele uitzonderingen van
                    toepassing. Het betreft de aanvragen 'sec' voor de eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is om de
                    capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor herstel
                    van constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere omstandigheden en
                    aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in bepaalde situaties de
                    prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld
                    worden aan de aanvraag voor vervanging van de dakbedekking van een (getalsmatig)
                    gezonde, levensvatbare basisschool. Overwogen kan worden hiervoor een
                    aanvullende bepaling op te nemen in de verordening waarbij het college de
                    mogelijkheid hebben om op verzoek van het schoolbestuur de prognose-eis te laten
                    vallen, indien de aard van de gevraagde voorziening daartoe aanleiding geeft.
                    Aan de andere kant is het ook denkbaar dat de gemeente in de verordening wel een
                    prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan nu is uitgezonderd.
                    Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand schoolgebouw
                    (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband met schade). Een
                    prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk is de school in haar
                    oorspronkelijke omvang te herbouwen.</al><al>Overigens is het ook mogelijk de prognose-eis in zijn geheel te schrappen uit
                    het model, wanneer op lokaal niveau overeenstemming bestaat over de toepassing
                    en het resultaat (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een
                    prognosemethodiek. Eén instantie, bijvoorbeeld het onderdeel van het
                    gemeentelijk apparaat dat belast is met bevolkingsprognoses, is dan belast met
                    de operationalisering van de methodiek.</al><al>Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                    aanvullend gegeven.Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is
                    om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het
                    gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. De bouwkundige
                    rapportage dient een tweeledig doel:a. vaststelling van de noodzaak voor dat
                    onderhoud;b. vaststelling van de mate van urgentie.</al><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het
                    door het college vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'. Bij de opzet
                    van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de Rijksgebouwendienst
                    ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals deze voor de
                    decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs werd
                    toegepast.</al><al>Lid 3-4 Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling
                    gegeven aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om
                    aanvullend gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen
                    mogelijkheid om als bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten
                    behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en
                    bescheiden.De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht
                    moet nemen. In de verordening is er voor gekozen om de concrete uitwerking van
                    de Awb in de verordening op te nemen, door de duur van termijnen die het college
                    kan hanteren in de verordening is vastgelegd.</al><al>De bevoegdheid die het college wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te
                    behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder
                    stadium kunnen worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van
                    de vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige
                    aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te
                    houden.</al><al>Géén hardheidsclausuleIn de verordening is er van afgezien hier een
                    hardheidsclausule op te nemen, die het mogelijk maakt om in geval van overmacht
                    aan de zijde van de aanvrager af te wijken van de termijnen. Een gemeente kan
                    zelf de afweging maken of men een dergelijke clausule, die een zekere mate van
                    vrijheid toestaat bij het afwijken van de algemene regels, wenselijk vindt. Het
                    gevaar van een hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op wordt
                    gedaan. De behandeling vergroot de uitvoeringslast van het bestuursorgaan en
                    bekort bij toewijzing de beschikbare tijd voor de (voorbereiding van de)
                    besluitvorming. Daarnaast lijkt een hardheidsclausule te veel van het goede
                    tegen de achtergrond van de mogelijkheid om in klemmende situaties een aanvraag
                    met een spoedeisend karakter in te dienen.</al><al>Lid 4 In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                    wettelijke teldatum van 1 oktober 'onverwijld' door te geven aan de gemeente.
                    Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                    huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                    noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen
                    van de voorziening op het programma.In concreto betreft het hier aanvragen voor
                    tijdelijke voorzieningen in de huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de
                    programmavaststelling.</al><al>Zo zal bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                    schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                    samenhangende 'ruimtebeslag' op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak
                    van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de
                    teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door het
                    college, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij
                    andere in de verordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het werken
                    met een fatale termijn.Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat
                    achteraf wordt geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste
                    voorziening wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat
                    van de leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde
                    lid). Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker
                    wanneer de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                    programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                    gehouden met deze mogelijkheid.</al><al><vet>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</vet> Dit artikel is een direct
                    uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in procedureel opzicht het
                    openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen. De opgave van de
                    ingediende aanvragen geeft alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
                    aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er
                    kunnen daarmee niet naderhand nog aanvragen worden toegevoegd.Bij het
                    vooroverleg over de vaststelling van de verordening kan met de schoolbesturen
                    worden afgesproken om deze informatieverstrekking per onderwijssector (primair,
                    speciaal en voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal een bestuur voor voortgezet
                    onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke huisvestingswensen er precies
                    leven in het primair onderwijs.</al><al><vet>Artikel 9 Toelichting aanvraag</vet>; overleg over ingediende begroting Lid
                    1Deze bepaling is met name opgenomen om de tijdsbesteding voor de behandeling
                    van de aanvragen te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief verloop
                    van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.Lid 2Ten
                    aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge
                    artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten
                    zal in eerste instantie worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling
                    in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college
                    indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde
                    begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de
                    begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft.Uiteindelijk bepaalt het
                    college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al dan niet bijgesteld,
                    wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het gemeentelijk
                    huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende programma.</al><al><vet>Artikel 10 Overleg programma en overzicht</vet>; advies Onderwijsraad Lid
                    1-4 De wet schrijft voor dat de gemeente slechts na overleg met het
                    onderwijsveld overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma. Met
                    deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld.Het overleg bevat
                    tevens de hoorplicht van de aanvragers, in de zin van de Awb. De aanvrager
                    bepaalt hoe hij gehoord wil worden, daarom moet gelegenheid worden gegeven om de
                    standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het
                    overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die aan het overleg
                    deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar
                    eventueel op kunnen reageren.</al><al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg, dat voorafgaat aan de
                    vaststelling van de verordening, na te gaan hoe dit overleg praktisch het best
                    kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die
                    beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector
                    in te richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden
                    vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed
                    wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid.</al><al>Lid 5-9De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een
                    bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen
                    beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De
                    Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt
                    tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de
                    Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is
                    geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6,
                    tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel
                    3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma vaststellen indien de
                    Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt.</al><al>Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het
                    uitbrengen van advies. Wanneer de raad afwijkt van het advies van de
                    Onderwijsraad worden ingevolge artikel 3:50 Awb de redenen daarvan vermeld in de
                    motivering.</al><al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                    Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de
                    vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de
                    vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de
                    procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de
                    Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening
                    (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting van de VNG-verordening
                    procedure overleg huisvesting).</al><al>Volgens de wet is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma
                    kan besluiten ’uit eigen beweging’ een verzoek om advies in te dienen bij de
                    Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad dit
                    aan burgemeester en wethouders. Dit sluit ook aan op de (voor de hand liggende)
                    keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te laten aan
                    burgemeester en wethouders.</al><al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat
                    is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                    uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de
                    Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan
                    geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen
                    schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al><al>Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de
                    Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting gebracht dat de raad
                    - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit overdraagt aan het college.Het is
                    van belang dat het door het college ingediende verzoek om advies goed
                    gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn
                    voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het
                    standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment
                    waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de
                    advisering.</al><al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                    gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                    vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                    gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad
                    wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4
                    verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de
                    indiening van het advies over te gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals
                    hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle
                    relevante stukken.</al><al><vet>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</vet> Lid 1 Het vaststellen van de
                    begroting is een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. De enkele
                    vaststelling van het voor bekostiging beschikbare budget in het kader van de
                    begrotingsbehandeling is niet aan te merken als een besluit, bedoeld in de
                    Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar openstaat.Het vaststellen van het
                    programma, het overzicht en een eventueel budgetplafond is een bevoegdheid van
                    het college. het besluit een bekostigingsplafond in te stellen is aan te merken
                    is als een besluit van algemene strekking, niet zijnde een wettelijk
                    voorschrift. Tegen zo’n beslissing kan wel bezwaar en beroep worden gemaakt.Hoe
                    de twee verantwoordelijkheden (of eigenlijk de resultaten ervan) worden
                    ‘gekoppeld’, is een intern gemeentelijke (organisatorische) zaak die niet hoeft
                    te worden vastgelegd in een verordening.Het ligt voor de hand dat het college de
                    voor uitvoering van een programma benodigde gelden of een bekostigingsplafond
                    voor een van de onderdelen van dat programma laat vallen binnen het budget dat
                    de gemeenteraad daarvoor beschikbaar heeft gesteld.Als vooraf duidelijk is dat
                    de aanvragen blijven binnen het door de raad begrote bedrag, kunnen programma en
                    –overzicht eerder worden vastgesteld en weten alle partijen eerder waar ze aan
                    toe zijn.Verder wordt hier de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke
                    bedragen vast te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht
                    worden aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen om bepaalde
                    onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                    integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens
                    kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van
                    middelen voor de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van
                    schoolgebouwen, die op lokaal niveau is overeengekomen.Het afsplitsen van een
                    bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen kan een belangrijk
                    instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                    van haar zorgplicht voor een adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit
                    instrument effectief te kunnen inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande
                    aan het moment van de indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle
                    schoolbesturen duidelijkheid te bieden. Dit kan door bijvoorbeeld in de
                    meerjarenbegroting voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget op
                    te nemen en daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde
                    van de vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient in
                    combinatie met de volgorde van de hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in
                    bijlage V te worden bezien.</al><al>Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde
                    nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden
                    aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de
                    volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste
                    intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de
                    beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria
                    moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.Het is evident dat eventuele
                    accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het verlengde dienen te liggen
                    van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate huisvesting. Dergelijke
                    accenten mogen met andere woorden de reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals
                    uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk maken. Voorts zullen de
                    beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot een
                    bijstelling van de prioriteiten altijd in en na overleg met de schoolbesturen
                    moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen wijziging in de
                    urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging van de verordening,
                    waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet gaan met de
                    schoolbesturen.</al><al>Lid 2Uitgangspunt van de verordening is de koppeling aan de begrotingscyclus.
                    Dat leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het programma en het
                    daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter bescherming van de
                    aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar gesteld.Het
                    spreekt voor zich dat het college geen programma hoeft vast te stellen, indien
                    geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend. Dit
                    is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 97 WPO). Hetzelfde geldt
                    voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van een overzicht
                    achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op het programma
                    of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend - en er dus ook geen kunnen worden
                    afgewezen.</al><al><vet>Artikel 12 Inhoud programma</vet> Lid 1 In dit lid, dat een belangrijk
                    onderdeel van de verordening betreft, namelijk de inhoud van het
                    huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot uitdrukking dat het
                    college het programma vaststelt als resultante van de toetsing aan de in de wet
                    limitatief omschreven weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 95, derde lid
                    WPO). Een deel van deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun feitelijke
                    toepassing geoperationaliseerd via de nadere regels die het college stelt op de
                    onderdelen, genoemd in de tweede volzin.Zo zijn de 'beoordelingscriteria' een
                    nadere invulling van de toets of de aangevraagde voorziening noodzakelijk is en
                    of de aanvraag een voorziening betreft als genoemd in artikel 2 van de
                    verordening.De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke
                    weigeringsgrond 'dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond
                    van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...'De regels over
                    de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten aanzien van de
                    weigeringsgrond '... dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op
                    grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover de school reeds
                    beschikt'.De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                    verordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen. Artikel
                    12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval is, de
                    kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de
                    bijlagen.De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in
                    tegenstelling tot de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                    programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen
                    pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar
                    is.</al><al>Lid 2Het college en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen
                    op het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie (bijlage
                    V) daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover
                    consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het
                    conceptprogramma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de verordening), kan
                    het college aan de raad verzoeken om af te mogen wijken van de criteria zoals
                    geformuleerd in bijlage V.Hoewel het bestuurlijk overleg over het
                    conceptprogramma geen 'op overeenstemming gericht overleg' betreft, is de
                    praktijk binnen veel gemeenten dat het overleg wel als zodanig wordt gevoerd en
                    beleefd. Er is van afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen over een
                    alternatieve urgentievolgorde. Beoogd wordt te komen tot een gezamenlijk
                    gedragen voorstel. Finale besluitvorming over de daadwerkelijke urgentievolgorde
                    vindt niet plaats tijdens het overleg. Uiteindelijk beslist de raad of hij wel
                    of niet wenst af te wijken van de systematiek en criteria van bijlage V.</al><al>Lid 3 De zinsnede 'voor zover van toepassing' kan ook op de vergoeding
                    betrekking hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is
                    om een bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik
                    in een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven
                    plaats te vinden.Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het
                    programma, kan daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging
                    in aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond
                    ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een
                    hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie.Wanneer de
                    vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op normatieve wijze
                    is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de opneming op het
                    programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te worden
                    gerealiseerd.Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk
                    vergoeding gebaseerd is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van
                    welke raming is uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden
                    gehanteerd bij de vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand
                    van door de aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen
                    offertes.</al><al><vet>Artikel 13 Inhoud overzicht</vet> Lid 1 Een verwijzing naar artikel 12,
                    eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van de daar genoemde criteria
                    blijkt of een aangevraagde voorziening op het programma dan wel op het overzicht
                    terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen die geen voorzieningen zijn in de
                    zin van artikel 2 van de verordening komen op het overzicht te staan.</al><al>Lid 2Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al><al><vet>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                        overzicht</vet> Lid 1 Volgens de toelichting op de wet moeten het programma
                    en het overzicht worden opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze
                    beschikkingen moeten uiteraard ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De
                    termijn van twee weken is gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na
                    vaststelling van het programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met het
                    college. Ingevolge artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling
                    toe doen aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren
                    hebben gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande
                    aan de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan
                    alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het
                    betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft
                    gebracht.</al><al>Lid 2 De wet bepaalt alleen iets over de terinzage legging van het overzicht.
                    Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand
                    het totaal ter inzage te leggen.</al><al><vet>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</vet> Lid 1 Dit artikel geeft een
                    nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over de wijze van
                    uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de aanvrager en het college een
                    aantal praktische afspraken maken over aspecten die samenhangen met de
                    realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke afspraken kunnen
                    onduidelijkheden en mis-verstanden in het verdere uitvoeringstraject worden
                    voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt duidelijk moeten zijn wie als
                    bouwheer optreedt. De wet (artikel 103 WPO, artikel 101 WEC en artikel 76n WVO)
                    gaat er weliswaar vanuit dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, maar biedt
                    de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en het college overeenkomen dat de
                    gemeente de voorziening tot stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan
                    niet gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.De termijn van vier weken
                    waarbinnen het college met het betrokken schoolbestuur in overleg treedt over de
                    uitvoering vloeit direct voort uit de wetgeving (artikel 95, lid 8 WPO; artikel
                    93, lid 8 WEC en artikelen 76, lid 8 WVO).De passage 'voor zover van toepassing'
                    is opgenomen om niet alle voorkomende varianten op het bouwheerschap en de
                    eigendomssituatie te hoeven beschrijven. Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar
                    dat geen nadere afspraken behoeven te worden gemaakt over het tijdstip van
                    indiening van het bouwplan en de desbetreffende begroting, eenvoudigweg omdat
                    het college in het kader van artikel 16, vierde lid heeft besloten dat dit
                    achterwege kan blijven. Hetzelfde kan gelden voor de uitvoering van de toets of
                    zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. In het kader van de controle en
                    het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen kunnen nadere
                    afspraken worden gemaakt over de wijze en momenten waarop het college
                    geïnformeerd wordt over de voortgang van de uitvoering van de voorziening,
                    alsmede over de wijze waarop de finale verantwoording wordt afgelegd. Daarbij
                    kan - zeker bij omvangrijke projecten - ook aan de orde zijn dat dit gepaard
                    gaat met een accountantsverklaring.</al><al>Lid 2Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op
                    de feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit
                    het bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke
                    wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht
                    krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook
                    toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager,
                    voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het
                    bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de
                    aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer het college heeft ingestemd
                    met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van het college
                    eveneens gezien de aard van de voorziening niet vereist is (zie ook artikel 16,
                    lid 4).</al><al>Lid 3Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de
                    afspraken over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd
                    en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn
                    instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                    overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet
                    instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                    plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet
                    eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt dit ook
                    schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</al><al>Lid 4Hierin is bepaald dat het college de aanvrager uitsluitsel geeft wanneer de
                    bekostiging start, binnen vier weken nadat het overleg tot overeenstemming heeft
                    geleid, in geval in het overleg is medegedeeld dat de indiening van een bouwplan
                    en begroting achterwege kan blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke
                    voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel
                    16, vierde lid). Het zal daarbij in de regel voorzieningen betreffen waarvoor in
                    een eerder stadium al een offerte is overgelegd, die weinig of geen
                    voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
                    vervanging van de dakbedekking van een basisschool (onderdeel van de
                    huisvestingsvoorziening onderhoud).</al><al>Lid 5Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt dat het
                    overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in
                    overeenstemming tussen aanvrager en het college, dan is het college als
                    bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het
                    schoolbestuur. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om niet in
                    te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze mededeling is een
                    besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid
                    van bezwaar en beroep openstaat.</al><al><vet>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting</vet>; tijdstip aanvang
                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                    omstandigheden; overlegging offertesDit artikel is voor een belangrijk deel een
                    nadere uitwerking van de wettelijke bepaling, waarbij een schoolbestuur dat
                    aanspraak heeft op een vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van
                    de voorziening als bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende
                    begroting ter goedkeuring moet indienen bij het college (zie bijvoorbeeld
                    artikel 103 WPO). Tevens geeft de aanvrager daarbij aan op welk moment de
                    bekostiging een aanvang dient te nemen.</al><al>Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van het
                    uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de
                    gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid
                    uiteraard niet van toepassing.</al><al>De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer het
                    een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde
                    benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal
                    getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet
                    overschrijden.Met het oog op een goede voortgang van de uitvoering en de
                    duidelijkheid richting aanvrager is in het tweede lid voorzien in een fatale
                    termijn (maximaal beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de gemeente het
                    bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring van het
                    bouwplan en begroting stelt het college ook het tijdstip vast waarop de
                    bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de
                    wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen (zie bijvoorbeeld
                    artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer de fatale termijn door het college wordt
                    overschreden dan wordt het bouwplan en de begroting geacht te zijn goedgekeurd
                    en dient de bekostiging aan te vangen op het tijdstip zoals door de aanvrager is
                    aangegeven.Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de
                    uitvoering van het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na
                    vaststelling van het programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het
                    rechtvaardigen om de aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een
                    nadere invulling van wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel
                    101 WPO in samenhang met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig
                    gekozen dat door de aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals
                    bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht.</al><al>De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen
                    waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten
                    bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een
                    begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij
                    de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om
                    te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij
                    de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd,
                    nemen de offertes de rol over van de begroting.</al><al><vet>Artikel 17 Aanvang bekostiging</vet> Dit artikel is de uitwerking van de
                    wettelijke opdracht zoals neergelegd in bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid
                    WPO. Er is gekozen voor een globale regeling waarin ruimte is voor variatie
                    naargelang de concrete omstandigheden. Door de bepaling op te nemen dat de
                    aanvrager altijd aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen, is de
                    bescherming van de aanvrager gewaarborgd.</al><al><vet>Artikel 18 Vervallen aanspraak op vergoeding </vet>Lid 1 De data van 1 en
                    15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling van de volgende
                    gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten of een toegekende
                    voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald moet worden. De
                    bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen twee weken
                    berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke bepaling op te
                    nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de aanvrager kan
                    ondernemen. De term 'door de aanvrager' is opgenomen om duidelijk te maken dat,
                    indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, er
                    geen sprake is van het vervallen van het recht op een vergoeding. De aanvrager
                    heeft dan immers recht op een voorziening.</al><al>Lid 2Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden.</al><al>Lid 3De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van
                    het verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te
                    geven.</al><al><vet>Artikelen 19-24 Spoedprocedure </vet>In dit hoofdstuk van de verordening
                    zijn nadere regels opgenomen over de indiening en beoordeling van aanvragen met
                    een spoedeisend karakter. Deze aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt
                    voor het programma en zijn daarom niet gebonden aan een bepaalde
                    indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus het gehele jaar door worden ingediend.
                    Het zou een misvatting zijn op grond hiervan te veronderstellen dat de
                    spoedprocedure als een soort 'ontsnappingsroute' kan worden gebruikt. Een
                    ontsnappingsroute die zou kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag
                    verzuimd tijdig - op grond van artikel 6 van de verordening - een aanvraag in te
                    dienen voor het programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is
                    geplaatst wegens toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste
                    geval kan een bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te
                    dienen via de spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze
                    procedure niet kan worden gehanteerd door de gemeente.</al><al>Een andere optie is dat een bevoegd gezag op 'twee paarden wedt', namelijk: voor
                    dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én
                    een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.Al deze procedurele
                    opties lopen echter bij toepassing van de verordening spaak, omdat het
                    uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Er moet onomstotelijk blijken
                    dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een daadwerkelijke
                    calamiteit in een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever
                    zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden,
                    omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het meest voor
                    de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een schoolgebouw,
                    waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet
                    doorgaan.Toepassing van de verordening leidt er toe dat het moment tussen
                    indiening van een reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het
                    programma, aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de
                    aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze
                    kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de
                    toepassing van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en
                    op het moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de
                    noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het
                    onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen
                    die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend
                    zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de
                    toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal
                    zijn.In de bepalingen over de procedure rondom aanvragen met een spoedeisend
                    karakter wordt aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). Dit komt erop neer dat een aanvraag bij het college van burgemeester en
                    wethouders kan worden ingediend (artikel 19) en dat zij binnen een redelijke
                    termijn (artikel 4:13 Awb) een beschikking dient af te geven. Indien een
                    beschikking niet binnen een redelijke termijn kan worden gegeven, stelt het
                    college de aanvrager daarvan in kennis en wordt een redelijke termijn genoemd
                    waarbinnen hij de beschikking wel tegemoet kan zien (art. 4:14 Awb).</al><al><vet>Artikel 19 Indiening aanvraag</vet> Het college is verantwoordelijk voor de
                    ontvangst, beoordeling, besluitvorming en uitvoering van een aanvraag met een
                    spoedeisend karakter. Artikel 4:4 van de Awb bepaalt dat het orgaan dat
                    beslissingsbevoegd is een formulier kan vaststellen. Deze taak ligt derhalve
                    eveneens bij het college.</al><al><vet>Artikel 20 Inhoud aanvraag </vet>Lid 1 In aanvulling op de basisgegevens
                    die moeten worden overgelegd als het om een reguliere aanvraag zou gaan, dient
                    in de aanvraag ook duidelijk het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor
                    het onderwijsproces geen voortgang kan vinden) te worden toegelicht.Evenals bij
                    een aanvraag voor het programma het geval is, kan ook bij de aanvragen voor
                    spoedeisende voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien van welke
                    gewenste voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet vereist is.
                    Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a van de
                    verordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                    vanzelfsprekend.</al><al>Lid 2 De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort
                    gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het gaat om het treffen van een
                    voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de school,
                    is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</al><al><vet>Artikel 21 Tijdstip beslissingen</vet> De procedure sluit aan op de
                    bepalingen in artikel 4:13 en 4:14 van de Awb. In beginsel beslist het college
                    binnen vier weken op een aanvraag. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om op
                    een later tijdstip te beslissen indien het niet mogelijk is binnen vier weken te
                    beslissen. Het college dient de aanvrager hiervan op de hoogte te stellen en
                    daarbij een redelijke termijn te noemen waarbinnen wel een beschikking tegemoet
                    kan worden gezien.</al><al><vet>Artikel 22 – 24 Inhoud en uitvoering beschikking</vet>; vervallen aanspraak
                    vergoeding Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van
                    aanvragen met een spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen,
                    de lijn gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van
                    programma en overzicht.Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet
                    opgenomen weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de
                    toetsingscriteria worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de
                    verordening. Extra dimensie die ten opzichte van de 'reguliere lijn' aan deze
                    toetsing wordt toegevoegd is het element van de spoedeisendheid: het treffen van
                    de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het
                    onderwijs. Tevens komt in de verordening tot uiting dat het college niet de
                    financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit komt tot uiting doordat de
                    urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten beschouwing blijven.Het
                    college geeft bij de beschikking aan voor welke datum een bouwopdracht moet zijn
                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                    dit is geen onderwerp meer van het gesprek dat zij voert over de uitvoering van
                    de toegekende aanvraag.</al><al><vet>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</vet> Gemeenten die
                    geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee toekennen van
                    vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen bij de vaststelling
                    van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28 achterwege laten. Met nadruk zij
                    opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding
                    van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het programma.
                    Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de indiening van
                    een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan om
                    huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en die
                    zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is
                    daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een
                    bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden
                    voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde
                    aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling
                    van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de
                    zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook
                    de besteding zal plaatsvinden.</al><al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten,
                    die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding
                    worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan
                    daarbij gaan om kosten van:- architect;- adviseur constructie;- adviseur
                    werktuigbouwkundige installatie;- adviseur elektrotechnische installatie.In
                    bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen voor
                    bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de kostenbeheersing
                    of de bouwfysica. Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan een beperking
                    inhouden van de werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde overige
                    adviseurs.</al><al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting,
                    omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag
                    voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals
                    bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het
                    bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding
                    toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de
                    aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag
                    voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen.</al><al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                    gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                    bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in
                    procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering
                    is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de verordening. Dit betekent ook dat het
                    college het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke
                    verzoeken.Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een
                    voorziening betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding
                    wordt voorbereid, per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die
                    zonder een dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt
                    de toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid
                    met de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat
                    wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                    genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. Dit gebeurt omdat in de
                    normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage
                    IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen.De mogelijkheid om een
                    bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere concretisering van de in
                    de wet opgenomen mogelijkheid inhoudende dat het college een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de beslissing op
                    dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille van kenbaar
                    bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien in een
                    financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de noodzaak van de
                    voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd aanwezig moet zijn.</al><al>Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en effectieve besteding van
                    eventueel toe te kennen gelden voor de bouwvoorbereiding, een duidelijk
                    perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de plannen zijn uitgewerkt, moet er
                    ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt.Dit
                    is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde jaar
                    de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting door
                    de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen
                    programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een
                    bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig
                    zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende
                    - met behulp van het krediet voorbereide - aanvraag voor plaatsing op het
                    programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor
                    de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen
                    in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting.</al><al><vet>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuu</vet><vet>r</vet> De artikelen 102
                    WPO, 100 WEC, 76m WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad om in de
                    huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de verhuur van
                    onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt de opdracht in
                    feite in het vastleggen van de wijze waarop het college met het recht tot het
                    vorderen van leegstaande ruimten omgaat.Dit vorderingsrecht kan betrekking
                    hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten
                    behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk
                    zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om
                    een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37 (Tijdstip
                    beëindiging gebruik gebouwen) van toepassing.Het vorderingsrecht met betrekking
                    tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel het gebruik tijdens als na de
                    schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen die in eigendom zijn van een
                    schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het vorderingsrecht beperkt zich dan
                    tot het vorderen ten behoeve van ander gebruik dan onderwijsgebruik
                    (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het recht van de gemeente om leegstand te
                    bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet door de
                    gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de procedure - het
                    vorderen - vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in een gebouw van
                    een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet weg dat de
                    criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook gelden voor
                    gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.Er is gekozen
                    voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve van onderwijs
                    en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor medegebruik ten behoeve
                    van andere activiteiten mag van het college worden verlangd dat in het overleg
                    met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien van met name aangeduide
                    onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om eventuele wensen aangaande het
                    medegebruik te uiten, mede gelet op de vrijheid van richting en inrichting.
                    Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in het overleg over het
                    onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik dat
                    overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer een
                    praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben.De artikelen 29 t/m 33
                    worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd gezag voor plaatsing op het
                    programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat kan een aanvraag om
                    medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag zijn die wordt afgewezen
                    en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien.</al><al>Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van een basisschool op
                    het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12 (regels voor de
                    vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die aanvraag. In artikel
                    12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage is gesteld dat de
                    uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter hemelsbreed sprake is
                    van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen die afstand blijkt
                    geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de hand
                    van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de
                    situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd
                    gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die
                    constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke
                    gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers
                    melden dat er sprake is van medegebruik. Het college deelt in het overleg als
                    bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij voornemens
                    zijn om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel 100, lid 1d WPO toe te
                    passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door middel van medegebruik in de
                    huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over dat voornemen wordt op grond van
                    artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend
                    en met het bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd zal worden. Dat overleg
                    maakt deel uit van het overleg over het programma als bedoeld in artikel 10. Er
                    wordt voorzien in de aanvraag door toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde
                    van vorderen) en 32 (overleg en mededeling). De beschikking voor het bevoegd
                    gezag dat de uitbreiding heeft aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt
                    als volgt: de aanvraag wordt afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in
                    gebouw [.....] toegekend. Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op
                    grond van artikel 32 een vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is
                    aangegeven dat er tegen de vordering geen bezwaar bestaat.Wat de verhuur betreft
                    kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet regelt immers uitputtend
                    wanneer wel en niet sprake kan zijn van verhuur.</al><al>Artikel 29 Aanduiding omstandighedenIn dit artikel is aangegeven dat er,
                    alvorens het college kan overgaan tot vordering, eerst sprake moet zijn van een
                    aanvraag (op grond van artikel 6 of 19) om een huisvestings-voorziening voor een
                    school, en dat er bij die school ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is.
                    Lid 1b ziet op de situatie dat er bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke
                    onderhouds- of aanpassingsbehoefte, terwijl medegebruik daarvoor een alternatief
                    vormt. De leden 1d en e regelen dat er sprake dient te zijn van leegstand.</al><al><vet>Artikel 30 Omschrijving leegstand </vet>Lid 1aDoor de capaciteit van het
                    gebouw (als bepaald volgens bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte
                    volgens het ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er
                    een overschot aan ruimte isEr word uitgegaan van een genormeerde benadering: als
                    het aantal vierkante meters van een gebouw de drempelwaarde overschrijdt is er
                    sprake van genormeerde leegstand..Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die
                    een bevoegd gezag eventueel voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen
                    (rijks)vergoeding voor wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als
                    beschikbare capaciteit. Het vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot
                    dergelijke ruimten uit. Voor de goede orde: de zogenaamde eigendoms- en
                    huurscholen vallen dus wel onder het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel
                    een (rijks)vergoeding verstrekt. In tegenstelling tot de volledig voor eigen
                    rekening gefinancierde ruimten, strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot
                    leegstaande ruimten waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming
                    (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Deze handelwijze kan
                    worden afgeleid uit de jurisprudentie onder de oude wetgeving waarin is
                    vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde leegstand waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet wijken
                    voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al>Lid 1b Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt
                    genormeerde, benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het
                    vertrekpunt is wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald
                    volgens bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het
                    ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een
                    overschot aan vierkante meters is. Als dat overschot geconstateerd wordt,
                    behoeft dat niet automatisch te betekenen dat er dan ook een deel van het
                    gebouwvrij is op de gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor
                    voortgezet onderwijs heeft namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging, om
                    meer of minder uren aan bepaalde vakken toe te delen. Deze keuzen hebben
                    consequenties voor het lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee voor
                    de beschikbaarheid van het gebouw. Daarom wordt bij een school voor voortgezet
                    onderwijs vervolgens aan de hand van het lesrooster bekeken of er daadwerkelijk
                    sprake is van leegstand. De verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters
                    eventueel aan te tonen dat er geen sprake is van leegstand, ligt bij het
                    schoolbestuur. Achtergrond hiervan is dat gemeenten geen zicht hebben op de
                    lesroosters van scholen.Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de
                    rijksbekostiging. Indien een bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee
                    beslag op leegstand legt, is er sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor
                    noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al>Lid 2a Voor de beoordeling of er leegstand is in een gymlokaal dat gebruikt
                    wordt door het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal
                    in gebruik is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar
                    opgeteld. De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de
                    leegstand op. Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum
                    aantal uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het
                    aantal van 40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet
                    onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet
                    dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen
                    kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is.
                    Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                    schoolsoort geldende reële schooltijden.</al><al>Lid 2b De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als
                    bij lid 1b.</al><al><vet>Artikel 31 Nalaten vordering</vet>; volgorde van vorderenLid 1Door opneming
                    van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen. Indien
                    bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen reden voor
                    de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe leiden dat
                    in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden toegestaan
                    omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale situatie is
                    gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge uitzondering
                    zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze bepaling.Overigens kan
                    deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het (brede)
                    huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan genoemd
                    worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                    peuterspeelzaal.</al><al>Lid 2 Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan
                    een reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot
                    een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                    onderwijsgebruik.</al><al>Lid 3 De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden.
                    Het verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er
                    meerdere opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe het college tot
                    een bepaalde keuze is gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij uitstek
                    aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten worden,
                    alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat voor de
                    hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur
                    dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken naar
                    eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande
                    gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen tot
                    een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan is de
                    kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar een van
                    zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële consequenties
                    kan hebben om niet als eerste optie van de - qua oppervlakte en indeling -
                    geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een doelmatiger
                    oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in een van de
                    gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is minder
                    relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is er echter
                    voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te nemen. Bij de
                    toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit verband ook als een
                    richting te worden aangemerkt.</al><al>Lid 4 Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                    rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden afgeweken.</al><al><vet>Artikel 32 Overleg en mededeling</vet> Lid 1 Het voeren van overleg is
                    wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor gekozen dit te koppelen aan
                    het overleg over het programma. In het kader van de vaststelling van het
                    programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er van medegebruik
                    sprake kan zijn.Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het
                    programma (dat is niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik
                    toe te staan) is er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies
                    van de Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar
                    en beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                    opschortende werking.</al><al>Lid 2 De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig
                    (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo
                    kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg
                    ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De
                    mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van
                    bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking.De laatste volzin is
                    toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen te hoeven uitvoeren
                    indien er in het overleg is komen vast te staan dat er overeenstemming over de
                    vordering bestaat.</al><al>Leden 3 en 4 In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om
                    termijnen op te nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk
                    met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><al>Lid 5e De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de
                    periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan
                    verlengd worden indien dat noodzakelijk is.</al><al><vet>Artikel 33 Vergoeding</vet> Voor het primair onderwijs is in de wet bepaald
                    dat een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd
                    gezag, de daarvoor ontvangen vergoeding doorbetaalt. Aangezien 'de ontvangen'
                    vergoeding niet eenduidig te definiëren valt - de vergoeding is namelijk mede
                    afhankelijk van de omvang van de school - dient daarover overleg tussen de
                    bevoegde gezagsorganen plaats te vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt
                    niet een dergelijke wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen
                    weg.Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</al><al><vet>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</vet> Onderdeel a Zie de toelichting
                    bij artikel 30.</al><al>Onderdeel b De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel
                    76r WVO dat het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt.</al><al><vet>Artikel 35 Overleg en mededeling</vet> Lid 2 De reden dat hier expliciet is
                    aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan de orde dient te komen is
                    gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een gebouw of terrein waarvoor
                    het gebouw of terrein niet in eerste instantie is bedoeld. Dat betekent dat de
                    positie van het bevoegd gezag met nog meer waarborgen omkleed moet worden dan
                    wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het bevoegd gezag moet in de
                    gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een oordeel te vormen over de
                    aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces.
                    Als gevolg daarvan kan ook afgesproken worden dat bepaalde maatregelen van de
                    zijde van de gemeente of de medegebruiker genomen worden om hinder te voorkomen.
                    Omdat het om verschillende vormen van medegebruik kan gaan is niet eenduidig
                    vast te stellen welke vergoeding daartegenover dient te staan. Wel is het
                    mogelijk om hierbij aan te sluiten op een vergoedingsbedrag in het kader van de
                    programma's van eisen materiële instandhouding basisonderwijs door middel van
                    een verwijzing naar bijlage IV, deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten
                    en zal in het algemeen voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.Er is van
                    afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt van
                    uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan de
                    beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het verdient
                    in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de
                    aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische) afspraken
                    vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot
                    vordering door het college.</al><al>Lid 3 Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te
                    voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                    geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking,
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 36 Toestemming college</vet> Leden 2 en 3De aanduiding van de
                    bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de toetsing door het
                    college aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen niet toelaat. Zo is
                    het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet toegestaan om een
                    onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of bedrijfsruimte. Ook een
                    bestemming die zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school is in de
                    onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter voor gekozen die afweging aan het
                    bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel de afweging of er een andere
                    school is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van eventueel
                    binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een onmiddellijke
                    noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat geen reden voor
                    weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het college een indicatie heeft
                    dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het onderwijs, dat
                    zij dit aan het bevoegd gezag mededeelt. Dat geldt evenzeer als het college
                    voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik. Het bevoegd gezag kan
                    dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan tot verhuur. De risico's
                    voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij voortijdige opzegging
                    van het contract omdat het college gebruik maakt van haar vorderingsrecht ligt
                    ingevolge de wet bij het bevoegd gezag.</al><al><vet>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik</vet>; staat van onderhoudHet
                    eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen is in de wet gekoppeld
                    aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld artikel
                    110 en 163 WPO. De WVO kent weliswaar niet zo'n bepaling, maar het spreekt voor
                    zich en het kan ook worden afgeleid uit artikel 76u en 110a WVO of artikel 24
                    Bekostigingsbesluit W.V.O. dat het recht op het gebruik van een gebouw eindigt
                    wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt opgeheven.De artikelen 102 WPO,
                    100 WEC en 76m WVO geven aan de gemeente opdracht om in de verordening een
                    termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten hoogste kan worden
                    gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door gedeputeerde staten, is
                    bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden het gebouw te gebruiken.
                    Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor een eventueel op te maken
                    staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het gebruik. Artikel 37 van de
                    verordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het artikel wordt geen
                    onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat onderscheid is in
                    dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen moet duidelijk zijn
                    op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden.Het opmaken van de
                    staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van het gebruik van een
                    gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van het gebruik hebben
                    alleen betrekking op niet door de gemeente in stand gehouden scholen. In formele
                    zin zijn de bepalingen over het achterstallig onderhoud dus niet van toepassing
                    op de scholen die door de gemeente in stand worden gehouden. Vanuit het oogpunt
                    van gelijke behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel het geval. Het
                    volgen van eenzelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand.</al><al>Lid 1 De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na
                    de datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, of 76u WVO.
                    Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het bevoegd
                    gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het gebouw
                    beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien gedeputeerde staten
                    daar een beslissing over nemen op verzoek van een van de partijen. In materiële
                    zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het gebruik op een
                    tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen. Van belang is
                    dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en
                    dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het
                    gebouw. Als datum is gekozen de datum die in de akte, die bevoegd gezag en
                    gemeente opstellen, wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat
                    zullen gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de
                    datum aan het einde van het schooljaar liggen.Om een en ander inderdaad aan het
                    einde van het schooljaar te kunnen realiseren, is het nodig dat het college in
                    een vroegtijdig stadium constateert dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is
                    voor een school. Die constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van
                    de leerlingtelling van 1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of
                    opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente
                    ingevolge artikel 5 van de verordening. Direct na de telling van 1 oktober, of
                    na de mededeling van het bevoegd gezag, kan de procedure voor de vaststelling
                    van een gezamenlijke akte over het einde van het gebruik in gang worden gezet.
                    Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde staten om een
                    beslissing worden verzocht. De beslissing van gedeputeerde staten is een
                    beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Of het
                    instellen van beroep in dit geval opschortende werking heeft, is niet eenduidig
                    aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen van beroep geen
                    opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet bepaalt dat de
                    eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast te staan dat
                    de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder kan
                    plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk is
                    geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de
                    eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking. Ten
                    aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken
                    sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die
                    beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking
                    heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige
                    voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden.</al><al>Lid 2Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat,
                    met het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had
                    moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt
                    moet krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                    meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over
                    één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk
                    eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig
                    onderhoud.Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                    eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig
                    worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te
                    rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud
                    achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen
                    dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van
                    het bevoegd gezag behoort.</al><al>Lid 3 De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college.
                    Hiervoor kan het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen
                    of een derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht
                    en over de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst
                    overleg met het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf
                    onnodige discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de
                    opdracht en over de keuze van de uitvoerder. De positie van het college is in
                    dit kader vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de
                    huur een inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder
                    hersteld moet worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van
                    het bevoegd gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld
                    betrekking hebben op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit
                    bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat
                    bij het opmaken van de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip
                    waarop de schouwing plaatsvindt.</al><al>Lid 4Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de
                    staat van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel of
                    niet mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft het
                    bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te voeren. Er
                    kan ook overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met het
                    achterstallig onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien partijen geen
                    overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan
                    bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide partijen afspreken
                    zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Burgemeester en wethouders
                    kan zich ook wenden tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het
                    bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan
                    de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.
                    Gelet op de kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide partijen
                    met zich meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk overleg een
                    oplossing te bereiken.</al><al>Lid 5 Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden
                    over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt.</al><al><vet>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit</vet>;
                    inroostering gebruikIn artikelen 38 is het gebruik van gymnastiekruimten voor
                    het primair onderwijs nader geregeld. Het college is bevoegd tot het vaststellen
                    van het aantal klokuur gymnastiek en de vergoeding daarvoor. Voor de dualisering
                    was het aan de raad om dergelijke regels te bepalen. Omdat het aantal klokuur
                    gymnastiek echter van direct belang is voor de bepaling van de noodzaak voor
                    nieuwbouw/ uitbreiding en medegebruik van gymnastiekzalen (zaken waarover de
                    raad moet beslissen) is er voor gekozen om de tekstgedeelten uit de verordening
                    die van toepassing waren op het vaststellen van het aantal en de hoogte van de
                    klokuurvergoeding uit de verordening te halen en deze in een aparte, door het
                    college vast te stellen beleidsregel te plaatsen.Het gebruik door het primair
                    onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal plaats in gemeentelijke
                    accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij doorgaans om situaties van
                    medegebruik en daarmee om een voorziening in de huisvesting als bedoeld in
                    artikel 2 van de verordening.Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt
                    in het aantal klokuren, jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het
                    aantal leerlingen van een school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen
                    in het kader van het programma, dan wel spoedprocedure. Beide procedures zijn te
                    zwaar en te omslachtig om jaarlijkse mutaties in het gebruik van
                    gymnastiekaccommodaties aan te vragen. Dit geldt voor die mutaties die binnen de
                    bestaande capaciteit kunnen worden opgevangen en dus niet leiden tot een
                    uitbreiding of nieuwbouw van gymnastiekruimten. Zeker wanneer daarbij wordt
                    bedacht dat de gemeente ingevolge de wet en de eerder genoemde modelbeleidsregel
                    gehouden is tot bekostiging van het genormeerde gymnastiekgebruik. Tegen deze
                    achtergrond is in artikel 38 voor een benadering gekozen waarbij de
                    huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met mutaties
                    in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde capaciteit
                    kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven van
                    schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten weliswaar
                    beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure, materieel worden
                    zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. Hiervoor in de plaats komt de
                    benadering uit artikel 38, die in essentie op het volgende neerkomt.- De
                    gemeente heeft als lokale overheid zicht op het onderwijsgebruik van de
                    sportaccommodaties (welke school geeft gymnastiekonderwijs in welk gebouw,
                    wanneer en voor hoeveel uren, en wat is de capaciteit van het gebouw?).Op basis
                    van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot inroostering van
                    het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien in hoeverre gebruik
                    boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare capaciteit. Dit voorstel
                    wordt na overleg met de betrokken schoolbesturen vastgesteld.De opgaven van het
                    gewenste gebruik, het voorstel tot en het vaststellen van de inroostering vinden
                    relatief kort voor het nieuwe schooljaar plaats. Dit omdat de meeste
                    schoolbesturen over de exacte omvang van het gymnastiekgebruik pas uitspraken
                    kunnen doen wanneer zicht bestaat op de omvang en inzet van de
                    personeelsformatie voor het komende schooljaar.</al><al><vet>Artikel 40 Indexering</vet> Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat
                    de verordening jaarlijks door de raad moet worden gewijzigd, alleen om de in
                    artikel 4 gehanteerde genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te
                    passen. Bijlage IV, deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk -
                    net als de overige bijlagen - onderdeel van de verordening. Door de
                    prijsbijstelling te delegeren aan het college wordt een dergelijke relatief
                    zware procedure via de raad overbodig. Het wettelijk verplichte overleg met het
                    onderwijsveld dat voorafgaat aan wijzigingen van de verordening, kan
                    plaatsvinden door toezending van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden
                    van de mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>