<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR127263_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2012-2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2011, 11</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2012-2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011-08-07</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2008-2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2012-2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Midden-Delfland;</al><al>Gelezen het voorstel van de burgemeester en wethouders d.d. 25 oktober 2011,
                        nr. 2011-08-07;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>1. in te stemmen met de aangepaste nota waarderings- en afschrijvingsbeleid
                        en de herziene nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2012-2015;</al><al>2. de ingangsdatum te bepalen op 1 januari 2012.</al><al/><al>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 8 november 2011.</al><al/><al>De griffier, de voorzitter,</al><al>A. de Vos, A.J. Rodenburg</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1.</label><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor het realiseren van de door de gemeenteraad vastgestelde
                            beleidsdoeleinden zijn vaak investeringen noodzakelijk. Deze
                            investeringen dienen, als aan bepaalde voorwaarden voldaan is,
                            geactiveerd te worden. Kenmerkend voor activa zijn het niet jaarlijks
                            terugkerende karakter en een nuttigheidsduur van meer dan 1 jaar. Voor
                            een juist en getrouw beeld van de financiële situatie van de gemeente
                            zal volgens een bestendige gedragslijn op deze activa afgeschreven
                            moeten worden.</al><al>Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV),
                            ingevoerd per 1 januari 2004, heeft een aantal veranderingen met zich
                            meegebracht ten opzichte van de tot dan geldende
                            “Comptabiliteitsvoorschriften 1995”(CV 95). Belangrijke veranderingen
                            van het BBV ten opzichte van de oude regelgeving zijn onder andere:</al><lijst><li nr="·"><al>het onderscheid in materiële vaste activa met economisch nut en
                                    materiële vaste activa in de openbare ruimte met uitsluitend
                                    maatschappelijk nut;</al></li><li nr="·"><al>brutowaardering van materiële vaste activa met economisch nut;
                                    bijdragen van reserves mogen in principe niet direct in
                                    mindering gebracht worden op de investeringen;</al></li><li nr="·"><al>tekorten mogen niet meer geactiveerd worden;</al></li><li nr="·"><al>de voorwaarden voor het activeren van bijdragen in activa in
                                    eigendom van derden.</al></li></lijst><al>Kennis van en inzicht in de voorschriften van het BBV, de juiste
                            interpretatie en consequente en consistente toepassing ervan zijn
                            essentieel voor het bepalen van de financiële positie van de gemeente.
                            Daardoor dienen deze voorschriften niet alleen een boekhoudkundig maar
                            ook een bestuurlijk belang.</al><al>Zoals vermeld in artikel 6 van de door de raad vast te stellen
                            verordening art. 212 dient het college eenmaal in de 4 jaar een
                            (geactualiseerde) nota waarderings- en afschrijvingsbeleid aan te bieden
                            aan de raad. Deze nota waarderings- en afschrijvingsbeleid 2012-2015
                            beoogt structuur te brengen in bovengenoemde zaken, waardoor duidelijk
                            wordt hoe het afschrijvingsbeleid volgens BBV-normen uitgevoerd dient te
                            worden.</al><al>In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op bovenstaande aspecten.
                            Naast het formuleren van de definitie van activa en de uiteenzetting van
                            de verschillende soorten activa, zullen de waarderingsgrondslagen en
                            verschillende afschrijvingsmethoden aan de orde komen. Na de conclusies
                            en aanbevelingen wordt afgesloten met een bijlage met een overzicht van
                            de te hanteren afschrijvingstermijnen voor de verschillende vaste
                            activa.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>2.</label><titel>Vaste activa</titel></kop><structuurtekst><al>De gemeente heeft te maken met tal van investeringen. Als de hiermee
                            gepaard gaande uitgaven niet voldoen aan de karakteristieken van de
                            exploitatielasten, dus niet jaarlijks terugkeren en een langere
                            nuttigheidsduur hebben dan één jaar, kan men spreken van een actief.
                            Voorbeelden zijn uitgaven voor aanleg van wegen, sportvelden, bouw van
                            scholen en dergelijke. Deze uitgaven genereren vermogen, met andere
                            woorden: vertegenwoordigen waarde van duurzame bezittingen. Activeren is
                            het op de balans tot uitdrukking brengen van deze waarde. </al><al>Alle vaste activa worden geactiveerd voor het bedrag van de investering.
                                <cursief>Bijdragen van derden</cursief> die in directe relatie staan
                            tot een actief mogen echter direct daarop in mindering gebracht worden.
                            Voorbeelden hiervan zijn de rijksbijdragen in de aanleg van een weg of
                            de bijdrage van personen aan specifieke culturele instellingen.</al><al>Een steeds vaker voorkomende vorm van “eigendom” is het leasen van
                            goederen. De volgende twee vormen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>Financiële lease: de juridische eigendom van het betreffende
                                    actief blijft bij de financier; het economische eigendom en
                                    daarmee het risico ligt bij de geldnemer.</al></li><li nr="·"><al>Operationele lease: heeft betrekking op het ter beschikking
                                    stellen van een actief in de vorm van huur en verhuur. Het
                                    eigendom van het actief ligt bij de financier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de balanswaardering en de afschrijving van geleasde
                            goederen geldt het volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>Indien uit het geheel van contractvoorwaarden blijkt dat sprake
                                    is van financiële lease, dient het gehuurde te worden
                                    geactiveerd. In de toelichting op de balans wordt aangegeven dat
                                    wel sprake is van economisch maar niet van juridisch eigendom.
                                    In de praktische uitvoering betekent dit dat de som van de
                                    gedurende de resterende looptijd jaarlijks te betalen
                                    lease-termijnen als schuld wordt opgenomen tegenover de
                                    activa-post. Op de activa die geleased zijn wordt vervolgens
                                    volgens de gebruikelijk regels afgeschreven. </al></li><li nr="·"><al>Operationele lease geeft nooit aanleiding tot activering. Wel
                                    zal daarvan in de toelichting op de balans melding moeten worden
                                    gemaakt in verband met het veelal langdurig karakter van de
                                    aangegane verplichtingen.</al></li></lijst><al>In de gemeente Midden-Delfland wordt alleen een auto (operationeel)
                            geleased voor algemeen gebruik.</al><al>Vanuit de zorg voor een structureel goed, veilig en efficiënt leef-,
                            werk-, en woonmilieu voor de burger geven gemeenten jaarlijks
                            aanzienlijke bedragen uit voor het verkrijgen, vervaardigen en
                            onderhouden van kapitaalgoederen. Vanuit de dualisering is het
                            vaststellen en uitvaardigen van beleid, het maken van keuzes, neergelegd
                            bij de raad. </al><al>Het beleid op het gebied van kapitaalgoederen kan in twee fasen worden
                            onderscheiden. In de eerste fase (zie 2.1 tot en met 2.3) worden
                            kapitaalgoederen verkregen (aangeschaft) of vervaardigd. Hierna volgt de
                            tweede fase waarin de kapitaalgoederen moeten worden onderhouden ofwel
                            beheerd (zie 2.4). </al><al><vet>2</vet><vet>.1 Immateriële vaste activa</vet></al><al>Er zijn 2 soorten immateriële vaste activa:</al><lijst><li nr="1."><al>kosten verbonden aan het sluiten van leningen en het saldo van
                                    agio en disagio;</al></li><li nr="2."><al>kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                                    actief.</al></li></lijst><al>Ad. 1) Het (dis)agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een
                            lening wordt aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt
                            uitgekeerd. In dergelijke gevallen moet een lening voor het totaalbedrag
                            van de aangegane schuld op de balans worden opgenomen en kan het
                            verschil tussen dat schuldbedrag en het uitgekeerde bedrag, het
                            (dis)agio, net zoals in het bedrijfsleven naar keuze al dan niet worden
                            geactiveerd. Bij disagio wordt een lager bedrag en bij agio een hoger
                            bedrag uitgekeerd dan waarvoor de lening is aangegaan. Door de commissie
                            BBV wordt aanbevolen de kosten van het sluiten van geldleningen en het
                            saldo van (dis)agio, zeker indien deze relatief laag zijn, niet te
                            activeren en in één keer af te schrijven.</al><al>Ad. 2) De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief
                            kunnen worden geactiveerd en in maximaal vijf jaar afgeschreven
                            als:</al><lijst><li nr="·"><al>het voornemen bestaat om het actief te gebruiken of te
                                    verkopen;</al></li><li nr="·"><al>de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien
                                    vaststaat;</al></li><li nr="·"><al>het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal
                                    genereren;</al></li><li nr="·"><al>de kosten betrouwbaar kunnen worden vastgesteld en goed in te
                                    schatten zijn.</al></li></lijst><al>Hierbij is van belang dat het daadwerkelijk om kosten <cursief>ter
                                voorbereiding van de investering</cursief> gaat, dat wil zeggen de
                            voorwaarden van activeren dienen van toepassing te zijn op het actief
                            waarop de kosten betrekking hebben. Mede hierdoor kunnen bijvoorbeeld de
                            kosten voor de ontwikkeling van bestemmingsplannen niet meer geactiveerd
                            worden; deze hebben namelijk geen directe koppeling met een specifiek
                            actief. Een voorbeeld waarbij de kosten wel geactiveerd kunnen worden
                            zijn de voorbereidingskosten (zoals bodemonderzoek en bouwrijp maken
                            grond) voor de bouw van een school.</al><al>In de gemeente Midden-Delfland zijn enkele immateriële activa
                            geactiveerd. </al><al><vet>2</vet><vet>.2 Materiële vaste activa</vet></al><al>In de verschillende soorten materiële vaste activa kan de volgende
                            onderverdeling worden gemaakt:</al><lijst><li nr="·"><al>gronden en terreinen;</al></li><li nr="·"><al>woonruimten;</al></li><li nr="·"><al>bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="·"><al>grond-, weg- en waterbouwkundige werken;</al></li><li nr="·"><al>vervoermiddelen;</al></li><li nr="·"><al>machines, apparaten en installaties;</al></li><li nr="·"><al>overige materiële vaste activa.</al></li></lijst><al>Bij de materiële vaste activa wordt onderscheid gemaakt tussen
                            investeringen met economisch nut en investeringen in de openbare ruimte
                            met maatschappelijk nut.</al><al>-<cursief> Investeringen in materiële vaste activa met economisch
                                nut</cursief> zijn alle investeringen die bijdragen aan de
                            mogelijkheid middelen te verwerven (bijvoorbeeld door het vragen van
                            rechten, heffingen, leges of prijzen) en/of te verhandelen zijn
                            (bijvoorbeeld verkopen).</al><al>Het gaat hierbij nadrukkelijk om de <cursief>mogelijkheid</cursief> om
                            middelen te verwerven of het actief te verhandelen. Het is dus niet
                            nodig daadwerkelijk een (kostendekkend) tarief te heffen of het actief
                            te verkopen. Dit betekent onder andere dat alle gebouwen een economisch
                            nut hebben; er is immers een markt voor gebouwen. </al><al>Alle investeringen met economisch nut <vet>moeten</vet> geactiveerd
                            worden. Een uitzondering op bovenstaande zijn kunstvoorwerpen met
                            cultuurhistorische waarde. Het gaat bijvoorbeeld om schilderijen van
                            beroemde schilders. Deze worden niet geactiveerd.</al><al>- <cursief>Investeringen in materiële vaste activa in de openbare ruimte
                                die uitsluitend een maatschappelijke functie vervullen</cursief>
                            zijn investeringen die geen middelen genereren, maar wel duidelijk een
                            publieke taak vervullen. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in
                            water, wegen en pleinen. Ook deze investeringen hebben een meerjarig nut
                            en <vet>kunnen</vet> geactiveerd worden. In tegenstelling tot de
                            investeringen met economisch nut mogen op dit soort investeringen wel
                            direct reserves in mindering gebracht worden en is extra afschrijven
                            toegestaan. Het verdient de voorkeur activa met maatschappelijk nut niet
                            te activeren en dus in één keer ten laste van de exploitatie te brengen.
                            Aangezien hiermee vaak grote bedragen gepaard gaan is dit uit financieel
                            oogpunt echter niet altijd mogelijk en zal activering toch soms
                            plaatsvinden. In de huidige situatie wordt dan ook op materiële vaste
                            activa in de openbare ruimte met uitsluitend een maatschappelijk nut wel
                            afgeschreven. </al><al><vet>2.3 Financiële vaste activa</vet></al><al>Het BBV geeft een onderverdeling in de verschillende soorten financiële
                            vaste activa:</al><lijst><li nr="·"><al>kapitaalverstrekkingen aan:</al><lijst><li nr="-"><al>deelnemingen;</al></li><li nr="-"><al>gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="-"><al>overige verbonden partijen;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>leningen aan:</al><lijst><li nr="-"><al>woningbouwcorporaties;</al></li><li nr="-"><al>deelnemingen;</al></li><li nr="-"><al>overige verbonden partijen;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>overige langlopende leningen;</al></li><li nr="·"><al>overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar
                                    of langer;</al></li><li nr="·"><al>bijdragen aan activa in eigendom van derden.</al></li></lijst><al>Bijdragen aan activa in eigendom van derden behoren tot de financiële
                            vaste activa. Er is echter wel een aantal voorwaarden aan verbonden. Zo
                            moet de investering bijdragen aan de publieke taak en de gemeente moet
                            de derde partij daadwerkelijk kunnen verplichten te investeren. Mocht de
                            derde partij in gebreke blijven dan moet de gemeente het bedrag terug
                            kunnen vorderen dan wel (mede)eigenaar worden van de investering.
                            Voorbeeld: een investeringsbijdrage aan de hockeyclub voor de aanschaf
                            van een kunstgrasveld.</al><al><vet>2.4 Onderhoud en activering</vet></al><al><cursief>2.4.1 Onderhoud van kapitaalgoederen</cursief></al><al>De begroting is onder andere verplicht een “paragraaf betreffende het
                            onderhoud van kapitaalgoederen” te bevatten. Deze paragraaf dient
                            tenminste de kapitaalgoederen wegen, riolering, water, groen en gebouwen
                            te bevatten. Van deze kapitaalgoederen moeten in die paragraaf zowel het
                            beleidskader als de daaruit voortvloeiende financiële consequenties en
                            de vertaling daarvan in de begroting worden aangegeven. Dit beleid wordt
                            vastgesteld in de regelmatig vast te stellen beleidsnota’s. Gelet op het
                            feit dat met het onderhoud van kapitaalgoederen een substantieel deel
                            van de begroting is gemoeid, is een helder en volledig overzicht van
                            belang voor een goed inzicht in de financiële positie.</al><al><cursief>2.4.2 Beheer van kapitaalgoederen</cursief></al><al>Kapitaalgoederen dienen zo lang mogelijk een bijdrage te leveren aan het
                            doel waarvoor zij zijn aangeschaft of vervaardigd. In vervolg op de
                            verkrijging- of vervaardigingfase van kapitaalgoederen wordt hier
                            gesproken over de beheerfase (fase twee) van kapitaalgoederen.
                                <cursief>Beheer</cursief> moet daarbij worden gezien als
                                <cursief>houden wat je hebt</cursief>.</al><al><cursief>2.4.3 Activering van onderhoud</cursief></al><al><onderstreept>Soorten onderhoud</onderstreept></al><al>Onderhoud is het uitvoeren van preventieve dan wel correctieve
                            maatregelen om een object in goede staat te houden of te brengen (op een
                            vooraf door de raad vastgesteld kwaliteitsniveau). </al><al>Onderhoud kan worden onderscheiden in groot onderhoud en klein
                            onderhoud. Onder groot onderhoud wordt verstaan onderhoud van veelal
                            ingrijpende aard dat op een groot deel van het object wordt uitgevoerd
                            en na een lange gebruiksperiode moet worden verricht. Klein onderhoud is
                            het onderhoud dat in het eerste of het lopende planjaar op een klein
                            gedeelte van het object wordt uitgevoerd. Onderhoudskosten worden
                            gemaakt om het object gedurende de levensduur op een bepaald
                            kwaliteitsniveau te houden (naar behoren laten functioneren en een
                            bepaalde representativiteit laten behouden).</al><al>De kosten van groot en klein onderhoud zijn dus niet
                            levensduurverlengend en mogen daarom niet worden geactiveerd. </al><al/><al>Kosten van <onderstreept>klein</onderstreept> onderhoud mogen niet
                            worden geactiveerd, maar dienen in het jaar van uitvoering ten laste van
                            de exploitatie te worden gebracht.</al><al/><al>Kosten van <onderstreept>groot</onderstreept> onderhoud mogen niet
                            worden geactiveerd en kunnen op twee wijzen in de begroting/jaarrekening
                            worden verwerkt:</al><lijst><li nr="1."><al>Kosten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de
                                    exploitatie brengen;</al></li><li nr="2."><al>Kosten in het jaar van uitvoering ten laste van een vooraf
                                    gevormde voorziening brengen.</al></li></lijst><al/><al>Indien echter sprake is van onderhoudswerkzaamheden die leiden tot een
                            nieuwe functionaliteit van het actief of een duidelijke technische
                            verandering, dan kunnen de kosten daarvan worden geactiveerd. Hierbij
                            kan worden gedacht aan heraanleg van wegen waarbij een verbreding of
                            versmalling heeft plaatsgevonden of een reconstructie van een weg
                            vanwege vernieuwing van de riolering.</al><al><cursief>Verwerking van de kosten van klein en groot onderhoud
                                in de jaarrekening</cursief></al><al>Zoals hiervoor is aangegeven kunnen de kosten van zowel klein als groot
                            onderhoud direct ten laste van de exploitatie worden gebracht. Daarnaast
                            bestaat de mogelijkheid dat de kosten van groot onderhoud ten laste van
                            een vooraf gevormde voorziening worden gebracht. </al><al>Deze laatste mogelijkheid vereist enige toelichting. Een dergelijke
                            voorziening wordt, voorafgaand aan de onderhoudsactiviteiten, ten laste
                            van de exploitatie systematisch gedoteerd met zodanige bedragen dat deze
                            over de gehele looptijd genomen voldoende zijn voor de dekking van de
                            kosten van uitvoering van het onderhoud. De omvang van de periodieke
                            dotatie wordt op basis van een meerjarig beheerplan bepaald. Op deze
                            wijze kunnen grote fluctuaties in de jaarlijkse kosten worden
                            voorkomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3.</label><titel>Waarderingsgrondslagen</titel></kop><structuurtekst><al>Volgens het BBV worden activa gewaardeerd op basis van de verkrijgings-
                            of vervaardigingsprijs. Onder de verkrijgingsprijs wordt verstaan de
                            inkoopprijs vermeerderd met de bijkomende kosten en onder de
                            vervaardigingsprijs de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en
                            hulpstoffen, vermeerderd met de overige kosten die rechtstreeks aan de
                            vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs
                            kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten
                            en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan
                            worden toegerekend. In de toelichting moet dan vermeld worden dat de
                            rente is geactiveerd.</al><al>De BTW wordt niet geactiveerd als deze compensabel is volgens de wet op
                            het BTW-compensatiefonds of anderzijds terugvorderbaar is. Indien de BTW
                            niet compensabel of terugvorderbaar is dan wordt deze tot de
                            verkrijgings- of vervaardigingsprijs gerekend en geactiveerd.</al><al>Indien een actief van bestemming verandert, dient de actuele waarde van
                            de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans te worden opgenomen.
                            Deze waarde kan namelijk met het oog op de nieuwe bestemming relevant
                            zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor deelnemingen waarvan de gemeente
                            verkoop overweegt.</al><al>Gronden die in erfpacht zijn uitgegeven kunnen worden gewaardeerd tegen
                            de uitgifteprijs van eerste uitgifte. Deze uitzondering is toegestaan
                            omdat het bepalen van de kostprijs per kavel te bewerkelijk is. Er wordt
                            niet op afgeschreven.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>4.</label><titel>Afschrijvingen</titel></kop><structuurtekst><al>Met de term “afschrijvingen” wordt bedoeld: “Het in de boekhouding tot
                            uitdrukking brengen van de waardevermindering van een actief”. </al><al>Voor het bepalen van de afschrijvingstermijn wordt gekeken naar de
                            levensduur (ook wel nuttigheidsduur genoemd) van het actief. Daarbij
                            dient onderscheid gemaakt te worden tussen de economische en technische
                            levensduur. De economische levensduur is de tijd dat een actief
                            economisch verantwoord voor een bepaald doel gebruikt kan worden. De
                            technische levensduur is de periode welke het (technisch) mogelijk is
                            het actief voor een bepaald doel te gebruiken. De technische levensduur
                            is dus meestal langer dan de economische levensduur. Om te waarborgen
                            dat er bij noodzakelijke vervanging van een actief voldoende middelen
                            aanwezig zijn, dient men van beide opties de kortste termijn te nemen. </al><al>Bij de berekening van de afschrijving kan ook rekening worden gehouden
                            met een restwaarde aan het eind van de looptijd. Afschrijving vindt dan
                            plaats over de investering verminderd met deze restwaarde. Op grond van
                            het voorzichtigheidsprincipe wordt bij de gemeente, in vrijwel alle
                            gevallen, de restwaarde gelijk gesteld aan nihil. Bij de bepaling van de
                            afschrijving zal dit ook als uitgangspunt worden gehanteerd.</al><al><vet>4.1 Afschrijvingsmethoden</vet></al><al>In de loop der jaren zijn verschillende vormen van afschrijvingsmethoden
                            ontwikkeld, waarvan de volgende bij de gemeente worden toegepast.</al><al><vet>4.1.1 Lineaire afschrijving</vet></al><al>De meest voorkomende methode is die van de zogenaamde
                                    <cursief><onderstreept>lineaire
                                afschrijving</onderstreept></cursief>: elk jaar wordt een gelijk
                            bedrag afgeschreven, formeel gezien in de vorm van een vast percentage
                            van het investeringsbedrag. Het afschrijvingsbedrag wordt bepaald door
                            het investeringsbedrag te delen door de periode van afschrijving (ook
                            wel de looptijd genoemd). </al><al>Bij deze methode vermindert de boekwaarde (het nog niet afgeschreven
                            bedrag) daardoor jaarlijks met een gelijk bedrag. In theorie heeft deze
                            methode als voordeel dat de kapitaallasten jaarlijks lager worden
                            (zogenaamde vrijval van kapitaallasten) waardoor uit de vrijkomende
                            middelen de naar verwachting toenemende onderhoudskosten gedekt kunnen
                            worden en de totale kosten op jaarbasis (nagenoeg) gelijk blijven.</al><al><vet>4.1.2 Afschrijving op basis van annuïteiten</vet></al><al>Een tweede afschrijvingsmethode betreft de methode op basis van
                                    <cursief><onderstreept>annuïteiten</onderstreept></cursief>. Het
                            kenmerkende van deze methode is dat de som van rente en afschrijving
                            gedurende de gehele afschrijvingsperiode jaarlijks gelijk is. De
                            jaarlijkse annuïteit wordt berekend door uit te gaan van de looptijd en
                            het geldende rentepercentage in relatie tot het (netto)
                            investeringsbedrag. </al><al>Het gevolg van het toepassen van deze methode is dat in de eerste jaren
                            na de investering het rentebestanddeel groter is dan het
                            afschrijvingsbestanddeel, terwijl in de laatste jaren van de
                            afschrijvingsperiode het afschrijvingsbedrag groter is dan het
                            rentebedrag.</al><al>Een kenmerk van deze methode is dat de kapitaallasten jaarlijks gelijk
                            blijven. Hier kleeft echter een nadeel aan omdat daardoor geen vrijval
                            van kapitaallasten plaatsvindt uit welke ruimte de onderhoudskosten
                            gedekt kunnen worden. Indien deze methode toegepast wordt is het daarom
                            gewenst jaarlijks een bepaald percentage van de investering te storten
                            in een onderhoudsvoorziening, waaruit de onderhoudskosten gedekt kunnen
                            worden. Voor een goede berekening van dit benodigde percentage is een
                            meerjaren onderhoudsplanning onontbeerlijk.</al><al>Een ander nadeel van de annuïteitenmethode is dat in het eerste jaar
                            relatief weinig wordt afgeschreven als de technische veroudering juist
                            het grootst is.</al><al><vet>4.1.3 Keuze van de te hanteren afschrijvingsmethode </vet></al><al>Het streven is er op gericht dat de totale lasten van een investering
                            een gelijkmatig verloop vertonen. Bij de lineaire afschrijvingsmethode
                            blijven de periodieke afschrijvingskosten gelijk, maar dalen de kosten
                            van het vermogensbeslag (rente). De annuïteitenmethode leidt tot een
                            verhoging van de gemiddelde investeringslast (kapitaalslast) en het
                            verschuiven van lasten naar de toekomst, hetgeen als niet gewenst wordt
                            beschouwd. Afschrijving op basis van de annuïteitenmethode is alleen
                            verdedigbaar indien tegenover de investeringslast inkomsten staan. In
                            principe wordt in de gemeente Midden-Delfland altijd gekozen voor de
                            lineaire afschrijvingsmethode. </al><al><vet>4.2 Uitgangspunten voor afschrijvingen</vet></al><al>In het stelsel van baten en lasten, dat wordt gehanteerd bij gemeenten,
                            worden de uitgaven die over meerdere jaren nut afwerpen ook over
                            meerdere jaren ten laste gebracht van de exploitatie. Dit gebeurt in de
                            vorm van afschrijvingslasten. </al><al>Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>afschrijving op basis van de nuttigheidsduur;</al></li><li nr="2."><al>een bestendige gedragslijn;</al></li><li nr="3."><al>de hoogte van de afschrijvingen dient stelselmatig te worden
                                    bepaald;</al></li><li nr="4."><al>op vaste activa met een beperkte gebruiksduur dient zodanig te
                                    worden afgeschreven dat de restantboekwaarde de toekomstige
                                    nuttigheidsduur zo goed mogelijk benadert. </al></li></lijst><al>Naast het vorenstaande neemt de afschrijving op gronden een bijzondere
                            plaats in. Grond is immers een duurzaam goed dat niet aan slijtage
                            onderhevig is. Uiteraard is het wel mogelijk dat de economische
                            nuttigheid van grond wijzigt. Over afschrijving op gronden heeft de
                            Kroon in een tweetal zaken (gemeenten Koudekerk aan den Rijn en
                            Zwijndrecht) uitspraken gedaan. Uit deze uitspraken blijkt onder meer
                            het volgende:</al><lijst><li nr="1."><al>afschrijving op gronden is in de gemeentelijke huishouding uit
                                    een oogpunt van financiering niet steeds noodzakelijk;</al></li><li nr="2."><al>het financieel belang van de gemeente kan echter niet worden
                                    gediend met een algemene regel dat op gronden niet wordt
                                    afgeschreven;</al></li><li nr="3."><al>afschrijving kan achterwege blijven indien en zolang de
                                    boekwaarden van de gronden lager zijn dan de bij eventuele
                                    verkoop van die gronden te verwachten opbrengst.</al></li></lijst><al>Uit bovenstaande kan worden afgeleid dat het niet noodzakelijk is op
                            gronden af te schrijven. In beginsel zal derhalve in de gemeente
                            Midden-Delfland niet op grond worden afgeschreven.</al><al>De afschrijvingen van investeringen vinden plaats aan het begin van het
                            boekjaar volgend op het jaar van ingebruikname. Hierdoor wordt er
                            afgeschreven op basis van de gerealiseerde investeringsbedragen. Ten
                            opzichte van de begroting ontstaan minder afwijkingen, omdat het niet
                            uitmaakt wanneer de investering gedurende het jaar plaats vindt.</al><al>Bij de vaststelling van de jaarstukken kan de gemeenteraad besluiten de
                            in het afgelopen begrotingsjaar geraamde, maar niet (volledig)
                            gerealiseerde investeringen door te schuiven naar een volgend
                            begrotingsjaar. Indien het restant van het investeringsbedrag aan het
                            einde van het begrotingsjaar minder dan € 10.000 bedraagt komt dit
                            restant in principe niet in aanmerking om door te schuiven naar een
                            volgend begrotingsjaar.</al><al><vet>4.2.1 Tekorten</vet></al><al>In het verleden was het mogelijk tekorten te activeren. Op grond van de
                            huidige regelgeving mogen tekorten niet worden geactiveerd.</al><al><vet>4.2.2 Resultaatgericht afschrijven</vet></al><al>In de praktijk is een situatie gegroeid waarbij - om uiteenlopende
                            redenen - door gemeenten extra afschrijvingen zijn toegepast. Van extra
                            afschrijvingen is sprake als in een bepaald jaar voor één of meer activa
                            meer dan het jaarlijks daarvoor gebruikelijke afschrijvingsbedrag wordt
                            afgeschreven, in sommige gevallen zelfs zoveel dat de gehele resterende
                            boekwaarde(n) in één keer wordt (worden) afgeschreven.</al><al>In de praktijk zijn veel extra afschrijvingen tot de categorie
                            resultaatafhankelijke extra-afschrijvingen te rekenen. In het geval van
                            een batig rekeningsaldo werd dat saldo dan “weggewerkt” door in de
                            rekening extra afschrijvingen toe te passen. Duidelijk is wel dat het
                            toepassen van deze vorm van extra-afschrijvingen in feite niet past in
                            het stelsel van baten en lasten en zelfs bepaalde risico's met zich mee
                            kan brengen.</al><al>Als een boekwaarde in één keer wordt afgeschreven verdwijnen daardoor
                            namelijk de kapitaallasten welke verband houden met het desbetreffende
                            actief uit de begroting. Dit genereert extra ruimte binnen de begroting.
                            Het gevolg van het verdwijnen van de kapitaallasten is echter ook dat er
                            binnen de begroting geen middelen meer aanwezig zijn om de
                            kapitaallasten als gevolg van de vervanging van het desbetreffende
                            actief te dekken.</al><al>Het BBV verbiedt in het algemeen extra afschrijvingen en schrijft voor
                            dat de afschrijvingen onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar
                            geschieden. Het is belangrijk voor het inzicht in de activa en de
                            toekomstige benodigde investeringen om activa consequent en
                            onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar af te schrijven, aldus
                            de toelichting op dit artikel.</al><al>Het BBV regelt de extra afschrijvingen. Deze zijn nog slechts toegestaan
                            in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>bij investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk
                                    nut;</al></li><li nr="b."><al>om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere
                                    grondslagen dan die welke in het vorig begrotingsjaar zijn
                                    toegepast;</al></li><li nr="c."><al>bij buitengebruikstelling van het actief wordt het afgewaardeerd
                                    op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde
                                    lager is dan de boekwaarde.</al></li></lijst><al>ad. a) Het BBV bepaalt dat activa met een economisch nut uitsluitend
                            systematisch worden afgeschreven. Investeringen in de openbare ruimte
                            met een maatschappelijk nut, zoals (inrichting) wegen, waterwegen,
                            (civiele) kunstwerken en groen, daarentegen zijn van een andere aard.
                            Dergelijke investeringen zouden normaliter niet worden geactiveerd,
                            omdat ze geen economisch nut hebben. Omdat dit een deel van de gemeenten
                            zou verhinderen te investeren in de openbare ruimte mogen deze
                            investeringen wel worden geactiveerd. Omdat het volgens het BBV de
                            voorkeur heeft deze activa niet te activeren, is het wenselijk dat
                            gemeenten dergelijke activa zo snel mogelijk afschrijven. Dit
                            ‘resultaatafhankelijk’ (extra) afschrijven op investeringen in de
                            openbare ruimte met een maatschappelijk nut is daarom toegestaan, mits
                            duidelijk zichtbaar en verwerkt via het overzicht van baten en lasten
                            bij de programmabegroting c.q. de -rekening.</al><al>ad. b) Deze bepaling is ook in het Burgerlijk Wetboek opgenomen. De
                            achtergrond hiervan is dat de begroting, de meerjarenraming en de
                            jaarstukken gelet op hun functie een zo goed mogelijk inzicht moeten
                            bieden in de financiële positie van de gemeente en de ontwikkelingen
                            daarin over de jaren heen. Dit is van toepassing op duurzame
                            waardevermindering van activa met een economisch nut.</al><al>ad. c) Bij een volledige buitengebruikstelling dient het actief
                            uiteraard te worden afgewaardeerd tot hetzij nul, hetzij tot de
                            restwaarde, indien die redelijkerwijs verwacht kan worden. Het is ook
                            denkbaar dat een actief gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld. Het
                            actief wordt dan naar verhouding afgewaardeerd.</al><al><vet>4.3 Afschrijven van vaste activa</vet></al><al>Afschrijving dient plaats te vinden met inachtneming van een bestendige
                            gedragslijn.</al><al>Slechts om gegronde redenen mogen afschrijvingen plaatsvinden op
                                <cursief>andere grondslagen</cursief> dan die welke in het
                            voorgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering
                            wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht
                            gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en
                            lasten aan de hand van de aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of
                            voor het voorafgaande begrotingsjaar.</al><al>Afschrijving vindt plaats overeenkomstig de termijnen welke zijn
                            opgenomen in bijlage A.</al><al>Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet
                            geactiveerd, maar gelijk ten laste van de exploitatie gebracht,
                            uitgezonderd gronden en terreinen. Deze worden altijd geactiveerd maar
                            niet afgeschreven.</al><al>In principe wordt geactiveerd volgens de bruto-methode. Dit wil zeggen
                            dat bijdragen van derden en reserves niet direct in mindering op het
                            investeringsbedrag gebracht mogen worden. Uitzondering hierop vormen
                            bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief. Deze
                            mogen wel in mindering worden gebracht. Ook mogen reserves in één keer
                            in mindering gebracht worden op investeringen in de openbare ruimte met
                            een maatschappelijk nut (denk hierbij aan de investeringsreserve in
                            Midden-Delfland).</al><al><vet>4.3.1 Afschrijven van vaste activa met economisch nut</vet></al><al>De materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in het BBV,
                            worden lineair afgeschreven. Afschrijving vindt plaats overeenkomstig de
                            termijnen welke zijn opgenomen in bijlage A.</al><al><vet>4.3.2 Afschrijven van vaste activa in de openbare ruimte met
                                maatschappelijk nut</vet></al><al>In beginsel dienen investeringen in de openbare ruimte met uitsluitend
                            een maatschappelijk nut niet te worden geactiveerd. Indien toch tot
                            activering hiervan wordt overgegaan gelden de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="·"><al>de afschrijvingstermijnen mogen nooit langer zijn dan de in
                                    bijlage A vermelde termijnen;</al></li><li nr="·"><al>extra afschrijvingen ten laste van de reserves zijn toegestaan,
                                    na goedkeuring door de raad.</al></li></lijst><al>Onder activa in de openbare ruimte met een meerjarig maatschappelijk
                            nut, zoals bedoeld in het BBV, worden bijvoorbeeld verstaan:
                            (inrichting) wegen, waterwegen, (civiele) kunstwerken en groen.</al><al><vet>4.3.3 Afschrijven van immateriële vaste activa</vet></al><al>Over de afschrijvingstermijnen van immateriële vaste activa is in het
                            BBV het volgende opgenomen: </al><lijst><li nr="·"><al>de afschrijvingsduur van de kosten verbonden aan het sluiten van
                                    geldleningen en het saldo van agio en disagio is zo kort
                                    mogelijk doch maximaal gelijk aan de looptijd van de
                                    lening;</al></li><li nr="·"><al>voor de kosten van onderzoek en ontwikkeling geldt een maximale
                                    afschrijvingstermijn van vijf jaar.</al></li></lijst><al><vet>4.3.4 Afschrijven van financiële vaste activa</vet></al><al>Op financiële vaste activa wordt normaal gesproken niet afgeschreven; er
                            is geen beperkte gebruiksduur. Er is echter een uitzondering: er moet
                            wel worden afgeschreven - overeenkomstig de verwachte toekomstige
                            gebruiksduur - op bijdragen aan activa in eigendom van derden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>5.</label><titel>Boekwinsten / -verliezen</titel></kop><structuurtekst><al>Indien een actief volledig is afgeschreven en bij verkoop hiervan wordt
                            een restwaarde (inruilwaarde) ontvangen, dan ontstaat een boekwinst. Een
                            boekwinst treedt immers op als de verkoopprijs hoger is dan de
                            boekwaarde op dat moment. Deze boekwinst mag conform het BBV niet in
                            mindering worden gebracht op de aanschaffingsprijs van het nieuwe actief
                            als vervanging plaatsvindt, maar moet in één keer als incidentele baat
                            in de exploitatie worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor een
                            boekverlies. Deze moet in één keer als incidentele last meegenomen
                            worden.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>6.</label><titel>Conclusies en aanbevelingen</titel></kop><structuurtekst><al>Hieronder volgen de conclusies en aanbevelingen welke dienen te
                            waarborgen dat binnen de gemeente Midden-Delfland op uniforme wijze
                            wordt omgegaan met waardering en afschrijving van activa.</al><lijst><li nr="·"><al>Op grond wordt in beginsel niet afgeschreven aangezien hierbij
                                    geen waardevermindering plaatsvindt;</al></li><li nr="·"><al>De restwaarde van activa wordt vanwege het
                                    voorzichtigheidsprincipe gesteld op nihil;</al></li><li nr="·"><al>Investeringen beneden € 10.000 dienen in één keer ten laste van
                                    de exploitatie te worden gebracht;</al></li><li nr="·"><al>Uitgangspunt bij de te hanteren waarderingen en afschrijvingen
                                    vormen de hiervoor beschreven bepalingen uit het Besluit
                                    begroting en verantwoording provincies en gemeenten;</al></li><li nr="·"><al>Uitgangspunt is dat afschrijving op lineaire basis
                                    plaatsvindt;</al></li><li nr="·"><al>De afschrijvingen vinden plaats vanaf het begin van het boekjaar
                                    volgend op het jaar van ingebruikname. Dit geldt voor zowel
                                    investeringen met economisch als met maatschappelijk nut;</al></li><li nr="·"><al>Afschrijven geschiedt op basis van gerealiseerde bedragen;</al></li><li nr="·"><al>Groot onderhoud van vaste activa wordt slechts geactiveerd
                                    indien dit leidt tot een nieuwe functionaliteit van het actief
                                    of een duidelijke technische verandering die leidt tot
                                    levensduurverlenging. In alle andere gevallen dient groot
                                    onderhoud ten laste te komen van de exploitatie of een daartoe
                                    gevormde voorziening;</al></li><li nr="·"><al>De afschrijvingstermijnen worden vastgesteld conform bijlage A.
                                    Slechts in uitzonderlijke gevallen kan hiervan door de raad
                                    worden afgeweken;</al></li><li nr="·"><al>Doorschuiven restant kredieten vindt in principe niet plaats
                                    voor bedragen onder de € 10.000.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al><plaatje><illustratie id="ic812f5b4-062b-47d9-9ab5-5599d43f330f" naam="i73199ic812f5b4-062b-47d9-9ab5-5599d43f330f.jpg" type="foto" breedte="14.8cm" hoogte="17.3cm"/></plaatje></al></bijlage></regeling></body></cvdr>