<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR127243_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gemeente Heumen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 4, 5, 15, lid 1 en 19, lid van de Wmo</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikel 23 (oud) vervalt en artikel 31 (oud) vervalt de zinsnede "en wordt een inkomentoets niet op voorhand uitgesloten".</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09.07 B10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging n.a.v. jurisprudentie over de inkomenstoets.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gemeente Heumen
            2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gelezen het advies van de Burgeradviesraad d.d. 17 oktober 2011;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 november
                        2011;</al><al>gelet op artikel 4, 5, 15 eerste lid, en 19, eerste lid, van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning,</al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>Aanmelding</onderstreept>: de mededeling van
                                    degene die maatschappelijke ondersteuning zoekt aan het college
                                    dat hij beperkingen ondervindt op grond waarvan hij verzoekt een
                                    afspraak te maken voor een gesprek;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>Aanvraag</onderstreept>: het verzoek van de
                                    belanghebbende om in aanmerking te komen voor één of meerdere
                                    voorzieningen om een resultaat te bereiken in het kader van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>Algemeen gebruikelijke voorziening</onderstreept>:
                                    een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een
                                    beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet – aanzienlijk –
                                    duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>Algemene voorziening</onderstreept>: een
                                    voorliggende voorziening die weliswaar niet bestemd is voor,
                                    noch te gebruiken is door alle personen als bedoeld in artikel
                                    4, eerste lid, van de wet, maar die anderzijds door iedereen
                                    waarvoor de voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te
                                    verkrijgen of te gebruiken is, zonder een ingewikkelde
                                    aanvraagprocedure;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>Awb</onderstreept>: Algemene wet
                                    bestuursrecht;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>Belanghebbende</onderstreept>: een persoon met een
                                    beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                                    probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van het
                                    bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en
                                    het zelfstandig functioneren, die voor zichzelf of, met behulp
                                    van een machtiging, door een ander een aanmelding of een
                                    aanvraag doet of laat doen;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>Beleidsregels</onderstreept>: beleidsregels Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>Besluit</onderstreept>: het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>Budgethouder</onderstreept>: een persoon aan wie
                                    als gevolg van deze verordening een persoonsgebonden budget is
                                    toegekend en die aan het college verantwoording over de
                                    besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>Collectieve voorziening</onderstreept>: een
                                    voorziening die individueel wordt verstrekt maar die door
                                    meerdere personen tegelijk wordt gebruikt, in casu het
                                    collectief vraagafhankelijk vervoer;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>College</onderstreept>: College van burgemeester
                                    en wethouders van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>Compensatieplicht:</onderstreept> de plicht van
                                    het college om aan personen met een beperking, een chronisch
                                    psychisch of een psychosociaal probleem voorzieningen te bieden
                                    ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van
                                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen
                                    in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel
                                    en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                                    aan te gaan. Daarbij legt artikel 4 van de wet het college de
                                    plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag
                                    gelden en dat in het individuele geval maatwerk is;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>Financiële tegemoetkoming</onderstreept>: een
                                    geldbedrag, al dan niet forfaitair of gemaximeerd, bedoeld om
                                    een voorziening mee aan te schaffen voor het te bereiken
                                    resultaat;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>Gebruikelijke zorg</onderstreept>: de zorg die op
                                    het gebied van het voeren van het huishouden voor alle leden van
                                    een leefeenheid als algemeen aanvaardbaar wordt beschouwd.</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>Gesprek</onderstreept>: het contact na een
                                    aanmelding waarin met degene die maatschappelijke ondersteuning
                                    zoekt zijn gehele situatie wordt geïnventariseerd ten aanzien
                                    van de beperkingen en de gevolgen daarvan, de te bereiken
                                    resultaten, de te kiezen oplossingen via eigen mogelijkheden of
                                    via mogelijkheden van het netwerk dan wel via algemene, algemeen
                                    gebruikelijke collectieve, (wettelijk) voorliggende en
                                    individuele voorzieningen;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>Hoofdverblijf</onderstreept>: de woonruimte waar
                                    de belanghebbende de meeste nachten per jaar verblijft;</al></li><li nr="q."><al><onderstreept>Huisgenoot</onderstreept>: iedere meerderjarige
                                    met wie belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning
                                    bewoont;</al></li><li nr="r."><al><onderstreept>Individuele voorziening</onderstreept>: een
                                    voorziening die door het college ten behoeve van één persoon op
                                    basis van artikel 4 van de Wmo wordt verstrekt.</al></li><li nr="s."><al><onderstreept>Mantelzorger</onderstreept>: een persoon die
                                    mantelzorg in de zin van artikel 1, lid 1 onder b van de wet
                                    biedt;</al></li><li nr="t."><al><onderstreept>Persoonsgebonden budget</onderstreept>: een
                                    geldbedrag om te gebruiken voor het te bereiken resultaat, als
                                    alternatief voor een voorziening in natura;</al></li><li nr="u."><al><onderstreept>Psychosociaal probleem</onderstreept>: een
                                    situatie van een verlies van zelfstandigheid en, met name, een
                                    gebrek aan mogelijkheden tot deelname aan het maatschappelijk
                                    verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die iemand ondervindt in
                                    zijn relatie met anderen, met zijn sociale omgeving</al></li><li nr="v."><al><onderstreept>Voorliggende voorziening</onderstreept>: een
                                    verzamelnaam voor alle voorzieningen buiten deze verordening
                                    waarop de belanghebbende aanspraak zou moeten maken dan wel een
                                    beroep op zou moeten doen ter oplossing van de
                                    ondersteuningsvraag;</al></li><li nr="w."><al><onderstreept>Voorziening in natura:</onderstreept> een
                                    voorziening, in te zetten om het resultaat te bereiken, in de
                                    vorm van goederen in (bruik)leen of in eigendom, of als
                                    persoonlijke dienstverlening;</al></li><li nr="x."><al><onderstreept>Wet</onderstreept>: Wet maatschappelijke
                                    ondersteuning</al></li><li nr="y."><al><onderstreept>Wettelijk voorliggende voorziening</onderstreept>:
                                    een voorziening op grond van een wettelijke bepaling anders dan
                                    ingevolge de wet, waarmee het resultaat geheel of gedeeltelijk
                                    bereikt kan worden;</al></li><li nr="z."><al><onderstreept>WWB</onderstreept>: Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="aa."><al><onderstreept>Zelfredzaamheid</onderstreept>: het lichamelijke,
                                    verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om
                                    voorzieningen te treffen of te laten treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Resultaatgerichte compensatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie</titel></kop><al>Een belanghebbende is zelfredzaam en in staat tot maatschappelijke
                            participatie wanneer in het gesprek blijkt dat deze zelf of met behulp
                            van zijn eigen netwerk (omgeving) in staat is de nodige voorzieningen te
                            regelen c.q. te laten regelen en/of te financiëren om daarmee te (kunnen
                            blijven) participeren in de maatschappij.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><al>De op basis van artikel 4, eerste lid, van de wet via compenserende
                            maatregelen te bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="2."><al>het kunnen wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="3."><al>het kunnen beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften;</al></li><li nr="4."><al>het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                    kleding;</al></li><li nr="5."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren;</al></li><li nr="6."><al>het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="7."><al>het zich lokaal kunnen verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="8."><al>de mogelijkheid om contacten te kunnen hebben met medemensen en
                                    deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanmelding, het gesprek en de aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Scheiding aanmelding en aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening ex artikel 1, lid
                                1 aanhef en onder g sub 6 van de wet gaat een aanmelding voor een
                                gesprek vooraf indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die nog niet
                                        eerder een aanvraag in het kader van de wet heeft
                                        gedaan;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die al
                                        eerder een gesprek heeft gevoerd maar waarbij sprake is van
                                        gewijzigde omstandigheden of gewijzigde te bereiken
                                        resultaten;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende of het college daarom verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag in te willen
                                dienen vervalt het gestelde in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Aanmelding voor een gesprek</titel></kop><al>Een aanmelding voor een gesprek kan schriftelijk, elektronisch,
                            mondeling of telefonisch worden gedaan bij Vraagwijzer, of een andere
                            door het college aangewezen instantie, door of namens een persoon met
                            een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal
                            probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve van het
                            bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en het
                            zelfstandig functioneren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het voeren van het gesprek zal de International Classification
                                of Functions, Disabilities and Health (ICF) als basis voor het
                                begrippenkader worden gehanteerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval er sprake is van mantelzorg kan tevens de mantelzorger
                                voor het gesprek worden uitgenodigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Het verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het gesprek wordt afgesloten met een verslag. Opmerkingen van de
                                belanghebbende en, indien van toepassing, de mantelzorger, over dit
                                verslag worden als bijlage aan het verslag toegevoegd. Uitsluitend
                                een door de belanghebbende ondertekend verslag kan als
                                aanvraagformulier worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het voeren van een gesprek kan de belanghebbende, gebruik makend
                                van het ondertekende verslag van het gesprek, dat in die situatie
                                als aanvraagformulier dient, een aanvraag indienen voor een
                                individuele voorziening ex artikel 1, lid 1 aanhef en onder g sub 6
                                van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een individuele voorziening moet schriftelijk
                                plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een aanvraag mondeling (via de telefoon of op een andere
                                manier) plaatsvindt wordt dit per omgaande schriftelijk bevestigd.
                                Bij deze bevestiging wordt een aanvraagformulier meegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de aanvraag wordt, als er een ondertekend verslag van het
                                gesprek aanwezig is, dit ondertekende verslag als aanvraagformulier
                                beschouwd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De acht resultaten</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Het maken van een afweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het beoordelen welke voorzieningen getroffen gaan worden,
                                    neemt het college het verslag van het gesprek, indien aanwezig,
                                    als uitgangspunt. Het onderzoek richt zich op de noodzaak en
                                    mogelijkheid tot leveren van maatwerk ten aanzien van het te
                                    bereiken resultaat. Het college gaat uit van de behoeften en
                                    persoonskenmerken van de belanghebbende en zijn sociale netwerk.
                                    Tevens houdt het college rekening met de capaciteit van de
                                    belanghebbende om zelf in de kosten van maatregelen te kunnen
                                    voorzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle voorliggende, algemeen gebruikelijke, collectieve en
                                    algemene voorzieningen die beschikbaar en bruikbaar zijn, worden
                                    voor zover die niet tot een oplossing hebben geleid in het
                                    gesprek, of voor zover er geen gesprek heeft plaatsgevonden,
                                    eerst beoordeeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Resultaat 1: een schoon en leefbaar huis</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Een schoon en leefbaar huis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat
                                    schoon is. Dit geldt ten aanzien van de woonkamer,
                                    slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om een schoon en leefbaar huis kan een individuele
                                    voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                    huishoudelijke werk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt
                                    dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Resultaat 2: wonen in een geschikt huis</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Wonen in een geschikt huis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van
                                    de woning waar men over beschikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om het normale gebruik van de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de
                                    bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de
                                    woning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte
                                    woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke
                                    verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat zal deze
                                    mogelijkheid eerst beoordeeld worden. Deze beoordeling vindt
                                    alleen plaats indien de aanpassing van de woning een bedrag,
                                    zoals genoemd in het Besluit te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt. Een
                                    verhuiskostenvergoeding kan dan wel verstrekt worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Hoofdverblijf en bezoekbaar maken van de woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een individuele voorziening slechts ten
                                    behoeve van het hoofdverblijf van belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, kan een individuele voorziening
                                    worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van één woning indien
                                    belanghebbende zijn hoofverblijf heeft in een AWBZ-instelling.
                                    In dat geval dient de aan te passen woning in de gemeente Heumen
                                    te staan. Onder bezoekbaar maken van een woning wordt
                                    uitsluitend verstaan dat belanghebbende de woonkamer en een
                                    toilet kan bereiken en gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor het bezoekbaar maken van de woning in het
                                    Besluit een maximum bedrag opnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Uitsluitinggronden</titel></kop><al>De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan;</al><lijst><li nr="a."><al> hotels/pensions, trekkerswoonwagens,verzorgingstehuizen,
                                        vakantiewoningen, tweede woningen en bij kamerverhuur;</al></li><li nr="b."><al> woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met
                                        beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat reeds
                                        voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimte
                                        of dat voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder
                                        noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Aanvullende afwijzingsgronden</titel></kop><al>Bij het te bereiken resultaat van het normaal gebruik kunnen maken
                                van de woning wordt, naast de algemene afwijzingsgronden zoals
                                genoemd in artikel 26 van deze verordening, in ieder geval geen
                                individuele voorziening getroffen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze woonvoorziening noodzakelijk zou zijn
                                        en daarmee geen sprake is van een onverwacht intredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="b."><al>de problemen bij het normale gebruik van de woning
                                        voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                        materialen;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
                                        uitsluitend voor zover de voorziening een
                                        verhuiskostenvergoeding betreft;</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende verhuist vanuit of naar een woonruimte die
                                        niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
                                        worden;</al></li><li nr="e."><al>belanghebbende verhuist naar een AWBZ-instelling of een
                                        andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;</al></li><li nr="f."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten, anders dan:</al><lijst><li nr="§"><al>het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren;
                                            </al></li><li nr="§"><al>het aanbrengen van automatische deuropeners; </al></li><li nr="§"><al>het aanbrengen van extra trapleuning(en); </al></li><li nr="§"><al>aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar
                                                de toegang van het woongebouw; </al></li><li nr="§"><al>aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; </al></li><li nr="§"><al>een extra trapleuning aanbrengen bij
                                                portiekwoningen; </al></li><li nr="§"><al>een opstelplaats voor een rolstoel bij de
                                                toegangsdeur van het woongebouw. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Huurderving</titel></kop><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte kan het
                                college, gedurende maximaal vier maanden, een financiële
                                tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met
                                derving van de kale huurinkomsten. Het college kan in het Besluit
                                bepalen dat het voorgaande niet van toepassing is indien het bedrag
                                waarvoor de woning is aangepast minder bedraagt dan een door hen in
                                het Besluit vastgesteld bedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar van een woning die krachtens deze verordening een
                                    voorziening ten behoeve van het normaal gebruik van de woning
                                    heeft ontvangen die leidt tot meerwaarde van de woning dient bij
                                    verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na
                                    gereedmelding van de voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>de verkoop van de woning onverwijld aan het college te
                                            melden; en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de verstrekte woonvoorziening volgens het
                                            in het Besluit vastgelegde afschrijvingsschema aan het
                                            college terug te betalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien de woning wordt
                                    verkocht aan de persoon met beperkingen voor wie de aanpassingen
                                    zijn aangebracht of aan een andere persoon met beperkingen aan
                                    wie op grond van deze Verordening een vergelijkbare woning zou
                                    zijn toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Vermogensdrempel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een belanghebbende komt niet in aanmerking voor een individuele
                                    voorziening, bestaande uit een woningaanpassing, indien hij
                                    eigenaar is van de aan te passen woning, en het in de woning
                                    gebonden vermogen hoger is dan het door het college in het
                                    Besluit vastgesteld bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in de woning gebonden vermogen als bedoeld in het eerste lid
                                    is gelijk aan de waarde van het huis op grond van de wet
                                    Waardering Onroerende Zaken (WOZ), minus de openstaande hoofdsom
                                    van de geldlening in verband met het op de aan te passen woning
                                    gevestigd recht van hypotheek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de totale kosten van de noodzakelijk geachte
                                            woningaanpassing bedoeld in het eerste lid niet hoger
                                            zijn dan het door het college in het Besluit vastgesteld
                                            bedrag, of;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende blijkens de schriftelijke afwijzing
                                            van een tweetal erkende kredietverstrekkers niet in
                                            staat is middels het geven van een recht van hypotheek
                                            het vermogen als bedoeld in het tweede lid, te gelde te
                                            maken tot tenminste het bedrag dat nodig is om de
                                            woonvoorziening te realiseren.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Resultaat 3: beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks
                                    benodigde hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten
                                    waarop iets genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en
                                    schoonmaakartikelen. Ook de noodzakelijke bereiding van
                                    maaltijden kan hieronder vallen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om het beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen
                                    ten aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft
                                    levensmiddelen, schoonmaakmiddelen, en toiletartikelen, alsmede
                                    het bereiden en aanreiken van maaltijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen of voor
                                    zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                    bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening die in de
                                    individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                    bereiken resultaat wordt deze mogelijkheid eerst
                                    beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Resultaat 4: beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                kleding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                    kleding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in
                                    gewassen en zonodig gestreken, opgevouwen of opgehangen
                                    staat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om het beschikken over schone, draagbare en
                                    doelmatige kleding kan een individuele voorziening worden
                                    getroffen ten aanzien van het wassen, drogen en strijken en
                                    opruimen van de dagelijkse was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt
                                    dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Resultaat 5: het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                gezin behoren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg
                                    voor in het huishouden aanwezige kinderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot
                                    het gezin behoren, kan een individuele voorziening worden
                                    getroffen ten aanzien van het – zo mogelijk tijdelijk ter
                                    overbrugging van een periode noodzakelijk voor het nemen van
                                    meer definitieve maatregelen – vervangen van de ouder die in
                                    principe voor de kinderen zorgt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of
                                    andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de
                                    de belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat
                                    worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.</nr><titel>Resultaat 6: zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het zesde te bereiken resultaat ten aanzien van het zich
                                    verplaatsen in en om de woning bestaat uit het in staat zijn de
                                    woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet
                                    en de douche, de berging, de tuin of het balkon kunnen bereiken
                                    en er zich zodanig kunnen redden dat normaal functioneren
                                    mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om het verplaatsen in en om de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen bestaande uit een
                                    rolstoel voor dagelijks zittend gebruik.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare rolstoelpool die in de individuele situatie van de
                                    belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat wordt
                                    deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8.</nr><titel>Resultaat 7: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                    verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                    dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie,
                                    kennissen en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de
                                    directe woon- en leefomgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel,
                                    kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van
                                    het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het
                                    verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon en
                                    leefomgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare scootermobielpool of van collectief
                                    vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur of van kamer tot
                                    kamer die in de individuele situatie van de belanghebbende kan
                                    leiden tot het te bereiken resultaat worden deze mogelijkheden
                                    eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inkomensgrens</titel></kop><al><cursief>Vervallen met ingang van 1 januari 2013.</cursief></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9.</nr><titel>Resultaat 8: de mogelijkheid om contacten te hebben met
                                medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                religieuze activiteiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                                    contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan
                                    recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat
                                    uit het zo mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het
                                    deelnemen aan gewenste activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het gaat om de mogelijkheid om contacten te hebben met
                                    medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                    religieuze activiteiten kan een individuele voorziening worden
                                    getroffen als bedoeld in artikel 22, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer
                                    aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de
                                    individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                    bereiken resultaat worden deze mogelijkheden eerst
                                    beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Toekenningsvereisten en afwijzingsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Toekenningsvereisten</titel></kop><al>Het college kan een voorziening slechts toekennen in het geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak voor het te bereiken doel langdurig noodzakelijk is,
                                    met als uitzondering kortdurende hulp bij het huishouden welke
                                    leidt tot het te bereiken resultaat;</al></li><li nr="b."><al>de te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende
                                    voorziening aan te merken is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Afwijzingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Door het college wordt in ieder geval geen voorziening toegekend
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende zelf een alternatief kan (laten) regelen
                                        of geacht wordt dat te doen omdat het tot de eigen
                                        verantwoordelijkheid van betrokkene behoort om een
                                        alternatief voor de beperking te vinden;</al></li><li nr="b."><al>bij of krachtens enige andere wettelijke regeling aanspraak
                                        bestaat op de gevraagde voorziening of op een voorliggende
                                        voorziening waarmee kan worden voorzien in een oplossing
                                        voor de belanghebbende;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="d."><al>de de belanghebbende niet woonachtig is in de gemeente
                                        Heumen;</al></li><li nr="e."><al>een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft
                                        eerder werd verstrekt en de afschrijvingstermijn nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die aan belanghebbende niet zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="f."><al> de aangevraagde voorziening betrekking heeft op een hoger
                                        niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="g."><al> er aan de zijde van de belanghebbende geen sprake is van
                                        aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan geen voorziening toekennen in het geval de aanvraag
                                betrekking heeft op kosten die de belanghebbende maakte voor de
                                bekendmaking van de beschikking, tenzij het college vooraf
                                uitdrukkelijk schriftelijke toestemming heeft gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Wijze van verstrekken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Vormen en keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan door het college worden verstrekt in
                                natura, als persoonsgebonden budget en als financiële
                                tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De belanghebbende heeft de keuzevrijheid om in plaats van de
                                voorziening in natura een persoonsgebonden budget te ontvangen,
                                tenzij het college van oordeel is dat er overwegende bezwaren zijn
                                als bedoeld in artikel 6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt in de beleidsregels vast in welke situaties sprake
                                is van overwegende bezwaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Verstrekking in natura</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te treffen voorziening is;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur is van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening in natura verstrekt wordt en</al></li><li nr="d."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                        verstrekking is geregeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Verstrekking als persoongebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van het persoongebonden budget zoals genoemd in artikel 6
                                van de wet is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst-compenserende te verstrekken voorziening in natura,
                                indien nodig aangevuld met een vergoeding voor de kosten voor
                                onderhoud, zoals vastgelegd in het Besluit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In de beschikking wordt vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor welk te bereiken resultaat het persoonsgebonden budget
                                        gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een programma
                                        van eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden;</al></li><li nr="b."><al>Wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze
                                        omvang tot stand is gekomen;</al></li><li nr="c."><al>Wat de looptijd is van de verstrekking waarvoor het
                                        persoonsgebonden budget bedoeld is, en;</al></li><li nr="d."><al>Op welke wijze het persoonsgebonden budget wordt
                                        uitbetaald;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en
                                uitbetaald, wordt door het college vastgelegd in het Besluit.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget, ten behoeve van huishoudelijke hulp,
                                besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder
                                is verplicht de daarvoor noodzakelijke bescheiden op verzoek van het
                                college per omgaande te verstrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Verstrekking als financiële tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk te bereiken resultaat de financiële tegemoetkoming
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                        verstrekking is geregeld, en;</al></li><li nr="d."><al>wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen aandeel wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt in het Besluit de geldende tegemoetkomingen en de
                                wijze waarop deze worden uitbetaald vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of een
                                eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de volgende
                                resultaten:</al><lijst><li nr="1."><al>het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="2."><al>het kunnen wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="3."><al>het kunnen beschikken over goederen voor primaire
                                        levensbehoeften;</al></li><li nr="4."><al>het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                        kleding;</al></li><li nr="5."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                        behoren;</al></li><li nr="6."><al>het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="7."><al>het zich lokaal kunnen verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="8."><al>de mogelijkheid om contacten te kunnen hebben met medemensen
                                        en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                        religieuze activiteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in het Besluit de omvang van deze eigen bijdrage en
                                eigen aandeel vast met inachtneming van het landelijk Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Procedurele bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de termijn waarbinnen een besluit op de aanvraag genomen moet
                                worden, geldt het bepaalde in artikel 4:13, van de Awb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In uitzondering op het eerste lid, geldt bij een voorziening waar
                                een bouwkundige offerte opgevraagd moet worden een beslistermijn van
                                maximaal 24 weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>De belanghebbende is verplicht om op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging aan het college mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            van invloed kunnen zijn op de te verstrekken voorziening dan wel reeds
                            verstrekte voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Onderzoek en advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke zorg diens relevante
                                huisgenoten uit te nodigen:</al><lijst><li nr="a."><al>om in persoon te verschijnen op een door het college te
                                        bepalen plaats en tijdstip en hem te verzoeken die
                                        inlichtingen te verstrekken die naar het oordeel van het
                                        college nodig zijn om een besluit te kunnen nemen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische of andere inhouderlijk
                                        redenen wordt afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>dit naar het oordeel van het college, mede gelet op aard of
                                        samenloop van de problmeatiek, noodzakelijk is voor een
                                        zorgvuldige besluitvorming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een belanghebbende is verplicht aan het college of door hen
                                aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                                verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Heronderzoek</titel></kop><al>Het college is bevoegd, na de verstrekking van een voorziening krachtens
                            de wet of de Wet voorzienignen gehandicapten, een heronderzoek uit te
                            voeren om vast te kunnen stellen of de omstandigheden die hebben geleid
                            tot het verstrekken van een voorziening, gewijzigd zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld
                                        bij of krachtens de wet of deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat
                                        die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                        gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                        genomen;</al></li><li nr="c."><al>de voorzieningn ten onrechte is verstrekt en de
                                        belanghebbende dit wist of redelijkerwijs heeft kunnen
                                        weten;</al></li><li nr="d."><al>de financiële tegemoetkoming of het persoongebonden budget
                                        binnen zes maanden na uitbetlaing niet is aangewend voor de
                                        bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Terugvordering en verrekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval het recht op een voorziening geheel of gedeeltelijk is
                                ingetrokken, kan het college op basis daarvan een ten onrechte
                                betaalde financiële tegemoetkoming of persoongebonden budget
                                terugvorderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte
                                voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd een persoonsgebonden budget of financiële
                                tegemoetkoming die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
                                uitgekeerd, te verrekenen met een vordering van een geldschuld op
                                grond van deze wet of de WWB.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd een geldschuld, die het gevolg is van
                                onverantwoord gebruik van een hulpmiddel, te verrekenen met een
                                vordering van een geldschuld op grond van deze wet of de WWB.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening
                                indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het Besluit geldende bedragen verhogen of verlagen aan de
                            hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie, zoals bepaald in
                            artikel 4.5, eerste lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            (Stb. 2006, 450).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar
                            geëvalueerd. Dit beleidsplan wordt gevolgd door jaarlijkse
                            uitvoeringsprogramma’s. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft
                            wordt het beleid vervolgens aangepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Bekendmaking, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt bekendgemaakt in de Regiodiek van de
                                    gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.
                                    Tezelfdertijd wordt de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning,
                            zoals is vastgesteld door de raad op 16 december 2010, ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Heumen 2012.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Heumen in zijn
                        openbare vergadering van 15 december 2011,</ondertekening><ondertekening>BvdA</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting verordening Wmo</tussenkop><tussenkop>Achtergrond</tussenkop><al>De opbouw van deze verordening is anders dan die van de voorafgaande
                    verordening(en). Het zwaartepunt in de verordening ligt op de kern van de wet,
                    “de compensatieplicht”, het “gesprek” en de te bereiken resultaten in het kader
                    van “De Kanteling: een proces, ingezet door samenwerking tussen de VNG enerzijds
                    en CG-Raad en gezamenlijke Ouderenbonden anderzijds, om de Wmo te doen kantelen
                    naar een wijze van uitvoeren die recht doet aan de bedoeling van de wetgever,
                    met name ten aanzien van het begrip “compensatieplicht”.</al><al>Uiteraard wordt in de verordening begonnen met het kernbegrip
                        <cursief>compensatieplicht</cursief> zoals geschetst in artikel 4, eerste
                    lid, van de wet (een huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning,
                    zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis
                    daarvan sociale verbanden aangaan). Omdat er geen begripsomschrijving van de
                    compensatieplicht in de wet is opgenomen, is dat in de verordening in artikel 1
                    onder l gedaan. Verder is in hoofdstuk 2 de compensatieplicht
                    (inspanningsverplichting) voor de gemeente conform de uitgangspunten van de
                    gemeenteraad verwoord. De beleidsvrijheid in de wet is daarmee nader ingevuld,
                    waarbij rekening is gehouden met de meest recente jurisprudentie. Bij de plicht
                    tot compenseren wordt uitgegaan van de persoonlijke situatie waarin een
                    belanghebbende zich bevindt. Bij de afhandeling van een melding of aanvraag is
                    niet de gevraagde voorziening leidend, maar de eigen kracht (aanwezige
                    zelfredzaamheid en (on)mogelijkheden) en het sociale netwerk van de
                    belanghebbende. Dit betekent dus dat zowel de gemeente als de belanghebbende een
                    verantwoordelijkheid heeft. De gemeente heeft de verplichting om (individuele)
                    voorzieningen te verstrekken in situaties waaruit blijkt dat dit nodig is. De
                    belanghebbende heeft zijn<sup/> eigen verantwoordelijkheid in het helpen
                    oplossen of mogelijk maken van een oplossing voor de ondervonden problemen.
                    Samen wordt er dus gezocht naar een oplossing!</al><al>Na behandeling van de compensatieplicht ligt het zwaartepunt in de verordening
                    op het “gesprek” en op de te behalen resultaten in plaats van op te verstrekken
                    voorzieningen. Het zogenaamde gesprek is een open gesprek waarin samen met de
                    persoon die compensatie behoeft een zo volledig mogelijke inventarisatie gemaakt
                    wordt van zijn situatie, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn wensen en
                    individuele specifieke kenmerken en de problemen die om een oplossing vragen.
                    Leidend hierbij is het te bereiken resultaat. Op basis hiervan kan bekeken
                    worden welke mogelijkheden er zijn om dit resultaat te bereiken met oplossingen
                    die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden/eigen kracht, sociale netwerk,
                    (wettelijk) voorliggende voorzieningen, algemene voorzieningen, algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen of collectieve voorzieningen. Daarna wordt duidelijk
                    op welke punten nog individuele voorzieningen nodig zijn en kunnen deze
                    eventueel aangevraagd worden. Ook daarbij is rekening gehouden met de meest
                    recente jurisprudentie in het kader van de wet, met name die van de Centrale
                    Raad van Beroep.</al><al>Door deze wijze van werken wordt het proces om te komen tot oplossingen in twee
                    delen gesplitst: een inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het gesprek en
                    een fase van aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen.
                    Het is zelfs mogelijk een keuze te maken die leidt tot invulling van beide fasen
                    door verschillende personen binnen de gemeente of in samenwerking met andere
                    organisaties. Zo zou het gesprek gevoerd kunnen worden door een dicht bij de
                    compensatiebehoevende staande professional (zoals een ouderenadviseur of een
                    medewerker van MEE), terwijl de fase van de concrete aanvraag voor een
                    individuele voorziening een taak is van de gemeente
                    (participatieconsulent).</al><tussenkop>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Ad a. Aanmelding</al><al>In het kader van het gesprek wordt niet gesproken van een aanvraag maar van een
                    aanmelding. De aanmelding heeft geen juridische status. Het geeft verschillende
                    aspecten van het gesprek aan. Allereerst dat het gesprek niet het onderzoek is
                    naar een te verstrekken voorziening, maar het onderzoek naar de situatie van
                    betrokkene, zijn behoeften, de te bereiken resultaten enz. Dit is dan
                    uitgangspunt voor de beoordeling welke resultaten bereikt kunnen worden met
                    algemene voorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn. Dit traject kan
                    uiteindelijk ook nog leiden tot een aanvraag voor een individuele voorziening.
                    Het gesprek is evenwel geen vrijblijvende zaak: het gesprek is mede de basis
                    voor de eventuele aanvraag voor een individuele voorziening. Van het gesprek
                    wordt een verslag gemaakt dat, mits ondertekend, als aanvraag kan dienen.
                    Overigens blijft het de belanghebbende vrij om direct een aanvraag in te dienen. </al><al>Anders dan de aanvraag kan bij de gemeente Heumen de aanmelding langs de
                    elektronische weg worden gedaan.</al><al>Ad b. Aanvraag</al><al>De aanvraag in het kader van de Wmo volgt in principe op het gesprek. Het moge
                    duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie van
                    betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is bij de gemeente.
                    Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens het
                    bereiken van de afschrijvingstermijn, of als een goed bekende belanghebbende een
                    nieuwe aanvraag doet.</al><al>In artikel 4:1 van de Awb staat vermeld dat tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald, de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk
                    ingediend wordt bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te
                    beslissen. </al><al>Ad c. Algemeen gebruikelijke voorziening</al><al>Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie o.a. CRvB
                    03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG en CRvB 14-07-2010,
                    nr. 09/562 WVG) is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk
                    als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een
                    handicap, zodat de voorziening ook op grote schaal door niet-gehandicapten wordt
                    gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de
                    revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet
                    (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare voorzieningen. In het geval het gaat
                    om bijvoorbeeld een aanpassing van een gewone fiets dan zal de fiets als een
                    algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt en de aanpassing op zich
                    zelf, en niet de aangepaste fiets als geheel, als een individuele
                    voorziening.</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de persoon als aanvrager (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352). Hierbij kan
                    dus bijvoorbeeld ook de leeftijd van de persoon meespelen. Ook moet het college
                    de omstandigheden van de aanvrager betrekken. Dat zouden onder andere financiële
                    omstandigheden kunnen zijn (zie CRvB 03-12-2008, nr. 07/1405 WVG).</al><al>Ad d. Algemene voorziening</al><al>Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en
                    product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle
                    inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op
                    eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te
                    gebruiken. Voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="Ø"><al>De dagrecreatie voor ouderen</al></li><li nr="Ø"><al>Boodschappendienst</al></li><li nr="Ø"><al>De sociale alarmering</al></li><li nr="Ø"><al>De maaltijdservice (tafeltje Dekje) en de eetservice in Maldenburch</al></li><li nr="Ø"><al>Klussendienst</al></li><li nr="Ø"><al>Stadsregiotaxi en Vervoer op maat</al></li><li nr="Ø"><al>De rolstoelpools voor incidentele situaties</al></li><li nr="Ø"><al>Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen</al></li></lijst><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de
                    Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet.</al><al>Ad. f. Belanghebbende</al><al>Doordat in de wet gesproken wordt over mantelzorgers en vrijwilligers als
                    doelgroep, kan het begrip ‘belanghebbende ‘ruimer zijn dan alleen betrokkene
                    zelf. In de gemeente Heumen is er echter voor gekozen om het begrip
                    ‘belanghebbende’ te beperken tot de persoon met een beperking, een chronisch
                    psychisch probleem of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan
                    compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het
                    maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, die voor zichzelf of,
                    met behulp van een machtiging, door een ander een aanmelding of een aanvraag
                    doet of laat doen.</al><al>Ad i. Budgethouder</al><al>De budgethouder is de persoon die de beschikking krijgt over het budget en over
                    de besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.</al><al>Ad j. Collectieve voorziening</al><al>Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door
                    meerdere personen tegelijk worden gebruikt. </al><al>Ad l. Compensatieplicht</al><al>De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend
                    aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008. In deze
                    uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel standpunt gegeven over de Wmo.
                    Het letterlijke citaat luidt:</al><al>“4.2.2. Artikel 4 van de Wmo verplicht het College aan de in dat artikel
                    genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op
                    het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de
                    woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten
                    en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de
                    zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de
                    doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College gericht moet zijn.
                    Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de
                    gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen
                    op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                    compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het
                    College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de
                    rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen
                    die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het
                    College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als
                    compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de
                    wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende beoordeling
                    van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit. Wel heeft hij
                    daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een dergelijk besluit in
                    het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit
                    leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College
                    bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het
                    concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in
                    artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De Raad vindt hiervoor steun in
                    de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder in het verslag van het
                    wetgevingsoverleg (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 58 en 61), de
                    brief van de staatssecretaris van 30 oktober 2006 (Tweede Kamer 2006-2007, 30
                    131, nr. 122, p. 6), de memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30131, C,
                    p. 7, 9, 10 en 57), de nadere memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30
                    131, E, p. 19 en 25) en de Handelingen (Eerste Kamer 27 juni 2006, p.
                    34-1645).”</al><al>Uit dit citaat zijn de belangrijkste bestanddelen samengevoegd tot de volgende
                    begripsomschrijving:</al><al>“Compensatieplicht: De plicht van het College van burgemeester en wethouders aan
                    personen met een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal
                    probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het
                    gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in
                    staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de
                    woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten
                    en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan (met als doeleinden de
                    zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen). Daarbij
                    legt artikel 4 van de Wmo het College de plicht op om een resultaat te bereiken
                    dat als compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk is”</al><al>De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in
                    ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch
                    of een psychosociaal probleem, waaronder ook ouderen kunnen vallen. Daarbij moet
                    het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de
                    maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een
                    huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                    sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet
                    worden van de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende. Dat legt een
                    beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het
                    hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds
                    wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de
                    Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”</al><al>Ad m. Financiële tegemoetkoming</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet perse kostendekkende vergoeding, maar een
                    bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.</al><al>Ad n. Gebruikelijke zorg</al><al>Als in een leefeenheid meerdere personen wonen hebben zij gezamenlijk de taak
                    tot het voeren van een huishouden. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de
                    verdeling en dit uitgangspunt heeft een verplichtend karakter. E.e.a. is
                    uitgewerkt in het Protocol Gebruikelijke zorg.</al><al>Ad o. Gesprek</al><al>Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen
                    ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich
                    aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het
                    college, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    inventariseert waar betrokkene en zijn mantelzorger(s) problemen ondervindt, wat
                    betrokkene nog zelf kan, wat de te bereiken resultaten zijn in de ogen van
                    betrokkene, wat de behoeften daarbij zijn, welke oplossingen er in de
                    maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen, zodat
                    een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de problemen. Met die
                    oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd. Voor zover die
                    resultaten niet in die gesprekken al te behalen zijn, zal een vervolg
                    noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag die leidt tot een beschikking. Het
                    gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag. Het verslag van het gesprek zal dan
                    ook bij de aanvraag worden gevoegd. Wie direct een aanvraag wil doen zonder
                    gesprek verplaatst in feite het gesprek naar de aanvraag. </al><al>Ad p. Hoofdverblijf</al><al>De compensatieplicht strekt zich uit tot de inwoners van de gemeente. Uit de
                    feiten en omstandigheden moet blijken of een belanghebbende daadwerkelijk
                    duurzaam in de gemeente woont. Bij twijfel kan de plaats waar per jaar de meeste
                    nachten worden doorgebracht beschouwd worden als de plaats waar iemand zijn
                    hoofdverblijf heeft. Ook inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie is
                    onderdeel van het onderzoek.</al><al>Ad r. Individuele voorziening</al><al>In dit onderdeel wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet
                    voor iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4
                    van de wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van
                    deze voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat
                    bezwaar en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals
                    die rond eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al>Ad s. Mantelzorger</al><al>Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting
                    gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in
                    artikel 1 lid 1 onder b.</al><al>Ad t. Persoonsgebonden budget</al><al>Dit onderdeel beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag bedoeld
                    om het te bereiken resultaat te bereiken.</al><al>Ad u. Psychosociaal probleem</al><al>Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar
                    inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken
                    is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo
                    heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke
                    betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is
                    overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009.
                    LJN: BI6832). Het betreft met name een verlies van zelfstandigheid of deelname
                    aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.</al><al>Ad v. Voorliggende voorziening</al><al>Voorliggende voorzieningen kunnen algemeen gebruikelijke voorzieningen ,
                    algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen zijn. Bij deze voorzieningen
                    is de functie bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen.</al><al>Ad w. Voorziening in natura</al><al>Omschreven is in dit onderdeel wat een voorziening in natura is.</al><al>Ad y. Wettelijk voorliggende voorziening</al><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en
                    in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan op de
                    Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene
                    Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang, de verschillende
                    arbeidsongeschiktheidswetten.</al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo , zo is in
                    artikel 2 Wmo bepaald.</al><al>Ad aa. Zelfredzaamheid</al><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting van het amendement-Miltenburg
                    c.s.(30 131, nr. 65) dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Resultaatgerichte compensatie</tussenkop><tussenkop>Algemeen.</tussenkop><al>Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken
                    resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht. Daarnaast is in hoofdstuk 2 de compensatieplicht van de
                    gemeente nader ingevuld door te omschrijven wanneer iemand wordt geacht
                    zelfredzaam en in staat tot maatschappelijke participatie te zijn.</al><tussenkop>Artikel 2. Zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie</tussenkop><al>Met deze bepaling is met inachtneming van de bedoeling van de wetgever en
                    recente jurisprudentie nadere invulling gegeven aan voor welke inwoners de
                    compensatieplicht van de gemeente geldt. Wanneer iemand zelf of met behulp van
                    zijn omgeving in staat is een voorziening te regelen en/of te financiëren is
                    sprake van zelfredzaamheid waardoor maatschappelijke participatie tot de eigen
                    mogelijkheden behoort. Ondersteuning vanuit de gemeente is dan niet
                    verplicht.</al><al>Omdat de wet maatwerk vereist zal telkens in het individuele voorliggende geval
                    bovenstaand uitgangspunt beoordeeld moeten worden. Bij dit onderzoek houdt het
                    college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende,
                    maar ook met de capaciteit van de belanghebbende om zelf in de kosten van de
                    benodigde maatregelen/voorzieningen te kunnen voorzien. De in de wet in artikel
                    4, tweede lid, bedoelde financiële capaciteit kan zowel vermogen als inkomen
                    omvatten. De gemeente Heumen hanteert vooralsnog een inkomenstoets bij
                    vervoersvoorzieningen en een vermogenstoets bij woonvoorzieningen bij eigen
                    huis. </al><tussenkop>Artikel 3. De te bereiken resultaten</tussenkop><al>Er zijn uit de in artikel 4 van de wet genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht acht te bereiken resultaten afgeleid: </al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op deze acht terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. Ook de Centrale Raad van Beroep spreekt over
                    resultaatverplichting.</al><al>Deze resultaten zijn afkomstig uit de eerste bouwsteen die het resultaat was van
                    het VNG-project `De Kanteling` en is als brochure onder de titel `Denken in
                    resultaten. Bouwsteen voor een nieuwe modelverordening Wmo` uitgebracht. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Aanmelding, het gesprek en de
                    aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 4. Scheiding aanmelding en aanvraag</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat er een scheiding wordt aangebracht tussen een aanmelding
                    en een aanvraag. In een drietal situaties, namelijk wanneer iemand zich voor het
                    eerst meldt voor een individuele voorziening, wanneer iemand zich niet voor het
                    eerst meldt, maar wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een
                    nieuw gesprek rechtvaardigen, of indien ofwel belanghebbende ofwel de gemeente
                    dat gewenst vindt, dient een aanvraag voorafgegaan te worden door het gesprek.
                    Dit uitgangspunt wordt terzijde gezet als betrokkene aangeeft direct een
                    aanvraag te willen doen. Op een aanvraag is Afdeling 4.1.1. van de Awb van
                    toepassing. In een dergelijke situatie zal het gesprek tijdens de
                    aanvraagprocedure plaats kunnen vinden in de vorm van het noodzakelijke
                    gemeentelijke onderzoek.</al><al>Globaal kan gesteld worden dat een aanvraag pas beoordeeld kan worden als op
                    basis van een gesprek een uitgebreide inventarisatie heeft plaatsgevonden en
                    alle mogelijke niet-individuele voorzieningen al zijn beoordeeld. Dat betekent
                    dat het voor de gemeente duidelijk moet zijn dat er geen andere oplossingen zijn
                    dan een individuele oplossing en dat de te bereiken resultaten en de manier
                    waarop die resultaten bereikt kunnen worden vastgelegd zijn en beoordeeld als
                    vallend onder de Wmo.</al><tussenkop>Artikel 5. Aanmelding voor een gesprek</tussenkop><al>Artikel 5 bepaalt dat een gesprek aangevraagd wordt middels een aanmelding. Het
                    gesprek leidt niet tot een beschikking, dus is er geen sprake van een aanvraag
                    waarbij de regels van de Awb moeten worden gevolgd. Daarom kan een aanmelding
                    ook mondeling, telefonisch of elektronisch worden gedaan, hetgeen in principe
                    niet automatisch voor een formele aanvraag, zoals in Hoofdstuk 4 genoemd,
                    geldt.</al><al>Als een aanmelding is gedaan dan ontvangt de aanvrager een ontvangstbevestiging
                    met het rapportage-format met het bericht dat de aanvrager wordt uitgenodigd
                    voor een gesprek. Vervolgens wordt, , conform de kwaliteitsnormen van de
                    gemeente Heumen, met de aanvrager contact opgenomen voor het maken van een
                    afspraak. </al><tussenkop>Artikel 6. Het gesprek</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                    compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door eerdere
                    aanvragen en een eerder gesprek al bekend is kan wellicht de fase van het
                    gesprek overslaan. Dit zal niet altijd het geval zijn. Na een gewijzigde
                    situatie kan het van belang zijn een nieuw of een aanvullend gesprek te
                    houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft behoefte te
                    hebben aan compensatie, verder belanghebbende genoemd – een complete
                    inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij
                    de belanghebbende en inventariseert:</al><lijst><li nr="Ø"><al>De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal
                            probleem dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al></li><li nr="Ø"><al>De mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft.</al></li><li nr="Ø"><al>De onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het
                            ondervonden probleem of de ondervonden problemen.</al></li><li nr="Ø"><al>De resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in
                            deze verordening weergegeven terreinen.</al></li><li nr="Ø"><al>Hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande
                            belemmeringen op te lossen.</al></li><li nr="Ø"><al>De mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen
                            oplossingen, de inzet van het eigen netwerk, via algemene voorzieningen,
                            via algemeen gebruikelijke voorzieningen of via collectieve
                            voorzieningen te bereiken.</al></li><li nr="Ø"><al>De mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via
                            een individuele voorziening op te lossen.</al></li></lijst><al>Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening
                    in het kader van prestatieveld 6 van de Wmo (artikel 1, eerste lid, onder g, sub
                    6, van de Wmo). Dit is van groot belang om te voorkomen dat er een claimgerichte
                    invulling van de Wmo plaatsvindt, welke invulling in strijd is met de
                    doelstelling van de Wmo. Dat heeft consequenties. Wanneer iemand met een
                    claimgerichte aanvraag komt en die uitsluitend claimgericht behandeld wil zien
                    kan dit betekenen dat een gemeente moeilijk maatwerk kan leveren.</al><al>Bij het gesprek zal het begrippenkader van de ICF, de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Health, uitgangsput zijn. Ook bij
                    de formulering van de te bereiken resultaten is het ICF basis geweest. Het is de
                    wens van de wetgever geweest dat dit plaats zou vinden. Het gesprek zal alleen
                    gevoerd kunnen worden door een persoon die ter plekke uitstekend bekend is:
                    kennis van alle in de regio aanwezige mogelijkheden aan algemene, algemeen
                    gebruikelijke, collectieve en ook individuele voorzieningen is onmisbaar voor
                    het goed voeren van een gesprek. Na dit gesprek moet een gemeente er immers van
                    uit kunnen gaan dat alle voorliggende, door belanghebbende zelfstandig aan te
                    spreken mogelijkheden, bekeken zijn. Het kan niet de bedoeling zijn dat dit na
                    een aanvraag alsnog beoordeeld moet worden.</al><al>Mocht de gemeente nadat een aanvraag is ingediend behoefte hebben aan een
                    medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline,
                    dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een
                    procedure als het gesprek waarbij belanghebbende en zijn wensen en persoonlijke
                    kenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde
                    individuele voorziening.</al><al>In praktijk zal er ongetwijfeld een soort lijst ontstaan aan de hand waarvan het
                    gesprek gevoerd zal worden. Een dergelijke lijst is van belang om te zorgen dat
                    er geen enkel mogelijk van belang zijnd punt vergeten wordt. Dit betekent niet
                    dat het gesprek een starre opzet kan hebben: naast structuur die door de
                    professional aangebracht kan worden is er de richting die de belanghebbende aan
                    het gesprek geeft.</al><al>Het gesprek wordt in principe bij de belanghebbende thuis gevoerd. Er is een
                    aantal argumenten aan te voeren waarom dit de meest geschikte plek is: het is de
                    vertrouwde omgeving van betrokkene, een professional kan zich gemakkelijker
                    aanpassen aan wisselende plaatsen dan een niet-professional, het kan relevant
                    zijn de leefomgeving van de belanghebbende te zien om de loop van het gesprek
                    beter te begrijpen, enz. Ook is het mogelijk het ten kantore van degene die als
                    professional aan het gesprek deelneemt te houden. Dit omdat bijvoorbeeld in de
                    thuissituatie door allerlei omstandigheden (kleine kinderen?) een gesprek niet
                    mogelijk of uiterst ingewikkeld is.</al><al>Verder is het mogelijk dat de belanghebbende aangeeft het gesprek liever elders
                    te voeren. Dat zou kunnen zijn bij een vertrouwenspersoon of een naast
                    familielid.</al><al>Het gesprek wordt gevoerd aan de hand van een lijst van te bespreken punten die
                    tegelijk met de bevestiging van de afspraak voor het gesprek aan belanghebbende
                    wordt toegezonden. Een dergelijke lijst maakt het voor belanghebbende, indien
                    hij dit wil, mogelijk zich voor te bereiden op het gesprek. Daardoor komen
                    belanghebbende en de professional meer in een gelijke positie te verkeren dan
                    zonder informatie vooraf. De lijst mag niet leiden tot een starre benadering van
                    het gesprek door de lijst strikt te volgen. De lijst is bedoeld als
                    ondersteuning.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Geeft aan dat het ICF de basis is voor het begrippenkader van het gesprek. Dit
                    wil niet zeggen dat het ICF op tafel moet komen of dat belanghebbende bekend
                    moet zijn met het ICF. Het ICF zal aan de basis liggen van de lijst met te
                    bespreken punten en de daarbij te gebruiken begrippen. Wel betekent dit dat de
                    professional het ICF dient te kennen.</al><al>Lid 2.</al><al>Bepaalt dat in het geval er sprake is van mantelzorg, het gesprek zo mogelijk
                    ook met de mantelzorger gevoerd zal worden.</al><tussenkop>Artikel 7. Het verslag.</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Belanghebbende heeft de mogelijkheid in het verslag correcties en aanvullingen
                    aan te brengen. Deze komen niet in de plaats van het oorspronkelijke verslag,
                    maar worden aan het oorspronkelijke verslag toegevoegd.</al><al>Het verslag kan als aanvraagformulier worden gebruikt maar dient in dat geval
                    wel te zijn voorzien van zijn naam, adres en een dagtekening en te zijn
                    ondertekend door belanghebbende. Daarbij dient men zich te realiseren dat het
                    gesprek gevoerd wordt vanuit de belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke
                    kenmerken. Van het verslag kan dan ook niet verwacht worden dat het een
                    objectieve weergave van de situatie van betrokkene weergeeft: het zal duidelijk
                    subjectieve aspecten bevatten. Deze subjectieve aspecten zullen als zodanig
                    herkenbaar moeten zijn. Bestaat er uiteindelijk behoefte aan een objectieve
                    onderbouwing, dan zal dat na de aanvraag plaats moeten hebben.</al><al>Lid 2.</al><al>Het is mogelijk is, indien daar aanleiding toe bestaat, met het verslag van het
                    gesprek een formele aanvraag bij de gemeente in te dienen. Met die aanvraag
                    wordt een formele procedure ingezet die gebonden is aan de regels van de Awb. </al><tussenkop>Artikel 8. De aanvraag</tussenkop><al>Lid 1 </al><al>Een aanvraag van een individuele voorziening moet altijd schriftelijk worden
                    gedaan. Dit is een verplichting op grond van artikel 4:1 van de Awb, dat bepaalt
                    dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders bepaald, een aanvraag tot het geven
                    van een beschikking schriftelijk moet worden ingediend.</al><al>Lid 2</al><al>Hierin wordt bepaald dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een
                    andere manier wordt ingediend de gemeente deze indiening schriftelijk moet
                    bevestigen onder gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier om deze
                    aanvraag formeel te maken. </al><al> Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                    beschikking (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat het
                    aanvraagformulier,volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bijlagen
                    waaronder het eventuele verslag van het gesprek, bij de gemeente is
                    binnengekomen. Het spreekt voor zich dat deze belangrijke informatie in de
                    begeleidende brief bij het aanvraagformulier verstrekt dient te worden.</al><al>Lid 3.</al><al>Als er een gesprek is gevoerd waarvan een verslag is gemaakt dat is ondertekend,
                    is voorzien van naam, adres en een dagtekening, wordt dit verslag van het
                    gesprek als aanvraagformulier beschouwd. OP de aanvraag is afdeling 4.1.1. van
                    de Awb van toepassing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. De acht resultaten</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1. Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Het maken van een afweging</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Het college neemt het verslag van het gesprek tot uitgangspunt van de
                    beoordeling van de vraag welke voorzieningen getroffen gaan worden, dient te
                    nemen. Daarbij gaat het college uit van de persoonskenmerken en behoeften van de
                    belanghebbende, zoals artikel 4 Wmo voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het
                    college die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en
                    de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat
                    mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk
                    is. Het College kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om
                    het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald hulpmiddel. De
                    gemeente Heumen heeft de mogelijkheid om rekening te houden met de financiële
                    draagkracht van betrokkene ten aanzien van vervoersvoorzieningen en de
                    aanpassing van een eigen woning expliciet in de artikelen 17 en 23 van de
                    verordening geregeld. Dit betekent overigens niet dat ook bij de andere
                    resultaten niet zou mogen worden gekeken naar de financiële draagkracht van
                    betrokkene omdat zelfredzaamheid het uitgangspunt is. </al><al>Lid 2.</al><al>Alle (wettelijk) voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve
                    voorzieningen die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk
                    bruikbaar zijn, dienen eerst beoordeeld te worden. Dat wil zeggen dat allereerst
                    bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij logischerwijs voorhanden
                    voorzieningen, de te bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt kunnen
                    worden. Dat kan nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen er normaal
                    voorhanden zijn. Als deze voorzieningen toch niet leiden tot het te bereiken
                    resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele
                    voorzieningen ter beoordeling in perspectief.</al><al>Als er geen gesprek heeft plaatsgevonden zal dit na de aanvraag gebeuren. Dus
                    met of zonder gesprek: er wordt in alle gevallen eerst beoordeeld welke
                    voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen een oplossing
                    zouden kunnen bieden om het te bereiken resultaat daadwerkelijk te
                    bereiken.</al><tussenkop>Paragraaf 2. Resultaat 1: een schoon en leefbaar
                    huis</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Een schoon en leefbaar huis</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>In dit lid wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten aanzien van een
                    schoon en leefbaar huis. Dit resultaat houdt in dat iedereen moet kunnen wonen
                    in een huis dat schoon is volgens de normen zoals die tot nu toe zijn
                    gehanteerd. Wat betreft de vraag wat onder schoon verstaan moet worden zijn
                    normen geformuleerd in de beleidsregels. Die normen zijn ontleend aan gangbare
                    ideeën die bestaan in de maatschappij. Er zijn ook beperkingen ten aanzien de
                    omvang van de woning, zoals het aantal kamers, de oppervlakte van de kamers,
                    waarbij uitgangspunt is de omvang van een nieuwe woning binnen de sociale
                    woningbouw. Dit uitgangspunt is niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te
                    stellen naar boven of naar beneden (maatwerk). Ramen lappen aan de buitenkant
                    valt van oudsher buiten de gemeentelijke plicht..</al><al>Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een woonkamer,
                    de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire ruimten. Ook
                    een eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal meegenomen
                    worden.</al><al>Lid 2.</al><al>Hierin wordt geschetst welke individuele voorzieningen beschikbaar gesteld
                    kunnen worden om het schone en leefbare huis te bereiken. dat gaat allereerst
                    via licht en zwaar huishoudelijk werk, d.w.z. om het droog en nat schoon en
                    stofvrij maken en houden van de woning. Daarbij valt bijvoorbeeld het reinigen
                    van de ramen aan de buitenkant niet onder de compensatieplicht, omdat daarvoor
                    een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat: de glazenwasser. Het aantal
                    benodigde uren voor deze activiteit zal bepaald worden via een normenschema dat
                    is opgesteld in samenwerking met de aanbieders van HH en in de jurisprudentie
                    van de Centrale Raad van Beroep is geaccepteerd als een redelijk uitgangspunt
                    voor de bepaling van de omvang van de hulp. Overigens kunnen ook andere
                    normenschema’s ontwikkeld worden, bijvoorbeeld door schoonmaakbedrijven. Hierbij
                    zal het te bereiken resultaat altijd centraal dienen te staan.</al><al>Lid 3.</al><al>Het derde lid gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Er wordt rekening
                    gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar. Wanneer die in staat
                    zijn huishoudelijke werkzaamheden die onder de compensatieplicht vallen over te
                    nemen zal allereerst gekeken moeten worden of dit niet een voorliggende
                    voorziening is. Alle huisgenoten vanaf 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk
                    voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dat wanneer één van de
                    huisgenoten die het huishoudelijk werk doet, uitvalt, via een herverdeling de
                    andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen
                    huisgenoten zijn of als de huisgenoten langdurig afwezig zijn zal er plicht tot
                    compensatie bestaan. Ook aanwezige personen jonger dan 18 jaar, zoals
                    thuiswonende kinderen, worden geacht hun bijdrage aan het huishouden te leveren
                    door hun kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten.</al><al>Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet in
                    staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat onderzoek
                    gedaan moeten worden om dit vast te stellen.</al><al>Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten is geen reden tot compensatie.
                    Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten,
                    waaronder begrepen de kinderen, kan compensatieplicht betekenen. Door onderzoek
                    zal deze overbelasting vastgesteld moeten worden.</al><al>Lid 4 </al><al>Indien sprake is van gebruikelijke zorg en er geen reden is om aan te nemen dat
                    deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, zal er in principe geen
                    individuele voorziening kunnen worden toegekend. Omdat het om maatwerk gaat, zal
                    ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden. </al><tussenkop>Paragraaf 3. Resultaat 2: wonen in een geschikt
                    huis</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Wonen in een geschikt huis</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de
                    woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij
                    dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat
                    een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid
                    van de belanghebbende. De gemeente kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het
                    zoeken naar een (geschikte) woning. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd
                    zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning,
                    uiteraard passend bij het bestedingspatroon en de levensfase.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat eventuele
                    problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden. Daarbij kan
                    veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De ruimten
                    zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten. Er
                    kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar omvangrijke woningen en
                    zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor compensatie gelden.</al><al>Lid 2.</al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen van
                    compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het
                    mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of een
                    woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal een afweging
                    moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden. Uitgangspunt daarbij zijn de
                    behoeften van de belanghebbende. Maar aan de andere kant is er ook de noodzaak
                    tot een doelmatige besteding van gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk
                    belanghebbenden gecompenseerd kunnen worden met de beschikbare middelen. Door
                    hier gericht beleid op te maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De
                    verschillende regels die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de
                    beleidsregels opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen van
                    een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen over
                    afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening later
                    hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt aanpassingen die
                    bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als vastgelegd kan worden dat
                    deze aanpassing tijdens de gehele looptijd beschikbaar kan blijven voor een
                    gehandicapte. Dit zal over het algemeen uitsluitend te realiseren zijn bij
                    huurwoningen van sociaal verhuurders. In andere situaties kan gekozen worden
                    voor het plaatsen van een losse woonunit.</al><al>Lid 4</al><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn of alternatieve voorzieningen zijn die
                    goedkoper zijn, zal eerst beoordeeld worden of het hanteren hiervan nog leidt
                    tot maatwerk, zodat via deze voorzieningen het resultaat bereikt zou kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 12. Hoofdverblijf en bezoekbaar maken van de
                    woning</tussenkop><al>Lid 2</al><al>De verlening van woonvoorzieningen is alleen mogelijk indien de aanvrager zijn
                    hoofdverblijf heeft in de woning die aangepast moet worden. Een uitzondering kan
                    gemaakt worden als de persoon zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en
                    regelmatig één bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk voorzieningen te
                    verstrekken ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte waar de persoon
                    vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die woonruimte.
                    Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar
                    een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. </al><al>Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt verstaan dat de persoon met
                    beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken/gebruiken. </al><al>De aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar de bezoekbaar te </al><al>maken woning staat. Deze bepaling is opgenomen omdat de aanvrager anders de
                    aanvraag zou indienen in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft.</al><al>Lid 3</al><al>Het totaal van de te verstrekken financiële tegemoetkomingen voor het bezoekbaar
                    maken is gebonden aan een maximum bedrag. Dit wordt door het College vastgesteld
                    in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning. Het vaststellen van een maximum bedrag voorkomt dat bij
                    bezoekbaar maken dure aanpassingen aangebracht moeten worden, terwijl in andere
                    omstandigheden het primaat van de verhuizing gebruikt zou zijn.</al><al>Omdat het bezoekbaar maken als voorziening buiten de directe werkingssfeer van
                    de wet valt, kan de verhuurder niet gedwongen worden (via aanschrijving) om de
                    woning aan te passen (zie artikel 16 Woningwet en Vzr. Rechtbank Haarlem
                    27-11-2007, nr. AWB 07/6702).</al><al>Voor het bezoekbaar maken van de woning wordt uitsluitend een financiële
                    tegemoetkoming verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 13. Uitsluitingsgronden</tussenkop><al>Woonvoorzieningen worden alleen verstrekt als die betrekking hebben op
                    woonruimten die op grond </al><al>van de Wet op de huurtoeslag als zelfstandige woonruimten aangemerkt worden.
                    Aangenomen wordt dat de gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen die
                    specifiek op personen met beperkingen en ouderen zijn gericht, passen bij de
                    specifieke behoeften van de doelgroep waarvoor zij bestemd zijn.</al><al>Dat betekent dat voorzieningen in die gemeenschappelijke ruimten niet voor
                    vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking komen.</al><al>Voorzieningen in het eigen woongedeelte van de aanvrager kunnen wel voor
                    vergoeding in aanmerking komen. Uitzonderingen zijn voorzieningen die zonder
                    noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw aangebracht kunnen worden in een gebouw
                    dat gebouwd is vanaf omstreeks 1990.</al><al>Vanaf omstreeks 1990 zijn het aanpasbaar bouwen en het seniorenbeleid gemeengoed
                    geworden. Het rekening houden met de behoeften van ouderen of personen met
                    beperkingen kan in gebouwen vanaf omstreeks 1990 als normaal beschouwd
                    worden.</al><al>Uiteraard geldt dit vooral voor voorzieningen die bij de bouw zonder
                    (noemenswaardige) meerkosten meegenomen kunnen worden. Voorzieningen die leiden
                    tot aanzienlijke kosten en op het individu gericht zijn, zullen meestal niet
                    standaard aangebracht worden. </al><tussenkop>Artikel 14. Aanvullende afwijzingsgronden</tussenkop><al>Sub a.</al><al>In deze bepaling wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen. Het gaat
                    hier bijvoorbeeld om verhuizingen als gevolg van gezinsuitbreiding of juist als
                    gevolg van het ouder worden. In een dergelijk geval zal een verhuizing als
                    algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd. Omstandigheden in onderlinge
                    samenhang bezien kunnen leiden tot dit oordeel.</al><al>Sub b.</al><al>Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.</al><al>Sub e.</al><al>Verhuizing naar AWBZ-en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de
                    belanghebbende buiten de doelgroep van de wet valt.</al><al>Sub f.</al><al>De gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk entrees en portieken van
                    woongebouwen betreffen. Het primaat van verhuizing geldt onverkort bij de
                    toepassing van dit artikellid. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat, indien
                    het nodig is om een traplift aan te brengen in een gemeenschappelijke ruimte,
                    een verhuizing naar andere woning de goedkoopst adequate oplossing kan
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 15. Huurderving</tussenkop><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen, kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor personen met beperkingen. Aangezien adequate huisvesting
                    van personen met beperkingen ook een specifieke taak van de (sociale)verhuurders
                    is, is het reëel dat een deel van de huurderving ten laste van de verhuurder
                    komt. Bovendien wordt in de exploitatie van een woning rekening gehouden met een
                    bepaald percentage huurderving. Ook om die reden is het te verantwoorden dat de
                    verhuurder enig risico voor leegstand loopt.</al><tussenkop>Artikel 16. Terugbetaling bij verkoop</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Deze bepaling bevat een zogenaamde anti-speculatiebepaling. Deze heeft als doel
                    het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de waardestijging, die
                    het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. Als
                    uitgangspunt van de waardestijging worden de kosten van de verstrekte
                    woonvoorziening genomen. Deze kosten dient de belanghebbende, in geval van
                    verkoop van de aangepaste woning binnen 10 jaar na gereed melding van de
                    voorziening, volgens het in het Besluit vastgelegde afschrijvingsschema terug te
                    betalen.</al><al>Lid 2.</al><al>Deze bepaling ziet met name op situaties dat een huis wordt verkocht aan degene
                    ten behoeve van wie de aanpassing is aangebracht. Bijvoorbeeld de ouders
                    verkopen hun huis aan zoon of dochter en de aanpassing was aangebracht vanwege
                    een handicap van die zoon of dochter.</al><tussenkop>Artikel 17. Vermogensdrempel</tussenkop><al>Sedert 1 januari 2010 is voor de verlening van bouwkundige woningaanpassingen
                    een vermogensdrempel van toepassing. Deze drempel is qua karakter vergelijkbaar
                    met de inkomensdrempel voor de vervoersvergoeding. Gemeente Heumen heeft voor
                    deze drempel gekozen vanuit de gedachte dat de compensatieplicht van de gemeente
                    niet onbegrensd kan zijn als het gaat om aanpassingen aan woningen waarin een
                    aanzienlijke overwaarde aanwezig is. Naar algemeen aanvaarde maatschappelijke
                    opvattingen is het algemeen geaccepteerd dat de woningeigenaar een verbouwing,
                    die over het algemeen leidt tot waardevermeerdering van het onroerend goed,
                    financiert door hiervoor de in de woning aanwezige overwaarde aan te spreken. In
                    lijn met de eerdergenoemde inkomensdrempel voor vervoersvergoedingen wordt de
                    overwaarde waarboven een woningaanpassing wordt afgewezen gesteld op 1,5x het
                    bedrag dat als in de woning gebonden vermogen op grond van de Wet werk en
                    bijstand wordt vrijgelaten.</al><al>Overigens wordt de vermogensdrempel niet toegepast als de totale kosten van de
                    woningaanpassing lager is dan een nader vast te stellen bedrag. De
                    vermogensdrempel is eveneens niet van toepassing als vast komt te staan dat de
                    belanghebbende feitelijk niet kan beschikken over het vermogen omdat geen
                    financier kan worden gevonden die bereid is om een hypothecaire lening te
                    verstrekken.</al><al>Omdat in het kader van de Wmo een eigen bijdrage uitsluitend kan worden opgelegd
                    in relatie tot het inkomen, is hier uitdrukkelijk gekozen voor een
                    toegangsdrempel. Er is geen sprake van een eigen bijdrage die is gerelateerd aan
                    de waarde van de woning.</al><tussenkop>Paragraaf 4. Resultaat 3: beschikken over goederen voor
                    primaire levensbehoeften</tussenkop><tussenkop>Artikel 18. Beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Hierin wordt beschreven wat verstaan wordt onder het beschikken over goederen
                    voor primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor
                    maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt beschikbaar moet zijn.
                    Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Deze dagelijkse
                    benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie houdt niet per
                    definitie in dat de belanghebbende zelf de boodschappen moet kunnen doen. </al><al>Het gaat niet alleen om de ingrediënten maar ook om de maaltijden zelf.
                    Compensatie betekent dat de belanghebbende beschikt over de verschillende
                    maaltijden door de dag heen. Daarbij dient rekening te worden met medische
                    geïndiceerde diëten en kan rekening worden gehouden met de wensen van de
                    belanghebbende. Het te bereiken doel kan behaald worden via een maaltijdservice,
                    via het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden of via het – met behulp van
                    een vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van maaltijden. Ook kan het
                    bereiden van maaltijden worden overgenomen.</al><al>Lid 2.</al><al>In dit lid wordt gesteld welke hulpmiddelen gekozen kunnen worden om dit
                    resultaat te bereiken. Boodschappen kunnen op verschillende manieren gedaan
                    worden. Er kan gebruik gemaakt worden van beschikbare diensten, zoals
                    boodschappenservice. Daarbij zal goedkoopst-compenserend leidraad zijn, zodat
                    het doen van boodschappen niet perse door de belanghebbende zelf met hulp hoeft
                    te worden gedaan. Ook hier is het te bereiken resultaat van belang en is de
                    manier waarop daaraan ondergeschikt.</al><al>Lid 3.</al><al>Een bruikbare boodschappenservice of bruikbare maaltijdvoorziening die leidt tot
                    het te bereiken resultaat is voorliggend op eventueel individuele voorzieningen.
                    Als een voorliggende voorziening niet beschikbaar is, kan daar uiteraard geen
                    gebruik van worden gemaakt.</al><al>Lid 4.</al><al>Indien een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee het resultaat bereikt
                    kan worden, bestaat er geen ruimte voor een individuele voorziening.</al><tussenkop>Paragraaf 5. Resultaat 4: beschikken over schone,
                    draagbare en doelmatige kleding</tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Beschikken over schone draagbare en
                    doelmatige kleding</tussenkop><al>Lid 1</al><al>Gemeenten dienen belanghebbende in staat te stellen te beschikken over schone,
                    draagbare en doelmatige kleding. Dit onderdeel is beperkt tot het verzorgen van
                    kleding die iemand in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen van kleding
                    valt niet onder afdwingbare compensatie, maar als daar behoefte aan bestaat, kan
                    de gemeente wel bemiddelen bij het regelen dat er geschikte en passende kleding
                    wordt gekocht, bijvoorbeeld met inschakeling van vrijwilligers. De wijze waarop
                    deze ondersteuning wordt geboden, is afhankelijk van de gezamenlijk door
                    belanghebbende en gemeente te kiezen oplossing.</al><al>Lid 2</al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er gewassen, gestreken en
                    eventueel gerepareerd moet kunnen worden, alles voor zover de belanghebbende
                    daartoe niet in staat is. Het wassen zal veelal gebeuren met de algemeen
                    gebruikelijke wasmachine. Ook het drogen van de was vindt indien mogelijk plaats
                    op moderne wijzen van drogen: de wasdroger. Voor zover het noodzakelijk is
                    kleding te strijken kan dit ook onder te compenseren problemen vallen. Daarbij
                    is weer uitgangspunt wat in de maatschappij algemeen gangbaar is.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als er voorliggende, algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen zijn, die tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal geen
                    ruimte bestaan voor individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard gekeken
                    of er wel sprake is van maatwerk.</al><tussenkop>Paragraaf 6. Resultaat 5: het thuis kunnen zorgen voor
                    kinderen die tot het gezin beoren</tussenkop><tussenkop>Artikel 20. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot
                    het gezin behoren</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren kan onder de
                    compensatieplicht behoren als een ouder met beperkingen dat zelf niet kan.
                    Compensatie is dan bedoeld als ondersteuning. Het zal nooit gaan om volledige
                    overname. In die situatie zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Te
                    denken valt aan algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen zoals
                    kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet op de
                    jeugdzorg. Intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de gebruikelijke zorg
                    overstijgt, valt onder de AWBZ.</al><al>Lid 2.</al><al>Het thuis verzorgen van kinderen die tot het gezin behoren zal veelal van
                    kortere duur zijn. De compensatie van het niet zelf verzorgen (en opvoeden) van
                    tot het gezin behorende kinderen zal bij een langere duur opgelost kunnen worden
                    via algemeen gebruikelijke, voorliggende en algemene voorzieningen. Soms zal
                    tijdelijke compensatie van belang zijn om de ouder(s) de gelegenheid te geven
                    een definitieve oplossing te zoeken. Voorliggende voorzieningen spelen dan een
                    grote rol. Te denken valt aan kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders
                    enz.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Voor- tussen- en naschoolse opvang kinderopvang of andere opvangmogelijkheden
                    die in de individuele situatie van de belanghebbende kunnen leiden tot het te
                    bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een individuele voorziening
                    onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld moeten worden of er sprake is
                    van dit soort oplossingsmogelijkheden.</al><tussenkop>Paragraaf 7. Resultaat 6: zich verplaatsen in en om de
                    woning</tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Zich verplaatsen in en om de
                    woning</tussenkop><al>Lid 1. </al><al>Het te bereiken resultaat betekent dat de belanghebbende zich in om en nabij
                    zijn woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan het
                    verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                    verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan
                    de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een
                    buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                    resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen
                    horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de
                    brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin.
                    Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting
                    van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt
                    daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het
                    toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen
                    worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt.</al><al>Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich
                    daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit
                    resultaat te bereiken wordt compensatie geboden in de vorm van hulpmiddelen. Een
                    voorbeeld is een rolstoel voor verplaatsingen door de ruimte. Ook een tillift
                    zou gezien kunnen worden als een dergelijk middel. Doordat een belangrijk deel
                    van de tilliften vanwege aard- en nagelvaste verbinding met het plafond gerekend
                    worden tot de voorzieningen waardoor in een geschikte woning gewoond kan worden,
                    wordt de tillift verder beschouwd als een voorziening die daar onder valt.</al><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of
                    gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een
                    nieuwe voorziening moet ontvangen, de compensatieplicht betekent dat iemand met
                    de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen bereiken.</al><al>Lid 2.</al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis (onder
                    de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden als men een
                    dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Aan een
                    dergelijke noodzaak gaat vaak een periode vooraf waarin gebruik wordt gemaakt
                    van andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis van de Zorgverzekeringswet of
                    AWBZ of zelf aangeschaft. De zogenaamde rolstoel voor incidenteel gebruik valt
                    hier niet onder.: deze rolstoel wordt immers niet gebruikt voor verplaatsen in,
                    om en nabij de woning, maar wordt vooral gebruikt als men zich elders moet
                    verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje.
                    Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor
                    beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming
                    beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en dergelijke.</al><al>De rolstoel voor incidenteel gebruik wordt alleen dan verstrekt, zolang de
                    gemeente Heumen nog geen regeling heeft voor het lenen van dit soort rolstoelen.
                    Ook is het wellicht in incidentele situaties noodzakelijk om andere redenen een
                    dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het zal hierbij
                    gaan om uitzonderingen: uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt wordt
                    indien die noodzakelijk is voor het verplaatsen in, om en nabij de woning.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het probleem
                    van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom zal een
                    rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte hebben aan
                    een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet in en om de
                    woning plaatsvindt.</al><al>Als daar sprake van kan zijn zal geen individuele voorziening worden
                    verstrekt.</al><tussenkop>Paragraaf 8. Resultaat 7: zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 22. Zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te bereiken
                    resultaat dat de belanghebbende zich met een of ander vervoermiddel binnen zijn
                    eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kan verplaatsen.
                    Volgens WVG-jurisprudentie (zie o.a. CRvB 02-08-2006, nr. 03/128 WVG en CRvB
                    28-01-2009, nr. 08/2273 WVG) wordt een afstand van 15 tot 20 km vanaf het
                    woonadres als niet onredelijk beschouwd. Op grond van de
                    totstandkomingsgeschiedenis van de Wmo is geen reden om hiervan af te
                    wijken.</al><al>Die verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Dat
                    zijn alle verplaatsingen die niet uitsluitend te maken hebben met verplaatsingen
                    in het kader van een betaalde baan. Heeft men voor dat soort verplaatsingen een
                    aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale voorziening voor het
                    verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan zal deze voorziening
                    niet onder de compensatieplicht vallen maar vergoed dienen te worden vanuit de
                    voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de Wia.</al><al>Maar het enkele feit dat je met de voorziening die je nodig hebt in het kader
                    van het leven van alledag, ook naar je werk kunt, ontslaat de gemeente niet van
                    de compensatieplicht. Ook niet- gehandicapten gebruiken hun auto vaak voor het
                    reguliere woon-werkverkeer of voor het vervoer in het kader van werk (waarvoor
                    zij dan een vergoeding ontvangen van de werkgever).</al><al>Lid 2.</al><al>De individuele voorzieningen die verstrekt gaan worden om als resultaat te
                    bereiken dat je je met een of ander vervoermiddel in de woonplaats en directe
                    omgeving kan verplaatsen betreffen een breed scala van verplaatsingen. Het gaat
                    hierbij om verplaatsingen nodig voor het doen van boodschappen (zodat ook op
                    deze wijze het resultaat van het kunnen beschikken over de eerste
                    levensbehoeften wordt bereikt), nodig om op bezoek te gaan, nodig om naar
                    artsen, paramedici, specialisten en voor ziekenhuisonderzoek, voor zover het
                    zogenaamde zittend ziekenvervoer daar geen oplossing voor biedt. Ook het vervoer
                    om in de natuur te zijn, al dan niet met familie of vrienden, of het vervoer om
                    een kerk, een sporthal, of een museum te bezoeken valt onder de
                    compensatieplicht. Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een speciaal middel
                    gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid. Verder zijn ook vakanties
                    en ander verblijf buiten het gebied zoals omschreven met woonplaats en omgeving
                    uitgesloten.</al><al>Een rolstoel voor incidenteel gebruik kan ook worden aangemerkt als een
                    vervoersvoorziening. Deze rolstoel wordt meestal gebruikt in aansluiting op
                    lokale verplaatsingen per vervoermiddel, dus buiten de woning. Gedurende langere
                    tijd moet men zich elders kunnen verplaatsen en men kan dit niet zonder
                    rolstoel. Zolang in de gemeente Heumen nog geen regeling bestaat voor het lenen
                    van dit soort rolstoelen, kan dit type op individuele basis worden verstrekt.
                    Voorwaarde hierbij is dat dit type rolstoel frequent gebruikt wordt.</al><al>Voor vervoer buiten het gebied dat valt onder “lokaal verplaatsen” wordt door
                    het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is aanvullend op de door
                    de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten de verantwoordelijkheid van
                    het college van burgemeester en wethouders. Valys regelt het vervoer wanneer de
                    pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 OV-zones vanaf het
                    woonadres van de pashouder of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand
                    van meer dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder. De gemeente is
                    verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf
                    OV-zones vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een
                    afstand tot en met 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een scootermobielpool een oplossing bieden
                    voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde
                    geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om
                    hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de belanghebbende
                    uitgangspunt zijn van de beoordeling welke voorziening nodig is om het te
                    bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen individuele
                    voorzieningen voorkomen.</al><al>In de gemeente Heumen zijn drie vormen van openbaar vervoer aanwezig voor alle
                    inwoners:</al><al>lijnbussen, de buurtbus en de Stadsregiotaxi. Het vervoer via de lijnbussen
                    betreft regulier openbaar vervoer. De buurtbus is een aanvulling op dit
                    reguliere vervoer. De stadsregiotaxi, die met ingang van 1 september 2010 wordt
                    verzorgd door Personen en Zorgvervoer Nederland (PZN) is eveneens een aanvulling
                    op het reguliere openbaar vervoer. Deze vorm van collectief vraagafhankelijk
                    vervoer is voor iedereen toegankelijk, ook voor gebruikers van een rollator,
                    scootmobiel, looprek of rolstoel. De Stadsregiotaxi rijdt 7 dagen per week, van
                    08.00 tot 24.00 uur. Op vrijdag- en zaterdagavond rijdt de taxi tot 02.00
                    uur.</al><al>Vervoer op Maat biedt vanaf het najaar 2010 binnen de grenzen van de gemeente
                    Heumen collectief vraagafhankelijk vervoer. De primaire doelgroep bestaat uit
                    ouderen en mensen met een beperking. Vervoer op Maat biedt hen, met een
                    rolstoeltoegankelijke bus, op werkdagen tussen 8.00 – 20.00 uur, op afroep
                    “vervoer van kamer tot kamer”. Dit is vervoer van deur tot deur, dat
                    toegankelijk is voor alle inwoners van de gemeente Heumen, waaronder inwoners
                    die niet in staat zijn zelfstandig te reizen. Zoals inwoners met een
                    verstandelijk beperking of ouderen met dementie. Deze “niet zelfstandige
                    reizigers” worden vanaf 1 september 2010 niet meer vervoerd door de
                    Stadsregiotaxi. De chauffeurs van Vervoer op Maat zorgen voor de benodigde
                    begeleiding én overdracht van de desbetreffende reizigers. Per werkdag wordt het
                    aanbod van Vervoer op Maat enkele uren besteed aan vaste ritten in verband met
                    het benodigde vervoer voor de dag- en groepsverzorging van Maldenburch. Tijdens
                    deze uren is Vervoer op Maat dus niet beschikbaar voor individueel aangevraagde
                    ritten.</al><tussenkop>Artikel 23. Inkomensgrens.</tussenkop><al>Zoals bij de toelichting op artikel 22 is aangehaald is Vervoer op Maat enkele
                    uren per dag niet beschikbaar. Om die reden is ervoor gekozen om
                    niet-zelfstandige reizigers die aangewezen zijn op kamer tot kamer vervoer te
                    compenseren door middel van een vervoerskostenvergoeding.</al><al>In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie o.a. CRvB 12-05-2004, nr.
                    02/5774 en 02/5775 WVG) is bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor
                    een forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x de
                    bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht in het kader van de
                    Wet voorzieningen gehandicapten.</al><tussenkop>Paragraaf 9. Resultaat 8: de mogelijkheid om contacten te
                    hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                    religieuze activiteiten</tussenkop><tussenkop>Artikel 24. De mogelijkheid om contacten te hebben met
                    medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten.</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te hebben
                    met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten bestaat uit het kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het
                    deelnemen aan gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan
                    familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van
                    kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van
                    cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.
                    Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het zich kunnen verplaatsen naar deze
                    bestemmingen. Daarvoor zal artikel 21 over het algemeen een voldoende oplossing
                    kunnen bieden.</al><al>Lid 2.</al><al>Als vervoer voldoende in staat stelt aan activiteiten deel te nemen kan via
                    artikel 16 het vervoersprobleem opgelost worden.</al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als sprake is van voorliggende voorzieningen, die het probleem op kunnen lossen,
                    zal er geen ruimte meer zijn voor individuele voorzieningen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Toekenningsvereisten en
                    afwijzingsgronden</tussenkop><tussenkop>Artikel 25. Toekenningsvereisten </tussenkop><al>Sub a.</al><al>Het is noodzakelijk dat een voorziening langdurig noodzakelijk is. Op deze regel
                    bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij het huishouden na een ziekte of
                    ziekenhuisopname. Als deze kortdurende hulp bij het huishouden binnen een
                    gemeente niet geleverd kan worden als algemene voorziening, waardoor geen
                    individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal deze hulp als individuele
                    voorziening verstrekt moeten worden. Deze uitzondering is in de verordening
                    opgenomen.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een te
                    bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is dient gerekend te
                    worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemand gehele
                    verdere leven noodzakelijk zijn.</al><al>Langdurig wil zeggen dat degene die beperkingen ondervindt voor langere tijd
                    aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd
                    betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld
                    door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de aard van de beperking van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die
                    tijdelijk beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots
                    van de thuiszorgorganisaties die zijn opgezet in het kader van de AWBZ.</al><al>Langdurig geeft een grens aan in tijd. Waar de grens van langdurig gelegd moet
                    worden is niet eenduidig aan te geven. Een afgrenzing die gemaakt kan worden, is
                    naar andere regelgeving, die voor kortdurend gebruik van verstrekkingen werkt.
                    Een beroep op de hulpmiddelendepots is mogelijk voor het lenen van een
                    hulpmiddel voor een termijn van 3 maanden, met een eenmalige verlenging van nog
                    eens 3 maanden. Indien deze regeling en de Wmo op elkaar moeten aansluiten, moet
                    langdurig noodzakelijk een termijn van minimaal 6 maanden inhouden.</al><al>Een andere benadering gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een beperking.
                    In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de
                    belanghebbende na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen
                    zal kunnen functioneren, dan mag het college van kortdurende noodzaak uitgaan en
                    dus de Wmo-aanvraag afwijzen. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de
                    toestand gevolgd wordt door situaties van terugval, kan worden uitgegaan van een
                    langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is (zie o.a. CRvB
                    10-12-2003, nrs. 02/2106 WVG).</al><al>De voorwaarde dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn om op grond
                    van de Wmo verstrekt te kunnen worden, betekent waarschijnlijk net als onder het
                    WVG-regime, niet dat terminale patiënten geen beroep op de Wmo zouden kunnen
                    doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort voorziening rekening
                    gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft.</al><al>Sub b.</al><al>De voorziening moet als de goedkoopst-compenserende voorziening aangemerkt
                    kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats om een voorziening die
                    compenserend is voor de ondervonden problemen, zodat het te bereiken doel
                    daadwerkelijk bereikt kan worden. Maar wanneer dan meerdere voorzieningen
                    compenserend blijken te zijn kan volstaan worden met de goedkoopste
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 26. Afwijzingsgronden</tussenkop><al>Lid 1 sub a.</al><al>Van de belanghebbende kan een redelijke inspanning worden verwacht om zelf een
                    alternatief (oplossing) te vinden voor de beperkingen. Onder “kan laten doen”
                    wordt bijv. verstaan wat huisgenoten in het kader van gebruikelijke zorg kunnen
                    verrichten.</al><al>Lid 1 sub b.</al><al>De wet biedt ondersteuning in al die gevallen waar geen voorliggende voorziening
                    is. Bij een aanvraag om een voorziening zal worden beoordeeld of en in welke
                    mate een voorziening in het kader van de wet aanwezig is die door de
                    belanghebbende kan worden afgedwongen. Kan de belanghebbende dus aanspraak maken
                    op een andere wettelijke regeling wordt de gevraagde voorziening niet
                    verstrekt.</al><al>Het gaat hierbij ook om afspraken die de gemeente heeft gemaakt met
                    wooncorporaties. Als op grond van deze afspraken de woningaanpassing voor
                    rekening van de woningeigenaar komt, gaat het om een voorliggende voorziening
                    die niet op basis van deze verordening wordt vergoed.</al><al>Lid 1 sub c.</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    belanghebbende vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid. Wat
                    in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de
                    aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de - financiële - situatie
                    van de belanghebbende een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen
                    op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de
                    belanghebbende kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de jurisprudentie blijkt dat
                    een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de belanghebbende,
                    mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder
                    het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al>Lid 1 sub d.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden, om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                    belanghebbende niet woonachtig is.</al><al>Lid 1 sub e.</al><al>Onder f wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het de belanghebbende verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                    bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien
                    de belanghebbende geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het
                    verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    belanghebbende hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te
                    kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Lid 1 sub f.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze
                    bepaling een rol. </al><al>Lid 1 sub g.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze bepaling bedoeld.</al><al>Lid 2</al><al>Naar het oordeel van de CRvB geeft het college een redelijke uitleg aan die
                    bepaling als het college de bepaling uit de Wmo-verordening niet aan een
                    belanghebbende tegenwerpt indien het college (CRvB 11-05-2011, nr. 09/4037
                    WMO-T):</al><lijst><li nr="Ø"><al>vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven; of </al></li><li nr="Ø"><al>de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de
                            gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. De CRvB is van oordeel dat
                            het enkele feit dat belanghebbende reeds is verhuisd niet zonder meer
                            meebrengt dat daarna de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de
                            gevraagde voorziening niet meer kan worden vastgesteld. De CRvB acht
                            niet uitgesloten dat het college op basis van een vaststelling van de
                            beperkingen van belanghebbende en na inventarisatie van de door hen
                            aangegeven belemmeringen in het gebruik van de oude woning ook zonder
                            een huisbezoek, bijvoorbeeld aan de hand van een bouwtekening, kan
                            beoordelen of belanghebbende belemmeringen ondervindt in het normale
                            gebruik van die woning (CRvB 11-05-2011, nr. 09/4037 WMO-T). </al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 6. Wijze van verstrekken</tussenkop><tussenkop>Artikel 27. Vormen en keuzevrijheid</tussenkop><al>In dit artikel wordt allereerst behandeld in welke vormen voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in natura of een
                    persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo. </al><al>Lid 3.</al><al>Hierin wordt bepaal dat die situaties waarin geen persoonsgebonden budget
                    verstrekt wordt, ook al is dat aangevraagd, omdat zij vallen onder de
                    formulering van artikel 6 Wmo: “ overwegende bezwaren” door het college
                    opgenomen moeten worden in de beleidsregels. Dit omdat het aantal situaties nog
                    zeer beperkt is maar in de loop der jaren meer situaties zullen ontstaan waarin
                    tegen het verstrekken van een pgb overwegende bezwaren bestaan.. Dit kan zijn
                    als vast staat dat belanghebbende niet in staat is de gelden te beheren. Ook kan
                    dit een situatie zijn waarin het gaat om zeer kortdurende hulp bij het
                    huishouden en het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet praktisch
                    uitvoerbaar is. Ook het collectief vraagafhankelijk vervoer kan als het systeem
                    in gevaar komt als vrijheid tot keuze van een persoonsgebonden budget zou leiden
                    tot leegloop een argument zijn geen keuzevrijheid te bieden. Dit moet onderbouwd
                    kunnen worden en uitzonderingen moeten mogelijk zijn. Zie ook CR 12012010
                    BL4037. </al><tussenkop>Artikel 28. Verstrekking in natura</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Hierin wordt bepaald welke aspecten bij het verstrekken van een voorziening in
                    natura in de beschikking vastgelegd moeten worden.</al><al>Het gaat er daarbij uiteraard allereerst om welke voorziening(en) aan de orde
                    zijn. Dit uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten. Vervolgens wordt
                    aangegeven wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang wordt iets toegekend
                    of hoe lang moet men in principe de bepaalde voorziening kunnen gebruiken om het
                    resultaat te bereiken. Vervolgens is van belang te vermelden op welke wijze de
                    voorziening in natura verstrekt wordt. Als er sprake is van een overeenkomst
                    wordt deze overeenkomst vermeld.</al><al>Ook andere aspecten, speciaal aspecten die voor deze ene verstrekking gelden,
                    dienen in de beschikking opgenomen te worden.</al><al>Lid 2.</al><al>Als een eigen bijdrage gevraagd wordt, komt dit in de beschikking komt te staan.
                    Dit betreft alleen het gegeven dat een eigen bijdrage gevraagd wordt. Hoe hoog
                    de eigen bijdrage wordt door het CAK bepaald en door het CAK bij afzonderlijke
                    beschikking worden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 29. Verstrekking als persoonsgebonden
                    budget</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>In lid 1 is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst compenserende (adequate)
                    voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het
                    persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Goedkoopst compenserend” is een
                    objectief vaststelbaar referentiepunt. </al><al>Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten (onderhoud en reparatie) van een voorziening. Voor de
                    diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven in
                    het Besluit.</al><al>Lid 2.</al><al>Hierin wordt bepaald wat er bij het verstrekken van een persoonsgebonden budget
                    vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat daarbij allereerst om de
                    formulering van het te bereiken resultaat zodat helder is waarvoor het
                    persoonsgebonden budget gebruikt moet worden. Dat kan beperkt zijn, zoals het
                    bezoeken van familie, vrienden en kennissen en het doen van boodschappen met een
                    scootermobiel, maar ook een meer algemeen geformuleerd resultaat, zoals het
                    maken van alle noodzakelijke verplaatsingen in de naaste woon- en
                    leefomgeving.</al><al>Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor bedoeld,
                    aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking vastgelegd
                    onder bijvoeging van het programma van eisen.</al><al>Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het
                    persoonsgebonden budget is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat
                    bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet voor wat betreft de verantwoording
                    ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene tot wie de beschikking is
                    gericht in dit opzicht wordt verwacht.</al><al>Lid 3.</al><al>In dit lid wordt bepaald dat bij het heffen van een eigen bijdrage dit in de
                    beschikking vermeld moet worden, waarbij meegenomen kan worden dat het CAK de
                    hoogte van de eigen bijdrage vaststelt en per beschikking op zal leggen.</al><al>Lid 4.</al><al>Het college bepaalt de omvang van een persoonsgebonden budget. Het zal immers
                    gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor
                    verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de
                    rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze
                    richtlijnen vindt plaats in het Besluit.</al><al>Lid 5.</al><al>Het college is verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van
                    gelden op grond van de wet en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te stellen
                    in hoeverre er wordt gecontroleerd of belanghebbenden hun persoonsgebonden
                    budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. In lid 5 is de
                    steekproefsgewijze controle opgenomen, waarbij een bepaald gedeelte van de
                    toegekende persoongebonden budgetten wordt gecontroleerd via het opvragen van
                    gegevens bij de budgethouders.Dit is vastgelegd in het
                    Verantwoordingsprotocol van de gemeente Heumen. </al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 6 genoemde procedure te worden gevolgd.</al><tussenkop>Artikel 30. Verstrekking als financiële
                    tegemoetkoming</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Hierin wordt bepaald ten aanzien van de financiële tegemoetkoming wat in de
                    beschikking vermeld wordt. Het gaat hier allereerst om de vermelding van het te
                    bereiken resultaat waarvoor de financiële tegemoetkoming gebruikt dient te
                    worden. Daarnaast moet vermeld worden voor welke duur, voor welke periode de
                    financiële tegemoetkoming verstrekt wordt en tenslotte dient hier vermeld te
                    worden of er een overeenkomst van toepassing is op deze verstrekking. Uiteraard
                    moet ook de hoogte van de financiële tegemoetkoming vermeld worden.</al><al>Lid 2.</al><al>Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming bestaat de mogelijkheid
                    een eigen aandeel te vragen. Indien dit van toepassing is dient dit in de
                    beschikking vermeld te worden. De berekening van het eigen aandeel kan, in
                    tegenstelling tot de eigen bijdrage, door het college plaatsvinden. In de wet is
                    alleen voor de eigen bijdrage geregeld dat dit verplicht door het CAK dient te
                    gebeuren. Het college van de gemeente Heumen heeft de bevoegdheid tot het vast
                    stellen van het eigen aandeel gemandateerd aan het CAK (besluit van het college
                    van burgermeester en wethouders van de gemeente Heumen van 16 maart 2010)</al><tussenkop>Artikel 31. Eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend. In dit artikel stelt de Raad vast van deze mogelijkheid gebruik te
                    maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald
                    dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het college in het Besluit wordt
                    vastgelegd. Het college volgt daarbij het landelijke Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning (Algemene Maatregel van Bestuur).</al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Procedurele bepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 32. Beslistermijn.</tussenkop><al>De Awb regelt dat, als bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, een
                    besluit genomen dient te worden binnen een redelijke termijn. Die redelijke
                    termijn is 8 weken. De Wmo bepaalt niets over beslistermijnen. Het college heeft
                    de mogelijkheid om afwijkende termijnen vast te stellen. Hoewel het van belang
                    is zo min mogelijk afwijkende termijnen te hanteren, immers, de doorzichtigheid
                    van de termijnen komt daardoor wellicht in het geding, is het logisch voor
                    enkele onderdelen wel een langere termijn vast te stellen. Dit geldt met name
                    voor bouwkundige woonvoorzieningen. Zeker als daar een offerte voor moet worden
                    aangevraagd, zal daarmee de nodige tijd gemoeid zijn, zodat de termijn van acht
                    weken niet haalbaar is. Om dat helder te hebben is het wenselijk deze termijn in
                    de verordening op te nemen. Dit is gebeurd ten aanzien van de verschillende te
                    bereiken resultaten.</al><tussenkop>Artikel 33. Inlichtingenplicht</tussenkop><al>In de wet zelf is de inlichtingenplicht niet geregeld, in tegenstelling tot
                    bijvoorbeeld de WWB. Daarom is een bepaling in de verordening noodzakelijk. Deze
                    is van belang om een goede beoordeling te kunnen maken welke compensatie in het
                    individuele geval nodig is. Voor belanghebbende moet redelijkerwijs duidelijk
                    zijn dat inlichtingen van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening,
                    dan wel de aard, hoogte of duur daarvan. De bepaling biedt de basis voor het
                    intrekken van een beschikking omdat de voorziening niet meer nodig blijkt te
                    zijn. In sommige situaties kan daaruit een terugvordering voortvloeien. Dus ook
                    bij een gewijzigde situatie bestaat de plicht het college hiervan op de hoogte
                    te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed kan hebben op de verstrekte
                    voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening stopgezet kunnen worden en
                    dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden. Het kan overigens geen kwaad
                    deze bepaling in de beschikking te herhalen, hetgeen de kans dat er kennis van
                    genomen wordt aanzienlijk vergroot.</al><tussenkop>Artikel 34. Onderzoek en advisering</tussenkop><al>Lid 1.</al><al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening een
                    beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is biedt
                    artikel 26 daartoe de mogelijkheid. Geregeld is dat het college twee
                    mogelijkheden heeft: het college kan allereerst iemand oproepen op een bepaalde
                    plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden die nodig zijn
                    om tot een zorgvuldig besluit te komen.</al><al>De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot
                    onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Bij de advisering zal de ICF terminologie
                    gebruikt worden met het oog op de consistentie van verslag, onderzoek en
                    beoordeling.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan
                    worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit onderzoek
                    een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is.</al><al>In principe mag van de belanghebbende verwacht worden mee te werken. Is de
                    belanghebbende niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten
                    beoordelen of zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat
                    niet mogelijk dan zal het college de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen.
                    Is wel een zorgvuldig besluit mogelijk dan zal dat besluit genomen moeten
                    worden.</al><al>Lid 2.</al><al>In dit artikellid wordt voor het college de bevoegdheid in het leven geroepen om
                    adviesinstanties aan te wijzen. Verder geeft het artikellid de situaties weer
                    waarin de adviesinstantie om advies gevraagd zal worden.</al><tussenkop>Artikel 35. Heronderzoek</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling vormt de basis voor een gelijkluidende mededeling in de
                    beschikking.</tussenkop><tussenkop>Artikel 36. Intrekking</tussenkop><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                    omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op enig
                    moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                    mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent. Dat
                    is in artikel 29 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                    mogelijkheid een genomen beschikking geheel of ten dele in te trekken. Ook in
                    deze situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al><al>Een beslissing wordt genomen met de bedoeling dat men daar een voorziening mee
                    treft. Als binnen 6 maanden na het nemen van de beslissing de voorziening nog
                    niet is getroffen, is er ook de mogelijkheid een beslissing geheel of ten dele
                    in te trekken.</al><tussenkop>Artikel 37. Terugvordering en verrekening</tussenkop><al>Lid 1 en 2.</al><al>Indien een besluit is ingetrokken (en ook alleen maar in die situatie) kan
                    eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht op
                    de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura, een financiële
                    tegemoetkoming of een pgb kan worden teruggevorderd. Hierbij gelden de
                    Beleidsregels Terugvordering en Verhaal zoals door het college is vastgesteld
                    tijdens de vergadering van 17 mei 2011.</al><tussenkop>Lid 3. </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:93, eerste lid van de Awb, bepaalt dat verrekening van een
                    geldschuld met een bestaande vordering slechts geschiedt voor zover in de
                    bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. In de toelichting op
                    artikel 4:93 van de Awb, wordt aangegeven dat verrekening slechts kan
                    plaatsvinden indien daarvoor in bijzondere wetgeving een voorziening is
                    getroffen. In dit artikellid van deze verordening is deze mogelijkheid daarom
                    expliciet opgenomen. </tussenkop><al>Artikel 4.8 van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning (Algemene
                    Maatregel van Bestuur) geeft de gemeenteraad de bevoegdheid tot het verrekenen
                    van een geldschuld krachtens de Wmo met vorderingen op grond van de Wmo of de
                    WWB. Op grond hiervan kan de gemeente bijvoorbeeld de eigen bijdrage voor
                    verblijf in maatschappelijke opvang of vrouwenopvang op grond van de Wmo
                    verrekenen met de bijstandsuitkering die belanghebbende van de gemeente ontvangt
                    (Staatsblad 2010, 260, p.6).</al><al>Artikel 4.6 van het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning geeft het
                    CAK de bevoegdheid tot het verrekenen van vorderingen krachtens de Wmo van of op
                    een persoon met vorderingen van of op deze persoon krachtens de Wmo of de
                    AWBZ.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 38. Onvoorziene omstandigheden en
                    hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende
                    aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de belanghebbende ook een beroep doen op deze clausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich
                    afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 39. Indexering</tussenkop><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college hier
                    iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de eigen
                    bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. Een college is op basis van dit
                    artikel ook bevoegd eigen bedragen aan te passen.</al><al>Om deze reden is het voor de hand liggend alle bedragen in het gemeentelijke
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning op te nemen, zodat de bedragen snel en
                    gemakkelijk aan te passen zijn.</al><tussenkop>Artikel 40. Evaluatie</tussenkop><al>De wet vereist evaluatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid deze evaluatie in de
                    tijd vast te leggen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>