<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR127150_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren Gemeente Landsmeer 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kompas, 01-11-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren Gemeente Landsmeer 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, art. 41, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011 - 106</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren Gemeente Landsmeer 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet> wet:</vet> de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="b."><al><vet> WIJ-norm:</vet> de op grond van hoofdstuk 4 van de wet
                                        op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="c."><al><vet> maatregel:</vet> de verlaging van de
                                        inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid
                                        WIJ;</al></li><li nr="d."><al><vet> benadelingsbedrag:</vet> het bruto bedrag dat als
                                        gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de
                                        wet;</al></li><li nr="e."><al><vet>college: </vet>het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Landsmeer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alle begrippen in deze verordening die niet nader worden omschreven
                                hebben dezelfde betekenis als in de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                maatregelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                            de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af
                                van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop en cumulatie van maatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vertoont een belanghebbende meerdere verwijtbare gedragingen die op
                                grond van deze verordening tot een maatregel leiden, dan is
                                cumulatie van de maatregelen mogelijk. Het college dient daarbij te
                                beoordelen of het totale effect van de verschillende maatregelen
                                niet tot onredelijke zware gevolgen leidt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 44 en 45
                            van de Wet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 44 en 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><al>het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid van de
                                    wet, hetgeen niet geleid heeft tot het ten onrechte toekennen of
                                    uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot
                                    een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><al>het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht,
                                    bedoeld in artikel 44, eerste lid van de wet, hetgeen geleid
                                    heeft tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                    werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    verlenen van de inkomensvoorziening. </al></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan
                                            met betrekking tot de arbeidsinschakeling, bedoeld in
                                            artikel 45 van de wet, waaronder begrepen het
                                            onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid,
                                            bedoeld in artikel 45 van de wet, die het aanvaarden of
                                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het door eigen toedoen niet behouden van werkleeraanbod
                                            of arbeid in dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van werkleeraanbod of algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatrege</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de Wij-norm bij gedragingen van de eerste
                                            categorie.</al></li><li nr="b."><al>bij gedragingen van de tweede categorie wordt de
                                            maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                            benadelingsbedrag en wordt op de volgende wijze
                                            vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10
                                                  procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="2."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot €
                                                  2000,-: 20 procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="3."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot €
                                                  4000,-: 40 procent van de WIJ-norm;</al></li><li nr="4."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer:
                                                  100 procent van de WIJ-norm.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>10 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de derde
                                            categorie.</al></li><li nr="d."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de vierde
                                            categorie.</al></li><li nr="e."><al>100 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de
                                            vijfde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                    maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                    af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                    tweede lid. </al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                            aanvang heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                            doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                            belanghebbende heeft getroffen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Bij een verwijtbare gedraging in de eerste of derde categorie
                                    van artikel 9, zonder dat belanghebbende ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag bijstand ontvangen heeft, kunnen burgemeester en
                                    wethouders volstaan met een schriftelijke waarschuwing in plaats
                                    van een verlaging van bijstand, als er in het jaar voorafgaande
                                    aan die gedraging geen schriftelijke waarschuwing of verlaging
                                    van bijstand is geweest</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer
                                ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet,
                                wordt een maatregel opgelegd van 40% van de WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
                                rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige misdragingen is
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgelegd
                                van 100 procent van de WIJ-norm, indien binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel als bedoeld in
                                het eerste lid, is opgelegd, sprake is van eenzelfde als verwijtbaar
                                aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om af te zien van het
                                opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, als
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen
                            het bepaalde in deze verordening buiten toepassing laten of daarvan
                            afwijken, voor zover toepassing daarvan leidt tot onbillijkheid van
                            overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Evaluatiebepaling</titel></kop><al>Deze verordening wordt in ieder geval drie jaar na het inwerking treden
                            geëvalueerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding en bekendmaking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.
                                onder gelijktijdige intrekking van de Maatregelverordening Wet
                                Investeren in Jongeren Landsmeer 2009, vastgesteld op 14 december
                                2009.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bekendmaking geschiedt via de gemeentepagina in het plaatselijke
                                weekblad ‘Kompas’.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verordening wordt gepubliceerd via de gemeentelijke website.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet
                            Investeren in Jongeren Gemeente Landsmeer 2012</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Landsmeer op 25 oktober 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label><titel/></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als in de WIJ.</al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt
                            bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het
                            equivalent in de WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is
                            in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie
                            van toelichting tweemaal gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’,
                            waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is
                            opgenomen dat het bedrag van de inkomensvoorziening wordt verlaagd;
                            bedoeld is echter de norm. Omdat hantering van het begrip
                            ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’ de
                            leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’
                            geïntroduceerd.</al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat
                            dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de
                            maatregel die verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie
                            artikel 12). Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het
                            Boetebesluit socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit
                            Besluit is het begrip ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen
                            van boetes op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten,
                            waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met schending van de
                            inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder
                            bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                            loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor
                            zover er ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest
                            van afdracht aan belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel
                            verstrekte inkomensvoorziening reeds is terugbetaald in hetzelfde
                            kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten onrechte is
                            verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een netto
                            bedrag.</al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte
                            verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod,
                            eveneens conform artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog
                            aan het Boetebesluit is daarnaast in het tweede lid nog expliciet
                            bepaald dat onder benadelingsbedrag in deze verordening mede wordt
                            verstaan de kosten die de gemeente maakt voor het ten onrechte
                            toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen niet
                            altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening
                            betreft die de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel
                            mogelijk om een raming te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze
                            kosten tellen mee voor het bepalen van de hoogte van de maatregel bij
                            schending inlichtingenplicht. Dit kan verder worden uitgewerkt in een
                            beleidsregel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel
                            (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale
                            regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van
                            de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de het
                            VNG-model van de Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt
                            naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven
                            verlaging middels een maatregel niets afdoet aan intrekking van de
                            inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als
                            daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de
                            orde.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                            mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of
                            gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere
                            afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                            standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan
                            zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan zowel zijn
                            gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid
                            of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. Waar verderop in de
                            verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden
                            afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen
                            expliciet verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het
                            vervolg van de verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de
                            maatregel een x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede
                            lid’, m.a.w. met de mogelijkheid af te wijken.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat
                            betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen
                            naar de toelichting bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel
                            wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende
                            gevallen aan de orde zijn:</al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al><al>• sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                            begripsomschrijving.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een maatregel</label></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt
                            opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt
                            aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                            eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                            en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt
                            onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en
                            deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12), behalve bij subsidies.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid
                            bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en
                            b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al><al>Voor de goede orde: het opnemen van een regeling voor het horen van
                            belanghebbenden in deze verordening is facultatief. Gemeenten kunnen
                            zo'n regeling ook achterwege laten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van
                            het opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede
                            lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                            iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat
                            in plaats van het opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing
                            wordt gegeven. Dit kan bij diverse bepalingen in deze verordening worden
                            ingeregeld.</al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                            gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van
                            de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                            gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
                            b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die
                            langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Gemeenten kunnen
                            uiteraard voor een kortere of langere periode kiezen.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een
                            te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de
                            verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt
                            aangesloten bij de termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene
                            bijstandswet gold in verband met het opleggen van een boete wegens
                            niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                            voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                            feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de
                            fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen
                            worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende
                            redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een maatregel
                            onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de situatie van de
                            jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                            opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                            verband met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee
                            manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    inkomensvoorziening; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                                    maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te
                            gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde
                            bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit
                            lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de
                            eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende WIJ-norm.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening
                            reeds beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met
                            terugwerkende kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een
                            uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is
                            het praktisch om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het
                            bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                            inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog
                            mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                            jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het
                            moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke
                            maatregel opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de
                            inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden
                            genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                            verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien sprake
                            is van één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen
                            kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de maatregel te
                            worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van
                            toepassing is. Bij de enkelvoudige variant is deze vorm van samenloop
                            uiteraard ook denkbaar maar is deze optie niet van belang, omdat voor
                            schending van alle verplichtingen m.b.t. het werkleeraanbod één uniform
                            maatregelpercentage geldt</al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient
                            voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden
                            berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord
                            is. Zo kan bijvoorbeeld als beleid gehanteerd worden dat een jongere
                            altijd moet kunnen blijven beschikken over 50% van de WIJ-norm. In dat
                            geval kan de maatregel over meerdere maanden worden uitgesmeerd.
                            Daarnaast dient altijd de individuele toets aan artikel 2, tweede lid te
                            worden toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel44 en 45 van
                            de wet</titel></kop><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 WIJ inhouden betreffen
                            de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het
                            werkleeraanbod. In de verordening is een meervoudige variant
                            gepresenteerd conform de WWB: verschillende maatregelpercentages bij
                            schending van verschillende verplichtingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><al>Deze variant is gedifferentieerd in categorieën. Gekozen is voor een
                            aansluiting bij de Maatregelverordening WWB. De categorie-indeling is in
                            vergelijking met de WWB uitgebreid met een vijfde categorie. De
                            gedragingen uit deze laatste categorie was tot nog toe niet voorzien in
                            de eerder genoemde categorieën van gedragingen. De afzonderlijke
                            maatregelpercentages worden vastgesteld in artikel 10.</al><al>In dit artikel worden vervolgens twee vormen van het niet nakomen van de
                            informatieplicht onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                                    deze situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het
                                    college kan in dat geval het recht op inkomensvoorziening
                                    opschorten en de jongere in de gelegenheid stellen binnen een
                                    door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. In dat
                                    geval kan ook een maatregel aan de orde zijn.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                    inlichtingen aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er
                                    ten onrechte of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is
                                    verstrekt of ten onrechte een werkleeraanbod is toegekend. Het
                                    is ook denkbaar dat het inlichtingenverzuim niet tot benadeling
                                    heeft geleid. In beide gevallen kan een maatregel aan de orde
                                    zijn.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag
                            niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de
                            rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet
                            vaststellen. De aanvraag moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een
                            maatregel is in dergelijke gevallen niet aan de orde.</al><al><vet>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</vet></al><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening
                            van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd
                            verstrekt, kan het college het recht op inkomensvoorziening opschorten
                            (artikel 40, eerste lid, WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens
                            een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                            hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde
                            termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de het besluit
                            tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                            vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen
                            de hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet,
                            maar wordt tevens een maatregel opgelegd.</al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de
                            zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of
                            onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor
                            het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. Een voorbeeld van
                            nulfraude kan zijn het niet melden van een niet-rechthebbende
                            partner.</al><al><vet>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</vet></al><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op
                            inkomensvoorziening. Het college zal moeten vaststellen wat het onder
                            'onverwijld' verstaat. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                            benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag
                            aan inkomensvoorziening alsmede de kosten van het werkleeraanbod. Hoewel
                            dit niet met zoveel woorden in de tekst van de verordening tot
                            uitdrukking is gebracht, kan uiteraard ook de keus gemaakt worden om het
                            werkleeraanbod niet te betrekken bij de vaststelling van het
                            benadelingsbedrag. Uit een oogpunt van uitvoerbaarheid is daar wel iets
                            voor te zeggen. Daar staat tegenover dat het ook denkbaar is dat een
                            jongere wel gebruik heeft gemaakt van een werkleeraanbod, maar geen
                            inkomensvoorziening heeft ontvangen, omdat het aanbod voldoende
                            inkomsten genereert. In dat geval kan het gewenst zijn om bij schending
                            van de inlichtingenplicht toch een maatregel te kunnen opleggen, die
                            wordt afgestemd op de kosten van het werkleeraanbod.</al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                            bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die
                            verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald.</al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige
                            inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht
                            worden opgelegd, zie artikel 7, tweede lid.</al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de
                            inlichtingenplicht is in beginsel een</al><al>verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale
                            zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen
                            gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending
                            klevende strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in
                            geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden.</al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude
                            gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una
                            via’-beginsel. De jongere wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de
                            strafrechter gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden
                            bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er
                            aangifte en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter
                            sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het
                            licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een
                            benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan is altijd
                            het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de jongere
                            geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel meer kan
                            worden toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><al>In aansluiting op het vorige artikel en de daarin gepresenteerde
                            categorieën worden verschillende percentages genoemd gedifferentieerd op
                            basis van verschillende gedragingen. Conform de aanbevelingen van het
                            genootschap ‘onze taal’ worden de percentages in cijfers aangeduid. </al><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een
                            eerdere maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de
                            verwijtbare gedraging (lid 3), wordt de grotere mate van verwijtbaarheid
                            tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                            maatregel. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer
                            worden toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare gedraging
                            wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur
                            van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken
                            zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de jongere. Een
                            zwaardere maatregel dan in geval van recidive is dan doorgaans
                            verdedigbaar. </al></divisie><divisie><kop><titel>Vijfde categorie gedragingen met 100% verlaging (lid 1, onderdeel
                            e):</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>in deze categorie gedragingen gaat het om verwijtbaar ontslag,
                                    bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of
                                    werkweigering. </al></li><li nr="b."><al>Deze gedragingen hebben betrekking op het weigeren van een
                                    aangeboden werkleeraanbod of dienstverband. Het kan hierbij om
                                    allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier,
                                    fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur.
                                    Essentieel is dat de belanghebbende door de werkweigering afziet
                                    van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit de bijstand
                                    te komen.</al></li></lijst><al><vet>Schriftelijke waarschuwing</vet></al><al>Deze bepaling is overgenomen uit de maatregelenverordening WWB. Deze
                            bepaling regelt deschriftelijke waarschuwing en geeft de
                            mogelijkheid om bij een eerste verwijtbare gedraging met een
                            waarschuwing te volstaan. De feitelijke gedragingen worden vastgelegd en
                            omschreven in een waarschuwingsbeschikking en telt ook dus mee bij
                            eventuele recidive. Alleen bij eerste verwijtbare gedraging van
                            categorie 1 of 3 kan met een waarschuwing worden volstaan, mits er in
                            het voorafgaande jaar geen sprake is geweest van enig ander verwijtbaar
                            gedrag en de gedraging niet tot gevolg heeft gehad dat te veel of ten
                            onrechte bijstand is betaald. De reden dat geen waarschuwing bij
                            categorie 2 wordt gegeven is, dat in dat geval te veel bijstand betaald
                            is. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod
                            en/of inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat
                            de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            WIJ (zie ook de Algemene toelichting op dit onderdeel). In artikel 41,
                            eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                            tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor
                            het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat
                            geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer ernstige
                            misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het
                            UWV-WERKbedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is
                            niet duidelijk. De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver
                            niet over uitgelaten.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich
                            ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de
                            ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                            omstandigheden van de jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst
                            van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                            oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: a. verbaal
                            geweld (schelden); b. discriminatie; c. intimidatie (uitoefenen van
                            psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); e.
                            mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is
                            sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                            onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. Het is aan te bevelen dat een gemeente over een
                            agressieprotocol beschikt waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met
                            lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol kan een relatie
                            worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve
                            klanten, in de vorm van beleidsregels.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>In lid 3 is vastgelegd dat evenals bij andere vormen van verwijtbaar
                            gedrag soms een waarschuwing op zijn plaats kan zijn en gegeven kan
                            worden.</al><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>In het vierde lid komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking
                            dat recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen. Vergelijk
                            ook hetgeen in de Algemene toelichting is gesteld over de mogelijkheid
                            om bij herhaald wangedrag de jongere wel tijdelijk uit te sluiten van
                            het recht op werkleeraanbod maar niet van de inkomensvoorziening. Gelet
                            op de wens van de wetgever om bij herhaald zeer ernstige misdragingen de
                            jongere (tijdelijk) uit te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij
                            recidive in beginsel een percentage van 100% van toepassing, gedurende
                            de periode van uitsluiting van het werkleeraanbod. Er kan uiteraard ook
                            gekozen worden voor een periode van een maand of enkele maanden. Wel
                            geldt daarbij dat binnen een maand de uitsluiting van het werkleeraanbod
                            heroverwogen moet worden, vanwege de grote consequenties en gelet op het
                            belang van duurzame arbeidsparticipatie.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>