<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR126944_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsplan Maatschappelijke Ondersteuning Bloemendaal 2012-2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bloemendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Kennemerland Zuid d.d. 29 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsplan Maatschappelijke Ondersteuning Bloemendaal 2012-2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011057718</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsplan Maatschappelijke Ondersteuning Bloemendaal 2012-2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>1. Inleiding </onderstreept></vet></al><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is sinds 1 januari 2007 van
                            kracht. In deze wet is een aantal oude wetten en regelingen op het
                            gebied van zorg, welzijn en wonen gebundeld. Daarnaast zijn de
                            voorziening ‘hulp bij het huishouden’ en enkele subsidieregelingen
                            vanuit de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) overgeheveld naar
                            de Wmo en daarmee de verantwoordelijkheid van de gemeente(n) geworden. </al><al>De Wmo is een participatiewet, geen zorgwet. De essentie is dat iedere
                            burger moet kunnen <onderstreept>meedoen</onderstreept> aan de
                            samenleving. Dat loopt uiteen van het hebben van werk, je inzetten voor
                            een ander, je buurt of wijk, tot het lid zijn van een sportvereniging en
                            deelname aan cultuur. De Wmo neemt daarbij de eigen kracht en
                            zelfredzaamheid van burgers als uitgangspunt. Burgers geven zelf
                            invulling aan hun deel-name aan de samenleving, zij maken daarin eigen
                            keuzes. Tegelijkertijd redt niemand dat in zijn eentje. De eigen keuzes
                            en mogelijkheden van mensen worden mede bepaald door de sociale
                            verban-den waar mensen deel van uitmaken. Mensen met psychische,
                            lichamelijke, verstandelijke of andere beperkingen hebben bovendien meer
                            gerichte vormen van maatschappelijke ondersteuning nodig, ter
                            compensatie van de belemmeringen die zij ondervinden.</al><al><vet><onderstreept>2. Maatschappelijke ondersteuning
                                </onderstreept></vet></al><al>Onder maatschappelijke ondersteuning wordt over het algemeen verstaan
                            alle ondersteuning die aan burgers wordt geboden om ‘mee te doen’ aan de
                            samenleving. Dat kan zijn in de vorm van:</al><lijst><li nr="·"><al>inclusief beleid: gemeentelijk beleid op verschillende terreinen
                                    laten bijdragen aan ‘meedoen’;</al></li><li nr="·"><al>civil society: burgers die elkaar ondersteunen, buiten de sfeer
                                    van de overheid en markt om;</al></li><li nr="·"><al>collectieve voorzieningen: een buurtcentrum of collectief
                                    openbaar vervoer;</al></li><li nr="·"><al>algemene voorzieningen: maatschappelijk werk, gezondheidszorg,
                                    zorgverzekeringen; </al></li><li nr="·"><al>individuele voorzieningen: woningaanpassingen, hulpmiddelen ,
                                    huishoudelijke hulp, enz.</al></li></lijst><al>De Wmo fungeert als kaderwet. Dat wil zeggen, dat door de Rijksoverheid
                            hoofdlijnen van beleid zijn aangegeven, maar dat de vrijheid van
                            gemeenten om daar invulling aan te geven groot is. De Wmo verplicht
                            gemeenten om, in overleg met burgers en andere belanghebbenden, een of
                            meer plannen vast te stellen voor ten hoogste vier jaar en daarover
                            binnen de gemeente verantwoording af te leggen. De plannen moeten in
                            ieder geval betrekking hebben op negen, bondig omschreven
                            prestatievelden. Deze zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van
                                    dorpen, wijken en buurten. </al></li><li nr="2."><al>Op preventie gerichte ondersteuning aan jongeren met problemen
                                    met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden.</al></li><li nr="3."><al>Het geven van informatie, advies en cliëntondersteuning.</al></li><li nr="4."><al>Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers.</al></li><li nr="5."><al>Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer
                                    en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking
                                    of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                    psychosociaal systeem.</al></li><li nr="6."><al>Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of
                                    een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                    psychosociaal probleem. </al></li><li nr="7."><al>Maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en huiselijk
                                    geweld.</al></li><li nr="8."><al>Het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg, met
                                    uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen.
                                </al></li><li nr="9."><al>Het bevorderen van verslavingsbeleid. </al></li><li nr="-"><al>beleidsplan -</al></li></lijst><al>In december 2007 is door de gemeenteraad het Beleidsplan Wmo voor de
                            periode 2008-2011 vastgesteld. Het voorliggende plan heeft opnieuw
                            betrekking op een vierjarige periode: 2012-2015. </al><al>In het nieuwe plan is gekozen voor een indeling in vier
                            groepen/clusters, omdat dit beter dan een indeling in negen
                            prestatievelden aansluit bij de praktijk van alledag. De vier
                            groepen/clusters zijn: </al><al><cursief>*</cursief><cursief> Leefbaar en Betrokken</cursief>: de
                            sociale samenhang in en leefbaarheid van wijken en kernen. Ook (het
                            voorkomen van) overlast valt hieronder. Voorts is onder deze cluster
                            gebracht het vrijwilligerswerk en de mantelzorg. </al><al>* <cursief>Opvoeden en opgroeien</cursief>: 0-23 jarigen en degenen die
                            daarbij betrokken zijn. </al><al>* <cursief>Bloemendalers met een beperking</cursief>: mensen met een
                            lichamelijke, verstandelijke of andere beperking, chronisch zieken en
                            ouderen.</al><al><cursief>*</cursief><cursief> Kwetsbare Bloemendalers</cursief>: mensen
                            met complexe, soms meervoudige problemen, zoals OGGz-cliënten (OGGz =
                            Openbare Geestelijke Gezondheidszorg), daklozen, verslaafden en
                            slachtoffers van huiselijk geweld. </al><al>Elk van deze groepen/clusters heeft een relatie met een of meer
                            prestatievelden. De maatschappelijke ondersteuning is per groep/cluster
                            geconcretiseerd in een programma van activiteiten/actiepunten. Zie
                            hiervoor hoofdstuk 5. </al><al>De omschrijving van bepaalde prestatievelden is dermate ruim
                            geformuleerd – dit geldt met name voor het onderdeel ‘leefbaarheid’ uit
                            cluster 1- dat het grootste deel van de deelterreinen waarop een
                            gemeente werkzaam is onder de Wmo zou kunnen vallen. Dit is onwerkbaar.
                            Mede omdat op een aan-tal deelterreinen andere regelgeving van
                            toepassing is, waardoor de Wet maatschappelijke onder-steuning dus niet
                            leidend is, of omdat afzonderlijke beleidsplannen worden opgesteld, is
                            besloten een aantal deelterreinen/aandachtsgebieden buiten de reikwijdte
                            van het Wmo-plan 2012-2015 te houden en hierin dus niet uit te werken.
                            Het betreft: </al><lijst><li nr="-"><al>Wet werk en bijstand en Wet Investeren in Jongeren (vanaf 2013:
                                    Wet Werken Naar Vermogen);</al></li><li nr="-"><al>minimabeleid en inkomensvoorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>schuldhulpverlening en sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsmarkttoeleiding en inburgering;</al></li><li nr="-"><al>openbare orde en veiligheid;</al></li><li nr="-"><al>economische zaken;</al></li><li nr="-"><al>volkshuisvesting en ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>sport (met uitzondering van sport voor gehandicapten en
                                    toegankelijkheid accommodaties)</al></li><li nr="-"><al>gemeentewerken en groenvoorziening.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept> 3. Relatie met andere beleidsnota’s
                                </onderstreept></vet></al><al><cursief>a. Ouderen, mantelzorgers en vrijwilligers</cursief></al><al>In 2005 zijn beleidsnota’s vastgesteld op het gebied van ouderen
                            (Ouderenbeleid gemeente Bloemen-daal 2005-2010) en vrijwilligers (‘Het
                            maatschappelijk hart van Bloemendaal’ Vrijwilligerswerkbeleid
                            Bloemendaal 2005 t/m 2010 ). Gedurende de looptijd van deze nota’s is de
                            Wmo beleidsnota 2008-2011 van kracht geworden. Deze drie beleidsnota’s
                            zijn naast elkaar van kracht tot de inwerking-treding van de Wmo
                            beleidsnota 2012-2015.</al><al>De Wmo doet een zwaar beroep op het ouderenwerk, vrijwilligerswerk en
                            mantelzorg om participatie mogelijk te maken, zonder dat er beroep hoeft
                            te worden gedaan op de overheid.</al><al>De relevante prestatievelden zijn:</al><lijst><li nr="3."><al>Het geven informatie, advies en cliëntondersteuning;</al></li><li nr="4."><al>Het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;</al></li><li nr="5."><al>Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer
                                    en het bevorderen van het</al></li></lijst><al> zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch
                            psychisch of </al><al> psychosociaal probleem; </al><al>6.Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch</al><al> probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. </al><al>De Wmo bestrijkt nagenoeg alle terreinen die nu ook in het ouderen- en
                            vrijwilligersbeleid benoemd worden: wonen, welzijn, zorg, mantelzorg en
                            vrijwilligerswerk. De collectieve en individuele voorzieningen die
                            onderdeel waren van de WVG (Wet Voorzieningen Gehandicapten) zijn in
                            principe overgenomen in de Wmo. De Wmo gaat echter uit van het
                            compensatiebeginsel in plaats van zorgplicht. En mensen zullen nu eerst
                            zelf oplossingen moeten proberen te vinden vóór er een beroep op de
                            gemeente gedaan kan worden. Eigenlijk een verschuiving van “ik heb wat,
                            ik krijg wat” naar “ik heb wat, krijg ik wat?”. </al><al>Uitgangpunt van het nieuwe Wmo-beleidsplan is samenhangend beleid.
                            Daardoor is het een voor de hand liggende keuze om beleidsplannen voor
                            ouderen en vrijwilligerswerk in 2012 onderdeel te laten worden van het
                            Wmo-beleidsplan 2012-2015. In hoofdstuk 5 komen de onderwerpen van de
                            oude beleidsnota’s voor ouderen en vrijwilligerswerk aan de orde. </al><al><cursief>b. Volksgezondheid: </cursief></al><al>In de Wet Publieke Gezondheid (Wpg) is vastgelegd, dat de gemeente
                            iedere vier jaar een lokale nota gezondheidsbeleid uitbrengt.
                            Verantwoordelijk voor de uitvoering zijn het college en de burgemeester.
                            Alhoewel Bloemendaal in 2009 de nota “Natuurlijk gezond, actieprogramma
                            gezondheidsbeleid Bloemendaal 2010-2013” vastgesteld heeft, gaan de
                            ontwikkelingen – ook op het gebied van het gezondheidsbeleid – zo snel
                            en zijn er zoveel aanknopingspunten met andere beleidsvelden (o.a.
                            jeugdbeleid, veiligheidsbeleid, ouderenbeleid) c.q. de
                            Wmo-prestatievelden, dat besloten is – mede uit het oogpunt van
                            integraal werken - om de uitdagingen, doelstellingen en actiepunten op
                            het gebied van volksgezondheid te actualiseren en op te nemen in het
                            Wmo–beleidsplan. Zie hiervoor hoofdstuk 4. </al><al><vet><onderstreept> 4. Totstandkoming plan </onderstreept></vet></al><al>Het voorliggende plan is langs drie ‘routes’ tot stand gekomen. </al><lijst><li nr="1."><al>Via de evaluatie van het Wmo-plan 2008-2011.</al></li><li nr="2."><al>Aan de hand van aangereikte nieuwe ideeën en actiepunten.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van (toekomstig) Rijksbeleid c.q. autonome
                                    ontwikkelingen. </al></li></lijst><al><vet><cursief>Ad 1. Evaluatie Wmo-plan 2008-2011</cursief></vet></al><al>Het eind 2007 vastgestelde plan mondde uit in een groot aantal
                            doelstellingen en actiepunten/activi-teiten. Deze zijn stuk voor stuk
                            geëvalueerd. Hiertoe is een evaluatieformulier ontwikkeld dat o.a. via
                            een digitaal Wmo-platform (zie het volgende punt) kon worden ingevuld.
                            Het is ook toegezonden aan alle bekende, op het gebied van de Wmo
                            werkzame, plaatselijke en regionale instellingen en organisaties. </al><al>Ongeveer 30 personen/instellingen hebben de moeite genomen het
                            evaluatieformulier in te vullen of terug te sturen. Een zodanig laag
                            aantal dat aan de uitslagen geen conclusies verbonden mogen worden
                            m.b.t. de gehele gemeente. Enkele opvallende punten uit de
                            evaluatie:</al><lijst><li nr="-"><al>Onder bepaalde voorwaarden (voldoende toezicht/sociale controle
                                    ter voorkoming van overlast) is ca. 65% van degenen die
                                    gereageerd hebben voorstander van het openstellen van
                                    speelplaatsen bij basisscholen – na schooltijd – voor gebruik
                                    door kinderen uit de buurt.</al></li><li nr="-"><al>Het overgrote deel van de respondenten woont in een prettige
                                    buurt/wijk en heeft voldoende sociale contacten.</al></li><li nr="-"><al>Het in voldoende mate bij elkaar betrokken zijn van
                                    buurtbewoners alsmede de aanwezigheid van voldoende
                                    sociaal-culturele voorzieningen leverde een beduidend lagere
                                    score op.</al></li><li nr="-"><al>Het huldigen van sportkampioenen en de jaarlijkse dag van de
                                    vrijwilligers en mantelzorgers voorzien in een behoefte.</al></li><li nr="-"><al>Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is bij het overgrote deel
                                    van de respondenten bekend. Men weet waarvoor men bij het CJG
                                    kan aankloppen.</al></li><li nr="-"><al>De Wmo-raad heeft nog niet gezorgd voor een grotere
                                    betrokkenheid van de inwoners bij het Wmo-beleid.</al></li><li nr="-"><al>Aanwezigheid en doel van De Brede Centrale Toegang (BCT)is bij
                                    het overgrote deel van de respondenten niet of nauwelijks
                                    bekend.</al></li><li nr="-"><al>Over het algemeen is men bekend met instellingen die
                                    vrijwilligerswerk en mantelzorg ondersteunen. De (kwaliteit van
                                    de) informatieverstrekking vanuit deze organisaties en vanuit de
                                    plaatselijke loketten behoeft verbetering. </al></li></lijst><al>Over de uitkomsten van de evaluatie is de gemeenteraad per brief
                            geïnformeerd (corsanummer 2011021697). </al><al>Een aanzienlijk aantal actiepunten/activiteiten uit het Wmo-plan
                            2008-2011 is in het nieuwe plan opnieuw opgenomen. </al><al><vet><cursief>Ad 2. Nieuwe ideeën/actiepunten </cursief></vet></al><al>In artikel 11 van de Wmo is de verplichting vastgelegd ‘de ingezetenen
                            van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en
                            rechtspersonen’ bij de voorbereiding van de totstandkoming van het
                            Wmo-plan te betrekken. Hieraan is als volgt invulling gegeven:</al><lijst><li nr="·"><al>Via de gemeentelijke website en de gemeentelijke advertentie
                                    zijn inwoners en instellingen in de gelegenheid gesteld
                                    voorstellen te doen voor het Wmo-plan 2012-2015.</al></li><li nr="·"><al>Een brief met dezelfde inhoud/strekking is naar alle
                                    plaatselijke en regionale instellingen gezonden.</al></li><li nr="·"><al>De verantwoordelijk portefeuillehouder heeft, in de periode
                                    april – oktober 2011, een groot aantal gesprekken gevoerd met
                                    ‘gebruikers’ van maatschappelijke ondersteuning en werkbezoeken
                                    afgelegd aan instellingen en organisaties, waarbij hij ook in
                                    gesprek is gegaan met personeelsleden. </al></li><li nr="·"><al>Er is, specifiek ten behoeve van het nieuwe plan, een digitaal
                                    Wmo platform opgericht waarop door inwoners/instellingen
                                    voorstellen/ideeën geplaatst konden worden. </al></li></lijst><al>Een en ander heeft een groot aantal voorstellen en ideeën voor het
                            gemeentelijk Wmo-beleid opgele-verd. Geconcludeerd mag worden dat de
                            ‘oude aanpak’, d.w.z. het rechtstreeks overleg door vertegen-woordigers
                            van de gemeente met instellingen/inwoners met de bijbehorende
                            verslaglegging, uiteindelijk inhoudelijk gezien het meeste heeft
                            opgeleverd. </al><al><vet><cursief>Ad 3. rijksbeleid/autonome
                            ontwikkelingen</cursief></vet></al><al>Er is sprake van een tweetal ontwikkelingen dat grote gevolgen kan
                            hebben dan wel heeft voor het in de komende jaren te voeren beleid met
                            betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Dit betreft allereerst de
                            uit het Bestuursakkoord 2012-2015 voortvloeiende
                                <onderstreept>decentralisaties</onderstreept>. Hiervan houden er
                            drie verband met de Wmo, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Wet werken naar vermogen (Wwnv)</al></li><li nr="2."><al>Functie begeleiding AWBZ</al></li><li nr="3."><al>Jeugdzorg</al></li></lijst><al>Daarnaast gaat het om de zg. Kanteling. Beide ontwikkelingen zijn
                            uitgewerkt in hoofdstuk 3. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Kwaliteit en keuzevrijheid</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>1. Kwaliteitsbeleid</onderstreept></vet></al><al>De Wmo bepaalt dat het kwaliteitsbeleid onderdeel uitmaakt van het
                            vierjarige Wmo-beleidsplan. In artikel 3 is de verplichting tot het
                            voeren van een gemeentelijk kwaliteitsbeleid als volgt geformuleerd: </al><al><cursief>‘In het plan wordt in ieder geval aangegeven welke maatregelen
                                de gemeente neemt om de kwaliteit te borgen van de wijze waarop de
                                maatschappelijke ondersteuning wordt uitgevoerd’ </cursief></al><al>Uit een door het Verwey-Jonker Instituut uitgevoerd onderzoek naar
                            ‘kwaliteitsbeleid in de Wmo anno 2010’ blijkt, dat de door de gemeenten
                            tot op heden uitgebrachte beleidsnota’s hooguit een globaal beeld geven
                            van voorgenomen kwaliteitsbeleid en het operationele kwaliteitsbeleid
                            nauwelijks is uitgewerkt. Tot op heden formuleren de meeste gemeenten
                            geen expliciete visie op de kwaliteit van de Wmo in de vorm van
                            bijvoorbeeld kwaliteitsnota’s, indicatoren per prestatieveld of
                            beschrijvingen van het kwaliteitsproces. Het kwaliteitsbeleid krijgt
                            vooral in de concrete beleidspraktijk vorm, waarbij sprake is van een
                            smalle en een brede benadering. </al><al>Bij de smalle benadering – vooral aangetroffen bij kleine en middelgrote
                            gemeenten – richt het kwaliteitsbeleid zich vooral op externe partijen,
                            zorgaanbieders en producenten van hulpmiddelen. </al><al>Deze gemeenten bouwen voort op het Wvg-beleid over de hulpmiddelen,
                            collectief vervoer en woningaanpassing. </al><al>Bij de brede benadering – aangetroffen bij met name de grote en
                            samenwerkende gemeenten – richt het kwaliteitsbeleid zich zowel op
                            externe partijen als op de eigen organisatie. Het kwaliteitsbeleid voor
                            de eigen organisatie betreft vooral het loket, waaraan eisen worden
                            gesteld op het gebied van toegankelijkheid, opleiding en competenties
                            van medewerkers en klachtgerichtheid. Het loket is in de visie van deze
                            gemeenten vooral een hefboom voor kwaliteitsverbetering op diverse
                            prestatievelden. Bij de brede benadering zijn wethouders aanspreekbaar
                            op het thema kwaliteit. Kwaliteitstoetsing is een integraal onderdeel
                            van het beleid op de verschillende prestatievelden. In deze gemeenten
                            wordt de voortgang aan de hand van managementinformatie,
                            tevredenheidsmetingen en Wmo-monitors bijgehouden. </al><al><vet><cursief>a. Het gebruik van
                            kwaliteitsinstrumenten</cursief></vet></al><al>In de praktijk wordt een groot aantal kwaliteitsinstrumenten gebruikt. </al><al>Zowel ‘brede’ als ‘smalle’ gemeenten passen de volgende instrumenten
                            toe: </al><lijst><li nr="·"><al>Keurmerken</al></li><li nr="·"><al>Kwaliteitseisen huishoudelijke hulp</al></li><li nr="·"><al>Tevredenheidsmetingen</al></li><li nr="·"><al>Klachtenregistraties </al></li><li nr="·"><al>Klantenpanels</al></li></lijst><al>In de gemeenten die de brede benadering voorstaan is sprake van een meer
                            gedifferentieerd </al><al>palet aan kwaliteitsinstrumenten, soms met een innovatief karakter. De
                            meest voorkomende zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Effectmetingen op basis van indicatoren</al></li><li nr="·"><al>Actief contractbeheer </al></li><li nr="·"><al>Audits bij zorgaanbieders</al></li><li nr="·"><al>Wmo-tour langs stadsdelen</al></li><li nr="·"><al>Opleidingseisen aan de medewerkers van het Wmo-loket</al></li><li nr="·"><al>Intervisie en bespreking casuïstiek voor loketmedewerkers</al></li></lijst><al><vet><cursief>b. Kwaliteit in Bloemendaal</cursief></vet></al><al>Hoewel kwaliteitsbeleid in de Wmo-nota 2008-2011 niet als zodanig is
                            uitgewerkt, wordt wel degelijk het nodige aan kwaliteit(beleid) gedaan.
                            Gelet op de grootte van de gemeente is het niet verrassend dat de
                            instrumenten die ingezet worden grotendeels als ‘smal’ getypeerd kunnen
                            worden. Er wordt o.a. van de volgende instrumenten gebruik gemaakt:</al><lijst><li nr="·"><al>Jaarlijkse controle op veiligheid van de speeltoestellen</al></li><li nr="·"><al>Gebruik evidence-based methods in kader preventief
                                    jeugdbeleid</al></li><li nr="·"><al>Klanttevredenheidsonderzoeken</al></li><li nr="·"><al>Periodieke wijkschouw(en)</al></li><li nr="·"><al>Eisen aan de loketten m.b.t. toegankelijkheid, opleidingsniveau
                                    medewerkers en competenties</al></li><li nr="·"><al>Kwaliteitseisen hulp bij het huishouden</al></li><li nr="·"><al>Klachtenregistratie</al></li><li nr="·"><al>Wmo-raad ter vergroting van de betrokkenheid </al></li><li nr="·"><al>Kwaliteitseisen hulpmiddelen</al></li><li nr="·"><al>Kwaliteitseisen Wmo vervoer</al></li><li nr="·"><al>Smartgeformuleerde prestatieovereenkomsten op gebied ouderen- en
                                    vrijwilligersbeleid </al></li></lijst><al>In de komende vier jaar wordt aandacht besteed aan het bewaken van
                            kwaliteit met behulp van genoemde instrumenten en instrumenten, die
                            nieuw op de markt verschijnen. </al><al><vet><onderstreept>2. Bieden keuzevrijheid </onderstreept></vet></al><al>Artikel 6 Wmo verplicht het college om burgers de keus te laten tussen
                            ofwel een verstrekking in natura ofwel een persoonsgebonden budget (Pgb)
                            als het gaat om individuele voorzieningen, tenzij hiertegen overwegende
                            bezwaren bestaan.</al><al><cursief>Algemene voorzieningen</cursief></al><al>Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig en worden aan alle burgers
                            aangeboden, al dan niet met een lichte toegangsbeoordeling. Het gaat
                            uitsluitend om voorzieningen die incidenteel en kortdurend worden
                            aangeboden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan mensen die een korte periode
                            hulp bij het huishouden nodig hebben na een ziekenhuisopname. Burgers
                            voor wie het gebruik van algemene voorzieningen een adequate compensatie
                            kan bieden voor hun beperkingen, komen niet in aanmerking voor
                            individuele voorzieningen. Voor algemene voorzieningen geldt geen
                            verplichting tot het aanbieden van een Pgb.</al><al><cursief>Individuele voorzieningen</cursief></al><al>Zodra burgers aanspraak maken op langdurige of structurele zorg op maat,
                            waarvoor een individuele toegangsbeoordeling geldt, is er sprake van
                            individuele voorzieningen.</al><al><cursief>Gelijkwaardigheid</cursief></al><al>Overeenkomstig artikel 6 Wmo moeten voorzieningen in natura en het Pgb
                            'vergelijkbaar' zijn. Dat betekent dat de gemeente niet alleen verplicht
                            is om een Pgb aan te bieden, maar ook de verstrekking in natura zal
                            moeten organiseren. De keuze tussen beide vormen van verstrekking moet
                            vervolgens zo uitgebalanceerd worden, dat burgers die kiezen voor één
                            van beide mogelijkheden in een gelijkwaardige positie blijven ten
                            opzichte van burgers die een andere keuze maken. Burgers kunnen dan in
                            alle vrijheid kiezen voor de manier van verstrekken die het beste past
                            bij hun situatie en bij hun voorkeur. Dit heeft onder andere gevolgen
                            voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb.</al><al><cursief>Bestedingsvrijheid</cursief></al><al>Kenmerkend voor het Pgb is de zekere bestedingsvrijheid van de
                            budgethouders. Dat betekent dat de gemeente aan de budgethouders de
                            vrijheid kan laten om het budget te besteden aan het doel waarvoor het
                            is verstrekt, zonder precies van hen te verlangen dat zij zich strikt
                            aan een programma van eisen houden. De wet laat de gemeente overigens
                            wel de ruimte om van budgethouders te eisen dat zij zich houden aan een
                            voorafgesteld programma van eisen. Het is aan de gemeente om hierin een
                            keuze te maken. </al><al><cursief>Eigen bijdrage</cursief></al><al>Tot op heden is er op het vlak van het heffen van een eigen bijdrage een
                            terughoudend beleid gevoerd. In de beleidsregels Wmo is vastgelegd voor
                            welke voorzieningen en onder welke voorwaarden er een eigen bijdrage
                            wordt gevraagd. In de praktijk gaat het dan vooral om de eigen bijdrage
                            bij huishoudelijke hulp. De hoogte van de vergoeding/eigen bijdrage
                            wordt jaarlijks vastgesteld in het besluit Wmo.</al><al>Gezien de bezuinigingen die het Rijk de gemeenten oplegt is het zeer de
                            vraag of dit terughoudend beleid voortgezet kan worden. In het komende
                            jaar zal, in overleg met de overige IASZ-gemeenten, onderzocht worden of
                            het mogelijk is voor een aantal voorzieningen een eigen bijdrage te
                            vragen. Dit zou dan bepaald moeten worden aan de hand van een inkomens-
                            en/of vermogenstoets. Te denken valt aan bijvoorbeeld een eigen bijdrage
                            aan een grote woningaanpassing zoals een traplift of een
                            badkamerverbouwing in een woning die eigendom is van de aanvrager.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Ontwikkelingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>1. De Kanteling </onderstreept></vet></al><al>Ruim drie jaar na de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning (Wmo) is de praktijk van deze wet volop in ontwikkeling.
                            Gemeenten – primair verantwoordelijk - richten hun energie op de
                            doorontwikkeling van de Wmo in de richting van een echte
                            participatiewet. </al><al>Aan deze doorontwikkeling liggen verscheidene oorzaken ten grondslag.
                            Gemeenten hebben inmiddels de invoeringsjaren van de Wmo, waarin
                            zorgvuldigheid en het voorkómen van ‘ongelukken’ prioriteit hadden,
                            achter de rug en beginnen zich te concentreren op het meer realiseren
                            van hun eigen ambities op het terrein van maatschappelijke
                            ondersteuning. Een stimulans daarbij vormt het verstrijken van de
                            termijn van de eerste tranche vierjarenplannen. Een derde reden voor de
                            activiteit in gemeenteland betreft de financierbaarheid van de Wmo in de
                            komen de jaren. In veel gemeenten staan de financiën onder druk. </al><al><cursief>Doel</cursief></al><al>Het project ‘De Kanteling’ is gestart in 2009 en beoogt de uitvoering
                            van de Wmo van claim- en voorzieningengestuurd te veranderen in een
                            uitvoering waarbij resultaat en participatie centraal staan. De
                            Kanteling richt zich primair op het verbeteren van participatie van
                            mensen met beperkingen en de kwaliteit van dienstverlening aan
                            Wmo-klanten van de gemeente. In verschillende publicaties is aannemelijk
                            gemaakt dat gekantelde gemeenten op deze aspecten mooie resultaten
                            boeken. In het denken over de kanteling speelt naast een
                            kwaliteitsaspect echter ook een financieel aspect een rol. Gesuggereerd
                            wordt dat gekantelde gemeenten besparingen kunnen realiseren op met name
                            individuele voorzieningen. </al><al>Wanneer vanuit een financieel perspectief naar al dan niet kantelen
                            wordt gekeken, dient eigenlijk het brede perspectief van een
                            maatschappelijke kosten-batenanalyse te worden gekozen. In zo’n analyse
                            worden niet alleen de kosten en baten op de gemeentelijke begroting
                            betrokken, maar ook die van burgers en maatschappelijke partners. </al><al>In het licht van de financiële situatie waarin veel gemeenten verkeren,
                            is echter ook de ‘smalle’ vraag prominent aan de orde. Kost het
                            gemeenten geld om te kantelen, of is de kwaliteitsverbetering te
                            realiseren zonder extra kosten of zelfs met een besparing? Het antwoord
                            hierop is niet zomaar voorhanden. Er zijn – begin 2011 - nog geen
                            voorbeelden van gemeenten die al zo volledig en zo lang gekanteld zijn
                            dat empirische antwoorden mogelijk zijn. </al><al>Het is van belang de financiële kant van de Kanteling te doorgronden.
                            Bij het besluit al dan niet te kantelen zal dit aspect, gegeven de
                            financieel moeilijke situatie waarin gemeenten verkeren, immers
                            vermoedelijk een doorslaggevende rol vervullen. De mechanismen die
                            bepalend zijn voor de kosten en baten van de kanteling worden hierna
                            beschreven. </al><al><cursief>Uitgangspunten en 3-sporenbeleid </cursief></al><al>De Kanteling is gebaseerd op een tweetal uitgangspunten en bestaat in de
                            praktijk uit een drietal sporen. De uitgangspunten zijn inhoudelijk (de
                            verantwoordelijkheidsladder) en procesmatig (resultaat/maatwerk in
                            plaats van standaardvoorzieningen). De drie sporen zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>Het Gesprek.</al></li><li nr="2."><al>Voorzieningen/arrangement.</al></li><li nr="3."><al>Juridisch. </al></li></lijst><al><cursief>Verantwoordelijkheidsladder</cursief></al><al>Het centrale inhoudelijke uitgangspunt van De Kanteling wordt gevormd
                            door de gedachte dat een herschikking wenselijk is in de verdeling van
                            verantwoordelijkheid voor het compenseren van belemmeringen in de
                            participatie. Onder de AWBZ, Wvg en de eerste jaren van de Wmo is een
                            (te) centrale plaats ingeruimd voor door de overheid gefinancierde
                            voorzieningen, waar mensen met beperkingen recht op hebben. De primaire
                            verantwoordelijkheid voor hun participatie ligt echter niet bij de
                            overheid maar bij hen zelf en bij hun sociale omgeving. </al><al>Ook bredere maatschappelijke verbanden hebben een verantwoordelijkheid
                            in de zorg voor mensen met een beperking. Pas als burger en maatschappij
                            het samen niet redden, komt de overheid in beeld. In eerste instantie
                            kunnen burgers dan gebruik maken van tal van algemene voorzieningen. Pas
                            als deze geen uitkomst bieden, komen individuele voorzieningen in beeld.
                            Deze insteek wordt gevisualiseerd in de zogenaamde
                                <onderstreept>verantwoordelijkheidsladder</onderstreept>:</al><lijst><li nr="Þ"><al>Preventieve voorzieningen/inclusief beleid</al></li><li nr="Þ"><al>Eigen kracht </al></li><li nr="Þ"><al>Sociaal netwerk </al></li><li nr="Þ"><al>Algemene voorzieningen </al></li><li nr="Þ"><al>Lichte individuele voorzieningen </al></li><li nr="Þ"><al>Zware individuele voorzieningen </al></li></lijst><al>Van belang bij deze ladder is dat het niet de bedoeling is om (op
                            termijn) geen individuele voorzieningen meer aan te bieden. </al><al><vet><cursief>Resultaat: maatwerk in plaats van
                                    standaardvoorzieningen</cursief></vet></al><al>De Wmo is geen set van standaardvoorzieningen en van de burger wordt
                            niet verwacht dat hij (direct) een voorziening aanvraagt, maar dat hij
                            zich meldt bij de gemeente met een participatieprobleem.
                            Vertegenwoordigers van de gemeente en de burger gaan dan met elkaar in
                            gesprek om dit probleem in kaart te brengen, het resultaat van de
                            ondersteuning vast te stellen, oplossingen te verkennen en aan de hand
                            van de verantwoordelijkheidsladder vast te leggen. Toetssteen van het
                            aldus samengestelde arrangement is niet een protocollaire beoordeling
                            van beperkingen en toewijzing van voorzieningen, maar de vraag of het
                            arrangement volgens klant en gemeente zal leiden tot het (wettelijk
                            bepaalde) resultaat: meedoen. </al><al>In het kader van De Kanteling worden door de VNG in samenwerking met
                            Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland (CG-Raad) en de
                            Centrale Samenwerkende Ouderenorganisaties – CSO - een (nieuwe)
                            modelverordening en beleidsregels gemaakt, waarin wordt uitgegaan van de
                            volgende acht resultaten:</al><lijst><li nr="1."><al>Iedere burger kan wonen in een schoon en leefbaar huis.</al></li><li nr="2."><al>Iedere burger kan wonen in een voor hem/haar geschikt huis.</al></li><li nr="3."><al>Iedere burger kan beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften.</al></li><li nr="4."><al>Iedere burger kan beschikken over schone, draagbare en
                                    doelmatige kleding.</al></li><li nr="5."><al>Iedere burger kan thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren.</al></li><li nr="6."><al>Iedere burger kan zich verplaatsen in, om en nabij het
                                    huis.</al></li><li nr="7."><al>Iedere burger kan zich lokaal verplaatsen per
                                    vervoermiddel.</al></li><li nr="8."><al>Iedere burger heeft de mogelijkheid om contacten te hebben met
                                    medemensen en deel te hebben aan recreatieve, maatschappelijke
                                    of religieuze activiteiten. </al></li></lijst><al><vet><cursief>Drie sporen </cursief></vet></al><al>Zoals eerder aangegeven bestaat De Kanteling in de praktijk uit drie
                            sporen. Een toelichting:</al><al><cursief>1. Het Gesprek</cursief></al><al>Wanneer een burger (of iemand in zijn netwerk of een signalerende
                            professional) vindt dat hij een probleem heeft waar hij zelf niet
                            uitkomt, zal hij zich (meestal) vroeg of laat ergens melden, al dan niet
                            via een ander. Bij dat eerste contact moet worden vastgesteld welk
                            traject de burger zou kunnen volgen. Vervolgens zal in een dialoog
                            worden vastgesteld wat de burger bedoelt en nodig lijkt te hebben om
                            zijn probleem op te lossen. </al><al><cursief>2. voorzieningen/arrangement</cursief></al><al>Een cruciaal onderdeel van De Kanteling is het uitbreiden van het
                            voorzieningenniveau in de gemeente. Om de beweging naar meer oplossingen
                            in de sfeer van eigen kracht, sociale netwerken en algemene
                            voorzieningen te kunnen maken, moeten er wel voorzieningen in deze
                            sferen bestaan. Dat betekent dat gemeenten gericht moeten werken aan
                            voorzieningen die zich richten op:</al><lijst><li nr="·"><al>het bevorderen van eigen kracht, zoals empowerment en
                                    reactivering;</al></li><li nr="·"><al>het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers;</al></li><li nr="·"><al>het aanbieden van algemene voorzieningen, inclusief de daarvoor
                                    benodigde infrastructuur. </al></li></lijst><al><cursief>3. Juridisch/verordening</cursief></al><al>Het derde spoor van De Kanteling betreft het vastleggen van de nieuwe
                            uitgangspunten in het Wmo-beleid, de Wmo-verordening en de bijbehorende
                            beleidsregels. De VNG heeft een modelverordening gemaakt en werkt
                            momenteel aan beleidsregels. </al><al><vet><cursief>Het uitvoeringsproces</cursief></vet></al><al>Er bestaan grote verschillen in de manier waarop gemeenten hun primaire
                            proces (het Wmo-loket) hebben vormgegeven. Een grote groep gemeenten
                            werkt min of meer zoals voorheen onder Wvg en AWBZ. Hun proces is vooral
                            gericht op het beoordelen van aanvragen. Een meerderheid van de
                            gemeenten werkt echter inmiddels met integrale intakes, waarbij
                            vraagverheldering een belangrijke rol speelt. Al is deze
                            vraagverheldering vaak nog erg aanbodgericht. In vele gemeenten zijn ook
                            andere functies (maatschappelijk werk, MEE, ouderenwerk) gekoppeld aan
                            het loket. </al><al>Er zijn ook behoorlijke verschillen in het voorzieningenpakket dat
                            gemeenten aan hun burgers aanbieden. Deze verschillen doen zich vooral
                            op het gebied van de algemene voorzieningen voor. Dit aanbod is vaak
                            historisch gegroeid en geen gevolg van gekanteld denken. Hetgeen er al
                            is, bepaalt of er makkelijk quick-wins zijn te behalen dan wel dat er
                            meer moeite gedaan moet worden om aanvullende algemene voorzieningen te
                            realiseren. </al><al>Kortom, in een gekantelde situatie:</al><lijst><li nr="·"><al>wordt meer tijd besteed aan vraagverheldering;</al></li><li nr="·"><al>wordt meer tijd besteed aan het doorspreken van
                                    oplossingen;</al></li><li nr="·"><al>hebben medewerkers een hoger functieniveau;</al></li><li nr="·"><al>zijn er minder burgers die een aanvraag voor een individuele
                                    voorziening indienen;</al></li><li nr="·"><al>is de duurzaamheid van arrangementen hoger.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Situatie in Bloemendaal/IASZ-gemeenten
                            </cursief></vet></al><al>De uitvoering van de Wmo voor individuele voorzieningen is voor onze
                            gemeente in handen gegeven van de Intergemeentelijke Afdeling Sociale
                            Zaken (IASZ), dat wil zeggen dat daar de uiteindelijke beoordeling van
                            de aanvraag en de besluitvorming plaatsvindt namens de gemeente. Daar
                            vond al de afhandeling van Wvg aanvragen plaats. Doordat er niet langer
                            sprake is van zorgplicht, maar van het compensatiebeginsel, zijn de
                            besluitprocedures, hoewel beleidsarm overgenomen vanuit de Wvg, toch net
                            even anders. </al><al>De basis voor besluitvorming is niet meer “wat is de beperking van de
                            cliënt, waar heeft de cliënt recht op en welke voorziening hebben we
                            daarvoor”. De vraagstelling is nu “welke compensatie heeft de cliënt
                            nodig voor zijn beperking, die hij niet zelf of met hulp van zijn
                            omgeving regelen kan”. Bij complexe situaties wordt nagenoeg altijd
                            huisbezoek afgelegd. Dat was ook al zo in de tijd van de Wvg. Voor
                            eenvoudige situaties is een huisbezoek of een intensieve analyse niet
                            altijd nodig. </al><al>Tijdens de eerste beleidsperiode is gekozen voor het inrichten van Wmo
                            informatieloketten, naast het formele loket bij de IASZ, om eventuele
                            drempels te verlagen die inwoners kunnen ondervinden bij het vragen om
                            hulp of ondersteuning. Binnen de gemeente is Welzijn Bloemendaal
                            verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo-informatieloketten, die
                            in feite een aanvulling waren op de bestaande welzijnsloketten. Het
                            grote verschil met deze loketten is dat inwoners die een Wmo-vraag
                            hebben, altijd door beroepskrachten worden geholpen, dus niet door
                            vrijwilligers.</al><al>In het informatieloket werken meerdere disciplines samen, zoals
                            maatschappelijk werk, ondersteuning mantelzorg, de IASZ, enz. In het
                            informatieloket werken uitsluitend beroepskrachten, die de sociale kaart
                            goed kennen, waaronder Wmo-consulenten van de IASZ, maatschappelijk
                            werkers en ouderen-adviseurs. Zij bieden informatie en ondersteuning aan
                            iedereen die een beroep doet op de Wmo. Daarbij gaat het niet (in
                            hoofdzaak) om hulp bij het invullen van een aanvraagformulier of hulp
                            bij het indienen van een aanvraag. </al><al>De beroepskrachten zijn juist speciaal getraind op vraagverheldering, om
                            de “vraag achter de vraag” te herkennen en samen met de cliënt naar het
                            geheel van problemen te kijken en een oplossing te zoeken die niet persé
                            een individuele voorziening is, bijvoorbeeld door het inzetten van
                            vrijwillige hulp, mantelzorg, activeringsprogramma’s, gebruik van de
                            buurtbus, maaltijdvoorziwning, enz. In feite dus de aanpak van De
                            Kanteling. De uiteindelijke aanvraag behoeft bij de IASZ niet opnieuw
                            uitgevraagd te worden, over een aanvraag “met begeleiding” behoeft de
                            IASZ alleen nog te besluiten. Over de werkwijze zijn de cliënten
                            tevreden, zoals blijkt uit de tevredenheidsonderzoeken. In de loop van
                            2011 is de “gekantelde” werkwijze verder uitgewerkt/geformaliseerd in de
                            handelingsprotocollen van de IASZ.</al><al>De gemeente zet al enige jaren in op het ondersteunen en versterken van
                            de zelfredzaamheid van haar inwoners. Dat gebeurt onder andere door het
                            subsidiëren van organisaties die zich aantoonbaar hiermee bezig houden
                            of door het maken van prestatieafspraken, door het inkopen van
                            cursussen, enz. Het is niet onwaarschijnlijk dat er een steeds grotere
                            inzet van en samenwerking met (vrijwilligers-) organisaties gevraagd zal
                            worden, waarbij subsidies steeds meer gekoppeld gaan worden aan
                            prestatieafspraken. </al><al>De geldende verordening en beleidsregels, alsmede het voorzieningenboek
                            zullen naar aanleiding van de beleidsplannen van de drie IASZ gemeenten
                            opnieuw worden vastgesteld. Dat zal in de loop van 2012 zijn. De
                            (gekantelde) modelverordening en modelbeleidsregels van de VNG zullen
                            daarbij als voorbeeld dienen. </al><al>Uit het voorgaande mag blijken dat de “gekantelde” werkwijze in feite al
                            geruime tijd gehanteerd wordt, ook al zijn de protocollen pas recent
                            vastgesteld. Het is daarom niet de verwachting dat voor onze gemeente
                            serieuze kostenbesparingen op het gebied van individuele voorzieningen
                            te verwachten zijn. </al><al>Beleidsvoornemens 2012-2015</al><al>De geldende Wmo-verordening en beleidsregels, alsmede het
                            voorzieningenboek zullen opnieuw worden vastgesteld. De (gekantelde)
                            modelverordening en modelbeleidsregels van de VNG zullen daarbij als
                            voorbeeld dienen. </al><al><vet><onderstreept>2. Bestuursakkoord (Bestuursafspraken) 2011-2015
                                </onderstreept></vet></al><al>‘Positieve resultaten maar ook belangrijke zorgpunten’. De balans
                            opmakend heeft het bestuur van de VNG na lang onderhandelen begin april
                            2011 besloten het Bestuursakkoord met het Rijk, het IOP en de UvW te
                            ondertekenen en het resultaat voor te leggen aan de leden. Om tot een
                            doelmatige taakverdeling en (dus) een compacte en slagvaardige overheid
                            te komen, wordt een aantal taken gedecentraliseerd. Dit is een
                            omvangrijke hervorming, die gepaard gaat met een overheveling van grote
                            budgetten. Het Bestuursakkoord bevat richtinggevende processen en
                            principeafspraken voor deze decentralisaties. </al><al>Tijdens de ALV op 8 juni 2011 hebben de gemeenten, in meerderheid,
                            besloten vast te stellen, dat de leden het onderhandelaarsakkoord voor
                            hun rekening kunnen nemen, maar dat dit niet het geval is voor het
                            onderdeel ‘werk’. </al><al>Na enkele maanden windstilte, waarin onduidelijkheid bestond over de
                            status van het akkoord, deelde de minister van Binnenlandse Zaken, de
                            heer Donner, begin september aan de 2<sup>e</sup> Kamer mee:</al><al>‘…met de VNG, het IPO en de UvW heb ik afgesproken het pakket aan
                            afspraken in het vervolg aan te duiden als ‘ de bestuursafspraken
                            2011-2015’. Onder dit pakket wordt verstaan; het voornoemde
                            onderhandelaarsakkoord dat door betrokken partijen op 21 april jl. is
                            ondertekend, de correspondentie tussen kabinet en VNG naar aanleiding
                            van de beslissing over het onderhandelaarsakkoord en de brieven van IPO
                            en UvW daarover”. </al><al>De decentralisaties die plaatsvinden en die verband houden met de Wmo
                            zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>(Wet) werken naar vermogen (Wwnv).</al></li><li nr="b."><al>Functie Begeleiding AWBZ.</al></li><li nr="c."><al>Jeugdzorg.</al></li></lijst><al><vet><cursief>a. Wet werken naar vermogen</cursief></vet></al><al>De Wet werken naar vermogen, die in 2013 in werking treedt valt buiten
                            de reikwijdte van dit beleidsplan en zal daarom niet verder worden
                            toegelicht. Dat betekent niet dat er geen aandacht is voor de effecten
                            van deze nieuwe wet. Met name op het gebied van vrijwilligerswerk
                            bestaat de kans dat er meer mensen zullen toestromen. Enerzijds doordat
                            de verplichting ‘work first’ (vermoedelijk) wijzigt, anderzijds doordat
                            mensen met een beperking bezigheden gaan zoeken in deze sfeer. In het
                            betreffende hoofdstuk wordt hier meer gedetailleerd op ingegaan.</al><al><vet><cursief>b. AWBZ-functie begeleiding</cursief></vet></al><al>De activiteiten die nu onder de extramurale AWBZ-functie begeleiding
                            vallen, worden onder de compensatieplicht van de Wmo gebracht. Dit is
                            incl. het vervoer dat aan de begeleidingsactiviteiten verbonden is. De
                            extramurale begeleiding voor jeugd wordt budgettair betrokken bij de
                            (taakstelling samenhangend met) de thans aan de orde zijnde
                            decentralisatie. In het regeerakkoord is afgesproken dat gemeenten vanaf
                            2013 verantwoordelijk zijn voor mensen die voor het eerst of opnieuw een
                            beroep doen op begeleiding en dat gemeenten vanaf 2014 verantwoordelijk
                            zijn voor alle mensen die in aanmerking komen voor begeleiding. Rijk en
                            VNG zullen onderzoeken of een persoonsgebonden budget (pgb) geen
                            onredelijke beperking oplevert voor doelmatigheid en doeltreffendheid in
                            de Wmo. </al><al>Het in 2013 en 2014 over te hevelen bedrag staat thans nog niet vast.
                            Naar huidig inzicht gaat het bij decentralisatie van begeleiding om een
                            bedrag tussen de € 2,1 en € 3,3 mld. in 2014. Hierbij is nog geen
                            rekening gehouden met de gevolgen van de PGB-maatregelen. Op de bedragen
                            wordt een doelmatigheidskorting toegepast van 5%. Die korting kan hoger
                            of lager uitvallen dan het vastgestelde bedrag van € 140 mln. (vanaf
                            2014) in het regeerakkoord. De middelen worden ingebracht in een nieuwe
                            decentralisatieuitkering Wmo begeleiding. </al><al>Ongeveer 180.000 mensen maken op dit moment gebruik van begeleiding
                            (Bloemendaal: 178) </al><al>* Somatische aandoening: 38.000 (31)</al><al>* Psychogeriatrische aandoening: 14.000 (26)</al><al>* Zintuiglijk gehandicapt: 5.000 ( 3)</al><al>* Psychiatrische aandoening: 56.000 (65)</al><al>* Lichamelijk gehandicapt: 14.000 (18)</al><al>* Verstandelijk gehandicapt: 50.000 (35)</al><al><cursief>Invoeringskosten</cursief></al><al>Voor de invoeringskosten decentralisatie AWBZ-begeleiding is in totaal
                            eenmalig € 130 mln. beschikbaar. De gemeenten ontvangen daarvan € 80
                            mln., mits zij kunnen aantonen dit bedrag werkelijk nodig te hebben.
                            Voor Bloemendaal is het volgende budget beschikbaar gesteld:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bloemendaal</al></entry><entry colname="col2"><al> 2012 </al></entry><entry colname="col3"><al> 2013</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eenmalige invoeringskosten </al></entry><entry colname="col2"><al>€76.000</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 52.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitvoeringskosten</cursief></al><al>Voor de uitvoering van de AWBZ-begeleiding krijgen gemeenten structureel
                            een bedrag dat gelijk is aan de uitvoeringskosten van Rijkszijde. Dat
                            wordt overgeheveld naar gemeenten. Daarnaast stelt het kabinet vanaf
                            2016 structureel € 55 mln. beschikbaar voor uitvoeringskosten van zorg
                            voor jeugd en AWBZ-begeleiding samen. In 2014 gaat het daarbij om € 35
                            mln. en in 2015 om € 45 mln. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="60*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Alle gemeenten </al></entry><entry colname="col2"><al> 2014</al></entry><entry colname="col3"><al> 2015</al></entry><entry colname="col4"><al> 2016 e.v. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitvoeringskosten van zorg voor jeugd en
                                                AWBZ-begeleiding samen (in mln. euro) </al></entry><entry colname="col2"><al> 35</al></entry><entry colname="col3"><al> 45</al></entry><entry colname="col4"><al> 55</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>c . Jeugdzorg</cursief></vet></al><al>Gemeenten worden verantwoordelijk voor de uitvoering van de gehele
                            jeugdzorg. De taken die onder de verzamelnaam jeugdzorg vallen
                            zijn:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>De provinciale jeugdzorg.</cursief></al><al> De indicatiestellingen, crisisdienst, de kindertelefoon,
                                    advies- en meldpunt kindermishandeling.</al></li><li nr="2."><al><cursief>De gesloten jeugdzorg.</cursief></al><al> De zorg en behandeling in een jeugdzorginstelling voor jongeren
                                    met ernstige opvoed- en</al><al> Opgroeiproblemen.</al></li><li nr="3."><al><cursief>De jeugdbescherming.</cursief></al></li></lijst><al>Hieronder vallen o.a. de onder toezicht stellingen, de ontzetting en
                            ontheffing en het aanstellen van een gezinsvoogd.</al><al>4.<cursief>De jeugdreclassering.</cursief></al><al>Juridische en praktische ondersteuning in het juridische proces van
                            jongeren die een delict hebben begaan en de uitvoering van de opgelegde
                            maatregelen en straffen.</al><lijst><li nr="5."><al><cursief>De jeugd- geestelijke gezondheidszorg
                                        (jeugd-ggz).</cursief></al><al> De Jeugd-ggz biedt hulp aan jongeren met psychiatrische
                                    stoornissen en psychische problemen </al><al> zoals autisme, eetstoornissen, ADHD, gedragsstoornissen,
                                    depressiviteit etc.</al></li><li nr="6."><al><cursief>De Jeugd- licht verstandelijke gehandicapten hulp
                                        (jeugd-lvg).</cursief></al><al> Licht gehandicapten zijn jongeren met een IQ tot 85.</al></li></lijst><al><cursief>Transitie en fasering</cursief></al><al>Door het kabinet Rutte is het besluit genomen om de Jeugdzorg grondig te
                            verbouwen. Het regeerakkoord stelt dat alle taken op het gebied van de
                            jeugdzorg in de periode vanaf 2012 -2016 gefaseerd overgaan naar de
                            gemeente. Het nieuwe beleid is erop gericht de bestuurlijke en
                            financiële verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen bij de gemeente
                            neer te leggen. Dat is complex, ingrijpend en veelomvattend. Maar dat
                            niet alleen. De verbouwing is niet bedoeld om “slechts”
                            financieringsstromen en bestuurlijke verantwoordelijkheden te verleggen,
                            maar deze juist te laten volgen op de inhoudelijke omslag. Het gaat erom
                            deze inhoudelijke slag te maken, gericht op minder inzet van
                            gespecialiseerde opvangvoorzieningen voor kinderen en jongeren en meer
                            inzet van voorzieningen om de opvoeding in de eigen sociale context te
                            versterken.</al><al>Overeenkomstig het regeerakkoord zullen de decentralisaties gepaard gaan
                            met maximale beleidsvrijheid en minimale verantwoordingsverplichting en
                            het wegnemen van onnodige bureaucratie. </al><al>De uitvoeringsruimte van de gemeenten wordt vergroot door af te zien van
                            uitgebreide kwaliteitseisen en dichtgetimmerde regelingen. Gemeenten
                            zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de controle. Kortom,
                            de gemeenten worden verantwoordelijk voor alle jeugdzorg die nu onder
                            het Rijk, de provincies, de gemeente, de AWBZ en de Zorgverzekeringswet
                            (ZvW) valt. De gemeente behoeft niet alles afzonderlijk op te pakken.
                            Sommige onderdelen kunnen beter op regionaal niveau georganiseerd en
                            bekostigd worden, zoals residentiële zorg, gesloten zorg en dure
                            specialistische trajecten en interventies. </al><al><cursief>Centra voor Jeugd en Gezin</cursief></al><al>In het regeerakkoord staat dat de gerealiseerde Centra voor Jeugd en
                            Gezin als front-office gaan dienen voor de over te hevelen taken. </al><al><cursief>Invoeringskosten</cursief></al><al>Ter compensatie van de invoeringskosten bij de decentralisatie van de
                            jeugdzorg is eenmalig </al><al>€ 64 mln. beschikbaar: € 16 mln. in 2012 en € 48 mln. in 2013. </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Alle gemeenten </al></entry><entry colname="col2"><al> 2012</al></entry><entry colname="col3"><al> 2013</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>invoeringskosten in mln. euro </al></entry><entry colname="col2"><al> 16</al></entry><entry colname="col3"><al> 48</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitvoeringskosten</cursief></al><al>Voor de uitvoering van de jeugdzorg krijgen gemeenten structureel een
                            bedrag dat gelijk is aan de huidige uitvoeringskosten aan Rijkszijde.
                            Dat wordt overgeheveld naar de gemeenten. Daarnaast stelt het kabinet
                            vanaf 2016 structureel € 55 mln. beschikbaar voor uitvoeringskosten van
                            zorg voor jeugd en begeleiding samen. In 2014 gaat het daarbij om € 35
                            mln. en in 2015 om € 45 mln. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Volksgezondheid</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>1. Inleiding</onderstreept></vet></al><al><cursief>Goede gezondheid loont!</cursief></al><al>Een goede gezondheid levert veel op. Gezonde mensen hebben in het
                            algemeen een betere kwaliteit van leven, kunnen beter voor zichzelf
                            zorgen en doen minder een beroep op de zorg. Ook kunnen ze langer en
                            beter participeren in de maatschappij, of het nu op de arbeidsmarkt is
                            of als vrijwilliger. Investeren in gezondheid loont op vele
                            fronten.</al><al><cursief>Huidige gezondheidssituatie</cursief></al><al>Uit het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
                            (RIVM) “Van Gezond naar Beter” (2010) blijkt, dat onze levensverwachting
                            tussen 2003 en 2008 met meer dan twee jaar gestegen is (vrouwen 82,3
                            jaar en mannen 78,3 jaar). Door vergrijzing, veranderde leefstijl en
                            medische ontwikkelingen, zoals vroegtijdige opsporing en betere
                            overlevingskansen, is het aantal mensen met een chronische aandoening
                            (sterk) toegenomen. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de
                                <cursief>ervaren</cursief> gezondheid van mensen of het aantal jaren
                            dat mensen zonder lichamelijke beperkingen leven, is gedaald. Het leven
                            met een chronische ziekte en beperkingen kán dus samengaan met een goed
                            ervaren gezondheid.</al><al>Een groot aantal factoren beïnvloedt de volksgezondheid. Naast
                            genetische aspecten zijn de veiligheid van de leefomgeving, de kwaliteit
                            van de gezondheidszorg en het gedrag van mensen belangrijk. </al><al><cursief>Veilige leefomgeving</cursief></al><al>Gezondheidsrisico’s op het gebied van veiligheid, geluid en verkeer zijn
                            in de loop der jaren teruggedrongen. Risico’s op het gebied van voedsel,
                            van binnenmilieu en groenvoorziening (de toename van de bastaard
                            satijnrups/vlinder en de ziekte van Lyme) blijven aandacht vragen.</al><al><cursief>Gezondheidszorg</cursief></al><al>In de gezondheidszorg gaat het om verbetering van behandelmogelijkheden
                            maar ook om preventieve activiteiten zoals implementatie van
                            (bevolkings)onderzoek en vaccinaties. </al><al><cursief>Gedrag</cursief></al><al>Gezondheid hangt vooral samen met gedrag en leefstijl. Mensen, die
                            voldoende bewegen, gezond eten, niet roken en matig alcohol drinken
                            leven langer, doen minder een beroep op de zorg en voelen zich gezonder.
                            Aandachtspunt hierbij is het bevorderen van voldoende
                            beweegmogelijkheden, thuis, in de buurt en op de werkplek. De uitdaging
                            is dat mensen meer de mogelijkheid krijgen om zelf voor een gezond leven
                            te kiezen.</al><al>Hiernaast zijn er twee specifieke gezondheidsvraagstukken waar aandacht
                            voor gevraagd wordt.</al><al>* Toename chronische ziekten. </al><al>Naast het aantal mensen met diabetes neemt ook het aantal Nederlanders
                            met andere chronische aandoeningen toe (bijvoorbeeld hartziekten en
                            beroertes). Verder stijgt het aantal mensen dat meer dan één chronische
                            ziekte tegelijkertijd heeft. </al><al>* Psychische aandoeningen</al><al>Een groot deel van de ziektelast wordt veroorzaakt door psychische
                            aandoeningen. Het gaat hierbij niet alleen om dementie, maar ook om
                            angststoornissen en verslavingsproblematiek.</al><al><vet><onderstreept>2. Kernpunten van beleid </onderstreept></vet></al><al>Een goede gezondheid begint bij jezelf. Mensen maken zelf keuzes vanuit
                            hun eigen mogelijkheden, verantwoordelijkheid, motieven en belangen. Dat
                            geldt zowel voor leefstijl (gedrag) als voor het gebruik van informatie
                            en (zorg)voorzieningen. Het leefstijlbeleid is de afgelopen jaren steeds
                            meer het terrein geworden van de overheid en professionals; nadruk lag
                            op wat mensen moeten doen of juist laten. Daar is op zich niets mis mee,
                            maar wat mensen zelf willen en kunnen is daarin onvoldoende meegenomen.
                            Soms staan preventieve activiteiten ver van mensen af. </al><al>Het is tijd voor een omslag! </al><al>Een omslag van “gezond moeten leven” naar “gemakkelijker toegankelijk
                            maken van gezonde keuzes”. Daarvoor is het belangrijk dat mensen kunnen
                            beschikken over betrouwbare en toegankelijke informatie, goede en
                            bereikbare voorzieningen en is het belangrijk dat zij zo min mogelijk
                            belemmeringen ervaren om gezond te kunnen leven. De kracht ligt bij het
                            individu in zijn directe woon- , werk- en leefomgeving. Als de inzet van
                            de overheid van belang en nodig is dan zijn de gemeenten als eerste aan
                            zet, omdat de gemeente het beste kan inspelen op de belevingswereld van
                            mensen en rekening kan houden met de specifieke lokale omstandigheden. </al><al><vet><cursief>Visie.</cursief></vet></al><al>De visie met betrekking tot het gezondheidsbeleid 2012-2015 is
                            “Gezondheid dichtbij”. Deze visie wordt uitgewerkt in drie thema’s:</al><lijst><li nr="1."><al>Vertrouwen in gezondheidsbescherming, inclusief
                                    ziektepreventie.</al></li><li nr="2."><al>Zorg en (veilig) bewegen dichtbij in de buurt.</al></li><li nr="3."><al>Zelf beslissen over leefstijl.</al></li></lijst><al>Per thema zal het beleid uitgewerkt worden. Hierbij zijn de
                            uitgangspunten steeds:</al><lijst><li nr="a."><al>Wat kan het individu zelf?</al></li><li nr="b."><al>Wat kan in zijn directe leefomgeving worden georganiseerd?</al></li><li nr="c."><al>Wat kan de gemeente doen?</al></li></lijst><al><vet><cursief>Ad 1. Vertrouwen in gezondheidsbescherming, inclusief
                                    ziektepreventie</cursief></vet></al><al>Mensen kunnen sommige risicofactoren voor de gezondheid niet of moeilijk
                            zelf beïnvloeden. Daarbij vertrouwt men terecht op een belangrijke rol
                            van de overheid. Heldere wet- en regelgeving, toezicht op de naleving
                            hiervan en toegankelijke en betrouwbare informatie zijn noodzakelijk.
                            Risicofactoren zijn – naast genetische – externe factoren zoals milieu,
                            infectieziekten, rampen en gevaarlijke stoffen in voeding en andere
                            producten. </al><al>De overheid is, naast crisisbeheersing, op het terrein van
                            gezondheidsbescherming actief bij:</al><al><cursief>a. de infectieziektenbestrijding.</cursief></al><al> Alhoewel vele infectieziekten steeds minder voorkomen ontstaan nieuwe
                            infectieziekten en </al><al> komen oude terug (bijv. de recente bofuitbraak bij studenten, de
                            EHEC-bacterie en de import van</al><al> tuberculose en MRSA) De afgelopen jaren is op dit gebied veel
                            geïnvesteerd, o.a. met de </al><al> oprichting van het Centrum voor Infectieziektenbestrijding bij het RIVM
                            en het stimuleren van de </al><al> ontwikkeling van nieuwe vaccins en antibiotica. Regionaal is de GGD op
                            dit terrein actief.</al><al><cursief>b. het vaccinatiebeleid voor alle kinderen 0-12 jaar
                                (v</cursief>oor de doelgroep 0-4 jarigen wordt dit reeds </al><al> uitgevoerd in het CJG) en voor doelgroepen de griepprik.</al><al><cursief>c. de product- en voedselveiligheid </cursief></al><al> Het bedrijfsleven is primair verantwoordelijk, de overheid schept
                            wettelijke randvoorwaarden en </al><al> de Voedsel- en Waren Autoriteit controleert en handhaaft de regels. </al><al><cursief>d. de bescherming tegen onveilige illegale drugs.
                            </cursief></al><al><cursief>e. de veiligheid van genees– en hulpmiddelen. </cursief></al><al><cursief>f. veilige bloedvoorziening en bescherming door veilig werken
                                in de zorg.</cursief></al><al> Door veilig met bloed om te gaan worden infecties voorkomen.</al><al>Vanzelfsprekend kunnen gemeenten zelf ook een belangrijke bijdrage
                            leveren aan gezondheids-bescherming en risicoreductie, bijvoorbeeld door
                            een bijdrage te leveren aan de gezonde school-kantine en het “Vignet
                            Gezonde School” onder de aandacht te brengen. </al><al><vet><cursief>Ad 2. Zorg en (veilig) bewegen dichtbij in de
                                    buurt.</cursief></vet></al><al><cursief>a. Preventie en basiszorg dichtbij en
                            toegankelijk.</cursief></al><al>Gezondheid is in de eerste plaats iets van de mensen zelf. Maar, de zorg
                            kan daarbij helpen. Zorg en preventie moeten dichter in de buurt
                            georganiseerd worden. De behoeften en wensen van de mensen zijn
                            uitgangspunt en niet de stelsels of sectoren die zorg leveren. Tijdige
                            signalering van gezondheidsrisico’s door herkenbare en toegankelijke
                            zorgvoorzieningen in de buurt (CJG, huisartsen) een betere digitale
                            bereikbaarheid (e-health) en bewegen in de buurt zijn van belang.
                            Toepassing van effectieve interventies en innovatieve behandelwijzen
                            zijn belangrijke verantwoordelijkheden van de zorgverlener. Betrokken
                            partijen moeten werken aan een sterkere fysieke, organisatorische en
                            inhoudelijke verbinding tussen de publieke gezondheid en de basiszorg
                            vanuit de Zorgverzekeringswet, de AWBZ en de Wmo. </al><al>De (gezondheids)zorg is een belangrijke plek voor preventieve
                            activiteiten. Zorgverleners zoals fysiotherapeuten, artsen,
                            verpleegkundigen en andere paramedici doen al veel aan preventie door
                            middel van advies, informatie, het verstrekken van medische hulpmiddelen
                            en geneesmiddelen. Het is zeker niet de bedoeling dat de eigen
                            verantwoordelijkheid van mensen door zorgverleners wordt overgenomen. Zo
                            is het kabinet er bijvoorbeeld geen voorstander van om
                            leefstijlinterventies in het basispakket van de zorgverzekeringswet
                            (Zvw) op te nemen. Gezond gedrag is iets van de mensen zelf. Dat
                            betekent dat mensen op eigen kosten sporten en dat die kosten niet ten
                            laste komen van anderen via het verzekerde pakket.</al><al>Belangrijk uitgangspunt is dat de zorg zich op een positieve manier
                            richt op het bevorderen van gezondheid in plaats van het bestrijden van
                            ongezondheid door herkenbare toegankelijke zorgvoorzieningen in de
                            buurt. De wensen en behoeften van de mensen moeten centraal staan en
                            niet de sectoren die de zorg leveren. Dit betekent een betere verbinding
                            tussen het CJG (inclusief de GGD en de JGZ) en de basiszorg vanuit de
                            Zvw, de AWBZ en de Wmo. Bij de samenwerking moeten bereikbaarheid en
                            toegankelijkheid de leidraad zijn. Een goed voorbeeld in Bloemendaal van
                            deze samenwerking is de financiering door zorgverzekeraar Agis van de
                            mindfulness trainingen in het CJG.</al><al><cursief>b. Aanpak perinatale sterfte.</cursief></al><al>Betrouwbare informatie over gezond zwanger zijn en verbetering van de
                            verloskundige zorg, o.a. door verbetering ontschotting tussen de eerste
                            en tweede lijn. Met de JGZ Kennerland is afgesproken dat de prenatale
                            voorlichting zo spoedig mogelijk in het CJG gegeven zal worden. Ook zal
                            het contact tussen de jeugdartsen en de huisartsen tot stand gebracht
                            moeten worden.</al><al><cursief>c. GGZ problematiek.</cursief></al><al>Extra punt van aandacht is de geestelijke gezondheid. Het is van belang
                            dat mensen met psychische klachten vroeg gesignaleerd en preventief
                            behandeld worden. Dit voorkomt nieuwe gevallen van psychische
                            problematiek en vermindert het aantal mensen met chronische klachten.
                            Het gaat erom dat de basisfunctie GGZ dichtbij huis versterkt wordt. Een
                            voorbeeld hiervan is de te organiseren slaapcursus “ik slaap weer”. Deze
                            training zal op het CJG gegeven worden.</al><al><cursief>d. E-Health.</cursief></al><al>E-health is een belangrijk toekomstig onderdeel van de zorgketen.
                            E-health omvat gerichte voorlichting, zelftests en behandeling via
                            internet. E-health draagt bij aan het verlagen van de druk op het
                            personeel in de zorg en sluit goed aan bij de jeugd. Het gaat om
                            producten voor zelfmanagement van zowel somatische als psychische
                            aandoeningen. E-health kan met veel voordelen worden ingezet in
                            verschillende stadia van middelengebruik en verslaving. De mogelijkheid
                            om als cliënt anoniem te blijven werkt drempelverlagend voor groepen die
                            normaliter geen beroep doen op de verslavingszorg, zoals jongeren en
                            hoger opgeleide vrouwen. </al><al>e.<cursief> Meer preventie in de spreekkamer.</cursief></al><al>In de verloskundige zorg, bij de GGD, door de huisarts en in de GGZ
                            wordt effectief ondersteuning geboden aan een gezonde leefstijl. Bij
                            mensen die ziek zijn, bijvoorbeeld omdat ze een chronische aandoening of
                            beperking hebben, kunnen zelfzorg en zelfmanagement de effectiviteit van
                            de medische behandeling bevorderen. Hierbij dient nog veel vaker een
                            verbinding gelegd te worden met het eigen gedrag. In de integrale zorg
                            voor chronische patiënten stellen de patiënt en het zorgteam een
                            individueel plan op. Voeding, bewegen, stoppen met roken en medicatie
                            maken daarvan deel uit. Ook tijdens de uitvoering blijft de patiënt
                            verantwoordelijk voor zijn gezondheid. </al><al>f<cursief>. Veilig sporten en bewegen in de buurt.</cursief></al><al>Zoals iedereen inmiddels weet, is bewegen (als het even kan in de buurt)
                            goed voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid en hangt bewegen
                            nauw samen met de speerpunten genoemd in de gezondheidsnota 2008-2012,
                            te weten schadelijk alcoholgebruik, depressie, roken, diabetes en
                            overgewicht.</al><al>Voor sommige groepen is het sport- en beweegaanbod op dit moment nog
                            geen vanzelfsprekendheid, bijvoorbeeld voor mensen met een beperking,
                            jongeren met gedragsproblematiek, mensen met overgewicht en chronisch
                            zieken. Het kabinet streeft ernaar dat voor iedereen een passend sport-
                            en beweegaanbod in de buurt aanwezig is, dat bovendien veilig en
                            toegankelijk is. Hiervoor dienen gemeenten en de sportsector lokaal
                            samen te werken met het onderwijs, de kinderopvang en het bedrijfsleven.
                            Sportsupport is hierbij de aangewezen instelling, zoals in de sportnota
                            genoemd.</al><al>Vanuit het perspectief van de volksgezondheid is het inzicht krijgen in
                            het aantal sportblessures en valincidenten van Bloemendalers evident.
                            Ook de aard van de sportblessures en valincidenten is van belang. De
                            Stichting Consument en Veiligheid houdt zich o.a. hiermee bezig.</al><al><vet><cursief>Ouderen</cursief></vet></al><al>Het is de bedoeling dat ouderen zolang mogelijk zelfstandig leven.
                            Uiteraard speelt een goede gezondheid daarbij een belangrijke rol.
                            Overigens vormen niet ziekten, maar vooral beperkingen - als gevolg van
                            ziekten - de voornaamste obstakels voor een zelfstandig leven.</al><al>Gemeenten spelen een rol bij de preventieve zorg voor ouderen vanuit de
                            Wet Publieke Gezondheid (Wpg).Deze rol wordt belangrijker nu de functie
                            van “begeleiding” uit de AWBZ naar de Wmo wordt overgeheveld. Door deze
                            overheveling komen er meer mogelijkheden voor de gemeente om aan
                            preventie te doen, omdat meer mensen in beeld komen. Met deze verbreding
                            van de Wmo moeten gemeenten bevorderen dat (onnodig) gebruik van
                            zwaardere zorg in de langdurige of curatieve zorg wordt tegengegaan.
                            Gemeenten kunnen wonen, welzijn, vervoer en (preventieve) zorg in hun
                            aanpak koppelen, om tot maatwerk te komen. Gebruik van de mogelijkheden
                            van mantelzorg en vrijwilligers-werk, zowel om te doen als om te
                            krijgen, staan voorop. Kwetsbaarheid bij ouderen is de opeenstapeling
                            van lichamelijke, psychische en/of sociale tekorten in het functioneren.
                            Eenzaamheid, te weinig bewegen en ondervoeding spelen een rol. Het
                            risico voor ernstige gezondheidsproblemen wordt daardoor vergroot
                            evenals de kans op opname in een verzorging- of verpleegtehuis.</al><al>Het signaleren, tijdig onderkennen en doorgeleiden van
                            gezondheidsrisico’s en -problemen en het geven van voorlichting, advies
                            en begeleiding is onderdeel van de reguliere zorg. Ook kunnen
                            huisartsen, de wijkverpleegkundigen, apothekers en Wmo- medewerkers een
                            belangrijke rol spelen bij het bewust maken van ouderen van wat ze zelf
                            aan hun gezondheid kunnen bijdragen.</al><al>In een aantal gemeenten bestaat een ‘Consultatiebureau voor ouderen’
                            waar ouderen vanaf 60 jaar terecht kunnen voor een preventieve controle
                            op de gezondheid. Onderwerpen die besproken worden zijn
                            bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>gehoor en gezichtvermogen</al></li><li nr="·"><al>eet- en drinkgewoonten</al></li><li nr="·"><al>medicijngebruik</al></li><li nr="·"><al>beweging</al></li><li nr="·"><al>valrisico’s en veiligheid in huis</al></li><li nr="·"><al>mantelzorg</al></li><li nr="·"><al>sociaal en psychisch welbevinden. </al></li></lijst><al>Het verdient aanbeveling te onderzoeken of een dergelijke algemene
                            voorziening ook in Bloemendaal </al><al>gerealiseerd kan worden. </al><al><vet><cursief>Ad 3. Zelf beslissen over leefstijl</cursief></vet></al><al>Alhoewel er een omslag plaats moet vinden in het leefstijlbeleid
                            (gezondheidsbevordering) blijven de vijf speerpunten uit de
                            gemeentelijke Nota gezondheidsbeleid 2008-2012 wel van belang om de
                            gezondheid te verbeteren. De speerpunten zijn (het voorkomen van)
                            diabetes, overgewicht, depressie, roken en schadelijk
                            alcoholgebruik.</al><al>Echter, de genoemde overwegingen van zelfbeschikking leiden tot de
                            inrichting van een nieuw leefstijlbeleid dat uitgaat van de volgende
                            punten:</al><al><cursief>a</cursief>. <cursief>het benutten van de (zorg)structuren en
                                de intensivering van de inzet van de jeugdgezondheidszorg in het
                                Centrum voor Jeugd en Gezin met op maat adviezen en verwijzing naar
                                lokale (ook private) mogelijkheden.</cursief></al><al>Naast het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd, vroege
                            signalering van risico’s en inzet op weerbaarheid om verleidingen uit
                            het dagelijks leven te weerstaan, is het stellen van grenzen en het
                            bewust stimuleren van een gezonde basis bij de jeugd nodig. De bedoeling
                            is dat de jeugd leert dat gezond leven leuk en positief is en dat dat je
                            uiteindelijk heel veel oplevert. De jongere zelf is het startpunt en zal
                            zelf direct betrokken moeten worden bij interventies via sociale media,
                            peer-to-peer educatie en de inzet van private initiatieven. De bestaande
                            structuren zoals de Jeugdgezondheidszorg, het CJG, de school en het
                            jongerenwerk staan centraal bij de informatievoorziening en de
                            ondersteu-ning. Door innovatieve werkwijzen te gebruiken kan de JGZ haar
                            rol bij pubers versterken. Voorbeel-den hiervan zijn een web-based
                            uitvoering van de contactmoment voor pubers en ziekteverzuim-
                            begeleiding door de schoolarts.</al><al>Massamediale campagnes passen niet in de eigen verantwoordelijkheid voor
                            een gezond leven. Boven-dien zijn er twijfels over de effectiviteit en
                            het bereik. Vanuit de gedachte “gezond dichtbij’ wordt de menselijke
                            maat juist gevonden via school, werk, buurt en zorg. </al><al>Bij veel activiteiten is de school betrokken. Een gezonde
                            school(omgeving) stimuleert immers de gezonde en bewuste keuze. Scholen
                            zijn echter zelf verantwoordelijk voor een gezond en duurzaam
                            schoolbeleid. De school heeft een algemeen signalerende taak in relatie
                            tot het kind, waar bijvoorbeeld het opmerken van riskant middelengebruik
                            in past. Door de interne zorgstructuur van de school kan – via het CJG -
                            toeleiding naar zorg plaatsvinden. Het (op verzoek van scholen)
                            ondersteunen blijft natuurlijk wel belangrijk, bijvoorbeeld met
                            pedagogische ondersteuning, het aanbieden van effectieve interventies
                            via het CJG of het ondersteunen van de gezonde school. Via het onder de
                            aandacht brengen en – eventueel- faciliteren van “de gezonde
                            schoolkantine” en het vignet “De gezonde school”. Scholen kunnen zich op
                            een positieve manier inzetten voor een gezonde jeugd door te kiezen voor
                            een rookvrij schoolplein en door het schoolplein ook na schooltijd open
                            te stellen voor sport, spel en beweging. </al><al><cursief>b. aandacht voor weerbaarheid en een gezonde basis voor de
                                jeugd.</cursief></al><al>Ingezet wordt op het positief stimuleren van gezond gedrag en op het
                            ontwikkelen van een gezonde leefstijl vanuit weerbaarheid. Op de scholen
                            worden verschillende weerbaarheidtrainingen gegeven, waaronder
                            bijvoorbeeld “Rots en Water”.</al><al><cursief>c. inzet op de gezonde keuze en deze keuze gemakkelijk en
                                aantrekkelijk maken.</cursief></al><al>Als het om leefstijl gaat, maken mensen zelf keuzes. Die keuzes worden
                            gemaakt in een omgeving waarin de gezonde keuze gemakkelijk moet zijn.
                            Aan die omgeving dragen diverse maatschappelijke sectoren bij. Publiek
                            Private Samenwerking (PPS) wordt gezien als een kansrijke methode om de
                            gezonde keuzes aantrekkelijk en toegankelijk te maken, bijvoorbeeld op
                            het terrein van voeding en bewegen. Mensen moeten zo min mogelijk
                            drempels ondervinden wanneer zij ervoor kiezen om gezond te leven. Daar
                            kan vanuit verschillende sectoren een bijdrage aan geleverd worden. </al><al>Voorbeelden zijn bossen en duinen waar je veilig kunt wandelen en
                            hardlopen, gebouwen waar de trap meer voor de hand ligt dan de lift, een
                            goed beschikbaar en herkenbaar aanbod van gezonde producten in de
                            kantine en in de supermarkt (bijvoorbeeld de te zoute producten niet op
                            ooghoogte, inzet van de taskforce zout)</al><al><cursief>d. betrouwbare, toegankelijke informatie, toegesneden op
                                informatiebehoefte en aandacht voor het </cursief></al><al><cursief> bundelen van leefstijlinterventies. </cursief></al><al>Om mensen in staat te stellen keuzes te maken, zijn kennis en praktische
                            informatie nodig. Hiertoe zijn o.a. de websites www.kiesbeter.nl,
                            www.ikkiesbewust.nl en www.loketgezondleven.nl in het leven geroepen.
                            Door de voorgenomen decentralisatie van het toezicht op de Drank- en
                            horecawet naar de gemeenten wordt een toename van de naleving van de
                            leeftijdsgrenzen voor de verkoop van alcohol (en sigaretten) verwacht.
                            Verder wordt er nagedacht over het verbod op cannabisproducten tot 18
                            jaar.</al><al>De rol van de gemeente kan uiteenlopen van deelnemen tot ondersteunen of
                            regie voeren.</al><al>Het uitgangspunt is samenwerking die meerwaarde en efficiëntie oplevert.
                            Innovatie, kennis en bundeling van financiën kunnen door middel van PPS
                            worden aangeboord en ingezet om maatschappelijke doelen te bereiken.
                            Door buiten gebaande paden op zoek te gaan naar nieuwe mogelijkheden kan
                            een impuls worden gegeven. Het gaat erom PPS-mogelijkheden in te zetten
                            voor “de gezonde werkplek of scholen”, e-health, ict-oplossingen en
                            domotica (= huiselektronica) ter bevordering van zelfmanagement en
                            leefstijlbegeleiding. </al><al>Omdat de gemeente het dichtst bij de burger staat, is de gemeente het
                            beste in staat om maatwerk te leveren, in te spelen op de leefwereld van
                            de burgers en rekening te houden met de specifieke locale
                            omstandigheden. Gemeenten hebben dan ook op het gebied van
                            gezondheidsbevordering een grote mate van beleidsvrijheid. Voor
                            gemeenten is het van belang om een goed inzicht te hebben in de
                            gezondheidstoestand van hun inwoners. Dat is het startpunt om de zaken
                            op te pakken die aansluiten bij de belevingswereld van de mensen en
                            gezondheid meer van de mensen zelf te maken. </al><al><vet><cursief>3.</cursief></vet><vet><cursief>Samenvatting
                                    Programmalijn ‘Volksgezondheid’</cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Preventieve gezondheidszorg optimaliseren.</al><al>2.Een omslag in het denken over gezond leven, dat
                                                wil zeggen de</al><al>(preventieve) gezondheidszorg is erop gericht om
                                                inwoners te “verleiden” gezonde keuzes te maken op
                                                het gebied van eten, bewegen en welbevinden, in
                                                plaats van het “gezond moéten leven”.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Als de kwaliteit van de gezondheidszorg verbeterd
                                                is.</al><al>2.Als de keuze voor ‘gezondheid’ gemakkelijker
                                                toegankelijk is</al><al> gemaakt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Stimuleren van de publiek private samenwerking
                                                tussen de gemeente (PPS), het bedrijfsleven,
                                                gezondheidsinstellingen en het onderwijs.</al><al>2.Kwaliteitsverbetering jeugdgezondheidszorg (4-19)
                                                op het CJG:</al><al>-oproepen van alle jongeren 4-19 jaar door de
                                                jeugdarts.</al><al>-signaleren en multidisciplinaire aanpak volgens
                                                de</al><al> uitgangspunten en kwaliteitseisen van het CJG;</al><al>-vaccinaties op het CJG.</al><al>3.Project “de gezonde schoolkantine” en het vignet
                                                “De gezonde school” stimuleren.</al><al>4.Inzicht krijgen in het aantal Bloemendalers met
                                                psychische ziekten en hun mogelijkheden tot
                                                participatie in de samenleving.</al><al>5.Cursus mentale weerbaarheid (e-health) en de
                                                cursus “Ik slaap weer” door Presenz (GGZ in
                                                Geest).</al><al>6.Inzicht krijgen in lichamelijke problematiek van
                                                Bloemendalers, waaronder sportblessures en
                                                valincidenten.</al><al>7.Opzetten van een consultatiebureau voor
                                                ouderen.</al><al>Daarnaast worden nog enkele actiepunten uit de in
                                                2009 vastge-stelde nota ‘Natuurlijk gezond,
                                                actieprogramma gezondheidsbeleid Bloemendaal
                                                2010-2013’ uitgevoerd. Zie hiervoor het eerste
                                                onderdeel van het overzicht op pagina 79. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Door voorwaarden te verbinden aan subsidieverlening
                                                en toe te zien op de naleving. </al><al>Door gestructureerd overleg en aan de hand van
                                                jaarverslagen.</al><al>Aan de hand van een of meer
                                                tevredenheidonderzoeken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2012 : kwaliteitsverbetering
                                                jeugdgezondheidszorg.</al><al> : publiek private samenwerking.</al><al> : Cursus “Ik slaap weer”op het CJG.</al><al>2013 : Project “de gezonde schoolkantine en “het
                                                vignet “De gezonde school.</al><al> : Inzicht krijgen in het aantal Bloemendalers met
                                                psychische ziekten en hun mogelijkheden tot
                                                participatie in de samenleving.</al><al> : Cursus “Mentale weerbaarheid” op het CJG.</al><al>2014 : Inzicht krijgen in lichamelijke problematiek
                                                van de Bloemendalers, waaronder sportblessures en </al><al> valincidenten.</al><al>2015 : Opzetten van een consultatiebureau voor
                                                ouderen. </al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Programma maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><structuurtekst><al><vet>A. Programmalijn ‘Leefbaar en Betrokken’</vet></al><al>Deze programmalijn heeft betrekking op een leefbaar Bloemendaal: de
                            sociale samenhang (het versterken van de civil society) met ‘de wijk’
                            als aangrijpingspunt en het als het enigszins mogelijk is
                            bevorderen/toepassen van inclusief beleid. Ook het voorkómen en zo nodig
                            bestrijden van (jeugd)overlast in wijk valt onder deze programmalijn,
                            evenals het vrijwilligerswerk en de mantelzorg. </al><al>Een deel van de projecten en activiteiten binnen deze programmalijn
                            heeft een bovenwijkse of zelfs een regionale dimensie, zoals het verder
                            professionaliseren van vrijwilligersorganisaties of het ontwik-kelen van
                            een aanbod van respijtzorg ten behoeve van mantelzorgers. Bij de
                            uitwerking heeft een opsplitsing plaatsgevonden in drie onderdelen: </al><lijst><li nr="1."><al>sociale samenhang/veiligheid, leefbaarheid wijken en kernen</al></li><li nr="2."><al>vrijwilligerswerk</al></li><li nr="3."><al>mantelzorgers</al></li></lijst><al><vet>Ad 1. sociale samenhang/veiligheid, leefbaarheid wijken en kernen
                            </vet></al><al><vet><onderstreept>1. Inleiding</onderstreept></vet></al><al>Vrijwel alle inwoners maken deel uit van sociale verbanden en informele
                            zorgrelaties. In een leefbare en sociale samenleving weten bewoners zich
                            beschermd, zijn zij zoveel mogelijk zelfredzaam, maatschappelijk actief
                            en zorgen zij voor elkaar. Bij de beoordeling van de mate van
                            leefbaarheid spelen verschillende factoren een rol, zoals de
                            aanwezigheid van voldoende voorzieningen, de mate van (sociale)
                            veiligheid, een veilig en rustig milieu, de kwaliteit van de openbare
                            ruimte en handhaving op leefbaarheid door de overheid. Maar ook sociale
                            factoren, zoals de aanwezigheid en kwaliteit van buurtcontacten en
                            vormen van burenhulp, alsmede algemene voorzieningen, zijn van belang
                            voor de mate van leefbaarheid. Een van de manieren om de kwaliteit te
                            meten is door middel van de periodieke wijkschouw. Een ander instrument
                            kan zijn de “leefbarometer” die in 2011 door het ministerie van BZK is
                            ontwikkeld.</al><al>In het advies Burgerkracht van de Raad voor Maatschappelijke
                            Ontwikkeling –RMO- (april 2011) staat dat 85% van de Nederlanders zich
                            prima redt en zich om elkaar bekommert, maar dat 15% profes-sionele
                            ondersteuning nodig heeft. Van dit laatste aantal gaat het bij 10% van
                            de mensen om lichte, meervoudige problemen en heeft 5% min of meer
                            permanente steun nodig vanwege zware meer-voudige problematiek.</al><al><vet><onderstreept>2. Visie en centrale
                                doelstelling</onderstreept></vet></al><al>Een wijk van een hoge (sociale) kwaliteit kenmerkt zich door een brede
                            participatie, onderlinge betrokkenheid en zorgzaamheid. Ongeacht
                            leeftijd, psychische, sociale, lichamelijke of verstandelijke beperking
                            kan iedere burger zoveel als mogelijk meedoen aan de samenleving. Mensen
                            die dit structureel niet zelfstandig of met behulp van de omgeving
                            kunnen, krijgen ondersteuning en kunnen een beroep doen op een vangnet.
                            Uitgangspunt hierbij is dat mensen in staat zijn zo lang mogelijk de
                            regie over hun eigen leven te houden door een toegankelijke en naar
                            elkaar omziende samenleving. De leden van deze samenleving zijn
                            betrokken, ook (of juist) op hen die ondersteuning behoeven; zij houden
                            ogen en oren open voor de noden van mensen in hun sociale omgeving en
                            komen in actie als dat nodig is. Bewoners vormen zodoende onderling een
                            gemeenschap. Voorbeelden hiervan zijn ouderen die thuis kunnen wonen
                            omdat ze, als er iets mis gaat, met één druk op de knop de buren kunnen
                            alarmeren. Of buurtbewoners die alarm slaan als ze het idee hebben dat
                            iemand in de war lijkt te zijn. </al><al><vet><cursief>-Doel-</cursief></vet></al><al>Het doel is dat het gewoon wordt dat mensen zich verbinden en verbonden
                            voelen en dat ze van deze verbindingen, hun sociaal netwerk,
                            gebruikmaken. </al><al><vet><onderstreept>3. Bestaande situatie </onderstreept></vet></al><al>In Bloemendaal is het goed tot zeer goed wonen en leven, daar is vrijwel
                            iedereen het over eens. Op de Leefbaarheidsindex (VROM) scoren alle
                            wijken steevast ‘goed’ of ‘zeer goed. De kwaliteit van de veiligheid van
                            de wijken wordt eveneens als goed tot zeer goed beoordeeld. ´De gemeente
                            Bloemendaal is de één na beste woongemeente van Nederland’, zo bleek uit
                            het jaarlijks onderzoek ‘De beste gemeenten’ van weekblad Elsevier en
                            Bureau Louter (juni 2011). Los hiervan vallen altijd verbeteringen door
                            te voeren en geldt een en ander uiteraard niet voor iedereen</al><al>De onderwerpen die de sociale samenhang en leefbaarheid raken, zijn
                            divers. Een deel betreft ‘harde’ voorzieningen: de aanwezigheid – bij
                            voorkeur in de directe omgeving - van winkels, scholen, kinder-opvang,
                            speel- en sportvoorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen en
                            mogelijkheden om elkaar te ontmoeten etc. Een ander deel, minder
                            zichtbaar maar niet minder van belang, heeft betrekking op de onderlinge
                            betrokkenheid, zorgzaamheid en veiligheid. </al><al>Uit de evaluatie van het Wmo-beleidsplan 2008-2011 blijkt, dat ruim 80%
                            aangeeft in een prettige buurt/wijk te wonen en voldoende sociale
                            contacten te hebben. ‘Slechts’ 40% vindt dat de buurtbewoners in
                            voldoende mate onderling betrokken bij elkaar zijn. Opvallend laag – 12%
                            - is de score wat betreft de aanwezigheid van voldoende
                            sociaal-culturele voorzieningen en mogelijkheden voor mensen om elkaar
                            te ontmoeten. Hoe gering het aantal respondenten ook was, deze cijfers
                            zijn wel een signaal. </al><al>Dorpshuizen en buurtverenigingen dragen bij aan sociale cohesie omdat
                            zij mensen de mogelijkheid bieden elkaar te ontmoeten. In de kern
                            Vogelenzang is een dorpshuis aanwezig. In Bloemendaal ook, maar meer ‘in
                            naam’; omdat het vooral een horecagelegenheid betreft. In Overveen
                            bevindt zich de Buurtvereniging Overveen (BVO). In Bennebroek is de
                            Dorpsraad in 2011 heropgericht. Daarmee hebben de inwoners van deze kern
                            het signaal afgegeven zich betrokken te voelen bij de ontwik-kelingen
                            binnen deze kern. </al><al>Om de inwoners (nog) meer te betrekken bij beleid en uitvoering van de
                            Wmo is in 2009 de Wmo-raad opgericht. De Wmo-raad is een voortzetting
                            van de AGOG, die ten tijde van de WVG fungeerde als ad-vieslichaam voor
                            de gemeente. De Wmo-raad heeft nu tot taak de gemeente gevraagd en
                            ongevraagd te adviseren over Wmo-aangelegenheden en wordt daarbij gevoed
                            door de behoeften van de doel-groepen van de Wmo. Met betrekking tot de
                            Wmo-raad wordt opgemerkt dat te weinig inwoners zich op dit moment
                            betrokken voelen bij de Wmo-raad. Op dit punt streeft de Wmo-raad naar
                            verbetering. </al><al>Mede op basis van de evaluatie van het Wmo-beleidsplan 2008-2011 worden
                            de volgende voorzieningen/activiteiten gecontinueerd:</al><lijst><li nr="1."><al>De zorg voor goed onderhouden speelvoorzieningen.</al></li><li nr="2."><al>Het jaarlijks organiseren in elke dorpskern van een
                                    straatspeelavond of spe(el)activiteit.</al></li><li nr="3."><al>Het stimuleren van het organiseren van sportieve en culturele
                                    activiteiten voor kinderen tijdens</al><al> straatfeesten. </al></li><li nr="4."><al>Het streven naar openbaar maken (= openstellen ná schooltijd
                                    voor gebruik door kinderen uit</al><al> de buurt) van zoveel mogelijk speelplaatsen bij basisscholen.
                                </al></li><li nr="5."><al>Het beleid m.b.t. het Jeugdhonk te Vogelenzang (gehuisvest in
                                    het Dorpshuis), de jongerenbus</al><al> en de inzet van de jongerenwerkers. </al></li><li nr="6."><al>Het financieel ondersteunen en betrekken van de Wmo-raad bij het
                                    beleid m.b.t. maatschap-</al><al> pelijke ondersteuning. </al></li><li nr="7."><al>Handhaven subsidieverstrekking aan buurtverenigingen,
                                    Oranjecomités en sociaal-culturele activiteiten, enz.</al></li><li nr="8."><al>De periodieke wijkschouwen.</al></li><li nr="9."><al>Instandhouding anti-discriminatievoorziening.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>4. nieuwe activiteiten/actiepunten
                                </onderstreept></vet></al><al>Het leefbaar maken en houden van de vijf dorpskernen van Bloemendaal kan
                            de gemeente niet alleen. Dat is mede de eigen verantwoordelijkheid van
                            bewoners en andere ‘gebruikers’. </al><al>Tegelijkertijd streeft de gemeente ernaar om bewoners ruimte te geven om
                            zaken op wijkniveau of dorpskernniveau op een laagdrempelige manier goed
                            te regelen. </al><al>Er bestaat nog steeds behoefte aan het creëren van aantrekkelijke
                            plaatsen in wijken en </al><al>buurten, plaatsen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar ze een
                            luisterend oor vinden. Niet </al><al>alleen voor ouderen, maar ook voor jongeren, zoals een maatschappelijk
                            centrum, een school of een </al><al>plaats waar mensen kunnen sporten. Bekeken zal worden of hiervoor
                            gebruik kan worden gemaakt van </al><al>leegstand in schoolgebouwen die zich, naar verwachting, in toenemende
                            mate in de komende jaren zal </al><al>voordoen. </al><al>Ook kerken en hun gebouwen hebben een functie in de leefbaarheid van een
                            buurt. Uit de gesprekken van de wethouder met vertegenwoordigers van de
                            plaatselijke kerken is gebleken, dat ook de kerken volop bereid zijn
                            zich nog meer in te spannen voor de leefbaarheid van Bloemendaal. Dit in
                            onderling overleg met elkaar en met de inwoners en daar waar nodig in
                            samenwerking met de gemeente.</al><al>Uit het door de portefeuillehouder gevoerd overleg met het bestuur van
                            de Buurt Vereniging Overveen (BVO) is gebleken dat de BVO voornemens is,
                            in overleg met omwonenden van het sportveld aan de Vrijburglaan en de
                            gemeente, een buurtboomgaard aan te leggen nabij het verenigingsgebouw. </al><al>Voor dit initiatief, dat de saamhorigheid in de buurt ten goede moet
                            komen, is een startsubsidie gevraagd. Het voornemen bestaat dit
                            initiatief, mits ruimtelijk uitvoerbaar, financieel te ondersteunen. </al><al>Voorts is aangegeven dat behoefte bestaat aan een digitale marktplaats
                            op lokaal (bijvoorbeeld wijk of </al><al>dorpskern) niveau waarop vraag en aanbod rond concrete noden van
                            bewoners en tevens informatie </al><al>over de sociale kaart kunnen worden samengebracht. Met dit instrument
                            behouden bewoners hun </al><al>zelfredzaamheid en ontwikkelen zich sociale netwerken. Dit idee zal
                            uitgewerkt (moeten) worden. </al><al>Voorts wordt de aandacht gericht op het toegankelijk houden en maken van
                            openbare ruimten. Dit </al><al>naar aanleiding van de uitkomsten van het in 2011 gehouden onderzoek
                            naar de toegankelijkheid van </al><al>publieke voorzieningen in Bloemendaal. Om bijv. de bewoners met een
                            beperking zo lang mogelijk </al><al>zelfstandig te laten participeren, is het nodig dat de openbare ruimte
                            voor hen toegankelijk is.</al><al><vet><onderstreept>5. Jeugd, buurt en overlast</onderstreept></vet></al><al>Bloemendaal heeft te maken met groepen jongeren die – veelal in hun
                            eigen buurt - op straat samenkomen en rondhangen, de zgn.
                            “hangjongeren”. Dit is geen nieuw en zeker geen specifiek Bloemendaals
                            verschijnsel, het is van alle tijden en gebeurt overal. Bloemendaal kent
                            een wisselend aantal van deze groepen. Vaak geeft dit rondhangen
                            helemaal geen problemen, maar in sommige gevallen leidt het tot
                            (ervaren) overlast. Hierbij kan worden gedacht aan het veroorzaken van
                            geluidsoverlast, het maken van rommel, het plegen van kleine
                            vernielingen en/of het (beperkt) nuttigen van alcohol en het gebruik van
                            (soft)drugs. Meldingen komen bij de politie binnen en in de meeste
                            gevallen handelt de politie de meldingen zelf af. </al><al>Soms signaleren de jongerenwerkers beginnende problemen en pakken die,
                            in samenwerking met verschillende partijen aan, waardoor er een bijdrage
                            wordt geleverd aan het voorkomen van overlast. Soms is er echter geen
                            sprake van overlast maar is er te weinig tolerantie van buurtbewoners.
                            Daarom kan het van belang zijn dat bij klachten over overlast
                            buurtbewoners en jongeren met elkaar in gesprek gaan. In dat geval is er
                            een rol weggelegd voor het CJG.</al><al>In het eindrapport van F.E. Woltring “ Programma Jeugd en Overlast
                            Kennemerland” van december 2010 doet het praktijkteam “Jeugd en
                            Overlast” o.a. de volgende aanbeveling:</al><al>“De aanpak van jeugdoverlast is alleen effectief als er sprake is van
                            maatwerk met een combinatie van preventie, zorg en repressie. Een goede
                            samenwerking en kruisbestuiving tussen veiligheidsbeleid en jeugdbeleid,
                            tussen veiligheidsketen en jeugd(zorg)keten moet daarom zoveel mogelijk
                            worden nagestreefd en gestimuleerd. Van persoonsgerichte maatregelen is
                            bekend dat alleen straffen niet effectief is, maar (in combinatie met)
                            zorg wel. </al><al>De werkzame factor van persoonsgerichte maatregelen is dus het bieden
                            van zorg. Gebleken is echter dat deze kruisbestuiving in een aantal
                            gevallen onvoldoende plaats vindt in Kennemerland. Zo wordt de sector
                            Jeugdgezondheidszorg van de GGD nog onvoldoende betrokken bij de
                            preventie van overlast terwijl zorgsignalen hier vaak in een vroegtijdig
                            stadium bekend (zouden) moeten zijn. De GGD komt in beeld wanneer het
                            gaat om het gebruik van genotsmiddelen en preventie, maar de
                            signalerende bijdrage die geleverd kan worden bij de individuele aanpak
                            van jongeren wordt vaak nog onvoldoende benut”. Het praktijkteam
                            adviseert om in te zetten op een nauwere samenwerking tussen de zorg- en
                            de veiligheidspartners”.</al><al>In verband met de gewenste verbinding tussen curatieve
                            veiligheidsmaatregelen en de preventieve meer zorggerelateerde inzet
                            voor de jeugd, zou er – bij structurele overlast - een steviger
                            verbinding gelegd moeten worden tussen het jongerenwerk, de politie,
                            bureau Halt, (de front office van) het CJG, de jongere(n), ouders en
                            buurtbewoners. Het overleg wordt geïnitieerd en voorgezeten door de
                            coördinator van het CJG. Overlastmeldingen en de rapportages van o.a. de
                            politie zijn hierbij leidraad.</al><al>Als er sprake is van overlast spreken de partijen in onderling overleg
                            hun standaardacties af. In sommige gevallen zal er behoefte zijn aan
                            aanvullende acties van instellingen zoals het maatschappelijk werk, de
                            Jeugdgezondheidszorg, verslavingszorg, reclassering etc.</al><al>Om te komen tot goede afspraken over de inzet van standaard- en
                            aanvullende acties, zodat een meer integrale, gecoördineerde aanpak van
                            overlast door jongeren wordt gerealiseerd, dient er een procedure
                            “aanpak overlast jeugd” te worden ontworpen. </al><al><vet><cursief>6.</cursief></vet><vet><cursief>Samenvatting
                                    ‘sociale samenhang/veiligheid, leefbaarheid wijken en
                                    kernen</cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>De mogelijkheid van deelname aan de samenleving voor
                                                alle inwoners. </al><al>Voldoende plekken/mogelijkheden in elke wijk/kern
                                                waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. </al><al>De (beleving van) overlast verminderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Als alle inwoners daadwerkelijk de mogelijkheid
                                                hebben deel te nemen aan de samenleving. </al><al>Als voldoende mogelijkheden tot ontmoeting bestaan
                                                en hier daadwerkelijk gebruik van wordt gemaakt. </al><al>Overlast kan, op basis van een protocol, worden
                                                aangepakt. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Ontmoetingscentra creëren in iedere wijk.</al><al>2.Een buurtboomgaard inrichten in Overveen.</al><al>3.Het bieden van een “digitale” marktplaats voor
                                                vraag en aanbod rond concrete noden van
                                                bewoners.</al><al>4.Het bevorderen van de toegankelijkheid openbare
                                                ruimte en</al><al> gebouwen. </al><al>5.Overgaan tot vaststelling van een procedure
                                                ‘aanpak overlast</al><al> jeugd’ en deze toepassen indien daartoe aanleiding
                                                bestaat. </al><al>Daarnaast worden nog diverse actiepunten uit het
                                                Wmo-plan 2008-2011 uitgevoerd. Zie pagina 34. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Door jaarlijks te evalueren aan de hand van:</al><al>-tevredenheidsonderzoeken;</al><al>-veiligheidsmonitor;</al><al>-de rapportage ‘Waar staat je gemeente’ . </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2012 : Buurtboomgaard inrichten in Overveen.</al><al>2012 : Opzetten digitale marktplaats</al><al>2012 : Vaststellen procedure ‘aanpak overlast
                                                jeugd’. </al><al>2013-2015 : Overige punten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Ad 2. Vrijwilligerswerk</vet></al><al><vet><onderstreept>1. Inleiding</onderstreept></vet></al><al>De vrijwillige inzet van burgers, zowel informeel en ongeorganiseerd als
                            in georganiseerd verband, vormt een onmisbaar deel van de “civil
                            society”. Met zijn vrijwillige inzet levert de burger actief een
                            bijdrage. Hij geeft niet alleen zijn eigen meedoen vorm, maar draagt ook
                            bij aan het meedoen van kwetsbare groepen. Het gaat hierbij nadrukkelijk
                            niet alleen om vrijwillige inzet in de zorg, maar om vrijwillige inzet
                            op alle terreinen van de samenleving. </al><al>Vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht
                            en onbetaald, wordt gedaan voor anderen of voor de samenleving.
                            Vrijwilligers zijn onmisbaar in de huidige samenleving. Het doel van het
                            beleidsplan “Het maatschappelijk hart van Bloemendaal
                            Vrijwilligerswerkbeleid Bloemendaal 2005 t/m 2010” is het structureel
                            waarderen, ondersteunen en stimuleren van vrijwilligerswerk en
                            mantelzorg in Bloemendaal. Deze doelstelling is overgenomen in het
                            Wmo-beleidsplan 2008-2011. </al><al>Volgens een onderzoek van Arts en Te Riele, gepubliceerd door het CBS
                            was in 2009 ruim 22 procent van de volwassen bevolking vrijwilliger.
                            Mensen met betaald werk waren bijna even vaak vrijwilliger als mensen
                            zonder betaald werk. Niet-werkenden besteedden echter bijna twee keer
                            zoveel tijd aan vrijwilligerswerk. In ditzelfde onderzoek wordt vermeld
                            dat als er een andere methode van uitvragen gebruikt wordt, te weten het
                            Permanent Onderzoek Leef Situatie (POLS), het percentage vrijwilligers
                            zelfs 2 keer zo hoog is namelijk 42%. Dat betekent dat in Bloemendaal
                            tussen de 2.500 en 5.000 inwoners op enig moment vrijwilligerswerk doet. </al><al>Als het gaat om het soort organisatie waarvoor mensen vrijwilligerswerk
                            doen, zijn er verschillen tussen werkenden en niet-werkenden. Werkenden
                            zijn vaker actief voor school, jeugd- en buurthuiswerk en voor sport-,
                            hobby- en cultuurverenigingen, terwijl niet-werkenden zich juist
                            verhoudingsgewijs vaak inzetten in de verzorging en voor religieuze
                            organisaties. Zo zet bijna 6 procent van de niet-werkenden zich in voor
                            organisaties in de zorg, tegenover 2 procent van de werkenden. Bij
                            sport, hobby en cultuur gaat het juist om respectievelijk bijna 6
                            procent van de niet-werkenden en ruim 9 procent van de werkenden. Een
                            vergelijkbaar beeld komt naar voren uit het POLS-onderzoek. Voor alle
                            soorten organisaties geldt dat vrijwilligers zonder betaald werk bijna
                            twee keer zoveel tijd aan vrijwilligerwerk besteden als vrijwilligers
                            met betaald werk.</al><al><vet><onderstreept>2. Visie en centrale
                                doelstelling</onderstreept></vet></al><al>In het beleidsplan Wmo 2012-2015 verandert niets in de doelstellingen
                            van de oude beleidsplannen. </al><al>Voor deze beleidsperiode geldt echter ook de verwachting dat het Rijk
                            steeds verdergaande bezuinigingen door zal voeren op het gebied van zorg
                            en welzijn. Daardoor zal er steeds meer druk komen te liggen op het
                            vrijwilligerswerk in de zorg. De Kanteling en de aankomende
                            decentralisaties zijn daar voorbeelden van. De
                            verantwoordelijkheidsladder (zie blz. 18) gaat ervan uit dat eerst in de
                            eigen omgeving van de hulpvrager gezocht moet worden naar oplossingen.
                            Vaak wordt “sociale” zorg geboden door organisaties die met
                            vrijwilligers werken. Dat is veelal in de vorm van huisbezoek,
                            gezelschap bieden, begeleiding bieden en veel hand- en spandiensten
                            verrichten. Vrijwilligerswerk is daarmee in feite één van de pijlers van
                            het “gekantelde” denken.</al><al>De inzet van de gemeente zal daarom steeds meer gericht worden op het
                            promoten van vrijwilligerswerk. Dat zal onder andere gebeuren door
                            actief voorlichtings- en wervingscampagnes te ondersteunen. </al><al><vet><onderstreept>3. Bestaande
                                    doelstellingen/activiteiten</onderstreept></vet></al><al><cursief>Waardering</cursief></al><al>De gemeente toont haar waardering voor vrijwilligerswerk door elk jaar
                            een vrijwilligersavond te geven en daarbij de vrijwilligersorganisatie
                            van het jaar te laten kiezen. Dit beleid wordt voortgezet.</al><al><cursief>Faciliteren</cursief></al><al>De gemeente faciliteert en ondersteunt het vrijwilligerswerk door middel
                            van subsidies. Vooral kleinere organisaties doen een beroep op een
                            subsidie die aangevraagd kan worden voor het versterken van de
                            organisatie, bijv. door het aanschaffen van een computer, voor PR, enz.
                            Dit beleid wordt voortgezet.</al><al><cursief>Werving van nieuwe vrijwilligers. </cursief></al><al>Grotere organisaties als Welzijn Bloemendaal hebben daarvoor hun eigen
                            methoden en de kosten worden gedekt door de subsidie die de gemeente
                            verstrekt. Kleinere organisaties kunnen gebruik maken van de
                            vacaturebank van de vrijwilligerscentrale, die gesubsidieerd wordt om te
                            bemiddelen tussen vraag en aanbod. Dit beleid wordt voortgezet.</al><al>De Vrijwilligerscentrale (VWC) is een (ver)bindende factor als het gaat
                            om vrijwilligerswerk. VWC verricht zelf geen vrijwilligerswerk, ook al
                            werken er wel vrijwilligers. Een opsomming van wat WVC doet voor
                            vrijwilligers:</al><lijst><li nr="-"><al>VWC runt de vacaturebank, waar mensen kunnen zoeken naar
                                    vrijwilligerswerk van hun gading. Een van de taken daarbij is
                                    het informeren en adviseren over de soorten
                                    vrijwilligerswerk.</al></li><li nr="-"><al>VWC fungeert ook als makelaar voor vrijwilligerswerk in de vorm
                                    van maatschappelijk ondernemen. Daarbij kan gedacht worden aan
                                    bemiddeling tussen bedrijven, die, in plaats van een
                                    personeelsuitje, met het personeel een dag vrijwilligerswerk
                                    willen doen en instellingen die behoefte hebben aan een ploeg
                                    vrijwilligers. </al></li><li nr="-"><al>VWC regelt ook maatschappelijke stages voor scholieren op
                                    middelbare scholen. Leerlingen gaan bij een instelling een
                                    aantal uren werk doen. De vrijwilligerscentrale zoekt
                                    stage-plekken voor de scholieren en begeleidt scholen en
                                    instelling. </al></li></lijst><al>Subsidiering van (de activiteiten) de Vrijwilligerscentrale wordt
                            voortgezet. </al><al><vet><onderstreept>4. Nieuwe
                                activiteiten/actiepunten</onderstreept></vet></al><al>De onderstaande ideeën/activiteiten zijn ingediend via het digitale
                            Wmo-platform dan wel tijdens de door de portefeuillehouder gevoerde
                            gesprekken met organisaties/particulieren. </al><lijst><li nr="a."><al>Het financieel bijdragen aan de ontwikkeling en het in
                                    standhouden van de vrijwilligersacademie, zoals uitgewerkt door
                                    de Vrijwilligerscentrale en ondersteund door meerdere
                                    vrijwilligersorganisaties. Het doelvan de
                                    Vrijwilligersacademie is het leveren van een bijdrage aan een
                                    breed, gevarieerd en kwalitatief goed scholingsaanbod voor
                                    vrijwilligers en beroepskrachten in alle sectoren die het
                                    vrijwilligerswerk ondersteunen.</al></li><li nr="b."><al>Bevorderen dat er in algemeen toegankelijke ruimten, zoals de
                                    bibliotheek, een vacaturewand ingericht wordt voor
                                    vrijwilligers. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een
                                    “folderrek”.</al></li><li nr="c."><al>Pilot opstarten om coach-vrijwilligers op te leiden die ingezet
                                    kunnen worden om potentiële vrijwilligers, die nu wegens een
                                    beperking moeilijk te plaatsen zijn toch mee te laten doen. Dit
                                    heeft een meerzijdig effect: de beperkte vrijwilliger kan
                                    participeren / zinvolle besteding van vrije tijd hebben, de
                                    coach heeft zijn/haar zinvolle vrijwilligerstaak, de organisatie
                                    wordt geholpen.</al></li><li nr="d."><al>Vrijwilligerswerk kan gepromoot worden door duidelijk te
                                    profileren wie en wat een vrijwilliger is, bijvoorbeeld door een
                                    poster met Bloemendaalse vrijwilligers. Onderzoeken of de
                                    gemeentelijke website (of een ander medium, bijv.
                                    sandwichborden) ingezet kan worden om vrijwilligerswerk te
                                    promoten.</al></li><li nr="e."><al>Budget beschikbaar stellen voor reclames/advertenties in het
                                    Weekblad Kennemerland-Zuid.</al><al><vet><cursief>5.</cursief></vet><vet><cursief>Samenvatting
                                            ‘Vrijwilligerswerk’</cursief></vet></al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Vrijwilligers en hun organisaties worden ondersteund
                                                bij hun taak.</al><al>De samenleving toont waardering voor vrijwilligers.
                                            </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>We zijn tevreden als het ondersteuningsaanbod
                                                toereikend is. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Up-to-date informatieverstrekking;</al><al>2.Op de vraag/behoefte afgestemde advisering;</al><al>3.Andere vormen van concrete ondersteuning;</al><al>4.Onderzoek naar / het opzetten van een
                                                Vrijwilligersacademie;</al><al>5.Onderzoek naar / het inrichten van een of meer
                                                ‘vacaturewanden’ ; </al><al>6.Onderzoek naar / het opstarten van een Pilot
                                                coach-vrijwilligers;</al><al>7.Promoten vrijwilligerswerk d.m.v. gemeentelijke
                                                website;</al><al>8.Onderzoek naar / het beschikbaar stellen van een
                                                reclame-/advertentiebudget t.b.v. vrijwilligers (in
                                                Weekblad Kennemerland-Zuid). </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Door:</al><al>-Een periodiek tevredenheidsonderzoek.</al><al>-Overleg met instellingen, aan de hand van
                                                jaarverslagen en evaluatie van rapportages.</al><al>-Het stellen van subsidievoorwaarden en toezien op
                                                de naleving ervan. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2012: Het opzetten van een
                                                vrijwilligersacademie</al><al>2012: Het inrichten van vacaturewanden</al><al>2012: Het opstarten van een pilot
                                                coach-vrijwilligers</al><al>2013: Beoordeling en besluit tot voortzetting
                                                voorgaande punten</al><al>2013-2015: De overige punten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Ad 3. Mantelzorg</vet></al><al><vet><onderstreept>1. Inleiding</onderstreept></vet></al><al>Mantelzorg is onbetaalde zorg aan een partner, ouder, kind, vriend,
                            kennis of buur. Mantelzorgers geven deze zorg omdat zij een
                            persoonlijke, emotionele band hebben met degene die zij verzorgen. De
                            zorg loopt uiteen van het doen van boodschappen tot het wassen en
                            aankleden van iemand. Vaak is de zorg langdurend en intensief en heeft
                            deze zorg een grote impact op het sociale leven van mantel-zorgers. </al><al>Mantelzorgers vinden het geven van zorg vanzelfsprekend. Enerzijds omdat
                            zij de relatie met hun naaste in stand willen houden, anderzijds omdat
                            ze het als een intrinsieke plicht voelen om voor de ander te zorgen.
                            Mantelzorg hoort bij het leven en zolang de belasting van de
                            mantelzorger niet te hoog is, ervaren velen het als een verrijking van
                            het leven. Het wordt anders als mensen buiten de mantelzorg geen leven
                            meer kunnen hebben. Ruim 200.000 mantelzorgers voelen zich zwaar belast
                            of overbelast (Bron: presentatie SCP 10 november 2008). Mantelzorgers
                            zijn van onschatbare waarde. We moeten zuinig zijn op onze mantelzorgers
                            en ze morele en concrete steun bieden. Ook maatschap-pelijk gezien, zijn
                            mantelzorgers goud waard. Als professionals alle zorg die mantelzorgers
                            verlenen, over zouden moeten nemen, zou dat een enorme kostenpost
                            zijn.</al><al><vet><onderstreept>2. Ontwikkelingen </onderstreept></vet></al><al>Een aantal maatschappelijke en politieke ontwikkelingen heeft gevolgen
                            voor de druk op de mantelzorg: </al><lijst><li nr="1."><al>De extramuralisering en het steeds meer scheiden van wonen en
                                    zorg geeft bij mensen thuis complexe zorgsituaties, vaak zelfs
                                    complexer dan in een verpleeghuis.</al></li><li nr="2."><al>Door de vergrijzing is er overigens ook een grote groep vitale
                                    en actieve ouderen, de zogenaamde 'zilveren kracht',
                                    inzetbaar.</al></li><li nr="3."><al>In de huidige kabinetsperiode vinden er drie grote
                                    decentralisaties plaats (Jeugdzorg, AWBZ-begeleiding en Werken
                                    naar vermogen), die samenhang vertonen wat betreft de
                                    doelgroepen en de aard van de ondersteuning die nodig is.</al></li><li nr="4."><al>Er is een toenemend gebruik van digitale media en domotica
                                    (woonzorgtechnologie).</al></li><li nr="5."><al>Door de bezuinigingen streeft men naar betaalbare
                                    maatschappelijke ondersteuning en activering.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Mantelzorg is van onschatbare waarde</cursief></vet></al><al>Mantelzorg is van economische en morele waarde en als zodanig een
                            essentieel onderdeel van de zorgketen. Vanuit die invalshoek moeten de
                            mogelijkheden en grenzen van de mantelzorger meege-nomen worden in het
                            bepalen van de ondersteuning van zowel de mantelzorger als de
                            zorgvrager. Deze visie op mantelzorgondersteuning past bij de gekantelde
                            WMO-gedachte, namelijk dat de behoefte van de mensen leidend is. Ook
                            andere WMO-uitgangspunten worden zo versterkt, zoals samenhang tussen
                            welzijn, wonen en zorg, een wijkgerichte benadering, versterking van het
                            lokaal netwerk en stimulering van de zelfredzaamheid.</al><al><cursief>Cijfers: ‘Mantelzorg uit de doeken’, SCP 8 februari
                                2010</cursief></al><al>Het grootste deel van de zorg in Nederland wordt gegeven door
                            mantelzorgers: van alle zorg in Nederland wordt 75% gedaan door
                            mantelzorgers, 20% door professionals en 5% door vrijwilligers.
                            Mantelzorgers voorkomen dat mensen worden opgenomen in het ziekenhuis of
                            verzorgings- of verpleeghuis. In Nederland verrichten bijna drie miljoen
                            mensen (ongeveer 19% van de bevolking) mantelzorg. Driekwart van deze
                            mensen zorgt langer dan drie maanden voor een ander, gemiddeld ruim vijf
                            jaar. De meerderheid verleent meer dan acht uur per week hulp. Het
                            grootste deel (42%) van de mantelzorgers zorgt voor een (schoon)ouder,
                            gevolgd door zorg voor een partner (20%), kennis/vriend (11%), kind
                            (9%), ander familielid (10%), buur (5%)of anders (2%).</al><al>Uit de meest recente gegevens van het SCP blijkt ook dat de meeste
                            mantelzorg gegeven wordt door volwassenen in de leeftijdscategorie 45-54
                            jaar. Van de mantelzorgers is een aanzienlijk deel tussen de 12 en 18
                            jaar. Naar schatting draagt zo’n 10% van alle thuiswonenden kinderen van
                            12 jaar en ouder (mede) zorg voor een langdurig ziek familielid. Exacte
                            cijfers van deze groep ontbreken echter.</al><al>Vrouwen geven beduidend vaker mantelzorg dan mannen: 61% tegen 39%.</al><al>Uit het SCP onderzoek komt naar voren dat 22% van de mantelzorgers zich
                            niet belast voelt, 33% licht belast (ze hebben een voortdurend
                            plichtsgevoel), 28% matig belast (zij ervaren problemen met het
                            combineren van taken) en 17% ernstig belast (dat wil zeggen overbelast). </al><al>De belasting neemt toe als mensen veel hulp geven over een langere
                            periode (meer dan 8 uur per week, langer dan drie maanden). De beleving
                            van de mantelzorgers zelf is ook van belang voor de ervaren belasting.
                            Mantelzorgers die geen alternatief zien voor de situatie en die geen
                            hulp durven inroepen, ervaren relatief de grootste belasting.
                            Allochtonen komen in deze categorie relatief vaker voor. Uit het
                            SCP-onderzoek komt ook naar voren dat het feitelijke gebruik van
                            mantelzorgonder-steuning ver achter blijft bij de behoefte. Oorzaken
                            hiervoor zijn: onbekendheid waar de voorziening is te verkrijgen (38%),
                            verwachten niet in aanmerking te komen (16%), niet urgent genoeg en nog
                            niet aan toegekomen (13%) en de voorziening sluit niet aan bij de
                            behoefte (12%).</al><al><vet><onderstreept>3. Mantelzorgers in
                            Bloemendaal</onderstreept></vet></al><al>De gemeente Bloemendaal subsidieert Tandem en Platform
                            Belangenbehartiging Mantelzorg (PBM) om mantelzorgers te ondersteunen en
                            hun vragen te verhelderen en te beantwoorden. In 2011 zijn bij Tandem
                            298 mantelzorgers uit Bloemendaal geregistreerd en bij PBM zijn150
                            mantelzorgers bekend. Uit gesprekken met mantelzorgers en hun
                            ondersteuners blijkt dat Tandem zich vooral richt op de ondersteuning
                            van de groep mantelzorgers die zich overbelast voelt, terwijl de groep
                            die bekend is bij PBM vooral behoefte heeft aan lotgenotencontact. Toch
                            zou volgens landelijke schattingen de groep mantelzorgers in Bloemendaal
                            vele malen groter moeten zijn dan de bij Tandem geregistreerde groep en
                            zou ook de overbelaste groep tweemaal zo groot zou zijn. Uit de enquête
                            ‘Evaluatie Wmo-plan 2008-2011’ en uit gesprekken met mantelzorgers en
                            hun ondersteuners blijkt dat mantelzorgers ook in 2011 nog te weinig
                            zichtbaar zijn en de mogelijkheden voor mantelzorgondersteuning nog te
                            weinig bekend.</al><al><vet><cursief>Doel</cursief></vet></al><al>Het doel is ervoor te zorgen dat mantelzorgers de erkenning krijgen die
                            ze verdienen en dat zij de weg naar ondersteuning vinden voordat zij
                            overbelast zijn. De eigen kracht van mantelzorgers is uitgangs-punt voor
                            oplossingen voor hun behoefte aan ondersteuning.</al><al><vet><onderstreept>4. Bestaande doelstellingen/activiteiten
                                </onderstreept></vet></al><al><cursief>Waardering</cursief></al><al>De gemeente toont haar waardering voor mantelzorgers door jaarlijks de
                            dag van de mantelzorg te vieren en de bij Tandem geregistreerde
                            mantelzorgers een kleine attentie te schenken. Dit zal gecontinueerd
                            worden. </al><al><cursief>Ondersteuning faciliteren</cursief></al><al>De gemeente faciliteert en ondersteunt mantelzorgorganisaties door
                            middel van subsidies. </al><al>Er zijn meerdere organisaties die zich inzetten voor mantelzorgers. Zij
                            bieden vooral ondersteuning, geven raad, zijn goed thuis in de
                            zorgwereld, bieden lotgenotencontact en nog veel meer. Vaak hebben zij
                            ook de beschikking over een team van beroepskrachten. Tandem en PBM zijn
                            de organisaties die door de gemeente worden gesubsidieerd om deze
                            diensten aan Bloemendaalse mantelzorgers te bieden. Subsidiering van de
                            ondersteunende instellingen dient gecontinueerd te worden. </al><al><cursief>Informatie over ondersteuning verbeteren </cursief></al><al>Lang niet iedereen herkent zichzelf als mantelzorger. Men vindt het
                            vanzelfsprekend dat men zorgt voor zijn partner, kind, ouder,
                            familielid, vriend of kennis. Evenmin leeft het besef dat men informatie
                            of ondersteuning kan krijgen, als het even (te) zwaar is, of men weet
                            niet waar men terecht kan. Daarom is in 2010 een campagne gestart om
                            meer bekendheid te geven aan Tandem, de organisatie die door de gemeente
                            wordt gesubsidieerd om deze ondersteuning te bieden. Dat heeft geleid
                            tot een groei van 73 naar 298 mensen die bij Tandem geregistreerd zijn.
                            Gezien de landelijke cijfers zijn er naar alle waarschijnlijkheid alleen
                            al twee maal zo veel mantelzorgers die zich overbelast voelen. Over
                            jonge mantelzorgers is nog steeds weinig bekend. </al><al><cursief>Inzicht verkrijgen in moeilijk bereikbare mantelzorgers
                            </cursief></al><al>Het probleem van de onvindbare of onbereikbare mantelzorgers is niet
                            uniek voor Bloemendaal. Alle regiogemeenten signaleren hetzelfde. Daarom
                            is er in 2009 besloten om een regiegroep mantelzorg in te richten waarin
                            regiogemeenten en organisaties, die op enigerlei wijze bij mantelzorg
                            betrokken zijn, gezamenlijk overleggen hoe dit probleem regionaal aan te
                            pakken. In deze regiegroep wordt vooral aandacht besteed aan specifieke
                            doelgroepen die extra moeilijk te bereiken zijn, zoals jonge
                            mantel-zorgers, allochtone mantelzorgers, werkende mantelzorgers en
                            mantelzorgers voor mensen met een psychisch probleem. Daarmee wordt een
                            brug gelegd naar de kleine doelgroepen, jeugdbeleid, ouderenzorg, geheel
                            in lijn met de gedachte van de WMO. Het ingezette beleid wordt in het
                            volgende tijdvak gecontinueerd. </al><al><vet><onderstreept>5. Intensivering beleid </onderstreept></vet></al><al>Uit de evaluatie van het WMO-beleidsplan 2008-2011 blijkt echter dat
                            mantelzorgers (van alle leeftijden) nog onvoldoende in beeld zijn. De
                            ondersteuning van mantelzorgers behoeft daarom in het nieuwe plan nog
                            meer aandacht. Een mantelzorger heeft een onontkoombare zware baan, die
                            er opeens is en nooit ophoudt, ook als betrokkene opgenomen is in een
                            instelling. Toch is mantelzorg ook een individuele keuze, vanwege de
                            morele kant weliswaar een moeilijke keuze. Mantelzorgers hebben behoefte
                            aan maatwerkoplossingen, zodat zij ook daadwerkelijk een keuze voor hun
                            mantelzorgtaak kunnen maken. De mantelzorger heeft behoefte aan het
                            versterken van de eigen kracht, zodat er een goed evenwicht is in
                            draagkracht en draaglast, als gevolg waarvan de verzorgde langer
                            zelfstandig kan blijven functioneren. Mantelzorg is geen verplichting,
                            het moet altijd mogelijk zijn om professionele zorg in te
                            schakelen.</al><al>Mantelzorgers missen vanwege de onzichtbaarheid en vanzelfsprekendheid
                            erkenning en in een aantal gevallen een luisterend oor.
                            Mantelzorgondersteuning is het geheel aan voorzieningen en diensten dat
                            direct of indirect gericht is op het verminderen van de draaglast en
                            vergroten van de draagkracht van mantelzorgers.</al><al><vet><onderstreept>6. Nieuwe activiteiten/actiepunten
                                </onderstreept></vet></al><al><cursief><onderstreept>a. Bereiken van
                                mantelzorgers</onderstreept></cursief></al><al>Mantelzorgers klagen niet snel en zoeken niet snel hulp, vaak omdat zij
                            ervan overtuigd zijn dat ze het best zelf kunnen regelen. Soms houdt de
                            hulpbehoevende partner ook hulp tegen, omdat hij of zij geen vreemden in
                            huis wil. Bovendien is er de angst dat beroepskrachten de regie
                            overnemen. SCP concludeert in haar rapport 'Iemand moet het doen;
                            ervaringen van verzorgers van partners' (oktober 2010) dat artsen en
                            andere hulpverleners moeten meer aandacht besteden aan mensen die hun
                            zieke partner verzorgen. Zij moeten de problemen van deze mantelzorgers
                            opmerken, nagaan of deze mensen het nog trekken en ze de weg wijzen. Op
                            de volgende wijzen kunnen mantelzorgers ’bereikt’ worden: </al><al>* Meer bekendheid, deskundigheid en betrokkenheid bij de 1e lijn
                            (huisarts, Wmo-consulent, </al><al> thuiszorg) en 2e lijn (specialisten) tot stand brengen door ronde tafel
                            gesprekken tussen deze </al><al> professionals en mantelzorgers te organiseren. </al><al> Toelichting<cursief>: v</cursief>eel mantelzorgers zorgen liefst
                            anoniem en in stilte voort, omdat men de </al><al> hulpmogelijkheden niet kent of omdat men zich niet aangesproken voelt.
                            Tegelijkertijd is bekend dat </al><al> overbelasting met goede ondersteuningsvormen te voorkomen is of te
                            verlichten.</al><al>* Een meer outreachende en directe manier van werken organiseren,
                            waarbij mantelzorgconsulenten </al><al> of buurtcoaches de vijf kernen op buurtniveau ingaan om het
                            ondersteuningsaanbod te promoten en </al><al> ondersteuningswensen te inventariseren. </al><al> Toelichting: Een aantal specifieke groepen mantelzorgers is extra
                            moeilijk te bereiken, zoals jonge </al><al> mantelzorgers, allochtone mantelzorgers en mantelzorgers voor mensen
                            met een psychisch </al><al> probleem, de zogenaamde kleine doelgroepen.</al><al>* Aansluiten bij regionale creatieve projecten, zoals het
                            VO-scholenproject van Tandem, om in contact </al><al> te komen met jonge mantelzorgers.</al><al>* Regisseren samenwerkingsverband mantelzorg voor mensen met psychische
                            problemen.</al><al><cursief><onderstreept>b. Erkennen van
                                mantelzorgers</onderstreept></cursief></al><al>* Zichtbaarheid vergroten door regelmatig, bijvoorbeeld een keer per
                            jaar, campagnes over </al><al> mantelzorg te organiseren.</al><al><cursief><onderstreept>c. Ondersteunen van
                                mantelzorgers</onderstreept></cursief></al><al>* Verbeteren informatie- en adviesverstrekking aan mantelzorgers en
                            intermediairs door de vraag van</al><al> mantelzorgers te verhelderen, ze goed de weg te wijzen en kennis van
                            oplossingen en mogelijk-</al><al> heden op een creatieve manier op maat aan te reiken, in ieder geval via
                            het Wmo-loket, maar ook</al><al> via outreachende hulpverleners.</al><al>* Organiseren van praktische deskundigheidsbevordering ten behoeve van
                            mantelzorgers zelf, zoals </al><al> tilcursussen.</al><al>* Naast praktische ondersteuning, ook organiseren van geestelijke
                            ondersteuning voor mantelzorgers, </al><al> bijvoorbeeld door een luisterend oor. </al><al>* Zorgen voor goede afstemming met en tussen professionele instellingen,
                            die intermediaire taak ligt</al><al> vaak bij de mantelzorger.</al><al>* Zorgen voor goede samenwerking tussen de mantelzorg en professionele
                            instellingen als de </al><al> thuiszorg, verzorgings- en verpleeghuizen.</al><al>* Zorgen voor goede signaleringsystemen om overbelasting bij
                            mantelzorgers te voorkomen. </al><al>* Ontwikkelen van familiebeleid in de 1e en 2e lijn zorg en
                            gezondheidszorg.</al><al>* Zorgen voor voldoende respijtzorg op maat.</al><al>* Zorgen voor voldoende professionele mensen en continuïteit in de
                            professionele zorg, zodat</al><al> mantelzorgers en betrokkenen daarop kunnen vertrouwen.</al><al>De beschrijvingen van acties uit a, b, en c zijn in de samenvatting
                            gebundeld tot 7 actiepunten.</al><al><vet><cursief>7.</cursief></vet><vet><cursief>Samenvatting
                                    ‘Mantelzorg’ </cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>mantelzorgers en hun organisaties worden ondersteund
                                                bij hun taak.</al><al>De samenleving toont waardering voor mantelzorgers.
                                            </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>We zijn tevreden als het ondersteuningsaanbod
                                                toereikend is en hierin voldoende mate gebruik van
                                                wordt gemaakt. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Up-to-date informatieverstrekking</al><al>2.Op de vraag/behoefte afgestemde advisering</al><al>3.Bereiken van mantelzorgers door
                                                deskundigheidsbevordering bij 1<sup>e</sup> en
                                                2<sup>e</sup> lijnszorg;</al><al>4.Ondersteuning steviger en gestructureerder
                                                aanbieden; </al><al>5.Regionale samenwerking;</al><al>6.Promoten mantelzorgondersteuning d.m.v.
                                                gemeentelijke website;</al><al>7.Aanbod respijtzorg vergroten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Door:</al><al>-Een periodiek tevredenheidsonderzoek.</al><al>-Overleg met instellingen, aan de hand van
                                                jaarverslagen en evaluatie van rapportages.</al><al>-Het stellen van subsidievoorwaarden en toezien op
                                                de naleving ervan. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Met alle punten wordt in 2012 gestart. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B</vet><vet>. </vet><vet>Programmalijn ‘Opvoeden en opgroeien’
                            </vet></al><al><vet><onderstreept>1. Inleiding</onderstreept></vet></al><al>In Bloemendaal wonen ca. 6.000 jongeren van 0 tot 25 jaar. Het
                            jeugdbeleid is continu in beweging, trends en ontwikkelingen volgen
                            elkaar snel op en vragen veelvuldig om doorontwikkeling van bestaand
                            beleid en uitvoering. Belangrijk is dat het beleid aansluit bij de tijd
                            waarin we leven en antwoord geeft op de vragen waarvoor de gemeente de
                            komende tijd zal komen te staan. Het thema opvoeden en opgroeien staat
                            hoog op de maatschappelijke agenda. Alom wordt beseft dat wat er in de
                            opvoeding en in de ontwikkeling van kinderen en jongeren gebeurt grote
                            gevolgen heeft, niet alleen voor die kinderen en jongeren zelf, maar ook
                            voor de samenleving. </al><al><cursief>Wat is de rol van de gemeente? </cursief></al><al>De gemeente heeft als taak te zorgen voor een sluitende jeugdketen en
                            draagt tevens zorg voor een samenhangend aanbod van voorzieningen en
                            activiteiten op het terrein van de jeugd. Ook is het een taak van de
                            gemeente om het aanbod af te stemmen op de vragen en behoeften van de
                            Bloemen-dalers. De inbreng van ouders en jongeren (vooral de ”lastige”
                            jongeren en ouders), de bijdrage van vertegenwoordigers van basisscholen
                            en VO-scholen, de peuterspeelzalen, het jongerenwerk en de kinderopvang
                            vormen belangrijke input bij de beleidsvorming. </al><al>Sinds 2005 zijn de volgende beleidsnota’s op het gebied van het
                            jeugdbeleid vastgesteld en in uitvoering gebracht:</al><lijst><li nr="1."><al>De nota jeugd (corsanummer 2005002195).</al></li><li nr="2."><al>“Wat er ook speelt in Bloemendaal, laat het vooral de kinderen
                                    zijn”.</al></li></lijst><al> Nota preventie opvoedingsproblematiek in Bloemendaal (corsanummer
                            2007005286).</al><lijst><li nr="3."><al>Nota Centrum Jeugd en Gezin en de Jeugdketen in Bloemendaal
                                    (corsanummer 2008017644).</al></li><li nr="4."><al>De nota volksgezondheid (vooral gericht op de jeugd) 2010-2013
                                    (corsanummer2009025075).</al></li></lijst><al>Hiernaast is in dezelfde periode het beleidsplan WMO 2008-2011
                            vastgesteld. Omdat het Wmo- beleidsplan en het beleid met betrekking tot
                            de jeugd elkaar gedeeltelijk overlappen, is besloten om de hoofdlijnen
                            van het jeugdbeleid op te nemen in het WMO beleidsplan 2012-2015.
                            Genoemd tijdvak </al><al>zal vooral in het teken staan van:</al><lijst><li nr="-"><al>de transitie van de gehele jeugdzorg naar de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>de doorontwikkeling van het Centrum voor Jeugd en Gezin, de
                                    toekomstige front office van de jeugdzorg.</al></li></lijst><al>Het kabinet Rutte heeft het besluit genomen de Jeugdzorg grondig te gaan
                            verbouwen. Om veel problemen in samenhang aan te pakken, is het beleid
                            erop gericht om de gehele jeugdzorg onder gemeentelijke regie te
                            brengen. Het regeerakkoord van het kabinet Rutte stelt dat alle taken op
                            het gebied van de jeugdzorg (de provinciale jeugdzorg, de
                            jeugdreclassering, de jeugdbescherming, de licht verstandelijk jong
                            gehandicapten, de gesloten jeugdzorg en de jeugd-ggz) in de periode
                            vanaf 2012- 2016 gefaseerd overgaan naar de gemeente. </al><al>Het nieuwe beleid is erop gericht de bestuurlijke en financiële
                            verantwoordelijkheid voor deze voorzieningen bij de gemeente neer te
                            leggen. Dat is complex, ingrijpend en veelomvattend.</al><al>Maar dat niet alleen. De verbouwing is niet bedoeld om “slechts”
                            financieringsstromen en bestuurlijke verantwoordelijkheden te verleggen,
                            maar deze juist te laten volgen op de inhoudelijke omslag. Het gaat er
                            om deze inhoudelijke slag te maken, gericht op minder inzet van
                            gespecialiseerde opvangvoorzieningen voor kinderen en jongeren (exclusie
                            van jongeren) en meer inzet van voorzieningen om de opvoeding in de
                            eigen sociale context te versterken (inclusie van jongeren). </al><al>Overeenkomstig het regeerakkoord zullen de decentralisaties gepaard gaan
                            met maximale beleidsvrijheid en minimale verantwoordingsverplichting en
                            het wegnemen van onnodige bureaucratie. De uitvoeringsruimte van de
                            gemeenten wordt vergroot door af te zien van uitgebreide kwaliteitseisen
                            en dichtgetimmerde regelingen. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor
                            de uitvoering van de (democratische) controle. </al><al>Hoe bereidt de gemeente zich voor op de transformatie van de jeugdzorg?
                            Vanuit welke visie dient er gewerkt te worden? Dient er een wijziging in
                            pijlers van jeugdbeleid plaats te vinden? Welke dan? Hoe moet het CJG
                            zich doorontwikkelen? Zijn er mogelijkheden om de instellingen beter met
                            elkaar te laten samenwerken? Deze vragen worden in de komende periode
                            beantwoord. </al><al><vet><onderstreept>2. Wettelijk kader, visie en centrale
                                    doelstelling</onderstreept></vet></al><al>Het wettelijk kader voor het jeugdbeleid wordt gevormd door de Wet op de
                            Jeugdzorg, waarin het basismodel en de totstandkoming van de Centra voor
                            Jeugd en Gezin (CJG) is geregeld en de Wmo, waarin de vijf functies van
                            het preventief jeugdbeleid zijn bepaald. Deze functies zijn informatie
                            en advies, signalering, toeleiding tot hulpverlening, pedagogische hulp
                            en zorgcoördinatie. Deze functies dienen – in samenhang - uitgevoerd te
                            worden in het CJG. </al><al>De gemeente heeft de regie op de jeugdketen en moet ervoor zorgen dat er
                            goede afspraken met de instellingen (zie blz. 50, onder lokale
                            ontwikkelingen) worden gemaakt en gehandhaafd zodat de keten sluitend
                            wordt. Dit wordt door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkelingen als
                            volgt gekenschetst:</al><al>“<cursief>Opvoeden is de afgelopen decennia steeds meer een individuele
                                aangelegenheid geworden. Ouders ervaren steeds minder onderlinge
                                steun bij de opvoeding van hun kinderen. Traditionele
                                steunstructuren of gemeenschappen zoals kerk, buurschap en
                                verenigingsleven waar mensen elkaar ontmoeten en steunen zijn
                                grotendeels verdwenen. Dit heeft te maken met allerlei
                                maatschappelijke ontwikkelingen zoals verhuisbewegingen, scheiding
                                van woon- en werkomgeving, invloed van sociale media als
                                socialisatieomgeving, de veranderende rol van de pedagogische
                                basisvoorzieningen (meer verzakelijking, minder ruimte voor
                                betrokkenheid) en de secularisering en daarmee gepaard gaande
                                ontmanteling van het verenigingsleven. De informele netwerken van
                                gezinnen zijn door deze ontwikkelingen verdund. Daarvoor in de
                                plaats zijn formele instituties gekomen als kinderopvang,
                                peuterspeelzalen, onderwijs en sport. Deze relaties zijn over het
                                algemeen minder duurzaam en persoonlijk dan informele relaties en
                                kunnen het wegvallen van informele netwerken dan ook niet
                                compenseren”.</cursief></al><al>Voor de achterliggende visie wordt aansluiting gezocht bij het concept
                            van de <vet>“</vet>Pedagogische civilsociety” van het Nederlands
                            Jeugdinstituut en de Universiteit van Utrecht. In deze visie is de
                            sociale samenhang cruciaal voor het opgroeien en opvoeden van kinderen
                            en jongeren en is het essentieel om de kracht van netwerken en de
                            voorzieningen rond het kind en het gezin te versterken. </al><al>De “Pedagogische civil society” heeft betrekking op de betekenis die
                            (vrijwillige)verbanden van organisaties en burgers en de onderlinge
                            betrokkenheid kan hebben voor opvoeden en opgroeien. De veronderstelling
                            is dat een sterke “Pedagogische civil society” een positieve invloed
                            heeft op het opvoedingsklimaat. De Raad voor Maatschappelijke
                            Ontwikkeling en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg noemen deze
                            sociale opvoedomgeving, waarin sprake is van gevoelswarmte en
                            betrokkenheid, ‘de village’. ‘It takes a village to raise a child” heeft
                            Hillary Clinton jaren geleden al gezegd. </al><al>In Bloemendaal kan ‘the village’ letterlijk genomen worden. Vanuit de
                            regierol van de gemeente is het een mooie uitdaging om de samenhang
                            tussen de Bloemendaalse instellingen te bevorderen. In deze context is
                            er, naast de rol van ouders en opvoeders, ook een rol voor de scholen,
                            de kinderopvang, de peuterspeelzalen en de (sport)verenigingen. Zij
                            kunnen vanuit hun rol als ‘medeopvoeder’ ouders steunen in hun
                            verantwoordelijkheid voor de opvoeding. Voor ouders is dit van grote
                            betekenis omdat zij zich hierdoor gesteund voelen in hun rol als ouder
                            en een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid voor het kind (kunnen)
                            voelen.</al><al>De sociale opvoedomgeving kan verschillende functies hebben. Zij
                            is:</al><al>* medeopvoeder als kinderen buiten ouderlijk toezicht zijn;</al><al>* een ruimte voor kinderen om even te ontsnappen aan ouderlijk
                            toezicht;</al><al>* tot steun voor ouders bij onzekerheden, vragen of problemen in de
                            opvoeding, maar ook over wat </al><al> goed is en wat niet, en over wat mag en wat niet mag;</al><al>* een hulp voor ouders als zij daar behoefte aan hebben;</al><al>* een vanzelfsprekende bron van kennis en kunde zijn waar het
                            opgroeiende kinderen en opvoeden </al><al> betreft.</al><al>Als “the village” goed werkt, zullen ouders minder vaak een beroep doen
                            op autoriteiten. De opvoedkundige kwaliteit van de leefomgeving is van
                            belang voor de burgerschapsvorming en kan bijdragen aan preventie: het
                            voorkomen en vroeg signaleren van problemen als kindermishandeling,
                            jeugdcriminaliteit en jongerenoverlast.</al><al>Het belang van de versterking van de pedagogische civil society is dus
                            groot en de vraag is welke rol de overheid hierin kan spelen.
                            Uitgangspunt is dat de gemeente zich niet bemoeit met de sociale
                            netwerken van de gezinnen. Wel kan de gemeente vanuit een
                            voorwaardenscheppende rol de onderlinge betrokkenheid tussen en de
                            sociale steun aan ouders en jeugd versterken. Het beleid richt zich
                            daarom op de volgende pijlers:</al><lijst><li nr="1."><al>Kansen voor ontmoeting creëren en verbindingen tussen mensen
                                    stimuleren.</al></li><li nr="2."><al>De dialoog over opvoeden stimuleren.</al></li><li nr="3."><al>Stimuleren dat de blik van professionals wordt verbreed van
                                    alleen “het gezin” naar “het gezin en</al></li></lijst><al> de sociale omgeving”.</al><lijst><li nr="4."><al>Jongerenparticipatie.</al></li><li nr="5."><al>Verbetering van de pedagogische buurtkwaliteit.</al></li></lijst><al>Met het vernieuwde (preventieve) jeugdbeleid richt de gemeente zich op
                            de ondersteuning van de gewone gezonde positieve ontwikkeling van alle
                            kinderen en jongeren. Via de versterking van de pedagogische civil
                            society steunt de gemeente gezinnen in hun belangrijke taak in opvoeding
                            en samenleving en zet sterk in op het voorkómen van problemen. Daarnaast
                            is het uiteraard ook van groot belang dat wordt ingegrepen als het moet
                            zodat ongewenste situaties niet ontstaan of blijven voortbestaan. Ook
                            dit aspect dient in het beleid nadrukkelijk tot uiting te komen.</al><al>Het vernieuwde Bloemendaalse jeugdbeleid gaat uit van de
                            levensloopbenadering. Deze benadering is behulpzaam bij het vaststellen
                            van de aard en omvang van de behoefte van jongeren en ouders aan
                            ondersteuning. Zo vraagt elke levensfase om een andere mate van
                            ondersteuning en verschuift daarmee ook de rol van de overheid en de
                            instanties.</al><al>In de baby en peutertijd zijn kinderen volledig aangewezen op
                            ondersteuning van hun omgeving. Ouders, consultatiebureau maar ook
                            peuterspeelzaal en kinderdagverblijf bieden die ondersteuning. Vanaf hun
                            vierde is de juf of meester van grote invloed op het welbevinden van het
                            kind. Tot het twaalfde levensjaar is de invloed van ouders en
                            medeopvoeders zoals docenten maar ook bijvoorbeeld de voetbal– of
                            hockeytrainer groot. Met het ouder worden, neemt ook de invloed van
                            leeftijdsgenootjes toe. Op de middelbare school en vooral in de
                            puberleeftijd is de invloed van vrienden zeer groot. Meer en meer
                            ontdekken jongeren wie ze zijn en komen ze los van het ouderlijk gezag.
                            Als de jongeren op eigen benen staan, is de behoefte aan ondersteuning
                            over het algemeen minder. </al><al>De pedagogische civil society draagt bij aan de centrale doelstelling: </al><al>De Bloemendaalse jeugd optimale kansen geven om op te groeien, zich te
                            ontwikkelen en te ontplooien zodat zij nu en later actief kunnen
                            deelnemen aan de samenleving.</al><al><vet><onderstreept>3. Opvoeden en opgroeien. </onderstreept></vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><al>Als jongeren problemen hebben, dan kunnen ze daarvoor over het algemeen
                            terecht bij hun ouders en vrienden en vriendinnen. Ouders en opvoeders
                            ervaren in Bloemendaal over het algemeen geen onoverkomelijke problemen
                            bij de opvoeding van hun kinderen. Dit betekent niet dat “opvoeden en
                            opgroeien” geen thema is in Bloemendaal, integendeel. De lat ligt in
                            Bloemendaal voor ouders én jongeren hoog. Ouders en verzorgers hebben
                            behoefte aan (in)formele steun bij de opvoeding en jongeren hebben
                            behoefte aan een positief opgroeiklimaat in de wijk. </al><al>Het is normaal en goed om met elkaar over opvoeden te praten. Iedereen,
                            zowel professional als niet - professional, levert een bijdrage als het
                            nodig is. Dat kan in de buurt, rond de school of langs de zijlijn van
                            het sportveld. De voorwaarden voor het versterken van de pedagogische
                            kwaliteit in de buurt kunnen gecreëerd worden door:</al><al>• kansen voor (digitale) ontmoeting te scheppen en verbindingen te
                            stimuleren tussen mensen;</al><al>• de (digitale) dialoog over opvoeden te stimuleren;</al><al>• te stimuleren dat, bij hulpverlening aan het gezin, ook de sociale
                            omgeving wordt betrokken.</al><al><vet>Landelijke trends en ontwikkelingen</vet></al><al>De afgelopen jaren is er op het gebied van opvoeden en opgroeien veel
                            nieuw beleid ingezet. Onder verantwoordelijkheid van het ministerie van
                            Jeugd en Gezin zijn de Centra voor Jeugd en Gezin ontwikkeld, zijn de
                            Verwijsindex voor Risico Jongeren en het Digitaal dossier
                            Jeugdgezondheidszorg ingevoerd. Ook het huidige kabinet heeft vele
                            ambities op het terrein van de jeugd.</al><al>Het kabinet vindt het belangrijk mensen te stimuleren om zelf
                            initiatieven te nemen. Ouders moeten kunnen aankloppen bij familie en
                            vrienden voor vragen over opvoeding en als dat niet gaat bij de Centra
                            voor Jeugd en Gezin. Zo wordt voorkomen dat normale opvoedvragen ook
                            meteen zorgvragen worden. In overleg met ouders, maatschappelijke
                            organisaties en gemeenten wil het kabinet de kwaliteit van het 'gewone'
                            opvoeden agenderen om zodoende een veilige en stimulerende opvoedcontext
                            binnen en buiten het gezin te versterken, waarmee uitval naar speciale
                            voorzieningen zoveel mogelijk wordt voorkomen. </al><al>De eerste verantwoordelijkheid voor een samenhangend en
                            ontwikkelingsgericht jeugdbeleid ligt bij de gemeenten. De positie van
                            kwetsbare jongeren wordt beïnvloed door verschillende maatregelen uit
                            het Regeerakkoord, zoals de stelselherziening jeugdzorg en de
                            bijstelling passend onderwijs. Hoewel deze maatregelen door de regering
                            nog verder moeten worden uitgewerkt, wordt er in deze beleidsnota al wel
                            op ingegaan. We zien dat ook de media inspelen op de behoefte van ouders
                            aan informatie. Zowel het aanbod aan tijdschriften als
                            televisieprogramma’s over opgroeien en opvoeden is omvangrijk. Ook is
                            sprake van een toename van het aanbod van populaire boeken over dit
                            thema, is er belangstelling voor lezingen van auteurs of pedagogen op
                            dit gebied en vergeet vooral de steeds groter wordende rol van de social
                            media niet. </al><al><vet>Ontwikkelingen CJG</vet></al><al>Binnen het thema opvoeden en opgroeien is het Centrum voor Jeugd en
                            Gezin een belangrijk instru-ment. Het CJG is een netwerkorganisatie,
                            geregisseerd door de gemeente, en richt zich op kinderen en jongeren tot
                            23 jaar, hun ouders en professionals. Binnen het CJG Bloemendaal is een
                            CJG coördinator aangesteld, het consultatiebureau gerealiseerd, de front
                            office gerealiseerd en wordt nauw samen-gewerkt met o.a. het
                            maatschappelijk werk, de jeugdgezondheidszorg, bureau Jeugdzorg, het
                            jonge-renwerk, de scholen, OOK pedagogische expertise groep en de
                            Jeugdriagg. Hiernaast heeft de GGZ door middel van de mindfulness
                            trainingen, de yoga, de kinderyoga en de verloskundigen een plek
                            gekregen. De relatie met de kinderopvang en de peuterspeelzalen zal nog
                            versterkt dienen te worden. </al><al>De samenwerking met Heemstede, Zandvoort en Haarlemmerliede/Spaarnwoude
                            en Haarlem is o.a. bevestigd in het regio overleg jeugd. </al><al>Inmiddels krijgen de meeste CJG- medewerkers van zowel Heemstede als
                            Bloemendaal een training door “De Jeugdzaak” over de basisgedachte van
                            het CJG: “1 gezin,1 plan”. Voor de aanpak “1 gezin, 1 plan” moet gekozen
                            worden als er verschillende hulpverleningsinstanties bij een gezin
                            betrokken zijn. De beroepskrachten moeten van elkaar weten wat ze doen.
                            Daarbij moet één van hen het overzicht houden en de coördinatie van zorg
                            op zich nemen, zodat zowel de gezinsleden als de hulpverlener één
                            aanspreekpunt hebben. Hierbij hanteren de hulpverleners op passende
                            wijze het privacyreglement van het Ministerie van VWS, waarbij het o.a.
                            van groot belang is dat de hulpverleners niet over de jongere en/of het
                            gezin praten maar met de jongere en/of het gezin en informatie
                            delen.</al><al>De gemeente faciliteert de samenwerking met de kern- en ketenpartners,
                            de doorontwikkeling van het CJG door middel van regievoering en de
                            financiering. Ter bevordering van het werken in het CJG is sinds de
                            opening veel aandacht besteed aan de deskundigheidsbevordering van en
                            het op uniforme wijze werken binnen het team. Hierbij streven we naar
                            een outreachende werkwijze (‘naar de mensen toegaan’), uitgaande van “1
                            gezin, 1 plan”. Vanuit het CJG is samenwerking met het onderwijs. De
                            samenwerking met het basis- en voortgezet onderwijs is sinds het
                            schooljaar 2010-2011 vorm gegeven via de zorg(advies) teams. De komende
                            periode wordt de werking van deze teams geëvalueerd en bevorderd dat de
                            zorg(advies) teams zoveel mogelijk hun plek krijgen op het CJG. </al><al>Met betrekking tot het Bloemendaalse Centrum voor Jeugd en Gezin is al
                            veel georganiseerd/in gang gezet en is een aantal zaken in ontwikkeling. </al><al><vet>Lokaal</vet></al><lijst><li nr="-"><al>CJG is geopend (oktober 2010) inclusief een nieuw
                                    consultatiebureau. </al></li><li nr="-"><al>Jeugdgezondheidszorg 0-19 jaar en spreekuur Jeugdriagg op het
                                    CJG.</al></li><li nr="-"><al>Zorg(advies)teams werkzaam t.b.v. het basisonderwijs en
                                    voortgezet onderwijs. </al></li><li nr="-"><al>Er is een “CJG magazine” gemaakt en huis aan huis
                                    verspreid.</al></li><li nr="-"><al>Consultatieteam en adviesteam (Bureau Jeugdzorg, jeugdarts,
                                    Jeugdriagg en coördinator) is opgezet.</al></li><li nr="-"><al>Training basisgedachte CJG “1 gezin 1 plan“ voor Bloemendaalse
                                    en Heemsteedse medewerkers van het CJG.</al></li><li nr="-"><al>Bijeenkomsten voor primair en voortgezet onderwijs en
                                    peuterspeelzalen/kinderopvang, mede in het kader van het tot
                                    stand komen van het WMO beleidsplan.</al></li><li nr="-"><al>Deskundigheidsbevordering voor de intern begeleiders op het CJG
                                    (verschillende bijeenkomsten).</al></li><li nr="-"><al>Opvoedspreekuur door een pedagoog van de JGZ Kennemerland 1x per
                                    week of op afspraak.</al></li><li nr="-"><al>Inloop CJG: elke ochtend van 8.30 uur tot 12.30 uur.</al></li><li nr="-"><al>Ouderpanel is opgezet en komt regelmatig bij elkaar.</al></li><li nr="-"><al>Mindfulness trainingen 1 keer per week in een cyclus van negen
                                    bijeenkomsten twee maal per jaar.</al></li><li nr="-"><al>Het Vriendenproject van OOK, Pedagogische Expertisegroep op alle
                                    basisscholen (bevorderen sociaal-emotionele vaardigheden). </al></li><li nr="-"><al>Maatwerktrainingen en individuele pedagogische ondersteuning
                                    door OOK op alle basisscholen (intensieve begeleiding van
                                    leerlingen).</al></li><li nr="-"><al>Faalangsttraining op het Kennemer Lyceum.</al></li><li nr="-"><al>Bijeenkomsten “jongeren en verkeer” op het CJG.</al></li><li nr="-"><al>“Stevig Ouderschap” door de Jeugdgezondheidszorg
                                    Kennemerland.</al></li><li nr="-"><al>Brugklastraining op school en bijeenkomst voor ouders op het
                                    CJG.</al></li><li nr="-"><al>Het project “Nieuwe Kansen” door Kontext (intensieve begeleiding
                                    van jongeren met complexe problemen op het vlak van justitie,
                                    huisvesting, dagbesteding, verslaving etc.).</al></li><li nr="-"><al>Regulier aanbod JGZ 4-19 jaar, schoolmaatschappelijk werk, de
                                    Jeugdriagg etc.</al></li><li nr="-"><al>Spreekuur op het CJG door een verloskundige van de
                                    “Verloskundige praktijk Kleverpark” Haarlem.</al></li><li nr="-"><al>Thema bijeenkomst vanuit het CJG met betrekking tot opvoeden en
                                    opgroeien (“De grenzeloze generatie” Frits Spangenberg).</al></li><li nr="-"><al>Yoga (4 avonden per week) in het CJG en Kinderyoga (workshops en
                                    1 a 2 maal per week).</al></li><li nr="-"><al>Logopedisch spreekuur vanaf september 2011.</al></li></lijst><al><vet>Regionaal</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Triple P (Positief Pedagogisch Programma).</al></li><li nr="-"><al>Verwijsindex Risico Jongeren.</al></li><li nr="-"><al>Digitaal kinddossier.</al></li><li nr="-"><al>Vangnet Jeugd</al></li><li nr="-"><al>Websites.</al></li></lijst><al><vet>Overlegvormen</vet></al><lijst><li nr="-"><al> Regionaal overleg CJG (ambtenaren Zandvoort, Heemstede,
                                    Haarlem, Haarlemmerliede en </al><al> Spaarnwoude, Bloemendaal en de directeuren of regiomanagers van
                                    de JGZ 0-4 , de GGD, </al><al> Stichting MEE, WSNS, Bureau Jeugdzorg, de Jeugdriagg en
                                    Kontext). </al></li><li nr="-"><al>Regionaal overleg jeugd (ambtenaren regiogemeenten).</al></li><li nr="-"><al>Lokale stuurgroep CJG (wethouder, hoofd afdeling,
                                    beleidsmedewerker en CJG coördinator)</al></li><li nr="-"><al>Zorg (advies) teams op de scholen (intern begeleider,
                                    jeugdverpleegkundige en maatschappelijk</al><al> werk).</al></li><li nr="-"><al>Sociaal team.</al></li><li nr="-"><al>Consultatieteam op het CJG (Bureau jeugdzorg, jeugdarts,
                                    coördinator CJG en Jeugdriagg).</al></li></lijst><al><vet>In ontwikkeling</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Kraamzorg.</al></li><li nr="-"><al>De opvoedpoli (www.opvoedpoli.nl) in het CJG.</al></li><li nr="-"><al>Regionale ontwikkeling bemoeizorg (sociale teams).</al></li><li nr="-"><al>Kwaliteitsverbetering jeugdgezondheidszorg 4-19 jaar en
                                    vaccinatie op locatie.</al></li><li nr="-"><al>Het bieden van gespecialiseerde gezinshulp.</al></li><li nr="-"><al>Intensivering samenwerking kern- en ketenpartners.</al></li><li nr="-"><al>Ontwikkeling uitgangspunt CJG “1 gezin, 1 plan”.</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding op de decentralisatie Jeugdzorg door:</al></li><li nr="-"><al>implementatie visie en missie op basis van de “pedagogische
                                    civil society”;</al></li><li nr="-"><al>implementatie van de kwaliteitseisen CJG;</al></li><li nr="-"><al>inzicht krijgen in het aantal Bloemendaalse jongeren dat onder
                                    jeugdzorg, Awbz en Zvw valt;</al></li><li nr="-"><al>samenwerking met de regio;</al></li><li nr="-"><al>inzicht krijgen in de financiën.</al></li><li nr="-"><al>Home Start.</al></li><li nr="-"><al>Logopedische screening.</al></li><li nr="-"><al>Eigen kracht conferenties.</al></li><li nr="-"><al>Aantrekken gastheer/-vrouw ten behoeve van het CJG.</al></li><li nr="-"><al>Bijeenkomst op het CJG voor huisartsen.</al></li><li nr="-"><al>Themabijeenkomsten.</al></li><li nr="-"><al>Trainingen in verband met echtscheiding.</al></li></lijst><al>Doelgroepen CJG</al><al>Het CJG richt zich, naast het bevorderen van de samenwerking en
                            afstemming tussen de professionals, primair op de volgende twee
                            doelgroepen:</al><lijst><li nr="1."><al>alle Bloemendaalse ouders en jeugd;</al></li><li nr="2."><al>Bloemendaalse ouders en jeugd die (tijdelijk) extra
                                    ondersteuning behoeven.</al></li></lijst><al>Hoewel de tweede groep onderdeel uitmaakt van de eerste is het voor de
                            verdere ontwikkeling van het aanbod van belang om onderscheid te maken
                            tussen deze twee groepen. De activiteiten en beleidsmaatregelen worden
                            analoog aan deze tweedeling ingedeeld. </al><al>Activiteiten voor alle ouders en jeugd.</al><al>Het CJG wil àlle ouders en jongeren met vragen en zorg over opvoeden en
                            opgroeien bereiken opdat deze niet uitgroeien tot problemen en/of
                            problemen niet groter worden. In het CJG komt alle kennis over opvoeden
                            en opgroeien samen. De CJG- medewerkers treden actief naar buiten met
                            deze kennis. Niet alleen ten behoeve van ouders en jongeren maar zeker
                            ook voor professionals van bijvoorbeeld de scholen, peuterspeelzalen en
                            kinderopvanginstellingen. Soms is het lastig om de vraag precies te
                            formuleren, de CJG medewerker kan dan beter met de klant meedenken en
                            hem/haar ondersteunen. Via contacten met ouders en jongeren, onderling,
                            trainingen, cursussen, thema -bijeenkomsten en via contacten met de
                            lokale en regionale instellingen kunnen de medewerkers van het CJG hun
                            kennis delen en verspreiden. </al><al>Van belang is, dat samen met partijen de voorlichting verder vorm
                            gegeven gaat worden. Een jaarlijks programma van bijeenkomsten en
                            activiteiten, dat inhoudelijk is afgestemd op de verschillende
                            ontwikkelingsfasen van het kind en de jongere is wenselijk. Het is
                            bovendien van belang dat ook ouders en jongeren actief bij de invulling
                            en zó mogelijk bij de uitvoering van de themabijeenkomsten worden
                            betrokken. Hierbij zal samengewerkt worden met de regiogemeenten en
                            gebruik worden gemaakt van de social media.</al><al>Met de planning van activiteiten en themabijeenkomsten wordt er - waar
                            mogelijk - aangesloten bij landelijke en regionale activiteiten. De
                            reeds bestaande samenwerking met Heemstede, Zandvoort, Haarlem en
                            Haarlemmerliede en Spaarnwoude zal gecontinueerd worden en – mede in het
                            kader van de jeugdzorg - geïntensiveerd. </al><al>Overleg is gaande met de opvoedpoli (www.opvoedpoli.nl) en met de
                            kraamzorg over mogelijke deelname aan het CJG. Hiernaast is er overleg
                            gaande met de GGD omtrent de kwaliteitsverbetering van de
                            jeugdgezondheidszorg in het CJG. Hierbij is het o.a. van belang dat de
                            vaccinaties in het CJG worden gegeven. Tevens zijn de contacten
                            aangehaald met de provincie en bureau Jeugdzorg en wordt aandacht
                            besteed aan de ontwikkeling van de bemoeizorg in regionaal verband.</al><al>Ook is het de bedoeling om de samenwerking met de partners in het CJG
                            intensiveren: we streven ernaar alle opvoed- en opgroeiactiviteiten voor
                            Bloemendaalse ouders en jeugd onder de noemer van het CJG te kunnen
                            aanbieden. Omdat het CJG pas recent werkzaam is, is het logisch dat nog
                            niet iedere ouder de weg naar het CJG weet te vinden. Hierbij speelt een
                            rol dat belangrijke onderdelen van het CJG, zoals de
                            jeugdgezondheidszorg, zich nog niet altijd onder de noemer van het CJG
                            profileren. Voor ouders schept dit verwarring: horen de verpleegkundige
                            of de jeugdarts van de GGD en het consultatiebureau nu wel of niet tot
                            het CJG? Om hier meer duidelijkheid in te scheppen en het CJG meer te
                            kunnen profileren, zal de samenwerking met de partners geïntensiveerd
                            worden. Ook is het van belang dat de medewerkers niet a priori
                            doorverwijzen naar hun eigen organisatie. De training “1 gezin 1 plan”
                            die door alle medewerkers van het CJG gevolgd zou moeten worden, levert
                            hier een bijdrage aan. Ook kan door middel van social media overleg en
                            uitwisselen gemakkelijker plaatsvinden en kunnen ouders en jongeren
                            beter betrokken worden.</al><al>De komende periode zal het CJG nader onder de aandacht gebracht worden
                            om de naamsbekendheid van het centrum te vergroten. Bijvoorbeeld door de
                            activiteiten van het CJG op te laten nemen in schoolgidsen en
                            nieuwsbrieven. Hiernaast zal worden ingezet op samenwerking met
                            professionals.</al><al>In 2010 is de website van het CJG Bloemendaal opgezet. Deze site, die op
                            regionaal niveau wordt onderhouden door de Stichting Stadsbibliotheek
                            Haarlem e.o., richt zich met name op ouders en professionals. De
                            jongerenwerkers communiceren met de jongeren via Hyves. Het is van groot
                            belang om goed in te spelen op de social media. Jongeren communiceren
                            via de social media. Daar liggen de kansen voor de medewerkers van het
                            CJG om de jongeren (en hun ouders en de professionals) te bereiken.
                            Naast de digitale informatie is door het ouderpanel aangeraden de
                            groeigids te verspreiden onder (aanstaande) ouders.</al><al>Het CJG heeft ook een belangrijke functie als het gaat om mensen met
                            elkaar in contact te brengen, zodat het gesprek over opvoeden op gang
                            wordt gebracht. Het CJG hoeft hierbij niet altijd de organisator te zijn
                            maar heeft wel een aanjaagfunctie om deze ontmoetingen tot stand te
                            brengen en daar waar nodig te zorgen voor deskundige begeleiding of
                            ondersteuning. Natuurlijk is het van belang dat het aanbod van
                            opvoedondersteuning aansluit bij de behoeften van ouders en jongeren. De
                            ervaring is dat de Bloemendaalse bevolking behoefte heeft aan een (heel)
                            hoge kwaliteit van de opvoed- en opgroeiondersteuning. Samenwerking met
                            het particulier initiatief en het inhuren van ZZP’ers ligt voor de hand.
                            Dit sluit aan bij de nieuwe trend in de volksgezondheid: het stimuleren
                            van Publiek Private Samenwerking (PPS). </al><al>Activiteiten voor ouders en jeugd die (tijdelijk) extra ondersteuning
                            nodig hebben. </al><al>Soms is meer nodig om ouders en kinderen te ondersteunen. In die
                            gevallen moet het CJG kwalitatief hoogwaardige en passende hulp bieden.
                            Hierbij wordt gebruik gemaakt van het aanbod van zowel de partners in
                            het CJG als van andere aanbieders. Dit aanbod is uitgebreid en divers,
                            maar soms wordt toch via het CJG geconstateerd dat het aanbod niet
                            sluitend is op de vraag. Bijvoorbeeld op de vraag om ondersteuning en
                            hulp aan kinderen die te maken hebben met echtscheiding en de vraag om
                            ondersteuning en hulp aan ouders met jonge, waaronder pasgeboren,
                            kinderen, die problemen op verschillende terreinen ondervinden (zoals
                            overbelasting door ziekte, opvoedproblematiek, weinig sociale contacten,
                            financiële problemen). Door in een vroeg stadium hulp te bieden en
                            sociale relaties te versterken kan de weerbaarheid van gezinnen worden
                            vergroot . Deze hulp kan via het CJG geboden worden in de vorm van
                            ondersteuningsactiviteiten/programma’s als KIES (kind in een
                            echtscheidingssituatie of Kopzorgen) en/of het – tijdelijk- aanbieden
                            van gespecialiseerde gezinshulp. </al><al>Onderzocht zal worden of het project Home- Start passend is vanuit het
                            CJG. Home-Start, thuis in gezinnen, is een programma voor
                            opvoedingsondersteuning. Ervaren en getrainde vrijwilligers bieden
                            ondersteuning, praktische hulp en vriendschap aan ouders met ten minste
                            één kindje van zes jaar of jonger. De gezinnen geven zelf aan op welke
                            gebieden zij ondersteuning wensen: hun vragen staan centraal. Door de
                            ondersteuning probeert Home-Start te voorkomen dat alledaagse problemen
                            uitgroeien tot ernstige en langdurige problemen. Zij versterken de
                            sociale relaties van de ouders, moedigen aan om efficiënt en effectief
                            gebruik te maken van beschikbare voorzieningen, regelingen en diensten.
                            De gemeente dient een contract te sluiten met een bestaande instelling
                            (zoals Kontext of de jeugdgezondheidszorg) om Home- Start te kunnen
                            uitvoeren.</al><al>Ook is van belang om erop te wijzen dat overal in het land “Eigen
                            Kracht- conferenties” plaatsvinden. Sinds 2001 organiseert de “Eigen
                            kracht Centrale” conferenties voor individuen, familie, buurten, groepen
                            of wijken vanuit het principe: een plan maken met de betrokkenen,
                            waarbij de regie in handen blijft van de persoon of personen om wie het
                            gaat. De eigen kracht coördinator roept het sociale netwerk van
                            betrokkene(n) bijeen en er wordt een plan gemaakt. Het blijkt dat de
                            meeste plannen uitgevoerd worden en – belangrijk - mensen zijn vaak zeer
                            tevreden over deze aanpak. Eigen kracht conferenties kunnen ook in
                            Bloemendaal – vanuit het CJG – georganiseerd worden. </al><al><vet><onderstreept>4. Passend onderwijs</onderstreept></vet></al><al>Een belangrijke ontwikkeling in het onderwijs is de invoering van
                            Passend onderwijs, naar verwachting per 1 augustus 2012. Passend
                            onderwijs staat voor maatwerk in het onderwijs. Voor elk kind en iedere
                            jongere dient onderwijs te worden aangeboden dat, ongeacht de extra
                            zorgbehoefte, aansluit bij zijn of haar mogelijkheden en talenten. </al><al>Enkele onderdelen van het nieuwe stelsel zijn:</al><al>* Scholen krijgen een zorgplicht: leerlingen moeten een zo goed mogelijk
                            passend onderwijsaanbod krijgen op de school van aanmelding of een
                            andere school in de regio. </al><al>* Ouders mogen verwachten dat de school een zo passend mogelijke plek
                            voor hun kind vindt. Van ouders wordt hierbij verwacht dat zij zelf ook
                            meedenken over hoe zij hun kind het beste kunnen ondersteunen. </al><al>Scholen richten zich zo veel mogelijk op hun kerntaak: goed onderwijs
                            geven. De extra ondersteuning voor leerlingen met een beperking of met
                            een extra zorgbehoefte moet goed afgestemd zijn met het
                            (jeugd)zorgdomein. Hiervoor dienen scholen onder andere samen te werken
                            met het CJG en met de leerplicht.</al><al><vet><onderstreept>5. Project nieuwe structuur
                                Bemoeizorg</onderstreept></vet></al><al>Bemoeizorg is het, op basis van een gesignaleerde bedreiging van de
                            ontwikkeling of gezondheid van jeugdigen, bieden van ongevraagde hulp
                            aan gezinnen die de problemen niet (h)erkennen en/of hulpverlening
                            afwijzen en/of niet binnen de reguliere hulpverlening passen (multi
                            problematiek). Het doel van bemoeizorg is het toeleiden naar
                            voorzieningen.</al><al>Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (BJZNH) coördineerde tot november 2008
                            via het ‘Vangnet Jeugd’ de uitvoering van de bemoeizorg. Als gevolg van
                            het besluit van BJZ om terug te gaan naar de kerntaken voert BJZ deze
                            taak per genoemde datum niet langer uit.</al><al>De provincie Noord-Holland heeft per regio (opgepakt door het regionaal
                            overleg Jeugd) subsidie beschikbaar gesteld (tot en met 2012) om te
                            komen tot een nieuwe structuur op het vlak van bemoeizorg en om een
                            tijdelijke constructie te financieren, zolang de nieuwe werkwijze nog
                            niet is gerealiseerd. Het uiteindelijke doel is om kinderen en jongeren
                            die in de problemen zijn geraakt, via het opzetten van een verbeterde
                            structuur van bemoeizorg en verbeterde samenwerkingsafspraken, sneller
                            en beter te helpen. </al><al>De GGD Kennemerland is bereid gevonden om tijdelijk zorg te dragen voor
                            de uitvoering van de bemoeizorg jeugd gedurende de periode dat de
                            gewenste nieuwe structuur nog niet is gerealiseerd. </al><al>Momenteel loopt er een regionaal onderzoek naar de werking van de
                            sociale teams in de gemeenten en naar de verbinding tussen deze teams en
                            de (uitgangspunten van de) CJG’s. Het centrale element in de nieuw op te
                            zetten bemoeizorg keten is voor de gemeenten in Zuid-Kennemerland het
                            CJG. In de nieuwe keten wordt het CJG ‘opdrachtgever’ voor de bemoeizorg
                            inzet. De feitelijke bemoeizorg zal worden uitgevoerd door een
                            bemoeizorgteam. De CJG’s in de regio worden hiermee het centrale punt
                            voor de inzet van zowel de gevraagde als de ongevraagde hulp. </al><al>De GGD voert overleg met Heemstede – centrumgemeente in dit kader – de
                            nieuwe structuur is dan ook nog niet definitief. </al><al><vet><cursief>Aanbod voor kwetsbare Bloemendaalse kinderen en
                                    jongeren</cursief></vet></al><al>Er is voor kinderen in een kwetsbare positie, bijvoorbeeld voor kinderen
                            met een verstandelijke of fysieke beperking of voor kinderen die om
                            financiële redenen niet kunnen participeren, vaak een aanvullend aanbod
                            nodig. </al><al><vet>Welke instellingen bieden activiteiten aan voor kwetsbare kinderen
                                en jongeren?</vet></al><lijst><li nr="-"><al>De Baan: activiteiten voor jeugdigen.</al></li><li nr="-"><al>Tandem: activiteiten voor jonge mantelzorgers.</al></li><li nr="-"><al>Stichting Thuiszorg Gehandicapten</al></li><li nr="-"><al>Stichting Paardrijden Gehandicapten (paardrijlessen voor
                                    kinderen).</al></li><li nr="-"><al>Sportsupport Kennemerland (aangepast sporten).</al></li><li nr="-"><al>OCK ’t Spalier voor Noord-Holland.</al></li><li nr="-"><al>Activiteiten in het kader van het minimabeleid (iasz)</al></li></lijst><al>Het is de bedoeling dat het huidige aanvullende aanbod voor de kinderen
                            met een beperking gecontinueerd zal worden en –zoals ook in de sportnota
                            is aangegeven- bezien zal worden of het minimabeleid uitkomst biedt
                            indien kinderen niet aan sport of cultuur kunnen deelnemen vanwege
                            financiële redenen. Hiernaast zal vanuit het CJG aandacht gegeven worden
                            aan de jongeren, die veelal niet deel kunnen nemen aan algemene
                            sportieve activiteiten, zoals jongeren met mentale problemen.</al><al><vet><onderstreept>6. De decentralisatie van de
                                jeugdzorg</onderstreept></vet></al><al>Als problemen te zwaar zijn om op te lossen met de gemeentelijke
                            voorzieningen, dan is het –voorlopig nog - zaak dat de jongeren zo snel
                            mogelijk terechtkomen bij de geïndiceerde zorg door de provincie, de
                            AWBZ of de zorgverzekeraars. Naast de geïndiceerde, vrijwillige
                            jeugdzorg zijn de onvrijwillige jeugdzorgmaatregelen bekend: de
                            jeugdbescherming en de jeugdreclassering, welke gefinancierd worden door
                            het Rijk. De toegang tot de geïndiceerde jeugdzorg loopt via Bureau
                            Jeugdzorg (BJZ). Hiernaast organiseert BJZ de kindertelefoon en het
                            Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK).</al><al>Alle taken van de jeugdzorg worden in de periode 2012-2016 overgeheveld
                            naar de gemeente. Met de komst van het CJG is een basis gelegd voor deze
                            transformatie; het CJG zal dienen als front-office voor alle jeugdzorg.
                            Met de decentralisatie wordt beoogd dat kinderen en jongeren sneller en
                            beter worden ondersteund via een efficiëntere, effectievere en minder
                            dure jeugdzorg met minder scheidslijnen. Belangrijke uitgangspunten
                            hierbij zijn de wijziging van de negatieve etikettering in de vorm van
                            de indicatiestelling, een betere nazorg en van de institutionele
                            benadering naar een systeem van meedenken met het gezin vanuit een
                            situationele benadering (paradigma shift!). De wmo-periode 2012-2015 zal
                            in het teken staan van de transitie c.q. transformatie van de jeugdzorg
                            naar de gemeente.</al><al>De ambulante begeleiding jeugd en gezin zal per 2013 overgaan naar de
                            gemeenten en per 2014 zullen de jeugdzorg, de jeugd- ggz, de jeugd- lvg,
                            de jeugdreclassering en de jeugdbescherming fasegewijs overgeheveld
                            worden. Eind 2016 moet de decentralisatie gerealiseerd zijn. </al><al><vet>Over te hevelen voorzieningen </vet></al><al><cursief>1. De Jeugd- geestelijke gezondheidszorg (zowel AWBZ als
                                Zorgverzekeringswet). </cursief></al><al>De Jeugd- ggz biedt hulp aan jongeren met psychiatrische stoornissen en
                            psychische problemen zoals autisme, ADHD, eetstoornissen,
                            depressiviteit, verslaving, angststoornissen, gedragsstoornissen of
                            schizofrenie. Ongeveer de helft van de hulpvragers zijn de ouders. De
                            kosten worden gedekt uit de AWBZ of uit de Zorgverzekeringswet,
                            eventueel uitgekeerd als een persoonsgebonden budget (PGB).</al><al><cursief>2. De Jeugd-licht verstandelijk gehandicapten (De jeugd-lvg).
                            </cursief></al><al>Een licht verstandelijke handicap wordt vastgesteld op basis van het
                            intelligentieniveau (IQ tussen de 50 en 85) in combinatie met een
                            ontwikkelingsstoornis en problemen in het sociaal aanpassingsvermogen.
                            Licht verstandelijk gehandicapte jongeren zijn extra kwetsbaar en hebben
                            daardoor een verhoogde kans (40-60%) op het ontwikkelen van een
                            psychiatrische stoornis. Een licht verstandelijke handicap is vaak niet
                            direct zichtbaar.</al><al><cursief>3. De Provinciale Jeugdzorg. </cursief></al><al>Hieronder vallen o.a. de indicatiestellingen, het Advies- en Meldpunt
                            Kindermishandeling, de verblijf- en crisis (24 uurs) dienst, de
                            kindertelefoon en de uitvoering van de jeugdreclassering en
                            jeugdbescherming. </al><al><cursief>4. De Jeugdbescherming. </cursief></al><al>Dit is aan de orde als de ontwikkeling van een jongere veilig gesteld
                            moet worden. Of dat nodig is, wordt onderzocht door de Raad van de
                            Kinderbescherming. Afhankelijk van de uitkomst kan de rechter een
                            maatregel van de kinderbescherming opleggen. De meest voorkomende
                            maatregel is de ondertoezichtstelling (ots). Ontheffing en ontzetting
                            zijn zwaardere maatregelen. Bij een ots krijgt het kind een gezinsvoogd
                            toegewezen. In principe blijft het kind thuis wonen, maar de rechter kan
                            ook beslissen om de jongere in een pleeggezin te plaatsen. De hulp wordt
                            gefinancierd door het ministerie van justitie via de provincies.</al><al><cursief>5. De Jeugdreclassering.</cursief></al><al>Bij jongeren die een delict hebben begaan, organiseert de Raad voor de
                            Kinderbescherming onder meer hulp voor diagnostiek en advies. De
                            jeugdreclassering- nu nog ondergebracht bij de bureau’s jeugdzorg- biedt
                            juridische en praktische ondersteuning in het juridische proces en is
                            verantwoordelijk voor de uitvoer van opgelegde maatregelen en straffen.
                            Veel van de jongeren krijgen bij een opgelegde maatregel, straf of
                            begeleiding een training of gedragsinterventie die erop gericht is de
                            kans op recidive te verkleinen. De trainingen of gedragsinterventies
                            worden vaak verzorgd door daarvoor gespecialiseerde aanbieders.</al><al><cursief>6. De gesloten Jeugdzorg. </cursief></al><al>De gesloten jeugdzorg bestaat uit zorg en behandeling in
                            jeugdzorginstellingen voor jongeren tot 21 jaar met ernstige opvoed– en
                            opgroeiproblemen. Gesloten opname is een vorm van zorg en niet van
                            straf.</al><al><cursief>7. De extramurale begeleiding van de jongeren, die nu onder de
                                AWBZ valt, inclusief het vervoer.</cursief></al><al>Het gaat hierbij om activiteiten voor jongeren, dagbesteding etc. Het is
                            de bedoeling dat de preventie en vrijwillige hulpverlening in goede
                            afstemming met gedwongen hulpverlening georganiseerd wordt door de
                            (samenwerkende )gemeenten met de lokale CJG’s als front office. </al><al><vet>Waarom een transitie jeugdzorg?</vet></al><al>Ondanks dat het met de Nederlandse jeugd goed gaat, groeit het gebruik
                            van de gespecialiseerde zorg in ons land onrustbarend. Volgens Jo
                            Hermanns, hoogleraar opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam
                            verblijven in Nederland 20.000 jongeren in 24-uurs zorg (Jeugdzorg,
                            justitiële jeugdinrichtingen, kinder- en jeugdpsychiatrische klinieken),
                            22.000 kinderen in pleeggezinnen en 235.000 kinderen in een bijzondere
                            vorm van onderwijs, voor een deel gescheiden van hun “gewone”
                            leeftijdgenootjes. Hij schat dat één op de zeven kinderen een of andere
                            vorm van zorg krijgt, de “rugzakjes”, de persoonsgebonden budgetten,
                            time-out en reboundvoorzieningen niet meegerekend. “</al><al>Tom van Yperen, bijzonder hoogleraar effectieve jeugdzorg bij de
                            universiteit Utrecht verklaart, dat de provinciaal gefinancierde
                            jeugdzorg in de periode 1997-2007 met 7,4 % per jaar groeide, terwijl de
                            cijfers over het zorggebruik in de jeugd-ggz een groei laten zien van
                            12,5 % gemiddeld per jaar. De aanvragen voor het speciaal onderwijs,
                            vooral als het gaat om ernstige gedragsproblemen groeien naar schatting
                            met gemiddeld 17,5% per jaar. Als dit doorzet betekent dit een
                            verdubbeling van het aantal leerlingen in het special onderwijs binnen
                            vijf jaar. Voor deze groei zijn verschillende verklaringen te
                            geven:</al><al>Zo is de samenleving complexer dan vroeger. Wellicht dat daardoor
                            kinderen eerder in de problemen komen. Wetenschappelijke cijfers duiden
                            echter niet op een toename van het aantal problemen. Wel is het zo, dat
                            het aantal diagnoses zich uitbreidt. Micha de Winter (hoogleraar
                            pedagogiek aan de Universiteit van Utrecht) vraagt zich daarbij af, wie
                            de diagnoses stelt. Is dat een arts of worden diagnoses ook door anderen
                            gesteld? Veel partijen zijn het er over eens dat ook de inrichting van
                            ons stelsel van ondersteuning en zorg voor jeugdigen de groei in de hand
                            werkt. Er wordt bijvoorbeeld onvoldoende aan preventie gedaan en er is
                            veel te weinig lichte hulp in de directe omgeving van de gezinnen
                            voorhanden. </al><al>Het fundament onder het huidige stelsel van jeugdzorg is het in de
                            huidige wet op de Jeugdzorg verankerde Recht op Jeugdzorg. Het accent
                            zal veel meer moeten komen te liggen op de plicht om een goede opvoeding
                            te bieden aan jeugdigen. </al><al><cursief>De </cursief><vet><cursief>visie </cursief></vet><cursief>dat
                                zorg dichtbij en gemakkelijk toegankelijk moet zijn,wordt inmiddels
                                breed gedragen. Deze visie geldt ook voor de meer gespecialiseerde
                                jeugdzorg. Een nieuw inzicht is dat we nog veel meer kunnen inzetten
                                op het versterken van de opvoeding en dat we af moeten van zorg
                                overnemen. Dat er nog veel meer gewerkt kan worden aan het herstel
                                van het gewone leven, aan het versterken van de eigen kracht en
                                autonomie van jongeren en hun ouders meer praten met en minder
                                praten over. Dat vraagt een ander denken en anders handelen, dat
                                betekent niet alleen een transitie maar is een transformatie.
                            </cursief></al><al><cursief>De </cursief><vet><cursief>missie</cursief></vet><cursief> is:
                                een sterke basis en een samenhangende zorgstructuur voor gezond en
                                veilig opgroeien.</cursief></al><al><cursief>Gezond en veilig opgroeien bevat zowel de fysieke gezondheid,
                                het psychisch welbevinden, de cognitieve capaciteiten, sociale
                                relaties en de plek in de samenleving. </cursief></al><al>De verbouwing is niet bedoeld om “slechts” financieringsstromen en
                            bestuurlijke verantwoordelijk-heden te verleggen, die zijn volgend op de
                            inhoudelijke slag. Het gaat er juist om deze inhoudelijke slag te maken,
                            gericht op minder inzet van gespecialiseerde opvangvoorzieningen voor
                            kinderen en jongeren (exclusie van jongeren) en meer inzet van
                            voorzieningen om de opvoeding in de eigen sociale context te versterken
                            (inclusie). Hiervoor is een zeer breed draagvlak aanwezig.</al><al>Het CJG zal zich moeten richten op het beantwoorden/oplossen van
                            bijvoorbeeld 80% van de vragen, outreachend en met het oog op de
                            pedagogische civil society zodat het inhuren van gespecialiseerde zorg
                            een uitzondering zal zijn. </al><al>De vraag is hoeveel Bloemendaalse jongeren er eigenlijk onder toezicht
                            staan (ots), hoeveel jongeren vallen onder de jeugdreclassering, hebben
                            een voogd, wonen in een pleegzorggezin, vallen onder de
                            kinderbescherming of het meldpunt kindermishandeling, gaan naar de
                            dagbehandeling, wonen - al dan niet dag en nacht - in instellingen en
                            welke instellingen? Wat kost dat en wie betaalt dat? Ook niet
                            onbelangrijk: wie bepaalt dat en op grond waarvan? Deze vragen zullen in
                            de komende periode beantwoord moeten worden.</al><al>Naar schatting (T. van Yperen, 2011) doen momenteel 726 Bloemendaalse
                            jongeren vanaf 1 tot 17 jaar een beroep op de jeugdzorg,
                            jeugdbescherming, jeugdreclassering, jeugdggz, jeugd lvg en opvoedhulp. </al><al>Hiernaast is het de vraag hoe de stelselherziening Jeugdzorg kan
                            bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van zorg. Hiervoor is een
                            aantal kwaliteitseisen opgesteld, die leidend kunnen zijn bij elke
                            beslissing met betrekking tot de invoering van de jeugdzorg bij de
                            gemeente.</al><al><vet>Kwaliteitseisen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Eerst de kwaliteit van zorg, dan de organisatie.</al></li><li nr="2."><al>Jongeren en ouders centraal, niet de instanties:</al></li><li nr="-"><al>niet verwijzen, maar deskundige juiste hulp naar jongere/ouders
                                    toe;</al></li><li nr="-"><al>multi-disciplinaire aanpak;</al></li><li nr="-"><al>gecoördineerde samenwerking van hulpverleners;</al></li><li nr="-"><al>taken combineren in personen (zorgcoördinatie);</al></li><li nr="-"><al>ouders zijn lid van de zorg (advies) teams;</al></li><li nr="-"><al>gebruik van social media;</al></li><li nr="-"><al><cursief>met</cursief> de jongere/ouders in plaats van
                                            <cursief><onderstreept>over;</onderstreept></cursief></al></li><li nr="-"><al>aandacht voor de sociale context (pedagogische civil
                                    society);</al></li><li nr="-"><al>1 gezin, 1 plan;</al></li><li nr="-"><al>ondersteunen eigen kracht;</al></li><li nr="-"><al>vasthoudend vooral als de veiligheid in het geding is.
                                    Mogelijkheid tot drang of</al><al> dwang.</al></li><li nr="3."><al>Eigen kracht versterkend. De voorzieningen en professionals
                                    richten zich op de versterking van de</al><al> eigen kracht van jeugdigen, opvoeders en sociale netwerken.
                                    Jeugdigen en ouders worden serieus </al><al> genomen als zij een vraag hebben. Als er professionele
                                    ondersteuning of zorg nodig is, is ze erop </al><al> gericht zoveel mogelijk zonder die hulp verder te kunnen.</al></li><li nr="4."><al>Uitnodigend.</al></li><li nr="5."><al>Vasthoudend. Als de veiligheid in het geding is, dan kaart men
                                    dat aan, laat men de jeugdige en</al><al> Zijn opvoeders niet los en bestaat de mogelijkheid met drang of
                                    dwang te handelen.</al></li><li nr="6."><al>Effectief en efficiënt. De geboden diensten zijn op
                                    wetenschappelijke inzichten en</al><al> ervaring gebaseerd. Er is geen onnodige bureaucratie en men
                                    werkt kosteneffectief.</al></li><li nr="7."><al>Gemotiveerde en competente medewerkers. Deskundige hulpverleners
                                    die “staan” voor</al><al> hun cliënten. Helpen zoals je zelf geholpen zou willen worden.
                                </al></li><li nr="8."><al>Vroegtijdige hulpverlening. Via outreachend werken en
                                    deskundigheid hulpverlening in</al><al> 80% van de gevallen door degene die risico’s en problemen
                                    signaleert. Dit scheelt </al><al> doorschuifgedrag.</al></li><li nr="9."><al>Samenwerking met de regiogemeenten.</al></li><li nr="10."><al>Aantrekken van een universitair geschoolde (ervaren) pedagoog of
                                    gedragswetenschapper voor</al><al> o.a. het stellen van de indicatie voor zorg.</al></li><li nr="11."><al>Bestuurlijk draagvlak.</al></li><li nr="12."><al>Een lerende organisatie</al></li></lijst><al><vet>Financiering en wettelijk kader</vet></al><al>Samen met de nieuwe financiering komt er een nieuw wettelijk kader voor
                            al deze vormen van ondersteuning en hulp aan kinderen en hun opvoeders.
                            Voor de realisatie van het Centrum voor Jeugd en Gezin heeft de gemeente
                            vanaf 2008 tot en met 2011 financiële middelen van het Rijk ontvangen
                            via de brede doeluitkering CJG (BDU CJG). </al><al>Vanaf 2012 worden de financiële middelen via een nieuwe
                            decentralisatie-uitkering binnen het gemeentefonds verstrekt; de
                            decentralisatie uitkering Centrum jeugd en Gezin (DU CJG). Deze
                            uitkering bedraagt voor Bloemendaal vanaf 2012 € 438.447,- per jaar. </al><al>Naar schatting zal deze uitkering fasegewijs oplopen tot € 4.354.500,-
                            per jaar vanaf 2015. Uiteraard heeft dat alles te maken met de
                            overheveling van de middelen in verband met de transitie jeugdzorg naar
                            de gemeente. </al><al><vet><cursief>7. Samenvatting ‘Programmalijn Opvoeden en
                                    Opgroeien’</cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.De pedagogische civil society wordt versterkt, dat
                                                wil zeggen:</al><al>-meer kansen voor ontmoeting;</al><al>-verbindingen tussen mensen worden
                                                gestimuleerd;</al><al>-de dialoog over opvoeden wordt gestimuleerd;</al><al>-de sociale omgeving wordt betrokken bij
                                                hulpverlening aan het gezin.</al><al>2.Een goed georganiseerde jeugdzorg bij de gemeente,
                                                waarin de</al><al> gedecentraliseerde jeugdzorg stevig verankerd zijn.
                                            </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>-Als in en vanuit het CJG gewerkt wordt volgens de
                                                kerngedachten </al><al>van het CJG en mensen daar tevreden over zijn. </al><al>-Als alle onderdelen van de jeugdzorg goed
                                                georganiseerd zijn in </al><al>en vanuit het CJG en gebruikers daar tevreden over
                                                zijn. </al><al>-Bij een sterke en goed functionerende pedagogische
                                                civil society, </al><al>waarin het CJG een spilfunctie heeft. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Hiernaast worden nog diverse actiepunten uit het
                                                Wmo-plan 2008-2011 en aanverwante documenten
                                                uitgevoerd. Zie het eerste deel van het overzicht op
                                                pagina 75. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Door middel van:</al><al>-De Stuurgroep CJG;</al><al>-Het toezien op de uitvoering van op te stellen
                                                werkplannen;</al><al>-Het stellen van subsidievoorwaarden en toezien op
                                                de naleving; </al><al>-Gestructureerd overleg, periodiek
                                                tevredenheidsonderzoek, managementrapportages. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2012 : Voorbereiding transitie jeugdzorg</al><al> : Intensiveren samenwerking kern- en ketenpartners
                                                CJG</al><al> : Nieuwe werkwijze bemoeizorg</al><al> : Div. themabijeenkomsten CJG</al><al> : Implementatie opvoedpoli in CJG</al><al>In 2012 en de jaren erna zullen de overige punten
                                                geleidelijk aan worden in-/uitgevoerd. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C. Programmalijn ‘Bloemendalers met een beperking’</vet></al><al><vet><onderstreept>1. Inleiding </onderstreept></vet></al><al>Deze programmalijn heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning
                            gericht op zelfredzaamheid van mensen met een beperking, niet zijnde
                            zware psychische of psychosociale problematiek. Het gaat om individueel
                            te verlenen voorzieningen, die aan de behoefte van het individu zijn
                            aangepast. Het individuele gebruikskarakter van de voorziening betekent
                            niet, dat de gemeente het verlenen van die voorziening niet op
                            collectieve wijze vorm kan geven. De gemeente is, met uitzondering van
                            die voorzieningen waarvoor een zorgplicht geldt, vrij om te bepalen
                            welke concrete voorzieningen zij zal verlenen en welke niet. </al><al>Onder deze programmalijn vallen ook algemene maatregelen die, zonder dat
                            men zich tot de gemeente hoeft te wenden, ten goede zouden kunnen komen
                            aan een ieder die daaraan behoefte heeft. De maatregel hoeft niet
                            uitsluitend gericht te zijn op mensen met een beperking, als zij er maar
                            baat bij hebben. De deelname van mensen met een beperking aan het
                            maatschappelijk verkeer zal bevorderd worden als zij zich met hun
                            rolstoel, of met welk hulpmiddel dan ook, gemakkelijk kunnen bewegen in
                            hun leefomgeving, en toegang hebben tot alle openbare faciliteiten als
                            bibliotheek en gemeentehuis. Maar ook het organiseren van activiteiten
                            met een sociaal-recreatief karakter of sportief karakter voor specifieke
                            doelgroepen is een voorbeeld. </al><al>Door het gebruik van het woord “bevorderen” heeft de gemeente een grote
                            beleidsvrijheid. Zij kan zelf invulling geven aan dit beleidsterrein,
                            maar ze kan evenzeer, als pleitbezorger van de mensen om wie het gaat,
                            veranderingen pogen aan te brengen op terreinen waar zij geen directe
                            bevoegdheid heeft. </al><al>Binnen deze programmalijn vallen ondermeer de doelgroepen gehandicapten
                            en ouderen.</al><al>Mensen die door hun beperking minder zelfredzaam zijn, hebben recht op
                            compensatie en/of ondersteuning. Zelfredzaamheid binnen de Wmo wordt
                            gezien als het vermogen om de dagelijkse dingen te doen, zoals het
                            huishouden doen, de boodschappen doen, eten koken, je kunnen verplaatsen
                            in en om huis enz. Lichamelijke verzorging maakt geen onderdeel uit van
                            de Wmo. </al><al>Om goede ondersteuning te bieden wordt, in het Wmo-loket, samen met de
                            aanvrager bekeken of er een beroep gedaan kan worden op het sociale
                            netwerk (familie, buren, vrienden). Vervolgens wordt gekeken naar de
                            inzet van algemene en/of collectieve voorzieningen, zoals het
                            vrijwilligerswerk of een ondersteunende dienst als een
                            maaltijdvoorziening, de boodschappenservice, de buurtbus, enz. Pas als
                            die mogelijkheden niet voldoende zijn, wordt individuele hulp ingezet,
                            bijvoorbeeld door een Wmo-taxi vervoerspas, een scootmobiel en/of
                            individuele ondersteuning door een zorgaanbieder. </al><al><cursief>Individuele voorzieningen</cursief></al><al>Het zal geen verbazing wekken dat de doelgroepen veel gebruik maken van
                            individuele voorzieningen. Het besluiten over individuele voorzieningen
                            is een taak die neergelegd is bij de IASZ. De rechten en plichten voor
                            het verkrijgen van een individuele voorziening zijn vastgelegd in de
                            Verordening verstrekking voorzieningen Wmo en de bijbehorende
                            beleidsregels. Voor alle individuele voorzieningen geldt dat een
                            aanvrager keuzemogelijkheden geboden wordt. Men kan men kiezen uit een
                            persoonsgebonden budget (PGB) of een voorziening in natura. </al><al>Individuele voorzieningen zijn in te delen in vier hoofdgroepen:</al><lijst><li nr="a."><al>Huishoudelijke hulp: er zijn drie categorieën te onderscheiden,
                                    met een oplopend niveau van signalering en/of begeleiding.</al></li><li nr="b."><al>Leefvoorzieningen: hulpmiddelen, waarvan het gebruik een min of
                                    meer permanent karakter zal hebben, zoals een rolstoel, een
                                    tillift, enz. Het gaat hier niet om tijdelijke hulpmiddelen
                                    zoals een rolstoel omdat men een gebroken been heeft. Ook een
                                    vervoersvoorziening is een leefvoorziening.</al></li><li nr="c."><al>Woonvoorzieningen: aanpassingen aan een woning, zodat een
                                    inwoner zich in en om de woning goed kan verplaatsen. Daarbij
                                    kan men denken aan een traplift, aanpassen van een toilet of
                                    doucheruimte enz.</al></li><li nr="d."><al>Vervoersvoorzieningen: het Wmo-taxivervoer, evenals aanpassingen
                                    aan de eigen auto, de gehandicaptenparkeerkaart en
                                    gehandicaptenparkeerplaats.</al></li></lijst><al>Het verstrekken van deze voorzieningen vormde een belangrijk onderdeel
                            van het Wmo-beleid in 2008-2011 en wordt in het volgende tijdvak
                            gecontinueerd, wets- en beleidswijzigingen daargelaten. </al><al><vet><onderstreept>2. Visie en centrale
                                doelstelling</onderstreept></vet></al><al>Welzijn Bloemendaal heeft, naast het bestaande welzijnsloket, de
                            verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het Wmo- informatieloket,
                            waar beroepskrachten informatie en ondersteuning bieden aan iedereen die
                            een beroep doet op de Wmo. De beroepskrachten, van meerdere disciplines,
                            zijn er speciaal op getraind om de “vraag achter de vraag” te herkennen
                            en samen met de cliënt naar een oplossing te zoeken die niet perse een
                            individuele voorziening is. In feite dus de aanpak van De Kanteling. De
                            uiteindelijke beoordeling en toewijzing wordt gedaan bij de
                            Intergemeentelijke Afdeling Sociale Zaken (IASZ), waar de uitvoering van
                            de Wmo voor individuele voorzieningen is neergelegd.</al><al>In 2008 heeft de gemeenteraad uitgesproken Welzijn Ouderen Bloemendaal,
                            zoals de instelling toen heette, te willen laten uitgroeien tot een
                            brede welzijnsorganisatie. De bestaande taken moesten worden uitgebreid
                            met jongerenwerk en meer Wmo gerelateerde taken, zoals ondersteunende
                            activiteiten voor inwoners. De functie van de organisatie moest er één
                            worden van spin in het sociale web. In 2009 zijn de ouderenorganisaties
                            van Bloemendaal en Bennebroek gefuseerd tot één welzijnsorganisatie:
                            Stichting Welzijn Bloemendaal, kortweg WB. En er is een start gemaakt
                            met de hervorming. Uiteindelijk hebben de hervormingen geleid tot
                            prestatieafspraken tussen gemeente en WB, over de uitvoering van een
                            groot aantal van genoemde taken. Deze prestatieovereenkomst wordt
                            jaarlijks bezien en geactualiseerd. In de gemeentelijke begroting is
                            hiervoor in totaal € 565.000,-- opgenomen.</al><al><vet><cursief>Doelstelling</cursief></vet></al><al>De doelstelling van het beleid is dat mensen met een beperking
                            volwaardig kunnen (blijven) deelnemen aan de samenleving. In de
                            wandeling wordt dit vaak WWZ genoemd: Wonen Welzijn en Zorg. Dat houdt
                            in dat iedereen op het gebied van wonen, welzijn en zorg ondersteuning
                            kan krijgen, naast individuele voorzieningen, teneinde te kunnen
                            participeren. Ondersteuning hierbij dient maatwerk te zijn, uitgaande
                            van wensen en behoeften van de hulpvrager, de participatieladder, het
                            eigen sociale netwerk van de hulpvrager en bestaande vrijwillige en/of
                            algemene voorzieningen.</al><al>Te denken valt aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het versterken van de eigen kracht, bijvoorbeeld door sociale
                                    netwerken te bouwen of te</al><al> verstevigen waardoor participatie mogelijk wordt en/of blijft;
                                </al></li><li nr="c."><al>het geven van voorlichting over- en bemiddelen naar vrijwillige
                                    diensten;</al></li><li nr="b."><al>het bieden van activeringsprogramma’s.</al></li></lijst><al><cursief>Ouderen</cursief></al><al>“Iedereen wil oud worden, niemand wil oud zijn”, “Ouderdom komt met
                            gebreken”. De Nederlandse taal staat bol van de spreekwoorden en
                            gezegden die verwijzen naar de ongemakken en beperkingen die een hogere
                            leeftijd met zich meebrengt. Al jaren behoort Bloemendaal tot de meest
                            vergrijsde gemeenten van Nederland. Per 1 januari 2011 waren 5.359
                            mensen 65 jaar of ouder, dat is bijna een kwart van de inwoners van
                            Bloemendaal. Bijna 9% van de inwoners is zelfs 80 jaar of ouder. Op 1
                            januari 2011 verbleven 494 inwoners in een verzorgings- of verpleeghuis. </al><al>Over het algemeen redden de senioren zich prima, maar met het klimmen
                            der jaren wordt de behoefte aan specifieke voorzieningen groter en wordt
                            men meer afhankelijk van anderen om volwaardig aan de samenleving te
                            kunnen blijven deelnemen. Voor ouderen is tot aan de in werkingtreding
                            van dit beleidsplan een apart beleidsplan van kracht, te weten het
                            “Ouderenbeleid gemeente Bloemendaal 2005-2010”. Veel van de daarin
                            genoemde doelstellingen zijn nog steeds actueel en zullen worden
                            overgenomen. </al><al>Ervaring heeft geleerd dat de meeste doelstellingen en voorzieningen die
                            oorspronkelijk ontworpen en bedoeld zijn voor de doelgroep ouderen, net
                            zo toepasbaar zijn voor mensen die anderszins een beperking hebben. </al><al><cursief>Gehandicapten</cursief></al><al>In de basisrapportage AWBZ van het CIZ per 1 januari 2011 wordt gemeld
                            dat 1208 mensen een zorgindicatie hebben, zowel intramuraal als
                            extramuraal. Zonder te willen generaliseren, kan wel gesteld worden dat
                            als men een AWBZ- zorgindicatie heeft, men ook beperkt is in zijn
                            dagelijks leven. Voor de Wmo gaat het in hoofdzaak om de zelfstandig
                            wonenden. In Bloemendaal zijn dat 430 mensen Het gaat hierbij om alle
                            leeftijdsgroepen, dus ook ouderen, en alle typen aandoeningen (zie de
                            bijlage Kengetallen). Daarnaast is er natuurlijk ook een grote groep die
                            wel gehandicapt/beperkt is, maar zonder een indicatie van het CIZ. Over
                            de grootte van die groep zijn geen cijfers bekend. </al><al><vet><onderstreept>3. Bestaande doelstellingen/activiteiten
                                </onderstreept></vet></al><al><vet><cursief>- Wonen-</cursief></vet></al><al>Veel van de gestelde doelen uit het huidige ouderenbeleidsplan zijn nu
                            overgenomen in de Woonvisie 2011. Daarom is ervoor gekozen huisvesting,
                            in de zin van volkshuisvesting, niet langer in het Wmo-beleidsplan op te
                            nemen. Dat betekent niet dat er geen aandacht meer is voor de
                            huisvesting van ouderen (of mensen met een beperking), het betekent dat
                            dit onderwerp buiten de directe invloedssfeer van dit beleid valt.
                            Hetzelfde geldt voor de ver- en nieuwbouw van verzorgingshuizen,
                            verpleeghuizen, seniorencomplexen, enz. </al><al><cursief>Individuele woningaanpassingen </cursief></al><al>Het spreekt vanzelf dat indien een inwoner een beperking ervaart in en
                            om zijn woning, er dan beoordeeld wordt of de inwoner in aanmerking komt
                            voor een voorziening/woningaanpassing. Dat kan bijvoorbeeld gaan om het
                            rolstoel toe- of doorgankelijk maken, een traplift, enz. De voorwaarden
                            hiervoor zijn vastgelegd in de Verordening verstrekking voorzieningen
                            Wmo. Het afhandelen van aanvragen is een taak van de IASZ. Benodigde
                            middelen: Onderdeel van de IASZ begroting.</al><al><cursief>Wonen-Plus</cursief></al><al>Wonen- Plus is een aanbod van praktische diensten, variërend van
                            huishoudelijke klusjes, tot boodschappenservice, van tuinman tot
                            pedicure. Inwoners van 55 jaar en ouder kunnen zich abonneren bij
                            Welzijn Bloemendaal en krijgen dan korting op de kosten, als ze gebruik
                            maken van de diensten van een van de aangesloten bedrijven. Een
                            medewerker van WB doet de bemiddeling tussen vraag en aanbod. Door deze
                            dienst worden inwoners ondersteund om langer zelfstandig te kunnen
                            blijven wonen. Dit beleid wordt voortgezet. </al><al><cursief>Dienst Wonen met Zorg.</cursief></al><al>Deze dienst biedt extra ondersteuning en begeleiding aan inwoners die
                            eigenlijk niet meer zelfstandig kunnen wonen, die een verblijfsindicatie
                            hebben voor een verzorgingshuis en op een wachtlijst staan. Ook deze
                            taak wordt door WB uitgevoerd en dit beleid wordt voortgezet. </al><al><vet>- Zorg -</vet></al><al>a.Intramurale Zorg</al><al>Bloemendaal heeft een aantal professionele zorginstellingen
                            (verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrisch ziekenhuis) binnen haar
                            gemeentegrenzen. De verantwoordelijkheid voor de verzorging en
                            begeleiding van de bewoners van deze instellingen ligt (tot nu toe) bij
                            het Rijk en valt buiten de scope van de Wmo. Vaak bieden deze
                            instellingen ook ambulante zorg, bijvoorbeeld door middel van begeleid
                            wonen. Deze cliënten maken ook gebruik van individuele en collectieve
                            voorzieningen.</al><al>b.Pakketmaatregel AWBZ</al><al>Voor de zorg voor mensen die sinds 2009 als gevolg van de
                            pakketmaatregel AWBZ niet (meer) in aanmerking komen voor individuele
                            begeleiding of dagbesteding is een beperkt extra budget beschikbaar
                            gesteld door het Rijk, teneinde deze mensen te helpen een oplossing te
                            zoeken. </al><al>In zeer schrijnende gevallen bekostigt de gemeente de voortzetting van
                            dagbesteding. Daarnaast heeft de gemeente bij Welzijn Bloemendaal de
                            taak neergelegd om deze mensen te begeleiden naar activiteiten, al dan
                            niet binnen het eigen programma-aanbod. Dit beleid wordt
                            voortgezet.</al><al><vet>- Welzijn -</vet></al><al>De Wmo heeft een groot welzijnscomponent. Welzijn is een zeer breed en
                            ook rekbaar begrip, net als de Wmo zelf. Een veelgebruikte definitie van
                            welzijn is: <cursief>'Welzijn is de mate waarin mensen naar eigen wens
                                en vermogen deelnemen en deel kunnen nemen aan de samenleving.
                                Welzijn is ook de basis van waaruit mensen met anderen werken aan
                                hun sociale omgeving, met als doel zelfredzaamheid, persoonlijke
                                ontwikkeling en ontwikkeling van de sociale
                            kwaliteit'</cursief></al><al>Welzijn is méér dan een dak boven je hoofd hebben, te eten hebben, je
                            rekeningen kunnen betalen en medische zorg kunnen krijgen. Welzijn
                            betekent ook of juist dat men zo zelfredzaam mogelijk kan leven en
                            sociaal en fysiek actief kan zijn. Je kunnen verplaatsen, al dan niet
                            met een individueel hulpmiddel of een vervoersvoorziening is daarbij een
                            belangrijke aspect. Het spreekt vanzelf dat signalering van een
                            mogelijke zorgbehoefte een belangrijke rol heeft. Daarom is het
                            noodzakelijk dat informatie en advies over ondersteuningsmogelijkheden
                            algemeen bekend wordt. De drempel om hulp te vragen moet zo laag
                            mogelijk zijn. </al><al><cursief>Sociaal actief / eenzaamheid</cursief></al><al>Naarmate mensen ouder worden, wordt hun netwerk kleiner. Daarvoor is een
                            aantal vanzelfsprekende redenen aan te wijzen: door pensionering of door
                            arbeidsongeschiktheid vallen veel van de werkcontacten weg,
                            leeftijdgenoten (familie, vrienden en kennissen) komen te overlijden,
                            kinderen hebben minder tijd voor hun ouders, verhuizing naar een andere
                            wijk, enz. Dat heeft tot gevolg dat senioren minder vanzelfsprekend in
                            contact komen met anderen. Zeker als mensen van nature al niet zo
                            “sociaal” ingesteld zijn, is het risico op vereenzaming aanwezig.
                            Eenzaamheid is niet uniek voor ouderen. Eenzaamheid komt in alle
                            leeftijdsgroepen en in alle doelgroepen voor. </al><al>De bestrijding van eenzaamheid en sociale activering blijft, net als in
                            het ouderenbeleidsplan, een belangrijk actiepunt. Welzijn Bloemendaal
                            speelt hierin een belangrijke rol. De ouderenadviseurs en
                            sociaal-cultureel werkers hebben de opdracht deze problemen te
                            signaleren en waar mogelijk aan te pakken, door middel van sociale
                            activering. Daarnaast zijn er welzijnsspreekuren, waar mensen terecht
                            kunnen met allerlei vragen en wordt een uitgebreid pakket van
                            activiteiten geboden, waar inwoners tegen een kleine vergoeding aan
                            kunnen deelnemen. Zie onder 4.1 voor nieuwe ideeën. </al><al>Benodigde middelen: Onderdeel van de prestatieovereenkomst met WB.</al><al><cursief>Fysiek actief</cursief></al><al>Naarmate mensen ouder worden, wordt vaak ook de conditie minder.
                            Senioren zijn in het algemeen fysiek niet zo fit meer als toen ze jong
                            waren. Ook snellere vermoeidheid gaat een rol spelen. Dat leidt nogal
                            eens tot minder deelname aan sportieve activiteiten. En daarmee ontstaat
                            een vicieuze cirkel, door minder te bewegen wordt de conditie slechter,
                            hetgeen weer effect heeft op de algemene gezondheid, waardoor men (nog)
                            minder gaat bewegen, enz. Behalve het effect op de gezondheid betekent
                            het ook dat er weer een mogelijkheid tot sociaal verkeer wegvalt. </al><al>Het bovenstaande gaat vanzelfsprekend ook op voor mensen met een andere
                            beperking. Tot nu toe worden sportverenigingen en organisaties
                            gesubsidieerd om een aanbod voor de doelgroep in stand te houden. Het
                            gaat hierbij om de regeling Meer Bewegen Voor Ouderen (MBVO) en
                            subsidies aan gehan-dicaptensport (waaronder Rolstoelhockey en
                            Paardrijden voor gehandicapten). In totaal profiteren 144 ouderen en 45
                            sportleden van deze voorzieningen. Het beleid om ouderen en
                            gehandicaptensport te subsidiëren, zal worden voortgezet. </al><al><cursief>Vervoer</cursief></al><al>Een ander effect van ouder worden is dat het niet meer vanzelfsprekend
                            is dat je kunt gaan en staan waar je wilt. Als men fysieke beperkingen
                            ondervindt is openbaar vervoer niet altijd meer mogelijk. In dat geval
                            wordt men afhankelijk van andere voorzieningen, collectief of
                            individueel. Algemene vervoersvoorzieningen, d.w.z. openbaar vervoer en
                            de algemene OV-taxi, behoren niet tot de Wmo en waren ook geen onderdeel
                            van het ouderenbeleidsplan. Hetzelfde geldt voor ziekenvervoer. </al><al>Het parkeerbeleid en de parkeergelegenheid voor gehandicapten, anders
                            dan de toewijzing van een individuele parkeerplaats, behoren tot het
                            domein van ‘civiele techniek en verkeer’. </al><al>Het vervoer voor mensen met een beperking is wel onderdeel van de Wmo,
                            zoals het Wmo-taxivervoer, evenals aanpassingen aan de eigen auto, de
                            gehandicaptenparkeerkaart en gehandicapten-parkeerplaats. Het betreft
                            dan altijd een individuele voorziening, die aangevraagd moet worden. De
                            beoordeling daarvan is in handen van de IASZ. Behalve het formele Wmo
                            vervoer, waarvoor men een beschikking/pasje nodig heeft, kunnen oudere
                            inwoners al heel lang gebruik maken van de individuele vervoersdienst
                            van Welzijn Bloemendaal. Sinds 2010 beschikt de gemeente ook over een
                            buurtbus, die binnen de gemeentegrenzen rijdt. De exploitatie is in
                            handen van Welzijn Bloemendaal en de uitvoering ervan is onderdeel van
                            de prestatieovereenkomst. Iedereen kan gebruik maken van de bus, maar
                            ouderen gaan vóór. De bus is niet geschikt voor rolstoelvervoer. </al><al><vet><onderstreept>4. Ontwikkelingen </onderstreept></vet></al><al><vet>Decentralisatie AWBZ</vet></al><al>In het kader van de decentralisatie van de AWBZ-functie begeleiding zal
                            een aantal taken ondergebracht worden in de Wmo. Bloemendalers met een
                            beperking zullen daardoor voor meer voorzieningen bij de gemeente
                            aankloppen. In de komende beleidsperiode zal het nodige veranderen als
                            de gehele extramurale begeleiding uit de AWBZ gehaald wordt en
                            ondergebracht binnen de Wmo als nieuwe taak. De voorbereidingen voor
                            deze decentralisatie zullen in 2012 plaatsvinden. Vanaf 2013 is de
                            gemeente verantwoordelijk voor nieuwe cliënten en in 2014 zullen ook de
                            bestaande cliënten onder verantwoordelijkheid van de gemeente vallen. </al><al>Er is nog te weinig bekend over de zwaarte van de taken, de omvang van
                            de doelgroep, de middelen en de huidige aanbieders om al “stevige”
                            uitspraken te doen over de impact op het beleid van de komende jaren.
                            Het lijkt voor de hand te liggen dat er, alleen al uit kostenbeheersend
                            oogpunt, in de regio samengewerkt gaat worden. Daartoe wordt nu al
                            overleg gevoerd met regiogemeenten en met de huidige aanbieders. In 2012
                            zullen afspraken gemaakt moeten worden over de vorm van samenwerking. </al><al><vet>Wmo-agenda Welzijn Bloemendaal </vet></al><al>Net als de gemeente voorziet/verwacht Welzijn Bloemendaal een
                            taakverzwaring, niet alleen voor zichzelf maar voor alle vrijwilligers-
                            en welzijnsorganisaties, die collectieve voorzieningen bieden, door de
                            aanwas van cliënten met een ander type zorgvraag. </al><al>In de notitie “Wmo-agenda Welzijn Bloemendaal” - van juni 2011 - wordt
                            aangegeven welke taakuitbreiding de organisatie verwacht en welke
                            speerpunten er voor de komende periode zijn. De notitie/agenda is
                            bedoeld als overlegdocument ter voorbereiding op gesprekken met de
                            gemeente over de toekomstige rol van WB en de prestatieovereenkomst. De
                            belangrijkste speerpunten voor deze programmalijn zijn:</al><al>a.Het uitbreiden van het aanbod in aansluiting op nieuwe
                            doelgroepen:</al><al>De komende ontwikkelingen betekenen voor de gemeente dat nieuwe
                            doelgroepen om ondersteuning vragen. Het gaat om jeugdigen of
                            volwassenen met een geestelijke en/of lichamelijke beperking, mensen die
                            geen werkplek meer krijgen op een sociale werkplaats, licht dementerende
                            ouderen, (licht) psychiatrische jonge en oudere patiënten en
                            verslaafden.</al><al>b.Speciale aandacht voor mensen met een zwak sociaal netwerk:
                            vereenzaming.</al><al>Door de afnemende bekostiging van ondersteunende en activerende
                            begeleiding vanuit de AWBZ, zullen steeds meer mensen aangewezen zijn op
                            hun sociale netwerk. Als zij dit niet hebben vanwege immobiliteit,
                            visuele en auditieve handicaps of door het eenvoudigweg ontbreken van
                            voldoende betrokkenen, zullen zij geholpen moeten worden bij het opnieuw
                            opbouwen en versterken van hun netwerk. Eenzaamheid speelt overigens
                            niet alleen bij ouderen, maar ook bij jongeren en andere
                            doelgroepen.</al><al>c.Opvang door collectieve dagbestedingsarrangementen van cliënten met
                            psychische aandoeningen die geen toegang meer hebben tot de AWBZ of
                            PGB.</al><al>Cliënten met een (lichte) verstandelijke beperking en cliënten met
                            psychische stoornissen zullen steeds meer een beroep gaan doen op de
                            Wmo. Zij hebben geen toegang meer tot de AWBZ, hebben geen recht meer op
                            een PGB en kunnen in veel gevallen geen beroep meer doen op de
                            geestelijke gezondheidszorg wegens de kosten van de eigen bijdrage. Uit
                            oogpunt van efficiency wordt het noodzakelijk een collectief aanbod te
                            ontwikkelen voor dagbesteding. Er zal moeten worden geïnvesteerd in
                            ontmoetingsplekken met een structureel programma. Ook zal er zorg voor
                            deze doelgroepen dichtbij en vanuit het sociale netwerk moeten worden
                            georganiseerd. Onderzocht moet worden hoe dit in samenwerking met andere
                            organisaties gedaan kan worden (de Baan, MEE, Roads, de Hartenkampgroep,
                            GGZ InGeest en zeker ook Welzijn Bloemendaal)</al><al><vet>Wmo en sport</vet></al><al>In de relatie WMO en Sport kunnen we ten minste twee groepen beperkten
                            onderscheiden: ouderen en gehandicapten. In de sportnota wordt aandacht
                            geschonken aan sport voor ouderen. Er worden diverse projecten genoemd
                            (GALM project, project Denken en Doen). Naar verwachting wordt in 2012
                            met ten minste één project gestart. </al><al>In 2011 is in het kader van de sportnota een gesprekkencyclus gestart om
                            de behoeften te peilen van de verenigingen en organisaties die sport
                            voor gehandicapten aanbieden. De kernvraag is: hoe kunnen we er voor
                            zorgen dat de inactieve inwoner met een beperking gaat en blijft
                            sporten? In dit kader is ook de relatie met het gezondheidsbeleid heel
                            helder. Daarnaast bestaat het voornemen om de regeling Meer Bewegen Voor
                            Ouderen in een modern jasje te steken en af te stemmen op het
                            sportbeleid. </al><al>Het resultaat van deze exercities is dat het voornemen bestaat in 2012
                            een nieuwe subsidieregeling te maken, afgestemd op de eerdere
                            subsidieregeling MBVO en subsidieregels uit de sportnota. </al><al>Deze regeling zou financieel kunnen vallen onder de Wmo, daarmee gehoor
                            gevend aan de motie van de raad om te onderzoeken of en hoe het mogelijk
                            is om geld uit het budget WMO ten gunste van de doelstellingen van sport
                            en sportverenigingen te besteden<cursief>.</cursief></al><al><vet>Meten is Weten</vet></al><al>In het kader van de sportnota is de gemeente van plan een sportmonitor
                            te houden, waarin ook ouderen en gehandicapten aan bod komen. In het
                            budget van de sportnota is rekening gehouden met onderzoekskosten. De
                            verwachting is dat er in 2012 gestart wordt met deze monitor. </al><al>Deze monitor zou uitgebreid kunnen worden met vragen betreffende andere
                            collectieve voorzieningen op het gebied van participatie voor beperkten.
                            Daarmee wordt meetbaar hoe effectief de voorzieningen zijn. De kosten
                            voor zo’n monitor worden, afhankelijk van de opzet, geschat tussen de €
                            5.000 en €25.000. Deze kosten zouden verdeeld moeten worden tussen Wmo,
                            Sport en gezondheidsbeleid. </al><al><vet><onderstreept>5. Nieuwe ideeën</onderstreept></vet></al><al>Naast het voortzetten van het huidige beleid en de hierboven genoemde
                            beleidsvoornemens zal de gemeente onderzoeken of de volgende nieuwe
                            ideeën uitvoerbaar zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>Eenzaamheidsbestrijding.</al></li><li nr="b."><al>Openhouden Wijksteunpunt Vogelenzang.</al></li><li nr="c."><al>Maatschappelijk centrum in iedere kern.</al></li><li nr="d."><al>Inlooppunt senioren MFA Bennebroek.</al></li><li nr="e."><al>Verbetering inzet buurtbus. </al></li><li nr="f."><al>Betere busverbinding vanuit Bennebroek.</al></li><li nr="g."><al>Meer aandacht voor sport voor ouderen.</al></li><li nr="h."><al>Meldpunt zorgmeldingen.</al></li><li nr="i."><al>Dagactiviteiten voor ouderen.</al></li></lijst><al>Ad a. Veel ouderen verkeren in grote eenzaamheid. Daarnaast zijn er veel
                            jongeren die het net iets te ver vinden gaan om zich als vrijwilliger op
                            te geven bij Welzijn Bloemendaal. Maar die best bereid zijn
                            vriendschappelijk contact op te bouwen met één of twee ouderen op
                            loopafstand in hun wijk. Zorg voor een vraag- en aanbodlijstje per wijk
                            en breng zó die contacten tot stand. </al><al>Uitvoering: Welzijn Bloemendaal zal gevraagd worden dit idee verder te
                            onderzoeken en/of uit te werken. Benodigde middelen: nog niet bekend.
                            Implementatie: vanaf 2012</al><al>Ad b. De Dorpsraad Vogelenzang acht het openhouden van het wijksteunpunt
                            in Vogelenzang van groot belang voor de leefbaarheid. Het gaat hier om
                            een essentiële voorziening voor de oudere inwoners, zowel voor bewoners
                            (van de zorgvoorziening ”Meerleven”/Zorgcontact) als niet-bewoners.
                            Opheffen van de voorziening zou een groot gemis betekenen. Toelichting:
                            De gemeente heeft in 2011 overleg gevoerd met “Meerleven” en
                            Zorgcontact. </al><al>Ad c. In iedere kern is er een herkenbare plaats, geen loket, waar
                            mensen op weg worden geholpen en niet van hot naar her gestuurd, waar
                            een luisterend oor is, bijvoorbeeld een maatschappelijk centrum.
                            Toelichting: Het past in het streven van de gemeente om in elke kern een
                            ontmoetingspunt te realiseren, mits hiervoor voldoende draagvlak onder
                            inwoners bestaat. Daarvoor is onderzoek nodig. Daarnaast moet onderzocht
                            worden in hoeverre de bestaande voorzieningen, zoals Welzijn Bloemendaal
                            en het Dorpshuis bijvoorbeeld, al in deze functie voorzien en/of
                            uitgebreid kunnen worden. Benodigde middelen: nog niet bekend</al><al>Implementatie: nog niet bekend</al><al>Ad d. Gedacht wordt aan een multifunctionele accommodatie in de (oude)
                            Franciscusschool. Zonder veel extra investering zou daarin een
                            inlooppunt voor senioren kunnen worden gerealiseerd. In ieder geval moet
                            daar een gemeenteloket komen zodat ouderen niet steeds naar Bloemendaal
                            hoeven te reizen voor een bezoek aan de gemeente. Toelichting: De
                            gemeente is bezig met de herontwikkeling van een sobere MFA in
                            Bennebroek, o.a. in en om de Franciscusschool. Dit idee zal in de
                            planvorming worden meegenomen.</al><al>Ad e. In Bloemendaal bestaat een buurtbusvoorziening. Vanuit Vogelenzang
                            is de oost-westverbinding niet goed, bijv. naar het ziekenhuis in
                            Hoofddorp. De Dorpsraad Vogelenzang verzoekt de inzet van de buurtbus
                            vanuit Vogelenzang te verbeteren. Zie verder onder Ad f.</al><al>Ad f. Aandacht zou moeten worden geschonken aan het feit dat inwoners
                            van bijv. de Meerwijk in Bennebroek niet vanaf de Schoollaan de bus
                            kunnen nemen naar Haarlem Centrum. De bus die daar langs komt gaat naar
                            Schalkwijk. Om naar Haarlem-Centrum te komen moeten ouderen helemaal
                            naar de Rijksstraatweg lopen. </al><al>Toelichting: Naast de aangedragen ideeën speelt ook dat de provincie het
                            voornemen heeft om met ingang van 2012 buslijnen op te heffen/ diensten
                            te beperken.</al><al>Uitvoering: Er wordt gesproken over uitbreiding van de diensten en de
                            inzetbaarheid van de buurtbus. Benodigde middelen: nog niet bekend.
                            Implementatie: 2012</al><al>Ad g. Kan de gemeente helpen bij het zoeken naar publiciteit voor
                            verenigingen. Advertenties in kranten zijn duur. Bijvoorbeeld: Wij zijn
                            op zoek naar leden die in clubverband regelmatig willen tennissen. Er
                            zal worden bezien op welke wijze de gevraagde ondersteuning kan worden
                            geboden. Benodigde middelen: nog niet bekend. Implementatie: nog niet
                            bekend</al><al>Ad h. Het is niet bekend waar men binnen de gemeente heen moet met
                            zorgmeldingen.</al><al>Er zal worden bezien op welke wijze de informatieverstrekking verbeterd
                            kan worden.</al><al>Benodigde middelen: nog niet bekend. Implementatie: 2012</al><al>Ad i. Zorgorganisaties hebben steeds vaker te maken met cliënten die
                            vanwege ouderdom niet mee terecht kunnen op reguliere dagbesteding.
                            Mensen met een verstandelijke beperking worden steeds ouder. Deze
                            cliënten komen thuis te zitten en hebben geen zinvolle invulling van hun
                            dag meer. Vanwege de kleinschaligheid in veel woonsituaties zijn
                            cliënten vaak een groot deel van de dag alleen. De Baan wil in
                            samenwerking met zorgorganisaties beginnen met één dagdeel per week een
                            aanbod te realiseren. Stimulering, bewegen, ontmoeting, prikkelen,
                            lichte productie werkzaamheden, dagjes uit: allerlei soorten
                            activiteiten gericht op beleving en voorkomen van achteruitgang komt aan
                            bod in deze activiteit. De doelstelling van deze activiteit wordt
                            tweeledig: we gaan ook actieve oudere mensen benaderen met de vraag of
                            zij iets willen betekenen voor deze doelgroep. Dit voorstel zal
                            beoordeeld worden in het kader van de decentralisatie AWBZ. Daarbij zal
                            het reeds bestaande aanbod, zowel lokaal als regionaal, meegewogen
                            worden. Benodigde middelen: nog niet bekend. Implementatie: nog niet
                            bekend</al><al><vet><cursief>6.</cursief></vet><vet><cursief>Samenvatting
                                    ‘Bloemendalers met een beperking’</cursief></vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>De mogelijkheid tot deelname aan het maatschappelijk
                                                verkeer verbeteren.</al><al>De ‘gekantelde’ aanpak vastleggen in verordening en
                                                beleidsregels. </al><al>Het gedecentraliseerde AWBZ onderdeel begeleiding
                                                implementeren in de Wmo.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>We zijn tevreden als:</al><al>-meer mensen aangeven door meer sociale contacten te
                                                hebben;</al><al>-meer mensen aan sport/bewegen en/of activiteiten
                                                meedoen;</al><al>-meer mensen aangeven dat zij mee kunnen doen,
                                                ondanks hun beperking.</al><al>-Als de verordening en beleidsregels ertoe geleid
                                                hebben dat de vraag naar individuele voorzieningen
                                                is afgenomen ten gunste van algemene
                                                voorzieningen;</al><al>-Het gedecentraliseerde AWBZ onderdeel begeleiding
                                                is geïmplementeerd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Beleidsvoorbereiding Decentralisatie AWBZ</al><al>2.Overleg met Welzijn Bloemendaal over rol in
                                                Decentralisatie </al><al> AWBZ.</al><al>3.Een nieuwe subsidieregeling maken: Sport en
                                                Bewegen voor mensen met een beperking. </al><al>4.De sportmonitor uitbreiden met vragen over andere
                                                collectieve voorzieningen voor beperkten. </al><al>5.De volgende ideeën uitwerken en zo mogelijk
                                                implementeren:</al><al>a.Openhouden Wijksteunpunt Vogelenzang.</al><al>b.Maatschappelijk centrum in iedere kern.</al><al>c.Inlooppunt senioren MFA Bennebroek.</al><al>d.Verbetering inzet buurtbus. </al><al>e.Meer aandacht voor sport voor ouderen.</al><al>f.Meldpunt zorgmeldingen.</al><al>g.Dagactiviteiten voor ouderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Door middel van:</al><al>-Een of meer tevredenheidssonderzoeken;</al><al>-Het opnemen van subsidievoorwaarden en toezien op
                                                de naleving;</al><al>-Het maken van prestatieafspraken en toezien op de
                                                naleving;</al><al>-Aan de hand van de sportmonitor.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2012: Voorbereiding decentralisatie AWBZ</al><al>2012: Subsidieregeling Sport en Bewegen </al><al>2013: Sportmonitor uitbreiden </al><al>2013: Implementatie decentralisatie AWBZ</al><al>2012-2015 de overige punten </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>D. Programmalijn ‘Kwetsbare Bloemendalers’</vet></al><al><vet><onderstreept>1. Inleiding</onderstreept></vet></al><al>Met het begrip ‘Kwetsbare Bloemdalers’ bedoelen we vooral die inwoners
                            die sociaal kwetsbaar zijn.</al><al>Men is sociaal kwetsbaar als men onvoldoende mensen heeft om op terug te
                            vallen in moeilijke tijden of onvoldoende steun ondervindt van mensen
                            uit de omgeving. De meest kwetsbare Bloemendalers vallen onder de
                            prestatievelden 7, 8 en 9. Het verschil met de groep beschreven in
                            programmalijn C is, dat mensen met een beperking niet sociaal kwetsbaar
                            hoeven te zijn. Van de volgende zogenoemde kleine doelgroepen weten we
                            dat ze kwetsbaar zijn of kunnen zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>Ouderen met psychogeriatrische problemen.</al></li><li nr="-"><al>Mensen met ernstige en langdurige psychiatrische klachten.</al></li><li nr="-"><al>Zorgwekkende zorgmijders.</al></li><li nr="-"><al>Mensen met verslavingsproblemen.</al></li><li nr="-"><al>Dak- en thuislozen.</al></li><li nr="-"><al>Slachtoffers huiselijk geweld.</al></li><li nr="-"><al>Inburgeraars.</al></li></lijst><al><cursief>Zorgwekkende zorgmijders</cursief></al><al>De doelgroep, die moeilijkst te bereiken is en lastig aan te pakken,
                            wordt in vaktermen 'zorgwekkende zorgmijders' genoemd. Het gaat dan om
                            mensen die hulp nodig hebben, maar die daar niet om vragen of die hulp
                            weigeren, mogelijk omdat ze psychisch niet in orde zijn. Daarnaast is er
                            een groep mensen met meer zichtbare problemen, deze mensen vertonen
                            onaangepast gedrag en veroorzaken overlast voor hun omgeving.
                            Zorgwekkende zorgmijders hebben zorg nodig om te voorkomen dat hun
                            gezondheidstoestand steeds slechter wordt, maar ongevraagde hulp wordt
                            door zorgmijders niet altijd op prijs gesteld. Als er meldingen zijn van
                            zorgwekkende situaties en overlast dan zal Vangnet en Advies van de GGD
                            Kennemerland onderzoek doen en eventueel bemoeizorg toepassen. Het is
                            echter onduidelijk, zo blijkt uit de evaluatie van het vorige
                            Wmo-beleidsplan, waar mensen met hun zorg- en overlast meldingen in
                            Bloemendaal naar toe kunnen. Een duidelijk herkenbaar meldpunt is
                            wenselijk.</al><al><cursief>Meten is weten</cursief></al><al>Voor Bloemendaal is nog niet het exacte aantal mensen bekend dat behoort
                            tot de zogenoemde kleine doelgroepen. Als we weten wie onze kwetsbare
                            burgers zijn, dan is het mogelijk aanbod en behoefte beter op elkaar af
                            te stemmen. Er zijn wel cijfers bekend van diverse kwetsbare groepen uit
                            enigszins gedateerde landelijke onderzoeken. Deze cijfers zijn hieronder
                            vertaald naar onze regio. De term 'verloederden en verkommerden' doet
                            ouderwets aan, maar is een gangbaar begrip in landelijk onderzoek. Eind
                            2011 verschijnt er een onderzoek naar deze groep in Nederland van het
                            Trimbos instituut. Uit de handreiking OGGz in de Wmo (Movisie, 2007)
                            blijkt dat 0,7% van de landelijke bevolking sociaal kwetsbaar is.
                            Vertaald naar de regio Zuid- en Midden Kennemerland gaat Movisie uit van
                            2.592 personen. Hoewel deze rekenwijze niet gegeneraliseerd kan worden
                            zou het in Bloemendaal dan kunnen gaan om 100 tot 200 personen.</al><al>Het is wenselijk zijn om meer inzicht in te krijgen in de omvang van de
                            doelgroep en daarvoor een goed instrument te ontwikkelen.</al><al><cursief>Voorzieningen: algemeen, collectief en
                            individueel</cursief></al><al>De gemeente Haarlem, door de Rijksoverheid aangewezen als
                            centrumgemeente, is verantwoordelijk voor het vangnet voor de meest
                            kwetsbaren. De ondersteuning waar het hier om gaat is specialistisch en
                            individueel. Voor mensen die kwetsbaar zijn en zelfstandig wonen zijn de
                            lokale voorzieningen in Bloemendaal daarop aanvullend. </al><al>Van belang voor een ieder en vooral voor kwetsbare mensen is dat de
                            ondersteuning op maat is. Het uiteindelijke doel is zoveel als mogelijk
                            maatschappelijke participatie voor kwetsbare burgers door behoud van hun
                            zelfstandigheid. Maatschappelijke ondersteuning voor vluchtelingen zal
                            door het wegvallen van de budgetten voor integratie ook specifieke
                            aandacht dienen te krijgen.</al><al><cursief>Informatie, advies en cliëntondersteuning</cursief></al><al>Informatie, advies en cliëntondersteuning zijn onontbeerlijk voor een
                            goede en vraaggerichte dienstverlening aan kwetsbare burgers en voor een
                            goede uitvoering van het compensatiebeginsel. De sleutel is de 'vraag
                            achter de vraag': waar heeft de cliënt nu werkelijk behoefte aan? Het is
                            de taak van de WMO-consulenten onder andere door huisbezoeken om samen
                            met de cliënt de vraag te verhelderen en hierop maatwerk te leveren. Ook
                            een goede actuele digitale sociale kaart is hiervoor onontbeerlijk.</al><al><vet><onderstreept>2. Vangnet: regionaal</onderstreept></vet></al><al>De gemeente Haarlem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de
                            uitvoering van de vangnet-taken ten behoeve van de kleine doelgroepen.
                            Zij doet dat in goed overleg met de regiogemeenten. Tot de
                            vangnetfunctie van Haarlem als centrumgemeente behoren vier taken: </al><al><cursief>Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang</cursief></al><al>Maatschappelijke opvang gaat over de problematiek van dak- en
                            thuislozen. Maatschappelijke opvang is het tijdelijk bieden van
                            onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, al dan
                            niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn
                            zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.</al><al>Onder vrouwenopvang valt het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding,
                            informatie en advies aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de
                            thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van relationele
                            aard of geweld. Het beleid ter preventie en bestrijding van huiselijk
                            geweld is hieraan gerelateerd.</al><al>De gemeente van herkomst blijft te allen tijde verantwoordelijk voor
                            vervolgoplossingen (woonruimte, dagbesteding of een baan) na de
                            maatschappelijke opvang in de regio. De ervaring leert dat dak- en
                            thuislozen in de plaats van herkomst de meeste kans hebben om weer een
                            zelfstandig bestaan op te bouwen.</al><al><cursief>Aanpak huiselijk geweld</cursief></al><al>Huiselijk geweld is de meest voorkomende vorm van geweld, dat zich
                            afspeelt in veelal duurzame relaties. En ook al speelt dit geweld zich
                            af in de privé-sfeer, de overheid neemt de verantwoordelijkheid voor de
                            preventie en de aanpak van het probleem. De inzet is om huiselijk geweld
                            te voorkomen en, als het zich toch voordoet, om direct in te grijpen en
                            het te stoppen met de juiste hulpverlening en nazorg. De lokale gemeente
                            heeft een eigen rol in bewustwording, preventie en signalering van
                            huiselijk geweld.</al><al><cursief>Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGz)</cursief></al><al>In de OGGz gaat het om kwetsbare mensen en risicogroepen. Het gaat dan
                            bijvoorbeeld om mensen met een lichte verstandelijke beperking (LVG),
                            een psychiatrische beperking, licht dementerenden of een combinatie
                            hiervan (dubbele diagnose). Deze mensen kunnen een risico vormen voor
                            zichzelf of voor hun omgeving. Het zijn de mensen die moeilijk te
                            bereiken zijn en waarvoor een vorm van bemoeizorg nodig is.</al><al><cursief>Ambulante verslavingszorg</cursief></al><al>Ambulante verslavingszorg betreft de preventie en bestrijding van
                            verslavingsproblematiek, inclusief de bestrijding van overlast door deze
                            problematiek.</al><al>Deze vier onderwerpen hebben veel met elkaar te maken, waarbij goede
                            samenwerking tussen zorg-aanbieders van belang is. Dit komt tot uiting
                            in de convenanten OGGz en ‘Een Vuist tegen Huiselijk Geweld in
                            Kennemerland’.</al><al><vet><onderstreept>3. Huidig beleid</onderstreept></vet></al><al>De gemeente Haarlem stemt als centrumgemeente het vangnetbeleid
                            regelmatig af met de 9 gemeenten in de regio Zuid- en Midden
                            Kennemerland en met de gemeente Haarlemmermeer. Op grond van het
                            OGGz-convenant 2010-2014 en het convenant ‘Een Vuist tegen Huiselijk
                            Geweld in Kennemerland’ verlenen de gemeenten gezamenlijk subsidie aan
                            een veelheid van zorgaanbieders en onderhouden ze, indien nodig
                            gezamenlijk, de subsidierelaties met diverse zorgaanbieders. Zo wordt in
                            regionaal verband voorzien in de behoefte aan de hierboven genoemde vier
                            vangnetfuncties. </al><al>Daarnaast verstrekt de gemeente Bloemendaal subsidie voor collectieve
                            preventie aan enkele zorgaanbieders, waarin ook de eigen speerpunten,
                            alcohol- en depressiepreventie, zijn opgenomen.</al><al>De hoofdtaak voor de vangnetfunctie ligt bij de centrumgemeente, maar de
                            gemeenten van herkomst blijven verantwoordelijk voor vervolgoplossingen,
                            ook als het gaat om daklozen of de OGGz-groep, die tijdelijk buiten hun
                            eigen gemeente verblijven. Dus zowel preventief als na de
                            maatschappelijke de opvang en na de crisis, is de gemeente aan zet bij
                            deze zeer diverse groep kwetsbaren.</al><al>In Bloemendaal functioneert, onder voorzitterschap van de gemeente, een
                            lokaal OGGz-netwerk in de vorm van een Sociaal Team, dat een keer per
                            zes weken bij elkaar komt en waarin men voor meervoudige
                            probleemsituaties in samenhang met de jeugd- en veiligheidsketen tot een
                            sluitende aanpak komt. Het is een breed overleg, waar diverse lokale
                            partijen, zoals politie en corporaties, gezamenlijk de zorg- en
                            overlastsituaties, bespreken en besluiten wie de zorg gaat coördineren.
                            Deze aanpak moet voorkomen dat men bij multiproblematiek langs elkaar
                            heen werkt.</al><al>Verreweg de meeste mensen die aangemeld worden voor bespreking in het
                            Sociaal Team, behoren tot de 'zorgwekkende zorgmijders'. Men vraagt het
                            Sociaal Team te helpen bij het terugdringen van de overlast die deze
                            mensen veroorzaken en/of bij vastgelopen aanpakken voor deze
                            zorgmijders. Toch blijkt, ook met hulp vanuit het Sociaal Team, dat
                            overlastsituaties moeilijk zijn op te lossen en de aanpak bij deze groep
                            vaak niet werkt. Het is wenselijk om het Sociaal Team en zijn aanpak te
                            evalueren.</al><al>Het beleid op bovenstaande onderdelen, veelal bestaande uit
                            subsidieverstrekkingen ten behoeve van opvang en ondersteuning, wordt
                            gecontinueerd in de volgende planperiode. </al><al><vet><onderstreept>4. Ontwikkelingen </onderstreept></vet></al><al>Relevant voor de kleine doelgroepen is de AWBZ-pakketmaatregel: met
                            ingang van 1 januari 2008 is de grondslag 'psychosociaal' voor
                            ondersteunende begeleiding uit de AWBZ geschrapt. Dit heeft gevolgen
                            voor mensen met lichte beperkingen, zoals lichte psychiatrische
                            problematiek en licht dementerenden. De gemeente heeft zeer beperkt
                            middelen gekregen om ondersteuning te regelen voor zeer schrijnende
                            gevallen. Vanaf 1 januari 2013 gaat de functie 'begeleiding', zowel
                            individueel als groepsbegeleiding, in 2 fasen van de AWBZ over naar de
                            Wmo. Daartoe behoort ook de dagbesteding voor verstandelijk en
                            lichamelijk beperkten, psychiatrische patiënten en dementerenden.</al><al>Mensen worden meestal niet zomaar kwetsbaar, maar glijden langzaam af.
                            Vroegtijdig signaleren van dreigende kwetsbaarheid is wenselijk, zodat
                            mensen opgevangen kunnen worden in eigen netwerken, gebruik kunnen maken
                            van laagdrempelige zorg en daarmee blijven participeren. Een beroep op
                            dure professionele zorg kan zo eventueel worden voorkomen. Een persoon
                            met een lichte handicap bijvoorbeeld of een dreigende schoolverlater
                            heeft wellicht veel baat bij een betrokken maatje of mentor in plaats
                            van professionele zorg. In het gesprek ter voorbereiding van dit
                            Wmo-beleidsplan noemen de wederzijdse maatjes binnen GGZinGeest deze
                            vorm van contact de 'brug naar de samenleving'.</al><al>Bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer en het
                            zelfstandig functioneren van sociaal kwetsbare mensen, dus mensen met
                            een chronisch psychisch of psychosociaal probleem, door inclusief
                            beleid. Dat wil zeggen dat bij het ontwikkelen van beleid en vooral bij
                            het ontwikkelen van algemene en collectieve voorzieningen van te voren
                            goed nagedacht wordt over de gebruiksmogelijkheden, ook voor mensen met
                            een beperking. </al><al><cursief>Uitgangspunten</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Maatwerk: bij sociaal kwetsbare mensen is er veelal sprake van
                                    meervoudige problematiek, vaak licht, soms zwaar. Dit vereist
                                    een gecombineerde aanpak op maat.</al></li><li nr="-"><al>Kennis van de doelgroep door participatie: om maatwerk te kunnen
                                    leveren is kennis van de </al><al> doelgroep en diens behoeften nodig.</al></li><li nr="-"><al>Goede regionale samenwerking: samenwerking voorkomt dubbelingen
                                    in het aanbod en is daardoor efficiëntier wat betreft het
                                    aanbod.</al></li></lijst><al><cursief>Doel</cursief></al><al>Het voorkomen van (verergering van) problemen waardoor sociaal kwetsbare
                            mensen uitvallen. Het beleid moet erop gericht zijn dat sociaal
                            kwetsbare mensen zo snel mogelijk zelf (weer) hun problemen kunnen
                            oplossen.</al><al><vet><onderstreept>5. Nieuwe
                                activiteiten/actiepunten</onderstreept></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Meetinstrument inzetten (in samenwerking met gemeente Haarlem)
                                    waarmee in beeld kan worden gebracht hoeveel Bloemendaalse
                                    burgers kwetsbaar zijn en hoe goed de diverse betrokken
                                    instellingen deze mensen bereiken en of de ingezette
                                    interventies werken. Zo is het mogelijk het aanbod zo goed
                                    mogelijk af te stemmen op de behoefte.</al></li><li nr="2."><al>Beleidsparticipatie van kwetsbare groepen organiseren,
                                    bijvoorbeeld door werkbezoeken en themamiddagen. De diversiteit
                                    van de lokale bevolking kan op deze manier vertaald worden in
                                    beleid.</al></li><li nr="3."><al>Organiseren van en bekendheid geven aan lokaal Meldpunt Zorg en
                                    Overlast, waar men terecht kan met signaleringen uit de buurt.
                                    Het Meldpunt heeft korte lijnen richting Brede Centrale Toegang
                                    (BCT), Sociaal Team, CJG en het Veiligheidshuis.</al></li><li nr="4."><al>Zorgen voor lokale bekendheid van de Brede Centrale Toegang
                                    (BCT)</al></li><li nr="5."><al>Ontwikkelen 2e kansbeleid en vroegtijdige melding van
                                    huurschulden door corporaties om uit huiszettingen door
                                    huurschulden te voorkomen.</al></li><li nr="6."><al>Ontwikkelen lokale aanpak voor dreigend daklozen.</al></li><li nr="7."><al>Maatschappelijke ondersteuning op maat voor vluchtelingen
                                    organiseren via Wmo-loket.</al></li><li nr="8."><al>Mobiliseren van sociale netwerken, bijvoorbeeld door Eigen
                                    Kracht Conferenties, bij sociaal kwetsbare mensen.</al></li><li nr="9."><al>Investeren in maatjesprojecten voor sociaal kwetsbare mensen om
                                    mensen uit hun sociale isolement te halen.</al></li><li nr="10."><al>Evalueren werkwijze Sociaal Team, ook als onderdeel van de
                                    ketens OGGz, Veiligheid en Jeugd, met als doel een meer
                                    efficiënte en effectieve werkwijze.</al><al><vet><cursief>6.</cursief></vet><vet><cursief>Samenvatting
                                            Programmalijn ‘Kwetsbare
                                    Bloemendalers’</cursief></vet></al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat willen we bereiken? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>De regionale afspraken voor vrouwenopvang , de
                                                verslaafdenzorg, huiselijk geweld en overige
                                                kwetsbare groepen zijn zoveel mogelijk afgestemd op
                                                individueel of lokaal maatwerk.</al><al>De sociale ondersteuning door o.a. maatjesprojecten
                                                is toegenomen. </al><al>De bekendheid van meldpunten, steunpunten
                                                bevorderen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wanneer zijn we tevreden? </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>-Als individueel, dan wel lokaal maatwerk waar
                                                mogelijk wordt toegepast. </al><al>-Als aantoonbaar meer mensen gebruik maken van
                                                voorzieningen als maatjesprojecten.</al><al>-Als de bekendheid van meldpunten, steunpunten is
                                                toegenomen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Wat doen we ervoor?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>1.Meetinstrument inzetten (aantal kwetsbaren,
                                                mate</al><al> kwetsbaarheid, bereik interventies). </al><al>2.Werkbezoeken en themamiddagen organiseren.</al><al>3.Opzetten van een Meldpunt Zorg en Overlast.</al><al>4.Bekendheid geven aan Brede Centrale Toegang.</al><al>5.Opstellen van 2<sup>e</sup> kansbeleid/beleid
                                                ‘voorkomen huisuitzettingen’.</al><al>6.Beleid ‘Lokale aanpak dreigend daklozen’.</al><al>7.Maatschappelijke ondersteuning van
                                                vluchtelingen.</al><al>8.Versterken sociale netwerken, door bv.
                                                Eigen-krachtconferenties.</al><al>9.Investeren in Maatjesprojecten.</al><al>10.De inzet van het Sociaal Team.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoe gaan we het volgen/bewaken?</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>-Door het inzetten van meetinstrumenten,</al><al>-door evaluatie van (regionale) rapportages,</al><al>-door veiligheidsmonitor.</al><al>-Periodiek tevredenheidsonderzoek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Tijdsplanning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2012: onderdelen 4, 7, 8, 9 en 10.</al><al>Volgende jaren: overige punten. </al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overzicht activiteiten 2012-2015, kosten en budgetten</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>Programmalijn ’Leefbaar en
                                Betrokken’</onderstreept></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="72*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunt-activiteit</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Indicatie Kosten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Beschikbaar budget</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunten/activiteiten (overgenomen uit
                                                  Wmo-plan </vet></al><al><vet>2008-2011 en aanverwante beleidsdocumenten)
                                                </vet></al><al>1.Zorgen voor goed onderhouden
                                                speelvoorzieningen.</al><al>2.In elke dorpskern een straatspeelavond of
                                                spe(el)activiteit.</al><al>3.Stimuleren/organiseren van sportieve en
                                                culturele</al><al> activiteiten voor kinderen tijdens
                                                straatfeesten.</al><al>4.Openbaar maken speelplaatsen bij
                                                basisscholen.</al><al>5.Beleid m.b.t. Jeugdhonk Vogelenzang, de
                                                jongerenbus en</al><al> jongerenwerkers continueren. </al><al>6.Subsidie Wmo-raad.</al><al>7.Handhaven subsidieverstrekking t.b.v.
                                                sociaal-culturele activiteiten.</al><al>8.Periodieke wijkschouwen.</al><al>9.Instandhouding anti-discriminatievoorziening.</al><al>10.Vrijwilligerswerk:</al><al>-organiseren Vrijwilligersavond.</al><al>-kiezen vrijwilligersorganisatie van het jaar.</al><al>-subsidiëren (activiteiten)
                                                Vrijwilligerscentrale.</al><al>-subsidieregeling vrijwilligerswerk.</al><al>11.Mantelzorg:</al><al>-waardering tonen.</al><al>-ondersteuning faciliteren.</al><al>-Informatie over ondersteuning verbeteren.</al><al>-Inzicht verkrijgen in moeilijk bereikbare
                                                mantelzorgers.</al><al><vet>Nieuwe actiepunten/activiteiten </vet></al><al>12.Ontmoetingscentra creëren in iedere wijk.</al><al>13.Een buurtboomgaard inrichten.</al><al>14.Bieden van een “digitale” marktplaats voor vraag
                                                en aanbod</al><al> rond concrete noden van bewoners.</al><al>15.Bewustwording noodzaak toegankelijkheid openbare
                                                ruimten</al><al> en gebouwen bevorderen.</al><al>16.Een procedure overlast jeugd vaststellen en aan
                                                de hand van</al><al> deze procedure overlastmeldingen afhandelen. </al><al>17.Vrijwilligerswerk: onderzoeken of de volgende
                                                nieuwe ideeën</al><al> uitvoerbaar zijn: </al><al>1.Vrijwilligersacademie.</al><al>2.‘Vacaturewand’ vrijwilligers.</al><al>3.Pilot coach-vrijwilligers.</al><al>4.Promoten vrijwilligerswerk d.m.v. gemeentelijke
                                                website.</al><al>5.Reclame-/advertentiebudget.</al><al>18.Mantelzorg:</al><al>1.bereiken van mantelzorgers (nieuwe aanpak);</al><al>2.erkennen van mantelzorgers (nieuwe aanpak);</al><al>3.ondersteunen van mantelzorgers (nieuwe
                                                aanpak).</al></entry><entry colname="col2"><al>32.000</al><al>6.000</al><al>2.000</al><al> p.m.</al><al>132.000</al><al>12.000</al><al>12.500</al><al> p.m.</al><al>8.000</al><al>35.000</al><al>26.000</al><al> p.m.</al><al>3.000</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al></entry><entry colname="col3"><al>32.000</al><al>6.000</al><al> -</al><al> -</al><al>132.000</al><al>12.000</al><al>12.500</al><al> -</al><al>8.000</al><al>35.000</al><al>26.000</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 268.500</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>€ 263.500</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> Totaal extra benodigd</vet></al><al><vet> Waarvan structureel (nr. 3)</vet></al><al><vet> Waarvan incidenteel (nr. 13)</vet></al><al><vet>Kosten van nog uit te werken
                                                  plannen/voornemens/ideeën: </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 5.000</vet></al><al><vet>€ 2.000</vet></al><al><vet>€ 3.000</vet></al><al><vet> P.M.</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Ad 7) - Bevrijdingspop 2.500 ad 11) - algemeen budget 9.700</al><lijst><li nr="-"><al>Houtfestival/Multiplex 5.000 - Tandem 15.190</al></li><li nr="-"><al>Letterenloop 5.000 - P.B.M. 999</al></li><li nr="-"><al>----- --------</al></li><li nr="12."><al>50025.889</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Programmalijn ‘Opvoeden en
                                Opgroeien’</onderstreept></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunt-activiteit</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Indicatie</vet></al><al><vet>Kosten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Beschikbaar budget </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Huidige actiepunten Preventief jeugdbeleid -
                                                  CJG (overgenomen uit Wmo-plan 2008-2011 en
                                                  aanverwante beleidsdocumenten) </vet></al><al>1.Ontwikkeling zorg- en adviesteams en verbinden met
                                                CJG.</al><al>2.Training “Friends”op de basisscholen.</al><al>3.Deskundigheidsbevordering CJG medewerkers.</al><al>4.Project voor jongeren “Nieuwe kansen”
                                                (Kontext).</al><al>5.Regionale verwijsindex risicojongeren.</al><al>6.Regionale/lokale website
                                                www.cjgbloemendaal.nl.</al><al>7.Pedagogische groepstrainingen op maat op de</al><al> Basisscholen door OOK pedagogische expertise
                                                groep.</al><al>8.Pedagogische individuele ondersteuning (docenten
                                                en</al><al> leerlingen) door OOK, pedagogische expertise
                                                groep.</al><al>9.Training signalering kindermishandeling (verzoek
                                                BSO).</al><al>10.Training mindfulness op het CJG.</al><al>11.Brugklastraining op de basisscholen.</al><al>12.Bijeenkomsten ouderpanel.</al><al>13.Themabijeenkomsten.</al><al><vet>Nieuwe actiepunten/activiteiten CJG
                                                  2012-2015</vet></al><al>14.Voorbereidingen treffen op de decentralisatie van
                                                de</al><al> Jeugdzorg, met een centrale rol voor het CJG.
                                                Daarbij aandacht voor: </al><al>a.Implementatie kwaliteitseisen CJG.</al><al>b.Implementatie uitgangspunt ‘1 gezin, 1 plan’.</al><al>c.Implementatie zorgcoördinatie.</al><al>d.Samenwerken met de regiogemeenten.</al><al>e.Inzicht verkrijgen in het aantal Bloemendaalse
                                                jongeren dat onder de</al><al> jeugdzorg valt.</al><al>f.De financiële aspecten.</al><al>15.Intensivering samenwerking kern- en
                                                ketenpartners.</al><al>16.Kwaliteitseisen jeugdzorg implementeren in
                                                CJG.</al><al>17.Ontwikkeling en implementeren van een nieuwe
                                                werkwijze bemoeizorg met</al><al> centrale rol voor het CJG.</al><al>18.Het bieden van ondersteuning aan gezinnen via
                                                gespecialiseerde gezinshulp.</al><al>19.Kraamzorg onderbrengen bij het CJG.</al><al>20.Inzetten van social media binnen het CJG +
                                                digitaal multidisciplinair overleg.</al><al>21.Het bieden van ondersteuning aan gezinnen via
                                                HomeStart.</al><al>22.Het organiseren van “Eigen kracht-conferenties”
                                                vanuit het CJG.</al><al>23.Het bieden van ondersteuning aan kinderen in een
                                                echtscheidingssituatie</al><al> (KIES en Kopzorgen).</al><al>24.Groeigids verspreiden vanuit het CJG.</al><al>26.Jaarkalender opstellen van themabijeenkomsten en
                                                bijeenkomsten houden</al><al> in en vanuit het CJG.</al><al>27.Bijeenkomst op het CJG voor huisartsen.</al><al>28.De opvoedpoli een plek geven in het CJG.</al><al>29.Een logopedische screening uitvoering in het
                                                CJG.</al><al>29.Realiseren Meldpunt ’jeugd en overlast’ op CJG,
                                                inclusief protocol.</al></entry><entry colname="col2"><al>3.500</al><al>16.000</al><al>5.000</al><al>3.000</al><al>7.000</al><al>8.000</al><al>14.000</al><al>8.000</al><al>7.500</al><al>7.000</al><al>2.000</al><al>1.000</al><al>5.000</al><al>12.000</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m. </al><al>2.000</al><al>2.000</al><al>1.000</al><al>2.000</al><al>1.000</al><al>1.000</al><al>1.000</al><al>2.000</al><al> p.m.</al><al> p.m. </al></entry><entry colname="col3"><al>3.500</al><al>16.000</al><al>5.000</al><al> -</al><al>7.000</al><al>8.000</al><al>14.000</al><al>8.000</al><al>7.500</al><al>7.000</al><al>2.000</al><al>1.000</al><al>5.000</al><al>12.000</al><al><vet> -</vet></al><al><vet> - </vet></al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 111.000</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>€ 96.000</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal extra benodigd</vet></al><al><vet> Waarvan structureel (nrs. 4, 20, 21, 22, 23,
                                                  24 en 26)</vet></al><al><vet> Waarvan incidenteel (nrs. 27 en 28)
                                                </vet></al><al><vet> Kosten van nog uit te werken
                                                  plannen/voornemens/ideeën:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 15.000</vet></al><al><vet>€ 12.000</vet></al><al><vet>€ 3.000</vet></al><al><vet> P.M.</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Ad 14) Uitgaven komen ten laste van invoeringsbudget transitie
                            Jeugdzorg. </al><al><vet><onderstreept>Programmalijn ‘Bloemendalers met een
                                    beperking’</onderstreept></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunt-activiteit</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Indicatie Kosten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Beschikbaar budget</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunten/activiteiten (overgenomen uit
                                                  Wmo-plan </vet></al><al><vet>2008-2011 en aanverwante beleidsdocumenten)
                                                </vet></al><al>1.Informatieverstrekking – communicatie in kader
                                                Wmo.</al><al>2.Individuele voorzieningen: Huishoudelijke
                                                hulp,</al><al> leefvoorzieningen, woonvoorzieningen,
                                                vervoersvoorzieningen. </al><al>3.Prestatieafspraken met Welzijn Bloemendaal
                                                (basissubsidie).</al><al>4.Dienst Wonen met Zorg.</al><al>5.Pakketmaatregel AWBZ.</al><al>6.Bestrijden Eenzaamheid.</al><al>7.Meer bewegen Voor Ouderen subsidiëren</al><al>8.Gehandicaptensport subsidiëren</al><al>9.Exploitatie Buurtbus voortzetten.</al><al><vet>Nieuwe actiepunten/activiteiten </vet></al><al>10.Beleidsvoorbereiding Decentralisatie AWBZ (in
                                                2012).</al><al>11.Overleg met Welzijn Bloemendaal over rol in
                                                Decentralisatie AWBZ.</al><al>12.In 2012 een nieuwe subsidieregeling maken: Sport
                                                en Bewegen voor mensen met een beperking, afgestemd
                                                op de eerdere subsidieregeling MBVO en
                                                subsidieregels uit de sportnota.</al><al>13.De sportmonitor uitbreiden met vragen over andere
                                                collectieve voorzieningen voor beperkten.</al><al>14.Onderzoeken of de genoemde nieuwe ideeën
                                                uitvoerbaar zijn.</al><al>-Openhouden Wijksteunpunt Vogelenzang.</al><al>-Maatschappelijk centrum in iedere kern.</al><al>-Inlooppunt senioren MFA Bennebroek.</al><al>-Verbetering inzet buurtbus.</al><al>-Meer aandacht voor sport voor ouderen.</al><al>-Meldpunt zorgmeldingen.</al><al>-Dagactiviteiten voor ouderen.</al><al>15.De vigerende Wmo-verordening en beleidsregels,
                                                alsmede het</al><al> Voorzieningenboek zullen opnieuw worden
                                                vastgesteld. De</al><al> (gekantelde) modelverordening en modelbeleidsregels
                                                van de </al><al> VNG zullen daarbij als voorbeeld dienen. </al></entry><entry colname="col2"><al>20.000</al><al>2.455.000</al><al>515.000</al><al>24.000</al><al>49.000</al><al> p.m.</al><al>9.000</al><al>5.000</al><al>21.000</al><al>76.000</al><al> -</al><al> p.m. </al><al> -</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al></entry><entry colname="col3"><al>20.000</al><al>2.455.000</al><al>515.000</al><al>24.000</al><al>49.000</al><al> -</al><al>9.000</al><al>5.000</al><al>21.000</al><al>76.000</al><al> -</al><al> -</al><al>Budget sport</al><al> -</al><al> -</al><al>Budget communicatie Wmo</al><al> -</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 3.174.000</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>€ 3.174.000</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> Kosten van nog uit te werken
                                                  plannen/voornemens/ideeën:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet> P.M. </vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>ad 2) - hulp bij het huishouden 1.225.000</al><al>-rolstoelen 385.000</al><lijst><li nr="-"><al>woonvoorzieningen 375.000</al></li><li nr="-"><al>vervoersvoorzieningen 395.000</al></li><li nr="-"><al>persoonsgebonden budgetten 375.000</al></li><li nr="-"><al>eigen bijdragen (AF): 300.000 -/-</al></li><li nr="-"><al>--------</al></li><li nr="2."><al>455.000</al></li></lijst><al>Ad 8) – paardrijden gehandicapten 1.017</al><lijst><li nr="-"><al>st. gehandicaptensport 2.439</al></li><li nr="-"><al>st. rolstoelhockey 1.337</al></li><li nr="-"><al>---------</al><al> 4 .793 </al></li></lijst><al>Ad 10) Ten laste van invoeringsbudget decentralisatie ‘begeleiding’ </al><al><vet><cursief><onderstreept>Programmalijn ‘Kwetsbare
                                        Bloemendalers’</onderstreept></cursief></vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunt-activiteit</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Indicatie Kosten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Beschikbaar budget</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunten/activiteiten (overgenomen uit
                                                  Wmo-plan </vet></al><al><vet>2008-2011 en aanverwante beleidsdocumenten)
                                                </vet></al><al>1.In algemene zin de informatieverstrekking
                                                verbeteren</al><al>2.Bekendheid geven aan Brede Centrale Toegang</al><al>3.Uitvoering convenanten (daklozenopvang,
                                                vrouwenopvang,</al><al> verslavingszorg) </al><al>4.Subsidieverlening div. instellingen</al><al>5.Sociaal team</al><al><vet>Nieuwe actiepunten/activiteiten </vet></al><al>6.Meetinstrument inzetten (aantal kwetsbaren,
                                                mate</al><al> kwetsbaarheid, bereik interventies) </al><al>7.Werkbezoeken en themamiddagen organiseren</al><al>8.Opzet Meldpunt Zorg en Overlast</al><al>9.2<sup>e</sup> kansbeleid/beleid voorkomen
                                                huisuitzettingen</al><al>10.Beleid ‘Lokale aanpak dreigend daklozen’</al><al>11.Maatschappelijke ondersteuning vluchtelingen</al><al>12.Versterken sociale netwerken, door bijv.
                                                Eigen</al><al> krachtconferenties </al><al>13.Maatjesprojecten</al></entry><entry colname="col2"><al>p.m.</al><al>p.m. </al><al>17.500</al><al>193.000</al><al>5.000</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al>1.000</al><al>1.000</al><al>1.000</al></entry><entry colname="col3"><al>comm. budget comm. budget</al><al>17.500</al><al>193.000</al><al>5.000</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al><al> -</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 218.500</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>€ 215.500</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal extra benodigd</vet></al><al><vet> Waarvan structureel (nrs. 11 en 12)</vet></al><al><vet> Waarvan incidenteel (nr. 10)</vet></al><al><vet> Kosten van nog uit te werken
                                                  plannen/voornemens/ideeën:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 3.000</vet></al><al><vet>€ 2.000</vet></al><al><vet>€ 1.000</vet></al><al><vet> P.M.</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>ad 3) – Opvang drugsverslaafden 4.328</al><lijst><li nr="-"><al>Huiselijk geweld 8.000</al></li><li nr="-"><al>Stem in de stad 5.000</al></li><li nr="-"><al>-------</al></li><li nr="17."><al>328</al></li></lijst><al>ad 4) – Bureau slachtofferhulp 4.779</al><lijst><li nr="-"><al>Informatiesteunpunt GGZ 500</al></li><li nr="-"><al>GGZ in Geest/Prezens 9.181</al></li><li nr="-"><al>De Baan 24.480</al></li><li nr="-"><al>Cliënten Belangen Bureau 12.739</al></li><li nr="-"><al>Mentorschap 2.207</al></li><li nr="-"><al>St. thuiszorg gehandicapten 6.390</al></li><li nr="-"><al>Zorgbalans – Draagnet 23.460</al></li><li nr="-"><al>Kontext 106.292</al></li><li nr="-"><al>st. ’t WEB 2.913</al></li><li nr="-"><al>-------</al></li><li nr="192."><al>041</al><al><vet><cursief><onderstreept>Volksgezondheid
                                            </onderstreept></cursief></vet></al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="71*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Actiepunt-activiteit</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Indicatie Kosten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Beschikbaar budget</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Resterende actiepunten volksgezondheid
                                                  2008-2011 </vet></al><al>1.Uitvoeren actieprogramma ‘Mentaal Vitaal’</al><al>2.Verspreiding AED’s c.q. invulling van de 6
                                                minutennorm</al><al>3.Bijdrage VRK, onderdeel gezondheidszorg
                                                (4-19)</al><al>4.Bijdrage Jeugdgezondheidszorg (0-4)</al><al><vet>Nieuwe actiepunten/activiteiten volksgezondheid
                                                  2012-2015</vet></al><al>5.Project “de gezonde schoolkantine” en vignet “de
                                                gezonde</al><al> school” t.b.v. VO-scholen stimuleren.</al><al>6.Inzicht krijgen in het aantal Bloemendalers met
                                                psychische</al><al>ziekten en hun mogelijkheden tot participatie</al><al>7.Inzicht krijgen in lichamelijke problematiek van
                                                Bloemen-</al><al> dalers, waaronder sportblessures en valincidenten </al><al>8.Cursus mentale weerbaarheid (e-health) en de</al><al> Cursus “Ik slaap weer” door Presenz (GGZ in
                                                geest)</al><al>9.Kwaliteitsverbetering jeugdgezondheidszorg (4-19)
                                                op</al><al> het CJG: </al><al>a.Oproepen alle jongeren 4-19 jaar op het CJG</al><al>b.Signaleren en multidisciplinaire aanpak volgens de
                                                kwali-</al><al> teitseisen van het CJG</al><al>c.Vaccineren op het CJG</al><al>10.Opzetten van een consultatiebureau voor
                                                ouderen</al><al>11.Stimuleren Publiek Private Samenwerking
                                                (PPS)</al></entry><entry colname="col2"><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al>460.000</al><al>300.000</al><al>2.000</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al>5.000</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al><al> p.m.</al></entry><entry colname="col3"><al>Nota gez.heid</al><al>Nota gez.heid</al><al>460.000</al><al>300.000</al><al>-</al><al>-</al><al>-</al><al>-</al><al>-</al><al>-</al><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Totaal</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 767.000</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>€ 760.000</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet> Extra benodigd budget</vet></al><al><vet> Waarvan structureel (nrs. 5 en 8) </vet></al><al><vet> Kosten van nog uit te werken
                                                  plannen/voornemens/ideeën: </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>€ 7.000</vet></al><al><vet>€ 7.000</vet></al><al><vet>P.M.</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Lijst van gebruikte afkortingen</titel></kop><structuurtekst><al>AED Automatische Externe Defibrillator</al><al>AGOG Adviescommissie Gehandicapten- en Ouderenbeleid B’daal</al><al>ALV Algemene Ledenvergadering</al><al>AMK Advies- en Meldpunt Kindermishandeling</al><al>ADHD Attention Deficit Hyperactivity Disorder</al><al>Awbz Algemene wet bijzondere ziektekosten</al><al>BJZ Bureau Jeugdzorg</al><al>BCT Brede Centrale Toegang</al><al>BVO Buurtvereniging Overveen </al><al>CBS Centraal Bureau voor de Statistiek</al><al>CG-Raad Chronisch Zieken en Gehandicaptenraad Nederland</al><al>CIZ Centrum Indicatiestelling Zorg</al><al>CJG Centrum voor Jeugd en Gezin</al><al>CSO Centrale Samenwerkende Ouderenorganisaties</al><al>EHEC (bacterie) Enterohaemorrhagic Escherichia coli</al><al>GGZ Geestelijke Gezondheidszorg</al><al>IASZ Intergemeentelijke Afdeling Sociale Zaken</al><al>IPO Interprovinciaal Overleg</al><al>JGZ Jeugdgezondheidszorg </al><al>UvW Unie van Waterschappen</al><al>MRSA (bacterie) Meticilline-resistente Staphylococcus Aureus</al><al>OGGZ Openbare geestelijke gezondheidszorg</al><al>PBM Platform Belangenbehartiging Mantelzorg</al><al>PGB Persoonsgebonden Budget</al><al>POLS Permanent Onderzoek Leef Situatie</al><al>PPS Publiek Private Samenwerking</al><al>RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu</al><al>RMO Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling</al><al>SCP Sociaal en Cultureel Planbureau</al><al>VWC Vrijwilligerscentrale </al><al>WB Welzijn Bloemendaal</al><al>Wwb Wet werk en bijstand</al><al>Wij Wet investeren in jongeren </al><al>Wvg Wet voorzieningen gehandicapten</al><al>Wwnv Wet werken naar vermogen</al><al>Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning</al><al>Wpg Wet publieke gezondheidszorg</al><al>Zvw Zorgverzekeringswet </al><al>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Bloemendaal, gehouden op 22
                            december 2011.</al><al>Gepubliceerd in het Weekblad Kennemerland Zuid d.d. 29 december
                            2011.</al><al>In werking: 6 januari 2012.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>