<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR126829_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening wet investeren in jongeren (WIJ) gemeente Landsmeer 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kompas, 01-11-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren (WIJ) gemeente Landsmeer 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Investeren in Jongeren, art. 12, lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Investeren in Jongeren, art. 35, lid 1.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011 - 106</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening wet investeren in jongeren (WIJ) gemeente Landsmeer 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan
                        27 jaar bij verordening te regelen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>de wet:</vet> de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al><vet>gehuwdennorm: </vet>de norm bedoeld in artikel 28, eerste
                                    lid onderdeel d, van de wet; </al></li><li nr="c."><al><vet>college: </vet>het college van burgemeester en wethouders;
                                </al></li><li nr="d."><al><vet>woning:</vet> een woning als bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of
                                    woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en
                                    bijstand; </al></li><li nr="e."><al><vet>woonkosten:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al><vet>ouder:</vet> de vader of moeder als bedoeld in
                                    respectievelijk de artikelen 1:197 en 1:198 van het Burgerlijk
                                    Wetboek. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen verordening</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen voor hoofdbewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn
                                hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 0
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 5
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of beide
                                ouders in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toeslagen voor medebewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die:</al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                        gesloten met de hoofdbewoner, niet zijnde een familielid in
                                        de eerste of tweede graad en</al></li><li nr="c."><al>woonkosten heeft die tenminste de commerciële huurprijs
                                        bedragen</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die:</al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en </al></li><li nr="b."><al>die woonkosten heeft die minder bedragen dan de commerciële
                                        huurprijs of,</al></li><li nr="c."><al>geen individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                        gesloten, of</al></li><li nr="d."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst heeft
                                        gesloten met de hoofdbewoner, zijnde een familielid in de
                                        eerste of tweede graad</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder die:</al><lijst><li nr="a."><al>medebewoner is en</al></li><li nr="b."><al>de woning uitsluitend deelt met</al><al>- zijn kind of kinderen of</al></li><li nr=""><al>- zijn ouders of ouders</al></li></lijst><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging gehuwde hoofdbewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden die met twee of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging gehuwde medebewoners</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 0 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwde medebewoners die:</al><lijst><li nr="a."><al>een individuele huur- of kostgangersovereenkomst hebben
                                        gesloten met de hoofdbewoner, niet zijnde familielid in de
                                        eerste of tweede graad, en</al></li><li nr="b."><al>woonkosten hebben die tenminste de commerciële huurprijs
                                        bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 % van
                                de gehuwdennorm voor gehuwde medebewoners die:</al><lijst><li nr="a."><al>geen hoofdbewoner zijn en;</al></li><li nr="b."><al>woonkosten hebben die minder bedragen dan de commerciële
                                        huurprijs, of;</al></li><li nr="c."><al>geen individuele huur- of kostgangersovereenkomst hebben
                                        gesloten met de hoofdbewoner, zijnde een familielid in de
                                        eerste of tweede graad;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 15 % van
                                de gehuwdennorm voor gehuwde medebewoners die een woning uitsluitend
                                delen met:</al><lijst><li nr="a."><al>hun kind of kinderen of;</al></li><li nr="b."><al>hun ouder of ouders van één of van beide partners.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt
                                        bewoond waaraan voor belanghebbende(n) geen kosten van huur
                                        verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien er geen woning wordt
                                        bewoond.</al></li><li nr="c."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien een hypotheekvrije
                                        woning in eigendom wordt bewoond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 van dit artikel geldt niet indien, in het
                                geval van een echtscheidingssituatie, de (overige) woonkosten geheel
                                of gedeeltelijk worden voldaan door de (ex-)partner. De door de
                                (ex-)partner betaalde woonlasten worden in dat geval beschouwd als
                                inkomsten als bedoeld in artikel 7 van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 33 van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college, conform artikel 17 lid 2, van oordeel is dat om
                                reden van lichamelijke, geestelijke of sociale aard van een jongere
                                niet kan worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan het
                                werkleeraanbod, zal de verlaging genoemd in lid 1 niet van
                                toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21
                                        jaar betreft; </al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22
                                        jaar betreft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 toegekende toeslag, indien deze
                                toeslag minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid
                                1 zou leiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                                op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 9 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande,</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder,</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels vaststellen met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen
                            het bepaalde in deze verordening buiten toepassing laten of daarvan
                            afwijken, voor zover toepassing daarvan leidt tot onbillijkheid van
                            overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Evaluatiebepaling</titel></kop><al>Deze verordening wordt in ieder geval drie jaar na het inwerking treden
                            geëvalueerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding en bekendmaking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012 onder
                                gelijktijdige intrekking van de Toeslagenverordening Wet Investeren
                                in Jongeren gemeente Landsmeer 2009, vastgesteld op 14 december
                                2009..</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bekendmaking geschiedt via de gemeentepagina in het plaatselijke
                                weekblad ‘Kompas’.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verordening wordt gepubliceerd via de gemeentelijke website.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet Investeren
                            in Jongeren (WIJ) gemeente Landsmeer 2012</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Landsmeer op 25 oktober 2011.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting </label></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Evenals in de toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’
                            omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en
                            verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is
                            met een verwijzing naar artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar
                            genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel
                            21, sub a, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven.
                            Gelet op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee
                            hetzelfde begrip is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’,
                            bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor
                            zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere
                            onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende
                            aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten
                            is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                            Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                            opgenomen. Deze omschrijving wordt in veel verordeningen nog gebruikt.
                            Het is aan het college overgelaten om de onderhoudskosten vast te
                            stellen. Het is ook denkbaar dat geen gebruik wordt gemaakt van het
                            begrip ‘woonkosten’, maar van de begrippen ‘huur’ en ‘hypotheek’. Het
                            verdient aanbeveling deze dan nader te omschrijven. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens
                            verwezen naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een
                            woning worden gelijkgesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen verordening</titel></kop><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn
                            omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze
                            verordening meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2,
                            eerste lid, WIJ omschrijft dit begrip. Onder jongere wordt verstaan: een
                            hier te lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde
                            vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de
                            toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter verstaan de
                            jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                            (zie ook artikel 2). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen voor hoofdbewoners</titel></kop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad
                            verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm
                            bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
                            geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                            verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in
                            lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van
                            een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat
                            niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn
                            plaats. </al><al>Daarom is in het derde lid bepaald dat de toeslag 5% bedraagt als er
                            twee of meer medebewoners zijn. Als nog meer anderen in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben, kan er echter niet zondermeer van worden uitgegaan
                            dat het delen van kosten in nog sterkere mate mogelijk is, zodat bijv.
                            de toeslag op nihil zou kunnen worden gesteld. Dat is voorbehouden aan
                            de situatie dat <cursief>alle </cursief>bestaanskosten gedeeld worden,
                            nl. bij een gezamenlijke huishouding. </al><al>Daarnaast is nog als optie de mogelijkheid opgenomen om jongeren die een
                            woning delen met een ouder een lagere toeslag toe te kennen dan jongeren
                            die een woning delen met een ander. Het betreft hier feitelijk jongeren
                            die hun hoofdverblijf hebben bij (één van de) ouders. In dat geval mag
                            aangenomen worden dat de mogelijkheid om bestaanskosten te delen in het
                            algemeen groter zal zijn dan in andere gevallen (zie ook CRvB 2 maart
                            1999, JABW 1999/61 en 69). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toeslagen voor medebewoners</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de toeslagen van de alleenstaande
                            (ouder) die medebewoner zijn.</al><al>1<sup>e</sup> lid:</al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag
                            voor de alleenstaande of alleenstaande ouder die medebewoner is en die
                            de kosten niet kan delen is verplicht op grond van artikel 30 lid 2
                            onder a van de wet.</al><al>2<sup>e</sup> lid:</al><al>Ingeval de medebewoner kosten van het bestaan kan delen (bijvoorbeeld
                            huur en stookkosten) dan is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk
                            gedeeld worden niet van belang.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter
                            van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom
                            gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval
                            één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>3<sup>e</sup> lid:</al><al>Een medebewoner die met zijn ouders of inwonende kinderen woont krijgt
                            een toeslag van 5% van de gehuwdennorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging gehuwde hoofdbewoners</titel></kop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld
                            wordt met een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in
                            dezelfde situatie. De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten
                            delen met een ander en daarom is een verlaging op zijn plaats. Zijn er
                            meerdere personen waarmee de bestaanskosten van de gehuwden kunnen
                            worden gedeeld, dan kan de verlaging worden verhoogd. Hetzelfde geldt
                            voor eerstegraads bloedverwanten, zie de toelichting op artikel 3. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging gehuwde medebewoners</titel></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op de verlagingen van de normen van de
                            gehuwde medebewoners.</al><al>Lid 1, sub a en b geeft aan dat de gehuwde medebewoners die de kosten
                            niet kunnen delen hebben recht op de volledige gehuwdennorm.</al><al>Lid 2, onderdelen a,b en c: de gehuwde medebewoners die de kosten kunnen
                            delen krijgen een verlaging van 10% van de gehuwdennorm.</al><al>Lid 3, onderdeel a en b: de gehuwde medebewoners die de woning delen met
                            hun kinderen of hun ouders krijgen een verlaging van 15% van de
                            gehuwdennorm. De ouders en kinderen daarentegen krijgen geen lagere norm
                            of toeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>Als aan een woning geen <cursief>woonkosten </cursief>verbonden zijn, is
                            sprake van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ
                            opent om die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen.
                            Dat is in artikel 5 gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat
                            de norm of toeslag met 20% wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten
                            betaalt. Dat kan zich voordoen bij krakers, of als de woonkosten worden
                            betaald door een derde, bijv. de ouders of de ex-partner. Onder
                            woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de jongere een
                            eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                            eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast
                            te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en
                            99/29 NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft
                            en is hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die
                            grond verlaagd wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van
                            verlaging van de uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect
                            van de dubbele verlaging (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van
                            het individualiseringsbeginsel zal de verlaging dan beperkt moeten
                            worden. </al><al>Lid 1, onderdeel b, bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de
                            norm of toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling maakt het mogelijk
                            om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere
                            bestaanskosten hebben dan jongeren die een woning bewonen. Mochten dak-
                            en thuislozen regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de
                            uitkering afwijkend worden vastgesteld, met toepassing van artikel 35,
                            vierde lid, WIJ bij wijze van individualisering. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de
                            toelichting op dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het
                            eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen
                            als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                            tegemoetkoming krachtens de WTOS. Er wordt daarbij geen onderscheid
                            gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student. Opmerking
                            verdient nog dat bij gehuwden die beiden schoolverlater zijn, de
                            verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan 20%. Wel is denkbaar,
                            dat de periode waarover de verlaging wordt toegepast, verlengd wordt,
                            als beide partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast
                            i.v.m. medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg kan hebben dat de
                            totale verlaging te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het
                            individualiseringsbeginsel. Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei
                            2009, LJN: BI5349. Als de schoolverlater voor beëindiging van de studie
                            studiefinanciering WSF2000 ontving naar de norm van uitwonende student,
                            dan moet de inkomensvoorziening minimaal op die norm worden vastgesteld.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                            jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                            Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor
                            een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere
                            verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 34 WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                            plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ. </al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van
                            artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen
                            dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast
                            met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen
                            van de schoolverlatersverlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige
                            schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een
                            23-jarige schoolverlater op grond van artikel 6 van de
                            Toeslagenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                            verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk
                            als redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                            betekenen, dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop
                            dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer
                            zou zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het
                            college op grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening
                            hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de
                            Toeslagenverordening een <cursief>absoluut </cursief>minimumbedrag vast
                            te leggen, waarop het college de norm (inclusief eventuele toeslag en
                            verlagingen) tenminste moet vaststellen. Dat laat onverlet dat in
                            concrete omstandigheden het bij samenloop ook denkbaar is dat de norm
                            hoger moet worden vastgesteld. Zie bijv. de hierboven beschreven
                            jurisprudentie t.a.v. de samenloop van een verlaging i.v.m. medebewoning
                            en het ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698) en de
                            samenloop van een schoolverlatersverlaging en een verlaging i.v.m.
                            medebewoning (CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349). Het
                            individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop
                            ook bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde
                            percentages ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te
                            gaan, gelet op alle omstandigheden van de jongere. </al><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, t.w. dat in
                            de Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                            (artikel 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34 WIJ) niet
                            gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de
                            formulering van artikel 7 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>tot en met 15</titel></kop><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>