<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR126828_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Gouda 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Goudse Post, 21 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Gouda 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>678458</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Gouda 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Gouda</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21
                        juni 2011 ,nr 678458;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende dat het gewenst is in aanvulling op de Wet kinderopvang en
                        kwaliteitseisen peuterspeelzalen en de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang
                        en peuterspeelzalen nadere eisen te stellen aan de inrichting van
                        peuterspeelzalen; </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen Gouda
                            2011.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder peuterspeelzaal hetgeen daaronder
                        wordt verstaan in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en
                        de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Groepspeelruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een peuterspeelzaal is voor ieder kind bij voorkeur 4,5 m², doch
                            minimaal 3,5 m<sup>2</sup> bruto-oppervlakte aan groepsspeelruimte
                            beschikbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
                            leeftijd van de op te vangen kinderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Buitenspeelruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De peuterspeelzaal beschikt over een veilig toegankelijke
                            buitenspeelruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De buitenspeelruimte voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar;</al></li><li nr="b."><al>een oppervlakte van bij voorkeur 7 m², doch minimaal 3
                                    m<sup>2</sup> bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig
                                    kind;</al></li><li nr="c."><al>ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen
                                    kinderen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanwijzing toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving van de bij deze
                            verordening gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders wijzen de directeur van de RDOG Hollands
                            Midden aan als toezichthouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2,
                            eerste lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                            of de instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming
                            met de voorschriften uit deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al/><al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de
                            exploitatie van een peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met
                            de voorschriften uit deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
                            toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving van de
                            bij deze verordening gestelde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vastleggen onderzoeksresultaten</titel></kop><al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij
                        een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. </al><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens
                        artikel 2 en 3 gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden nageleefd,
                        vermeldt hij dat in het rapport.</al><al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in
                        de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn
                        zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de
                        houder in een bijlage bij het rapport. </al><al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die
                        een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders
                        en personeel toegankelijke plaats. </al><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de
                        vaststelling daarvan openbaar. </al><al>De toezichthouder stelt burgemeester en wethouders in kennis van de
                        vaststelling van het rapport.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen artikel 2 en 3 buiten toepassing laten of
                        daarvan afwijken, voorzover toepassing gelet op het belang van kwalitatief
                        verantwoorde opvang voor kinderen in een peuterspeelzaal leidt tot een
                        onbillijkheid van overwegende aard. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>intrekking voorgaande regeling en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend
                            op haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <vet>Verordening Peuterspeelzalen Gouda 2008</vet> wordt ingetrokken.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening ruimte- en
                        inrichtingseisen peuterspeelzalen Gouda 2011. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 september 2011</al><al/><al>De raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                    (hierna: de Wet) in werking getreden. Het doel van deze Wet is om jonge kinderen
                    in peuterspeelzalen en kindercentra een veilig en stimulerende omgeving te
                    bieden. </al><al/><al>Eén van de onderliggende doelstellingen van de nieuwe Wet is de regelgeving over
                    peuterspeelzalen te harmoniseren met de kinderdagopvang. Hierdoor ontstaat een
                    landelijk kwaliteitskader voor zowel de peuterspeelzalen als de kinderdagopvang
                    met minimum kwaliteitseisen. In de Wet zijn dan ook een aantal minimale eisen
                    voor de peuterspeelzalen vastgelegd en is tevens aan de minister de bevoegdheid
                    gegeven aanvullende regelgeving voor de kwaliteit in een Algemene maatregel van
                    Bestuur vast te leggen (AmvB). Van deze bevoegdheid is tot op heden geen gebruik
                    gemaakt omdat de partijen een convenant hebben afgesloten waarin de
                    kwaliteitseisen voor de houders van peuterspeelzalen nader zijn uitgewerkt. </al><al>De eisen in het convenant hebben als uitgangpunt gediend voor de Beleidsregels
                    kwaliteit peuterspeelzalen (hierna: Beleidsregels) van de minister van
                    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Echter, in deze Beleidsregels zijn geen
                    eisen opgenomen ten aanzien van ruimte en inrichting van de peuterspeelzalen.
                    Bij het opstellen van de modelverordening ruimte- en inrichtingseisen
                    peuterspeelzalen is aangesloten bij het convenant en de Beleidsregels
                    kwaliteitseisen kinderopvang.</al><al>Het onderhavige model is in overleg met diverse deskundigen op het gebied van
                    peuterspeelzaalwerk en kinderopvang en de brancheorganisaties tot stand gekomen. </al><al/><al><cursief>Ruimte en inrichting</cursief></al><al>Kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen kan niet zonder het stellen van
                    kwaliteitseisen. Eisen inzake ruimte en inrichting vormen hier een essentieel
                    onderdeel van. De eerste levensjaren van een kind zijn belangrijk voor de
                    ontwikkeling van de cognitieve, de sociaal-emotionele en de motorische
                    vaardigheden. De opvoeding door de ouders legt daarvoor de basis, maar ook de
                    rest van de omgeving waarin het kind opgroeit is van belang. Veel kinderen
                    brengen enkele uren per dag door in peuterspeelzalen en andere kindercentra. Ze
                    moeten daar veilig kunnen spelen en voldoende ruimte hebben. </al><al>Bestaande eisen over veiligheid en gezondheid die algemeen geldend zijn en
                    volgen uit andere wet- en regelgeving zoals bouwvoorschriften,
                    brandveiligheidsvoorschriften, eisen aan speeltoestellen, keukenhygiëne en
                    dergelijke, zijn uiteraard ook van toepassing. </al><al/><al><cursief>Toezicht</cursief></al><al>In dit hoofdstuk is het kader voor het toezicht beschreven. Op de handhaving,
                    zijn de algemene handhavingsbevoegdheden uit de Awb van toepassing. </al><al/><al><cursief>Overgangsrecht</cursief></al><al>Er is geen overgangsrecht noodzakelijk, omdat de gestelde eisen gelijk of
                    soepeler zijn voor instellingen. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepaling </vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Groepspeelruimte </vet></al><al>In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind 3,5m² bruto oppervlak speelruimte
                    aanwezig moet zijn. Speelruimtes dienen passend te zijn ingericht voor spelen en
                    rusten. Bij de inrichting van de binnenruimte dient rekening te worden gehouden
                    met zowel het aantal kinderen dat van een ruimte gebruik maakt als de leeftijd
                    van de kinderen. Het gaat om het totale aantal vierkante meters die beschikbaar
                    zijn in de groepsruimten. Dus de lengte vermenigvuldigd met de breedte van de
                    ruimtes waar de kinderen spelen. </al><al>Daarnaast is de houder van een peuterspeelzaal gehouden aan de eisen die zijn
                    vastgelegd in het Bouwbesluit 2003. Het Bouwbesluit bevat bouwtechnische
                    voorschriften waaraan alle bouwwerken minimaal moeten voldoen. Peuterspeelzalen
                    vallen onder de categorie ’bijeenkomstfunctie voor kinderopvang’. De eisen uit
                    het Bouwbesluit hebben betrekking op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid,
                    energiezuinigheid en milieu.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Buitenspeelruimte</vet></al><al>Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die gebruik maken
                    van de peuterspeelzaal aangrenzend aan de peuterspeelzaal of veilig toegankelijk
                    vanuit de peuterspeelzaal dient te zijn gesitueerd. Evenals de binnenruimte
                    dient de buitenruimte voor spel geschikt te zijn en ingericht in overeenstemming
                    met de behoeften en mogelijkheden van de kinderen. Ook voor de buitenspeelruimte
                    geldt dat bij de inrichting rekening dient te worden gehouden met het aantal
                    kinderen en de leeftijd van de kinderen die gebruik maken van de ruimte. De
                    speelruimte bestaat per aanwezig kind uit minimaal 3m² bruto oppervlakte. Met
                    aanwezig kind wordt gedoeld op in de peuterspeelzaal aanwezige kinderen, niet
                    noodzakelijkerwijs buitenspelend. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Aanwijzing toezichthouders</vet></al><al>Dit artikel maakt burgemeester en wethouders (hierna B&amp;W) verantwoordelijk
                    voor de naleving van deze verordening. B&amp;W wijzen de directeur van de RDOG
                    Hollands Midden aan als toezichthouder. Dit is in overeenstemming met het
                    systeem van de wet. De directeur van de RDOG Hollands Midden oefent aldus het
                    toezicht uit onder het gezag van de burgemeester en wethouders. Afdeling 5.2.
                    van de Algemene wet bestuursrecht bevat een algemene regeling van de
                    bevoegdheden van toezichthouders, zoals het recht op het betreden van plaatsen,
                    op het vorderen van inlichtingen en het inzien van schriftelijke stukken. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Onderzoek door de toezichthouder</vet></al><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek onderscheiden. In de eerste
                    plaats onderzoekt de toezichthouder naar aanleiding van een aanvraag voor de
                    exploitatie van een peuterspeelzaal of aan de voorschriften uit deze verordening
                    zal worden voldaan. Daarnaast voert de toezichthouder jaarlijks regulier
                    onderzoek uit bij bestaande peuterspeelzalen. Voorts beschikt de toezichthouder
                    op grond van lid 3 over de mogelijkheid om incidenteel onderzoek te verrichten
                    naar de naleving van de voorschriften uit deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Vastleggen onderzoeksresultaten </vet></al><al>De resultaten van het onderzoek uit artikel 5 worden door de toezichthouder
                    schriftelijk vastgelegd in een inspectierapport. Er wordt per peuterspeelzaal
                    één inspectierapport opgesteld, waarbij zowel langs de lijnen van het landelijk
                    toetsingskader als van deze verordening wordt geïnspecteerd en gerapporteerd. De
                    toezichthouder zendt het ontwerp-inspectierapport aan de houder van de
                    peuterspeelzaal. De houder wordt hiermee in de mogelijkheid gesteld om een
                    reactie te geven op de inhoud van het rapport. De toezichthouder dient de
                    reactie van de houder als bijlage bij het rapport te voegen. De houder zorgt er
                    voor dat zowel ouders van kinderen in de peuterspeelzaal als personeel inzage
                    hebben in het inspectierapport van de toezichthouder. Uiterlijk 3 weken na
                    ontvangst maakt de toezichthouder het inspectierapport openbaar. Het ligt voor
                    de hand dat de toezichthouder voor de openbaarmaking een breed toegankelijk
                    medium kiest. Gedacht kan worden aan de mogelijkheden die het internet biedt.
                    Van deze vaststelling worden burgemeester en wethouders door de houder op de
                    hoogte gebracht. In de praktijk zal het veelal betekenen dat de toezichthouder
                    het inspectierapport naar burgemeester en wethouders toezendt. </al><al/><al><vet>Artikelen 7</vet></al><al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de mogelijkheid
                    voor burgemeester en wethouders om, in gevallen waarin toepassing van een
                    artikel van de verordening een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren,
                    artikel 2 en 3 buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Het
                    afwijkende besluit van burgemeester en wethouders moet altijd binnen de
                    doelstellingen van de verordening passen. De toepassing van de hardheidsclausule
                    moet beperkt blijven tot individuele gevallen. Het gebruik van dit artikel is
                    slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 8 en 9</vet></al><al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>