<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR126457_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al><vet> Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB </vet></al><al><vet>Dienst Werk en Inkomen “De Wâlden”</vet></al><al><vet> November </vet><vet>2011</vet></al><al><vet> Gemeente Achtkarspelen </vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub c en artikel 30 van de
                        Wet Werk en Bijstand,</al><al>overwegende dat moet worden vastgesteld voor welke categorieën de
                        bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria
                        de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>de WWB</vet>: de Wet Werk en Bijstand;</al></li><li nr="b."><al><vet>de belanghebbende</vet>: degene wiens belang rechtstreeks
                                    bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en
                                    welke in deze verordening ook wordt aangeduid met de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin of “hij”,
                                    “hem” of “hen”;</al></li><li nr="c."><al><vet>de alleenstaande</vet>: de ongehuwde van 21 jaar of ouder
                                    die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen
                                    gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft
                                    een bloedverwant in de tweede graad waarbij er bij één van de
                                    bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte en
                                    in wiens woning niet één of meer meerderjarige kinderen hun
                                    hoofdverblijf hebben;</al></li><li nr="d."><al><vet>de alleenstaande ouder</vet>: de ongehuwde van 21 jaar of
                                    ouder die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last
                                    komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een
                                    ander tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad
                                    waarbij er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad
                                    sprake is van zorgbehoefte en in wiens woning niet één of meer
                                    meerderjarige kinderen hun hoofdverblijf hebben;</al></li><li nr="e."><al><vet>het gezin</vet>: de gehuwden of geregistreerd partners,
                                    danwel daarmee op grond van artikel 3, lid 3 en 4 WWB daarmee
                                    gelijkgestelden tezamen met of zonder tot hun laste komende
                                    kinderen en met of zonder hun meerderjarige kinderen, die hun
                                    hoofdverblijf in dezelfde woning als het gezin hebben,</al><al>of </al><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder met één of
                            meer meerderjarige kinderen, die hun hoofdverblijf in dezelfde woning
                            als de aleenstaande of alleenstaande ouder hebben; </al></li><li nr="f."><al><vet>het kind</vet>: het in Nederland woonachtige eigen kind of
                                    stiefkind of pleegkind en, voor zover het een meerderjarig kind
                                    betreft, de echtgenoot van het eigen kind of het stiefkind
                                    (aanverwantschap);</al></li><li nr="g."><al><vet>het ten laste komende kind</vet>: het kind, jonger dan 18
                                    jaar, voor wie de alleenstaande ouder of het gezin aanspraak op
                                    kinderbijslag kan maken;</al></li><li nr="h."><al><vet>het inwonend meerderjarig kind</vet>: het kind ouder dan 18
                                    jaar, dat hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de
                                    alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin, waarmee
                                    bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat.</al></li><li nr="i."><al><vet>de woning</vet>: een besloten ruimte, die, al dan niet
                                    tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is
                                    voor bewoning door een huishouden (Huisvestingswet);</al><lijst><li nr="-"><al>onder een woning wordt tevens verstaan een woonwagen en
                                            een woonschip;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al><vet>de woonkosten</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    rekenhuur als bedoeld in de Wet op de Huurtoeslag;</al></li><li nr="b."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de
                                    in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                    zakelijke lasten;</al></li><li nr="c."><al>indien een woonwagen in huur danwel in eigendom wordt bewoond,
                                    de tot een bedrag per maand herleidde woonkosten;</al><lijst><li nr="-"><al>onder zakelijke lasten wordt verstaan: </al></li><li nr="-"><al>het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting.</al></li><li nr="-"><al>de waterschapslasten (excl. verontreinigingsheffing en
                                            ingezetenenheffing).</al></li><li nr="-"><al>een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor de
                                            kosten van groot onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="k."><al><vet>de hoofdbewoner</vet>: de persoon op wiens naam de woning
                                    staat en in die woning zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="l."><al><vet>de inwonende</vet>: de persoon die zijn hoofdverblijf in
                                    een woning heeft waarvan hij niet de hoofdbewoner is;</al></li><li nr="m."><al><vet>het wettelijk minimumloon</vet>: het minimumloon per maand,
                                    genoemd in artikel 8, lid 1, sub a van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantietoeslag, verhoogd met de aanspraak op
                                    vakantietoeslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van
                                    die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na
                                    aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
                                    volksverzekeringen en de vergoeding als bedoeld in artikel 46
                                    van de Zorgverzekeringswet.</al></li><li nr="n."><al><vet>de verzorgingsbehoevende</vet>: het meerderjarig lid van
                                    een gezin dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in
                                    artikel 4, lid 5 van de WWB.</al></li><li nr="o."><al><vet>de crisissituatie</vet>: een situatie van noodopvang bij
                                    een andere alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin,
                                    nadat men plotseling door omstandigheden niet meer beschikt over
                                    woonruimte, voor zolang deze situatie niet langer duurt dan twee
                                    maanden;</al></li><li nr="p."><al><vet>de kostganger</vet>: een persoon die aantoonbaar tegen
                                    betaling van een commerciële prijs kost en inwoning bij een
                                    andere alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, waarmee
                                    geen bloed- of aanverwantschap bestaat, heeft;</al><lijst><li nr="-"><al>onder een commerciële prijs wordt verstaan:</al><al>een bedrag ter hoogte van minimaal 40% van het wettelijk minimumloon per
                            maand.</al></li></lijst></li><li nr="q."><al><vet>de onderhuurder</vet>: een persoon die aantoonbaar tegen
                                    betaling van een commerciële prijs een deel van een woning van
                                    een alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, waarmee
                                    geen bloed- of aanverwantschap bestaat, huurt;</al><lijst><li nr="-"><al>onder een commerciële prijs wordt verstaan:</al><al>een bedrag ter hoogte van minimaal 15% van het wettelijk minimumloon per
                            maand.</al></li></lijst></li><li nr="r."><al><vet>de zwervende</vet>: een persoon die geen woning
                                    bewoont;</al></li><li nr="s."><al><vet>de woningkraker</vet>: een persoon die een woning bewoont
                                    waaraan geen woonkosten geacht worden te zijn verbonden, tenzij
                                    aantoonbaar het tegendeel blijkt;</al></li><li nr="t."><al><vet>het college</vet>: het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Achtkarspelen;</al></li><li nr="u."><al><vet>de gemeenteraad</vet>: de gemeenteraad van de gemeente
                                    Achtkarspelen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand op grond van de WWB kan worden
                            verleend geldt een categorieaanduiding;</al><lijst><li nr="-"><al>de categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>het gezin.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm in het kader van de
                            WWB</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                    alleenstaande van 21 jaar of ouder of de alleenstaande ouder van
                                    21 jaar of ouder hogere algemene noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg
                                    van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een
                                    ander.</al></li><li nr="2."><lijst><li nr="a."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                    alleenstaande van 22 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van
                                    21 jaar of ouder in wiens woning géén ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft bepaald op het in artikel 25, lid 2 van de WWB genoemde
                                    maximumbedrag.</al></li><li nr="b."><al>Het maximumbedrag van de toeslag wordt voor de
                                            alleenstaande van 21 jaar bepaald op 10% van het
                                            wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of
                                            ouder of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder,
                                            die hoofdbewoner is, eveneens in principe bepaald op het
                                            betreffende maximumbedrag indien in de woning
                                            hoofdverblijf heeft iemand, waarmee geen bloed- of
                                            aanverwantschap bestaat, en in verband met een
                                            crisissituatie wordt opgevangen, zolang deze opvang niet
                                            langer duurt dan maximaal twee maanden;</al></li><li nr="d."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of
                                            ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder
                                            eveneens in principe bepaald op het maximumbedrag indien
                                            men kostganger of onderhuurder is.</al></li><li nr="e."><al>De toeslag wordt voor de alleenstaande van 22 jaar of
                                            ouder en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder
                                            eveneens voor de duur van maximaal twee maanden in
                                            principe bepaald op het maximumbedrag indien men vanwege
                                            een crisissituatie bij een ander, waarmee geen bloed- of
                                            aanverwantschap bestaat, wordt opgevangen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><lijst><li nr="a."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    alleenstaande van 22 jaar of ouder en de alleenstaande ouder van
                                    21 jaar of ouder, indien in de woning één ander, waarmee geen
                                    bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 10%
                                    van het wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="b."><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor
                                            de alleenstaande van 21 jaar indien in de woning één ander, waarmee geen bloed- of
                            aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 5% van het wettelijk
                            minimumloon.</al></li><li nr="c."><al>Voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder en de alleenstaande
                                    ouder van 21 jaar of ouder, indien in de woning meer dan één
                                    ander, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn
                                    hoofdverblijf heeft, bestaat geen recht op een toeslag.</al></li><li nr="d."><al>Voor de toepassing van de leden a, b en c van dit artikel geldt
                                    de lagere toeslag zowel voor de hoofdbewoner als voor de
                                    inwonende.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien het gezin lagere
                                algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De bijstandsnorm wordt voor het gezin in wiens woning géén ander
                                zijn hoofdverblijf heeft bepaald op het in art 21 van de WWB
                                genoemde normbedrag.</al></li><li nr="b."><al>De bijstandsnorm wordt voor het gezin eveneens in principe
                                        bepaald op het in art 21 van de WWB genoemde normbedrag
                                        indien in de woning hoofdverblijf heeft iemand, waarmee geen
                                        bloed- of aanverwantschap bestaat, en in verband met een
                                        crisissituatie wordt opgevangen, zolang deze opvang niet
                                        langer duurt dan maximaal twee maanden;</al></li><li nr="c."><al>De bijstandsnorm wordt voor het gezin eveneens in principe
                                        bepaald op het in art 21 van de WWB genoemde normbedrag
                                        indien men kostganger of onderhuurder is.</al></li><li nr="d."><al>De bijstandsnorm wordt voor het gezin eveneens voor de duur
                                        van maximaal twee maanden in principe bepaald op het in art
                                        21 van de WWB genoemde normbedrag indien men vanwege een
                                        crisissituatie bij een ander, waarmee geen bloed- of
                                        aanverwantschap bestaat, wordt opgevangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De korting als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het gezin,
                                indien in de woning één ander, waarmee geen bloed- of
                                aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft, 10% van het
                                wettelijk minimumloon.</al></li><li nr="b."><al>De korting als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor het
                                        gezin, indien in de woning meer dan één ander, waarmee geen
                                        bloed- of aanverwantschap bestaat, zijn hoofdverblijf heeft,
                                        20% van het wettelijk minimumloon.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm, vermeerderd met de van toepassing zijnde toeslag
                                als bedoeld in artikel 3 voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder
                                en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder wordt wegens het
                                ontbreken van woonkosten verlaagd met 20% van het wettelijk
                                minimumloon. Deze korting is eveneens van toepassing als een niet
                                inwonende derde de woonkosten voor zijn rekening neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijstandsnorm voor het gezin wordt wegens het ontbreken van
                                woonkosten verlaagd met 20% van het wettelijk minimumloon. Deze
                                korting is eveneens van toepassing als een niet inwonende derde de
                                woonkosten voor zijn rekening neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm, vermeerderd met de van toepassing zijnde toeslag
                                als bedoeld in artikel 3 voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder
                                en de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder wordt wegens het
                                houden van kostgangers of onderhuurders verlaagd met 15% van het
                                wettelijk minimumloon per kostganger of onderhuurder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijstandsnorm voor het gezin wordt wegens het houden van
                                kostgangers of onderhuurders verlaagd met 15% van het wettelijk
                                minimumloon per kostganger of onderhuurder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond
                            van artikel 3 en één of meer verlagingen op grond van artikel 5 en 6
                            geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het wettelijk
                            minimumloon ten opzichte van de toepasselijke bijstandsnorm ex artikel
                            20 en 21 van de WWB. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm vindt plaats onverminderd
                            het bepaalde in artikel 18, lid 1 WWB.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Toeslagen en
                            Kortingenbeleid WWB.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2012.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ,
                                    vastgesteld op 9 oktober 2009 wordt gelijktijdig
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op </ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide P. Adema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (WWB) wordt opgebouwd uit
                    een landelijk vastgestelde norm en een gemeentelijk vast te stellen toeslag voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders. Artikel 8 en artikel 30 WWB dragen de
                    gemeenteraad op een verordening vast te stellen inzake het verhogen en/of
                    verlagen van de bijstandsnorm. Het onderwerp van de verordening is beschreven in
                    het eerste lid van artikel 30 WWB. Het is de bedoeling dat de verordening "een
                    zodanig karakter heeft dat de belanghebbenden daaruit concreet kunnen aflezen
                    welke verhoging of verlaging in hun situatie geldt". </al><al>Met de verordening worden de criteria met betrekking tot het toekennen van
                    toeslagen op de norm en het toepassen van kortingen op de norm geregeld,
                    onverminderd de bepaling in de twee wetten (artikel 18, lid 1 WWB en artikel 17,
                    lid 1 WIJ) om in individuele gevallen af te wijken van de algemeen geldende
                    normen (op basis van de wet of de gemeentelijke verordening). </al><al>In de verordening is geen gebruik gemaakt van de facultatieve bepaling als
                    bedoeld in artikel 28 WWB inzake het toekennen van lagere normen of lagere
                    toeslagen voor schoolverlaters. Hiervoor is gekozen, omdat voor de vaststelling
                    van de hoogte van de toe te kennen uitkering de woonsituatie cruciaal is en niet
                    het feit of men schoolverlater is of niet. </al><al>In de verordening wordt voor de hoogte van de toeslagen en de verlagingen
                    verwezen naar het in artikel 25, lid 2 van de WWB genoemde bedrag. In deze
                    toelichting zal steeds gesproken worden over toeslagen en verlagingen in
                    percentages van het minimumloon. Dit lijkt tegenstrijdig, maar het bedrag van
                    artikel 25, lid 2 van de WWB is eveneens gebaseerd op een percentage van het
                    wettelijk minimumloon. Omdat in de wet uitdrukkelijk een bedrag genoemd wordt en
                    tevens is aangegeven is dat de minister dit bedrag kan verhogen bij een
                    verhoging van het minimumloon, is in de tekst van de verordening de voorkeur
                    gegeven aan een directe verwijzing naar artikel 25, lid 2 van de WWB en niet aan
                    het noemen van een percentage. Hiermee kunnen verwarrende rekensommen worden
                    voorkomen, zoals bijvoorbeeld de vraag of de toeslag 10% van het netto
                    minimumloon of van het bruto minimumloon berekend moet worden. </al><al>De huidige verordening in als gevolg van de nieuwe WWB sterk vereenvoudigd. In
                    veel gevallen, met name als het gaat om situaties die in het kader van de nieuwe
                    wet onder het begrip “gezin” vallen, geeft de wet zelf weer voorgeschreven
                    normbedragen, zonder dat daar eventueel een toeslag op kan worden toegepast. Uit
                    artikel 1, sub e van deze verordening blijkt namelijk dat nu ook alleenstaanden
                    en alleenstaande ouders, wanneer hun meerderjarige kind(eren) in dezelfde woning
                    hun hoofdverblijf houden, in principe als gezin worden aangemerkt. Overigens
                    worden ook aanverwanten in dat geval als gezinsleden aangemerkt. </al><al>De mogelijkheid tot het verstrekken van toeslagen beperkt zich derhalve
                    uitsluitend tot “echte” alleenstaanden en alleenstaande ouders. </al><al>Met het herbeoordelen van de toeslagensystematiek is, binnen de mogelijkheden
                    die de WWB daarvoor biedt, ook getracht om “ontvluchtingsgedrag”, als gevolg van
                    het introduceren van het begrip huishoudinkomen, zoveel mogelijk te ontmoedigen. </al><al>Voorstelbaar is immers dat een meerjarig inwonend kind, die binnen het gezin op
                    basis van het huishoudinkomen vanaf 2012 geen eigen uitkering kan krijgen
                    probeert om bij anderen te gaan inwonen, in de hoop dat dit hem tot een echte
                    alleenstaande maakt. </al><al>Voor zover er met inachtneming van de wettelijke bepalingen geen gezamenlijke
                    huishouding ontstaat, betekent dit inderdaad dat de betrokkene als een
                    alleenstaande zou kunnen worden aangemerkt. Door echter in de toeslagensfeer
                    rekening te houden met <onderstreept>alle</onderstreept> andere individuele
                    bewoners, zowel hoofdbewoners als inwoners, zónder te beoordelen of de hoogte
                    van het inkomen van die andere bewoner(s) voldoende is om kosten te
                        <cursief>kunnen</cursief> delen wordt bereikt dat het recht op een toeslag
                    wordt beperkt. Ook het feit dat uitdrukkelijk alle inwonenden, voor zover zij
                    een WWB-uitkering krijgen, te maken krijgen met een lager inkomen op het moment
                    dat er iemand komt inwonen, kan tot gevolg hebben dat er minder van dit
                    ontvluchtingsgedrag ontstaat. </al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Ten aanzien van de begrippen die in de verordening worden gebruikt is
                    aansluiting gezocht bij wettelijke omschrijvingen. Daar waar dit een andere wet
                    is dan de Wet Werk en Bijstand is dat in de verordening aangegeven. Voorts is
                    aan aanvullende, voor de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand belangrijke,
                    begrippen een eigen omschrijving gegeven. </al><al>a.<vet>de WWB</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>b.<vet>de belanghebbende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>c.<vet>de alleenstaande</vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip alleenstaande komt overeen met de omschrijving
                    die de wet hanteert, met dit verschil dat extra wordt benadrukt dat de
                    verordening alleen van toepassing is voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder. </al><al>d.<vet> de alleenstaande ouder</vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip alleenstaande ouder komt overeen met de
                    omschrijving die de wet hanteert, met dit verschil dat extra wordt benadrukt dat
                    de verordening alleen van toepassing is voor alleenstaande ouders van 21 jaar of
                    ouder. </al><al>e.<vet> het gezin</vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip gezin is de opvatting zoals de wetgever het heeft
                    bedoeld en combineert verschillende relavante bepalingen uit de wet. </al><al>f.<vet>het kind</vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip kind komt overeen met de omschrijving die de wet
                    hanteert. Hieruit komt ook duidelijk naar voren dat het begrip “aanverwantschap”
                    zijn intrede heeft gedaan in de WWB. Dit laatste geldt overigens alleen voor
                    kinderen voor zover ze meerderjarig zijn. </al><al>g.<vet>het ten laste komende kind</vet>:</al><al>De omschrijving van het begrip ten laste komende kind komt overeen met de
                    omschrijving die de wet hanteert. Uiteraard geldt hierbij wel dat dit kind in
                    Nederland moet wonen. </al><al>h.<vet>het inwonend meerderjarig kind</vet>:</al><al>Hoewel de WWB van dit begrip geen nadere omschrijving heeft opgenomen is het
                    voor de toepassing van deze verordening wel van belang om precies aan te geven
                    wat hier mee wordt bedoeld. Dat is zeker van belang nu onder meerderjarige
                    kinderen ook de inwonende aanverwanten worden verstaan. </al><al>i.<vet> de woning</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>j.<vet>de woonkosten</vet>:</al><al>Voor de woonkosten van een huurwoning wordt aangesloten bij de Wet op de
                    Huurtoeslag. Ten aanzien van de woonkosten van een eigen woning wordt ten
                    aanzien van de hypotheekrente in eerste instantie uitgegaan van de lasten die
                    het gevolg zijn van de financiering van de woning. Rente welke het gevolg is van
                    het nadien zonder noodzaak verhogen van de hypotheek, ook al is dat ter
                    financiering van bij voorbeeld een verbouwing, wordt niet in de beschouwing
                    meegenomen. </al><al>k.<vet>de hoofdbewoner</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. </al><al>l.<vet>de inwonende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. </al><al>m.<vet>het wettelijk minimumloon</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. </al><al>n.<vet>de verzorgingsbehoevende</vet>:</al><al>Er is voor gekozen om te verwijzen naar de uitgebreide wettelijke omschrijving,
                    aangezien iemand, om als verzorgingsbehoevende te kunnen worden aangemerkt, aan
                    diverse voorwaarden moet voldoen.</al><al>o.<vet> de crisissituatie</vet>:</al><al>Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij hoog opgelopen ruzies binnen een
                    gezin, waarbij één der partners of een kind op straat is gezet en door een ander
                    wordt opgevangen. Overigens is deze omschreven situatie van toepassing op zowel
                    degene die opgevangen wordt als degene die opvang biedt. </al><al>p.<vet>de kostganger</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. Wel is nog eens duidelijk
                    verwoord dat commerciële relaties tussen familieleden niet wordt
                    geaccepteerd.</al><al>q.<vet>de onderhuurder</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting. Wel is nog eens duidelijk
                    verwoord dat commerciële relaties tussen familieleden niet wordt
                    geaccepteerd.</al><al>r.<vet>de zwervende</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>s.<vet>de woningkraker</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>t.<vet>het college</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>u.<vet>de gemeenteraad</vet>:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 30 van de Wet Werk en Bijstand schrijft voor dat de verordening
                    vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd. De
                    categorie-indeling is gebaseerd op de Wet Werk en Bijstand en zijn nader
                    uitgelegd in artikel 1 van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 3, lid 1</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de
                    bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is,
                    wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de hoogte van
                    de toeslag worden alle extra algemene noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking
                    genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van
                    een gezin.</al><al>Het gaat hierbij niet alleen om woonkosten (in beperkte of uitgebreide zin) maar
                    ook om alle andere uitgaven waarbij andere inwonenden een schaalvoordeel hebben
                    omdat zij alle kosten van huisvesting en huishouding gezamenlijk opbrengen. </al><al>De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gezegd, de
                    hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20% van het
                    wettelijk minimumloon. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen,
                    moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden
                    gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De
                    toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene
                    inlichtingenverplichting die op de aanvrager rust, geldt ook voor het
                    toeslagendeel. De aanvrager zal dan ook zelf het recht moeten aantonen. Dat kan
                    door middel van het overleggen van gegevens, maar evenzeer door het toestaan van
                    een huisbezoek. </al><tussenkop>Artikel 3, lid 2</tussenkop><al>Artikel 30, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand schrijft voor dat de toeslag,
                    onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                    artikel 25, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand. Deze maximale toeslag komt neer
                    op 20% van het wettelijk minimumloon. </al><al>Om te voorkomen dat de uitkering voor een 21-jarige alleenstaande hoger is dan
                    bijvoorbeeld het loon dat men kan verdienen is bepaald dat de maximale toeslag
                    voor 21-jarigen op 10% van het wettelijk minimumloon is gesteld. </al><al>De artikelen 27, 28 en 29 van de Wet Werk en Bijstand geven de gemeente de
                    bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm met of zonder de
                    toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de
                    voorwaarden, waardoor er in principe recht zou bestaan op een volledige toeslag
                    als bedoeld in artikel 25, lid 2 van de Wet Werk en Bijstand het toch zo kan
                    zijn dat er als gevolg van het toepassen van een korting een lager bedrag wordt
                    ontvangen. Hiervoor wordt verwezen naar de artikelen 5 tot en met 7 van deze
                    verordening.</al><al>Er bestaat voor de hoofdbewoner tevens recht op een volledige toeslag indien er
                    in de woning zijn hoofdverblijf heeft iemand (geen familie) die in verband met
                    een crisissituatie wordt opgevangen (maximaal twee maanden). De reden hiervoor
                    is dat het geacht wordt extra belastend te zijn, wanneer iemand zijn woning voor
                    een dergelijke vorm van inwoning beschikbaar stelt. Natuurlijk kan inwoning van
                    anderen veroorzaken dat er toch een lagere toeslag van toepassing is. </al><al>Voorts heeft een kostganger of een onderhuurder (geen familie) (als deze aan de
                    daarvoor gestelde eisen voldoen) of degene die als gevolg van een crisisituatie
                    bij een ander wordt opgevangen recht op de volledige toeslag. </al><al>In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat
                    in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig, veelal halfjaarlijks,
                    aangepast. </al><tussenkop>Artikel 3, lid 3</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven etc. en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten met één ander (geen familie), wordt de
                    toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het
                    wettelijk minimumloon. </al><al>Deze toeslag is voor 21-jarigen vastgesteld op 5% van het wettelijk minimumloon. </al><al>Indien de kosten kunnen worden gedeeld met meer dan één ander (geen familie),
                    bestaat geen recht op een toeslag. </al><tussenkop>Artikel 4, lid 1</tussenkop><al>Ook gezinnen kunnen schaalvoordelen genieten als zij de kosten van het bestaan
                    kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning met anderen dan hun
                    familieleden bewonen. Deze schaalvoordelen leiden ertoe dat de gehuwdenuitkering
                    wordt verlaagd. </al><tussenkop>Artikel 4, lid 2</tussenkop><al>Als er geen kosten gedeeld kunnen worden wordt de uitkering vastgesteld op de
                    desbetreffende norm voor een gezin. Er bestaat voor de hoofdbewoners tevens
                    recht op de volledige uitkering indien er in de woning zijn hoofdverblijf heeft
                    iemand (geen familie) die in verband met een crisissituatie wordt opgevangen
                    (maximaal twee maanden). De reden hiervoor is dat het geacht wordt extra
                    belastend te zijn, wanneer iemand zijn woning voor een dergelijke vorm van
                    inwoning beschikbaar stelt. Natuurlijk kan inwoning van anderen veroorzaken dat
                    er toch een korting van toepassing is.</al><al>Voorts heeft het echtpaar dat als kostganger of onderhuurder (geen familie) (als
                    deze aan de daarvoor gestelde eisen voldoet) inwoont of het echtpaar dat als
                    gevolg van een crisisituatie bij een ander wordt opgevangen recht op de
                    volledige uitkering.</al><tussenkop>Artikel 4, lid 3</tussenkop><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven etc. en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten met één ander (geen familie), wordt
                    een korting van 10% van het wettelijk minimumloon op de uitkering toegepast. </al><al>Indien de kosten kunnen worden gedeeld met meer dan één ander (geen familie),
                    wordt een korting van 20% van het wettelijk minimumloon toegepast. </al><tussenkop>Artikel 5, lid 1 en lid 2</tussenkop><al>Met deze omschrijving wordt beoogd dat op de uitkering van degenen die geen
                    woonkosten verschuldigd zijn, een korting wordt toegepast. </al><tussenkop>Artikel 6, lid 1 en lid 2 </tussenkop><al>Het houden van een kostganger en een onderhuurder wordt geacht inkomsten op te
                    leveren. Deze inkomsten worden per kostganger of onderhuurder bepaald op 15% van
                    het wettelijk minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Indien gebruik wordt gemaakt van verlagingsmogelijkheden dan dient rekening te
                    worden gehouden met de effecten van cumulatie van factoren. Een dergelijke
                    cumulatie kan er toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in
                    de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Dit betekent dat een echtpaar
                    altijd moet kunnen beschikken over 75%, een alleenstaande ouder over 45% en een
                    alleenstaande over 25% van het wettelijk minimumloon. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Van kracht blijft artikel 18, lid 1 van de Wet Werk en Bijstand waar is gesteld,
                    dat Burgemeester en Wethouders de bijstand en de daaraan verbonden
                    verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                    betrokkene persoon. Hiermee blijft ook het individualiseringsprincipe voor de
                    toepassing van de verordening van kracht.</al><tussenkop>Artikel 9, lid 1</tussenkop><al>Artikel 7 van de Wet Werk en Bijstand schrijft voor dat de uitvoering van de wet
                    berust bij Burgemeester en Wethouders. Zij kunnen deze bevoegdheid
                    overeenkomstig hetgeen hierover in de wet is geregeld vervolgens mandateren aan
                    ambtenaren. </al><tussenkop>Artikel 9, lid 2 </tussenkop><al>Burgemeester en Wethouders hebben de bevoegdheid om in individuele gevallen af
                    te wijken van het in de verordening bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>