<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR126366_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oegstgeest 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 21-11-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oegstgeest</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0020031&amp;g=2012-01-01">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR341013_1">Verordening maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oegstgeest</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest;</al><al>overwegende dat de Verordening maatschappelijk ondersteuning de
                        gemeentelijke beleidslijn vertegenwoordigt die in de Wet maatschappelijk
                        ondersteuning (Wmo) is aangekondigd;</al><al>gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 november 2011, nr.
                        118/11;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE OEGSTGEEST
                            2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14.84*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="55.16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>wet</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>college</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Oegstgeest;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>compensatieplicht</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de plicht van het college aan personen met een
                                                beperking, een chronisch psychisch of een
                                                psychosociaal probleem voorzieningen te bieden ter
                                                com-pensatie van hun beperkingen op het gebied van
                                                zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie
                                                teneinde hen in staat te stellen een huishouden te
                                                voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich
                                                lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en
                                                medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                                                verbanden aan te gaan. Daarbij legt artikel 4 van de
                                                Wet het college de plicht op om een resultaat te
                                                bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in
                                                het individuele geval maatwerk is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>aanmelding</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de mededeling van een belanghebbende aan het college
                                                dat hij beperkingen ondervindt op grond waarvan hij
                                                verzoekt een afspraak te maken voor een
                                                gesprek;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>gesprek</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het eerste contact na een aanmelding waarin met
                                                degene die maatschappelijke ondersteuning zoekt zijn
                                                gehele situatie wordt geïnventariseerd ten aanzien
                                                van de beperkingen en de gevolgen daarvan, de te
                                                bereiken resultaten, de te kiezen oplossingen via
                                                eigen mogelijkheden of via mogelijkheden van het
                                                netwerk dan wel via algemene, algemeen gebruikelijke
                                                collectieve, (wettelijk) voorliggende en individuele
                                                voorzieningen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>aanvraag</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking
                                                te komen voor één of meerdere voorzieningen om een
                                                resultaat te bereiken in het kader van deze
                                                verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>belanghebbende</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een persoon met een beperking, een chronisch
                                                psychisch of een psychosociaal probleem die behoefte
                                                heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen
                                                van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en
                                                het zelfstandig functioneren en die voor zichzelf
                                                of, met behulp van een machtiging door een ander,
                                                een aanmelding of een aanvraag doet of laat
                                                doen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>psychosociaal probleem</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een situatie van verlies van zelfstandigheid en, met
                                                name, een gebrek aan mogelijkheden tot deelname aan
                                                het maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door
                                                problemen die iemand heeft in zijn relatie met
                                                anderen, met zijn sociale omgeving;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>algemene voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorliggende voorziening die weliswaar niet
                                                bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle
                                                personen als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de wet,
                                                maar die anderzijds door iedereen waarvoor de
                                                voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te
                                                verkrijgen of te gebruiken is, zonder een
                                                aanvraagprocedure;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>algemeen gebruikelijke voorziening:</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor
                                                mensen met een beperking, dus ook door anderen
                                                gebruikt wordt, algemeen verkrijgbaar is en niet –
                                                aanzienlijk – duurder is dan vergelijkbare
                                                producten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>collectieve voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening die individueel wordt verstrekt maar
                                                die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt,
                                                in casu het collectief vraagafhankelijk
                                                vervoer;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al>voorliggende voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening die normaal in de maatschappij
                                                aanwezig en beschikbaar is en bedoeld is voor
                                                iedereen die daar behoefte aan heeft;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m.</al></entry><entry colname="col2"><al>wettelijk voorliggende voorziening :</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening op grond van een wettelijke bepaling
                                                anders dan ingevolge de wet, waarmee het resultaat
                                                geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n.</al></entry><entry colname="col2"><al>individuele voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening die door het college ten behoeve van
                                                één persoon op basis van artikel 4 Wmo wordt
                                                verstrekt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o.</al></entry><entry colname="col2"><al>gebruikelijke zorg</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de zorg die op het gebied van het voeren van het
                                                huishouden voor alle meerderjarige leden van een
                                                leefeenheid als algemeen aanvaardbaar wordt
                                                beschouwd;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p.</al></entry><entry colname="col2"><al>voorziening in natura</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening, in te zetten om het resultaat te
                                                bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of
                                                in eigendom, of als persoonlijke
                                                dienstverlening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>q.</al></entry><entry colname="col2"><al>persoonsgebonden budget</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een geldbedrag om te gebruiken voor het te bereiken
                                                resultaat, als alternatief voor een voorziening in
                                                natura;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>r.</al></entry><entry colname="col2"><al>financiële tegemoetkoming</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een geldbedrag, al dan niet forfaitair of
                                                gemaximeerd, bedoeld om een voorziening mee aan te
                                                schaffen voor het te bereiken resultaat;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>s.</al></entry><entry colname="col2"><al>hoofdverblijf</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>de woonruimte waar de persoon met beperkingen zijn
                                                vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres
                                                hij in de gemeentelijke basisadministratie
                                                persoonsgegevens staat ingeschreven, dan wel zal
                                                staan ingeschreven, dan wel de plaats waar een
                                                persoon daadwerkelijk de meeste nachten per jaar
                                                doorbrengt, dan wel het feitelijk woonadres indien
                                                de persoon met beperkingen met een briefadres staat
                                                ingeschreven. Indien de persoon met beperkingen
                                                permanent in een AWBZ-instelling moet verblijven, is
                                                die instelling het hoofdverblijf geworden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>t.</al></entry><entry colname="col2"><al>mantelzorger</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1
                                                lid 1 onder b van de wet biedt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>u.</al></entry><entry colname="col2"><al>besluit</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning
                                                gemeente Oegstgeest 2012;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>v.</al></entry><entry colname="col2"><al>eigen bijdrage / eigen aandeel</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een door het college vast te stellen bijdrage, die
                                                bij respectievelijk de verstrekking van een
                                                voorziening in natura, een persoonsgebonden budget
                                                (een eigen bijdrage) of een financiële
                                                tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet
                                                worden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>w.</al></entry><entry colname="col2"><al>budgethouder</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                                persoonsgebonden budget, dan wel financiële
                                                tegemoetkoming is toegekend en die aan het college
                                                verantwoording over de besteding van het ontvangen
                                                budget verschuldigd is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>x.</al></entry><entry colname="col2"><al>woning</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een zelfstandige woonruimte die geschikt is om het
                                                hele jaar bewoond te worden. Hotels/pensions,
                                                trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                                vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamers die
                                                zelfstandig verhuurd worden, worden niet als
                                                zelfstandige woonruimten beschouwd;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>y.</al></entry><entry colname="col2"><al>goedkoopst-compenserend</al></entry><entry colname="col3"><al>:</al></entry><entry colname="col4"><al>een voorziening, die naar objectieve maatstaven
                                                gemeten, compensatie biedt voor de ondervonden
                                                belemmering. Indien er de keuze is tussen meerdere
                                                voorzieningen zal die voorziening worden verstrekt,
                                                die niet duurder is dan noodzakelijk.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>RESULTAAT GERICHTE COMPENSATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de Wet via compenserende maatregelen
                            te bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;0</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en
                                    linnengoed;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in om en nabij de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te
                                    nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AANMELDING, GESPREK EN AANVRAAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Scheiding aanmelding en gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening ex artikel 1 lid 1
                                aanhef en onder g sub 6 van de wet gaat een aanmelding voor een
                                gesprek vooraf indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die nog niet
                                        eerder een aanvraag in het kader van de wet heeft
                                        gedaan;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag afkomstig is van een belanghebbende met wie al
                                        eerder is gesproken maar waarbij sprake is van gewijzigde
                                        omstandigheden of gewijzigde te bereiken resultaten;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende of het college daarom verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag te willen
                                indienen, vervalt het gestelde in het eerste lid onder a en b.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanmelding voor een gesprek</titel></kop><al>Een aanmelding voor een gesprek kan schriftelijk, telefonisch of
                            mondeling worden gedaan bij het Klant Contact Centrum (KCC) of het
                            Lokaal Loket (LLO) van de gemeente Oegstgeest, door of namens een
                            persoon met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                            psychosociaal probleem die behoefte heeft aan compensatie ten behoeve
                            van het bevorderen van zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer en
                            het zelfstandig functioneren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het voeren van het gesprek zal de International Classification
                                of Functions, Disabilities and Impairments als basis voor het
                                begrippenkader worden gehanteerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de belanghebbende een mantelzorger is, wordt met de mantelzorger
                                en zo mogelijk met de verzorgde geïnventariseerd welke belemmeringen
                                de belangenhebbende ondervindt bij de uitvoering van de
                                mantelzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het verslag</titel></kop><al>Het gesprek kan worden afgesloten met een verslag. Opmerkingen van
                            belanghebbende over dit verslag kunnen als bijlage aan het verslag
                            worden toegevoegd. Uitsluitend een door belanghebbende ondertekend
                            verslag kan als aanvraagformulier als bedoeld in artikel 7 lid 3 worden
                            gebruikt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een individuele voorziening moet schriftelijk
                                plaatsvinden bij het KCC of LLO van de gemeente Oegstgeest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een directe aanvraag mondeling (via de telefoon of op een
                                andere manier) plaatsvindt, wordt dit per omgaande schriftelijk
                                bevestigd. Bij deze bevestiging wordt een aanvraagformulier
                                meegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de aanvraag wordt, als er een ondertekend verslag van het
                                gesprek aanwezig is, dit ondertekende verslag als aanvraagformulier
                                beschouwd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>DE TE BEREIKEN RESULTATEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Het maken van een afweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het beoordelen welke voorzieningen getroffen gaan worden
                                    neemt het college het verslag van het gesprek, indien aanwezig,
                                    als uitgangspunt. Het college gaat uit van de behoeften en
                                    persoonskenmerken van de belanghebbende. Daarbij zal onderzoek
                                    gedaan worden naar de noodzaak en mogelijkheid tot leveren van
                                    maatwerk ten aanzien van het te bereiken resultaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle eigen mogelijkheden, (wettelijke) voorliggende, algemeen
                                    gebruikelijke en collectieve voorzieningen die beschikbaar en
                                    bruikbaar zijn worden, als ze al niet tot een oplossing hebben
                                    geleid in het gesprek, of als er geen gesprek heeft
                                    plaatsgevonden, eerst beoordeeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Een schoon en leefbaar huis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat
                                    schoon is. Dit geldt ten aanzien van de woonkamer,
                                    slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten, die in belangrijke
                                    mate worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele
                                    voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                    huishoudelijke werk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt
                                    dit eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijkse
                                    benodigde hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten
                                    waarop iets genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en
                                    schoonmaakartikelen. Ook de noodzakelijke bereiding van
                                    maaltijden kan hieronder vallen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen
                                    ten aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft
                                    levensmiddelen, schoonmaakmiddelen, en toiletartikelen, alsmede
                                    het bereiden en aanreiken van maaltijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen of voor
                                    zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                    bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening die in de
                                    individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                    bereiken resultaat, worden deze mogelijkheden eerst
                                    beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid 3 genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en
                                    linnengoed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding en
                                    linnengoed in gewassen en zo nodig gestreken, opgevouwen of
                                    opgehangen staat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en
                                    doelmatige kleding en linnengoed kan een individuele voorziening
                                    worden getroffen ten aanzien van het wassen, drogen en strijken
                                    en opruimen van de dagelijkse was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                    beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, of
                                    voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare was- en/of strijkservice die in de individuele
                                    situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken
                                    resultaat, worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het thuis kunnen zorgen voor gezonde kinderen die tot het
                                    gezin behoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg
                                    voor in het huishouden aanwezige kinderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                    gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen
                                    ten aanzien van het – zo mogelijk tijdelijk ter overbrugging van
                                    een periode noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve
                                    maatregelen – vervangen van de ouder die in principe voor de
                                    kinderen zorgt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang
                                    of andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van
                                    de belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat,
                                    worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn zullen ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Wonen in een geschikt huis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van
                                    een huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van
                                    de woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de
                                    woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging,
                                    tuin of balkon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van de
                                    bereikbaarheid, toegankelijkheid, doorgankelijkheid en
                                    bruikbaarheid van de woning. Het college verstrekt slechts een
                                    individuele voorziening indien belanghebbende zijn hoofdverblijf
                                    heeft of binnen afzienbare tijd zal hebben in de woonruimte
                                    waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte
                                    woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke
                                    verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt deze
                                    mogelijkheid eerst beoordeeld. Deze beoordeling zal in ieder
                                    geval plaatsvinden indien de aanpassing van de woning een bedrag
                                    van € 12.500,- te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt. Een
                                    verhuiskostenvergoeding kan dan wel verstrekt worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen
                                    in en om de woning bestaat uit het in staat zijn de woonkamer,
                                    het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de
                                    douche, de berging, de tuin of het balkon te kunnen bereiken en
                                    er zich zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren
                                    mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                    individuele voorziening worden getroffen bestaande uit een
                                    rolstoel voor dagelijks zittend gebruik.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige
                                    en bruikbare rolstoelpool die in de individuele situatie van de
                                    belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt
                                    deze mogelijkheid eerst beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheid
                                    beschikbaar en bruikbaar is, wordt ten aanzien van dat onderdeel
                                    geen individuele voorziening verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie, kennissen
                                en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon-
                                en leefomgeving.</al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
                                        kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien
                                        van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en
                                        het verplaatsen over de langere afstand binnen de directe
                                        woon- en leefomgeving.</al></li><li nr="2."><al>Als het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk
                                        inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan de in het
                                        Besluit voor de diverse categorieën genoemde
                                        inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto
                                        algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een
                                        auto vergelijkbare vervoersvoorziening en de daarmee
                                        samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten niet in
                                        aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding. Onder een
                                        met een auto vergelijkbare vervoersvoorziening zoals genoemd
                                        in het Besluit wordt mede verstaan de collectieve
                                        vervoersvoorziening in de vorm van het Collectief
                                        Vraagafhankelijk Vervoer.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een
                                        aanwezige en bruikbare scootermobielpool of van collectief
                                        vraagafhankelijk vervoer van deur tot deur die in de
                                        individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot
                                        het te bereiken resultaat, worden deze mogelijkheden eerst
                                        beoordeeld.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                        beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die
                                        onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                                    contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan
                                    recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat
                                    uit het zo mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het
                                    deelnemen aan gewenste activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met
                                    medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                                    religieuze activiteiten kan een individuele voorziening worden
                                    getroffen ten aanzien van het vervoer naar de gewenste
                                    bestemmingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van één of meer
                                    aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de
                                    individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                    bereiken resultaat, worden deze mogelijkheden eerst
                                    beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden
                                    beschikbaar en bruikbaar zijn, worden ten aanzien van die
                                    onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERSTREKKING IN NATURA, ALS PERSOONSGEBONDEN BUIDGET EN ALS
                            FINANCIËLE TEGEMOETKOMING EIGEN BIJDRAGEN EN EIGEN AANDEEL</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Verstrekking van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Mogelijke verstrekkingwijzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                                    financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het
                                    college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte
                                    keuze tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden
                                    budget niet wordt geboden, aan de hand van de in het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning neergelegde criteria.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gekozen vorm van een voorziening kan op verzoek van de
                                    belanghebbende worden gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>na afloop van de in de beschikking genoemde termijn,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>zodra er substantiële wijzigingen in aard of omvang van
                                            de voorziening optreden, of</al></li><li nr="c."><al>indien er dringende redenen hiervoor zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>In het Besluit zijn richtlijnen opgenomen voor het bepalen van de
                                omvang van de individuele voorziening, voor de uitbetaling van het
                                persoonsgebonden budget/de financiële tegemoetkoming, en voor de
                                verantwoording van en controle op de besteding van het
                                persoonsgebonden budget/de financiële tegemoetkoming.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Verstrekking in natura</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de
                                    beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>wat de aard en de omvang van de te treffen voorziening
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur is van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>op welke wijze het genomen besluit bijdraagt aan het
                                            bereiken van het gewenste resultaat;</al></li><li nr="d."><al>hoe de voorziening in natura verstrekt wordt;</al></li><li nr="e."><al>welke voorwaarden en verplichtingen aan de verstrekking
                                            zijn verbonden;</al></li><li nr="f."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                            verstrekking is geregeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in
                                    de beschikking opgenomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verstrekking als persoonsgebonden budget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                    persoonsgebonden budget wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk te bereiken resultaat het persoonsgebonden
                                            budget gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een
                                            program van eisen waaraan bij de besteding voldaan moet
                                            worden;</al></li><li nr="b."><al>wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe
                                            deze omvang tot stand is gekomen;</al></li><li nr="c."><al>wat de duur van de verstrekking is waarvoor het
                                            persoonsgebonden budget bedoeld is;</al></li><li nr="d."><al>welke regels gelden ten aanzien van verantwoording van
                                            het persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="e."><al>welke voorwaarden en verplichtingen aan de verstrekking
                                            zijn verbonden;</al></li><li nr="f."><al>dat het deel van het budget dat niet is besteed aan het
                                            daarvoor bestemde resultaat, terugbetaald moet
                                            worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in
                                    de beschikking opgenomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Verstrekking als financiële tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                    financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk te bereiken resultaat de financiële
                                            tegemoetkoming bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>welke voorwaarden en verplichtingen aan de verstrekking
                                            zijn verbonden;</al></li><li nr="d."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                            verstrekking is geregeld;</al></li><li nr="e."><al>wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is;</al></li><li nr="f."><al>dat het deel van de tegemoetkoming dat niet is besteed
                                            aan het daarvoor bestemde resultaat, terugbetaald moet
                                            worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er sprake is van een te betalen eigen aandeel wordt dit in
                                    de beschikking opgenomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat na of het verstrekte persoonsgebonden budget
                                    dan wel de financiële tegemoetkoming besteed is aan het doel
                                    waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht de
                                    daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit, op
                                    verzoek van het college per omgaande te verstrekken. Het college
                                    kan in het Besluit nadere regels stellen om in bepaalde gevallen
                                    tot steekproefsgewijze controle over te gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt
                                    door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het
                                    persoonsgebonden budget dan wel de financiële tegemoetkoming
                                    geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening is een eigen bijdrage of
                                    een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de volgende
                                    resultaten:</al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>beschikken over goederen voor primaire
                                            levensbehoeften;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                            kleding;</al></li><li nr="d."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                            behoren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedragen en percentages die gelden voor de eigen bijdrage dan
                                    wel eigen aandeel zijn gelijk aan de bedragen zoals opgenomen in
                                    artikel 4.1 lid 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    (Stct. 2 oktober 2006), zoals jaarlijks aangepast door de
                                    Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigen bijdrage is nooit hoger dan de kosten van de toegekende
                                    voorziening.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>PROCEDURELE BEPALINGEN ROND ONDERZOEK ADVIES EN BESLUITVORMING
                            INTREKKING EN TERUGVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>De termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden bedraagt
                            voor:</al><lijst><li nr="1."><al>een voorziening voor het wonen in een schoon en leefbaar huis:
                                    maximaal 8 weken;</al></li><li nr="2."><al>een voorziening voor het beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften: maximaal 8 weken;</al></li><li nr="3."><al>een voorziening voor het beschikken over schone, draagbare en
                                    doelmatige kleding: maximaal 8 weken;</al></li><li nr="4."><al>een voorziening voor het thuis kunnen zorgen voor kinderen die
                                    tot het gezin behoren: maximaal 8 weken;</al></li><li nr="5."><al>een voorziening voor het wonen in een geschikt huis:</al><lijst><li nr="a."><al>als het gaat om voorzieningen waarvoor geen bouwkundige
                                            offertes opgevraagd moeten worden: maximaal 8
                                            weken;</al></li><li nr="b."><al>als het gaat om voorzieningen waarvoor wel bouwkundige
                                            offertes opgevraagd moeten worden: maximaal 13
                                            weken;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>een voorziening voor het zich verplaatsen in en om de woning:
                                    maximaal 13 weken;</al></li><li nr="7."><al>een voorziening voor het zich lokaal verplaatsen per
                                    vervoermiddel: maximaal 8 weken;</al></li><li nr="8."><al>een voorziening voor het ontmoeten van medemensen het op basis
                                    daarvan sociale verbanden aangaan: maximaal 8 weken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak voor het te bereiken doel langdurig is, tenzij
                                        kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te
                                        bereiken resultaat;</al></li><li nr="b."><al>de te verstrekken voorziening als de
                                        goedkoopst-compenserende voorziening aan te merken is;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van de voorziening in redelijke verhouding staan
                                        tot de resterende technische levensduur van de woonruimte,
                                        het vervoermiddel of de rolstoel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de belanghebbende niet woonachtig is in de gemeente
                                        Oegstgeest;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of
                                        het moment van beschikken heeft gemaakt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag
                                        betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige
                                        wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken
                                        is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening
                                        verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet
                                        aan de belanghebbende zijn toe te rekenen, of tenzij
                                        belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="e."><al>voor zover er van de zijde van de belanghebbende geen sprake
                                        is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de
                                        situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen
                                        waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>indien de gevraagde voorziening naar het oordeel van het
                                        college niet medisch of psychosociaal noodzakelijk is;</al></li><li nr="g."><al>indien in de persoon gelegen factoren een adequaat en
                                        verantwoord gebruik van de voorziening belemmeren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op de aangevraagde voorziening, degene
                                door wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke zorg diens
                                relevante huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen of
                                        door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        bevragen en/of onderzoeken;</al></li><li nr="b."><al>via een huisbezoek op een door het college te bepalen
                                        tijdstip te bezoeken en hem te bevragen of door één of meer
                                        daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
                                        onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een eerste aanvraag betreft;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag om medische redenen wordt afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De belanghebbende is verplicht om op verzoek of uit eigener beweging
                                aan het college of aan door hen aangewezen adviseurs die gegevens te
                                verschaffen, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al>De aanvraag moet worden ingediend bij het hiervoor door het college
                            ingestelde loket, in welk loket de toegang tot het aanvragen van
                            individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied
                            van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                            is geregeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Wijziging situatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college
                                mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan
                                redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn
                                op het recht op een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd, na toekenning van een voorziening op grond
                                van deze verordening, de persoon met beperkingen op te roepen of hem
                                schriftelijk om informatie te vragen teneinde vast te stellen of de
                                omstandigheden die hebben geleid tot toekenning van de voorziening,
                                ongewijzigd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Intrekking/wijziging besluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden
                                        gesteld bij of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>beschikt is op grond van gegevens en gebleken is dat die
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden (bij eenmalige
                                uitbetaling) na uitbetaling dan wel binnen de termijn waarvoor het
                                is toegekend niet (geheel) is aangewend voor de bekostiging van het
                                resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een besluit genomen op grond van deze verordening
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien in de persoon gelegen
                                factoren een adequaat en verantwoord gebruik van een voorziening
                                belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan het recht op een voorziening beëindigen op verzoek
                                van belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het recht op een voorziening geheel of gedeeltelijk is
                                ingetrokken/beëindigd kan op basis daarvan een reeds uitbetaalde
                                financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken/beëindigd kan deze voorziening worden teruggevorderd
                                indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                                ingetrokken/beëin-digd, wordt deze voorziening teruggehaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ingeval een in bruikleen verstrekte voorziening als gevolg van
                                verwijtbare gedragingen van de persoon met beperkingen niet meer
                                aanwezig is, kan de restwaarde van de voorziening in rekening worden
                                gebracht bij de bruiklener.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>SLOTBEPALINGEN</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende
                            bedragen verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de
                            gezinsconsumptie, zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning (Stbl. 2006, 450).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Oegstgeest”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2011.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Oegstgeest 2012</titel></kop><tussenkop>Achtergrond</tussenkop><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is op 1 januari 2007 van kracht
                    geworden. De uitvoering van deze nieuwe wet is aanvankelijk wat betreft de
                    individuele voorzieningen van prestatieveld 6 “beleidsarm” ingezet. Dat wil
                    zeggen dat de bestaande regelgeving van de aan de Wmo voorafgaande Wet
                    voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de functie Huishoudelijke Verzorging (HV)
                    uit de AWBZ zo veel mogelijk ongewijzigd in de nieuwe verordening werden
                    opgenomen. </al><al>Deze beleidsarme invoering heeft veel reacties opgeroepen. Allereerst van de
                    gebruikers. Hun koepels, de CG-Raad en de gezamenlijke Ouderenbonden, hebben
                    direct gereageerd, maar hadden ook begrip voor de onmogelijkheid om in zeer
                    korte tijd een geheel nieuw beleid te ontwikkelen. Ook Kamerleden reageerden
                    teleurgesteld, maar toonden ook weer begrip. Toen de Wmo eenmaal ingevoerd was
                    reageerden ook de rechters. Zij reageerden zonder terughoudendheid, omdat zij de
                    regelgeving als uitgangspunt namen. Daardoor ontstond een steeds grotere
                    discrepantie tussen de tekst van de modelverordening en de daarop gebaseerde
                    verordeningen van gemeenten en het door gemeenten te hanteren beleid.</al><al>Vrij vlot na de invoering van de Wmo heeft de VNG het initiatief genomen om de
                    modelverordening door te ontwikkelen. Op 8 april 2008 werd een expertmeeting
                    gehouden en als gevolg daarvan is een “Proeve voor een nieuwe modelverordening”
                    ontwikkeld. De reactie daarop was niet direct positief. Los van het gegeven dat
                    het slechts een proeve was werd geoordeeld dat aan het schrijven van een nieuwe
                    verordening een tweetal processen vooraf zouden moeten gaan: een proces onder
                    (potentiële) gebruikers van de Wmo en een proces onder de uitvoerders van de
                    Wmo, de gemeenten. In samenwerking tussen VNG enerzijds en CG-Raad en
                    gezamenlijke Ouderenbonden anderzijds is daarop “De Kanteling” ontstaan: een
                    proces om de Wmo te doen kantelen naar een wijze van uitvoeren die recht doet
                    aan de bedoeling van de wetgever, met name ten aanzien van het nieuwe begrip
                    “compensatieplicht”.</al><al>De modelverordening is de weerslag van twee zaken. Allereerst hebben de
                    resultaten van het project “De Kanteling” aan de basis gelegen van de in deze
                    modelverordening opgenomen tekst. Vervolgens is ook rekening gehouden met de
                    jurisprudentie, met name die van de Centrale Raad van Beroep. Bij het opstellen
                    van de gekantelde Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is
                    zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de modelverordening.</al><al>De opbouw van de verordening is geheel anders dan die van de voorafgaande
                    verordening en die van de Wvg was. In deze verordening ligt het zwaartepunt op
                    de te behalen resultaten in plaats van op voorzieningen en op het zogenaamde
                    “gesprek”, een open gesprek waarin samen met de persoon die compensatie behoeft
                    een zo volledig mogelijke inventarisatie gemaakt wordt van zijn<noot id="d784e1387"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm staat kan ook de
                            vrouwelijke vorm worden gelezen.</noot.al></noot> situatie, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn wensen en
                    individuele specifieke kenmerken en de problemen die om een oplossing vragen.
                    Leidend hierbij is het te bereiken resultaat. Op basis hiervan kan bekeken
                    worden welke mogelijkheden er zijn om dit resultaat te bereiken met oplossingen
                    die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden, (wettelijk) voorliggende
                    voorzieningen, algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                    collectieve voorzieningen. Daarna wordt duidelijk op welke punten nog
                    individuele voorzieningen nodig zijn. Na het gesprek volgt eventueel een
                    aanvraag voor individuele voorzieningen.</al><al>Door deze wijze van werken wordt het proces om te komen tot oplossingen in twee
                    delen gesplitst: een inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het “gesprek” en
                    een fase van aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen. </al><al>Het is zelfs mogelijk een keuze te maken die leidt tot invulling van beide fasen
                    door verschillende personen: het gesprek zou gevoerd kunnen worden door een
                    dicht bij de compensatiebehoevende staande professional (zoals een
                    ouderenadviseur of een medewerker van MEE) terwijl de fase van de concrete
                    aanvraag een taak is van de gemeente.</al><al>Na de begripsomschrijvingen ligt de focus op de te bereiken resultaten. Daarin
                    zal per onderdeel van de Wmo, zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de wet (een
                    huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel en medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                    aangaan) uitgewerkt worden wat daarbij als resultaat bereikt moet worden. Daarna
                    wordt ingegaan op het Gesprek en vervolgens op de procedure na dat gesprek als
                    het komt tot een individuele aanvraag. Pas daarna zal besloten worden met een
                    aantal algemene soms procedurele regels.</al><tussenkop>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><tussenkop>Lid Wet</tussenkop><al>Waar Wet staat, wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning bedoeld.</al><tussenkop>Lid 2 College</tussenkop><al>Waar College staat, wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders.</al><tussenkop>Lid 3 Compensatieplicht</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend
                    aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008. In deze
                    uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel standpunt gegeven over de Wmo.
                    Het letterlijke citaat luidt:</al><al><cursief>“4.2.2. Artikel 4 van de Wmo verplicht het College aan de in dat
                        artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun
                        beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich
                        te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per
                        vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                        verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de
                        maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de
                        compensatieplicht van het College gericht moet zijn. Het is - gelet op de
                        artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op
                        artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen op welke wijze
                        invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                        compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het
                        College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de
                        rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te
                        treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied
                        van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo
                        legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken
                        dat als compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de
                        wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende
                        beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit.
                        Wel heeft hij daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een
                        dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder
                        omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de
                        gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6
                        van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen
                        worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde
                        compensatieplicht. De Raad vindt hiervoor steun in de parlementaire
                        geschiedenis, meer in het bijzonder in het verslag van het wetgevingsoverleg
                        (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 58 en 61), de brief van de
                        staatssecretaris van 30 oktober 2006 (Tweede Kamer 2006-2007, 30 131, nr.
                        122, p. 6), de memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30131, C, p. 7,
                        9, 10 en 57), de nadere memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30
                        131, E, p. 19 en 25) en de Handelingen (Eerste Kamer 27 juni 2006, p.
                        34-1645).”</cursief></al><al-groep><al>Uit dit citaat zijn de belangrijkste bestanddelen samengevoegd tot de
                        volgende begripsomschrijving:</al><al><cursief>“Compensatieplicht: De plicht van het College van burgemeester en
                            wethouders aan personen met een beperking, een chronisch psychisch of
                            een psychosociaal probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie van
                            hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                            participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren,
                            zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per
                            vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                            verbanden aan te gaan (met als doeleinden de zelfredzaamheid en de
                            maatschappelijke participatie van deze personen). Daarbij legt artikel 4
                            van de Wmo het College de plicht op om een resultaat te bereiken dat als
                            compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk
                            is”</cursief></al></al-groep><al>De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in
                    ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch
                    of een psychosociaal probleem, waaronder ook ouderen kunnen vallen. Daarbij moet
                    het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de
                    maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een
                    huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te
                    verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                    sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet
                    worden van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat legt een
                    beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het
                    hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds
                    wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de
                    Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”</al><tussenkop>Lid 4 Aanmelding</tussenkop><al>In het kader van het gesprek wordt niet gesproken van een aanvraag maar van een
                    aanmelding. Dit geeft verschillende aspecten van het gesprek aan. Allereerst dat
                    het gesprek niet het onderzoek is naar een te verstrekken voorziening, maar het
                    onderzoek naar de situatie van betrokkene, zijn behoeften, de te bereiken
                    resultaten enz. Dit is dan uitgangspunt voor de beoordeling welke resultaten
                    bereikt kunnen worden met algemene voorzieningen die voor iedereen beschikbaar
                    zijn. Dit traject kan uiteindelijk ook nog leiden tot een aanvraag voor een
                    individuele voorziening. Het gesprek is evenwel geen vrijblijvende zaak: het
                    gesprek is mede de basis voor de eventuele aanvraag voor een individuele
                    voorziening. Van het gesprek worden aantekeningen gemaakt die zo nodig
                    uitgewerkt worden tot een verslag, dat bij de aanvraag gevoegd
                        <cursief>kan</cursief> worden om te voorkomen dat zaken dubbel gedaan moeten
                    worden.</al><tussenkop>Lid 5 Het gesprek</tussenkop><al>Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen
                    ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich
                    aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het
                    college, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    inventariseert waar betrokkene en zijn mantelzorger(s) problemen ondervindt, wat
                    betrokkene nog zelf kan, wat de te bereiken resultaten zijn in de ogen van
                    betrokkene, wat de behoeften daarbij zijn, welke oplossingen er in de
                    maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen, zodat
                    een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de problemen. Met die
                    oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd. Voor zover die
                    resultaten niet in die gesprekken al te behalen zijn, zal een vervolg
                    noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag die leidt tot een beschikking. Het
                    gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag. Het verslag van het gesprek zal dan
                    ook bij de aanvraag worden gevoegd. Wie direct een aanvraag wil doen zonder
                    gesprek verplaatst in feite het gesprek naar na de aanvraag. Zonder gesprek, of
                    beter gezegd zonder het onderzoek dat tijdens het gesprek plaatsvindt, zal het
                    lastig kunnen zijn maatwerk te leveren.</al><al>Het gesprek wordt in hoofdstuk 2 uitgewerkt.</al><tussenkop>Lid 6 Aanvraag</tussenkop><al-groep><al>De aanvraag in het kader van de Wmo volgt in principe op het gesprek. Het
                        moge duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie
                        van betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is bij de
                        gemeente. </al><al>Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens
                        het bereiken van de afschrijvingstermijn, of als een goed bekende aanvrager
                        een nieuwe aanvraag doet.</al><al>De aanvraag kan schriftelijk of elektronisch gedaan worden. Een mondelinge
                        aanvraag is alleen mogelijk als daarover een bepaling in de verordening is
                        opgenomen.</al></al-groep><tussenkop>Lid 7 Belanghebbende</tussenkop><al>Doordat in de wet gesproken wordt over mantelzorgers en vrijwilligers als
                    doelgroep voor de compensatieplicht, kan het begrip ‘belanghebbende’ ruimer zijn
                    dan alleen betrokkene zelf. Daarom is het begrip belanghebbende opgenomen. Onder
                    belanghebbende kan dus ook verstaan worden de mantelzorger(s) van
                    betrokkene.</al><tussenkop>Lid 8 Psychosociaal probleem</tussenkop><al>Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar
                    inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken
                    is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo
                    heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke
                    betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is
                    overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009.
                    LJN: BI6832). Het betreft met name en verlies van zelfstandigheid of deelname
                    aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.</al><tussenkop>Lid 9 Algemene voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en
                        product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door
                        alle inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn
                        op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te
                        verkrijgen of te gebruiken. Voorbeelden zijn:</al><al> De dagrecreatie voor ouderen </al><al> De sociale alarmering </al><al> De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige
                        boodschaphulp</al><al> De maaltijdservice en het eetcafé</al><al> Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                        buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice</al><al> De (ramen)wasservice </al><al> De rolstoel-pools en scootmobiel-pools voor incidentele situaties</al><al> De kortdurende huishoudelijke hulp</al><al> Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen </al><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening
                        en de Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. </al></al-groep><tussenkop>Lid 10 Algemeen gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening,
                    met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die
                    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook
                    op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een
                    normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of
                    soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan
                    vergelijkbare voorzieningen. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat
                    om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat
                    om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van
                    de handicap onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit
                    principe gemaakt moet worden.</al><tussenkop>Lid 11 Collectieve voorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch
                        door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het
                        collectief (vraagafhankelijk) vervoer (cvv) het meest duidelijke
                        voorbeeld.</al><al>Het cvv is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure
                        geldt, er een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is. </al><al>Er zijn gemeenten die met het cvv al richting algemene voorziening gaan,
                        bijvoorbeeld voor 75-plussers die via een verkorte aanvraag en zonder nader
                        onderzoek op grond van hun leeftijd van het cvv gebruik mogen maken. </al><al>Op termijn zou het gehele cvv een algemene voorziening kunnen worden à la de
                        belbus. </al></al-groep><tussenkop>Lid 12 Voorliggende voorziening</tussenkop><al>Voorliggende voorzieningen kunnen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen,
                    algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen. Bij deze voorzieningen is
                    de functie bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen. </al><tussenkop>Lid 13 Wettelijk voorliggende voorziening</tussenkop><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen die in wetgeving
                    en in regelgeving zijn vastgelegd en die op basis van artikel 2 van de wet
                    voorgaan op de Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de
                    Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de
                    kinderopvang en de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten. </al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo, zo is in
                    artikel 2 Wmo bepaald.</al><tussenkop>Lid 14 Individuele voorziening</tussenkop><al>In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor
                    iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de
                    wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze
                    voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar
                    en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die
                    rond eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><tussenkop>Lid 15 Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>Als in een leefeenheid meerdere meerderjarige personen wonen, hebben zij
                    gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten.
                    Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling. Dit uitgangspunt heeft een
                    verplichtend karakter.</al><tussenkop>Lid 16 Voorziening in natura</tussenkop><al>In dit lid is omschreven wat een voorziening in natura is.</al><tussenkop>Lid 17 Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag bedoeld om het
                    te bereiken resultaat te bereiken.</al><tussenkop>Lid 18 Financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Vervolgens wordt omschreven wat een financiële tegemoetkoming is. Daarbij wordt
                    gesproken over een forfaitair bedrag, een bedrag waarbij geen rekening is
                    gehouden met het inkomen of met de werkelijke kosten.</al><tussenkop>Lid 19 Hoofdverblijf</tussenkop><al>Het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het begrip is omschreven
                    naar de plaats waar iemand in de basisadministratie staat ingeschreven dan wel
                    ingeschreven zal staan. Indien de werkelijke situatie afwijkt, wordt gekeken
                    naar het aantal nachten dat men doorbrengt. Bij twijfel kan de plaats waar per
                    jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar
                    iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere
                    plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht, zoals
                    personen die het jaar deels in het buitenland doorbrengen, personen die deels in
                    een AWBZ-instelling verblijven en deels elders, enz.</al><tussenkop>Lid 20 Mantelzorger</tussenkop><al>Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting
                    gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in
                    artikel 1 lid 1 onder b.</al><tussenkop>Lid 21 Besluit</tussenkop><al>In dit Besluit zijn nadere regels, met name financiële bepalingen, vastgesteld
                    voor de uitvoering van de verordening.</al><tussenkop>Lid 22 Eigen bijdrage / eigen aandeel</tussenkop><al>De bevoegdheid tot het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15, eerste lid, van de Wet.
                    Deze kan op het inkomen worden afgestemd, op basis van artikel 15, derde lid,
                    van de Wet bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vastgestelde nadere regels.
                    In de AMvB is bepaald welke ruimte gemeentebesturen hebben voor het vaststellen
                    van eigen bijdragen, indien zij daartoe willen overgaan.</al><tussenkop>Lid 23 Budgethouder</tussenkop><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget dan wel over de financiële tegemoetkoming en over de
                    besteding daarvan ook verantwoording af dient te leggen.</al><tussenkop>Lid 24 en 25 woning en goedkoopst compenserend</tussenkop><al>Beide bepalingen zijn in de verordening opgenomen en zijn derhalve in de
                    begripsbepalingen vermeld. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 De te bereiken resultaten</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken
                    resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht.</al><al>Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid: </al><lijst><li nr="a."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="b."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="c."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="d."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="e."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al></li><li nr="f."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="g."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al>Op deze 8 terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. Ook de Centrale Raad spreekt over resultaatverplichting,
                    bijvoorbeeld in de eerdergenoemde uitspraak van december 2010. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Scheiding aanmelding en aanvraag</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel bepaalt dat er een scheiding wordt aangebracht tussen een
                        aanmelding en een aanvraag. In een drietal situaties, namelijk wanneer
                        iemand zich voor het eerst meldt voor een individuele voorziening, wanneer
                        iemand zich niet voor het eerst meldt, maar wanneer er sprake is van
                        gewijzigde omstandigheden die een nieuw gesprek rechtvaardigen, of indien
                        ofwel belanghebbende ofwel de gemeente dat gewenst vindt, dient een aanvraag
                        voorafgegaan te worden door het gesprek. Dit uitgangspunt wordt terzijde
                        gezet als betrokkene aangeeft direct een aanvraag te willen doen. Dan zal
                        het gesprek tijdens de aanvraagprocedure plaats kunnen vinden in de vorm van
                        het noodzakelijke gemeentelijke onderzoek.</al><al>Globaal kan gesteld worden dat een aanvraag pas gedaan kan worden als op
                        basis van een gesprek een uitgebreide inventarisatie heeft plaatsgevonden en
                        alle mogelijke niet-individuele voorzieningen al zijn beoordeeld. Dat
                        betekent dat het voor de gemeente duidelijk moet zijn dat er geen andere
                        oplossingen zijn dan een individuele oplossing en dat de te bereiken
                        resultaten en de manier waarop die resultaten bereikt kunnen worden
                        vastgelegd zijn en beoordeeld als vallend onder de Wmo.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4 aanmelding voor een gesprek</tussenkop><al-groep><al>Artikel 4 bepaalt dat een gesprek aangevraagd wordt middels een aanmelding.
                        Het gesprek leidt niet tot een beschikking, dus er is geen sprake van een
                        aanvraag die de regels van de Algemene wet bestuursrecht dient te volgen.
                        Daarom kan een aanmelding ook mondeling (telefonisch of op een andere
                        manier) worden gedaan, hetgeen in principe niet voor een formele aanvraag,
                        zoals in Hoofdstuk 4 genoemd, geldt.</al><al>Als een aanmelding is gedaan dient binnen een bepaald aantal werkdagen een
                        afspraak voor het gesprek gemaakt te worden. Dit is van belang, omdat de
                        belanghebbende direct het gevoel dient te hebben serieus genomen te worden.
                        Een vlotte afspraak duidt daar (onder andere) op. Een aanmelding die daarna
                        gedurende enkele weken blijft liggen zonder enige activiteit rond het maken
                        van een afspraak wekt niet het vertrouwen dat men serieus wordt genomen.
                        Bovendien geeft een aanmelding aan dat betrokkene een probleem ervaart. Het
                        is van belang te laten blijken dat er vaart gezet wordt achter het oplossen
                        van een probleem. En tot slot mag de extra stap van het gesprek niet leiden
                        tot tijdverlies, het gesprek zou moeten leiden tot tijdwinst.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5 Het gesprek</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                        compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door
                        eerdere aanvragen en een eerder gesprek al bekend is, kan wellicht de fase
                        van het gesprek overslaan. Dit zal niet altijd het geval zijn. Na een
                        gewijzigde situatie kan het van belang zijn een nieuw of een aanvullend
                        gesprek te houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft
                        behoefte te hebben aan compensatie, verder belanghebbende genoemd – een
                        complete inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het
                        startpunt bij de belanghebbende en inventariseert:</al><al> De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal
                        probleem dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al><al> De mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft.</al><al> De onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het
                        ondervonden probleem of de ondervonden problemen.</al><al> De resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in deze
                        verordening weergegeven terreinen.</al><al> Hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande
                        belemmeringen op te lossen.</al><al> De mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen
                        oplossingen, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen of via collectieve voorzieningen te bereiken.</al><al> De mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via een
                        individuele voorziening op te lossen.</al></al-groep><al>Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening
                    in het kader van prestatieveld 6 van de Wmo (artikel 1, lid 1 onder g sub 6
                    Wmo). Dit is van groot belang om te voorkomen dat er een claimgerichte invulling
                    van de Wmo plaatsvindt, welke invulling in strijd is met de doelstelling van de
                    Wmo. Dat heeft consequenties. Wanneer iemand met een claimgerichte aanvraag komt
                    en die uitsluitend claimgericht behandeld wil zien kan dit betekenen dat een
                    gemeente moeilijk maatwerk kan leveren. </al><al>Omdat het op zich al van belang is dat het gesprek uitmondt in volstrekte
                    duidelijkheid over datgene wat in het gesprek is aangegeven, is er voor gekozen
                    in bepaalde situaties dit gesprek uit te laten monden in een verslag. Dit
                    verslag wordt vervolgens voor akkoord getekend, zodat het verslag indien gewenst
                    als aanvraag gebruikt kan worden indien individuele voorzieningen noodzakelijk
                    blijken.</al><al>Bij het gesprek is het begrippenkader van de ICF, de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Health, uitgangspunt. Ook bij de
                    formulering van de te bereiken resultaten is het ICF basis geweest. Het is de
                    wens van de wetgever geweest dat dit plaats zou vinden.<noot id="d784e1641"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>Toelichting amendement van het lid van Miltenburg c.s. TK
                            2005-2006, 30131 nr. 65: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                            biedt de International Classification of Functions, Disabilities and
                            Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als
                            grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                            gevallen vast te stellen.”</noot.al></noot></al><al>Het gesprek zal alleen gevoerd kunnen worden door een persoon die ter plekke
                    uitstekend bekend is: kennis van alle in de regio aanwezige mogelijkheden aan
                    algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve en ook individuele voorzieningen
                    is onmisbaar voor het goed voeren van een gesprek. Na dit gesprek moet een
                    gemeente er immers van uit kunnen gaan dat alle voorliggende, door
                    belanghebbende zelfstandig aan te spreken mogelijkheden, bekeken zijn. Het kan
                    niet de bedoeling zijn dat dit na een aanvraag alsnog beoordeeld moet worden.
                    Mocht de gemeente nadat een aanvraag is ingediend behoefte hebben aan een
                    medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline,
                    dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een
                    procedure als het gesprek waarbij belanghebbende en zijn wensen en persoonlijke
                    kenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde
                    individuele voorziening.</al><al>Het gesprek wordt gevoerd aan de hand van een standaardlijst. Deze lijst is van
                    belang om te zorgen dat er geen enkel mogelijk van belang zijnd punt vergeten
                    wordt. Dit betekent niet dat het gesprek een starre opzet heeft: naast structuur
                    die door de gespreksvoerder aangebracht kan worden, is er de richting die de
                    belanghebbende aan het gesprek geeft.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><al-groep><al>Het gesprek wordt in principe bij de belanghebbende thuis gevoerd. Er is een
                        aantal argumenten aan te voeren waarom dit de meest geschikte plek is: het
                        is de vertrouwde omgeving van betrokkene, een gespreksvoerder kan zich
                        gemakkelijker aanpassen aan wisselende plaatsen, het kan relevant zijn de
                        leefomgeving van de belanghebbende te zien om de loop van het gesprek beter
                        te begrijpen, enz. Ook is het mogelijk het ten kantore van degene die als
                        gespreksvoerder aan het gesprek deelneemt te houden. Dit omdat bijvoorbeeld
                        in de thuissituatie door allerlei omstandigheden (kleine kinderen?) een
                        gesprek niet mogelijk of uiterst ingewikkeld is. Verder is het mogelijk dat
                        de belanghebbende aangeeft het gesprek liever elders te voeren. Dat zou
                        kunnen zijn bij een vertrouwenspersoon of een naast familielid.</al><al>Het gesprek wordt gevoerd aan de hand van een lijst van te bespreken punten
                        die tegelijk met de bevestiging van de afspraak voor het gesprek aan
                        belanghebbende wordt toegezonden. Een dergelijke lijst maakt het voor
                        belanghebbende, indien hij dit wil, mogelijk zich voor te bereiden op het
                        gesprek. Daardoor komen belanghebbende en de gespreksvoerder meer in een
                        gelijke positie te verkeren dan zonder informatie vooraf. De lijst mag,
                        zoals eerder gezegd, niet leiden tot een starre benadering van het gesprek
                        door de lijst strikt te volgen. De lijst is bedoeld als ondersteuning.</al></al-groep><al>Lid 1 geeft aan dat het ICF de basis is voor het begrippenkader van het gesprek.
                    Dit wil niet zeggen dat het ICF op tafel moet komen of dat belanghebbende bekend
                    moet zijn met het ICF. Het ICF zal aan de basis liggen van de lijst met te
                    bespreken punten en de daarbij te gebruiken begrippen. Wel betekent dit dat de
                    gespreksvoerder de ICF moet kennen. </al><al>Lid 2 bepaalt dat als de aanmelding gedaan is door een mantelzorger, het gesprek
                    met de mantelzorger en zo mogelijk ook met degene die door de mantelzorger
                    verzorgd wordt, gevoerd zal worden.</al><tussenkop>Artikel 6 Het verslag</tussenkop><al-groep><al>Artikel 6 bepaalt dat het gesprek met een verslag kan worden afgesloten. Dit
                        verslag zal meestal niet ter plekke gemaakt worden. In veel gevallen zal het
                        ongewenst zijn het gesprek met een laptop ter plekke vast te leggen: deze
                        manier van werken zal het gesprek wellicht negatief beïnvloeden, omdat het
                        maken van het verslag een te grote rol in het proces van het gesprek zal
                        gaan spelen. De gespreksvoerder zal volledig aan het gesprek moeten kunnen
                        deelnemen. Het lijkt een betere oplossing om per onderdeel van het gesprek
                        en uiteindelijk aan het eind van het gesprek de belangrijkste punten kort
                        samen te vatten en die op papier te zetten. Belanghebbende zal deze
                        aantekeningen te allen tijde desgevraagd kunnen ontvangen. Met deze punten
                        kan door de gespreksvoerder uiteindelijk een uitgebreid gespreksverslag
                        worden gemaakt. Het verslag kan het beste zo snel mogelijk, denk aan 2 tot 4
                        werkdagen beschikbaar worden gesteld. Hoe sneller het verslag beschikbaar
                        is, hoe beter de deelnemers aan het gesprek zich dat gesprek kunnen
                        herinneren!</al><al>Belanghebbende heeft de mogelijkheid in het verslag correcties en
                        aanvullingen aan te brengen. Deze komen niet in de plaats van het
                        oorspronkelijke verslag, maar worden aan het oorspronkelijke verslag
                        toegevoegd.</al></al-groep><al>Als de belanghebbende het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van
                    zijn naam, adres en een dagtekening kan het verslag functioneren als
                    aanvraagformulier voor een individuele aanvraag, als dat (mede) de uitkomst is
                    van het gesprek. Met die aanvraag wordt een formele procedure ingezet die
                    gebonden is aan de regels van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het een ander
                    traject is met een ander regime en een andere sfeer is de aanvraag in een nieuw
                    hoofdstuk opgenomen.</al><al>Daarbij dient men zich te realiseren dat het gesprek gevoerd wordt vanuit de
                    belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke kenmerken. Van het verslag kan
                    dan ook niet verwacht worden dat het een objectieve weergave van de situatie van
                    betrokkene weergeeft: het zal duidelijk subjectieve aspecten bevatten. Deze
                    subjectieve aspecten zullen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Bestaat er
                    uiteindelijk behoefte aan een objectieve onderbouwing, dan zal dat na de
                    aanvraag plaats moeten hebben.</al><tussenkop>Artikel 7 De aanvraag</tussenkop><al>In lid 1 is geregeld dat een aanvraag van een individuele voorziening altijd
                    schriftelijk moet worden gedaan, waarbij elektronisch een vorm van schriftelijk
                    is. Dit is een verplichting op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht dat bepaalt dat, tenzij bij wettelijk voorschrift anders bepaald,
                    een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden
                    ingediend.</al><al-groep><al>Lid 2 bepaalt dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een
                        andere manier) wordt ingediend de gemeente deze indiening schriftelijk moet
                        bevestigen onder gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier om deze
                        aanvraag formeel te maken. </al><al> Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                        beschikking (in principe 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat
                        het aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde
                        bijlagen waaronder het eventuele verslag van het gesprek, bij de gemeente is
                        binnengekomen. Het spreekt voor zich dat deze belangrijke informatie in de
                        begeleidende brief bij het aanvraagformulier verstrekt dient te worden.</al></al-groep><al>Lid 3 bepaalt dat, als er een gesprek is gevoerd waarvan een verslag is gemaakt
                    dat is ondertekend, dit ondertekende verslag van het gesprek als
                    aanvraagformulier beschouwd kan worden.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Beoordeling van de te bereiken resultaten</tussenkop><al-groep><al>Hoofdstuk 4 van de verordening heeft een speciale opbouw. In paragraaf 1
                        worden de algemene regels die voor alle 8 te bereiken resultaten gelden,
                        opgesomd. Het betreft dan met name het maken van een afweging. Waarom deze
                        maatregel, deze voorziening wel en die niet. Zeker als de te verstrekken
                        voorziening niet (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot
                        belang: het gaat immers om het te bereiken resultaat en het college zal dan
                        aan moeten kunnen geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden.</al><al>In paragraaf 2 wordt dan per te bereiken resultaat besproken wat de globale
                        kaders zijn.</al></al-groep><al>Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de voorzieningen die mogelijk
                    zijn. Allereerst laat de wet deze mogelijkheid toe. Vervolgens is het principe
                    van het gesprek en de daaropvolgende aanvraag zodanig dat niet van meet af aan
                    een bepaalde voorziening centraal in de procedure moet staan maar het te
                    bereiken resultaat en hoe dat mogelijk is. Focussen op een bepaalde voorziening
                    kan de aandacht daarvan zodanig afleiden dat de verkeerde voorziening wordt
                    toegekend.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Het maken van een afweging</tussenkop><al>In lid 1 van artikel 8 is vastgelegd dat het college het verslag van het gesprek
                    als uitgangspunt neemt voor de beoordeling van de vraag welke voorzieningen
                    getroffen gaan worden. Daarbij gaat het college uit van de persoonskenmerken en
                    behoeften van de aanvrager, zoals artikel 4 Wmo voorschrijft. "Uitgaan van"
                    betekent dat het college die persoonskenmerken en behoeften als vertrekpunt van
                    het onderzoek en de afweging neemt. Bij het onderzoek zal gekeken worden naar
                    wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk ten aanzien van de te bereiken
                    resultaten mogelijk is. Het college kijkt daarbij ook naar de mogelijkheden van
                    belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken, bijvoorbeeld met een bepaald
                    hulpmiddel.</al><al-groep><al>Lid 2 bepaalt dat alle eigen mogelijkheden, (wettelijk) voorliggende,
                        algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen die voor betrokkene
                        beschikbaar en in praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst
                        beoordeeld moeten worden. Dat wil zeggen dat allereerst bekeken moet worden
                        of via deze, in de maatschappij logischerwijs voorhanden voorzieningen, de
                        te bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt kunnen worden. Dat kan
                        nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen er normaal voorhanden
                        zijn. Als deze voorzieningen toch niet leiden tot het te bereiken resultaat
                        zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen individuele
                        voorzieningen ter beoordeling in perspectief.</al><al>Als er geen gesprek heeft plaatsgevonden, zal dit na de aanvraag gebeuren.
                        Dus met of zonder gesprek: er wordt in alle gevallen eerst beoordeeld welke
                        eigen mogelijkheden, (wettelijk) voorliggende, algemeen gebruikelijke en
                        collectieve voorzieningen een oplossing zouden kunnen bieden om het te
                        bereiken resultaat daadwerkelijk te bereiken.</al></al-groep><tussenkop>Paragraaf 2 De te bereiken resultaten</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Een schoon en leefbaar huis.</tussenkop><al>In lid 1 van artikel 9 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten
                    aanzien van een schoon en leefbaar huis. Dit resultaat houdt in dat iedereen
                    moet kunnen wonen in een huis dat schoon is volgens de normen zoals die tot nu
                    toe zijn gehanteerd. Wat betreft de vraag wat onder schoon verstaan moet worden,
                    zijn normen geformuleerd in de beleidsregels. Die normen zijn ontleend aan
                    gangbare ideeën die bestaan in de maatschappij. </al><al-groep><al>Er zijn ook beperkingen ten aanzien de omvang van de woning, zoals het
                        aantal kamers, de oppervlakte van de kamers, waarbij uitgangspunt is de
                        omvang van een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Dit uitgangspunt
                        is niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te stellen naar boven of naar
                        beneden (maatwerk). Ramen lappen aan de buitenkant valt van oudsher buiten
                        de gemeentelijke plicht. </al><al>Een aanvrager kan met een (sterk) afwijkende vraag ten aanzien van het
                        onderdeel omvang sociale woningbouw geen compensatie afdwingen voor het
                        meerdere boven het niveau sociale woningbouw. Dit is in de beleidsregels
                        nader uitgewerkt.</al><al>Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een
                        woonkamer, de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire
                        ruimten. Ook een eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal
                        meegenomen worden. </al></al-groep><al>In lid 2 van artikel 9 wordt geschetst welke individuele voorzieningen
                    beschikbaar gesteld kunnen worden om het schone en leefbare huis te bereiken.
                    Dat wordt allereerst bereikt met licht en zwaar huishoudelijk werk, d.w.z. om
                    het droog en nat schoon en stofvrij maken en houden van de woning. Daarbij valt
                    bijvoorbeeld het reinigen van de ramen aan de buitenkant niet onder de
                    compensatieplicht, omdat daarvoor een algemeen gebruikelijke voorziening
                    bestaat: de glazenwasser. Het aantal benodigde uren voor deze activiteit zal
                    bepaald worden via een normenschema dat is opgesteld in samenwerking met de
                    aanbieders van HH en in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is
                    geaccepteerd als een redelijk uitgangspunt voor de bepaling van de omvang van de
                    hulp. Overigens kunnen ook andere normenschema’s ontwikkeld worden, bijvoorbeeld
                    door schoonmaakbedrijven. Hierbij zal het te bereiken resultaat altijd centraal
                    dienen te staan.</al><al-groep><al>Lid 3 van artikel 9 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. </al><al>Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar.
                        Wanneer die in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden die onder de
                        compensatieplicht vallen over te nemen, moet allereerst gekeken worden of
                        dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten vanaf 18 jaar
                        zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat
                        betekent dat wanneer één van de huisgenoten die het huishoudelijk werk doet,
                        uitvalt, via een herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten
                        overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als de huisgenoten met
                        enige regelmaat langdurig afwezig zijn zal er plicht tot compensatie
                        bestaan. Ook aanwezige personen jonger dan 18 jaar, zoals thuiswonende
                        kinderen, worden geacht hun bijdrage aan het huishouden te leveren door hun
                        kamer bij te houden en hand- en spandiensten te verrichten.</al><al>Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet
                        in staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat
                        onderzoek gedaan moeten worden om dit vast te stellen.</al><al>Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten is geen reden tot
                        compensatie. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van
                        huisgenoten, waaronder begrepen de kinderen, kan compensatieplicht
                        betekenen. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld moeten
                        worden.</al></al-groep><al>Lid 4 bepaalt dat indien er sprake is van gebruikelijke zorg en er geen reden is
                    om aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, er in
                    principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. Omdat het om
                    maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden.
                    Hetzelfde geldt voor in artikel 8 lid 2 gestelde uitzondering voor voorliggende
                    en andere voorzieningen die gewoon in de maatschappij beschikbaar zijn.</al><tussenkop>Artikel 10 Beschikken over goederen voor primaire
                    levensbehoeften</tussenkop><al-groep><al>Lid 1 van artikel 10 beschrijft wat verstaan wordt onder het beschikken over
                        goederen voor primaire levensbehoeften. </al><al>Het kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften betekent
                        dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere
                        momenten waarop iets genuttigd wordt, beschikbaar moet zijn. Hetzelfde geldt
                        voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Deze dagelijkse benodigdheden
                        kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie houdt niet per definitie
                        in dat de aanvrager zelf de boodschappen moet kunnen doen. Er zal in
                        redelijkheid gezocht worden naar een oplossing waarmee het resultaat bereikt
                        wordt. Te denken valt aan een boodschappenservice, waarbij wel opgelet wordt
                        dat de supermarkt qua prijsniveau past bij de inkomenssituatie van de
                        aanvrager.</al><al>Het gaat niet alleen om de ingrediënten maar ook om de maaltijden zelf.
                        Compensatie betekent dat de aanvrager beschikt over de verschillende
                        maaltijden door de dag heen. Daarbij dient rekening te worden met medische
                        geïndiceerde diëten en kan rekening worden gehouden met de wensen van de
                        aanvrager. Het te bereiken doel kan behaald worden via een maaltijdservice,
                        via het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden of via het – met behulp
                        van een vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van maaltijden. Ook kan
                        het bereiden van maaltijden worden overgenomen.</al></al-groep><al>Lid 2 van artikel 10 stelt welke hulpmiddelen gekozen kunnen worden om dit
                    resultaat te bereiken. Boodschappen kunnen op verschillende manieren gedaan
                    worden. Er kan gebruik gemaakt worden van beschikbare diensten, zoals
                    boodschappenservice. Bij afwezigheid van dergelijke diensten, of indien de
                    kosten van de dienst, zowel wat betreft producten als wat betreft extra
                    bezorgkosten, dat rechtvaardigen, kan gekozen worden voor het inzetten van hulp
                    om de boodschappen te doen. Daarbij zal goedkoopst-compenserend leidraad zijn,
                    zodat het doen van boodschappen niet per se door de aanvrager zelf met hulp
                    hoeft te worden gedaan. Ook hier is het te bereiken resultaat van belang en is
                    de manier waarop daaraan ondergeschikt.</al><al>Lid 3 bepaalt dat een bruikbare boodschappenservice of bruikbare
                    maaltijdvoorziening die leidt tot het te bereiken resultaat voorliggend is op
                    eventueel individuele voorzieningen. Om te bepalen of een boodschappenservice of
                    maaltijdvoorziening bruikbaar is, zal gekeken moeten worden naar
                    gezinssamenstelling, kosten en concrete beschikbaarheid. Als een voorliggende
                    voorziening niet beschikbaar is, kan daar uiteraard geen gebruik van worden
                    gemaakt.</al><al>Lid 4 bepaalt dat indien een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee het
                    resultaat bereikt kan worden, er geen ruimte bestaat voor een individuele
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 11 Beschikken over schone draagbare en doelmatige kleding en
                    linnengoed</tussenkop><al-groep><al>In lid 1 is bepaald dat gemeenten aanvragers in staat moeten stellen om te
                        beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en linnengoed. Dit
                        onderdeel is beperkt tot het verzorgen van kleding en linnengoed die iemand
                        in zijn bezit heeft. Begeleiding bij het kopen van kleding valt niet onder
                        afdwingbare compensatie. Als daar behoefte aan bestaat, kan de gemeente wel
                        bemiddelen bij het regelen dat er geschikte en passende kleding wordt
                        gekocht, bijvoorbeeld met inschakeling van vrijwilligers. De wijze waarop
                        deze ondersteuning wordt geboden, is afhankelijk van de gezamenlijk door
                        aanvrager en gemeente te kiezen oplossing.</al><al>Als mobiliteit het probleem is, kan gedacht worden aan een
                        vervoersvoorziening om dat probleem op te lossen. Als er hulp bij het
                        huishouden aanwezig is, zou dit de oplossing kunnen bieden. Dat hoeft niet
                        per se via het samen kopen van kleding: het is ook mogelijk met behulp van
                        anderen kleding aan te schaffen. Wat doelmatige kleding precies is zal per
                        situatie verschillen. Het moge duidelijk zijn dat het gaat om dagelijkse
                        kleding en niet om exceptionele kleding zoals bijvoorbeeld speciale
                        gelegenheidskleding.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 2 </al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding en linnengoed betekent dat er
                        gewassen, gestreken en eventueel gerepareerd moet kunnen worden, alles voor
                        zover de aanvrager daartoe niet in staat is. Het wassen zal veelal gebeuren
                        met de algemeen gebruikelijke wasmachine. Ook het drogen van de was vindt
                        indien mogelijk plaats op de moderne wijze van drogen: de wasdroger. Voor
                        zover het noodzakelijk is kleding te strijken, kan dit ook onder te
                        compenseren problemen vallen. Daarbij is weer uitgangspunt wat in de
                        maatschappij algemeen gangbaar is.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 3 en 4</al><al>Als er voorliggende, algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen zijn, die tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal
                        geen ruimte bestaan voor individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard
                        gekeken of er wel sprake is van maatwerk.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 12 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                    behoren</tussenkop><al-groep><al>Lid 1 spreekt over de dagelijkse zorg voor kinderen die tot het gezin
                        behoren. Dit kan onder de compensatieplicht behoren als een ouder met
                        beperkingen dat zelf niet kan. Compensatie is dan bedoeld als ondersteuning.
                        Het zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere
                        oplossingen gezocht moeten worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke
                        en voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet
                        op de jeugdzorg. Intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de
                        gebruikelijke zorg overstijgt, valt onder de AWBZ.</al></al-groep><al>Lid 2 biedt de mogelijke oplossingen. Het thuis verzorgen van kinderen die tot
                    het gezin behoren zal veelal van kortere duur zijn. De compensatie van het niet
                    zelf verzorgen (en opvoeden) van tot het gezin behorende kinderen zal bij een
                    langere duur opgelost kunnen worden via algemeen gebruikelijke, voorliggende en
                    algemene voorzieningen. Soms zal tijdelijke compensatie van belang zijn om de
                    ouder(s) de gelegenheid te geven een definitieve oplossing te zoeken.
                    Voorliggende voorzieningen spelen dan een grote rol. Te denken valt aan
                    kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders enz. </al><al-groep><al>Lid 3 en 4</al><al>Voor- tussen- en naschoolse opvang kinderopvang of andere
                        opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de aanvrager kunnen
                        leiden tot het te bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een
                        individuele voorziening onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld
                        moeten worden of er sprake is van dit soort oplossingsmogelijkheden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 13 Een geschikte woning</tussenkop><al-groep><al>In lid 1 is beschreven dat - als het gaat om het wonen in een geschikte
                        woning - woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig, worden
                        bedoeld. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken
                        over een woning. Het is niet zo dat een gemeente voor een woning moet
                        zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. De gemeente
                        kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het zoeken naar een (geschikte)
                        woning. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem
                        op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het
                        bestedingspatroon.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat
                        eventuele problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden.
                        Daarbij kan veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De
                        ruimten zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire
                        ruimten. Er kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden, maar
                        omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt voor
                        compensatie gelden.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 2</al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen
                        van compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan
                        het mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is,
                        of een woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal
                        een afweging moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden.
                        Uitgangspunt daarbij zijn de behoeften van de aanvrager. Maar aan de andere
                        kant is er ook de noodzaak tot een doelmatige besteding van
                        gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk aanvragers gecompenseerd
                        kunnen worden met de beschikbare middelen. Door hier gericht beleid op te
                        maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De verschillende regels
                        die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de beleidsregels
                        opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen
                        van een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen
                        over afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening
                        later hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt
                        aanpassingen die bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als
                        vastgelegd kan worden dat deze aanpassing tijdens de gehele looptijd
                        beschikbaar kan blijven voor een gehandicapte. Dit zal over het algemeen
                        uitsluitend te realiseren zijn bij huurwoningen van sociaal verhuurders. In
                        andere situaties zal indien mogelijk gekozen worden voor het plaatsen van
                        een losse woonunit.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 3</al><al>Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken
                        woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning.
                        Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen
                        dat er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo
                        mogelijk rekening gehouden worden met de behoeften van de aanvrager. Dat wil
                        zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich
                        verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 4</al><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn of alternatieve voorzieningen zijn
                        die goedkoper zijn, zal eerst beoordeeld worden of het hanteren hiervan nog
                        leidt tot maatwerk, zodat via deze voorzieningen het resultaat bereikt zou
                        kunnen worden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 14 Zich verplaatsen in en om de woning</tussenkop><al>Lid 1. Het te bereiken resultaat betekent dat de aanvrager zich in om en nabij
                    zijn woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan het
                    verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                    verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan
                    de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een
                    buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                    resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen
                    horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de
                    brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin.
                    Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting
                    van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al-groep><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken
                        valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de
                        slaapvertrekken, het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de
                        berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk
                        gebruikt. In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar
                        zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de
                        compensatieplicht vallen.</al><al>Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en
                        zich daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om
                        dit resultaat te bereiken wordt compensatie geboden in de vorm van
                        hulpmiddelen. Een voorbeeld is een rolstoel voor verplaatsingen door de
                        ruimte. Ook een tillift zou gezien kunnen worden als een dergelijk middel.
                    </al></al-groep><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of
                    gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een
                    nieuwe voorziening moet ontvangen. De compensatieplicht betekent dat iemand met
                    de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen bereiken.</al><al>Het kunnen verplaatsen in de woning zou kunnen betekenen dat er twee
                    voorzieningen verstrekt worden. Wanneer iemand een transfer kan maken, maar
                    overigens aangewezen is op een rolstoel, zou gekozen kunnen worden voor een
                    stoeltjeslift in combinatie met een rolstoel beneden en een rolstoel boven,
                    waardoor iemand in staat zal zijn om zich in de gehele woning te verplaatsen. In
                    deze situatie kunnen naast een traplift ook andere voorzieningen nodig zijn om
                    de woning rolstoeldoorgankelijk te maken.</al><al-groep><al>Lid 2</al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis
                        (onder de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden als men
                        een dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Aan
                        een dergelijke noodzaak gaat vaak een periode vooraf waarin gebruik wordt
                        gemaakt van andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis van de
                        Zorgverzekeringswet of AWBZ of zelf aangeschaft. De zogenaamde rolstoel voor
                        incidenteel gebruik valt hier niet onder: deze rolstoel wordt immers niet
                        gebruikt voor verplaatsen in, om en nabij de woning, maar wordt vooral
                        gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel
                        niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik
                        gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of van
                        rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in
                        pretparken, dierentuinen en dergelijke.</al><al>De rolstoel voor incidenteel gebruik wordt alleen dan verstrekt, indien de
                        gemeente geen regeling heeft voor het lenen van dit soort rolstoelen. Ook is
                        het wellicht in incidentele situaties noodzakelijk om vanwege andere redenen
                        een dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het gaat
                        hierbij om uitzonderingen: uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt
                        wordt indien die noodzakelijk is voor het verplaatsen in, om en nabij de
                        woning.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 3 en 4</al><al>Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het
                        probleem van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom
                        zal een rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte
                        hebben aan een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet
                        in en om de woning plaatsvindt.</al><al>Als daar sprake van kan zijn, wordt geen individuele voorziening
                        verstrekt.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 15 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><al-groep><al>Lid 1</al><al>Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te
                        bereiken resultaat dat de aanvrager zich met een of ander vervoermiddel
                        binnen zijn eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kan
                        verplaatsen.</al><al>Die verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Dat
                        zijn alle verplaatsingen die niet uitsluitend te maken hebben met
                        verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Heeft men voor dat soort
                        verplaatsingen een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale
                        voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan
                        zal deze voorziening niet onder de compensatieplicht vallen maar vergoed
                        dienen te worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de
                        Wia.</al><al>Maar het enkele feit dat je met de voorziening die je nodig hebt in het
                        kader van het leven van alledag, ook naar je werk kunt, ontslaat de gemeente
                        niet van de compensatieplicht. Ook niet- gehandicapten gebruiken hun auto
                        vaak voor het reguliere woon-werkverkeer of voor het vervoer in het kader
                        van werk (waarvoor zij dan een vergoeding ontvangen van de werkgever). </al></al-groep><al-groep><al>Lid 2</al><al>De individuele voorzieningen die verstrekt kunnen worden voor het
                        verplaatsen met een vervoermiddel in de woonplaats en directe omgeving
                        betreffen een breed scala van verplaatsingen. Uitgesloten zijn
                        verplaatsingen die met een speciaal middel gemaakt moeten worden in verband
                        met betaalde arbeid. Verder zijn ook vakanties en ander verblijf buiten het
                        gebied zoals omschreven met woonplaats en omgeving uitgesloten. </al></al-groep><al>Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is
                    aanvullend op de door de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten de
                    verantwoordelijkheid van het college. Valys regelt het vervoer wanneer de
                    pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 OV-zones vanaf het
                    woonadres van de pashouder of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand
                    van meer dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder.</al><al>De gemeente is verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en
                    met vijf OV-zones vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen
                    op een afstand tot en met 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder. </al><al-groep><al>Wel gaat het om verplaatsingen, die nodig zijn voor het doen van
                        boodschappen (zodat ook op deze wijze het resultaat van het kunnen
                        beschikken over de eerste levensbehoeften wordt bereikt), om op bezoek te
                        gaan, om naar artsen, paramedici of specialisten te gaan en voor
                        ziekenhuisonderzoek, voor zover het zogenaamde zittend ziekenvervoer daar
                        geen oplossing voor biedt. Dit medisch vervoer betreft vooral situaties
                        waarbij dat vervoer zo frequent is dat het beschikbaar gestelde vervoer
                        bijna geheel aan dit medisch vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie
                        kan extra vervoer ter compensatie geboden worden. Ook het vervoer om in de
                        natuur te zijn, al dan niet met familie of vrienden, of het vervoer om een
                        kerk, een sporthal, of een museum te bezoeken valt onder de
                        compensatieplicht.</al><al>De omvang van de te bieden compensatie zal over het algemeen liggen tussen
                        1500 en 2000 kilometer per jaar. Het kan voorkomen dat er een grotere
                        vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of dat
                        een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de
                        financiële situatie van de aanvrager. Immers, met een laag inkomen kan men
                        wel de wens hebben veel verplaatsingen te maken, maar omdat voor iedere
                        Nederlander verplaatsen een prijskaartje heeft zal dat ook voor mensen met
                        een handicap gelden. Daarbij is het van belang vast te stellen of de
                        vervoersbehoefte hiermee spoort.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 3 </al><al>Het stellen van een inkomensgrens voor een forfaitaire tegemoetkoming in
                        vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 maal de bijstandsnorm is niet in
                        strijd met de geldende compensatieplicht. Iemand met een dergelijk inkomen
                        wordt geacht de kosten van het (regionaal) vervoer of het bezit en gebruik
                        van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het
                        begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in
                        relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al><al>In deze Verordening wordt, conform de reeds bestaande praktijk, gekozen voor
                        de vermenigvuldigingsfactor 1,5 als norm voor het inkomen.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 4</al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een scootermobielpool een oplossing
                        bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand.
                        Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot
                        deur. Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de
                        aanvrager uitgangspunt zijn bij de beoordeling welke voorziening nodig is om
                        het te bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen
                        individuele voorzieningen voorkomen.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 5</al><al>Dit lid geeft aan dat het primaat bij een collectieve voorziening ligt
                        indien deze beschikbaar en bruikbaar is. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 16 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten</tussenkop><al-groep><al>Lid 1</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te
                        hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of
                        religieuze activiteiten bestaat uit het kunnen afleggen van gewenste
                        bezoeken en het deelnemen aan gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht
                        worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken
                        van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het
                        volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen
                        invullen. Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het zich kunnen verplaatsen
                        naar deze bestemmingen. Daarvoor zal artikel 15 over het algemeen een
                        voldoende oplossing kunnen bieden.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 2</al><al>Als mensen door vervoer voldoende in staat worden gesteld aan activiteiten
                        deel te nemen kan via artikel 15 het vervoersprobleem opgelost worden.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 3 en 4</al><al>Als sprake is van voorliggende voorzieningen, die het probleem op kunnen
                        lossen, zal er geen ruimte meer zijn voor individuele voorzieningen.</al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 5 Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als
                    financiële tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Verstrekking van voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 17 Mogelijke verstrekkingwijzen</tussenkop><al-groep><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt in het eerste lid behandeld in welke vormen
                        voorzieningen verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in
                        natura of een persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo.
                        De financiële tegemoetkomingen kunnen niet ontbreken (hoewel er in feite
                        geen verschil bestaat tussen een persoonsgebonden budget en een financiële
                        tegemoetkoming) omdat artikel 7 lid 2 Wmo spreekt over een “financiële
                        tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de
                        woonruimte”.</al><al>Er kunnen zwaarwegende overwegingen bestaan om niet over te gaan tot
                        verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen
                        om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende
                        aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft aan dat de aanvrager de vrijheid heeft om, bijvoorbeeld, over
                        te stappen van een persoonsgebonden budget naar een voorziening in natura.
                        Deze vrijheid gaat om praktische redenen niet zover, dat de overstap op
                        ieder gewenst moment kan plaatsvinden. Is de voorziening toegekend voor een
                        bepaalde periode, dan zal een overstap na afloop hiervan, bij een nieuwe
                        toekenning, geen probleem zijn. Verder kunnen belangrijke wijzigingen in de
                        aard of omvang van de voorziening bewerken dat het voortzetten van het pgb
                        voor de cliënt zeer belastend wordt. Tenslotte kunnen er andere dringende
                        omstandigheden zijn die noodzaken tot een verandering van vorm.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al>Voor de hoogte van de diverse voorzieningen wordt in dit artikel verwezen naar
                    het Besluit. </al><tussenkop>Paragraaf 2 Verstrekking in natura</tussenkop><tussenkop>Artikel 19 Inhoud beschikking</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 welke aspecten bij het verstrekken van een
                        voorziening in natura in de beschikking vastgelegd moeten worden.</al><al>Het gaat er daarbij uiteraard allereerst om welke voorziening(en) aan de
                        orde zijn. Dit uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten.
                        Vervolgens wordt aangegeven wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang
                        wordt iets toegekend of hoe lang moet men in principe de bepaalde
                        voorziening kan gebruiken om het resultaat te bereiken. Vervolgens is van
                        belang te vermelden op welke wijze de voorziening in natura verstrekt wordt.
                        Als er sprake is van een overeenkomst wordt deze overeenkomst vermeld.</al><al>Ook andere aspecten, speciale aspecten die voor deze ene verstrekking
                        gelden, moeten in de beschikking opgenomen worden.</al></al-groep><al>Lid 2 geeft aan dat als een eigen bijdrage gevraagd wordt, dit in de beschikking
                    komt te staan. Dit betreft alleen het gegeven dat een eigen bijdrage gevraagd
                    wordt. Hoe hoog de eigen bijdrage is zal door het CAK bepaald worden en door het
                    CAK bij afzonderlijke beschikking worden opgelegd.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Verstrekking als persoonsgebonden budget</tussenkop><tussenkop>Artikel 20 Inhoud beschikking</tussenkop><al-groep><al>Lid 1 van artikel 20 bepaalt wat er bij het verstrekken van een
                        persoonsgebonden budget vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat
                        daarbij allereerst om de formulering van het te bereiken resultaat zodat
                        helder is waarvoor het persoonsgebonden budget gebruikt moet worden. Dat kan
                        beperkt zijn, zoals het bezoeken van familie, vrienden en kennissen en het
                        doen van boodschappen met een scootermobiel, maar ook een meer algemeen
                        geformuleerd resultaat, zoals het maken van alle noodzakelijke
                        verplaatsingen in de naaste woon- en leefomgeving.</al><al>Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor
                        bedoeld, aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking
                        vastgelegd onder bijvoeging van het program van eisen.</al><al>Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het
                        persoonsgebonden budget is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat
                        bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet ook in de beschikking worden
                        vastgelegd wat van degene tot wie de beschikking is gericht wordt verwacht
                        op het gebied van verantwoording van het budget.</al></al-groep><al>Lid 2 van dit artikel bepaalt dat bij het heffen van een eigen bijdrage dit in
                    de beschikking vermeld moet worden, waarbij meegenomen kan worden dat het CAK de
                    hoogte van de eigen bijdrage vaststelt en per beschikking op zal leggen.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Verstrekking van een financiële tegemoetkoming</tussenkop><tussenkop>Artikel 21 Inhoud beschikking</tussenkop><al>Lid 1 bepaalt ten aanzien van de financiële tegemoetkoming wat in de beschikking
                    vermeld wordt. Het gaat hier allereerst om de vermelding van het te bereiken
                    resultaat waarvoor de financiële tegemoetkoming gebruikt dient te worden.
                    Daarnaast moet vermeld worden voor welke duur, voor welke periode de financiële
                    tegemoetkoming verstrekt wordt en tenslotte dient hier vermeld te worden of er
                    een overeenkomst van toepassing is op deze verstrekking. Uiteraard moet ook de
                    hoogte van de financiële tegemoetkoming vermeld worden. Tot slot moet voor wat
                    betreft de verantwoording ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene
                    tot wie de beschikking is gericht in dit opzicht wordt verwacht.</al><al-groep><al>Lid 2</al><al>Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming bestaat de
                        mogelijkheid een eigen aandeel te vragen. Indien dit van toepassing is dient
                        dit in de beschikking vermeld te worden. De berekening van het eigen aandeel
                        kan, in tegenstelling tot de eigen bijdrage, door het college plaatsvinden.
                        In de wet is alleen voor de eigen bijdrage geregeld dat dit verplicht door
                        het CAK dient te gebeuren. Als een college zelf het eigen aandeel berekent
                        dient er zorg voor te worden gedragen dat de regels rond de cumulatie van
                        eigen bijdragen in acht worden genomen. Met name als al een eigen bijdrage
                        AWBZ wordt betaald zal herberekening (en wel wat de eigen bijdrage AWBZ
                        betreft door het CAK) plaats moeten vinden, aangezien een eigen aandeel op
                        basis van de Wmo voor gaat op een eigen bijdrage in het kader van de AWBZ.
                    </al></al-groep><tussenkop>Paragraaf 5 Verantwoording</tussenkop><tussenkop>Artikel 22 Verantwoording</tussenkop><al>Lid 1 bepaalt dat de besteding van persoonsgebonden budgetten en financiële
                    tegemoetkomingen gecontroleerd wordt via het opvragen van gegevens bij de
                    budgethouders. Echter, de bepaling laat de mogelijkheid open om in nader te
                    bepalen gevallen tot steekproefsgewijze controle over te gaan, zodat in feite
                    van een mengvorm sprake is.</al><al>Lid 2 biedt de mogelijkheid indien uit de controle mocht blijken dat hiertoe
                    aanleiding bestaat, het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder
                    terug te vorderen. Indien dit het geval is, dient de in hoofdstuk 7 genoemde
                    procedure te worden gevolgd. </al><tussenkop>Paragraaf 6 Eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><tussenkop>Artikel 23 Eigen bijdrage en eigen aandeel</tussenkop><al>In dit artikel is de eigen bijdrage geregeld</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                    besluitvorming, intrekking en terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 24 Beslistermijn</tussenkop><al>De Algemene wet bestuursrecht regelt dat, als bij wettelijk voorschrift niet
                    anders is bepaald, een besluit genomen dient te worden binnen een redelijke
                    termijn. Die redelijke termijn is 8 weken. De Wmo bepaalt niets over
                    beslistermijnen. Het college heeft de mogelijkheid om afwijkende termijnen vast
                    te stellen. Hoewel het van belang is zo min mogelijk afwijkende termijnen te
                    hanteren, immers, de doorzichtigheid van de termijnen komt daardoor wellicht in
                    het geding, is het logisch voor enkele onderdelen wel een langere termijn vast
                    te stellen. Dit geldt met name voor bouwkundige woonvoorzieningen. Zeker als
                    daar een offerte voor moet worden aangevraagd, zal daarmee de nodige tijd
                    gemoeid zijn, zodat de termijn van acht weken niet haalbaar is. Om dat helder te
                    hebben is het wenselijk deze termijn in de verordening op te nemen. Dit is
                    gebeurd ten aanzien van de verschillende te bereiken resultaten.</al><tussenkop>Artikel 25 Beperkingen</tussenkop><al>Er geldt een aantal beperkingen bij het verstrekken van voorzieningen.</al><al-groep><al>Lid 1 onder a bepaalt dat het noodzakelijk is dat een voorziening langdurig
                        noodzakelijk is. Op deze regel bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij
                        het huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname. Als deze kortdurende hulp
                        bij het huishouden binnen een gemeente niet geleverd kan worden als algemene
                        voorziening, waardoor geen individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal
                        deze hulp als individuele voorziening verstrekt moeten worden. Deze
                        uitzondering dient dan in de verordening te worden opgenomen.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een
                        te bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is dient
                        gerekend te worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers
                        iemand gehele verdere leven noodzakelijk zijn.</al></al-groep><al>Lid 1 onder b bepaalt dat de voorziening als de goedkoopst-compenserende
                    voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats
                    om een voorziening die compenserend is voor de ondervonden problemen, zodat het
                    te bereiken doel daadwerkelijk bereikt kan worden. Maar wanneer dan meerdere
                    voorzieningen compenserend blijken te zijn mag volstaan worden met de
                    goedkoopste voorziening.</al><al-groep><al>Lid 1 onder c </al><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden
                        gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de
                        beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 1 onder d</al><al>Met dit lid wordt bereikt dat de onderhoud- en reparatiekosten, aanpassingen
                        en dergelijke alleen zin hebben indien de voorziening waaraan dat moet
                        gebeuren, voldoende restwaarde heeft c.q. dit technisch verantwoord is. Zo
                        nodig wordt hiervoor een keuring verricht. </al></al-groep><al-groep><al>Lid 2 bepaalt onder a dat geen voorziening wordt toegekend indien de
                        voorziening als algemeen gebruikelijk beschouwd dient te worden voor een
                        persoon als de aanvrager.</al><al>Verder wordt geen voorziening toegekend als niet meer is na te gaan of de
                        voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst
                        compenserende voorziening. Is de voorziening te duur geweest dan kan de
                        gemeente volstaan met het vergoeden van een lager bedrag conform de
                        goedkoopst-compenserende voorziening.</al></al-groep><al>In lid 2 onder e wordt aangegeven dat de situatie, die is ontstaan na het
                    ontstaan van de beperkingen, zodanig moet zijn veranderd dat er aantoonbaar
                    extra kosten moeten worden gemaakt tengevolge van deze beperkingen.</al><al-groep><al>In lid 2 onder g wordt de mogelijkheid geboden om een voorziening te
                        weigeren indien een voorziening medisch gezien wel noodzakelijk is maar
                        specifieke persoonlijke omstandigheden een verantwoord gebruik verhinderen.
                        Het is een voortzetting van het bestaande beleid en wordt in de praktijk
                        overigens zeer zelden toegepast. Voor toepassing van deze bepaling moet als
                        het gaat om een voorziening in natura worden gedacht aan gebleken onvermogen
                        bij het gebruik van een scootermobiel.</al><al>Als het een persoonsgebonden budget betreft kan dit artikel worden toegepast
                        als vast staat dat belanghebbende niet in staat is de gelden te
                        beheren.</al><al>Ook kan dit een situatie zijn waarin het gaat om zeer kortdurende hulp bij
                        het huishouden en het verstrekken van een persoonsgebonden budget niet
                        praktisch uitvoerbaar is. Ook het collectief vraagafhankelijk vervoer kan
                        als het systeem in gevaar komt als vrijheid tot keuze van een
                        persoonsgebonden budget zou leiden tot leegloop een argument zijn geen
                        keuzevrijheid te bieden. Dit moet onderbouwd kunnen worden en uitzonderingen
                        moeten mogelijk zijn.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 26 Advisering</tussenkop><al-groep><al>Lid 1</al><al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening
                        een beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is
                        biedt artikel 26 daartoe de mogelijkheid. Geregeld is dat het college twee
                        mogelijkheden heeft: het college kan allereerst iemand oproepen op een
                        bepaalde plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden
                        die nodig zijn om tot een zorgvuldig besluit te komen.</al><al>De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid om
                        door middel van een huisbezoek iemand te bevragen door een Wmo consulent
                        en/of onderzoek te laten doen door een deskundige bijvoorbeeld een arts. Bij
                        de advisering wordt de ICF terminologie gebruikt met het oog op de
                        consistentie van verslag, onderzoek en beoordeling.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan
                        worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit
                        onderzoek een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is.</al><al>In principe mag van de aanvrager verwacht worden mee te werken. Is de
                        aanvrager niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen
                        of zonder deze medewerking een zorgvuldig besluit genomen kan worden. Is dat
                        niet mogelijk dan zal het college de aanvraag buiten behandeling kunnen
                        stellen. Is wel een zorgvuldig besluit mogelijk dan zal dat besluit genomen
                        moeten worden.</al></al-groep><al-groep><al>Lid 2 geeft de situaties weer waarin een adviesinstantie (over het algemeen
                        een medisch adviseur) om advies gevraagd kan worden.</al><al>Dat zal in ieder geval van belang zijn als het gaat om een aanvraag van een
                        persoon die nog niet bij de gemeente bekend is. In die situatie is het van
                        groot belang te weten wat de aard van de problemen is en welke prognose er
                        bestaat. Dit kan van belang zijn bij de bepaling van de voorzieningen om de
                        gewenste resultaten te bereiken.</al><al>Is de aanvrager bekend, maar is er sprake van gewijzigde omstandigheden, dan
                        kan er ook aanleiding zijn een advies op te vragen. Dat zal zeker het geval
                        zijn als die gewijzigde omstandigheden een andere kijk op de te bereiken
                        resultaten rechtvaardigen.</al><al>Uiteraard zal er een medisch advies moeten zijn bij een afwijzing op
                        medische gronden. En er kunnen zich situaties voordoen dat er anderszins
                        behoefte bestaat aan een medisch advies. Dan biedt het laatste lid van dit
                        artikel daartoe de mogelijkheid.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 27 Afstemming</tussenkop><al-groep><al>De gemeente moet in de Verordening vastleggen op welke wijze de toegang tot
                        individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van
                        wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                        geregeld.</al><al>Daarbij is het uitgangspunt dat in één loket de samenhang van toegang tot
                        voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen krachtens
                        de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                        geregeld.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 28 Wijziging situatie</tussenkop><al>Dit artikel voorziet erin dat bij een gewijzigde situatie de plicht bestaat het
                    college hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed
                    kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening
                    stopgezet kunnen worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden.
                    Uiteraard kan de gemeente in deze situatie ook via het GBA kennis hebben van
                    deze gewijzigde omstandigheid.</al><al>Maar van andere omstandigheden kan hiervan minder sprake zijn. In die situatie
                    kan men op basis van dit artikel verwachten dat wijzigingen worden doorgegeven.
                    Het kan overigens geen kwaad deze bepaling in de beschikking te herhalen,
                    hetgeen de kans dat er kennis van genomen wordt aanzienlijk vergroot.</al><tussenkop>Artikel 29 Intrekking</tussenkop><al-groep><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                        omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op
                        enig moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                        mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent.
                        Dat is in artikel 30 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                        mogelijkheid een genomen beschikking geheel of ten dele in te trekken. Ook
                        in deze situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al></al-groep><al-groep><al>Een beslissing wordt genomen met de bedoeling dat men daar een voorziening
                        mee treft. Als binnen 6 maanden na het nemen van de beslissing, dan wel
                        binnen het termijn waarvoor is toegekend de voorziening nog niet (geheel) is
                        getroffen, is er ook de mogelijkheid een beslissing geheel of ten dele in te
                        trekken.</al><al>Lid 3: zie toelichting bij artikel 25 lid 2 sub g. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 30 Terugvordering</tussenkop><al>Indien een besluit is ingetrokken (en ook alleen maar in die situatie) kan
                    eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht op
                    de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura, een financiële
                    tegemoetkoming of een pgb kan worden teruggevorderd. Hierbij geldt een
                    privaatrechtelijke procedure.</al><al>Terugvordering van een voorziening die bestaat uit een natura-verstrekking kan
                    ook als later blijkt dat de verstrekking onterecht is geweest doordat er
                    onjuiste gegevens zijn verstrekt.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 31 Hardheidsclausule</tussenkop><al-groep><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat, zal het college er niet aan
                        ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk
                        toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van
                        overwegende aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                        verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer
                        persoonlijke beoordeling. </al><al>Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet
                        billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de
                        aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men
                        zich afvragen of het beleid niet op dat punt aangepast zou moeten
                        worden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 32 Indexering</tussenkop><al-groep><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college
                        hier iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de
                        eigen bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid,
                        Welzijn en Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. Een college is op
                        basis van dit artikel ook bevoegd eigen bedragen aan te passen.</al><al>Om deze reden is ervoor gekozen alle bedragen in het gemeentelijke
                        Financiële besluit maatschappelijke ondersteuning op te nemen, zodat de
                        bedragen snel en gemakkelijk aan te passen zijn.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 33 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. Het is mogelijk dat
                    bij het inwerkingtreden van een nieuwe verordening ook overgangsrecht bepaald
                    moet worden. Dat kan bij verordening. </al><tussenkop>Artikel 34 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel regelt tenslotte hoe deze verordening geciteerd kan worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>