<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>126053_1</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR/UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-29</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Blad Gemeenschappelijke Regeling,</dcterms:isFormatOf><dcterms:issued>2016-06-23</dcterms:issued><dcterms:alternative>Reglement Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet gemeenschappelijke regelingen, artikel 33, Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:subject>personeel en organisatie</dcterms:subject></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. De aangepaste artikelen zoals deze voortvloeien uit de wijzigingen zoals opgenomen inde loga circulaires van 7 april 2016, ECWGO/U201600159 envan 21 april 2016 (ECWGO/U201600650)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BGR-340, 7 juli 2016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1 Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de
                                            gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te
                                            zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                            burgerlijk recht is aangegaan; </al></li><li nr="b"><al><vet> functie:</vet> het geheel van werkzaamheden dat
                                            door de ambtenaar is te verrichten conform artikel 3:1;
                                        </al></li><li nr="c"><al><vet> pensioenwet:</vet>de Algemene burgerlijke
                                            pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;
                                        </al></li><li nr="d"><al><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                                            pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;
                                        </al></li><li nr="e"><al><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang
                                            van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende
                                            welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;
                                        </al></li><li nr="f"><al><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals
                                            die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is
                                            vastgesteld; </al></li><li nr="g"><al><vet>formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                                            volgens de aanstelling; </al></li><li nr="h"><al><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de
                                            arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een
                                            bepaalde week is vastgesteld; </al></li><li nr="i"><al> vervallen;</al></li><li nr="j"><al><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis
                                            herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor
                                            feestdagen; </al></li><li nr="k"><al><vet>dienstverband: </vet>een aanstelling voor bepaalde
                                            of onbepaalde tijd, of een oproepovereenkomst; </al></li><li nr="l"><al><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden die de ambtenaar,
                                            voor wie de bijzondere werktijdenregeling geldt, in
                                            dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur
                                            per week; </al></li><li nr="m"><al><vet>werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid
                                            moet verrichten; </al></li><li nr="n"><al><vet> werktijd:</vet> de periode tussen vastgestelde
                                            tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid
                                            moet worden verricht; </al></li><li nr="o"><al><vet> uurloon: </vet>1/156 gedeelte van het - zo nodig
                                            naar een volledig dienstverband herberekende - salaris
                                            van de ambtenaar per maand; </al></li><li nr="p"><al><vet> Zvw:</vet> de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q"><al><vet>CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling
                                            voor de sector gemeenten; </al></li><li nr="r"><al><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst; </al></li><li nr="s"><al>vervallen;</al></li><li nr="t"><al>vervallen;</al></li><li nr="u"><al><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                            Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v"><al><vet>WAO:</vet> de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering; </al></li><li nr="w"><al><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in
                                            de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO; </al></li><li nr="x"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de
                                            WAO; </al></li><li nr="y"><al><vet> WIA:</vet>Wet werk en inkomen naar
                                            arbeidsvermogen; </al></li><li nr="z"><al><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                                            arbeidsongeschikten; </al></li><li nr="aa"><al><vet> IVA-uitkering:</vet> de uitkering bij volledige en
                                            duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;
                                        </al></li><li nr="bb"><al><vet> WGA:</vet> Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                            arbeidsgeschikten; </al></li><li nr="cc"><al><vet> WGA-uitkering:</vet> de werkhervattingsuitkering
                                            gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;
                                        </al></li><li nr="dd"><al><vet> WAJONG:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
                                            voor jong gehandicapten; </al></li><li nr="ee"><al><vet> WAZ:</vet>Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="ff"><al><vet>Wazo:</vet>Wet arbeid en zorg; </al></li><li nr="gg"><al><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur
                                            Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; </al></li><li nr="hh"><al><vet>uitvoeringsinstelling:</vet> een
                                            uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde
                                            lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
                                        </al></li><li nr="ii"><al><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van
                                            de Stichting Pensioenfonds ABP; </al></li><li nr="jj"><al><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP; </al></li><li nr="kk"><al>vervallen;</al></li><li nr="ll"><al>vervallen;</al></li><li nr="mm"><al><vet>volledig dienstverband:</vet> een dienstverband
                                            waarvan de arbeidsduur per jaar 1836 uur bedraagt en de
                                            formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt. Bij een
                                            deeltijd dienstverband bedraagt de arbeidsduur minder
                                            dan 1836 uur per jaar en de formele arbeidsduur minder
                                            dan 36 uur per week </al></li><li nr="nn"><al><vet>ZW:</vet> de Ziektewet; </al></li><li nr="oo"><al><vet>ZW-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering
                                            krachtens de ZW; </al></li><li nr="pp"><al><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut
                                            Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van
                                            de wet SUWI. </al></li><li nr="qq"><al><vet> Salaris:</vet> maandbedrag dat binnen de
                                            salarisschaal aan de ambtenaar is toegekend, naar
                                            evenredigheid van diens formele arbeidsduur.</al></li><li nr="rr"><al><vet> Salaristoelagen:</vet> de in paragraaf 3 van
                                            hoofdstuk 3 genoemde toelagen te weten: de
                                            functioneringstoelage, de waarnemingstoelage, de toelage
                                            onregelmatige dienst, de buitendagvenstertoelage, de
                                            toelage beschikbaarheidsdienst, de
                                            inconveniententoelage, de arbeidsmarkttoelage, de
                                            garantietoelage en de afbouwtoelage, die aan de
                                            medewerker zijn toegekend. Deze werden tot 1 januari
                                            2016 tot de bezoldiging gerekend. </al></li><li nr="ss"><al><vet> Functieschaal:</vet> de salarisschaal die bij een
                                            functie hoort; </al></li><li nr="tt"><al><vet> Periodiek:</vet> het maandbedrag in een
                                            salarisschaal; </al></li><li nr="uu"><al><vet>Salarisschaal:</vet> een reeks maandbedragen als
                                            opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; </al></li><li nr="vv"><al><vet>Achterblijvende Partner:</vet> weduwe, weduwnaar,
                                            geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                                            ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met
                                            de overleden ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                    bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:1:0:1 Aanvulling Veiligheidsregio Midden- en
                                    West-Brabant </titel></kop><al>Ingevolge artikel 1:1 eerste lid sub j is de gemiddelde arbeidsduur
                                per jaar vastgesteld op 1816,5 uren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:1:1:1 Begripsomschrijvingen vervolg</titel></kop><al>Voor de toepassing van de CAR, de UWO en de lokaal geldende
                                rechtspositieregelingen worden de volgende begripsomschrijvingen
                                toegevoegd:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>Werkgever:</vet> Het bestuur van de Gemeenschappelijke
                                        Regeling Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. </al></li><li nr="b"><al><vet> RAVMWB:</vet>Reglement Arbeidsvoorwaarden
                                        Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:1:1:2 Wijziging begripsomschrijvingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “college van
                                burgemeester en wethouders” wordt in de RAVMWB, als bedoeld in
                                artikel 1:1:1:1, gelezen “het dagelijks bestuur”. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “de gemeenteraad”
                                wordt in de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “het
                                algemeen bestuur”.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “de raad” wordt in
                                de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “het algemeen
                                bestuur”.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Voor de in de CAR/UWO voorkomende vermelding van “de gemeente” wordt
                                in de RAVMWB, als bedoeld in artikel 1:1:1:1, gelezen “de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd: </al><lijst><li nr="a"><al> het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                                            openbaar onderwijs;</al></li><li nr="b"><al> het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting
                                            van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn
                                            in de zin van het Rechtspositiebesluit
                                            onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c"><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                            zodanig;</al></li><li nr="d"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel
                                            231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de
                                            Gemeentewet; </al></li><li nr="e"><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                            benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                            belastingen;</al></li><li nr="f"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            zonder opsporingsbevoegdheid; </al></li><li nr="g"><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            met opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h"><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale
                                            werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met
                                            uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de
                                            gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                            artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i"><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder
                                            “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                    afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                    georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                    vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist
                                    van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                    gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a
                                    van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht is aangegaan zijn artikel 3:11, 3:13, 3:25, 3:26, en de
                                    hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van
                                    een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                    hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                    hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                    regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                                    tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen
                                    van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                                    werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2a Stageplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie
                                    of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                    stage-overeenkomst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                    uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en 17
                                    en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de
                                    stagiair.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met
                                    de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van
                                    de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                    begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                    Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2b Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan degene die daarom verzoekt een
                                    werkervaringsplaats aanbieden op basis van een
                                    werkervaringsovereenkomst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing,
                                    met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7, 10d en
                                    17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                    werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                    periode van maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                    medewerker, waarbij het leerproces van de medewerker centraal
                                    staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van
                                    het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de
                                    banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="salarisschaal A" type="tekst" id="i278399"></illustratie></plaatje> in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die op
                                    grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij
                                    onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het
                                    wettelijk minimumloon kan verdienen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet
                                    banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met
                                    arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100%
                                    is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                                    percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde
                                    percentage van het salaris lager dan het wettelijk minumumloon,
                                    dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk
                                    minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    levensloopbijdrage. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a,
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op
                                    artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de
                                    loonwaarde en de deeltijdfactor</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                                    loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het
                                    college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop
                                    gebaseerde toelagen en vergoedingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3 Toepassing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                    vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand
                                    bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts
                                    toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die
                                    rechtstoestand niet is geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                    regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                    ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                    uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                    eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                    secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                    aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3a Toepassing</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en
                                de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:3:1 Toepassing</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                                indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is: </al><lijst><li nr="a"><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                        bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                        functioneren van de dienst; </al></li><li nr="b"><al>instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de
                                        vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                                    deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de
                                    Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in
                                    het vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a"><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn
                                            toegelaten tot het LOGA met het college voor
                                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten;</al></li><li nr="b"><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen
                                            van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn
                                            bij de onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c"><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het
                                            college in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de
                                    voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld
                                    ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling
                                    of welke hij bij de vervulling van zijn functie heeft na te
                                    leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk
                                    toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                    bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze
                                    behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het
                                hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan
                                voor te dragen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:5 Omvang van de betrekking</titel></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang
                                van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om
                                tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel
                                gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1:6 Vrijstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere
                                    gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke
                                    aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4,
                                    alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de
                                    salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In
                                    de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming
                                    zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                                    functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor
                                    georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge
                                    bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van even
                                    genoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij
                                    het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                    toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst
                                    die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij
                                    de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren
                                    kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in
                                    verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de
                                    inrichting van de werkzaamheden. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag</titel></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt
                                bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1:1:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                    uitvoering van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de
                                    gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege
                                    aangesteld in algemene dienst van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het
                                    belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden.
                                    Een passende functie is een functie die de ambtenaar
                                    redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                    omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan
                                    worden opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht,
                                    is de ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a"><al> tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden
                                            te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar
                                            te nemen;</al></li><li nr="b"><al> tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor
                                            hem vastgestelde werktijden;</al></li><li nr="c"><al> beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                            vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde
                                            tijd periodiek verrichten van deze
                                            beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                            aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld
                                            zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden
                                            zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de
                                            schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn
                                    persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde
                                    werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd,
                                    geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden
                                    terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd
                                    van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig
                                    mogelijk een beslissing ter zake neemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en
                                    geschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie -
                                    na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                    bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat
                                    hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het
                                    verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid
                                    van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid
                                    bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat
                                    betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag
                                    als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke
                                    gegevens.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000
                                    kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze
                                    verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet
                                    arbeid vreemdelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor
                                    bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie
                                    bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                                    worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een
                                    geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen functie,
                                    waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit
                                    medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig
                                    onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe
                                    aangewezen door het college. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                    bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten
                                    hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de
                                    tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang
                                    van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                    elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6
                                    maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar
                                    opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een
                                    ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht
                                    bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten
                                    aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten
                                    worden elkaars opvolger te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                    geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf
                                    de dag waarop:</al><lijst><li nr="a"><al> de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met
                                            tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben
                                            opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze
                                            tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b"><al> meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes
                                            maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal
                                    opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de
                                    aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die
                                    zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                    leeftijd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                    bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a"><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel
                                            a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb.
                                            1993, 635);</al></li><li nr="b"><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar</al></li><li nr="c"><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                            aangesteld:</al><lijst><li nr="I"><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                                  tijd;</al></li><li nr="II"><al>in een aanstelling bij wijze van proef;</al></li><li nr="III"><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                                  karakter; </al></li><li nr="IV"><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                                  wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                                  vorming;</al></li><li nr="V"><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="VI"><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het
                                                  kader van een door de overheid getroffen regeling,
                                                  die het karakter draagt door een tijdelijke
                                                  tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                                  bevorderen van personen, die behoren tot één of
                                                  meer bepaalde groepen van werklozen;</al></li><li nr="VII"><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                    ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van
                                    de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2 Vacatures</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                    personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                    aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich
                                    daartegen verzet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                    overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering
                                    krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:2:1</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De gemeente kan voor werkzaamheden medewerkers inlenen op uitzend-
                                of detacheringsbasis. Het betreft:</al><lijst><li nr="a"><al> Werkzaamheden van tijdelijke aard, waarbij het in het
                                        belang van de bedrijfsvoering nodig is om de werkzaamheden
                                        flexibel in te vullen.</al></li><li nr="b"><al> Werkzaamheden van structurele aard waarbij het in het
                                        belang van de bedrijfsvoering nodig is om de werkzaamheden
                                        flexibel in te vullen. Onder deze categorie vallen ook
                                        werkzaamheden van structurele aard waarbij de betreffende
                                        medewerker nog niet over de juiste kwalificaties
                                        beschikt.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Op de medewerkers die bij de gemeente werkzaam zijn op uitzend- of
                                detacheringsbasis zijn de bepalingen in de RAVMWB niet van
                                toepassing.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De gemeente leent een medewerker in principe maximaal voor een
                                aaneensluitende periode van drie jaar op uitzend- of
                                detacheringsbasis in. Als de gemeente besluit om na afloop van deze
                                drie jaar de betreffende medewerker nog langer te werk te stellen,
                                dan doet de gemeente de medewerker een eenmalig aanbod om aangesteld
                                te worden als ambtenaar in vaste dienst. Als de medewerker niet
                                wenst in te gaan op dit aanbod, dan dient hij dit vast te leggen in
                                een schriftelijke en ondertekende verklaring. De
                                detacheringsconstructie kan dan - ook na drie jaar - worden
                                voortgezet. De ambtenaar kan hierna geen aanspraak meer maken op een
                                aanstelling als ambtenaar in vaste dienst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:4:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Door het college kan met een persoon slechts een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor
                                    het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en
                                    omvang wisselend karakter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in
                                    tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                                    toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor
                                    bepaalde tijd is gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst</titel></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5
                                zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                                minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling
                                van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren
                                vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende
                                kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden
                                        voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht
                                        rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de
                                        oproepkracht aan te bieden;</al></li><li nr="b"><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden -
                                        na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c"><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                        kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de
                                        omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te
                                        geven;</al></li><li nr="d"><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                        vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                        verricht;</al></li><li nr="e"><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                        oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                        respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                        kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder
                                        de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                        gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                        vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                        twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich
                                        schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f"><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                        heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten
                                        minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen,
                                        en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te
                                        zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als
                                        grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel
                                        8:13.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                    afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                                    oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage,
                                    worden uitgedrukt in een bedrag per uur. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering
                                    ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de
                                    uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten
                                    gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip
                                    waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in
                                    bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het
                                    arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van
                                    het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat
                                    een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de
                                    oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:5 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:6 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:7 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:8 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:9 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:10 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:5:11 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:6 Overgangsrecht</titel></kop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                                artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing
                                indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode
                                van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste
                                aanstelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te
                                    verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden
                                    tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn
                                    arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon
                                    met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar
                                    die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per
                                    week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="1"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende
                                            een vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="2"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="3"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="4"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="5"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 ,
                                            tweede lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="6"><al> de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel
                                            3:18a , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="7"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="8"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt
                                    het college dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag
                                    over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de
                                    arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter
                                    bespreking voorgelegd aan de OR.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3 Salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3:0:0:4 Regeling beloningsbeleid</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 3 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                beloningsbeleid vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Regeling vergoedingen brandweerpersoneel in de 24-uursdienst
                                    en personeel in roosterdienst GMK</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 3 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling vergoedingen
                                brandweerpersoneel in de 24-uursdienst en personeel in roosterdienst
                                GMK vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:0:0:6 Regeling vergoedingen algemeen</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 3 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling vergoedingen
                                vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering</al></li><li><al>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen
                                        en uitkeringen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1 Functies en functiewaardering </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                                    gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                    functiewaarderingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op
                                    basis van een functiewaarderingssysteem. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:1:0:3 Regeling functiebeschrijving en
                                    –waardering</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 3:1 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                functiebeschrijving en –waardering vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen
                                    en uitkeringen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op
                                    salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig
                                    dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de
                                    ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat
                                    arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en
                                    de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling
                                    anders is bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Salaris</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</al></li><li><al>Artikel 3:4 Salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</al></li><li><al>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</al></li><li><al>Artikel 3:7 Uitloopschaal</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:3 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand
                                    van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid
                                    en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van
                                    een periodiek in de functieschaal.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij
                                    al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van
                                    opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris
                                    overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de
                                    functieschaal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:4 Salarisverhoging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                    periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>de ambtenaar functioneert voldoende; </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog
                                            niet bereikt; </al></li><li nr="c"><al> er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn
                                            aanstelling , zijn laatste periodieke salarisverhoging
                                            of zijn promotie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke
                                    salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke
                                    salarisverhoging toekennen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                    college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                    verhogingsdatum vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen
                                    salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij
                                    hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een
                                    grond aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                    instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                    schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in
                                    een functie met een lager maximumsalaris, met een
                                    overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie
                                    met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige
                                    aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal
                                    plan of sociaal statuut.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal</titel></kop><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal
                                overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een
                                hoger salaris. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:7 Uitloopschaal</titel></kop><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31
                                december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De
                                uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale
                                regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing
                                zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Salaristoelagen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</al></li><li><al>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</al></li><li><al>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</al></li><li><al>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</al></li><li><al>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</al></li><li><al>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</al></li><li><al>Artikel 3:15 Garantietoelage</al></li><li><al>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:8 Functioneringstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed
                                    of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties
                                    heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft
                                    bereikt, een functioneringstoelage toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                    voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan
                                    deze opnieuw worden toegekend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage
                                    toekennen om hem in dienst te kunnen nemen of te behouden, als
                                    schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en er in
                                    het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan
                                    personeel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                    vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie waar te
                                    nemen met een hogere functieschaal, wordt hem voor de periode
                                    van waarneming een waarnemingstoelage toegekend. Deze bepaling
                                    geldt niet als de waarneming deel uitmaakt van de eigen
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag van de
                                    toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat de
                                    ambtenaar geniet en het salaris dat hij zou genieten als hij bij
                                    de start van de waarneming in de hogere schaal zou zijn
                                    ingedeeld. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar evenredigheid
                                    toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de
                                    werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage die wordt
                                    uitgedrukt in een percentage van het uurloon gedurende de
                                    volgende tijdvakken van de week: </al><lijst><li nr="-"><al>maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 08.00 uur en
                                            tussen 18.00 uur en 22.00 uur: 20% </al></li><li nr="-"><al> maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en
                                            tussen 22.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: 40% </al></li><li nr="-"><al> zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5 derde
                                            lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65%</al></li></lijst><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij in een
                                    week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur
                                    in een van de in lid 1 genoemde tijdvakken heeft gewerkt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                    uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding
                                    (artikel 3:18) worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de
                                    werktijden en die door het college is aangewezen om te werken
                                    buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op
                                    een buitendagvenstertoelage. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>50% van het uurloon van de ambtenaar over de gewerkte
                                            uren buiten het dagvenster tussen maandag 00:00 uur en
                                            vrijdag 24:00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zaterdag; </al></li><li nr="-"><al> 100% van het uurloon van de ambtenaar over de uren
                                            gewerkt op zondag en op de feestdagen genoemd in artikel
                                            4:5, derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                    beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                    beschikbaarheidsdienst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag
                                    tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op
                                    zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:14 Inconveniëntentoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage
                                toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware,
                                onaangename of gevaarlijke arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:15 Garantietoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een
                                lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage
                                toekennen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:16 Afbouwtoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage
                                    onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst, en/of
                                    de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of beëindigd,
                                    heeft recht op een afbouwtoelage indien: </al><lijst><li nr="-"><al>hij de toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee
                                            maanden gedurende tenminste drie jaren heeft genoten
                                            én</al></li><li nr="-"><al>met de verlaging of beëindiging van de toelage(n) een
                                            bedrag is gemoeid van tenminste 3% van zijn
                                            salaris.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>op ambtenaren op wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk
                                            9a, 9b, 9d of 9e) van toepassing is, of </al></li><li nr="-"><al> indien voor de ambtenaar voorzieningen zijn getroffen
                                            in een sociaal plan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De
                                    afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede
                                    jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen
                                    bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan wisselingen
                                    onderhevig was, wordt de afbouwtoelage vastgesteld op het
                                    gemiddelde van de voorgaande 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat hij
                                    een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal is
                                    verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de
                                    salarisverhoging. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Overige vergoedingen en uitkeringen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</al></li><li><al>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</al></li><li><al>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of
                                        bijzondere prestaties</al></li><li><al>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</al></li><li><al>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</al></li><li><al>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</al></li><li><al>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een
                                        ongeval in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                        zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                        zorgverzekering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens
                                    werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel
                                    15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een
                                    anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding
                                    indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in
                                    voldoende omvang verricht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de bijzondere
                                    regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft recht op een
                                    overwerkvergoeding. Over de uren waarover een overwerkvergoeding
                                    wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een toelage onregelmatige
                                    dienst (artikel 3:11) worden uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De overwerkvergoeding bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>verlof gelijk aan het aantal volle uren van het
                                            overwerk, </al></li><li nr="b"><al> het bedrag over het aantal volle uren overwerk ter
                                            hoogte van het volgende percentage van het uurloon van
                                            de ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al> 100% voor overwerk op een zondag of feestdag
                                                  (artikel 4:5) tussen 0.00 en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00
                                                  en 24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 75% voor overwerk op een maandag of de dag
                                                  volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
                                                </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur;
                                                </al></li><li nr="-"><al> 50% voor overwerk op een maandag, dinsdag,
                                                  woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en
                                                  24.00 uur; </al></li><li nr="-"><al> 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag,
                                                  donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00
                                                  uur.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo
                                    vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor
                                    zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt het verlof
                                    verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het derde
                                    lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een bedrag, dat
                                    bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een percentage van het
                                    uurloon conform het tweede lid onder b.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de werktijden
                                    van toepassing is en die tijdens de beschikbaarheidsdienst wordt
                                    opgeroepen, ontvangt over de gewerkte tijd een
                                    overwerkvergoeding.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage
                                    van 6,0 % van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris
                                    op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking
                                    minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit
                                    bedrag naar rato vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                                    ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:19 Ambtsjubileum</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij
                                    25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst
                                    wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij
                                    het ABP aangesloten werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                                    maandsalaris over de maand van jubileren, plus de
                                    vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand
                                    toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst
                                    bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van
                                    jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende
                                    salaristoelagen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:3 of 8:4 CAR: en die binnen vijf jaar na de datum van
                                    ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een
                                    evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste
                                    maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de
                                    maatgevende maand aangemerkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of
                                    bijzondere prestaties</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig
                                een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                                geleverde bijzondere prestaties. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding</titel></kop><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                                voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                                gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het
                                2e klasse tarief.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:22 Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</titel></kop><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding
                                woon-werkverkeer toekennen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:23 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende
                                    salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                    partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige
                                    kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uit driemaal
                                    het laatst genoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en
                                    de toegekende salaristoelagen</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het
                                    voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan
                                    de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een
                                    rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan
                                    wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt.
                                    Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering
                                    verstrekt aan de minderjarige kinderen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de
                                    vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over
                                    de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                    overlijden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                    uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking
                                    van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft
                                    verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid
                                    genoemde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste
                                    lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                    meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:25 Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                        gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of
                                    Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn
                                    Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een
                                    tegemoetkoming in zijn ziektekosten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar in de maand december uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar
                                    heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>(niet van toepassing op ambtenaren in dienst van de
                                        gemeenten Amsterdam en Den Haag)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                    salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het
                                    bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of
                                    ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten
                                    naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                    december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst
                                    treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid
                                    de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Individueel keuzebudget (gereserveerd) </titel></kop><al> (gereserveerd) </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Overgangsrecht </titel></kop><lijst><li nr="-"><al>Overgangsrecht hoofdstuk 3</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:27 Overgangsrecht hoofdstuk 3</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31
                                        december 2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de
                                        voorwaarden waaronder ze zijn toegekend.</al></li><li nr="2"><al>Lokale financiële arbeidsvoorwaarden <noot id="FN740781_1"><noot.al>Bruto blijft bruto, netto blijft
                                                netto.</noot.al></noot> die op al het personeel binnen een gemeente worden
                                        toegepast op 31 december 2015 en die zijn opgenomen in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling,
                                        vervallen voor het personeel dat vanaf 1 januari 2016 in
                                        dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze omgezet
                                        in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 1. </al></li><li nr="3"><al>Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de
                                        lokale bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn
                                        opgenomen (en dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog
                                        bestaan) en die per 1 januari 2016 vervallen of dan in
                                        hoogte wijzigen, wordt op basis van het refertejaar 2014
                                        (roosters, overwerk, en alle andere relevante factoren) voor
                                        elke medewerker die het betreft bepaald:</al><lijst><li nr="a"><al>hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de bij overgang
                                                geldende regels voor toelagen/vergoedingen </al></li><li nr="b"><al> hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan
                                                toelagen zou ontvangen volgens de nieuwe
                                                systematiek.</al></li></lijst><al> Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3
                                        (jaarbedrag) deel 2. </al></li><li nr="4"><al>Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de
                                        toelage overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                        loonontwikkelingen.</al></li><li nr="5"><al> Er zijn geen anticumulatiebepalingen. </al></li><li nr="6"><al> Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat
                                        een keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.
                                    </al></li><li nr="7"><al> De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op
                                        jaarbasis zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze
                                        afgekocht met een eenmalig bedrag ter waarde van 5
                                        jaar.</al></li><li nr="8"><al>Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar
                                        eindigt, dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato
                                        uitgekeerd. </al></li><li nr="9"><al> Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt
                                        de toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al></li><li nr="10"><al> Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft
                                        geen effect. </al></li><li nr="11"><al> Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                        betaling in termijnen gemaakt worden.</al></li><li nr="12"><al> Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die
                                        op 31 december 2015 een lokale regeling hebben met
                                        bepalingen over de ambtsjubileumgratificatie die positief
                                        afwijken van het nieuwe artikel 3:19. Medewerkers die binnen
                                        vijf jaar van verval van de lokale regeling (dus uiterlijk
                                        31 december 2020) recht zouden hebben op een
                                        ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                        vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van
                                        de lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat
                                        hierbij om de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van
                                        de ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht
                                        vast bij de overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3:27:0:1 Regeling overgangsrecht behorende bij
                                    Hoofdstuk 3</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 3:27 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling overgangsrecht
                                behorende bij Hoofdstuk 3 vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4:0:0:1 Werktijdenregeling </titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 4 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Werktijdenregeling
                                vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden </titel></kop><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met
                                inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:1:1:1 Werktijden beroepsbrandweerpersoneel</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaren ingedeeld in de 24-uurs dienst bij de beroepsbrandweer
                                verrichten hun arbeid in continudienst van 24 uur volgens een
                                jaarlijks tevoren op te stellen rooster. Hierbij wordt rekening
                                gehouden met een gemiddeld aantal diensturen per week van ten
                                hoogste anderhalf maal het aantal werkuren genoemd in artikel
                                1:1:0:1 van deze regeling.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij de regeling van de dienst- en werktijden wordt in acht genomen
                                dat de arbeid op zaterdag (naast het oefenen van 08.00 uur tot 12.00
                                uur) en zondag, alsmede op alle in of krachtens artikel 4:2:1 lid 3
                                daarmee gelijk te stellen dagen en op andere dagen tussen 18.00 uur
                                en 08.00 uur beperkt blijft tot werkzaamheden noodzakelijk ter
                                uitvoering van de repressieve taak van de brandweer alsmede tot die
                                werkzaamheden welke naar het oordeel van de commandant noodzakelijk
                                zijn. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Standaardregeling voor de werktijden </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:2 Standaardregeling voor de werktijden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen het
                                    dagvenster.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen 7:00
                                    en 22:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk
                                    kalenderjaar afspraken over de werktijden, het verlof en de
                                    planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het komende
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als
                                    uitgangspunt dat</al><lijst><li nr="a"><al> hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de
                                            ambtenaar en het college;</al></li><li nr="b"><al>de werktijden binnen de normen van de arbeidstijdenwet
                                            blijven; </al></li><li nr="c"><al> de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en per
                                            week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar daarvan
                                            wordt afgeweken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken
                                    over de werktijden aangepast worden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar over de
                                    werktijden in relatie tot de planning van de werkzaamheden.
                                </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat het
                                    ongewijzigd voortzetten van de planning van de werkzaamheden
                                    leidt tot overschrijding van de arbeidsduur per jaar, dan worden
                                    de afspraken in overleg aangepast. Indien de ambtenaar en het
                                    college het erover eens zijn dat overschrijding van de
                                    arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is dan wordt in overleg de
                                    omvang van de overschrijding vastgesteld, uitgedrukt in uren. De
                                    ambtenaar ontvangt voor elk te veel gewerkt uur een vergoeding
                                    ter hoogte van het uurloon of een uur vakantieverlof. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het dagvenster
                                    wanneer dat op grond van dienstbelang noodzakelijk is. Voor de
                                    uren die de ambtenaar buiten het dagvenster werkt geldt een
                                    buitendagvenstertoelage als bedoeld in artikel 3:12. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het dagvenster
                                    vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel 4:5 van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                    werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het
                                    college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de
                                    werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In die
                                    situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de ambtenaar de
                                    bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2 van dit
                                    hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>. Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                    incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op
                                    werktijden die afwijken van de afspraken die hierover gemaakt
                                    zijn op grond van het derde lid. Wanneer de ambtenaar en het
                                    college hierover geen overeenstemming bereiken dan heeft de
                                    ambtenaar recht op een vergoeding voor de gewerkte uren ter
                                    hoogte van de buitendagvenstertoelage, zoals omschreven in
                                    artikel 3:12. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en afspraken
                                    over de werktijden in de organisatie. De OR heeft de bevoegdheid
                                    om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan het college alleen
                                    gemotiveerd kan afwijken. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een
                                    ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het tweede
                                    lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere dagvenster
                                    gelden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Bijzondere regeling voor de werktijden </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</al></li><li><al>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</al></li><li><al>Artikel 4:7 Nadere regels</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                                eenzijdig wordt vastgesteld door het college. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:3:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:4 Vaststelling werktijden</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                                    week. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan legt
                                    het college deze vast in een rooster. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende regels
                                    in acht genomen: </al><lijst><li nr="a"><al>De werktijden worden ten minste één maand voor aanvang
                                            bekend gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b"><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                            vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op een
                                            ORT wordt ontweken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                    tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                    hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt
                                    zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor
                                    hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat
                                    hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van
                                    arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van
                                    arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de
                                    Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de
                                    dag waarop de verjaardag van de koning wordt gevierd. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen
                                    in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                    zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke,
                                    regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door
                                    het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst
                                    van de gemeente is gesloten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                    kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat
                                    of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij
                                    een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:6 Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11, arbeid op
                                zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of
                                zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije
                                beschikking toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:7 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                                nadere regels stellen. </al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Werktijden brandweerpersoneel in
                                    dienstroosters</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in
                                        dienstroosters</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:8 Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters
                                </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                    ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid
                                    van dit artikel een werktijdenregeling vast. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er
                                    zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid </titel></kop><lijst><li><al>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                        verlofspaarmogelijkheid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4:9 Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                    verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>opgebouwde verloftegoed: </vet>het voor 1 april
                                            2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                            verlofspaarmogelijkheid;</al></li><li nr="b"><al><vet> kapitalisatie van het opgebouwde
                                                verloftegoed:</vet> het omzetten van het opgebouwde
                                            verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een
                                            bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van
                                            uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar
                                    door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                    mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                    voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd
                                    wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en
                                    wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                    levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                    wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in
                                    een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan
                                    worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar
                                    opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of
                                    aan dit verzoek kan worden voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                    gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar
                                    kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd.
                                    Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van
                                    een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
                                    verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde
                                    verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of
                                    8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand
                                    aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen
                                    opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het
                                    tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                    ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                    ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                    afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                    wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond
                                    van het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                    nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                    8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                    ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                    gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                    college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                    uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende
                                    uurloon van de ambtenaar. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4a:0:0:1 Regeling keuzemodel
                                    arbeidsvoorwaarden</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 4a heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling keuzemodel
                                arbeidsvoorwaarden vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                    anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                    daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als
                                    bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor
                                    een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                                    aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste
                                    lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld
                                    voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week
                                    geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                                    aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid
                                    maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                                    formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een
                                    naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid
                                    toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                                    daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                                    ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd
                                    vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het
                                    salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het
                                    kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal
                                    anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het
                                    daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als
                                    bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen
                                    inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                                    aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren
                                    maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een
                                    formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een
                                    naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid
                                    toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                                    daartegen verzetten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                                    salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid
                                    meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden
                                    overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij
                                    geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek
                                    betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen,
                                    eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), zijn eindejaarsuitkering als
                                    bedoeld in artikel 3:18a, zijn vakantietoelage als bedoeld in
                                    artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1,
                                    verlagen voor door het college vastgestelde
                                    bestedingsmogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                                    bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.
                                </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5 Seniorenmaartregelen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 5 is vervallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 5a is vervallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6:1 Recht op vakantie</titel></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel
                                    6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven
                                    aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2 Duur vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar. Hiervan is 144
                                    uur per kalenderjaar wettelijk verlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de
                                    ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de
                                    arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een
                                    volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om
                                    te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan
                                    36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                                    als maximum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1 Nadere regels</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaar, die is ingeschaald gelijk aan of hoger dan het maximum
                                van schaal 9 van Bijlage II of IIa heeft recht op 165,6 verlofuren
                                per kalenderjaar. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar, die is aangesteld voor
                                een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar
                                evenredigheid verminderd. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene
                                regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten
                                aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en 3:3:2, indien
                                regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt
                                gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:2 genoemde
                                verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van
                                de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van
                                artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar
                                evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van
                                vakantie als bedoeld in artikel 6:2:1:1, eerste tot en met vierde
                                lid. </al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in artikel
                                6:2:1:1 eerste tot en met vierde lid, vervalt met ingang van de dag
                                waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven
                                in hoofdstuk 5a. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                bijzondere regels vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1:1 Nadere regels</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de ambtenaar, die vóór 1 januari 1997 in dienst was, en die de
                                leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, wordt de duur van de hem volgens
                                artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1 eerste lid toekomende vakantie
                                vermeerderd met 7,2 uur; vervolgens bij het bereiken van de leeftijd
                                van 40 jaar wederom met 7,2 uur en zo verder bij elke vijf jaar
                                ouder telkens opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het bereiken van de
                                leeftijd van 60 jaar de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk
                                6:2:1, eerste lid, toekomende vakantie vermeerderd wordt met 43,2
                                uur.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor de ambtenaar, die op of na 1 januari 1997 in dienst treedt, en
                                die de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt, wordt de duur van de hem
                                volgens artikel 6:2 respectievelijk 6:2:1 eerste lid toekomende
                                vakantie vermeerderd met 7,2 uur; vervolgens bij elke vijf jaar
                                ouder telkens opnieuw met 7,2 uur, totdat bij het bereiken van de
                                leeftijd van 60 jaar de hem volgens artikel 6:2 respectievelijk
                                6:2:1, eerste lid, toekomende vakantie vermeerderd wordt met 28,8
                                uur.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Van de ambtenaar die vóór 1 januari 1997 in dienst was, en met een
                                leeftijd van 18 jaar en jonger wordt de jaarlijkse vakantie verhoogd
                                met 21,6 uren. In het kalenderjaar waarin de leeftijd van 19 jaar
                                respectievelijk 20 jaar wordt bereikt, wordt de jaarlijkse vakantie
                                verhoogd met 14,4 respectievelijk 7,2 uur.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Van de ambtenaar die op of na 1 januari 1997 in dienst treedt en met
                                een leeftijd van 18 jaar en jonger, wordt de jaarlijkse vakantie
                                verhoogd met 7,2 uur.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Als maatstaf voor de berekening van het aantal vakantie-uren, waarop
                                de ambtenaar in enig kalenderjaar aanspraak kan maken, geldt het
                                schaalbedrag welke de ambtenaar op 1 januari geniet, of ingeval van
                                indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, de bezoldiging op
                                het tijdstip van indiensttreding.</al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>De verhoging van het aantal vakantie-uren op grond van het bepaalde
                                in artikel 6:2:1, lid 3 en artikel 6:2:1:1 lid 1 tot en met 4, gaat
                                in op de eerste dag van het kalenderjaar waarin het hier bedoelde
                                geval aanwezig is, respectievelijk de ambtenaar de daar bedoelde
                                leeftijd heeft bereikt onderscheidenlijk op het tijdstip van
                                indiensttreding.</al><tussenkop><vet>Lid 7</vet></tussenkop><al>De ambtenaar, die is ingeschaald gelijk aan of hoger dan het maximum
                                van schaal 9 van Bijlage II of IIa heeft recht op 165,6 verlofuren
                                per kalenderjaar. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:1:2 Vakantieverlof brandweerpersoneel in 24-uurs
                                    dienst</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Bij de berekening en opneming van vakantieverlof voor het
                                beroepsbrandweerpersoneel dat is aangesteld in de 24-uurs dienst
                                wordt het toe te kennen basisverlof inclusief het extra verlof
                                (zoals leeftijdsverlof), waarop de betreffende ambtenaar recht heeft
                                op grond van dit hoofdstuk, vermenigvuldigd met de factor 1,33. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De factor zoals genoemd in lid 1 wordt bepaald door het aantal
                                aanwezigheidsuren per week te delen door het aantal contracturen van
                                het full-time dienstverband van de 24-uursdienst medewerker. </al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De factor zoals genoemd in lid 1 wijzigt op het moment dat een of
                                beide variabelen verandering ondergaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor
                                    ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien
                                    werkdagen, aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                    voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het
                                    eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De
                                    ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen
                                    op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele
                                    achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid
                                    3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en
                                    aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal
                                    worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de
                                    vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het
                                    bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing
                                    wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                                    ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met
                                    de wensen van de ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                                    of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar
                                    rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in
                                    het eerste lid , niet gedurende het volle kalenderjaar zijn
                                    functie vervult, wordt de duur van de vakantie naar
                                    evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt
                                    een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet
                                    toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en
                                            bevalling;</al></li><li nr="b"><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend
                                    op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk
                                    zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                    van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die
                                    dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die
                                    met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt
                                    een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het
                                    uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend
                                    vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens
                                    dienstbelang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                    kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt
                                    hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het
                                    eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede
                                    volgende kalenderjaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat
                                    de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten
                                    buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan
                                    door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten
                                    deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:5 Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                    redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                    gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                    gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren
                                    van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van
                                    het aantal genoten vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de
                                    vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem
                                    vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                                    niet is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                            schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;
                                            of</al></li><li nr="c"><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan
                                            voor eerste oefening,</al></li></lijst><al> wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar
                                    verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de
                                    andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als
                                    bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten
                                    vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen
                                    aantal uren. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                    worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar
                                    aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend,
                                    op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te
                                    vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien
                                    verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer
                                    vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of
                                    krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een
                                    desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is
                                    beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit dienstverband</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke
                                aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een
                                vergoeding worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                    gedeeltelijk niet is opgenomen, vervalt dit verlof 12 maanden na
                                    het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan dat
                                    tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is
                                    geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege
                                    dienstbelang niet mogelijk is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                    gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                    college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof</titel></kop><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                                gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na
                                het einde van dat kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke
                                    maand waarover hij als zodanig salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) heeft ontvangen. Indien een ambtenaar in de
                                    loop van een maand zijn functie gaat vervullen dan wel wordt
                                    ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de
                                    vakantietoelage over die maand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van het voor de
                                    ambtenaar in die maand geldende salaris inclusief de toegekende
                                    salaristoelage(n), met dien verstande dat aan de ambtenaar ten
                                    minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor
                                    ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij
                                    het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid
                                    wordt verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden,
                                    beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
                                    In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling
                                    ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><lijst><li nr="a"><al>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn
                                            niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke
                                            dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9
                                            van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting
                                            anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in
                                            werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin
                                            van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                            dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden
                                            heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk
                                            is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                                            vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst
                                            of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren
                                            militaire dienst ontvangt en het bedrag aan
                                            vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben
                                            ontvangen indien de voorgaande leden op hem van
                                            toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend
                                            op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden
                                            bezoldiging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de
                                    tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit
                                    hoofde van schorsing een gedeelte van het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen wordt ingehouden buiten beschouwing
                                    wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of
                                    schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                    nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft
                                    gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon
                                    verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    kan worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                    ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde
                                    lid, toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                    wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar is verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:0:1 Regeling buitengewoon verlof </titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 6:4 en 6:4:1 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling buitengewoon
                                verlof vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag
                                    dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar
                                    wordt voltrokken. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                    wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
                                    zorgverlof, heeft over de uren dat hij dit verlof geniet
                                    aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                    ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                    opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                    kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                    vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak
                                    op zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de
                                    omvang van het langdurend zorgverlof. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie
                                    te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    vermindering van de duur van de vakantie beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling
                                    genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                    betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het
                                    volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al>Centrales van overheidspersoneel: </al><lijst><li nr="1"><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel
                                                  (ACOP); </al></li><li nr="2"><al>de Christelijke Centrale van overheids- en
                                                  onderwijs Personeel (CCOOP); </al></li><li nr="3"><al>de Centrale van middelbare en hogere
                                                  functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven
                                                  en instellingen (CMHF). </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>Verenigingen van ambtenaren:</al><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten
                                            bij de onder a genoemde centrales van
                                            overheidspersoneel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                            verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                            verenigingen betreft welke ook andere groepen van
                                            ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het
                                            bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                            groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van
                                            het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                            afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande
                                            dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of
                                            gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot
                                            een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                            verleend; </al></li><li nr="b"><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien
                                            hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                            bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de
                                            bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen
                                            indien hij lid is van een landelijke groepsraad;</al></li><li nr="c"><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                            centrale organisatie waarbij de vereniging van de
                                            ambtenaar is aangesloten, indien hij als
                                            vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                            vergadering deelneemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    buitengewoon verlof met behoud van salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) verleend: </al><lijst><li nr="a"><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                            overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder
                                            a of door een daarbij aangesloten vereniging is
                                            aangewezen.</al><lijst><li nr="-"><al>om bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                                  activiteiten te ontplooien binnen die centrale of
                                                  die daarbij aangesloten vereniging,
                                                  onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                                  apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen
                                                  van deze centrale van overheidspersoneel en/of de
                                                  daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen,
                                                  het geheel voor ten hoogste 216 uren per
                                                  kalenderjaar; </al></li><li nr="-"><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur
                                                  per jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                  medewerkers en ten hoogste 100 voor een
                                                  organisatie met meer dan 400 medewerkers; </al></li><li nr="-"><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste
                                                  50 uur per jaar voor een organisatie met minder
                                                  dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor
                                                  een organisatie met meer dan 400 medewerkers met
                                                  dien verstande dat per vakcentrale per organisatie
                                                  verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                                  arbeidsvoorwaardenadviseur</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van
                                            ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke
                                            door of ten behoeve van de leden van die vereniging van
                                            ambtenaren wordt gegeven, alles te samen voor ten
                                            hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor
                                    de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan
                                    ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien
                                    verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend
                                    aan de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                            overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a,
                                            nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                            rechtstreeks bij die centrale is aangesloten. </al></li><li nr="b"><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd
                                            in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is
                                            van een sector of sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend
                                    aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren,
                                    bedoeld in het eerste lid, onder b. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend
                                    voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede
                                    voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.
                                    Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt
                                    eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van
                                    de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere
                                    regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het
                                    tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                    gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:2a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72
                                    uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op
                                    grond van de Waz. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt
                                    voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                    betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar
                                    evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever
                                    en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                    waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                    Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is
                                    mogelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:4 Non-activiteit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                    bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929,
                                    aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                                    artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                    inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                    vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                    boven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere
                                    regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van
                                het genot van zijn gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                                verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in
                                artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor
                                maximaal één jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                    bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                    onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                    functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet
                                in mindering gebracht op de vakantie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                    ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij
                                    dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                                    arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                                    percentage van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>schaal 1:</al></entry><entry colname="col2"><al>90%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 2:</al></entry><entry colname="col2"><al>85%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 3:</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 4:</al></entry><entry colname="col2"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 5:</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>schaal 6 en hoger:</al></entry><entry colname="col2"><al>50%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat
                                    het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid
                                    verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een
                                    verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te
                                    nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen
                                    verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot
                                    gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt
                                    opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:2 Meerlingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
                                    op betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de
                                    meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt
                                    gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te
                                    genieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                    geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van
                                    het ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                    ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de
                                    salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt
                                    uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:5 Terugbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van
                                    artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                    bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a"><al>het gevolg is van het aanvaarden van een dienstverband
                                            bij een andere gemeente; </al></li><li nr="b"><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                            uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                            werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar
                                            ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of
                                            geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem
                                            liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                                            wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie
                                    aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het
                                    ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen, die hij op grond van artikel 6:5
                                    heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                    verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik
                                    maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met
                                    het in het eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende
                                    bepaling</titel></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                                voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:5a:1 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                    wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op
                                    grond van het eerste lid recht heeft. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot
                                    uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                    een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld
                                    of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie-
                                    of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond
                                    van het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                    gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                                    wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen
                                    te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen in mindering gebracht. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                    artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de
                                    gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de
                                    gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te
                                    verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste
                                    18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                    maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                    maximaal één periode van onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                    gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                    arbeidsduur of op een deel daarvan. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                    gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                    wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen
                                    twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                    schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
                                    hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof
                                    intrekken. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                    tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                    hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                    heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                    tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                    verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                    geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                    onbetaald verlof. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                    uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                    (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de
                                    gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn
                                    betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14
                                    kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende
                                    kalenderdag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die
                                    volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen
                                    ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet
                                    wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof</titel></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6a De gemeentelijke levensloopregeling</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling:</vet> een regeling
                                        als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting
                                        1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                        kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g,
                                        vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening:</vet> een bij de instelling door de
                                        ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg
                                        van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering:</vet> een bij de instelling door
                                        de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een
                                        levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                        kapitaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn
                                    ten aanzien van dit levenslooptegoed. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de loonbelasting 1964
                                    aan deelname stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:5 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de
                                    inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                                    genoemde bronnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:6 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de
                                volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al>het salaris;</al></li><li nr="b"><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e"><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, heeft recht op
                                    een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in
                                    een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage
                                    bedraagt bij een volledig dienstverband minimaal €400. Bij een
                                    deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                                    levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die
                                    zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht
                                    hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5%
                                    indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                    maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de
                                    levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De
                                    levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden,
                                    indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                                    maand december betaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt
                                    de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een
                                    levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                                    betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van
                                    het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is
                                    geweest.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in
                                    het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in
                                    artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                                    Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                    daarnaast:</al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c"><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed</titel></kop><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                                opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en
                                hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een
                                deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de
                                melding moet plaatsvinden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:10 Slotbepaling</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in
                                hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie
                                paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6a:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7:0:0:0 Regeling vergoeding beeldschermbril</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 7 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling vergoeding
                                beeldschermbril vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Definities</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:1 Definities</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:1 Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de
                                            krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend,
                                            tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
                                            geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
                                            gevergd;</al></li><li nr="b"><al><vet>werkzaamheden in het kader van de
                                                reïntegratie:</vet> loonvormende arbeid, die
                                            specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel
                                            passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in
                                            het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde
                                            lid;</al></li><li nr="c"><al><vet>scholing in het kader van de
                                            reïntegratie:</vet>scholing die gericht is op terugkeer
                                            in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken
                                            zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in
                                            artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="d"><al><vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                                            arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in
                                            overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de
                                                  bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten
                                                  worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de
                                                  aard van de opgedragen werkzaamheden of de
                                                  bijzondere omstandigheden waarin deze
                                                  werkzaamheden moesten worden verricht;</al></li></lijst><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar
                                            is te wijten; </al></li><li nr="e"><al><vet>restverdiencapaciteit:</vet> het door UWV vast te
                                            stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden
                                            en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                            verdienen;</al></li><li nr="f"><al><vet>arbodienst:</vet>een dienst als bedoeld in artikel
                                            17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g"><al><vet>inactieve:</vet>de oud-ambtenaar met een
                                            WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke
                                            uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of
                                            wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de
                                            uitkering in dienst was van een gemeente;</al></li><li nr="h"><al><vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een
                                            uitkering functioneel leeftijdsontslag,
                                            ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die
                                            direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in
                                            dienst was van een gemeente of inactieve was;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en
                                        geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</al></li><li><al>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</al></li><li><al>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:2:4 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</al></li><li><al>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                        ambtenaar</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst</titel></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbodienst of gecertificeerd
                                deskundige(n).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                                    begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt
                                    door een arbodienst of gecertificeerd deskundige(n),
                                    overeenkomstig door het college te stellen regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die
                                naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                    ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: </al><lijst><li nr="a"><al>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                            aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede
                                            gezondheidstoestand van de ambtenaar; </al></li><li nr="b"><al> indien de ambtenaar niet of niet langer volledig
                                            geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van
                                            zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor
                                            medische oorzaken zijn aan te wijzen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in
                                    het eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:6 Buitendienststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt van
                                    een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de
                                    ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbodienst de belangen
                                    van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de
                                    dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van
                                    zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door het
                                    college buiten dienst gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                    plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de
                                    lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                                    wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt
                                    belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval
                                    is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor
                                    de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk
                                    gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                    bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking
                                    te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang
                                    van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van
                                    het behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                    arbeidsgeschiktheid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                    schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:3 Recht op bezoldiging</al></li><li><al>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij
                                        seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en
                                        door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:6 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                        arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</al></li><li><al>Artikel 7:8 Nadere regels</al></li><li><al>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</al></li><li><al>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</al></li><li><al>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                        toepassing van artikel 2:7a</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:3 Recht op salaris en de toegekende
                                    salaristoelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                    stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die
                                    ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                    gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                    doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12
                                    maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste
                                    maand recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n). </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24
                                    maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op
                                    doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                    gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de uren waarop
                                    hij: </al><lijst><li nr="a"><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b"><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c"><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                            verricht;</al></li><li nr="d"><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden
                                    recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en
                                    door de dienst.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die gedurende
                                    ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid,
                                    passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn
                                    reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn
                                    reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft
                                    recht op een extra percentage van 5% berekend over het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen waar hij recht op heeft
                                    ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het salaris en
                                    de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in het eerste lid.
                                </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk
                                    minimumloon, berekend naar rato van zijn formele
                                    arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van
                                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7,
                                    ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode,
                                    bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op. </al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                                    worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld
                                    indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op
                                    een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt
                                    genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de
                                    ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te
                                    vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelagenzoals genoemd in het eerste, tweede, derde en
                                    vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                    herplaatst in een andere functie. </al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                    recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>14</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                    terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt
                                    of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het
                                    eerste lid, het volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) wordt doorbetaald</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:4 Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel
                                    en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><al> De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat
                                de ambtenaar nooit een hoger bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij
                                zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door
                                    de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                    IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst, een aanvullende uitkering verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                    ambtenaar met een WGAof IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                    nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of
                                    IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende
                                    bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van
                                    de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald
                                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn
                                    ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
                                    van: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>80% of meer: </al></entry><entry colname="col2"><al>95% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>65 tot 80% </al></entry><entry colname="col2"><al>68,875%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 55 tot 65% </al></entry><entry colname="col2"><al>57% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 tot 55% </al></entry><entry colname="col2"><al>47,5% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 tot 45% </al></entry><entry colname="col2"><al>38% </al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in
                                            het eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond
                                    van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te
                                    stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering
                                    of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement
                                    van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:6 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                    arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                    ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel
                                    van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                    behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                    voorschriften geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8 Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling
                                van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                                overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning,
                                ten behoeve van de vaststelling van het salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) tijdens ziekte, dient in een lokale regeling nader
                                te worden uitgewerkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging</titel></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in
                                een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    toepassing van artikel 2:7a</titel></kop><al> De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel
                                2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:9 Verplichtingen college</al></li><li><al>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot
                                        informatieverstrekking bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                        reïntegratie</al></li><li><al>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</al></li><li><al>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</al></li><li><al>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                        ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                        ambtenaar</al></li><li><al>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</al></li><li><al>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</al></li><li><al>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9 Verplichtingen college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
                                    maatregelen te treffen en voorschriften te geven als
                                    redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                                    ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is
                                    zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen
                                    arbeid of passende arbeid te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden
                                    verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen
                                    passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de
                                    inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de
                                    openbare dienst van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de
                                    ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25,
                                    tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                                    medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig
                                    bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                    opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt
                                    gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen
                                    omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de
                                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te
                                    nemen procedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:9:0:1 Regeling ziekteverzuimbegeleiding </titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 7:9 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                ziekteverzuimbegeleiding vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot
                                    informatieverstrekking bij ziekte</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie
                                die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:10:4 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                    reïntegratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                    ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is
                                    verplicht:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften
                                            en mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld
                                            in artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c"><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol,
                                            bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie
                                    te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel
                                    7:1 te verrichten en hij door het college of een andere
                                    werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij
                                    verplicht die arbeid te verrichten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch
                                    onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                    vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                    beantwoording van de vragen:</al><lijst><li nr="a"><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie wegens ziekte;</al></li><li nr="b"><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld
                                            onder a;</al></li><li nr="c"><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van
                                            zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d"><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder
                                            geneeskundige behandeling te stellen of te blijven
                                            stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften
                                            hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien
                                            verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen
                                            van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard
                                            zijn uitgezonderd;</al></li><li nr="e"><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f"><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in
                                            het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel
                                            in het belang van het behoud, het herstel of de
                                            bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; </al></li><li nr="g"><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de functie
                                            kan worden hervat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen
                                    van medisch onderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling</titel></kop><al>Geen aanspraak op doorbetaling van salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in
                                        artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de
                                        ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van
                                        zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan
                                        op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan
                                        worden gemaakt;</al></li><li nr="b"><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen
                                        een halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde
                                        geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar
                                        hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand
                                        heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge
                                        waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn
                                        functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten
                                        onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt
                                        dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot
                                            het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de
                                            arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te
                                            komen;</al></li><li nr="b"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten
                                            onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige
                                            behandeling te stellen of te blijven stellen;</al></li><li nr="c"><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                            voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met
                                            uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een
                                            ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d"><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                            schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing
                                            wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e"><al>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                                            onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts
                                            niet kan plaatshebben; </al></li><li nr="f"><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                            arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden
                                            verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang
                                            van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college
                                            daartoe toestemming heeft verleend; </al></li><li nr="g"><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die
                                            hij heeft in verband met het verrichten van door de
                                            arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk
                                            geachte arbeid voor zichzelf of derden; </al></li><li nr="h"><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de
                                            arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst
                                            bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij
                                            hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende
                                            reden heeft opgegeven;</al></li><li nr="i"><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie te
                                            verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van
                                            dit hoofdstuk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond
                                    van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt
                                    van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                                    bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair
                                    gestraft wegens plichtsverzuim.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                    indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a"><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door
                                            hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke
                                            voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn
                                            om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende
                                            arbeid te verrichten; </al></li><li nr="b"><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                                            bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c"><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten,
                                            waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid,
                                            verplicht is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel
                                    plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                    toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan
                                    ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe
                                    aanleiding geven, bepalen dat de op grond van de artikelen
                                    7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), geheel of ten dele aan anderen dan
                                    de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                    bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de
                                    artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet uitbetaalde salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) alsnog aan de ambtenaar
                                    uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion
                                    die hij conform artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd
                                    inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het
                                    gelijk gesteld wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                    ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a"><al> door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke
                                            duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling; </al></li><li nr="b"><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van
                                            proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van
                                            de aanstelling;</al></li><li nr="c"><al> bij een andere werkgever, door een tijdelijke
                                            detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een
                                            wijziging van de aanstelling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in
                                    artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door
                                    definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt
                                    plaats door wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                    arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                    periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de
                                    ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                                    restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                                    ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar
                                    minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12
                                    maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid,
                                    dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn
                                    restverdiencapaciteit of meer benut.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt
                                    onder een andere functie mede verstaan het verrichten van
                                    dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                    maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                                    informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:17 Terugkeer in functie na ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                                    zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn
                                    functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college
                                    daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate
                                    waarin de hervatting kan geschieden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                                    gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                                    vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan eenjaar volledig
                                    verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                                mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten uit
                                passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                                reïntegratie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit andere betrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen
                                    van zijn functie, op grond van een aan het college uitgebracht
                                    advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van
                                    zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van
                                    herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor
                                    derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in
                                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op heeft krachtens
                                    artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                                    gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van
                                    hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                                    toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden
                                    betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Bijzondere situaties</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </al></li><li><al>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                        WIA</al></li><li><al>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                        Pensioenreglement</al></li><li><al>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</al></li><li><al>Artikel 7:23:1 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op
                                    een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de
                                    ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te
                                    wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen
                                    ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel
                                    rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de
                                    ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de
                                    ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan
                                    zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing
                                    van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                                    ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het
                                    meerdere aan de ambtenaar uitbetaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering </titel></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                                ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht
                                heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                7:3, recht heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de
                                    WIA</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering
                                    tot het vervullen van zijn functie recht heeft op een WGA- of
                                    een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel
                                    7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar recht heeft op een
                                    IVA-uitkering dan wel een WGAuitkering in verband met volledige,
                                    maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten
                                    minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of
                                    WGAuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering
                                    uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die
                                    uitkering naar rato van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) uit de verschillende functies, in mindering
                                    gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de betaling
                                    wordt gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen
                                    de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge
                                    geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit
                                    artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in
                                    aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                    dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan
                                    worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                                    uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten
                                    voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het
                                    bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                    medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen
                                    van de WGA- of IVA-uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling
                                    Pensioenreglement</titel></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar
                                in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21,
                                recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het
                                Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23 WAJONG/WAZ</titel></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht
                                heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op
                                grond van de WIA.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:23:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Ziektekosten</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</al></li><li><al>Artikel 7:24a Zorgverzekering</al></li><li><al>Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming</al></li><li><al>Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden</al></li><li><al>Artikel 7:25b Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:1 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:2 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:3 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 7:25:4 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten</titel></kop><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                                postactieven en inactieven een overeenkomst als bedoeld in artikel
                                18 van de Zorgverzekeringswet</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:24a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25a Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25b Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:2 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:25:4 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Overige bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</al></li><li><al>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</al></li><li><al>Artikel 7:28 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28a Overgangsartikel</al></li><li><al>Artikel 7:28b Overgangsartikel</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:26 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                                    december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering op
                                    grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum
                                    voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze
                                    luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de
                                    ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang
                                    waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de
                                    Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan
                                    hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te
                                    betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering
                                    krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:27 Garantie-uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede
                                    lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                    naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht
                                    op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare
                                    arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is
                                    om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder
                                    gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen
                                    geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn
                                    krachten en bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering bedraagt, te rekenen vanaf de datum van
                                    aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke functie, 18 maanden
                                    100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar
                                    genoot in de oorspronkelijke functie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                    ambtenaar ontvangt uit de dienstbetrekking waarin hij is
                                    herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op
                                    WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op
                                    of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    niveau is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken
                                    die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien
                                    hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij
                                    opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan,
                                    wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het
                                    bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De garantie-uitkering eindigt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                            leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b"><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en
                                    7:22 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals
                                    die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278400"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die
                                    op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de
                                    artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278401"></illustratie></plaatje> , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel
                                    7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet
                                    worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met
                                    ingang van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="1 januari 2006" type="tekst" id="i278402"></illustratie></plaatje> . </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid
                                    vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006
                                    wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis
                                    van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde
                                    lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel
                                    7:18:1 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1
                                    zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278403"></illustratie></plaatje> , van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28a Overgangsartikel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                    bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel
                                    7:16 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld
                                    in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i278404"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7:28b Overgangsartikel</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008" type="tekst" id="i278405"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>8 Ontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                    indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen
                                    wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met
                                    ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan
                                    drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is
                                    ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het
                                    eerste lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar
                                    aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te
                                    brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een
                                    beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat
                                    de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de
                                    disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de
                                    dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                                    hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid
                                    afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde
                                    leeftijd </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na
                                    het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is
                                    getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of
                                    arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2 lid 3 wordt
                                    beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht.
                                    Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een
                                    opzegtermijn van 13 weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing
                                    van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                    dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                    dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                    arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen
                                    uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld
                                    plan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg
                                gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna
                                wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b"><al> arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                    indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het
                                    resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten
                                    van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e
                                    maand na de eerste ziektedag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                    meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                                    het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de functie tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                    verlengd: </al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts
                                    plaatsvinden indien: </al><lijst><li nr="a"><al> er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                            zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van
                                            36 maanden;</al></li><li nr="b"><al> het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken
                                            de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende
                                            arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het
                                    resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de
                                    resultaten van een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op
                                    grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de
                                    33e maand na de eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                                    meest recente WIA-beschikking zijn genomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                                    het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van de functie ten gevolge van
                                    zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking
                                    genomen. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                                    zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                    ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan
                                    worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid,
                                    onderdeel a, wordt verlengd</al><lijst><li nr="a"><al> met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b"><al> met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst
                                    passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde
                                    lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag
                                    van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het
                                    bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende
                                    en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn
                                    functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden
                                    indien hij zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a"><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                            mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in
                                            staat te stellen de eigen of passende arbeid te
                                            verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b"><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te
                                            verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid
                                            stelt;</al></li><li nr="c"><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d"><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld
                                    in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking
                                    hebbend advies van het UWV in.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:5:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of
                                    ongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                    grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                        bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                        aanvaarding van de functie geldt;</al></li><li nr="b"><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in
                                        de functie zou uitsluiten; </al></li><li nr="c"><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d"><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e"><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="f"><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                        indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen
                                        verwijt kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een
                                ontslag op grond van eerder genoemd artikel eervol verleend. Het
                                ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgend op die waarop
                                de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden
                                    ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende
                                    onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk
                                    genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge
                                artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het
                                ontslagbesluit vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden</titel></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie
                                in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                                tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien
                                hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van
                                het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol
                                ontslag verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:10:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:11:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                    tijdelijke urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is
                                    van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het
                                    dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een
                                    aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht
                                    voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                    aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                    rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de
                                    urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke
                                    urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn
                                    aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                                    kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                    aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd
                                    is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft,
                                    ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de
                                    urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                    niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel
                                    2:4 zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit
                                    een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                    stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:0:1 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                    tijdelijke urenuitbreiding</titel></kop><al>Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin van artikel 8:12 lid
                                2, de urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding
                                geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke
                                    aanstelling of urenuitbreiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid,
                                    kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden
                                    genoemd in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke
                                    aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde
                                    lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a"><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft
                                            geduurd;</al></li><li nr="b"><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch
                                            korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c"><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                            geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                    mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van
                                    zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag
                                verleend worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                    vakorganisaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>wet:</vet>Wet op de ondernemingsraden; </al></li><li nr="b"><al><vet>ondernemingsraad:</vet> de ondernemingsraad zoals
                                            bedoeld in de wet; </al></li><li nr="c"><al><vet>ambtenaar:</vet> de persoon zoals bedoeld in
                                            artikel 1, tweede lid, van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden: </al><lijst><li nr="a"><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een
                                            kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;
                                        </al></li><li nr="b"><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="c"><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in
                                            artikel 15 van de wet; </al></li><li nr="d"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een ondernemingsraad; </al></li><li nr="e"><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                            de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het
                                    feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als
                                    bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij
                                    aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                                    vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                                    centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de
                                    organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                    doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                    daarbij aangesloten bonden te ondersteunen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan
                                    ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de
                                    betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
                                    heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
                                    toepassing op die secretaris. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar
                                    door het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                            onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van
                                            de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b"><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen
                                            van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                            uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c"><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                            misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d"><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door
                                            het belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                            ingaat;</al></li><li nr="b"><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid
                                            bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de
                                            schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c"><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van
                                            de schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor
                                    een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn
                                    van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren
                                    bedrag, ook tot het volle bedrag , plaatsvinden, behoudens het
                                    bepaalde in het derde lid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    a , kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde
                                    datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of
                                    gedeeltelijk worden gestaakt, behoudens het bepaalde in het
                                    derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de
                                    doorbetaling geheel gestaakt. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                    uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar
                                    in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op
                                    hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris inclusief
                                    de toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien
                                    de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf
                                    wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden
                                    alsnog tot uitbetaling wordt besloten. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op
                                    de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk
                                    ontslag niet volgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                    vervuld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift
                                    gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag
                                    dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                    onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop
                                    het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:1 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door
                                    de dienst </titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen
                                    arbeidsduur</titel></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week
                                gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke
                                uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk
                                ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van
                                wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:18 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i278406"></illustratie></plaatje>, van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar
                                    die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn
                                    de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 juni 2006" type="tekst" id="i278407"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:19 Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn functie wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                    8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="zoals dat gold op 30 juni 2008" type="tekst" id="i278408"></illustratie></plaatje>, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8:20 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of
                                artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="30 november 2008" type="tekst" id="i278409"></illustratie></plaatje>.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 9 is vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9:4:1:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met
                                    arbeid</titel></kop><al>De vermindering, als bedoeld in artikel 9:4:1 eerste lid, bedraagt,
                                indien de gewezen ambtenaar de leeftijd van 55 jaren heeft bereikt
                                de helft van het bedrag, waarmee de som van de uitkering en de
                                inkomsten op jaarbasis de laatstelijk genoten bezoldiging
                                overschrijdt, doch tot ten hoogste het verschil tussen het bedrag
                                van de uitkering en het bedrag van het pensioen, waarop hij recht
                                zou hebben, indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de
                                datum van zijn ontslag. De gewezen ambtenaar wordt geacht de
                                leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt op de eerste dag van de
                                maand, waarin hij deze bereikt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                            bezwarende functie</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9a:1 Algemeen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari
                                2006 in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31
                                december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278410"></illustratie></plaatje> .</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:2 Definities</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                        belasting door het frequent draaien van piket of het werken
                                        in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans
                                        op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b"><al><vet>de tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de
                                        organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de
                                        gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                        bezwarende functie en die past bij de richting zoals
                                        afgesproken is in het loopbaanplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:4 Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                    ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in
                                    de bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of
                                    buiten de gemeentelijke dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de
                                    volgende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                                    loopbaanplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en
                                    de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in dat kader door
                                    de ambtenaar te volgen opleiding en de te ondernemen
                                    activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te
                                    hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te
                                    beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval die
                                    opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de
                                    brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau.
                                    Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te
                                    verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                    loopbaanplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                    opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                    geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de
                                    belangen van het college als met de belangen van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking
                                    tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het
                                    college die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte
                                    afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                    loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                    college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                    activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b"><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan
                                            gekozen wordt;</al></li><li nr="c"><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                            activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d"><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e"><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit
                                            of de te volgen scholing;</al></li><li nr="f"><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of
                                            scholing;</al></li><li nr="g"><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                            scholing;</al></li><li nr="h"><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of
                                            te ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                            gestopt;</al></li><li nr="j"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor
                                            een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:6 Terugbetaling</titel></kop><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten
                                die het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met
                                de activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn
                                vergoed, terug te betalen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke
                                    dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                    binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt
                                    plaats door aanpassing van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt
                                    plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                    functie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                    loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                    bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                    begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel
                                    8:13 disciplinair ontslag verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie
                                    werkzaam wanneer:</al><lijst><li nr="a"><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                            college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                            nakomt;</al></li><li nr="b"><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het
                                            college en de ambtenaar daar gezamenlijk toe
                                            besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de
                                    bezwarende functie door te werken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan
                                    begonnen wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                    medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                    geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt;
                                    overbruggingsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de
                                    bezwarende functie door te werken, ontvangt een
                                    overbruggingsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het
                                    aantal jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam
                                    is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                    overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                    overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                    vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                    maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering
                                    gebracht op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel
                                    7:3.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze
                                    hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel
                                    7:3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom
                                    van:</al><lijst><li nr="a"><al> het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid,
                                            sub b, </al></li><li nr="b"><al> de vakantieuitkering, </al></li><li nr="c"><al> de eindejaarsuitkering, </al></li><li nr="d"><al> de functioneringstoelage, </al></li><li nr="e"><al> de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f"><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                            toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                            zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede
                                            loopbaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van
                                    de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                                    3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging van de
                                    feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                                    3:1, tweede lid, onderdeel c door in de oude bezoldiging</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging
                                    van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                                    artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c bij uitruil in het kader
                                    van de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk
                                    4a niet door in de oude bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede
                                    loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het
                                    negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het
                                    oude salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke
                                    salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                                    overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                    bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                    vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                    garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude
                                    bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                                    salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                                    overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                    organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen
                                    verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een
                                    aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het
                                    verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en eventuele
                                    toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De
                                    afbouwtoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al> het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b"><al> het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c"><al> het derde jaar 50%; </al></li><li nr="d"><al> het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de
                                    generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                    sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                    bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                    vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                    garantietoelage en de afbouwtoelage de oude bezoldiging
                                    overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                                    generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                    sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de
                                    organisatie van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte
                                    van 175% van het verschil tussen de oude bezoldiging en het
                                    nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en
                                    vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                                    toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat
                                    voor de ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is
                                    vastgesteld. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005
                            recht gaf op functioneel leeftijdsontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:1 Werkingssfeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                                            beroepsbrandweerkorps of bij een gemeentelijke
                                            ambulancedienst; en</al></li><li nr="b"><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor
                                            door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde
                                            op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278411"></illustratie></plaatje>, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking heeft
                                            vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals
                                            dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278412"></illustratie></plaatje>, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55
                                            jaar of ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de
                                    ambtenaar die</al><lijst><li nr="a"><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente
                                            of ambulancedienst, of</al></li><li nr="b"><al>overstapt naar een ander gemeentelijk
                                            beroepsbrandweerkorps, dan wel naar een andere
                                            gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap
                                            tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn
                                            gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat
                                    de functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende
                                    functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278413"></illustratie></plaatje>, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                    ouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                                    of meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op
                                    het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                                    werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld
                                    in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                                    uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                    ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na
                                        1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                        bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel
                                        9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                        9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst,
                                        eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode
                                        van artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:8 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                        artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                        artikel 9b:4</al></li><li><al>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                        geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006
                                        in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                        onbezoldigd volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:13 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:15 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:16 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                        volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na
                                        de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949
                                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                        bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing
                                        bij ziekte</al></li><li><al>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949
                                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                        bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949
                                        met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                        bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de
                                        ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                                        januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>bezoldiging:</vet> de optelsom van</al><lijst><li nr="I"><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid,
                                                sub b, </al></li><li nr="II"><al> de vakantieuitkering;</al></li><li nr="III"><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="IV"><al> de functioneringstoelage;</al></li><li nr="V"><al> de waarnemingstoelage en </al></li><li nr="VI"><al> de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde
                                                andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan
                                                de ambtenaar zijn toegekend, met uitzondering van de
                                                levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9,
                                                berekend over een periode van 12 maanden
                                                onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die
                                                voortvloeit uit de toepassing van artikel 9b:4,
                                                artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                                9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De
                                                bezoldiging wordt, met uitzondering van de
                                                bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na
                                                deze datum geïndexeerd met de generieke
                                                salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                                sector wordt overeengekomen. Indien verlofopname
                                                door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid
                                                tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van
                                                de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid,
                                                onderdeel c, werkt die wijziging door in de
                                                bezoldiging. </al></li></lijst></li><li nr="b"><al><vet> bezwarende functie:</vet> een betrekking met een hoge
                                        belasting door het frequent draaien van piket of het werken
                                        in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans
                                        op gezondheidsklachten; </al></li><li nr="c"><al><vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel:</vet> de jaren in
                                        dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren
                                        werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                        stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment
                                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als
                                        vrijwilliger bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin
                                        daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men
                                        niet tegelijkertijd een aanstelling had als
                                        beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren
                                        als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken
                                        hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet; </al></li><li nr="d"><al><vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: </vet>de jaren
                                        werkzaam bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren
                                        werkzaam bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij
                                        een ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren
                                        werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                        stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment
                                        recht gaf op functioneel leeftijdsontslag; </al></li><li nr="e"><al><vet> niet-bezwarende functie:</vet> een functie die niet
                                        valt onder de definitie van onderdeel b; </al></li><li nr="f"><al><vet> tweede loopbaan:</vet> iedere functie binnen de
                                        organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de
                                        gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                        bezwarende functie; </al></li><li nr="g"><al><vet> onbezoldigd volledig verlof:</vet> verlof voor de
                                        formele arbeidsduur per week, zonder behoud van
                                        bezoldiging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:3 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor
                                een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na
                                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar
                                    bereikt volledig buitengewoon verlof verleend, tegen
                                    doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                                    ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats
                                    van het volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een
                                    keuze maken uit de volgende mogelijkheden: </al><lijst><li nr="a"><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt
                                            wordt een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de
                                            ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande
                                            aan toekenning van de bonus; </al></li><li nr="b"><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken,
                                            tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar
                                            geldende bezoldiging;</al></li><li nr="c"><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een
                                            bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar
                                            geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan
                                            toekenning van de bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen
                                    noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor
                                    ambulancepersoneel als alternatief voor onderdeel b: 60% van een
                                    volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van de
                                    voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste
                                    lid bedoelde datum het college door middel van een verzoek
                                    bekend naar welke variant zijn voorkeur uitgaat. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278414"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde
                                    onder a en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende
                                    functie door te werken. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde
                                    keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode
                                    van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                    geschikt is om door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet,
                                    met inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes
                                    kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                    verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor
                                    zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het
                                    moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien
                                    verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel
                                    c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de
                                    datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als
                                    voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een
                                    optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de
                                    eerdere keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari
                                    2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin
                                    van het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan
                                    voorafgaand een functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of
                                    lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode € 500,-
                                    netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen
                                    volledig kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde
                                    mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato. Deze uitkering
                                    wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Aan
                                    de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een vergoeding
                                    heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag,
                                    waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger
                                    is dan de reeds ontvangen vergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel
                                    9b:4</titel></kop><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c,
                                wordt geen pensioen opgebouwd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                                vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                                werkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst,
                                    eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van
                                    artikel 9b:4</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste
                                volzin en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1,
                                respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van
                                    toepassing.<noot id="FN137323_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:1:1 is onjuist
                                        en wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel
                                        naar het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:8 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:4</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de
                                voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                                van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:4</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat
                                    genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:4 van
                                    toepassing is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                                    bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                    gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde
                                    bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                                    gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van
                                    toepassing is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:4.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                    geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in
                                    een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                    gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan
                                    wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                    waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig
                                    verlof verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                    bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278415"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                    wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                    op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278416"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60
                                    jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                                    telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat
                                    de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                    onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:13 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:15 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:16 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:11, telt niet mee voor de berekening van de
                                ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na
                                    de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als
                                    het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                    dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278417"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum
                                    van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat,
                                    artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                                    jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                    vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door
                                    deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste
                                    lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is,
                                    verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                                    geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de
                                    bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                    naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:11 van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als
                                    het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                    dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278418"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing
                                    bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de
                                    organisatie van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft
                                    recht op een garantietoelage ter hoogte van het negatieve
                                    verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen
                                    van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe
                                    bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in
                                    verband met zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief
                                    herplaatst wordt in een functie met een lager totaal inkomen
                                    buiten de organisatie van de gemeente, maken het college en de
                                    ambtenaar afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278419"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de
                                levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                                    20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                    daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53
                                    jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57%
                                    van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor,
                                    die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het
                                    geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                                    dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de
                                    indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is
                                    vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet
                                    bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in
                                    ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter
                                    beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                    uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van
                                    het tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP
                                    Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                    leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                    leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                                    wordt berekend tot het moment van uittreden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                    tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van
                                    het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                    tot de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                    indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                    bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor
                                    deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                    geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in
                                    een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                    afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                    tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd </al></entry><entry colname="col2"><al>factor </al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col4"><al>factor </al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col6"><al>factor </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,277</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,432</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,673</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,445</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,693</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,458</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,472</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,735</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,486</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,757</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,321</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,501</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,780</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,516</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,531</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,351</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,547</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,564</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,878</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,580</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,904</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,598</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,395</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,616</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,407</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,634</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,988</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,419</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,653</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,018</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd,
                                    stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren
                                    vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                                uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                    dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die
                                    op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                                    werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld
                                    in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                                    uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                    ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is
                                        en tenzij tweede loopbaan gestart wordt</al></li><li><al>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder
                                        dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                        functie</al></li><li><al>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20
                                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                        9b:26</al></li><li><al>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst,
                                        eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode
                                        van artikel 9b:26</al></li><li><al>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof
                                        voorde ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                        dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                        9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                        artikel 9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                        9b:26 en 9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:32 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:33 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                        artikel 9b:26 en artikel 9b:28</al></li><li><al>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                        geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                                        2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens
                                        onbezoldigd volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:37 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:39 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:40 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                        volledig verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de
                                        ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                        januari 2006 in een bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                        dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li><al>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                        dienstjaren op 1 januari 2006</al></li><li><al>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de
                                        ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                                        2006</al></li><li><al>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:23 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in aanmerking kwam voor
                                een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en
                                    tenzij tweede loopbaan gestart wordt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                                    toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam
                                    tot het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de
                                    ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere
                                    afspraken maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder
                                    dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de
                                    maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a
                                    van toepassing, met inachtneming van de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als
                                    het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                    dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278420"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                    loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de
                                    organisatie van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een
                                    procedure voor erkenning verworven competenties zijn
                                    competenties laten erkennen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede
                                    loopbaan heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten,
                                    voor zover redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere
                                    functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente,
                                    ontvangt, in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met
                                    zevende lid, een garantietoelage ter hoogte van het negatieve
                                    verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe bezoldiging.
                                </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken in het kader van het
                                    loopbaanplan afspraken over een financiële regeling wanneer de
                                    ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de
                                    organisatie van de gemeente een functie aanvaardt met een lager
                                    totaalinkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand
                                    volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                    50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen
                                    doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                                    vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan
                                    aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van
                                    een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van
                                    de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278421"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld
                                    in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te
                                    werken, wordt ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid,
                                    van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                                    inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde
                                    moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                                    Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om
                                    door te werken in de bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet,
                                    met inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes
                                    kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                    verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:27 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst,
                                    eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van
                                    artikel 9b:26</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de
                                artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6
                                en artikel 6:3 niet van toepassing.<noot id="FN137119_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:1:1 is onjuist
                                        en wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel
                                        naar het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof
                                    voor de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren
                                    op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren
                                    heeft, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                    maand waarin hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig
                                    buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van een bepaald
                                    percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De
                                    leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal
                                    dienstjaren op 1 januari 2006. De leeftijd waaraan de
                                    ingangsdatum van het volledig buitengewoon verlof is gekoppeld,
                                    en het percentage dat vanaf dat moment wordt betaald zijn bij
                                    een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:</al><lijst><li nr="a"><al> 5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75% </al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78% </al></li><li nr="c"><al> 15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                    bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31
                                    december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278422"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel
                                    9b:28</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar
                                pensioen op over de volledige bezoldiging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:28</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of
                                80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel
                                    9b:26 en 9b:28</titel></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28,
                                vindt opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:32 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:33 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:26 en artikel 9b:28</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:26 en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                                    in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang
                                    van of na de datum waarop artikel 9b:26 van toepassing is
                                    geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                                    vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                                    bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging
                                    samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van
                                    toepassing is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:26.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar
                                    geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
                                    in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                    de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                    onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van
                                    60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op
                                    grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278423"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor
                                    wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                    zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278424"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof
                                    later laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is
                                    dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens
                                    onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                                    in artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf
                                    dat moment het verhaal van de pensioenpremies en premie voor de
                                    voorwaardelijke inkoop gelijk aan het bedrag van de premies en
                                    de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:37 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:39 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:40 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het
                                onbezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                                9b:35, telt niet mee voor de berekening van de
                                ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de
                                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie
                                    door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278425"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                    datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het
                                college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278426"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de
                                levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij
                                    daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende
                                    dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van
                                    53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van
                                    57% van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke
                                    factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het
                                    geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals
                                    dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de
                                    indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is
                                    vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet
                                    bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20
                                    dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het
                                    eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal
                                    dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53 jaar.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de
                                    bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd
                                    van 59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20
                                    dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen
                                    gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                                    deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke
                                    factor, die hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op
                                    uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een
                                    functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd
                                    van 60 jaar was verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in
                                    ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                    overgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar
                                    uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van
                                    het vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van
                                    toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra
                                    Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de
                                    leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de
                                    leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon
                                    wordt berekend tot het moment van uittreden. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                    tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van
                                    het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                    tot de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken,
                                    als bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal
                                    dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal
                                    dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De
                                    leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft
                                    waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was
                                    verbonden. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                    indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                    bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor
                                    deze indicatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar
                                    met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor
                                    is afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                    tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd </al></entry><entry colname="col2"><al>factor </al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col4"><al>factor </al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col6"><al>factor </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,277</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,432</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,673</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,286</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,445</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,693</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,294</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,458</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,303</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,472</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,735</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,312</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,486</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,757</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,321</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,501</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,780</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,331</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,516</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,804</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,341</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,531</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,351</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,547</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,362</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,564</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,878</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,373</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,580</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,904</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,384</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,598</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,395</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,616</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,407</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,634</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,988</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,419</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,653</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,018</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden
                                    gewijzigd, stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke
                                    factoren vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                                uittreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Vervallen</titel></kop><al>Artikel 9b:46 tm 9b:49 zijn vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:46 tm 9b:49 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende
                                    functie</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006, in een niet
                                        bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet
                                        bezwarende functie</al></li><li><al>Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</al></li><li><al>Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van
                                        artikel 9b:52</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:50 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet
                                bezwarende functie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                                    of meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende
                                    functie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20
                                    dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet
                                    bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college
                                    krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278427"></illustratie></plaatje> , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                                    levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende
                                    jaarsalaris over het jaar dat de functie werd bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                                    direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:52 Vervallen</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:52a Vervallen</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:53 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren
                                    of meer in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op
                                    het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                                    werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - als bedoeld
                                    in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO
                                    uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                    ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</al></li><li><al>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst,
                                        eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode
                                        van artikel 9b:56</al></li><li><al>Artikel 9b:58 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                        artikel 9b:56</al></li><li><al>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na
                                        de leeftijd van 50 jaar</al></li><li><al>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij
                                        regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:54 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006
                                – als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam voor een
                                WIA/WAO-uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:55 Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20, artikel
                                9b:22, artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:56 Volledig buitengewoon verlof </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                    gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan
                                    wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand
                                    waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon
                                    verlof verleend voor een periode van 3 jaar, tegen doorbetaling
                                    van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar
                                    bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                                    artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278428"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan.
                                </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                    wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                    op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278429"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60
                                    jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan,
                                    telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat
                                    de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                    aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de
                                    ambtenaar bij uittreden recht op volledig buitengewoon verlof
                                    als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                    FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                    bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht
                                    voortgezet wordt, dan is het zesde lid niet van toepassing en
                                    behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en
                                    met vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:57 Toelage onregelmatige dienst,
                                    eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van
                                    artikel 9b:56</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen 3:3
                                en 3:3:1, respectievelijk <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 19a:8" type="tekst" id="i278430"></illustratie></plaatje>, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.<noot id="FN580853_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:1:1 is onjuist
                                        en wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel
                                        naar het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:58 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:59 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:56</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig
                                buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de
                                voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening
                                van de ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:60 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:56 </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:56, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                                    arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                    datum waarop artikel 9b:56 van kracht is geworden, wordt op de
                                    doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:56 van
                                    kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:56.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:61 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                    verlof </titel></kop><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld
                                in artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:62 Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof
                                </titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het
                                volledig buitengewoon verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:63 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na
                                    de leeftijd van 50 jaar</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                    jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel
                                    8:5 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278431"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum
                                    van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat,
                                    artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot
                                    en met 9b:62 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                                    jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te
                                    vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door
                                    deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste
                                    lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is,
                                    verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                                    geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de
                                    bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt
                                    naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:56, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:56 van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278432"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:64 Volledig buitengewoon verlof bij
                                    regionalisering </titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie
                                bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft
                                deze paragraaf van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                    dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die
                                    op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de
                                    werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006 - in aanmerking
                                    kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen
                                    levensloop heeft ontvangen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 9b:65 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</al></li><li><al>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst,
                                        eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode
                                        van artikel 9b:67</al></li><li><al>Artikel 9b:69 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                        artikel 9b:67</al></li><li><al>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                        artikel 9b:67</al></li><li><al>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon
                                        verlof</al></li><li><al>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</al></li><li><al>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij
                                        regionalisering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:65 Werkingssfeer </titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na
                                1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een
                                bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in december 2006
                                - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:66 Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel
                                9b:45a en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:67 Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                                    de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt
                                    volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3
                                    jaar tegen doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20
                                    dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig
                                    verlof als bedoeld in het eerste lid verleend naar rato van het
                                    aantal dienstjaren, dat op dat moment is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon
                                    verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de
                                    maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van
                                    60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op
                                    grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278433"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                    periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft
                                    gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                    ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor
                                    wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                    zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278434"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof
                                    later laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is
                                    dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                    bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het
                                    college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde
                                    ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor
                                    aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de
                                    ambtenaar bij uittreden recht op buitengewoon verlof als bedoeld
                                    in het eerste lid naar rato van aantal dienstjaren op dat moment
                                    met een maximum van 20 dienstjaren.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                    FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                    bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht
                                    voortgezet wordt, dan is het zevende lid niet van toepassing en
                                    behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en
                                    met zesde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:68 Toelage onregelmatige dienst,
                                    eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van
                                    artikel 9b:67</titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3
                                en 3:3:1, respectievelijk <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 19a:8" type="tekst" id="i278435"></illustratie></plaatje>, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.<noot id="FN580878_1"><noot.al>Noot Driessen: Verwijzing van artikel 3:1:1 is onjuist
                                        en wordt nog aangepast na bericht CvA. De link verwijst wel
                                        naar het correcte artikel.</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:69 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:70 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van
                                    artikel 9b:67</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk
                                bezoldigd volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70%
                                van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:71 Verrekening inkomsten tijdens de periode van
                                    artikel 9b:67</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                    9b:67 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met
                                    arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de
                                    datum waarop artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt op de
                                    doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze
                                    vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en
                                    de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                    bezoldiging te boven gaan. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67 van
                                    kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                    plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn
                                    van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met de toepassing van artikel 9b:67.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                    verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                    aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                    vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                    ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan
                                    de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                                    nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te
                                    betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:72 Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                    verlof </titel></kop><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren
                                plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:73 Ziekte tijdens volledig buitengewoon
                                    verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                bedoeld in artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het
                                gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:74 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                    bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie
                                    door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in
                                    artikel 9b:28. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                                    50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                    respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                    verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het
                                    college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                    luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278436"></illustratie></plaatje>, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens
                                    had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                    datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede
                                    9b:67 tot en met 9b:73 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9b:75 Volledig buitengewoon verlof bij
                                    regionalisering </titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie
                                bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft
                                deze paragraaf van toepassing. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn
                            in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                            college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 9c is vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949
                            of die geboren is voor 1950, maar...</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling</titel></kop><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                    januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                    terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de
                                    CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in
                                    ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                                    verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                                    hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                                    geraadpleegd</cursief>.</al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                                gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst,
                                die geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1
                                april 1997 geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005
                                en 1 januari 2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het
                                college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278437"></illustratie></plaatje> , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op
                                    31 december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari
                                    2006 of daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon
                                    verlof verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar
                                    FLO-ontslag zou zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt
                                    tijdelijk totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:3 Slotbepaling</titel></kop><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel
                                9d:2 buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige
                                bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van
                                hoofdstuk 9b gebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9d:4 Slotbepaling</titel></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen
                                gelden op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9e:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2
                                of 3 van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a"><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling
                                                FLO-overgangsrecht</vet>: een regeling als bedoeld
                                            in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b"><al><vet>instelling</vet>: een door de ambtenaar gekozen
                                            kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel
                                            19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c"><al><vet>levenslooprekening</vet>: een bij de instelling
                                            door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop
                                            de inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d"><al><vet>levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling
                                            door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de
                                            inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e"><al><vet>levenslooptegoed</vet>: het tegoed op een
                                            levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd
                                            kapitaal;</al></li><li nr="f"><al><vet>netto spaarverzekering</vet>: de bij Loyalis
                                            Levensloop Brandweer &amp; Ambulance afgesloten
                                            verzekering met als productnaam “Aanvullingsplan Netto,
                                            waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="g"><al><vet>netto spaarverzekeringstegoed</vet>: het tegoed op
                                            de netto spaarverzekering;</al></li><li nr="h"><al><vet>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</vet>:
                                            het product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                            FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                            levensloopverzekering en een netto
                                            spaarverzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: </al><lijst><li nr="a"><al> moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                            Ambulance en,</al></li><li nr="b"><al> de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet
                                            stellen om in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer
                                            &amp; Ambulance op het moment dat de werkgever deze
                                            levensloopbijdrage verstrekt en,</al></li><li nr="c"><al> niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of
                                            60-jarige leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis
                                            Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:3 Doel</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                                voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van
                                een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar.
                                De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt
                                    inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking
                                    staat. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                    bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:6 Inleg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                    bedrag van de inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7
                                    genoemde bronnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:7 Bronnen</titel></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een
                                of meer van de volgende bronnen: </al><lijst><li nr="a"><al> het salaris</al></li><li nr="b"><al> de vakantietoelage;</al></li><li nr="c"><al> de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d"><al> de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en
                                        9e:9;</al></li><li nr="e"><al> de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f"><al> het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                    is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57,
                                    58 of 59 jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de
                                    datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                                    210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                    is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar
                                    zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van
                                    het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                                    tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                                    de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed.De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie
                                    van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                    volgt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 9b:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder
                                    dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                    is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57,
                                    58 of 59 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het
                                    bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed
                                    heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                    artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De
                                    controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het
                                    bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig
                                    verlof.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar
                                    zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van
                                    het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                                    tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of
                                    meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                                    de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal
                                    jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd
                                    van 59 jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal
                                    jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd
                                    van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie
                                    van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                    volgt. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd
                                    nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de
                                    levensloopbijdrage in een tegoed naar rato van het aantal
                                    dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige
                                    leeftijd is bereikt. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 3:1. </al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 9b:2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke
                                    levensloopregeling FLO-overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht eindigt daarnaast: </al><lijst><li nr="a"><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b"><al> bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c"><al> op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9,
                                    tweede lid, wiens deelname aan de levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede
                                    lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van onbezoldigd
                                    volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid,
                                    of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde
                                    lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                    eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat
                                    hij het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof
                                    bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede
                                    lid, heeft recht op een afkoopbedrag. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in
                                    het eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                    overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een
                                    tegoed heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het
                                    moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in
                                    het tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                    overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een
                                    tegoed heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het
                                    moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn
                                    bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA
                                    overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige
                                    leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van
                                    ontslag. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald,
                                    waarbij: </al><lijst><li nr="a"><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de
                                            dag voorafgaand aan het moment van ontslag; </al></li><li nr="b"><al> er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                            waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c"><al> het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren,
                                            afgerond op hele maanden naar beneden, bij de
                                            oud-werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                    bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                    artikel 3:1. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                    artikel 9b:2. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft, </al></li></lijst><al>geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot
                                afkoop.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</titel></kop><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, is de voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9 dat de ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11
                                beschikbaar stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: </al><lijst><li nr="a"><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens
                                            een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond
                                            van de Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van
                                            onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en
                                            9b:35;</al></li><li nr="b"><al> ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed
                                            in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
                                            Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP,
                                            voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de
                                            loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de
                                    ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum
                                    het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn)
                                    levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet
                                    plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht
                                    in geval van beëindiging van het dienstverband. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed
                                    niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of
                                    feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten
                                    behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting
                                    2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij
                                    buitenlandse aanbieders. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10 Wachtgeld</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                        januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                        terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van
                                        de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat
                                        is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat
                                        voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen
                                        in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet
                                        worden geraadpleegd.</cursief></al><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><lijst><li nr="a"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                            artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit
                                            een betrekking:</al><lijst><li nr="1"><al>waarin hij vast was aangesteld;</al></li><li nr="2"><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                  aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                  niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                  tijdelijke aard;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                            artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend,
                                            tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel
                                            8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar,
                                    bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat
                                    het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze
                                    regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen,
                                maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of
                                    door een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor
                                    pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor
                                            de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                            lid;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8,
                                            derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                    wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze
                                    regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de
                                    betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage,
                                    bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                                    eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op
                                    die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van
                                    de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht
                                    op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat,
                                    tenzij de betrokkene :</al><lijst><li nr="a"><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen
                                            wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
                                            leeftijd;</al></li><li nr="b"><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c"><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                            bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft
                                    recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen
                                    vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het
                                    wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                    afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                    recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten
                                    van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                    betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                    hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld
                                    ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                                    de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van
                                    artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het
                                    tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag
                                    waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge
                                    artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste
                                    lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                                    wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat
                                    gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                    waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><lijst><li nr="-"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
                                            jaar;</al></li><li nr="-"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
                                            en</al></li><li nr="-"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
                                            jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van: </al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met
                                    een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                    aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het
                                    tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid volledig; en</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid, of</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen
                                    is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                    langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing
                                    de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is
                                    begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig
                                    de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                    vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c"><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een
                                            duur gelijk aan 78% van de diensttijd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                    voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van
                                    wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste
                                    en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de
                                    duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze
                                    regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld
                                    op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de
                                    diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder
                                    toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in
                                    aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur
                                    van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                                    uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het
                                    volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene
                                    die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig
                                    voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt
                                    indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het
                                    ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn
                                    waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                                    verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij
                                    de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats
                                    in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                    vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                    betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                    pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                    blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                    verlenging, buiten aanmerking</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                    artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De betrokkene die </al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                            eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                    vervolgwachtgeld een jaar. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede
                                    lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet
                                    aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                    onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                                    vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                                    tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn
                                    wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend
                                    ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het
                                    tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde
                                    datum. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                                    artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                    voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of
                                    b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                    toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                                    beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                    wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het
                                    vervolgwachtgeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie
                                    maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de
                                    daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en
                                    vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet
                                    van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages,
                                    genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het
                                    bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag
                                    van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien
                                    hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is
                                    ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar
                                    de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                                    berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                    pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                    tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid,
                                    gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige
                                    lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die
                                    verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de
                                    bezoldiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:12 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                    recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                                    verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon
                                    verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55
                                    jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
                                    inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie
                                    van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
                                    naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    hebben bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                    voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem
                                    door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval
                                    worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking
                                    of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                    vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                    ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend,
                                    dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene
                                    geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van
                                    het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd
                                    te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:14 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij
                                elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een
                                op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding
                                in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden
                                toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:15 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag
                                    waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                                    gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld
                                    vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                    bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het
                                    wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid,
                                    niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is
                                    toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de
                                    betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld
                                    doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de
                                    zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het
                                    eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen
                                    met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit
                                    de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld,
                                    worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het
                                    gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op
                                    zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                                    verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                    niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                    de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                                    inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de
                                    oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    wachtgeld is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of
                                    indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet
                                    het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                                    oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:16 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor
                                    zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid
                                    of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende
                                    wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                                    het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen
                                    van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:17 Verlenging</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij
                                het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het
                                wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige
                                betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is
                                verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de
                                artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld
                                toegevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:18 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                    bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat
                                    in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van
                                    diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:19 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% : </al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% : </al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% : </al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% : </al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% : </al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15%:</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                    onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                                    uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                    betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                                    uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                                    onverminderd te zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt
                                    gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het
                                    wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde
                                    uitkeringen te boven gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:20 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt
                                    naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van
                                    wachtgeld werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                    wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:21 Afkoop</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene
                                een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of
                                ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                            eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                            onvolledig doet; </al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                            tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet
                                            nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt
                                            kan worden gemaakt; </al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven; </al></li><li nr="d"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid
                                            zijn gesteld; </al></li><li nr="e"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven; </al></li><li nr="f"><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                    eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                    waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane
                                    inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid,
                                    aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager
                                    wachtgeld wordt toegekend. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                    behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                    noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                    vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                                    behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid
                                    of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de
                                    openbare dienst. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt: </al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;</al></li><li nr="b"><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene; </al></li><li nr="c"><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                            derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat
                                            haar op de door het arbeidsbureau dan wel de
                                            buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde
                                            tijdstippen te doen verlengen; </al></li><li nr="d"><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                            arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                            arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                            oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                            instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk,
                                            dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert
                                            dergelijk werk te aanvaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede
                                    lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de
                                    hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:24 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
                                    aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                    uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel
                                    10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                    echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de
                                    uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                    natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen.
                                    Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten
                                    behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen
                                    van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde
                                    van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast,
                                    bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan
                                    het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is
                                    de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                                    naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de
                                    uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot
                                    laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                                    lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                    voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus
                                    1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                    vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze
                                    luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld
                                    tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering
                                    tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld
                                    als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de
                                    duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                    verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31
                                    december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                    verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                    overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                    wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                    termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk
                                    aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit
                                    meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
                                        (Zie ook artikel 10:29 lid 1)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend
                                    op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals
                                    deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt
                                    tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit
                                    wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                                    arbeidsvermogen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
                                    artikel 10:29 lid 1)</cursief></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                                uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                                10:23 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10:29 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                    december 2000.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                    januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                    terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van de
                                    CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is in
                                    ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor
                                    verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen in dit
                                    hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet worden
                                    geraadpleegd.</cursief></al><lijst><li><al>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van
                                            artikel 16 van de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b"><al><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos
                                            geworden is;</al></li><li nr="c"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de
                                            Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon,
                                            als bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels
                                            werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van
                                            de Wet financiering sociale verzekeringen;</al></li><li nr="d"><al><vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die
                                            de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                            aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van
                                            dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als
                                            omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                            uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                            als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Aanvullende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop
                                        met suppletie</al></li><li><al>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                                        berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li><al>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li><al>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor
                                        mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                        werkloos zijn geworden</al></li><li><al>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                        mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                        Werkloosheidswet van toepassing is</al></li><li><al>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</al></li><li><al>Artikel 10a:10 Anticumulatie</al></li><li><al>Artikel 10a:11 Scholing</al></li><li><al>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</al></li><li><al>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</al></li><li><al>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop
                                    met suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene
                                    die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15
                                            tot en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                            artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8,
                                            8:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot
                                    uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                    eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                    hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                                    tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op
                                    een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                    80% of meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het
                                    moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager
                                    percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft
                                    op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is
                                    ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op
                                    de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk
                                    genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering:
                                    berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon
                                op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de
                                betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover
                                dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het
                                recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1
                                    januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens
                                    LOGA-partijen vastgestelde wijze.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de
                                    berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                    uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43
                                    van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80%
                                    van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                    bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de
                                    datum van ontslag</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor
                                    mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos
                                    zijn geworden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan
                                    57,5, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond
                                    van de Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een
                                    verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die
                                    op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                    geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder
                                    is, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond
                                    van de Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een
                                    verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                    tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een
                                    periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                    werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                    berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                    zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                    130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    verlengde uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor
                                    mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                                    van toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste
                                lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van
                                het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                                vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van
                                    het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de
                                    zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in
                                    het bedrag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk
                                    weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende
                                    uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                                    vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht
                                    zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven
                                    voor ontslag in aanmerking te willen komen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4,
                                    nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te
                                    willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het
                                    college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de
                                    hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad
                                    indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                                    aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van
                                    artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende
                                    uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                                    bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke
                                    werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens
                                    de Werkloosheidswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:10 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de
                                aanvullende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:11 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                                op de aanvullende uitkering. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                    verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de
                                    Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou
                                    hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2
                                    van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                                    aanvulling van dat ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te
                                    verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                    toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht
                                heeft op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een
                                aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en
                                    dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe
                                    werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op
                                    (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben
                                    op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit
                                    hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld
                                    zou hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op
                                    aanvulling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                    bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                    betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij
                                    een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet
                                    een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                                    bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het
                                    voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                                    13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:13a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                    betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                    eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op
                                    een WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                    voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering
                                    heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                                    Nederland woont.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a"><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene
                                            wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar
                                            is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft
                                            op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid,
                                            onderdeel a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat
                                            zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is
                                            geëindigd;</al></li><li nr="b"><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt
                                            op een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op
                                            bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene
                                            verbonden is aan dat recht op een WW-uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                                    recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en
                                    de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben
                                    gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een
                                    uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of
                                    pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering
                                    voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld met de
                                    overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en
                                    zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de
                                    maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de
                                    ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is
                                    de uitkering gelijk aan de uitkering op grond van de ZW of de
                                    Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering waarop de
                                    betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had
                                    gewoond. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                    zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of
                                    arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland ontvangt,
                                    wordt deze geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond
                                    van dit artikel over dezelfde periode. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                    uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                    ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg,
                                    een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar
                                    aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering
                                    naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond
                                    van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte
                                    die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop
                                    zou hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht
                                    onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige
                                    wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel
                                    niet of niet geheel is betaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Aansluitende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:14 Diensttijd</al></li><li><al>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering /
                                        samenloop met suppletie</al></li><li><al>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                        voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                        werkloos zijn geworden</al></li><li><al>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                        voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                        Werkloosheidswet van toepassing is</al></li><li><al>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                        berekeningsgrondslag</al></li><li><al>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</al></li><li><al>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</al></li><li><al>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</al></li><li><al>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</al></li><li><al>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</al></li><li><al>Artikel 10a:23 Anticumulatie</al></li><li><al>Artikel 10a:24 Scholing</al></li><li><al>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</al></li><li><al>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:14 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het
                                    ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd
                                    waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement
                                    is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig
                                    zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                    ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking
                                    van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet
                                    Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin
                                    van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke
                                            uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste
                                            van de overheid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de
                                            Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering /
                                    samenloop met suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                    die:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15
                                            tot en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b"><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                            artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het
                                            derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de
                                    betrokkene die door het college op basis van artikel 10a:9 derde
                                    lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van
                                    artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering
                                    indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6,
                                    derde lid, laatste volzin biedt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste
                                    dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering
                                    ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat
                                    het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                                    werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra
                                    de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                    Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de
                                    aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                                    aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur
                                    van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot
                                    uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                    eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                    hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
                                    als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering,
                                    berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft
                                    recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als
                                    bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate
                                    van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                    vastgesteld dan 80% en hij om die reden recht heeft op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is
                                    ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op
                                    de aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking
                                    ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk
                                    genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                    maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><lijst><li nr="a"><al>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet,
                                            zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                                            werkloosheid en </al></li><li nr="b"><al>twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                    betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt
                                    uitgegaan van de datum van het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van
                                    55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende
                                    uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                    voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004
                                    werkloos zijn geworden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die
                                    recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                                    augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden,
                                    wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de
                                    betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd;</al></li><li nr="b"><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd
                                            met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                                            de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de
                                            eerste dag van de werkloosheid en de duur van de
                                            verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering,
                                    die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos
                                    is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd
                                    van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een
                                    aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand,
                                    volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
                                    Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in
                                    mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                    zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                    130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering
                                    voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                    Werkloosheidswet van toepassing is</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus
                                2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste
                                lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering:
                                    berekeningsgrondslag</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de
                                    berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                                    rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is
                                    verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                    bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de
                                    datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                    130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                    aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                                    gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                    aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het
                                    verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat
                                    op een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het
                                    recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van
                                    de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken
                                    van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op
                                    uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de
                                    aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel
                                    10a:16.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na
                                aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een
                                uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze
                                uitkering in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving
                                    van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing
                                    op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                    Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de
                                    wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de
                                    verlenging van het recht op uitkering krachtens de
                                    Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                                    aansluitende uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                                    Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:23 Anticumulatie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing
                                op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:24 Scholing</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                                activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                                    onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36,
                                    eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met
                                    dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                                    gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon,
                                    berekend over een periode van 13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                                    aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een
                                    gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:25a Grensarbeiders</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                    artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende
                                    uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland
                                    zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                    tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</al></li><li><al>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</al></li><li><al>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</al></li><li><al>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</al></li><li><al>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand
                                    gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke
                                    werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben
                                    aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn
                                    aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als
                                    tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                                    verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een
                                    tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding
                                    op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering
                                    gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26
                                    in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a"><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of
                                            bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur
                                            te verminderen;</al></li><li nr="b"><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van
                                            de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de
                                            oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                                            uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c"><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor
                                            bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar,
                                            blijkend uit de overlegging van het
                                            arbeidscontract;</al></li><li nr="d"><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de
                                            standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de
                                            afstand tussen deze standplaats en de oude woning
                                            tenminste 50 kilometer moet bedragen;</al></li><li nr="e"><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                                            hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar
                                            heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe
                                            werkgever deze melding verifieert en de
                                            uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                            uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat
                                    eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk
                                    is verhuisd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                    indien:</al><lijst><li nr="a"><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de
                                            Werkloosheidswet aanvaardt en</al></li><li nr="b"><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking
                                            lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                            berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                    dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner
                                    is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht
                                    op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de
                                    omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel
                                    10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                    tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar
                                    te zijn overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of
                                    artikel 10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op
                                    de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk
                                    vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een
                                    aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de
                                    nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op
                                    basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de
                                    betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering
                                    op hele jaren naar beneden afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de voor betrokkene berekende duur is
                                            verstreken;</al></li><li nr="b"><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                            betrekking;</al></li><li nr="c"><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende
                                            drie maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van
                                            de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid,
                                    onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die
                                    in de nieuwe betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a"><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                            kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                            arbeidsuren resteren of;</al></li><li nr="b"><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                            kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft
                                            van de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                    betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren
                                    waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt
                                    dan naar rato uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een
                                    overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                    dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis
                                    van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                    reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste
                                    lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer
                                    herleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe
                                    betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                    berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                                    10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit
                                    de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude
                                    betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3
                                    genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                    toegekend indien:</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                            wegens werkloosheid geniet en;</al></li><li nr="b"><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of
                                            bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid
                                            volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                    uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van
                                    de Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien
                                    het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                                    toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen
                                    bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens
                                    vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van
                                    betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7,
                                    10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering
                                    wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21
                                    herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene
                                    omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is,
                                    wordt negatief besloten op dit verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar
                                        die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel
                                        10a:38 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van
                                    de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop
                                    betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe
                                    dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende
                                    periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op
                                    bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                                    gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de
                                    indiensttreding bij de nieuwe werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan
                                    van de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op
                                    de datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen
                                    invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                                berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het
                                dagloon van de betrokkene.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10a:35 Vervallen</al></li><li><al>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10a:38 Slotbepaling</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:35 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                                algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse
                                wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes
                                maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                                gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de
                                aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het
                                Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                                maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                                Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                    of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid
                                    1.)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10a:38 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                                    na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en
                                    UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan
                                    van de tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni
                                    2008.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                            werkloosheid</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van
                                een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van,
                                8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van
                                artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>aanvullende uitkering:</vet>uitkering tijdens de
                                        werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b"><al><vet>grondslag:</vet>het gemiddelde van het salaris, de
                                        toegekende salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht
                                        (TOR) hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden
                                        direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of
                                        de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met
                                        de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering. Deze wordt
                                        geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de
                                        gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c"><al><vet>gemeentelijke sector:</vet> de gemeenten en
                                        gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing
                                        hebben verklaard;</al></li><li nr="d"><al><vet>boventalligheid:</vet>de situatie dat een ambtenaar
                                        wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na
                                        de reorganisatie;</al></li><li nr="e"><al><vet>na-wettelijke uitkering:</vet> de uitkering na afloop
                                        van de werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f"><al><vet>werkloosheid:</vet>werkloosheid als bedoeld in de
                                        Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit
                                        uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        bij de gemeente;</al></li><li nr="g"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet>uitkering op grond van de
                                        Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de
                                        aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                    overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken
                                    college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd
                                    Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze
                                    lokale afspraken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                    8:8</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                        8:8</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                    8:8</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt,
                                    treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand
                                    door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                                    inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag
                                    uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Procedure van re-integratie bij ontslag op grond
                                    van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</al></li><li><al>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</al></li><li><al>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                        gemeente</al></li><li><al>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                        levensloop</al></li><li><al>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:5 Begripsbepalingen</titel></kop><al> Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>re-integratiefase: </vet>de fase voorafgaand aan
                                        ontslag, waarin door middel van een reintegratieplan
                                        afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de
                                        re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen
                                        en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel
                                        werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="b"><al><vet> re-integratieplan:</vet> het plan van aanpak waarin de
                                        re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                        beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van
                                        de ambtenaar te bevorderen; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft
                                    recht op een re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond
                                    van artikel 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending
                                    of overhandiging van het besluit tot ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                    dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt.
                                    Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de
                                    datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag
                                    plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                                    re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband
                                    van: </al><lijst><li nr="a"><al> 2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b"><al> 10 tot 15 jaar 8 maanden </al></li><li nr="c"><al> 15 jaar of meer 12 maanden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor
                                    de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het
                                    aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie
                                    binnen of buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                    artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de
                                    re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede
                                    lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende
                                    uitkering en een na-wettelijke uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid
                                    gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                    tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                    re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van
                                    de oorspronkelijke reintegratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de
                                    nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                    afspraken uit het reintegratieplan van kracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met
                                    maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de
                                    mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    6:9.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar
                                    tijdens de reintegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen
                                    voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a"><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                            arbeidsduur; en</al></li><li nr="b"><al> de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof
                                            levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke
                                            levensloopregeling; en</al></li><li nr="c"><al> tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten
                                            worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                            bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                    voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                    ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reintegratieplan,
                                    tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden
                                    voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:10 Re-integratieplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een
                                    maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan
                                    op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door
                                    het college gehoord. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                    re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar
                                    verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval
                                    afspraken over: </al><lijst><li nr="-"><al> verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                                            neergelegd zijn in het reintegratieplan;</al></li><li nr="-"><al> scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke
                                            scholing, het begin van die scholing, het einde van die
                                            scholing, de betaling en de te behalen resultaten;</al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel; </al></li><li nr="-"><al> sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de
                                    kosten voor de verschillende activiteiten uit het
                                    re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het
                                    re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor
                                    rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij
                                    boventalligheid</titel></kop><al><vet>Toelichting</vet>In deze paragraaf zijn de nieuwe bepalingen
                                opgenomen voortvloeiende uit het Cao-akkoord 2011-2012.</al><lijst><li><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</al></li><li><al>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</al></li><li><al>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</al></li></lijst></li><li><al><vet>Inhoud Van werk naar werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</al></li><li><al>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</al></li><li><al>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                                werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Verlenging en einde Van werk naar
                                        werk-traject</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</al></li><li><al>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</al></li><li><al>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar
                                                werk-traject</al></li><li><al>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van
                                                werk naar werk-contract</al></li></lijst></li><li><al><vet>Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar
                                            werk-trajecten</vet></al><lijst><li><al>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze
                                boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar
                                heeft bij de betreffende gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:12 Duur van een Van werk naar
                                    werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar
                                werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college
                                besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel
                                10d:22.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                                verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                                uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                                werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een
                                passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar
                                van een functie buiten de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit
                                tot boventalligverklaring in werking is getreden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject
                                    onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en
                                    ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de
                                    gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de
                                    regionale arbeidsmarkt onderzocht. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór de
                                    datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is
                                    uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                    werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar
                                    werk-contract op. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de
                                    voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere
                                    afspraken en daaraan verbonden termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over:</al><lijst><li nr="-"><al> het al dan niet toekennen van professionele begeleiding
                                            en de tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet elders opdoen van werkervaring;</al></li><li nr="-"><al> de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van
                                            werk naar werk-traject verricht; </al></li><li nr="-"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor
                                            beschikbare budget;</al></li><li nr="-"><al> eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn
                                            gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;</al></li><li nr="-"><al> de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                            sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht
                                            op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd
                                            bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling;
                                        </al></li><li nr="-"><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke
                                            flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel
                                            17:7.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen
                                    tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten
                                    aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college
                                    een afzonderlijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar
                                    werk-contract</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                                wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd.
                                Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd.
                                Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de
                                ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek
                                of ontslag om een andere reden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                    plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de
                                    gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de
                                    gemeente weigert. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging
                                    van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de
                                    ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar
                                    werk-contract.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in
                                    het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar
                                    ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag
                                    volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is
                                    beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is
                                    van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een
                                    aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden
                                    sinds de start ervan niet met een positief resultaat is
                                    afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een
                                    gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit
                                    aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder
                                    geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in
                                    acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het
                                    advies. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet
                                    op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin
                                    voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen
                                    afzienbare termijn vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of
                                    niet wordt overgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar
                                    werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het
                                    college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en
                                    stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden
                                    niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op
                                    grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee
                                    jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke
                                    toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een
                                    functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
                                    voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het
                                    vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar
                                    vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
                                    werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke
                                    en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer
                                    worden verleend. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk
                                    naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het
                                    college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste
                                    dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar
                                    werk-traject is verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                    werk-contract </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Indien één van beide partijen van mening is dat de andere
                                    partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het
                                    Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere
                                    partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht
                                    gezamenlijk afspraken te maken over verbetering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in
                                    het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het
                                    Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere
                                    partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het
                                    contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere
                                    partij kenbaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject
                                    wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn,
                                    waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan
                                    als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging
                                    herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht
                                    gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject
                                    tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede lid en
                                    ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar
                                    werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit
                                    artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil
                                    voorleggen aan de paritaire commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:24 Paritaire commissie</titel></kop><lid><lidnr>1 </lidnr><al> Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die
                                    desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de
                                    bepalingen in deze paragraaf. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in
                                    artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld geschil
                                    een bindend advies uit.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling,
                                    bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                                    vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:24:0:1 Reglement commissie Van werk naar
                                    werk</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 10d:24 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Reglement commissie Van
                                werk naar werk vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar dit reglement te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Aanvullende uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</al></li><li><al>Artikel 10d:28 Sancties</al></li><li><al>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                            re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en derde lid
                                            niet aan de orde is; of</al></li><li nr="b"><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk
                                            naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie
                                            zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is;
                                            en</al></li><li nr="c"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de
                                            Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk
                                            ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is
                                    dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de
                                    aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die
                                    van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende
                                    uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij
                                    ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende
                                    uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag
                                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal
                                    uren dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;</al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 20%; </al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a"><al> voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van €
                                            5.250,= 10%; </al></li><li nr="b"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van €
                                            6.560,= 20%;</al></li><li nr="c"><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                                    rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                                    afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                    werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:28 Sancties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie
                                    evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                                    sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                    toegepast kan het college besluiten om het recht op
                                    na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere
                                    regels op.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering</titel></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                                verstreken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</al></li><li><al>Artikel 10d:35 Afkoop</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft
                                    recht op een na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a"><al> de werkloosheid direct aansluitend op de
                                            werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b"><al> hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan
                                            de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
                                            hoogte van zijn na-wettelijke uitkering. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat
                                    het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de
                                    werksfeer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer
                                    heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                    voortgezet. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het
                                    bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren
                                    dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit
                                    of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de
                                    grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet
                                    overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke
                                    uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                                gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is </al><lijst><li nr="a"><al> 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b"><al> 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd
                                        van 50 jaar </al></li><li nr="c"><al> 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                                    verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                    eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Vanaf 15 juli 2014 eindigt de na-wettelijke uitkering op de dag
                                    waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:34 Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties
                                worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering.
                                Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft
                                om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op
                                de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:35 Afkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                                    uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming
                                    geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                    voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van
                                    minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of
                                        definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                        arbeidsongeschiktheid</al></li><li><al>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                                        grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond
                                        van artikel 7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op
                                        grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond
                                        van artikel 7:16</al></li><li><al>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of
                                    definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                    arbeidsongeschiktheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en
                                    die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16,
                                    derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
                                    definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht
                                    op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid
                                    heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door
                                    UWV definitief is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                                    ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                                    gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van
                                    zijn bijzondere uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:37 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op
                                    grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van
                                    artikel 7:16</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                                    totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan aanvaarding van de
                                    nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                                    mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:38 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond
                                    van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na
                                aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10d:39 Overgangsrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke
                                uitkering voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a"><al> op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de
                                        gemeentelijke sector en</al></li><li nr="b"><al> ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan
                                        (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12
                                        -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18)
                                        gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de
                                        leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor
                                        de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de
                            ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer </titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Vervallen hoofdstuk</titel></kop><al>Hoofdstuk 10e is vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11 Uitkeringsregeling ontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11:1 Betrokkene</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                        januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                        terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van
                                        de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat
                                        is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat
                                        voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen
                                        in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet
                                        worden geraadpleegd.</cursief></al><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                    ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a"><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een
                                            betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl
                                            die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan
                                            wel is geschied in een betrekking van kennelijk
                                            tijdelijke aard;</al></li><li nr="b"><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                            regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat
                                            ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan
                                            eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat
                                            ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                            8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                    verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat
                                    hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die
                                    door geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk
                                    van standplaats moet veranderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:2 Lichamen</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen,
                                maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:3 Diensttijd</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd
                                    die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van
                                    de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a"><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8,
                                            vierde lid;</al></li><li nr="c"><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d"><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e"><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                    uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:4 Dienstbetrekking</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:5 Bezoldiging</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling
                                    zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was
                                    verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel
                                    6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in
                                    artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                    bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de
                                    dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:6 Recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden,
                                    bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van
                                    de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan
                                    de duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste
                                            26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                            11:7;</al></li><li nr="b"><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten
                                            minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                            ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het
                                            bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding
                                            geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                            toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van
                                    perioden waarin de betrokkene ten gevolge van
                                    arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te
                                    verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
                                    werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a,
                                    bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de
                                    perioden van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
                                    aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
                                    dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
                                    meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking
                                    in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
                                    aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                    weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                    ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en
                                    vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer
                                    niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of
                                    derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag
                                    waarop de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats
                                    heeft plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                            WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                            van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht
                                            heeft op suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
                                            regeling;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de
                                            leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d"><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                            wijten;</al></li><li nr="e"><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college
                                            geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                            werkloosheid;</al></li><li nr="f"><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                            heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat
                                            hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die
                                            mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in
                                            verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden
                                            voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                            aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht
                                    op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
                                    de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a"><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen;</al></li><li nr="b"><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Het college beslist over de toekenning van uitkering op
                                    aanvraag door de betrokkene.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:7 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop
                                    het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of;</al></li><li nr="b"><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ</al><al>wordt de duur van de uitkering verlengd met:</al><lijst><li nr="o"><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste
                                                  5 jaar;</al></li><li nr="o"><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste
                                                  10 jaar;</al></li><li nr="o"><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
                                                  jaar;</al></li><li nr="o"><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste
                                                  20 jaar;</al></li><li nr="o"><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
                                                  jaar;</al></li><li nr="o"><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste
                                                  30 jaar;</al></li><li nr="o"><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste
                                                  35 jaar en</al></li><li nr="o"><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste
                                                  40 jaar.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van:</al><lijst><li nr="a"><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en; </al></li><li nr="b"><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b"><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c"><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d"><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e"><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
                                        </al></li></lijst><lijst><li><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in
                                            verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
                                            drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                                            perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                            voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a"><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid, volledig, en;</al></li><li nr="b"><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid of;</al></li><li nr="b"><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen,
                                    is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a"><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b"><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:8 Duur van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt,
                                    indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens
                                    voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld
                                    in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de
                                    uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal
                                    maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de
                                    uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                    hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd
                                    van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn
                                    leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft
                                    bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de
                                    termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende
                                    een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:9 Vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                    artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    die uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a"><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
                                            11:7, eerste lid, heeft bereikt en </al></li><li nr="b"><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                            vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                    vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                    toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering
                                    indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen
                                    binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een
                                    jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                                    heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                    toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                    uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                    vervolguitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                    gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                    maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                    bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67%
                                    van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                    worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met
                                    3 procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:12 Verhuiskosten</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien
                                hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college
                                een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen
                                vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing
                                worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:13 Vermindering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                                    toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                                    samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het
                                    bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals
                                    bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt
                                    een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23,
                                    eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is
                                    toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van
                                    zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                    gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde
                                    en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement,
                                    worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend.
                                    De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag
                                    waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door
                                    betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte
                                    tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij
                                    betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
                                    In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                    verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                    uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen
                                    al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                                    vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering
                                    de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    de uitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of
                                    indien betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het
                                    gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken,
                                    verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of
                                    gratificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:14 Opgave van inkomsten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor
                                    zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                                    verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke
                                    of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij
                                    tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                    uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:15 Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene,
                                    bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of
                                    geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van
                                    drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                                    geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve
                                    van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel
                                    minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan
                                    geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                    of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner
                                    was.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van
                                    een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond
                                    van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor
                                    zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                                    gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                                    lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                                    gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor
                                    een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                                    de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en
                                    alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het
                                    verkrijgen van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd
                                    te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak
                                    heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                                    en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die
                                    termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt
                                    hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering
                                    een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de
                                    betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse
                                    werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze
                                    regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:18 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                                eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering
                                wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in
                                de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:19 Afkoop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld
                                in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op
                                uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                    uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan
                                    de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a
                                    of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7,
                                    eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid
                                    eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid
                                    opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag
                                    waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de
                                    betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                                    aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld
                                    of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                    werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a"><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="b"><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben
                                            van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij
                                            dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                            dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                            dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                            bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende
                                    uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig
                                    werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de
                                    betrokkene:</al><lijst><li nr="a"><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                            ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder
                                            a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b"><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                    betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld
                                    met gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt
                                    zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw
                                    toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering
                                    als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering
                                    als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de
                                    betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                    aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende
                                    lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of
                                    het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is
                                    ingekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:21 Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient
                                    binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als
                                    werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te
                                    leggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                                    verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon
                                    verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55
                                    jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
                                    inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie
                                    van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die
                                    naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht
                                    zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college
                                    in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven,
                                    strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron
                                    van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht
                                    er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het
                                    college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:22 Opschorting</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                    uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak
                                    van diens militaire dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:23 Samenloop</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>65% tot 80% :</al></entry><entry colname="col2"><al>80%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55% tot 65% :</al></entry><entry colname="col2"><al>60%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45% tot 55% :</al></entry><entry colname="col2"><al>50%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35% tot 45% :</al></entry><entry colname="col2"><al>40%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25% tot 35% :</al></entry><entry colname="col2"><al>30%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15% tot 25% :</al></entry><entry colname="col2"><al>20%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 15% :</al></entry><entry colname="col2"><al>0%.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de
                                    onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                    handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de
                                    WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                                    uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit
                                    betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                                    uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht
                                    onverminderd te zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:24 Samenloop</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn,
                                waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling
                                toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:25 Betaling</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                    boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                    uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                    uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:26 Verval van uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a"><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                            bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat
                                            dan wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b"><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                            artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                            zonder toestemming van het college gedurende de tijd,
                                            waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde
                                            leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                            op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                            instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                            doen verlengen;</al></li><li nr="c"><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21,
                                            vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem
                                            hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt,
                                            dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te
                                            nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d"><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e"><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid,
                                            zijn gesteld;</al></li><li nr="f"><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven;</al></li><li nr="g"><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren,
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te
                                            verlenen;</al></li><li nr="h"><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                            vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                    eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij
                                    het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                    arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt
                                    gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                                    arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat
                                    hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert
                                    dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het
                                    gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren
                                    gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het
                                    verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of
                                    uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van
                                    het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                                    verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om
                                    werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                            volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65
                                            jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de
                                            betrokkene is overleden;</al></li><li nr="c"><al>indien het recht op uitkering geheel wordt
                                            afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste
                                    lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de
                                    hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:28 Nadere voorschriften</titel></kop><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere
                                voorschriften geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:29 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991,
                                    worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1
                                    augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                                    de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus
                                    1991.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze
                                    luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                    artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze
                                    luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging
                                    van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel
                                    13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige
                                    daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van
                                    de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                                    zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op
                                    een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin,
                                    met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt
                                    herberekend op grond van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:30 Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief> Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                        2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend
                                    op basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals
                                    deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt
                                    tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze
                                    uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:31 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11:32 Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op
                                    31 december 2000. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>11a Suppletie</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1
                                        januari 2016, zijn de met dat hoofdstuk corresponderende
                                        terminologie en verwijzingen in de overige hoofdstukken van
                                        de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat
                                        is in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat
                                        voor verwijzingen en de betekenis van gehanteerde begrippen
                                        in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1 januari 2016 moet
                                        worden geraadpleegd</cursief>.</al><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                                    :</al><lijst><li nr="a"><al><vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschiktheid
                                            in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b"><al><vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een
                                            periodieke uitkering, toegekend op grond van
                                            arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig
                                            dienstverband van betrokkene;</al></li><li nr="c"><al><vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de
                                            WAO;</al></li><li nr="d"><al><vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in
                                            artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5
                                            ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                            vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten
                                            tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                                            is, met uitzondering van degene die zijn resterende
                                            verdienvermogen volledig benut in een of meer
                                            aangehouden betrekkingen;</al></li><li nr="e"><al><vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in
                                            artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene
                                            ontslag te verlenen;</al></li><li nr="f"><al><vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel
                                            11a:6;</al></li><li nr="g"><al><vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op
                                            de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing
                                            van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid,
                                            van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd
                                            met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10
                                            van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP,
                                            en in voorkomend geval verminderd met bijdragen
                                            strekkende tot betaling van de premie van een door of
                                            voor de betrokkene afgesloten particuliere
                                            ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede
                                            lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                            Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h"><al><vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het
                                            dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het
                                            ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt
                                            toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het
                                            inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie
                                            wordt ontleend;</al></li><li nr="i"><al><vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke
                                            uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die
                                            voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:2 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan
                                    hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                    bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                                    ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen
                                    van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                                    samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:3 Recht op suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin
                                    van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede
                                    gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan:
                                    alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:4 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :</al><lijst><li nr="a"><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een
                                        mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="b"><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht
                                        kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in
                                        hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:5 Recht op suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><lijst><li nr="a"><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c"><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
                                        betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:6 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De suppletie bedraagt een percentage van de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens
                                    aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                    bezoldigingswijziging.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b"><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden
                                            70%.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:7 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                    artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum
                                    dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft
                                    geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode
                                    verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum
                                    en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden
                                    onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te
                                    beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht
                                    heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van
                                    24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die
                                    elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:8 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                    suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een
                                    Waz-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                    ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen
                                    in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                    bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                                    dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                                    WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de
                                    eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                    waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de
                                    feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene recht heeft op een
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan
                                    een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum,
                                    gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht
                                    voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een
                                    verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het
                                    bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt,
                                    uitsluitend het bedrag van die verhoging van die
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het
                                    bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                    hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als
                                    overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                    uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend
                                    aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                                    van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                    desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                    individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt
                                    tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan
                                    het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze
                                    van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                    overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:9 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
                                    bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in
                                    verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a"><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                            aangezegd;</al></li><li nr="b"><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de
                                            betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in
                                            onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor
                                            zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag
                                            inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de
                                            betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere
                                            inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van
                                            een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                            het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                    betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:10 Suppletie</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien,
                                als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                                betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                                arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht
                                heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b"><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c"><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                        wel;</al></li><li nr="d"><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:11 Suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan
                                    wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een
                                    bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie
                                    van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><lijst><li nr="a"><al>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                                            partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de
                                            andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden
                                            leefde;</al></li><li nr="b"><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                            minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al></li><li nr="c"><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen
                                            aan degenen ten aanzien van wie de overledene
                                            grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
                                            wie hij in gezinsverband leefde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                                    echtgenoot of geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde
                                    personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een
                                    gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen
                                    tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                                    bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid,
                                    kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen
                                    gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
                                    bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
                                    andere wijze in elkaars verzorging voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                    mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                    nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                    werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                    uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die
                                    naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                                    uitkeringen, waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op
                                    suppletie bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                    bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk
                                    uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die
                                    suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de
                                    suppletie in de regel per maand achteraf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                    binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet
                                    meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid
                                    vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend
                                    onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent
                                    het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of
                                    omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel
                                    11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                    redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                    indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
                                    beschouwd als een suppletie.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij
                                    die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die
                                    regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te
                                    nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat
                                    deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het
                                    bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft
                                    volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht op
                                    suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is
                                    geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                    tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                    gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de
                                    in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde
                                    activiteiten</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is
                                    verplicht daarvan mededeling te doen aan het
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen
                                    van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                    bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot
                                    :</al><lijst><li nr="a"><al>de wijze waarop de controle van betrokkene
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="b"><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                            suppletie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                    artikel 11a:15.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en
                                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
                                        groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al></lid><lid><lidnr>1</lidnr><al> Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit
                                    de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld
                                    als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van
                                    de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die
                                    datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is
                                    verstreken, heeft recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij
                                    een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                    van.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 26 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 25 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 24 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 22 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 21 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 20 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 19 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 18 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 17 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 16 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 15 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 14 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 13 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 12 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 11 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 10 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden </al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="18" colname="col1"><al>19 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="18" colname="col2"><al>gedurende de eerste 9 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="18" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="19" colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="19" colname="col2"><al>gedurende de eerste 8 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="19" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="20" colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="20" colname="col2"><al>gedurende de eerste 7 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="20" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="21" colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="21" colname="col2"><al>gedurende de eerste 6 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="21" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="22" colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="22" colname="col2"><al>gedurende de eerste 5 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="22" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="23" colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="23" colname="col2"><al>gedurende de eerste 4 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="23" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="24" colname="col1"><al>25 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="24" colname="col2"><al>gedurende de eerste 3 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="24" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="25" colname="col1"><al>26 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="25" colname="col2"><al>gedurende de eerste 2 maanden 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="25" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="26" colname="col1"><al>27 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="26" colname="col2"><al>gedurende de eerste 1 maand 80%</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="26" colname="col3"><al>vervolgens 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="27" colname="col1"><al>28 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="27" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="27" colname="col3"><al>gedurende 33 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="28" colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="28" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="28" colname="col3"><al>gedurende 32 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="29" colname="col1"><al>30 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="29" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="29" colname="col3"><al>gedurende 31 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="30" colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="30" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="30" colname="col3"><al>gedurende 30 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="31" colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="31" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="31" colname="col3"><al>gedurende 29 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="32" colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="32" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="32" colname="col3"><al>gedurende 28 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="33" colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="33" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="33" colname="col3"><al>gedurende 27 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="34" colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="34" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="34" colname="col3"><al>gedurende 26 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="35" colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="35" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="35" colname="col3"><al>gedurende 25 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="36" colname="col1"><al>37 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="36" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="36" colname="col3"><al>gedurende 24 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="37" colname="col1"><al>38 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="37" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="37" colname="col3"><al>gedurende 23 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="38" colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="38" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="38" colname="col3"><al>gedurende 22 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="39" colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="39" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="39" colname="col3"><al>gedurende 21 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="40" colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="40" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="40" colname="col3"><al>gedurende 20 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="41" colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="41" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="41" colname="col3"><al>gedurende 19 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="42" colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="42" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="42" colname="col3"><al>gedurende 18 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="43" colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="43" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="43" colname="col3"><al>gedurende 17 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="44" colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="44" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="44" colname="col3"><al>gedurende 16 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="45" colname="col1"><al>46 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="45" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="45" colname="col3"><al>gedurende 15 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="46" colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="46" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="46" colname="col3"><al>gedurende 14 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="47" colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="47" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="47" colname="col3"><al>gedurende 13 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="48" colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="48" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="48" colname="col3"><al>gedurende 11 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="49" colname="col1"><al>50 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="49" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="49" colname="col3"><al>gedurende 10 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="50" colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="50" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="50" colname="col3"><al>gedurende 9 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="51" colname="col1"><al>52 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="51" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="51" colname="col3"><al>gedurende 8 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="52" colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="52" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="52" colname="col3"><al>gedurende 7 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="53" colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="53" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="53" colname="col3"><al>gedurende 6 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="54" colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="54" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="54" colname="col3"><al>gedurende 5 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="55" colname="col1"><al>56 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="55" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="55" colname="col3"><al>gedurende 4 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="56" colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="56" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="56" colname="col3"><al>gedurende 3 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="57" colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="57" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="57" colname="col3"><al>gedurende 2 maanden 70%</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="58" colname="col1"><al>59 maanden </al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="58" colname="col2"><al></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="58" colname="col3"><al>gedurende 1 maand 70%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7,
                                    11a:8, 11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid
                                    tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere
                                    overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op
                                    suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
                                    met dien verstande dat voor de vaststelling van de
                                    berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het
                                    dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de
                                    WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                                    eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                    herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar
                                    beneden afgerond op een hele maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en
                                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                                januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer
                                onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19,
                                eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
                                mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het
                                pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de
                                mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op
                                grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                                Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent,
                                binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene,
                                geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39,
                                vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet
                                Sociale Verzekering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in
                                paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat,
                                wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                                overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad,
                                waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten
                                aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad
                                vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch
                                niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen</titel></kop><al><cursief>Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
                                    ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)</cursief></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007
                                    op grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de
                                    ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                                    WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie
                                    de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1
                                    januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig
                                    arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                    grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12:1 Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet>de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde
                                            commissie voor georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b"><al><vet>de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                                            collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers
                                            die werkzaam zijn op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c"><al><vet>de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                                            groeperingen van de landelijke verenigingen van
                                            overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke
                                            zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College
                                            voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is
                                    samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                                    en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene
                                    Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke
                                    Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de
                                    Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid,
                                    onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de
                                    bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                    respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting
                                    hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel
                                    namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als
                                    vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien
                                    deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet
                                    vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO
                                    FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de
                                    bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1
                                    juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met
                                    de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                    toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen
                                    worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd
                                    overleg besproken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                    verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer
                                    voldoende representatief geacht worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn
                                    midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers
                                    aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van
                                    de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden
                                    lid van het college te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld
                                    in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                    aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de
                                    organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden
                                    tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een
                                    zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                                    organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling
                                    wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:1:1</titel></kop><al>De vertegenwoordiging van de in artikel 12:1:1 lid 2 genoemde
                                organisaties bestaat uit drie vertegenwoordigers van ABVAKABO/NOVON
                                en twee vertegenwoordigers van CNV Publieke Zaak. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:2 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie,
                                    bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan het college opgaaf
                                    van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar
                                    aangesloten ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie
                                    is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                    organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de
                                    organisatie schriftelijk aan het college doet weten dat zijn
                                    aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is
                                    ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een
                                    opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:3 Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                    vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                    commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                    college verder personeel voor het secretariaat ter
                                    beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                    Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan
                                    de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling
                                    aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt
                                    dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                    overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt,
                                    het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor
                                    georganiseerd overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                    verandering te brengen in de inrichting van enig
                                    dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten
                                    daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in
                                    artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in
                                    de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast
                                    betreffende:</al><lijst><li nr="a"><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg
                                            als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b"><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                            betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c"><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig
                                    lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in
                                    artikel 12:2.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van
                                    algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met
                                    inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                                    personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                                    overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA
                                    tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                    Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de
                                    commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een
                                    bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                    overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden</titel></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste
                                lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch
                                voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen
                                over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar
                                gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de
                                    organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste
                                    lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                    bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent
                                    een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de
                                    raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies
                                    ter besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van
                                    voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen
                                    van de vertegenwoordigde organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door
                                    haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de
                                    behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                    subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door
                                    degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter
                                    beschikking staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:4 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt
                                    op door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste
                                    drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van
                                    redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst
                                    van het verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:5 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren,
                                    ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel
                                    mogelijk de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer
                                    de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee
                                    of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                                    plaatshebben indien ten minste de helft van de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                    vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                    onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een
                                    binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke
                                    vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                                    behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:6 Vergaderingen</titel></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te
                                maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze
                                stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende
                                vergadering aan de orde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:7 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                    vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                    deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                                    bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun
                                    organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de
                                    agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke
                                    behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te
                                    onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                    omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                    geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten
                                    opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover
                                    de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:8 Vergaderingen</titel></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo
                                dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door
                                hem te bepalen tijd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:9 Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                    vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één
                                    stem uit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                    bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                    buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem
                                    van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt
                                    bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie,
                                    waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht
                                    als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van
                                    het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie
                                    niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                                    stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt
                                    uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging
                                    geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                    vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                    aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:10 Vergaderingen</titel></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                                notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                                gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11,
                                anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:2:11 Vergaderingen</titel></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de
                                vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het
                                college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en
                                12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn
                                aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                        genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b"><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts
                                van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in
                                artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend
                                de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de
                                algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden
                                gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel
                                    12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de
                                    commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden
                                    gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen,
                                    wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over
                                    de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of
                                    een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van
                                    voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van
                                    de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van
                                    het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid
                                    van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1,
                                    derde en vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
                                    overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in
                                    artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel
                                    12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5,
                                    wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
                                    voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten
                                    minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de
                                    vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is
                                    bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat
                                    het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
                                    overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en
                                    de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                    eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                    advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5
                                    wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg
                                    en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a"><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b"><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg
                                            omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                                college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt in werking per............ (*1)</al><al>Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen
                                    zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1
                                    januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                    vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                    ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel
                                    dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                    regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                    bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement
                                    vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in
                                    neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg
                                    plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid
                                    hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid,
                                    10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid,
                                    11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede
                                    lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                                dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1
                                januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                                verzocht om handhaving van het aantal uren van het dienstverband per
                                31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR</titel></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                                uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari
                                1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en
                                11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari
                                1997.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>14 Medezeggenschap</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                    werknemers</titel></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de
                                ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de
                                benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het
                                (maximum) aantal zittingstermijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                    werknemers</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of
                                onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht
                                een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun
                                onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in
                                artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:3 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:4 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:5 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:6 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:7 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:8 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:9 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:10 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:11 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:12 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:13 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:14 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:15 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:16 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:17 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:18 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:19 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:20 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:21 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:22 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:23 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:24 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:25 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:26 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:27 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:28 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:29 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:30 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:31 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:32 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:33 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:34 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:35 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:36 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:37 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:38 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:39 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:40 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:41 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:42 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:1:43 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:2:1 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14:2:2 Vervallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>15 Overige rechten en verplichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15:0:0:1 Klachtenregeling ongewenst gedrag </titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Klachtenregeling
                                ongewenst gedrag vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:0:0:2 Regeling klachtencommissie ongewenst gedrag
                                    voor de gemeentelijke overheid </titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                klachtencommissie ongewenst gedrag voor de gemeentelijke overheid
                                vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:0:0:3 Regeling persoonsdossiers </titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                persoonsdossiers vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1 Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te
                                vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar
                                betaamt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a Verplichtingen</titel></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1a:0:1 Regeling ambtseed of belofte</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling ambtseed of
                                belofte vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of
                                    diensten</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                                namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a"><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                        gemeentedienst;</al></li><li nr="b"><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met de
                                        vervulling van zijn functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a"><al>in verband met de vervulling van zijn functie vergoedingen,
                                        beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te
                                        verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van
                                        het college;</al></li><li nr="b"><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1c:0:1 Regeling aannemen van geschenken,
                                    vergoedingen en ingaan op uitnodigingen</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 15 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling aannemen van
                                geschenken, vergoedingen en ingaan op uitnodigingen
                                vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen
                                    van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren,
                                    werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is
                                    hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                    mededelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit
                                    orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de
                                    nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                    verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                                    verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                    eerste lid gedane opgaven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                    bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en
                                    directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van
                                    andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter
                                    bescherming van de integriteit van de openbare dienst
                                    openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1e:0:1 Regeling nevenwerkzaamheden</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1e heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                nevenwerkzaamheden vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1f Melding financiële belangen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een
                                    functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                    belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                    koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college,
                                    op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële
                                    belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten,
                                    die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan
                                    met de functievervulling, kunnen raken. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in
                                    het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                    effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1f:0:1 Regeling financiële belangen</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 15:1f heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling financiële
                                belangen vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de
                                    openbare dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                    nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                    dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van
                                    de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en
                                    leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:9 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al><al>De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot
                                en met 15:1e</al><al>Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:10 Staking bij een particuliere
                                    werkgever</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    particulier werkgever een staking is uitgebroken of een
                                    uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of
                                    uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het
                                    verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het
                                    oordeel van het college zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid
                                    wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens
                                    het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk
                                    verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel
                                    ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering
                                    van die taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                                    wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                    veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                    veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond
                                    van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het
                                    kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding
                                    en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar
                                    de ramp of crisis plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen,
                                    is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen
                                    aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid
                                    aangeduide taak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                    slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                    zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                    vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze
                                    aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                                    daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid
                                    is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en
                                    ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                                    maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                    aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven
                                    naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige
                                    voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en
                                    geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort
                                    uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt
                                    bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de
                                    handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft
                                    gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                    ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                    afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                    gedurende die tijd zijn functie wordt waargenomen krachtens
                                    aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:14 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het
                                    college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een
                                    beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn
                                    functie vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de
                                    uitoefening daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de
                                    ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn
                                    functie of de wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover
                                    deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht
                                    wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze
                                    waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                                    verbeterd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie
                                    de door het college voor die functie of voor bepaalde
                                    werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                                    onderscheidingstekenen te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                    uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door
                                    of namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform
                                    insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst
                                    uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die
                                    niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot
                                    het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend.
                                    Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen
                                    tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan
                                    verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                                    betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in
                                    het eerste lid bedoelde kleding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:16:1 Verstrekking, onderhoud en reiniging
                                    dienstkleding en schoeisel</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd als bedoeld in
                                artikel 15:1:16 wordt het daar bedoelde schoeisel van gemeentewege
                                kosteloos beschikbaar gesteld en wordt voor onderhoud en reiniging
                                ten laste van de gemeente zorggedragen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het
                                        college, om redenen ontleend aan de bedrijfsvoering van zijn
                                        dienst, overgaan tot het verstrekken van een kostendekkende
                                        vergoeding aan de ambtenaar, ter dekking van onderhoud en
                                        reiniging van het schoeisel, alsmede voor de aanschaf van
                                        het schoeisel als dit niet van gemeentewege beschikbaar
                                        wordt gesteld.</al></li><li nr="b"><al> Het college draagt er zorg voor dat de vergoeding
                                        kostendekkend blijft en dat de vergoeding ingetrokken wordt
                                        zodra de kosten waarvoor de vergoeding gegeven wordt niet
                                        meer gemaakt worden.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al> Het college kan voor de extra slijtage aan schoeisel van de
                                        ambtenaar die ontstaat door het verrichten van
                                        werkzaamheden, een vergoeding vertrekken aan de
                                        ambtenaar.</al></li><li nr="b"><al> Het college draagt er zorg voor dat de vergoeding de kosten
                                        van extra slijtage blijft dekken en dat de vergoeding
                                        ingetrokken wordt als geen sprake meer is van extra
                                        slijtage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:17 Standplaats</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting
                                worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan
                                wonen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met
                                name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk
                                zijn werkzaamheden verricht.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde is voor de
                                navolgende functies bij de Brandweer Tilburg een woonverplichting
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>Officieren bij de Brandweer Tilburg : woongebied binnen de
                                        stadsgrenzen van Tilburg of 7,5 km gebied;</al></li><li nr="b"><al>Onder 7,5 km gebied zoals genoemd in bovenstaand lid, wordt
                                        verstaan het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige
                                        cirkel met een straal van 7,5 km gemeten vanaf het centraal
                                        station in Tilburg. Het 7,5 km gebied is ingetekend op een
                                        gewaarmerkte kaart welke onlosmakelijk met deze regeling
                                        verbonden is. Om aan de woonverplichting te voldoen dient
                                        men op of binnen de ingetekende grenzen woonachtig te zijn
                                        en te blijven.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde is voor de
                                navolgende functies bij de Brandweer Breda een woonverplichting
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>Beroepsmedewerkers in de 24-uursdienst bij de Brandweer
                                        Breda: woongebied binnen het 15 km gebied. </al></li><li nr="b"><al>Onder 15 km gebied zoals genoemd in bovenstaand lid, wordt
                                        verstaan het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige
                                        cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de
                                        brandweerkazerne aan de Tramsingel te Breda. Voor de
                                        bepaling van dit gebied worden tevens de bebouwde kommen van
                                        de steden /dorpen waar doorheen de denkbeeldige cirkel
                                        loopt, meegerekend. Het betreft hier de volgende steden
                                        /dorpen: Geertruidenberg, Raamsdonk, Zundert, Rucphen,
                                        Oudenbosch, Bosschenhoofd en Moerdijk.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde is voor de
                                navolgende functies bij Brandweer Roosendaal en Brandweer Bergen op
                                Zoom een woonverplichting vastgesteld:</al><lijst><li nr="a"><al>Beroepsmedewerkers in de 24-uursdienst en Officieren van
                                        Dienst van Brandweer Roosendaal en Brandweer Bergen op Zoom:
                                        woongebied binnen het ingetekende woongebied zoals
                                        vastgelegd in een gewaarmerkte landkaart. </al></li><li nr="b"><al>Het ingetekende woongebied genoemd in bovenstaand lid, is
                                        het gebied zoals vastgelegd op een gewaarmerkte kaart waarop
                                        ingetekend is het gebied waarbinnen men moet wonen om tijdig
                                        ofwel de beroepspost Roosendaal ofwel de beroepspost Bergen
                                        op Zoom te kunnen bereiken. Deze kaart is onlosmakelijk met
                                        deze regeling verbonden. Om aan de woonverplichting te
                                        voldoen dient men op of binnen de ingetekende grenzen
                                        woonachtig te zijn en te blijven. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde is voor de
                                navolgende functies bij de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant,
                                voor zover zij in de voorgaande leden niet genoemd zijn een
                                woonverplichting vastgesteld: De Officier van dienst, de
                                Hoofdofficier van Dienst en de Commandant van Dienst. Deze
                                functionarissen dienen woonachtig te zijn binnen een woongebied wat
                                begrensd wordt door een maximale reistijd welke respectievelijk 15
                                minuten, 30 minuten en 60 minuten bedraagt. In analogie hierop kan
                                indien en voor zover noodzakelijk, kan door het bevoegd gezag voor
                                andere piketfuncties een woongebied opgelegd worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Woongebieden</titel></kop><tussenkop><vet>Woongebieden Veiligheidsregio Midden- en West
                                    Brabant</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="pdf42" type="tekst" id="i278440"></illustratie></plaatje></al></entry><entry colname="col2"><al>Klik hier voor de kaart van Breda en omstreken
                                                  behorende bij artikel 15:1:17, lid 4.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="pdf43" type="tekst" id="i278441"></illustratie></plaatje></al></entry><entry colname="col2"><al>Klik hier voor de kaart van Roosendaal, Bergen
                                                  op Zoom en omstreken behorende bij artikel
                                                  15:1:17, lid 5.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:18 Dienstwoning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                    dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake
                                    van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften
                                    die daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                    plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder
                                    zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                                kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het
                                verblijf aldaar worden ontzegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:20 Infectieziekten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft
                                    met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                    krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft
                                    geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor
                                    zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                                    staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat
                                    hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het
                                    gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige
                                    ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                    situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven
                                    aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door
                                    of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                    betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig
                                    onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                    overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn
                                    functie te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:21 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten
                                ter zake van reizen in het belang van de dienst. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig
                                hetgeen door onze minister van Binnenlandse zaken in de
                                ‘reisregeling binnenland' en de ‘reisregeling buitenland’ is
                                vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfskosten</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding
                                    en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed
                                    welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge
                                    van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet
                                    bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem
                                    toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten
                                    gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a"><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                            grenzende verwijtbaarheid of;</al></li><li nr="c"><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per
                                            jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer
                                            een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                            belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken,
                                indien en voor zover hem daartoe door of namens het college
                                toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde
                                voorwaarden worden verbonden.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><lijst><li nr="a"><al> Indien het Bedrijfsvervoerplan daarin niet voorziet, kan
                                        het college ter uitvoering van werkzaamheden een rijwiel ter
                                        beschikking stellen, of een rijwielvergoeding toekennen aan
                                        de ambtenaar die zijn eigen rijwiel ter beschikking
                                        stelt.</al></li><li nr="b"><al> Ten aanzien van de vergoeding is het bepaalde in artikel
                                        15:1:16:1, tweede lid sub b, van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling</titel></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                                schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden
                                verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor
                                het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of
                                enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen.
                                De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs
                                verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding</titel></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij
                                dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen
                                niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met
                                behoud van doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan
                                inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en
                                vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties</titel></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3) </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke
                                    bepalingen</titel></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                                kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                                voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:30 Borstvoeding</titel></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt
                                gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de
                                gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                                kolven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd
                                    Overleg</titel></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                                plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                                commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                                vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                                genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten
                                wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke
                                organisatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2 Klokkenluiders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met
                                    vermoedens van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                    vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                    regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                    ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente
                                    benadeeld worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:0:1 Regeling melding vermoeden
                                    misstanden</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 15:2 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling melding
                                vermoeden misstanden vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:2:0:2 Regeling vertrouwenspersoon</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 15:2 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                vertrouwenspersoon vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>16 Disciplinaire straffen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of
                                    zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij
                                    herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van
                                    maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de
                                    tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair
                                    worden gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
                                    als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in
                                    gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de
                                    volgende disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a"><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
                                            vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                            lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes
                                            uren met een maximum van drie uren per dag en met dien
                                            verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op
                                            zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                            feestdagen; </al></li><li nr="c"><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het
                                            aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                            kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d"><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het
                                            salaris per jaar;</al></li><li nr="e"><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                            bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                            maand;</al></li><li nr="f"><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering
                                            van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen,
                                            een herwaardering van de functie daaronder begrepen,
                                            voor ten hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g"><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van
                                            de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan
                                            de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is
                                            verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste
                                            5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee
                                            jaren; </al></li><li nr="h"><al> plaatsing in een andere functie, al of niet in een
                                            ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of
                                            onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van
                                            salaris en de toegekende salaristoelage(n); </al></li><li nr="i"><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met
                                            gedeeltelijk genot van salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden
                                    opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i,
                                    alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door
                                    het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de
                                    laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet
                                    ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                    gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn
                                    niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor
                                    de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig
                                    plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                                    eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:3 Verantwoording</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De straf wordt niet opgelegd dan nadat de ambtenaar in de
                                gelegenheid is gesteld zich mondeling of schriftelijk te
                                verantwoorden. De verantwoording door de ambtenaar geschiedt indien
                                deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of
                                ten overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger.
                                De ambtenaar kan zich bij deze verantwoording door een raadsman doen
                                bijstaan. De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en
                                niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar
                                kan van deze termijn worden afgeweken. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36
                                uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door
                                hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de
                                ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan
                                in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen,
                                melding gemaakt. Een afschrift van het proces-verbaal wordt de
                                ambtenaar uitgereikt.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in
                                de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten
                                of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten
                                betrekking hebben.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:4 Verantwoording</titel></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                                schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16:1:5 Verantwoording</titel></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                                uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij
                                bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is
                                bevolen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>17 Opleiding en ontwikkeling</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17:0:0:1 Regeling studiefaciliteiten</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 17 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                studiefaciliteiten vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:0:0:2 Regeling functioneringsmanagement</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 17 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling
                                functioneringsmanagement vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:1 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor
                                    zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor
                                    diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de
                                    ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van
                                    werkervaring.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                    loopbaanbeleid. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:2 Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het
                                    verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid
                                    en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                    organisatieverandering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen
                                    het gemeentelijk loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget </titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                    500.-. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                    opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt
                                    aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                    loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan
                                    dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het
                                    bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                                    ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                    loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                    scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op
                                    de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                                    arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen
                                    of buiten de organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn
                                    gericht op een reëel loopbaanperspectief.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget
                                    worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar
                                    waarin de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te
                                    vervallen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar
                                    het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om
                                    daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit
                                    wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na
                                    verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet
                                    volledig is benut komt het resterende budget te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget leggen
                                    het college en de ambtenaar in een persoonlijk ontwikkelingsplan
                                    de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste
                                    kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in dat
                                    kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                                    activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per
                                    drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen
                                    in de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van
                                    het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door
                                    het college vastgestelde opleidingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het
                                    persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en
                                    activiteiten worden door het college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                    vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele
                                    verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de
                                    ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te
                                    voeren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                    vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende
                                    onderwerpen:</al><lijst><li nr="-"><al> de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                            redelijkerwijs te maken kosten; </al></li><li nr="-"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                            worden;</al></li><li nr="-"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;
                                        </al></li><li nr="-"><al> de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan
                                            worden onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                            vergoeding bij het voortijdig afbreken van een studie
                                            door de ambtenaar; </al></li><li nr="-"><al> de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                            vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke dienst
                                            binnen een te bepalen periode na afronding van de
                                            studie; </al></li><li nr="-"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor
                                            een goede uitvoering van de gemaakte afspraken. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:5 Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op
                                loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of
                                externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:5:0:1 Regeling loopbaanadvies</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 17:5 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling loopbaanadvies
                                vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:6 Inzetbaarheid</titel></kop><al> In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het
                                functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt
                                het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zo nodig
                                worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen
                                in het individuele takenpakket.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17:7 Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                                beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                                Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>18 Verplaatsingskosten</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al><vet> betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in
                                        de zin van de CAR; </al></li><li nr="b"><al><vet> woongebied:</vet> woongebied: de gebieden zoals door
                                        het college zijn aangewezen ingevolge artikel 15:1:17; </al></li><li nr="c"><al><vet> standplaats:</vet> de gemeente of het met name
                                        genoemde deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn
                                        werkzaamheden verricht; </al></li><li nr="d"><al><vet> gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde
                                        partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en
                                        pleegkinderen van de betrokkenen en/of van de echtgenoot,
                                        geregistreerde partner voor zover zij samenwonen; </al></li><li nr="e"><al><vet> eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en
                                        voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van
                                        eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling
                                        van het bevoegde gezag; </al></li><li nr="f"><al><vet> berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van de
                                        bezoldiging – in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen
                                        daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van
                                        toepassing is – die betrokkene geniet op het
                                        berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
                                        vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd
                                        met:</al><lijst><li nr="1"><al> genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk
                                                10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering
                                                krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2"><al> genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig
                                                hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en
                                                aanvullende uitkering;</al></li><li nr="3"><al> genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12
                                                van het pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g"><al><vet>berekeningstijdstip:</vet> 1e datum waarop de
                                        betrokkene verhuist; 2e indien de betrokkene verhuist voor
                                        de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum
                                        van ingang van de functievervulling; 3e bij het overlijden
                                        of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk
                                        bezoldiging werd genoten; </al></li><li nr="h"><al><vet>verplaatsen en verplaatsing: </vet>veranderen
                                        onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                                        betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan; </al></li><li nr="i"><al><vet> verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming in
                                        de kosten van een verplaatsing, dan wel van een verhuizing
                                        voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                        tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode dat
                                        de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden; </al></li><li nr="j"><al><vet> dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan de
                                        betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie
                                        aangewezen woning. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                    bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming
                                    in verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is
                                    verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op
                                    verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten
                                    feiten of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing
                                    wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking
                                    naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een
                                    van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op
                                    verzoek beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die
                                    in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                    verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                    verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                    bekend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders
                                    dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een
                                    dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een
                                    ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht
                                    op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als
                                    gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en
                                    het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning
                                    is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                    overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding
                                    in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer
                                    bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing
                                    binnen het woongebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:4 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2
                                en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft
                                plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen
                                is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of
                                de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan
                                    uit:</al><lijst><li nr="a"><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en
                                            van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden
                                            naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van
                                            het in- en uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b"><al>een bedrag voor dubbel woonkosten, gelijk aan de
                                            noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van €
                                            310,51 per maand met dien verstande dat de
                                            tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                            verleend;</al></li><li nr="c"><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                            voortvloeiende kosten, met een maximum van €
                                            6.209,70.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                    huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders
                                    is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                    berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een
                                    maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten
                                    woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in
                                    het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                    echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de
                                    zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te
                                    verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de
                                    berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide betrokkenen een
                                    deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking
                                    bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een
                                    tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis
                                    vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De
                                    tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                    tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                    Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan
                                    voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend
                                    van 3% van de berekeningsbasis.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen,
                                    zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle
                                    pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding
                                    van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de
                                    plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                                    aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                                    verhuiskosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het
                                    oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan
                                    reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen
                                    betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een
                                    tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension
                                    in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens
                                    een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de
                                    reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                    naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat
                                    redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo
                                    spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in
                                    aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur
                                    bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en
                                    als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een
                                    tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid
                                    worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het
                                    tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het
                                    bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7 Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                                    eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het
                                    openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede
                                    klasse.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is,
                                    voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein,
                                    gemaximeerd op het bedrag van € 3.984 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het
                                    pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het
                                    eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer
                                    geen gebruik maakt en in de plaats daarvan met eigen vervoer
                                    naar dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 103,78
                                    op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                                    eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van
                                    tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een
                                    plaats van tewerkstelling die niet door openbaar vervoer is te
                                    bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen
                                    groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de
                                    opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                                    € 0,17 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele
                                    reis.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats
                                    van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar
                                    daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een
                                    tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het
                                    vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                    woon-werkverkeer</titel></kop><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een
                                betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is,
                                heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het
                                openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot
                                een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege
                                de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                                wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband
                                een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                                vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:9 Pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel
                                    18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk
                                    met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen
                                    60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet
                                    uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde
                                    pensionkosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor
                                    het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is
                                    gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en
                                    wel naar het tarief van de laagste klasse.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en
                                    pensionkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7
                                    en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes
                                    maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek
                                    van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden
                                    verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                    bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand
                                    gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                    18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem
                                    zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die
                                    kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                    vastgesteld op basis van artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                                    18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                    inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming
                                    verhuiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor
                                    de datum van de verhuizing bij het bevoegde gezag te zijn
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen
                                    zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bevoegde gezag
                                    opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    onder b.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:12 Voorschot</titel></kop><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                                tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:13 Slotbepaling</titel></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of
                                krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele
                                gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet
                                of niet naar redelijkheid voorzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18:1:14 Overgangsrecht</titel></kop><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat
                                luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode
                                van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning,
                                recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de
                                vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de
                                vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel
                                voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een
                                tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek.
                                Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan
                                vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19:0:0:0 Vergoeding vrijwillig brandweerpersoneel
                                    (Medische keuring en PPMO) </titel></kop><al>In aanvulling op het gestelde in hoofdstuk 19 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling vergoedingen
                                vrijwillig brandweerpersoneel vastgesteld. </al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 19:2 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</al></li><li><al>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de vrijwilliger</al></li><li><al>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het college
                                aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:2 Begripsbepaling</titel></kop><al><vet>Hoofdwerkgever:</vet> de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                                loondienst is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties</titel></kop><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn
                                voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de op
                                grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde commissie
                                voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de algemene regels
                                volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal worden. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:4 Informatievoorziening aan de
                                    vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een exemplaar
                                    van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    schriftelijke regels die hij bij de uitvoering van zijn
                                    werkzaamheden heeft na te leven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet
                                    schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren
                                    geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:5 Informatievoorziening aan derden</titel></kop><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en van
                                alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet
                                voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip van de
                                wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking gesteld
                                aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd
                                        overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                                        aanmerking komt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Aanstelling en bevordering</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</al></li><li><al>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</al></li><li><al>Artikel 19:7a Vervallen</al></li><li><al>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</al></li><li><al>Artikel 19:9 Bevordering</al></li><li><al>Artikel 19:10 Vervallen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke
                                    dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst, of
                                    in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend bij
                                    wijze van proef.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode van
                                    maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan de
                                    tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode van ten
                                    hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling zodra
                                    de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling verstreken
                                    is, tenzij de proef niet geslaagd is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:6:1:1 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst:
                                    uitwerking</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> De vrijwilliger, die op het moment indiensttreding niet, of niet
                                volledig voldoet aan de gestelde functie-eisen wordt aangesteld op
                                basis van een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef voor de
                                duur van 2 jaar. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al>De vrijwilliger wordt niet eerder een vaste aanstelling verleend dan
                                nadat hij voldoet aan de gestelde functie- eisen en er geen sprake
                                is van overige bezwaren of omstandigheden die aan een vaste
                                aanstelling in de weg staan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen in
                                    aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit
                                    personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als
                                    vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst vereiste
                                            karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b"><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                            werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in staat om
                                            zijn taak bij de gemeentelijke brandweerdienst naar
                                            behoren te vervullen;</al></li><li nr="c"><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7:1:1 Functioneringsmanagement</titel></kop><al> De regeling functioneringsmanagement, zoals deze onderdeel uit
                                maakt van Hoofdstuk 17 van het reglement Arbeidsvoorwaarden
                                VeiligheidsRegio Midden- en West-Brabant (RAVMWB) is onverkort van
                                toepassing op de Vrijwilliger als bedoeld in artikel 19:1 van het
                                RAVMWB. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:7a Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:8 Bericht van aanstelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een
                                    bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van
                                            de vrijwilliger;</al></li><li nr="b"><al> de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke
                                            aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling is
                                            aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c"><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d"><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en de
                                            vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo
                                    spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:9 Bevordering</titel></kop><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie
                                bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot
                                bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan
                                verbonden vergoeding vermeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:10 Vervallen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Relatie hoofdwerkgever</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</al></li><li><al>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:11 Informatie over hoofdwerkgever</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college bij
                                    indiensttreding de contactgegevens van zijn hoofdwerkgever en
                                    informeert het college over zijn werktijden aldaar. De
                                    vrijwilliger informeert het college zo spoedig mogelijk over
                                    wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                    informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                    verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en het
                                    tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het college zo
                                    spoedig mogelijk over wijzigingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever</titel></kop><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk na
                                indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a"><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de brandweer; </al></li><li nr="b"><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                        brandweerwerkzaamheden; </al></li><li nr="c"><al> de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn werkzaamheden
                                        voor de brandweer en dat bij de vaststelling van zijn
                                        werktijden hier rekening mee gehouden moet worden;</al></li><li nr="d"><al> de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor
                                        brandweeractiviteiten tijdens werktijd; </al></li><li nr="e"><al> ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij de
                                        brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een vergoeding.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Vergoedingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:13 Vergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en
                                        overige werkzaamheden</al></li><li><al>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke
                                        brandbestrijding en hulpverlening</al></li><li><al>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</al></li><li><al>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</al></li><li><al>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</al></li><li><al>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                        zwangerschap</al></li><li><al>Artikel 19:21 Opleidingskosten</al></li><li><al>Artikel 19:22 Gratificatie</al></li><li><al>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</al></li><li><al>Artikel 19:24 Salarismutaties</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:13 Vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een
                                    vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage
                                    IIb van de CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die
                                    vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als
                                    vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een
                                    vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en bijlage
                                    IIc van de CAR-UWO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:13:1:1 Vergoeding: uitwerking</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Cumulatie van vergoedingen voor verschillende vrijwillige
                                werkzaamheden die zich gelijktijdig voordoen ( bijvoorbeeld uitruk
                                en oefenen ) is niet mogelijk. Alsdan geldt de van toepassing zijnde
                                hoogste vergoeding uit de vergoedingentabel. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> De vrijwilliger die tevens als beroepsmedewerker in dienst is van
                                de Veiligheidsregio Midden- en West Brabant, krijgt voor de
                                uitvoering van zijn brandweertaken een uurvergoeding voor zover deze
                                betrekking heeft op uren die buiten de volgens rooster vastgestelde
                                werktijden vallen. </al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al> De vergoeding overeenkomstig artikel 19:15 (Vergoeding voor
                                oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden) wordt ten minste
                                uitbetaald over een tijdsbestek van 30 minuten. </al><tussenkop><vet>Lid d</vet></tussenkop><al> De vergoeding overeenkomstig artikel 19:16 (Vergoeding voor
                                daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening) wordt, indien er
                                sprake is van feitelijke brandbestrijding of hulpverlening ten
                                minste uitbetaald over een tijdsbestek van 60 minuten. </al><tussenkop><vet>Lid e</vet></tussenkop><al> De vergoeding als bedoeld onder d. van dit artikel wordt uitbetaald
                                over een tijdsbestek van tenminste 60 minuten indien de vrijwilliger
                                binnen 15 minuten na alarmering op de kazerne aanwezig is en men in
                                opdracht van de bevelvoerder aanwezig blijft. </al><tussenkop><vet>Lid f</vet></tussenkop><al> De uren als bedoeld onder c. en d. van dit artikel worden na 30
                                respectievelijk 60 minuten op 15 minuten naar boven afgerond. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:14 Jaarvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de
                                    bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de
                                    functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                    vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van € 136,
                                    ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband met de
                                    beroepsuitoefening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader van
                                    de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde
                                    brandbestrijding of andere hulpverlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:14:0:1 Jaarvergoeding</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een jaarvergoeding,
                                waarvan per kwartaal een vierde deel wordt uitgekeerd.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de bijlage
                                bij artikel 19:13 is vermeld achter de functiecategegorie behorende
                                bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de tweede
                                kolom. (ECCvA/U201001923 van 9 september 2010).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en
                                    overige werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus volgt
                                    met toestemming van het college, of in opdracht van het college
                                    overige werkzaamheden verricht heeft recht op een vergoeding.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag
                                    dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter
                                    de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de derde
                                    kolom. Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de
                                    vrijwilliger voor die activiteit geen recht op vergoeding. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                    vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:1 Vergoeding cursussen en opleidingen
                                    (basisopleiding)</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Onder basisopleiding wordt verstaan: de cursussen of opleidingen
                                die bij de aanstelling in de functie vereist zijn. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> De werkelijke tijd besteed aan de cursus en of het examen wordt
                                vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al> Reistijd telt niet mee voor de bepaling van de werkelijke tijd als
                                bedoeld onder a. van dit artikel. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:2 Vergoeding Oefeningen en
                                    instructies</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> De werkelijke tijd besteed aan de oefening wordt vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> De werkelijke tijd besteed aan het geven van de instructie wordt
                                vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al> De voorbereiding of het uitzetten van de oefening op de dag zelf
                                wordt ten hoogste voor 60 minuten vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid d</vet></tussenkop><al> Reistijd telt niet mee voor de bepaling van de werkelijke tijd als
                                bedoeld onder a en b van dit artikel. </al><tussenkop><vet>Lid e</vet></tussenkop><al>Artikel 19:15:1:9 (reistijd langer dan 30 minuten) is van
                                toepassing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:3 Vergoeding deelname vaardigheidstoets
                                    (wedstrijd) georganiseerd door ABWC</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Reistijd wordt niet vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> Niet vergoed worden de uren die nodig zijn voor de voorbereiding
                                van de vaardigheidstoets. </al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al> Bij deelname aan een vaardigheidstoets wordt per deelnemer aan de
                                spelende ploeg maximaal 3 uur vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid d</vet></tussenkop><al> Voor de activiteiten vallende onder artikel 19:15:1:3 is de
                                vergoeding die behoort bij langdurige aanwezigheid (artikel 19:17)
                                    <cursief>niet</cursief> van toepassing. </al><tussenkop><vet>Lid e</vet></tussenkop><al> Bij deelname aan de organisatie of de jury van een
                                vaardigheidstoets, georganiseerd door de ABWC worden de werkelijk
                                gemaakte uren op de speeldag tot een maximum van 8 uur vergoed. Voor
                                deze werkzaamheden geldt eveneens de vergoeding “laag tarief”. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:4 Vergoeding deelname vaardigheidsdag
                                    (wedstrijd) georganiseerd door de Veiligheidsregio</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Reistijd wordt niet vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al>Bij deelname aan een vaardigheidsdag georganiseerd door de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant wordt per organisator,
                                jurylid of deelnemer van de spelende ploeg, maximaal 8 uur
                                vergoed.</al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al>Voor de activiteiten vallende onder artikel 19:15:1:4 is de
                                vergoeding die behoort bij langdurige aanwezigheid (artikel 19:17)
                                    <cursief>niet</cursief> van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:5 Vergoeding deelname aan vakmanschapdagen
                                    (bijscholing)</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> De werkelijke tijd besteed aan de vakmanschapsdagen wordt vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al>Reistijd telt niet mee voor de bepaling van de werkelijke tijd als
                                bedoeld onder a. van dit artikel.</al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al>Artikel 19:15:1:9 (reistijd langer dan 30 minuten) is van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:6 Vergoeding meerdaagse trainingsdagen
                                    (inclusief buitenland)</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Voor meerdaagse trainingen zal door of namens de regionaal
                                commandant in het programma behorende bij de training vooraf worden
                                aangegeven welke uren voor vergoeding in aanmerking komen. Tevens
                                wordt aangegeven wat de hoogte van de vergoeding per uur zal zijn
                                (laag - of midden tarief). </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> Tenzij anders bepaald, wordt reistijd niet vergoed. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:7 Vergoeding onderhoudswerkzaamheden /
                                    administratieve taken</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Onderhoudswerkzaamheden / administratieve taken betreffen de
                                volgende door of namens de clustercommandant uitgevoerde
                                werkzaamheden: </al><lijst><li nr="1"><al> Onderhoud aan materieel, materialen en gebouwen; </al></li><li nr="2"><al> Controle van brandkranen en andere bluswatervoorzieningen;
                                    </al></li><li nr="3"><al> Onderhoud persoonlijke beschermingsmiddelen; </al></li><li nr="4"><al>Administratieve werkzaamheden ter ondersteuning van de
                                        vrijwilligers werkzaamheden. </al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> De werkelijke tijd besteed aan het uitvoeren van de werkzaamheden
                                wordt vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al> Reistijd telt niet mee voor de bepaling van de werkelijke tijd als
                                bedoeld onder a. van dit artikel. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:8 Vergoeding vergaderingen</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> De werkelijke tijd besteed aan vergaderingen wordt vergoed. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al>Reistijd telt niet mee voor de bepaling van de werkelijke tijd als
                                bedoeld onder a. van dit artikel.</al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al>Artikel 19:15:1:9 (reistijd langer dan 30 minuten) is van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:15:1:9 Reistijd langer dan 30 minuten</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Dit artikel is van toepassing op de artikelen 19:15:1:2 (Vergoeding
                                Oefeningen en instructies), 19:15:1:5 (Vergoeding deelname aan
                                vakmanschapdagen (bijscholing)) en 19:15:1:8 (Vergoeding
                                vergaderingen). </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al> In geval de reistijd in de situatie bedoeld onder a. van dit
                                artikel meer bedraagt dan 30 minuten enkele reis, heeft de
                                vrijwilliger recht op een vergoeding over het meerdere van deze
                                tijd. </al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al> De reistijd wordt vastgesteld door gebruikmaking van het programma
                                routenet (http://www.routenet.nl). </al><tussenkop><vet>Lid d</vet></tussenkop><al> De reistijd wordt vastgesteld door de reistijd tussen postcode
                                standplaats en postcode bestemming te berekenen, volgens de optie
                                “snelste route”. </al><tussenkop><vet>Lid e</vet></tussenkop><al> De eerste 30 minuten zijn voor eigen rekening, de resterende tijd
                                wordt naar boven, op 15 minuten afgerond. </al><tussenkop><vet>Lid f</vet></tussenkop><al> Reistijd telt niet mee voor de bepaling van de vergoeding als
                                bedoeld in artikel 19:17 (langdurige aanwezigheid). </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding
                                    en hulpverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn,
                                    bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en hulpverlening
                                    ontvangt hiervoor een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het uurbedrag
                                    dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat vermeld achter
                                    de functiecategorie, behorende bij de functie van de
                                    vrijwilliger, in de vierde kolom. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                    netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit voor
                                    vrijwilligers niet zijnde officieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur of
                                    langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of overige
                                    brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor langdurige
                                    aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van
                                    het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                                    vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie
                                    waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de vijfde kolom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de vrijwilliger
                                    geen recht op een vergoeding voor langdurige aanwezigheid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen
                                    verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk
                                    geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige
                                    brandweerwerkzaamheden verricht heeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:17:1:1 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid:
                                    uitwerking</titel></kop><tussenkop><vet>Lid a</vet></tussenkop><al> Reistijd telt niet mee voor de vaststelling van langdurige
                                aanwezigheid. </al><tussenkop><vet>Lid b</vet></tussenkop><al>Lunch en dinertijd telt wel mee voor de vaststelling van langdurige
                                aanwezigheid doch enkel indien de activiteit aansluitend voor
                                tenminste de duur van 1 uur wordt voortgezet.</al><tussenkop><vet>Lid c</vet></tussenkop><al>De uren gewerkt in langdurige aanwezigheid worden op 15 minuten naar
                                boven afgerond.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:18 Consignatievergoeding</titel></kop><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen
                                te worden voor werkzaamheden ontvangt een consignatievergoeding.
                                Deze vergoeding bedraagt: </al><lijst><li nr="a"><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                        bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen,
                                        nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                                        Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                                        verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere
                                        dag die daarnaast door het college wordt aangewezen als
                                        feestdag; </al></li><li nr="b"><al> per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                        bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige
                                        dagen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst</titel></kop><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de
                                vergoeding van kazerneringsdiensten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:20 Vergoeding tijdens en in verband met
                                    zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de
                                    periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve
                                    brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op
                                    doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15 tot en
                                    met 19:18.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het
                                    bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal
                                    voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft.
                                    Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het
                                    gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een
                                    kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk
                                    arbeidspatroon. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:21 Opleidingskosten</titel></kop><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding of
                                een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van bijeenkomsten,
                                voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college
                                zijn gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:22 Gratificatie</titel></kop><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het
                                toekennen van een gratificatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen</titel></kop><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met fiscaal
                                gunstige personeelsvoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:24 Salarismutaties</titel></kop><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die in
                                het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het percentage en
                                de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op de bedragen
                                genoemd in bijlage bij artikel 19:13. De overeenkomstig het vorige
                                lid berekende vergoedingen worden wat betreft de jaarvergoeding
                                afgerond op hele euro’s en wat betreft de overige vergoedingen op
                                eurocenten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 5 Verzekeringen en schadevergoeding</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</al></li><li><al>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</al></li><li><al>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</al></li><li><al>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                    vrijwilliger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden, tijdelijke en
                                    blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                    dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over de
                                    inhoud van de verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                    vrijwilliger gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een afschrift
                                    van de polisvoorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk gemaakte
                                    medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van een
                                    dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De vergoeding
                                    bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich
                                    terzake heeft verzekerd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het
                                    eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te
                                    vergoeden, kan het college in bijzondere gevallen een
                                    tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig ondernemer
                                    is een aanvullende verzekering sluiten die voorziet in een
                                    uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een
                                    dienstongeval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                    indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten en
                                    indien dat het geval is wordt de vrijwilliger geïnformeerd over
                                    de dekking van de verzekering.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting</titel></kop><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding,
                                uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten zijn
                                schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichtte
                                werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit normale
                                slijtage van die goederen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 6 Zwangerschap</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:29 Zwangerschap</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:29 Zwangerschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk
                                    stadium bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de
                                    periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor
                                    repressieve brandweeractiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid
                                    genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande
                                    toestemming door de bedrijfsarts.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 7 Beschikbaarheid en overige plichten
                                    vrijwilliger</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</al></li><li><al>Artikel 19:31 Verplichtingen</al></li><li><al>Artikel 19:32 Eed of belofte</al></li><li><al>Artikel 19:33 Verboden</al></li><li><al>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</al></li><li><al>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</al></li><li><al>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</al></li><li><al>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de
                                    vrijwilliger voor de brandweerdienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                    cursussen die door of vanwege het college zijn
                                    georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de brandweerdienst,
                                    of niet kan deelnemen aan een oefening, bijeenkomst of cursus
                                    doet daarvan tijdig melding, onder opgave van redenen en
                                    overeenkomstig de instructie van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30:1:1 </titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De vrijwilliger geeft gehoor aan minimaal 30% van alle
                                alarmeringen, te meten per kwartaal. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Onder het gehoor geven aan de opkomstverplichting als bedoeld onder
                                lid 1 wordt verstaan het verschijnen op de kazerne binnen de daartoe
                                gestelde opkomsttijden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30:1:2</titel></kop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al> De vrijwilliger heeft een minimale opkomstverplichting van 60% van
                                alle oefeningen, te meten per kwartaal. </al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Onder het gehoor geven aan de opkomstverplichting als bedoeld onder
                                lid 1 wordt verstaan het verschijnen op de kazerne, het actief
                                deelnemen aan en volledig doorlopen van de oefening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:30:1:3</titel></kop><al> De wijze waarop uitvoering gegeven wordt aan de bepalingen van
                                artikel 19:30:1:1 en 19:30:1:2 is vastgelegd in de
                                “uitvoeringsregeling opkomstverplichting vrijwilligers”, behorende
                                bij Hoofdstuk 19 van het reglement Arbeidsvoorwaarden
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:31 Verplichtingen</titel></kop><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                                verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:32 Eed of belofte</titel></kop><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:32:0:1 Regeling ambtseed of belofte</titel></kop><al> In aanvulling op het gestelde in artikel 19:32 heeft de
                                Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant een Regeling ambtseed of
                                belofte vastgesteld.</al><al>Klik hier om naar deze regeling te gaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:33 Verboden</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a"><al> de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te wenden
                                        voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor toestemming is
                                        verleend door of namens het college;</al></li><li nr="b"><al> vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                                        vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij hiervoor
                                        toestemming is verleend door of namens het college; </al></li><li nr="c"><al> steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin
                                van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te gebruiken
                                ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem
                                daartoe door het college toestemming is verleend. Aan deze
                                toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de door
                                    het college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken
                                    te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden door het college
                                    kosteloos in bruikleen verstrekt aan de vrijwilliger, die bij
                                    ontslag verplicht is deze bij het college in te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                    bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en hij
                                    is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en controle,
                                    wanneer daartoe door het college opdracht is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de
                                    dienstkleding en uitrustingsstukken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:36 Verboden ten aanzien van de kleding</titel></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden: </al><lijst><li nr="a"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer
                                        hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht, behalve in
                                        de gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft
                                        verleend; </al></li><li nr="b"><al> de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in
                                        bruikleen te geven;</al></li><li nr="c"><al> dienstkleding te dragen voorzien van:</al><lijst><li nr="I"><al> andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden
                                                aan de rang, behorende bij de functie die de
                                                vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="II"><al> insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij
                                                tot het dragen daarvan door de staat of door het
                                                college toestemming is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:37 Vergoeding van schade</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente
                                    schade toebrengt kan verplicht worden deze schade geheel of
                                    gedeeltelijk te vergoeden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn wensen
                                    kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                    schadevergoeding op zijn vergoeding. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 8 Disciplinaire maatregelen schorsing in het belang
                                    van de dienst</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</al></li><li><al>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</al></li><li><al>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:38 Plichtsverzuim</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan
                                    disciplinair worden gestraft. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift
                                    als het overigens doen of nalaten van iets dat een goed
                                    vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te
                                    doen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen</titel></kop><al> De volgende disciplinaire straffen kunnen worden opgelegd: </al><lijst><li nr="a"><al> schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b"><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld in
                                        artikel 19:14;</al></li><li nr="c"><al> schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met inhouding
                                        van de vergoeding;</al></li><li nr="d"><al> ongevraagd ontslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:40 Schorsing in het belang van de dienst</titel></kop><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst worden:</al><lijst><li nr="a"><al> wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd
                                        of hem het voornemen daartoe kenbaar is gemaakt;</al></li><li nr="b"><al> wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in het
                                        Wetboek van Strafvordering, een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer
                                        wordt gelegd;</al></li><li nr="c"><al> wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is
                                        ingesteld wegens misdrijf;</al></li><li nr="d"><al> in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit
                                        noodzakelijk maakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 9 Ontslag</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</al></li><li><al>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</al></li><li><al>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:41 Ontslag op eigen verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die
                                    daarom verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten
                                    minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum
                                    van ontvangst van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol ontslag
                                    aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een strafrechtelijke
                                    vervolging wegens misdrijf loopt, of wanneer overwogen wordt de
                                    vrijwilliger disciplinair te straffen. Beslissing op het
                                    ontslagverzoek vindt plaats zodra de uitspraak van de rechter
                                    onherroepelijk geworden is, respectievelijk zodra besloten is de
                                    vrijwilliger al dan niet disciplinair te straffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:42 Ongevraagd ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op
                                    grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>het eindigen van de noodzaak tot
                                            beschikbaarheidsstelling of wegens verandering van de
                                            brandweerorganisatie; </al></li><li nr="b"><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats van
                                            zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging van
                                            zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te
                                            zijn taak bij de brandweer te vervullen; </al></li><li nr="c"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn werkzaamheden op grond van ziekten of gebreken;
                                        </al></li><li nr="d"><al> onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van
                                            zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of
                                            gebreken;</al></li><li nr="e"><al> onder curatelestelling;</al></li><li nr="f"><al> toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                            onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g"><al> onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                            wegens misdrijf;</al></li><li nr="h"><al> een in het ontslagbesluit genoemde andere grond;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met uitzondering
                                    van het ontslag op de grond genoemd in het eerste lid, onderdeel
                                    g van dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19:43 Einde tijdelijk dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de laatste
                                    dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het
                                    dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger
                                    met ingang van de eerste dag na het verstrijken van
                                    vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd beëindigd
                                    worden op een van de gronden genoemd in artikel 19:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Bijlage IIb en IIc Vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                                    gemeentelijke brandweer</titel></kop><al><vet>Vergoedingentabellen</vet></al><al>De actuele tabellen kunt u vinden in de bijlagen IIb en IIc.</al><al>Bijlage IIb Vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                                brandweer </al><al>Bijlage IIc Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke brandweer</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19a Keuringen brandweerpersoneel</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19a:1 Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de
                                    brandweer is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de
                                    functie van bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in
                                    het Besluit personeel veiligheidsregio’s. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies
                                    bij de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing
                                    is. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                    mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te
                                    bekleden functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie
                                    uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals
                                    opgenomen in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de
                                    CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen,
                                    die daartoe door het college zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                    aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                    conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage
                                    VIIb van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar
                                    gelijktijdig of minimaal een half jaar na indienstreding.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                    leeftijd van:</al><lijst><li nr="a"><al>jonger dan veertig één keer in de vier jaar;</al></li><li nr="b"><al> tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar;
                                        </al></li><li nr="c"><al> ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van
                                    de frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring
                                    worden afgenomen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
                                    college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd
                                    van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze
                                    bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van
                                    ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                                    beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
                                    medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht
                                    op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden
                                    van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of
                                    gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is
                                    hoofdstuk 7 onverkort van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
                                    gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere
                                    werkzaamheden opleggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a:4 Fysieke test</titel></kop><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is
                                aangesteld in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>19b Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar in een
                            instelling voor kunsteducatie</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</al></li><li><al>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</al></li><li><al>Artikel 19b:3 Functie-eisen</al></li><li><al>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</al></li><li><al>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:1 Werkingssfeer</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de
                                kunsteducatie in de functie van:</al><lijst><li nr="a"><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b"><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c"><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:2 Begripsbepaling</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                                instelling: een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie aanbiedt
                                of ondersteunt. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:3 Functie-eisen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam in
                                    de functie van docent en consulent in het bezit is van een
                                    diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke vakgebied.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg erover
                                    met de OR, afwijken van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:4 Functioneringsgesprek</titel></kop><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                                functioneringsgesprek gehouden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en educatief
                                            contact is met leerlingen;</al></li><li nr="b"><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te
                                            kwalificeren zijn als lesgebonden uren;</al></li><li nr="c"><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen lesgebonden
                                            en niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b
                                    zijn in te delen in de volgende vier categorieën:</al><lijst><li nr="a"><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b"><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties
                                            van dezelfde instelling;</al></li><li nr="c"><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of andere
                                            activiteiten die ertoe bijdragen de eigen vakbekwaamheid
                                            op peil te houden;</al></li><li nr="d"><al>algemene werkzaamheden in het belang van de
                                            instelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage IVa
                                    een regeling vast waarin per discipline de verhouding
                                    lesgebonden versus niet-lesgebonden uren staat. In de regeling
                                    kan per discipline een afwijking op deze verhouding en de
                                    voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de vaststelling van
                                    deze regeling is overeenstemming vereist tussen de werkgever en
                                    de OR. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in het
                                    derde lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn functie de
                                    verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren is. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding, bedoeld
                                    in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de ambtenaar
                                    maximaal 65% van zijn formele arbeidsduur aan lesgebonden uren
                                    en minimaal 35% van zijn formele arbeidsduur aan
                                    niet-lesgebonden uren. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Salariëring</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</al></li><li><al>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</al></li><li><al>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</al></li><li><al>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:6 Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In plaats van bijlage II en IIa, past het college de
                                    salaristabel, genoemd in bijlage IV, toe bij het vaststellen van
                                    het salaris van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in artikel 3:1, eerste
                                    lid, is niet van toepassing. De functie van </al><lijst><li nr="a"><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b"><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c"><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de
                                    invoering en de waardering van junior- of seniorfuncties. Het
                                    college stelt hiervoor de functiebeschrijving vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:7 Aanloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat hij
                                    reeds voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van ervaring,
                                    opleiding of vaardigheden, kan zijn salaris worden vastgesteld
                                    in één van de aanloopbedragen van de bij de functie behorende
                                    salarisschaal. De aanloopbedragen zijn opgenomen in de
                                    salaristabel, genoemd in bijlage IV.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van
                                    aanloopbedragen en voor de bevordering naar een bij de functie
                                    behorende salarisschaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn uitloopbedragen
                                    opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren ingeschaald
                                    te zijn in het maximum van de bij de functie behorende
                                    salarisschaal een periodieke verhoging naar het eerste
                                    uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke verhoging iedere keer
                                    na twee jaar plaats. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Artikel 3:11 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel
                                    recht op een toelage onregelmatige dienst over volle uren arbeid
                                    verricht op zondag. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm van
                                    verlof en bedraagt 25% van de uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van de
                                    ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt de
                                    toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld
                                    verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Arbeidsduur en vakantie</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</al></li><li><al>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</al></li><li><al>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</al></li><li><al>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</al></li><li><al>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens
                                        overgangstermijn</al></li><li><al>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                        met een verplicht vrije periode</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:10 Vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor de
                                    ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur, indien </al><lijst><li nr="a"><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het jaar
                                            is aangemerkt als verplicht vrije periode of </al></li><li nr="b"><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het toegewezen
                                            hebben gekregen van lessen/cursussen</al></li></lijst><al>Bij een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie naar
                                    rato.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije
                                    periodes en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld, met
                                    een maximum van 36 uur per week. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:11 Verplicht vrije periodes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de
                                    ambtenaar verplicht vrij is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
                                    maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode beschikbaar
                                    voor werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
                                    ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar artikel
                                    5.7 van de Arbeidstijdenwet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo snel
                                    mogelijk maar in ieder geval binnen twee maanden na ingang van
                                    een cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te werken
                                    uren. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster, verstrekt
                                    het college zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen een
                                    maand, een aangepast rooster.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:13 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledig dienstverband, die op 31
                                    december 2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per
                                    jaar, wordt de arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met 72
                                    uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats totdat
                                    voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur per jaar.
                                    Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking gelden deze
                                    verhogingen naar rato. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld, geldt
                                    voor deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt voor de
                                    ambtenaren, die in dienst zijn van de instelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens
                                    overgangstermijn</titel></kop><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van artikel
                                8:3 indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt veroorzaakt
                                door verhoging van het aantal te werken uren als bedoeld in artikel
                                19b:13.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                    met een verplicht vrije periode</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld in
                                    artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof heeft de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur
                                    vakantieverlof per jaar. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato recht
                                    op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur vakantieverlof
                                    per jaar. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op verzoek
                                    van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel 6:2:6. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Ontslag en uitkeringen</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 19b:16 Overtolligheid</al></li><li><al>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</al></li><li><al>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur
                                        of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
                                        minder dan de helft van de formele arbeidsduur</al></li><li><al>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:16 Overtolligheid</titel></kop><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het college
                                of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met dezelfde functie
                                overeenkomt met de totale aanstellingsomvang van deze
                                ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en
                                    ontslagvolgorde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan,
                                    bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de volgende
                                    ontslagvolgorde gehanteerd:</al><lijst><li nr="a"><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die daarvoor
                                            in aanmerking wensen te komen;</al></li><li nr="b"><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te verlengen;</al></li><li nr="c"><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na toepassing
                                            van het afspiegelingsbeginsel in combinatie met
                                            anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het
                                    eerste lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van ambtenaren
                                    met dezelfde functies uitgegaan van de volgende drie
                                    leeftijdsgroepen: </al><lijst><li nr="-"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="-"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="-"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
                                    ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of,
                                    bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder
                                    dan de helft van de formele arbeidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor minder
                                    dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur,
                                    voor minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                    ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan, bedoeld
                                    in artikel 8:3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
                                    bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing. Ontslag op
                                    grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien het na een
                                    zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
                                    binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede in verband
                                    met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                                    werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige
                                    werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn van
                                    drie maanden in acht genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur of,
                                            bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor
                                            minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur wordt
                                            ontslagen</al></li><li nr="-"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon als
                                            bedoeld in de Wet minimumloon en
                                            minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar
                                    die:</al><lijst><li nr="a"><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag op
                                            grond van artikel 8:3;</al></li><li nr="b"><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag
                                            in tenminste 26 weken als werknemer als bedoeld in
                                            artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is
                                            geweest;</al></li><li nr="c"><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren
                                            onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste
                                            werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier jaren
                                            over 52 of meer dagen per jaar loon heeft
                                            ontvangen;</al></li><li nr="d"><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
                                            heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de
                                    lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij een
                                    dienstverband van:</al><lijst><li nr="a"><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
                                            maanden;</al></li><li nr="b"><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
                                            maanden;</al></li><li nr="c"><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
                                            maanden;</al></li><li nr="d"><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
                                            maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het uurloon
                                            op de dag voorafgaand aan het ontslag, vermenigvuldigd
                                            met het aantal verloren arbeidsuren, en</al></li><li nr="b"><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon, vermenigvuldigd
                                            met het aantal verloren arbeidsuren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft de
                                    ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het tweede lid
                                    onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in het tweede lid,
                                    recht op een garantie-uitkering KV gedurende 6 maanden. Deze
                                    uitkering bedraagt 70% van het minimumuurloon vermenigvuldigd
                                    met het aantal verloren arbeidsuren.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend, is
                                    verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het CWI en
                                    zich beschikbaar te stellen voor het aannemen van passende
                                    werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie te
                                    verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling
                                    noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen
                                    kan het college besluiten de garantie-uitkering (gedeeltelijk)
                                    te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is
                                    toegekend, na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand neemt,
                                    wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met het aantal uren dat
                                    de nieuwe werkzaamheden omvat.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van het
                                    zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en vervolgens
                                    de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben
                                    opgehouden te bestaan, herleeft het recht op de
                                    garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op enige
                                    uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze werkzaamheden zijn
                                    ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a"><al>als de ambtenaar ter zake van het arbeidsurenverlies,
                                            dat tot het toekennen van een garantie-uitkering heeft
                                            geleid, een andere uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b"><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op
                                            die waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt van het
                                            ABP Keuzepensioen;</al></li><li nr="c"><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d"><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht krijgt
                                            op een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>20 Aanvullende regelingen hoofdstuk 3 voor brandweerpersoneel</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Pragraaf 1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li><li><al>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li><li><al>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:1 Vergoeding piketdienst
                                    beroepsbrandweer</titel></kop><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem
                                geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de
                                brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:2 Vergoeding piketdienst
                                    beroepsbrandweer</titel></kop><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt
                                verleend zo spoedig mogelijk in de regel binnen zes kalenderweken na
                                het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden.
                                Het verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter
                                beschikking moest houden, voor zover deze vielen op zondag,
                                nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag,
                                de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin
                                wordt gevierd en iedere andere dag, die daarboven door het college
                                wordt aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter
                                beschikking moest houden, indien deze uren vielen op andere
                                dagen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:3 Vergoeding piketdienst
                                    beroepsbrandweer</titel></kop><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich
                                verzet tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld
                                gegeven. De vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het
                                salaris per maand voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter
                                beschikking moet houden, voor zover deze uren vielen op zondag,
                                nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag,
                                de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de koningin
                                wordt gevierd en iedere andere dag die daarboven door het college
                                wordt aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk uur, waarin
                                hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren vielen op
                                andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:1:3:1 Piket bij ziekte</titel></kop><al>Ingeval van ziekte wordt het gemiddelde piket over de voorafgaande 3
                                maanden doorbetaald. De doorbetaling is afhankelijk van het aantal
                                jaren dat men feitelijk onafgebroken piket heeft gedraaid, en wordt
                                in tijd en hoogte afgebouwd tot 0. Voor de toepassing van dit
                                artikel wordt de volgende staffel gehanteerd:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Aantal jaren piket </al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>groter dan of gelijk aan 10</al></entry><entry colname="col2"><al>8 maanden 75%</al></entry><entry colname="col3"><al>8 maanden 50%</al></entry><entry colname="col4"><al>8 maanden 25%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> groter dan of gelijk aan 5 &lt; 10</al></entry><entry colname="col2"><al>6 maanden 75%</al></entry><entry colname="col3"><al>6 maanden 50%</al></entry><entry colname="col4"><al>6 maanden 25%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&lt; 5</al></entry><entry colname="col2"><al>4 maanden 75%</al></entry><entry colname="col3"><al>4 maanden 50%</al></entry><entry colname="col4"><al>4 maanden 25%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op
                                    brandweerpersoneel in dienstroosters</titel></kop><lijst><li><al>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op
                                        brandweerpersoneel in dienstroosters</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20:2 Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op
                                    brandweerpersoneel in dienstroosters</titel></kop><lid><lidnr> 1 </lidnr><al> Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die bij een
                                    Veiligheidsregio, onderdeel brandweer, werkzaam is in een
                                    dienstrooster, en die voor wat betreft de vaststelling van zijn
                                    werktijden valt onder artikel 4:8. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De artikelen 3:11 en 3:18 zijn niet van toepassing op de
                                    ambtenaar genoemd in het eerste lid. Voor deze ambtenaar zijn de
                                    lokale regels over vergoeding van het verrichten van
                                    onregelmatige diensten en overwerk van toepassing, zoals deze op
                                    31 december 2015 lokaal golden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling
                                    verschuivingstoelage van kracht was, dan blijft deze regeling
                                    vanaf 1 januari 2016 van toepassing op de ambtenaar genoemd in
                                    het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien op 31 december 2015 lokaal een regeling van kracht was
                                    die voorziet in een functiegebonden toelage dan blijft deze
                                    regeling vanaf 1 januari 2016 van toepassing voor de ambtenaar
                                    genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel laat onverlet dat de in de leden 2
                                    tot en met 4 genoemde lokale regelingen in het lokale overleg
                                    gewijzigd kunnen worden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner
                                verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont
                                en met het oogmerk duurzaam samen te leven een gemeenschappelijke
                                huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring,
                                ingericht volgens door het college nader te stellen regels.
                                Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden
                                aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:2 Gelijkstelling levenspartner met
                                    echtgenoot</titel></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                                overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                                levenspartner. Waar in deze bepalingen staat "echtgenoot" moet
                                tevens worden gelezen "levenspartner".</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:3 Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21:1:4 Gelijkstelling levenspartner met
                                    echtgenoot</titel></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                                voorziet, treft het college een passende voorziening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>22 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><paragraaf><kop><titel></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari
                                    1998.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                    dan wel gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de
                                    bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel
                                    van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel
                                    gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                    bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel
                                    uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                                    ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld,
                                    vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22:1:1:1 Overgangs- en slotbepaling UWO</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als "Arbeidsvoorwaardenregeling
                                Veiligheidregio Midden en West- Brabant".</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting CAR-UWO</titel></kop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> Het eerste lid geeft onder a een
                    begripsomschrijving van de term "ambtenaar", zoals deze voor de toepassing van
                    de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is
                    gezocht bij artikel 1, lid 1, van de Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip
                    ambtenaar volgens de Ambtenarenwet zijn de woorden "door of vanwege de
                    gemeente". Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is
                    de CAR/UWO niet op hem van toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd
                    door de Kroon en dus niet door of vanwege de gemeente. De rechtspositie van de
                    burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 (KB. van
                    15 juni 1994, Stb. 462). De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO
                    of de Ambtenarenwet. Behalve in de Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld in
                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in het Rechtspositiebesluit
                    wethouders (KB. van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er tussen de wethouder en de
                    gemeente geen gezagsverhouding werkgever/werknemer bestaat, is er geen sprake
                    van een dienstverband.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Hoewel de pensioenwet per 1 januari
                    1996 is vervallen en vervangen door een privaat pensioenreglement, blijft
                    niettemin de vermelding van de pensioenwet noodzakelijk. Dit met het oog op
                    bijvoorbeeld de vaststelling van voor pensioengeldige tijd in het kader van de
                    wachtgeldregeling (hoofdstuk 10 van de CAR).</al><al><vet><cursief>Onderdeel g en h</cursief></vet> De feitelijke arbeidsduur per
                    week kan afwijken van de formele arbeidsduur per week. </al><al><vet><cursief>Onderdeel j en k</cursief></vet> Een volledig dienstverband heeft
                    een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per jaar. In deze berekening zijn
                    meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het aantal, niet jaarlijks op
                    zaterdag of zondag vallende, feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat
                    zij periodiek op een zaterdag of zondag vallen. Het gaat hier gemiddeld om 5 6/7
                    dag per jaar. De in aanmerking genomen feestdagen zijn Nieuwjaarsdag (gemiddeld
                    per jaar 5/7 dag), 2e paasdag (7/7), Koningsdag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7), 2e
                    pinksterdag (7/7) en de beide kerstdagen (10/7) De berekening is dan als volgt:
                    365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255 x 7,2 uren (= 36 uren : 5) = 1836
                    uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijv. bevrijdingsdag,
                    Goede Vrijdag, 1 mei, maar ook andere dagen zoals de biddag voor het gewas,
                    carnavalsmaandag en/of -dinsdag, vrije dagen voor de plaatselijke kermis etc.)
                    moeten deze, op overeenkomstige wijze, in mindering worden gebracht op de in dit
                    lid genoemde maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd
                    met 7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op een andere dag van de week valt en
                    7,2 uur bij een feestdag die elk jaar op dezelfde dag van de week valt, niet
                    zijnde een zaterdag of zondag.</al><al>Een volledig dienstverband kent een formele arbeidsduur van 36 uur per week. De
                    feitelijke arbeidsduur kan daarvan afwijken.</al><al><vet><cursief>Onderdeel n</cursief></vet> De arbeidsduur kan in de vorm van
                    werktijden zowel geheel worden vastgelegd als ook gedeeltelijk. Indien de
                    werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men bijvoorbeeld van
                    bloktijden.</al><al><vet><cursief>Onderdeel o</cursief></vet> De berekening hiervoor luidt als
                    volgt: 36 x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per maand.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Geen ambtenaar (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al><vet><cursief>Onderdeel a</cursief></vet> De rechtspositie van het onderwijzend
                    personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs is onder andere geregeld in
                    het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit besluit ligt in
                    de diverse onderwijswetten. Onderwijzend personeel bij het bij zonder onderwijs
                    is op arbeidsovereenkomst werkzaam bij die instellingen en dus daarom al is de
                    CAR-UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt hier immers niet als
                    werkgever op.</al><al><vet><cursief>Onderdeel b</cursief></vet> Het onderwijsondersteunend personeel
                    is belanghebbende in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel als
                    het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer bijvoorbeeld een
                    schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR-UWO onverkort van
                    toepassing.</al><al><vet><cursief>Onderdeel c</cursief></vet>Ook de (buitengewoon) ambtenaar van de
                    burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen ambtenaar in de zin van het
                    CAR. Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente
                    werkzaam is, geldt de uitzondering dus uitsluitend indien de ambtenaar - in
                    nevenfunctie - functioneert in de hoedanigheid van (buitengewoon) ambtenaar van
                    de burgerlijke stand.</al><al><vet><cursief>Onderdeel d</cursief></vet> Alle onbezoldigde gemeenteambtenaren
                    die conform artikel 231 van de Gemeentewet zijn belast met de heffing en
                    invordering van gemeentelijke belastingen worden voor de toepassing van de
                    CAR-UWO niet als ambtenaar beschouwd.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f en g</cursief></vet>Gemeenten kunnen voor de
                    uitoefening van bepaalde taken toezichthouders aanstellen. Een toezichthouder is
                    volgens artikel 5:11 van de Awb: ‘Een persoon, bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens enig wettelijk voorschrift’. Er zijn toezichthouders zonder
                    opsporingsbevoegdheid en toezichthouders met opsporingsbevoegdheid. Aan deze
                    laatste groep wordt door het Ministerie van Justitie een BOAakte verleend.</al><al>Gemeenten krijgen door het toevoegen van onderdeel f aan artikel 1:2 CAR-UWO de
                    mogelijkheid om toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid, maar die volgens
                    wet- en regelgeving aangesteld dienen te zijn als ambtenaar om hun
                    toezichthoudende werkzaamheden te mogen uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen
                    zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt. Op basis van dit artikel
                    kunnen gemeenten dus toezichthouders zonder opsporingsbevoegdheid inhuren via
                    particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>Met het toevoegen van onderdeel g aan artikel 1:2 CAR-UWO krijgen gemeenten de
                    mogelijkheid om toezichthouders met opsporingsbevoegdheid aan te stellen als
                    onbezoldigd ambtenaar zonder dat de CAR-UWO op hen van toepassing wordt.
                    Belangrijk hierbij is dat dit alleen toegepast kan worden op ambtenaren in
                    functies die door het ministerie van Justitie zijn uitgezonderd van de
                    hoofdregel dat BOA-aktes alleen worden toegekend als de ambtenaar in bezoldigde
                    dienst is van de overheid. De gemeentelijke functies van parkeercontroleur en
                    APV-controleur zijn de twee uitzonderingen. Dit is geregeld in een functielijst
                    in de circulaire van het ministerie van Justitie, Directoraat-Generaal
                    Rechtshandhaving, Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, 2
                    december 2004, onderwerp: functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar, kenmerk
                    5324449/504 en de aanvulling daarop van 7 februari 2006, kenmerk
                    5402271/506/CBK.</al><al><cursief><vet>Onderdeel h</vet></cursief>Veelal laten gemeenten de Wet sociale
                    werkvoorziening (Wsw) uitvoeren door een gemeenschappelijke regeling. Gemeenten
                    kunnen er echter ook voor kiezen om de Wet sociale werkvoorziening zelf uit te
                    voeren en geïndiceerden voor de sociale werkvoorziening zelf in dienst te nemen.
                    In het kader van de wet dienen geïndiceerden op basis van een
                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst te worden genomen. Deze
                    mensen vallen onder de CAO sociale werkvoorziening. Op grond van onderdeel h,
                    eerste zinsdeel, worden deze personen uitgezonderd van de toepassing van de
                    CAR-UWO. Hiermee wordt voorkomen dat deze personen zowel aanspraken kunnen
                    ontlenen aan de CAO sociale werkvoorziening als aan de CAR-UWO. Uitzondering op
                    de regel zijn degenen die werkzaam zijn bij de gemeenten in het kader van
                    begeleid werken. Zij vallen wel onder de CAR-UWO. Deze uitzondering is geregeld
                    in het tweede (en laatste zinsdeel) van onderdeel h.</al><al><vet>Onderdeel i </vet>Per 1 januari 2011 is voor de gehele ambulancesector één
                    arbeidsvoorwaardenregeling van toepassing: de sector-cao Ambulancezorg. De
                    directe aanleiding voor de totstandkoming van de cao vormt de inwerkingtreding
                    van de Wet ambulancezorg. De sector-Cao Ambulancezorg heeft geen rechtstreekse
                    doorwerking naar de publieke ambulancediensten. Dat wordt ook niet gerealiseerd
                    door de voorgenomen algemeenverbindendverklaring van de sector-Cao. Tussen alle
                    bij de Cao betrokken partijen is afgesproken dat de publieke diensten de
                    sector-Cao Ambulancezorg als rechtspositionele regeling zullen vaststellen en
                    daarin boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
                    toepassing zullen verklaren. Deze afspraak wordt neergelegd in een apart en
                    bindend convenant dat alle betrokken ambulancediensten ondertekenen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voordat ambtenaren zoals genoemd in onderdeel f of g van het eerste lid kunnen
                    worden uitgesloten van de toepasselijkheid van de CAR-UWO dient er
                    overeenstemming over te zijn bereikt in het GO of met de OR. Of dit in het GO of
                    met de OR besproken moet worden is afhankelijk van de lokale
                    bevoegdheidsverdeling tussen het GO en de OR.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Niet als ambtenaar in de zin van de CAR-UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij
                    de gemeentelijke brandweer. De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in
                    hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van de UWO. Het personeel van de beroepsbrandweer
                    is wel ambtenaar in de zin van de CAR-UWO.</al><tussenkop>Artikel 1:2a en 1:2b Stage-werkervaringsplaats (T)</tussenkop><al>De werkervaringsplaats is bedoeld voor personen die op eigen initiatief
                    werkervaring willen opdoen. De stageplaats is bedoeld voor personen die in het
                    kader van een opleiding/onderwijs praktijkervaring op willen doen. Er is in dat
                    geval sprake van een driehoeksrelatie tussen stage verlener, stagiaire en
                    opleidingsinstituut.</al><al>Bij een werkervaringsplaats (wep) staan het leerproces en het opdoen van
                    ervaring centraal en niet het verdienen van geld <noot id="FN688204_1"><noot.al>CRvB 17 juli 1990, RSV 1990/345 / CRvB 23 juni 1992, RSV
                            1992/351.</noot.al></noot>. Dit neemt niet weg dat er wel een redelijke onkostenvergoeding wordt
                    betaald. Wat een redelijke onkostenvergoeding is voor stagiaires en wep-ers
                    wordt lokaal in overleg met het bevoegde medezeggenschapsorgaan
                    vastgesteld.</al><al>Een sterke gezagsverhouding kan bij een eventuele gerechtelijke procedure wijzen
                    op het bestaan op een arbeidsovereenkomst. Het is echter onmogelijk om als
                    wep-er niet in een zekere gezagsverhouding tot je leidinggevende te staan. In de
                    praktijk komt het erop neer dat de wep-er een zekere keuze moet hebben in de
                    werkzaamheden die hij/zij verricht, om zodoende invloed te hebben op het eigen
                    leerproces. Ook bij het opnemen van vrije dagen e.d. moet de wep-er een zekere
                    mate van vrijheid hebben.</al><al>In de artikelen 1:2a en 1:2b worden een aantal artikelen en hoofdstukken van de
                    CAR-UWO van toepassing uitgesloten. Voor zover het de bedoeling is om ook
                    (onderdelen) van lokale regelingen uit te sluiten van toepassing op stagiaires
                    en wep-ers, moet dat in die lokale regeling worden geregeld. Zowel de stagiaire
                    als de wep-er zijn geen ambtenaar in de zin van artikel 1:1.</al><tussenkop>Artikel 1:2c Aanstellingen op grond van de banenafspraak (T)</tussenkop><al>Gemeenten kunnen ambtenaren aanstellen vanwege de Wet banenafspraak en quotum
                    arbeidsbeperkten. Onder deze wet vallen: (1) Mensen met een WSW-indicatie; (2)
                    Wajongers met arbeidsvermogen; (3) mensen met een WIW-baan of ID-baan; (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen en die door beperkingen niet het
                    wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om de instroom van deze doelgroepen te
                    bevorderen, maakt de CAR-UWO het mogelijk om het salaris af te stemmen op de
                    verdiencapaciteit of de loonwaarde. Deze mogelijkheid is beperkt tot de
                    ambtenaren die onder de wettelijke omschrijving vallen van de doelgroepen (4)
                    mensen die onder de Participatiewet vallen, en (2) Wajongers met
                    arbeidsvermogen.</al><lijst><li nr="1"><al>De omschrijving van deze doelgroep staat in de Wet financiering sociale
                            verzekeringen, artikel 38b lid 1 sub a. In <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="salarisschaal A" type="tekst" id="i278442"></illustratie></plaatje> is het salaris bij periodiek 0 het wettelijk minimumloon en
                            is het salaris bij periodiek 11 120% van het wettelijk minimumloon. De
                            bedragen in <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="schaal A" type="tekst" id="i278443"></illustratie></plaatje> worden, in plaats van op de salarisontwikkeling in de Cao
                            Gemeenten, geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon
                            en elk jaar op 1 januari bijgesteld. De actuele schaalbedragen worden na
                            goedkeuring door het LOGA gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1:3 Toepassing (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                    bijzondere redenen, uit te zonderen voor ambtenaren of groepen ambtenaren.</al><al>Voor het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een
                    collegebesluit nodig. Omdat het hier een aangelegenheid betreft die de
                    rechtspositie van ambtenaren aangaat, dient het voornemen een categorie
                    ambtenaren van de werking van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale
                    georganiseerd overleg aan de orde te zijn geweest. Vervolgens kan een
                    collegebesluit niet genomen worden dan nadat partijen in het Landelijk Overleg
                    Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van dit voornemen in kennis zijn
                    gesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat op grote schaal groepen werknemers
                    van de werking van de CAR/UWO worden uitgesloten. Op deze wijze kan namelijk
                    afbreuk worden gedaan aan de bindende werking van de CAR/UWO.</al><al>Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet wenselijk is (een groep)
                    ambtenaren van de werking van de CAR/UWO - of gedeelten daarvan - uit te
                    zonderen, wordt besloten tot een verdere procedure. Het is de bedoeling dat en
                    afvaardiging van het LOGA in contact treedt niet het lokale bestuur om te
                    motieven voor het voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens kunnen
                    LOGA-partijen oordelen dat tegen de uitzondering geen bezwaren bestaan. Ingeval
                    het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het LOGA een procedure in gang zetten, die
                    ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt verklaard.</al><tussenkop>Artikel 1:3a Toepassing (T)</tussenkop><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><lijst><li nr="a"><al>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd gezag is ten aanzien van de
                            griffier en diens ambtenaren;</al></li><li nr="b"><al>het maakt duidelijk dat de CAR-UWO van toepassing is op de griffier en
                            diens ambtenaren;</al></li><li nr="c"><al>het biedt een kapstok voor besluiten van de raad ten aanzien van de
                            rechtspositie van de griffier.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR-UWO op de griffier en de
                    griffiemedewerkers wordt het volgende opgemerkt. De griffier valt onder de
                    begripsomschrijving in artikel 1:1, eerste lid onder a van de CAR. In de memorie
                    van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld dat de
                    rechtspositie van het griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het overige
                    gemeentepersoneel, omdat ook deze ambtenaren vallen onder de algemene afspraken
                    die de VNG met de bonden voor de sector gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt zowel
                    voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30 mei 2002
                    geadviseerd om de lokale gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige
                    wijzigingen daarin van toepassing te laten verklaren op de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad te gebeuren omdat de raad
                    bevoegd gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al><cursief>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie.</cursief> Omdat de raad bevoegd gezag is, is ook de uitvoering van
                    rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de griffie een zaak van de raad.
                    In de CAR-UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken over
                    het college als bevoegd gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de
                    griffie dient dus voor 'het college' te worden gelezen: de raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                    wordt uitgeoefend. Het zal niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met de
                    gehele uitvoering van de rechtspositie te belasten. Het uitvoeren van de CAR-UWO
                    en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van de griffier en de op de
                    griffie werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan het
                    college. Zoals gebruikelijk binnen de ambtelijke organisatie, zal het college op
                    zijn beurt een groot aantal bevoegdheden hebben gemandateerd aan zijn
                    ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en mandaatbesluit. De
                    bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie, aanstelling, schorsing en
                    ontslag leent zich in het kader van het dualisme minder goed voor
                    delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                    diensthoofden is gemandateerd. Voor wat betreft het griffiepersoneel is het
                    wenselijk dat deze door of namens de raad uitgevoerd worden, omdat deze in
                    verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan worden aan
                    beloningsbeslissingen, opdracht tot overwerk, verlofverlening, het verplichten
                    tot aanvaarding van een andere functie, het beoordelen, het verplichten tot het
                    volgen van een opleiding, het opleggen van een disciplinaire maatregel en het
                    vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In het delegatiebesluit dient
                    bepaald te worden welke bevoegdheden door of namens de raad uitgevoerd worden,
                    en dus niet gedelegeerd worden aan het college. Tevens dient bepaald te worden
                    wie namens de raad de van delegatie uitgezonderde personele bevoegdheden
                    uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier gemandateerd
                    worden. Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                    raadspresidium, een raadscommissie of de burgemeester zijn.</al><tussenkop>Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies (T)</tussenkop><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht worden
                    aan uitvoeringsregelingen van de UWO of daarmee vergelijkbare lokale regelingen.
                    Voorbeelden daarvan zijn een uitvoeringsregeling onbetaald verlof, de
                    bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><tussenkop>Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                    bijvoorbeeld een diskette, of door terbeschikkingstelling via een intern
                    netwerk. Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                    ondernemingsraad. Op grond van artikel 28 van de Wet op de ondernemingsraden
                    heeft deze immers tot taak toe te zien op de naleving van de
                    rechtspositieregeling.</al><tussenkop>Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor de
                    lokale (uitvoerings)regels.</al><tussenkop>Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen (T)</tussenkop><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is het
                    bevoegd bestuursorgaan het college. Dit geldt niet voor de griffier en de
                    griffiemedewerkers. Zij dienen hun belangen bij de gemeenteraad voor te
                    dragen.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Omvang van het dienstverband (T)</tussenkop><al>Bij het berekenen van de nieuwe omvang van een dienstverband of voor het
                    berekenen van verlof kunnen uren uitgerekend worden tot meerdere decimalen
                    achter de komma. Op grond van het bepaalde in artikel 1:5 moeten uren aan het
                    einde van de berekening worden afgerond tot op twee decimalen achter de komma.
                    Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen ontstaan die ongewenste
                    salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis kan het hierbij gaan om
                    tientallen euro’s. Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met
                    vier wordt afgerond naar beneden en vanaf vijf wordt afgerond naar boven.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Vrijstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om voor hogere functies van artikel 2:4 af te
                    wijken. Dit betekent onder andere dat de termijn van 24 maanden niet van
                    toepassing is. Ook geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het principe
                    dat de vierde aanstelling een vaste aanstelling is. Daarbij kan ook worden
                    bepaald dat voor de nader aan te wijzen hogere functies wordt afgeweken van de
                    salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen worden opgenomen
                    die inhouden dat degene die een functie bekleedt waarbij afwijkende afspraken
                    worden gemaakt, niet behoort tot de kring van rechthebbenden op de
                    bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d. Voordat een
                    dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te zijn bereikt
                    in het georganiseerd overleg over de criteria aan de hand waarvan de functies
                    worden aangewezen en over de functies zelf.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                    tijdelijke functionarissen de algemene vrijstelling worden toegepast, uiteraard
                    onder de procedurele voorwaarden die in het eerste lid zijn aangewezen. Deze
                    mogelijkheid maakt het aantrekken van interim-personeel in gemeentelijke dienst
                    gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van de limitatieve opsomming
                    van ontslaggronden in hoofdstuk 8 en van de bovenwettelijke
                    werkloosheidsvoorzieningen krachtens hoofdstuk 10d worden afgeweken. Uiteraard
                    dient elke afwijking van de CAR in ieder individueel geval bij de aanstelling te
                    worden vastgelegd, evenals de criteria op grond waarvan de te verrichten
                    prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder deze dient te worden
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag (T)</tussenkop><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                    college, worden benoemd door het college. De griffier en de griffiemedewerkers
                    worden benoemd door de gemeenteraad.</al><tussenkop>Artikel 2:1A Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Er bestaat een verplichting om de functie waarin de ambtenaar wordt geplaatst in
                    het bericht van aanstelling op te nemen (Wet van 2 december 1993, Stb. 1993,
                    635). Dit is geregeld in artikel 2:4:1 UWO. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In de CAO gemeenten 2011-2012 hebben LOGA-partijen de afspraak opgenomen dat
                    alle ambtenaren uiterlijk op 1 januari 2013 een aanstelling in algemene dienst
                    hebben. De functie van de medewerker verandert niet als gevolg van deze
                    omzetting.</al><tussenkop>Artikel 2:1B Aanstelling in algemene dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In elk concreet geval zal nauwkeurig moeten worden overwogen of een nieuwe
                    functie passend is. Het ‘horen’ van de ambtenaar moet niet als formaliteit
                    worden beschouwd. Uit de besluitvorming moet duidelijk blijken dat met de
                    argumenten van de ambtenaar rekening is gehouden. Het belang van de dienst moet
                    de reden zijn voor de aanwijzing van een andere betrekking. Het dienstbelang is
                    hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel van
                    het bevoegd gezag een dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met
                    objectieve maatstaven van een dienstbelang sprake is.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden is
                    een minder ingrijpende zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De
                    voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de opdracht daartoe te kunnen geven
                    zijn dan ook minder stringent. Het dienstbelang moet – in tegenstelling tot het
                    bepaalde in het eerste lid – al aanwezig worden geacht als dat naar het oordeel
                    van het bestuursorgaan het geval is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of
                    het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De ambtenaar moet met de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                    beginnen, ook als hij daartegen bezwaren heeft in verband met zijn
                    persoonlijkheid of omstandigheden. Het bezwaar schort de werking van het besluit
                    niet op.</al><tussenkop>Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
                    (T)</tussenkop><al>Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                    aangenomen dat zij voldoen aan de voor de functie te stellen bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen. Deze bepaling vormt als het ware de keerzijde van artikel
                    8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de bekwaamheids- en
                    geschiktheidseisen zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en
                    8:7, onderdeel a, kunnen toepassen.</al><al>Wanneer personeel van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten
                    werkzaamheden verrichten die een risico geven op besmetting met hepatitis B, dan
                    moet aan de werknemers, die dit risico lopen een inenting tegen hepatitis B
                    aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken personeel. In het geval
                    dat vaccinatie om principiële redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet leidt
                    tot de gewenste bescherming, moet de medewerker wel toestaan dat hij enkele
                    malen per jaar gecontroleerd wordt. Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich
                    te laten inenten. Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie
                    Iatrogene Hepatitis B.</al><tussenkop>Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar uitzondering.
                    Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk een aanstellingskeuring
                    op te leggen. Deze gevallen doen zich voor als er aan de vervulling van de
                    functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden
                    gesteld. Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op de medische keuringen, die
                    sinds 1 januari 1998 van kracht is en ook voor de overheid van toepassing
                    is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg met
                    de Arbo-dienst geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze functies in
                    een lijst worden opgenomen. Wanneer een regeling wordt opgesteld, waarin
                    criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan bepaald wordt of voor een functie en
                    aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de ondernemingsraad (OR) op grond van
                    artikel 27, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden
                    instemmingsrecht omtrent deze regeling. De lijst van functies die uit deze lijst
                    voortvloeit hoeft in dat geval niet aan de OR te worden voorgelegd. Wanneer er
                    voor gekozen wordt om niet eerst een regeling te ontwerpen, maar direct een
                    lijst op te stellen, heeft de OR instemmingsrecht wat betreft deze lijst. Het
                    verdient aanbeveling de lijst met functies waarvoor een aanstellingskeuring
                    geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures met betrekking tot
                    dergelijke functies al in het beginstadium aan te geven dat de keuring deel
                    uitmaakt van de sollicitatieprocedure.</al><al>Het ligt voor de hand dat de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de
                    geneeskundigen van de Arbo-dienst waarbij de gemeente is aangesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Duur van de aanstelling (T)</tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                    tijdelijke aanstelling. De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of
                    onbepaalde tijd plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot de situatie van voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve
                    opsomming van aanstellingsgronden meer. Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen
                    bij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd móet een aanstellingsgrond
                    genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer aanwezig zijn van de
                    aanstellingsgrond is de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd
                    ontslag verleend kan worden (zie ook artikel 8:12). Bij een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een aanstellingsgrond te
                    noemen. Het verstrijken van de termijn van aanstelling is de reden van
                    beëindiging van die aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke aanstellingen
                    bepaald, alsmede het maximum aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden
                    gegeven alvorens een tijdelijke aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een
                    vaste aanstelling. Hierbij is aangesloten bij de wijzigingen in het BW als
                    gevolg van het van kracht worden van de betreffende bepalingen in de Wet werk en
                    zekerheid per 1 juli 2015 (stb.2014, 216)</al><al>Met de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:4 per 1 juli 2015, waarin de
                    materiele normen van de Wet Werk en Zekerheid zijn verwerkt, is het oude lid 4
                    komen te vervallen waarin de ‘aanstelling bij wijze van proef’ was geregeld. De
                    reden daarvan is dat met de wijziging van artikel 2:4 de maximale
                    aanstellingsduur voor (opeenvolgende) aanstellingen voor bepaalde tijd is
                    vastgesteld op 24 maanden. Dit maximum gold tot 1 juli 2015 voor de ‘aanstelling
                    bij wijze van proef’, maar heeft sindsdien zijn betekenis verloren. Onder het
                    huidige artikel 2:4 kunnen nieuwe medewerkers nog steeds ‘op proef’ worden
                    aangesteld.</al><al>Een aanstelling voor bepaalde tijd kan de 24 maanden overschrijden voor een
                    eenmalig project waarvoor unieke werkzaamheden moeten worden verricht en
                    waarvoor van de gemeente redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat deze de
                    kennis in huis heeft.</al><al>Zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is geregeld, zijn de ketenbepalingen in
                    artikel 2:4 niet van toepassing op aanstellingen in verband met een
                    beroepsbegeleidende leerweg (BBL). Het met ingang van 1 juli 2015 geldende
                    vierde lid regelt de arbeidsrechtelijke gevolgen van opeenvolgende
                    dienstverbanden die een medewerker heeft met verschillende werkgevers (zoals
                    uitzendbureaus, payroll bedrijven of detacheringsbureaus), waarbij deze
                    medewerker binnen dezelfde organisatie feitelijk of in hoofdzaak dezelfde
                    werkzaamheden blijft verrichten, voor rekening komen van de (opvolgende)
                    werkgever bij overschrijding van de grenzen genoemd in het tweede of derde lid.
                    E.e.a. heeft – behoudens voorafgaande detachering in dezelfde functie - geen
                    betrekking op de situatie waarin een ambtenaar bij gemeente A uit dienst gaat om
                    vervolgens bij gemeente B in dienst te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstellingsbesluit moet bevatten. De Wet
                    van 2 december 1993 tot uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese
                    Gemeenschappen betreffende informatie van de werknemer over zijn
                    arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993, 635) stelt regels terzake.
                    In deze wet wordt bepaald dal de overheidswerkgever verplicht is de werknemer
                    een schriftelijke opgave te doen van:</al><lijst><li nr="-"><al>de identiteit van de werkgever;</al></li><li nr="-"><al>de naam en woonplaats van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de functie van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>de datum van indiensttreding;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de aanstelling of de arbeidsovereenkomst, indien deze voor
                            bepaalde duur wordt aangegaan;</al></li><li nr="-"><al>de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van deze
                            aanspraak;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de door de werkgever en de werknemer in acht te nemen
                            ontslag- respectievelijk opzegtermijnen;</al></li><li nr="-"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li><li nr="-"><al>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse arbeidsduur;</al></li><li nr="-"><al>het toepasselijk algemeen verbindend verklaarde voorschrift, houdende
                            regelen inzake de algemene arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al></li></lijst><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover. Het
                    derde lid verwijst naar een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald dat
                    wijziging van salaris of gemiddelde arbeidsduur kosteloos aan de werknemer wordt
                    medegedeeld.De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het
                    algemeen een aanstelling in algemene dienst niet in de weg. Gedetailleerde
                    functiebeschrijvingen vormen hiertoe overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                    aanstelling is indien de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is
                    aangegaan. Het vervallen van deze grond (dit is de reden van aanstelling) is
                    namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie ook
                    artikel 8:12). De reden dat de overige gronden in artikel 2:4:1, eerste lid,
                    onder c, in het aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat voor deze
                    categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de CAR niet van
                    toepassing zijn. Het aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen voor de
                    rechtspositie van deze medewerkers. Zie ook artikel 1:2:1.</al><tussenkop>Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                    tijdelijke dienst) regel is en het aangaan van een arbeidsovereenkomst
                    uitzondering. Daarom is het slechts mogelijk om een arbeidsovereenkomst naar
                    burgerlijk recht aan te gaan in het geval van oproepkrachten.</al><al>Op grond van Europese regelgeving (richtlijn 1999/70/EG) mag een werkgever geen
                    onderscheid maken in arbeidsvoorwaarden tussen de medewerker in tijdelijke
                    dienst en de medewerker in vaste dienst, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is
                    (legitimiteit, doelmatigheid en proportionaliteit). Voor de beoordeling bij de
                    vraag of er sprake is van gelijke behandeling is een vergelijkbare medewerker in
                    vaste dienst het ijkpunt. Met een vergelijkbare medewerker in vaste dienst wordt
                    de medewerker bedoeld die in dezelfde organisatie, hetzelfde of soortgelijk werk
                    verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening
                    wordt gehouden met kwalificaties en bekwaamheden.</al><al>Voor medewerkers bij de overheid met een aanstelling is dit geregeld in artikel
                    125h van de Ambtenarenwet. De Ambtenarenwet is echter niet van toepassing op
                    arbeidscontractanten. Daarom is in de CAR artikel 125h van de Ambtenarenwet van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op medewerkers met wie de gemeente een
                    tijdelijke arbeidsovereenkomst heeft gesloten.</al><tussenkop>Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst (T)</tussenkop><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met 2:4:2
                    van overeenkomstige toepassing zijn, is dat hierdoor de termijnen uit artikel
                    2:4 ook voor arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder meer dat het bij
                    de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is geweest van een
                    opeenvolging van slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan wel van een
                    combinatie daarvan.</al><tussenkop>Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten (T)</tussenkop><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                    minimum salarisgarantie per maand. Het aantal te werken uren wordt per kwartaal
                    bepaald, zodat eventueel te veel gewerkte uren in één maand ertoe kunnen leiden
                    dat in de volgende maand (binnen datzelfde kwartaal) minder dan 15 uur hoeft te
                    worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur is gewerkt als over de
                    dan minder dan 15 uur is gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald.
                    Slechts wanneer over een kwartaal meer dan 15 uur per maand gemiddeld is
                    gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de LOGA-brief van 6 mei 1994,
                    kenmerk ARZ/403483.</al><tussenkop>Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                    werkgever en de oproepkracht moet bevatten. In de overeenkomst kan naar dit
                    artikel worden verwezen. Het gaat hier - naast de tweezijdigheid - om de andere
                    essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer maken tot een
                    arbeidsovereenkomst. Beide partijen nemen verplichtingen op zich en verkrijgen
                    rechten ten opzichte van elkaar. In onderdeel f is aangegeven dat ingeval de
                    oproepkracht herhaalde malen weigert aan een oproep door de werkgever gehoor te
                    geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot ontslag op grond
                    van artikel 8:13 (disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat het
                    aantal malen dat de oproepkracht gedurende een bepaald tijdvak een oproep kan
                    weigeren in de overeenkomst is vastgelegd. Wederzijds is dus geen sprake van
                    vrijblijvendheid.</al><tussenkop>Artikel 2:5:4 Betaling bij ziekte van de oproepkracht (T)</tussenkop><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur per
                    maand. Voor die uren bestaat er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als
                    de oproepcontractant ziek is. Aangezien hoofdstuk 7 per definitie van toepassing
                    is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft deze
                    loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte niet meer expliciet te worden
                    opgenomen. De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het
                    inkomen dat de oproepkracht gedurende het laatste kwartaal genoot.</al><tussenkop>Artikel 2:6 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4
                    (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing indien een volgende
                    aanstelling wordt aangegaan binnen een periode van ten hoogste zes maanden na
                    het einde van de laatste aanstelling.</al><tussenkop>Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al> De Wet flexibel werken (Stb. 2015, 245 en latere wijzigingen in Stb. 2015, 376
                    en Stb. 2015, 274) is de opvolger van de Wet aanpassing arbeidsduur. De wet is
                    direct van toepassing op medewerkers (ambtenaren en arbeidscontractanten) van de
                    gemeente. Als de ambtenaar een verzoek indient zal dit verzoek moeten worden
                    afgehandeld met inachtneming van de (procedurele) bepalingen uit de Wet flexibel
                    werken.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als een medewerker verzoekt om aanpassing van de arbeidsduur of werktijden moet
                    de werkgever dit verzoek honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. De Wet flexibel werken geeft
                    voorbeelden van situaties die – afhankelijk van het soort verzoek – vallen onder
                    de noemer zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als een ambtenaar een verzoek doet tot aanpassing van de werkplaats
                    (thuiswerken/plaats onafhankelijk werken), moet dit verzoek worden overwogen
                    door het college. Voor het afwijzen van het verzoek tot wijziging van de
                    arbeidsplaats is niet vereist dat er sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In de Wet flexibel werken is opgenomen dat de wet niet van toepassing is ten
                    aanzien van de aanpassing van de arbeidsduur van de ambtenaar die de
                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een medewerker die de AOW-gerechtigde
                    leeftijd heeft bereikt, heeft daarom op grond van de Wet flexibel werken geen
                    recht op vermindering of uitbreiding van zijn uren, maar hij kan op grond van
                    deze wet wel een verzoek doen tot aanpassing van de arbeidsplaats of (spreiding
                    van de) werktijden.</al><tussenkop>Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen
                    periode de formele arbeidsduur per week van een ambtenaar van 36 naar maximaal
                    40 uur uitbreiden. Instemming van de ambtenaar is hierbij vereist. De periode
                    waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                    verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                    structureel op maximaal 1836 uur per jaar en gemiddeld 36 uur per week blijft
                    liggen. Hierop wordt voor de betreffende medewerker in het jaar waarin de
                    uitbreiding zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat om een tijdelijke
                    uitbreiding van gemiddeld maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde
                    periode weer van rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12, tweede lid). De regeling
                    betekent niet dat de aanstelling zelf verandert. Als de omvang van de
                    aanstelling na de bepaalde periode teruggaat naar 36 uur behoudt de betrokkene
                    derhalve een volledig dienstverband en wordt hij geen deeltijder.</al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toelagen, premies
                    inkomensafhankelijke bijdragen en vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht
                    loonbelasting, pensioenopbouw, minimum vakantietoelage, bodembedrag van de
                    eindejaarsuitkering en vakantieaanspraken evenredig worden aangepast gedurende
                    de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onderdeel 8: Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur
                    kunnen niet gelijktijdig via het cafetariamodel vakantie-uren worden
                    gekocht.</al><tussenkop>Preambule</tussenkop><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2013-2015 hebben partijen in het LOGA afspraken
                    gemaakt over een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk, dat in werking is getreden
                    op 1 januari 2016. De belangrijkste veranderingen waartoe het LOGA heeft
                    besloten zijn: Het integreren van de lokale bezoldigingsverordening in hoofdstuk
                    3 van de CAR; Het niet langer hanteren van het begrip bezoldiging; en Het laten
                    vervallen van gedetailleerde aanwijzingen voor de uitvoering. In het nieuwe
                    begrip ‘salaristoelagen’ worden de toelagen opgesomd, die samen met het salaris
                    tot 1 januari 2016 de oude ‘bezoldiging’ vormden. Met de introductie van
                    ‘salaristoelagen’, kon afscheid worden genomen van het begrip ‘bezoldiging’,
                    zonder dat de daaraan verbonden rechten en verplichtingen teniet zijn gegaan. De
                    begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt, zijn in artikel 1:1 nader
                    omschreven.</al><al>Het vernieuwde beloningshoofdstuk is met ingang van 1 januari 2016 ook van
                    toepassing op brandweerpersoneel in dienst van een veiligheidsregio. In overleg
                    met het Landelijk Overleg Brandweerspecifieke Arbeidsvoorwaarden (LOBA) heeft
                    het LOGA aanvullende afspraken gemaakt voor toepassing van hoofdstuk 3 voor
                    brandweerpersoneel. Deze aanvullende afspraken zijn vastgelegd in hoofdstuk 20
                    van de car-uwo.</al><al>Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter, hetgeen betekent dat afwijkingen ten
                    nadele of ten gunste van de ambtenaar niet zijn toegestaan. Hoofdstuk 3 bevat
                    een limitatieve opsomming van beloningselementen. Alleen ten aanzien van die
                    onderdelen waarbij in de tekst van dit hoofdstuk is bepaald dat het college iets
                    ‘kan’, heeft het college regelruimte. Daarbij gaat het zowel om de zogenaamde
                    ‘kan-bepalingen’, als de lokale invulling van een op centraal niveau afgesproken
                    ‘bandbreedte’. Bij de kan-bepalingen (artikelen 3:14, 3:15, 3:20 en 3:22) heeft
                    het college de vrijheid om de betreffende arbeidsvoorwaarde al dan niet toe te
                    passen (de ambtenaar kan er dus niet zondermeer rechten aan ontlenen) en áls dat
                    het geval is, op welke wijze dat gebeurt. Daarnaast bevat dit hoofdstuk
                    ‘bandbreedte-bepalingen’, waar de ambtenaar wél rechten aan kan ontlenen. Ten
                    aanzien van de bandbreedte-bepalingen hebben LOGA-partijen een bandbreedte
                    afgesproken, die op lokaal niveau nader kan worden ingevuld. Zo is bijvoorbeeld
                    in artikel 3:8 met betrekking tot de functioneringstoelage geregeld dat deze
                    maximaal 10% van het salaris bedraagt en voor een periode van maximaal een jaar
                    wordt toegekend. Deze twee indicatoren voor de omvang van de
                    functioneringstoelage, bepalen de ‘bandbreedte’ die in het lokale
                    beloningsbeleid nader kunnen worden ingevuld.</al><al>De keuze voor het toepassen van ‘kan bepalingen’ en de nadere invulling van de
                    ‘bandbreedte bepalingen’, vormen samen met de bestaande beleidsregels met
                    betrekking tot de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk, het
                    beloningsbeleid van de gemeente(lijke organisatie). Afspraken over het
                    beloningsbeleid worden op werkgeversniveau gemaakt. Deze afspraken behoeven de
                    instemming van het lokale Georganiseerd Overleg (GO).</al><al>Uitgangspunt van het beloningsbeleid is dat alle gemeenten een
                    functiewaarderingssysteem hebben, aan de hand waarvan de functies worden
                    beschreven. Gemeenten zijn vrij in de keuze van een functiewaarderingssysteem.
                    In die organisaties waarin naast of in plaats van ‘functies’ wordt gesproken
                    over ‘rollen’, worden die rollen overeenkomstig een functiewaarderingssysteem
                    beschreven.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is de oude salarisregeling die gold tot 1 april
                    1996 komen te vervallen. Ambtenaren op wie deze regeling nog van toepassing was,
                    zijn uiterlijk per 1 januari 2016 ingepast in de nieuwe structuur.</al><tussenkop>Artikel 3:2 Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                    uitkeringen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In situaties waarin onduidelijk is of de ambtenaar wel verantwoordelijk kan
                    worden gehouden voor zijn nalatigheid, bijvoorbeeld vanwege zijn fysieke of
                    psychische gesteldheid, zal nader onderzoek plaats moeten vinden. De artikelen
                    7:13:1 en 7:13:2 vormen een nadere uitwerking van lid 1 in gevallen van
                    arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De uitbetaling per maand geldt ongeacht de lengte van de maand.</al><tussenkop>Artikel 3:3 Vaststelling salaris (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het salaris van de ambtenaar wordt vastgesteld aan de hand van de waardering
                    van de functie op een van de periodieken van de functieschaal. De wijze waarop
                    het salaris wordt vastgesteld kan in het beloningsbeleid nader worden
                    uitgewerkt. Het is mogelijk om functies op verschillend niveau in te vullen;
                    bijvoorbeeld op junior-, medior- of senior-niveau. In dat geval gaat het om drie
                    te onderscheiden functies met ieder een eigen functieschaal. Uitgangspunt is dat
                    de functieschaal van begin tot eind wordt doorlopen. Uit dit artikel vloeit
                    echter niet voort dat de ambtenaar bij aanvang in de functie noodzakelijkerwijs
                    op het minimum van de salarisschaal dient te worden ingeschaald. Het college kan
                    hiervan afwijken, bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige
                    functie een hoger salaris genoot of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze lagere schaal, die lokaal ook wel wordt aangeduid als ‘aanloopschaal’, is
                    bedoeld voor de ambtenaren die nog niet voldoende zijn gekwalificeerd voor de
                    functie waarin zij zijn geplaatst. De periode die de ambtenaar in deze
                    aanloopschaal doorbrengt, wordt gebruikt om alsnog te voldoen aan de voor de
                    functie gelden eisen op het gebied van opleiding, ervaring en bekwaamheid, zodat
                    de functie volledig en zelfstandig kan worden vervuld. Zodra dit het geval is
                    dient de ambtenaar te worden ingedeeld in de voor de functie geldende
                    functieschaal.</al><tussenkop>Artikel 3:4 Salarisverhoging (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid om – in afwijking van lid 1 – het toekennen
                    van een periodiek afhankelijk te stellen van een periodieke beoordeling van het
                    functioneren van de ambtenaar. De invoering en het gebruik van een systeem van
                    periodieke functionerings- en beoordelingsgesprekken vereist de instemming van
                    de OR.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid om een extra periodiek toe te kennen. De
                    toekenning van deze periodiek heeft, net als de reguliere periodiek, een
                    blijvend karakter in tegenstelling tot de flexibele beloningen op grond van
                    artikel 3:8 en 3:20.</al><tussenkop>Artikel 3:5 Verlaging salarisschaal (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit deze bepaling vloeit voort dat een herwaardering van de functie, die leidt
                    tot een lagere functieschaal, geen gevolgen heeft voor het salaris van degene
                    die op het moment van herwaardering de functie vervult.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Instemming met herplaatsing in lager gewaardeerde functie met een bijbehorend
                    lager salaris, bij de eigen werkgever of een andere werkgever in de
                    gemeentelijke sector, heeft voor ambtenaren die binnen 10 jaar de
                    aow-gerechtigde leeftijd bereiken, bij een gelijkblijvende aanstellingsomvang,
                    geen gevolgen voor de pensioenopbouw. Een en ander is geregeld in artikel 3:5
                    van het Pensioenreglement.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit lid ziet op de situatie waarin een ambtenaar als gevolg van reorganisatie
                    boventallig is geworden. Afwijking van het in lid 1 geformuleerde uitgangspunt
                    is mogelijk in de gevallen waarin het sociaalplan of –statuut voorziet in de
                    mogelijkheid om een ambtenaar te herplaatsen in een functie met een lager
                    maximumsalaris en een evenredige aanpassing van zijn salaris.</al><tussenkop>Artikel 3:6 Inpassing in hogere schaal (T)</tussenkop><al>Onder promotie wordt zowel de bevordering naar een hoger gewaardeerde functie,
                    als de overstap van de aanloopschaal (zoals geregeld in artikel 3:3 lid 2) naar
                    de functieschaal verstaan. Een nadere uitwerking van deze bepaling kan op
                    werkgeversniveau worden geregeld, waarbij het geldende beloningsbeleid als
                    uitgangspunt dient.</al><tussenkop>Artikel 3:7 Uitloopschaal (T)</tussenkop><al>Uitloopschalen zijn uitsluitend toegestaan op basis van een ‘oude’ lokale
                    regeling (in werking voor 1 januari 2016) en conform deze regeling. Indien de
                    doorgroei in een uitloopschaal lokaal blijvend is geregeld, staat deze ook open
                    voor ambtenaren die op of na 1 januari 2016 in dienst zijn gekomen.</al><tussenkop>Artikel 3:8 Functioneringstoelage (T) </tussenkop><al><vet></vet></al><al>Dit artikel regelt de toelage als beloning voor meerdere jaren uitstekend
                    functioneren en/of het leveren van bijzondere prestaties. Noodzakelijke
                    voorwaarde voor de toelage is dat de ambtenaar het maximum van zijn
                    functieschaal heeft bereikt. Zolang dat nog niet het geval is, kan het
                    functioneren worden beloond met extra periodieken, zoals geregeld in artikel 3:4
                    lid 3, en/of een toelage op grond van artikel 3:20. Deze toelage heeft altijd
                    een tijdelijk karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het maximumsalaris
                    en de wijze waarop de functie wordt uitgeoefend. Komt deze koppeling te
                    vervallen (bijvoorbeeld in het geval waarin de functie als gevolg van
                    herwaardering hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de
                    functioneringstoelage.</al><al>De functioneringstoelage moet worden gezien in samenhang met artikel 3:20
                    beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties). Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor variabel beloningsbeleid, waarbij het altijd gaat om
                    tijdelijke toelagen voor de beloning van bijzondere prestaties, uitstekend
                    functioneren en/of flexibele (projectmatige) inzet van medewerkers. Dit in
                    tegenstelling tot het toekennen van extra periodieken (artikel 3:4 lid 3) die
                    structureel van karakter zijn en tot gevolg hebben dat de medewerker sneller het
                    maximum van de salarisschaal bereikt.</al><al>Door het tijdelijke karakter van de toelagen wordt voorkomen dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. Zolang de grond waarop de
                    toelage in eerste instantie is toegekend blijft voortbestaan, kan deze meerdere
                    keren opeenvolgend worden toegekend. Om te kunnen beoordelen of de grond waarop
                    de toelage is toegekend nog steeds bestaat, moet deze in het toekenningsbesluit
                    expliciet worden vermeld.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De toelage bedraagt maximaal 10% van het salaris van de ambtenaar en kan per
                    maand of in een veelvoud daarvan worden toegekend (bijvoorbeeld per kwartaal of
                    op jaarbasis).</al><tussenkop>Artikel 3:9 Arbeidsmarkttoelage (T)</tussenkop><al>De arbeidsmarkttoelage is een beloningsinstrument dat tijdelijk kan worden
                    gebruikt om ambtenaren te werven of te behouden in tijden van schaarste op de
                    arbeidsmarkt, doordat in een bepaald functiegebied weinig aanbod is of doordat
                    in de er een zeer grote vraag aan arbeidskrachten in de regio is. Om gewenning
                    aan het door de arbeidsmarkttoelage verhoogde salaris te voorkomen, kan het
                    college besluiten om deze toelage in plaats van maandelijks, één maal per jaar
                    uit te keren. Zolang de knelpunten op de arbeidsmarkt voortduren, kan de
                    arbeidsmarkttoelage aansluiten worden toegekend voor een nieuwe periode van
                    maximaal 3 jaar.</al><tussenkop>Artikel 3:10 Waarnemingstoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar heeft geen recht op een waarnemingstoelage als het waarnemen van
                    de hogere functie een integraal onderdeel is van zijn functie, waarmee rekening
                    is gehouden bij de beschrijving en waardering van die functie. Voorbeeld van een
                    dergelijke situatie is de adjunct directeur die de directeur vervangt tijdens
                    vakantie en kortdurende afwezigheid.</al><al><vet>Lid 2 + 3</vet></al><al>Met deze bepaling wordt beoogd dat de waarnemer – voor het deel van de functie
                    dat wordt waargenomen – op het zelfde niveau wordt beloond als het geval zou
                    zijn geweest indien hij/zij bij bevordering in de waar te nemen functie zou zijn
                    aangesteld. Voor een juiste vaststelling van de toelage moet de betrokken
                    ambtenaar volgens de bij de werkgever geldende regels – fictief – worden
                    ingeschaald in de functieschaal van de functie die wordt waargenomen. Het
                    verschil tussen dat bedrag en het salaris van de ambtenaar wordt als
                    waarnemingstoelage uitgekeerd. In het beloningsbeleid kan de toepassing van deze
                    bepaling nader worden uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 3:11 Toelage onregelmatige dienst (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de ambtenaar op wie de bijzondere
                    regeling voor de werktijden van toepassing is (artikel 4:3 t/m 4:7). Voor deze
                    ambtenaar geldt als hoofdregel dat er een aanspraak op de toelage onregelmatige
                    dienst bestaat over uren gewerkt tijdens onregelmatige werktijden. Onregelmatig
                    zijn werktijden die vallen op zaterdag, zondag en feestdagen(gehele etmaal) én
                    op maandag t/m vrijdag buiten de periode van 8.00 uur tot 18.00 uur.</al><al>De toelage onregelmatige dienst kan zowel achteraf (op basis van het
                    gerealiseerde rooster), als vooraf (op basis van het geplande rooster) worden
                    toegekend.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ingeroosterde uren waarover TOD wordt uitbetaald behoren tot de feitelijke
                    arbeidsduur zoals omschreven in artikel 1:1 en vallen op die grond buiten de
                    definitie van ‘overwerk’.</al><tussenkop>Artikel 3:12 Buitendagvenstertoelage (T)</tussenkop><al>Er zijn twee situaties waarin een ambtenaar recht kan hebben op de
                    buitendagvenstertoelage:</al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die een dienstopdracht krijgt om buiten het dagvenster werkzaamheden te
                            verrichten (artikel 4:2 lid 8) heeft recht op een
                            buitendagvenstertoelage.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden en
                            die door de werkgever wordt aangewezen om beschikbaarheidsdiensten te
                            verrichten ontvangt hiervoor een vergoeding op grond van artikel 3:13.
                            Wordt de ambtenaar tijdens deze beschikbaarheidsdienst opgeroepen om
                            daadwerkelijk werkzaamheden te verrichten gedurende zijn
                            beschikbaarheidsdienst dan ontvangt hij een buitendagvenstertoelage over
                            de uren die hij heeft gewerkt buiten het dagvenster.</al></li></lijst><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                    uurloon. Daarnaast worden de buiten het dagvenster gewerkte uren in tijd
                    gecompenseerd. De ambtenaar maakt hierover afspraken met zijn leidinggevende. De
                    uren die buiten het dagvenster gewerkt worden kunnen niet omgezet worden in
                    vakantieverlof.</al><tussenkop>Artikel 3:13 Toelage beschikbaarheidsdienst (T) </tussenkop><al>Met deze toelage wordt het zich beschikbaar houden voor werk buiten de voor de
                    ambtenaar geldende werktijden beloond. Van beschikbaarheidsdienst die recht
                    geeft op een toelage is sprake als het gaat om:</al><lijst><li nr="-"><al>afgebakende periodes, </al></li><li nr="-"><al> buiten de normale, voor de ambtenaar geldende werktijden, </al></li><li nr="-"><al>waarin de medewerker beschikbaar is om onvoorzien, op afroep
                            werkzaamheden te verrichten.</al></li></lijst><al>Afgebakende periodes: Sommige functies brengen met zich mee dat men er altijd
                    rekening mee moet houden dat men voor werk wordt opgeroepen maar dat men zelden
                    of nooit daadwerkelijk wordt opgeroepen. Denk hierbij aan de ICT-medewerker die
                    ’s nachts gebeld kan worden om het systeem te herstarten, of een
                    beleidsmedewerker die onverwachte vragen van de raad moet beantwoorden. Hierbij
                    gaat het om incidenten die bij het werk horen. De beschikbaarheidsdienst is voor
                    onvoorziene maar niet-incidentele werkzaamheden. Daarom kent de Arbeidstijdenwet
                    ook regels voor de beschikbaarheidsdienst. Deze kan op grond van artikel 5:9 van
                    de Arbeidstijdenwet alleen in beperkte omvang en gedurende afgebakende periodes
                    worden opgelegd.</al><al>Buiten de normale voor de ambtenaar geldende werktijden: In sommige functies is
                    de medewerker tijdens de vastgestelde werktijd bereikbaar voor onvoorziene
                    omstandigheden. In dat geval is er geen sprake van beschikbaarheidsdienst in de
                    zin van dit artikel.</al><al>Beschikbaar zijn: Een medewerker die beschikbaarheidsdienst heeft, is verplicht
                    om gehoor te geven aan een oproep om werkzaamheden te verrichten. Het is niet
                    noodzakelijk dat deze werkzaamheden op de werkplek worden verricht; in
                    voorkomende gevallen kunnen de werkzaamheden ook vanuit huis worden
                    verricht.</al><al>Ten aanzien van de vergoeding van de uren gedurende welke de ambtenaar tijdens
                    deze beschikbaarheidsdienst – na een oproep daartoe – werkzaamheden heeft
                    verricht, geldt het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de werktijden,
                            ontvangt over de tijdens deze dienst gewerkte uren die buiten het
                            dagvenster vallen, een buitendagvenstertoelage op grond van artikel
                            3:12. </al></li><li nr="-"><al>De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor de werktijden
                            heeft over alle tijdens deze dienst gewerkte uren recht op een
                            overwerkvergoeding op grond van artikel 3:18.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:15 Garantietoelage (T)</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor toelagen die door het college worden
                    toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de
                    functie van een ambtenaar als gevolg van herwaardering in een lagere
                    salarisschaal wordt ingedeeld. Deze bepaling is niet van toepassing op
                    salaristoelagen waarvan de toekenningsperiode is verstreken. De toelage
                    overgangsrecht hoofdstuk 3, is geen garantietoelage in de zin van deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Artikel 3:16 Afbouwtoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De afbouwregeling heeft uitsluitend betrekking op de hier genoemde toelagen en
                    niet op de andere in dit hoofdstuk genoemde uitkeringen, vergoedingen of vormen
                    van variabele beloning.</al><tussenkop>Artikel 3:17 Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Tot de genoemde taken worden ook de deelname aan opleiding en oefeningen
                    gerekend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het betreft hier een standaardvergoeding, die bij stapeling van taken niet
                    cumuleert.</al><tussenkop>Artikel 3:18 Overwerkvergoeding (T)</tussenkop><al>Het recht op een overwerkvergoeding geldt alleen voor de ambtenaar voor wie de
                    bijzondere regeling voor de werktijden geldt. De bijzondere regeling voor de
                    werktijden staat in de artikelen 4:3 tot en met 4:7.</al><al>Van overwerk kan ook sprake zijn tijdens de gebruikelijke kantooruren.
                    Voorbeeld: een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar
                    op een woensdag van 11:00 tot 16:00 uur moet overwerken, krijgt voor de op die
                    woensdag gewerkte overuren een overwerkvergoeding van 25%.</al><tussenkop>Artikel 3:18a Eindejaarsuitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf januari van dat
                    jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet een geheel
                    kalenderjaar in dienst zijn, wordt een eindejaarsuitkering betaald over dat
                    gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn
                    geweest.</al><tussenkop>Artikel 3:19 Ambtsjubileum (T) </tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum wordt uitgegaan van de al
                    dan niet aansluitende tijd – in voltijd en/of deeltijd – doorgebracht in een
                    dienstverband bij een (destijds) bij het ABP aangesloten werkgever. Het is niet
                    noodzakelijk dat de betrokken ambtenaar destijds ook zelf ABP-deelnemer is
                    geweest. De tijd doorgebracht als vrijwilliger bij de brandweer telt niet mee,
                    evenals onbetaalde baantjes, werkervaringsovereenkomsten of stages.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtsjubileumgratificatie wordt berekend op basis van het geldende salaris,
                    de salaristoelagen en de vakantietoelage naar rato over de maand waarin het
                    jubileum valt. Een ambtsjubileumgratificatie kan niet in alle gevallen onbelast
                    worden uitgekeerd; aanbevolen wordt om dit bij de Belastingdienst na te
                    gaan.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                    reorganisatieontslag, of bij ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid voor 80%
                    of meer. Alleen bij reorganisatie is gedeeltelijk ontslag mogelijk en kan het
                    dus voorkomen dat een proportionele ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet
                    worden naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is verleend. Artikel 3:20
                    Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties Het college kan aan
                    een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig een geldbedrag toekennen voor
                    uitstekend functioneren en/of geleverde bijzondere prestaties. </al><tussenkop>Artikel 3:20 Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere prestaties
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 3:20 is een ‘kan-bepaling’, op basis waarvan lokaal een regeling kan
                    worden opgesteld. LOGA-partijen hebben hiermee een mogelijkheid gemaakt om
                    lokaal beleid voor bijzondere prestaties of gratificaties onder te kunnen
                    brengen in hoofdstuk 3. Ambtenaren kunnen aan artikel 3:20 zelf geen rechten
                    ontlenen; dat kan alleen als een lokale regeling de mogelijkheid daartoe bevat.
                    Aan een lokale gratificatieregeling kunnen medewerkers geen aanspraak ontlenen
                    van structurele aard. Het moet echt gaan om eenmalige en bijzondere
                    gebeurtenissen.</al><al>Dit artikel moet worden gezien in samenhang met artikel 3:8. Samen vormen deze
                    artikelen de basis voor een variabel beloningsbeleid, waarmee het college
                    bijzondere prestaties, uitstekend functioneren en/of flexibele (projectmatige)
                    inzet van medewerkers extra kan belonen. Dit in tegenstelling tot het toekennen
                    van extra periodieken (art. 3:4 lid 3) die structureel van karakter zijn, en tot
                    gevolg hebben dat de ambtenaar sneller het maximum van de salarisschaal bereikt.
                    Het tijdelijke karakter van de beloningselementen voorkomt dat ze een blijvend
                    beslag op de loonsom leggen, en dat de prikkel die er vanuit gaat na verloop van
                    tijd minder wordt, of zelfs helemaal verdwijnt. In de artikelen 3:8 en 3:20 gaat
                    het dan ook nadrukkelijk om het toekennen van tijdelijke en incidentele
                    beloningselementen, die overigens wel meerdere keren opeenvolgend kunnen worden
                    toegekend. Desgewenst kan het college besluiten om het geldbedrag in meerdere
                    termijnen uit te keren.</al><tussenkop>Artikel 3:21 Reis- en verblijfkostenvergoeding (T)</tussenkop><al>Het college stelt de regeling vast op grond waarvan deze kosten worden vergoed.
                    Met inachtneming van de aangegeven begrenzing van de vergoeding OV (2e klasse),
                    kan voor vergoeding van de overige kosten desgewenst de ‘Reisregeling
                    binnenland’(BZK) worden toegepast.</al><tussenkop>Artikel 3:24 Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
                    door de dienst (T)</tussenkop><al>Nabestaanden van de ambtenaar die als gevolg van een ongeval in en door de
                    dienst overlijden, krijgen deze overlijdensuitkering naast de
                    overlijdensuitkering van artikel 3:23.</al><al>De hoogte van de uitkering is één jaarsalaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelagen en de vakantietoelage, waarbij de 12 kalendermaanden direct
                    voorafgaand aan de maand van overlijden als referteperiode dient.</al><al>Ziekte van de ambtenaar in die referteperiode, waarbij zijn salaris is gekort
                    o.g.v.artikel 7:3 CAR, heeft geen invloed op de hoogte van de
                    overlijdensuitkering. Op jaarbasis wordt gerekend met het volledige salaris. Ook
                    bij toepassing van lid 3 gelden de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand
                    van overlijden als referteperiode.</al><tussenkop>Artikel 3:26 Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van dit artikel zijn er twee mogelijke tegemoetkomingen in de
                    ziektekosten, namelijk € 168 per jaar of € 296 per jaar. De maand december is de
                    peildatum voor de beoordeling of de ambtenaar de lage of de hoge tegemoetkoming
                    in de ziektekosten ontvangt. In de maand december wordt het salaris van de
                    ambtenaar in die maand vergeleken met het in december geldende bedrag van het
                    maximum van schaal 6. Is het salaris van de ambtenaar in december meer dan het
                    maximum van schaal 6, dan ontvangt hij de lage tegemoetkoming. Is het salaris
                    van de ambtenaar in december gelijk aan of minder dan het maximum van schaal 6,
                    dan ontvangt hij de hoge tegemoetkoming.</al><tussenkop>Overgangsrecht hoofdstuk 3 (T)</tussenkop><tussenkop><cursief><onderstreept>1a Bestaande garantietoelage en
                            afbouwtoelagen</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de benaming – die
                    naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van het vaste inkomen van de
                    betreffende ambtenaar en van oorsprong bedoeld zijn om een terugval in salaris
                    of emolumenten en toelagen – niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen,
                    niet vervallen bij invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met
                    andere woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden meegenomen in
                    de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals geregeld in dit
                    overgangsrecht.</al><al>Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per 1 januari
                    2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel 3:15. ‘Onder de
                    voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan dat de afspraken die golden
                    bij toekenning (indexatie, duur, afbouw) ook na 1 januari 2016 van toepassing
                    blijven.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
                            overeengekomen einddatum</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een rechtsgrond
                    omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage met een hogere grondslag
                    en die niet te kwalificeren is als de garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld,
                    maar die zich ook niet leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens
                    worden voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat de
                    toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk is en dat de
                    einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke toelage wordt betaald
                    schriftelijk is vastgelegd in een besluit.</al><al>Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals sommige
                    gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap in de carrière wordt
                    aan een medewerker die kan doorgroeien naar een managementfunctie een toelage
                    gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de
                    TOR zou er toe leiden dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in
                    een TOR wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk vastgelegde
                    einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot de vastgelegde
                    einddatum.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>3.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren in hoofdstuk
                    3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>4.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de <onderstreept>grondslag van de
                        vakantietoelage</onderstreept> meer beloningselementen (inclusief
                    emolumenten) omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij
                    het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het daarbij
                    gaat om beloningselementen, die met de introductie van hoofdstuk 3 komen te
                    vervallen of die worden verlaagd, dienen de betreffende bedragen bij wijze van
                    nadeelcompensatie vóór opname in de TOR met 8% te worden verhoogd.</al><al>In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die recht doet aan
                    het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen bezuinigingsmaatregel is.
                    Medewerkers worden gecompenseerd voor een eventuele teruggang in beloning.
                    Behoudens de garantie bedoeld in artikel 1 van het overgangsrecht en de
                    tijdelijke toelagen met een schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom
                    afgesproken om medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                    compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                    aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het dienstverband
                    ongewijzigd bestaan. </al><al>De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee verschillende soorten
                    toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk twee stappen die men in de tijd
                    achter elkaar zet om te bepalen wat de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is
                    een vast beloningselement dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld
                    een extra eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen, omdat
                    deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen ontvangt elke toelage of
                    toeslag of vergoeding die in de lokale bezoldigingsverordening is opgenomen. En
                    niet iedereen werkt in eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen
                    bepalen is afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is
                    dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is duidelijk wat aan
                    onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten en overwerk is
                    gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014 geldende (lokale) regels.</al><al>De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de toeslagen van het
                    nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het eindbedrag vergeleken met het bedrag
                    dat aan toeslagen is betaald in 2014. Is er een negatief verschil, dan wordt
                    daarmee de TOR 2 gevuld.</al><al>Geen roosters </al><al>Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan reproduceren heeft de
                    berekening aan de hand van een refertejaar geen zin. Daarom is in het LOGA
                    afgesproken dat ook een andere rekenwijze kan worden toegepast die wordt
                    gebaseerd op het werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat
                    de roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk 3. Op
                    basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit rooster berekend
                    met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016. Het verschil bepaalt de
                    hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om ingeroosterd werk, hetzij beloond met de
                    ORT hetzij met een overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om
                    ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al>Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig zijn om het
                    overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de nieuwe werktijdregeling wordt
                    geïmplementeerd, de oude percentages van de oude regeling kunnen worden
                    toegepast voor medewerkers die in dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe
                    medewerkers gelden de percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele
                    kleine groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                    alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                    overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door opname van het
                    oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar 2014), een TOR 2 ontstaat
                    die niet nodig is. 5. Als 2014 geen representatief jaar is door langdurige
                    ziekte (langer dan 2 maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk
                    of andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                    refertetijdvak vastgesteld. </al><al>Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te komen als de
                    bovengenoemde berekening tot een niet representatief beeld leidt. Als
                    medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel hebben overgewerkt, dan wordt de
                    TOR in verhouding te hoog. Een uitzondering die alleen in een bepaalde periode
                    gold, wordt dan met andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het
                    overgangsrecht. </al><al>De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden geïnterpreteerd
                    dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een geschikte berekeningswijze
                    vast te stellen mits die recht doet aan het uitgangspunt dat medewerkers er door
                    invoering van hoofdstuk 3 niet op achteruitgaan</al><al>Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de medewerker
                    en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat laatste is het geval als het
                    om patronen gaat en een groep van medewerkers in gelijke omstandigheden is
                    betrokken. Datzelfde geldt als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde
                    werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te reproduceren. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>5.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een positief
                    verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat bijvoorbeeld de toeslagen
                    ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn dan de vigerende lokale toeslagen- tot
                    een negatief verschil van € 200 dan is de TOR: Euro 300 + (- Euro 200) = Euro
                    100-. </al><al>De TOR is een nominaal bedrag. De TOR telt mee in de pensioengrondslag maar is
                    geen salaristoelage en geen grondslag voor eindejaarsuitkering, vakantietoelage
                    of levensloopbijdrage.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>6.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen van de
                    medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt, bijvoorbeeld door
                    promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT. De inkomensstijging wordt niet
                    verrekend met de TOR van de medewerker. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>7.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december wordt
                    uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is, bijvoorbeeld
                    omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse uitbetaling, of een
                    uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is (zie hieronder punt 13)
                    afgesproken dat lokaal andere afspraken kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft
                    niet bepaald met wie deze afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat
                    als het om groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                    enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook individueel worden
                    gemaakt.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>8.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij deeltijd wordt
                    het bedrag naar rato verlaagd.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>10.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar rato. De TOR
                    daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>11.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe naar rato,
                    behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan geldt de TOR niet wordt
                    verhoogd. </al><tussenkop><onderstreept><cursief>12.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Zie punt 8.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>13.</cursief></onderstreept></tussenkop><al>De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het betreft de
                    afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december 2020 recht hebben op een
                    ambtsjubileumgratificatie op grond van de oude regeling van de gemeente, deze
                    ambtsjubileumgratificatie ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook
                    dat de in die regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                    relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht vastleggen. Hoe de
                    gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het een kleine groep, dan kan het op
                    individueel niveau. Makkelijker is op in een voetnoot bij het betreffende
                    artikel in hoofdstuk 3 de oude regeling op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al>In hoofdstuk 4 zijn regels over de werktijden vastgelegd. Dit laat onverlet dat
                    ook op lokaal niveau een werktijdenregeling moet worden vastgesteld in overleg
                    met de OR. In deze regeling kunnen aanvullende regels gesteld worden die recht
                    doen aan de lokale situatie. Voorbeelden daarvan zijn bloktijden, openingstijden
                    van het kantoorpand etc.</al><tussenkop>§ 1 Standaardregeling voor de werktijden (T)</tussenkop><al> LOGA partijen hebben in de CAO 2011-2012 afspraken gemaakt over flexibilisering
                    van de werktijden, aansluitend bij de behoefte van werkgevers en werknemers. De
                    standaardregeling is de norm, de bijzondere regeling de uitzondering.
                    Uitgangspunt bij de standaardregeling is dat de ambtenaar (enige) vrijheid heeft
                    bij het bepalen van zijn werktijden. Dit betekent niet dat er sprake moet zijn
                    van volledige zeggenschap van de ambtenaar, dit zou ook strijdig zijn met de
                    gezagsverhouding die de relatie werkgever en werknemer typeert. De ambtenaar
                    heeft een zekere vrijheid in het in het bepalen van zijn werktijden. De ene dag
                    werkt hij meer omdat hij een deadline moet halen, dit compenseert hij door op
                    een ander moment minder te werken. De werkgever kan wel van de ambtenaar
                    verlangen dat hij op aangewezen momenten aanwezig of beschikbaar is omdat dit
                    bij de uitoefening van zijn functie hoort. Dat strijdt niet met de
                    standaardregeling.</al><al>Uitgangspunt is goed werkgeverschap en goed werknemerschap. De leidinggevende
                    geeft ruimte en vertrouwen, de medewerker draagt een grote professionele
                    verantwoordelijkheid. De OR heeft in dit proces een belangrijke rol; zij
                    monitort of het proces rondom het individueel vaststellen van de werktijden goed
                    verloopt binnen de organisatie en past binnen de kaders van de
                    werktijdenregeling. Als blijkt dat dit niet het geval is kan de OR
                    verbetervoorstellen doen. Een verbetervoorstel kan bijvoorbeeld zijn dat alle
                    medewerkers van een afdeling, vanwege terugkerende problemen rondom de
                    werktijden, onder de bijzondere regeling geplaatst worden, tijdelijk of voor
                    onbepaalde tijd.</al><al>Indien de functie van dien aard is dat er niet of nauwelijks sprake is van
                    zeggenschap van de ambtenaar, dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in vaste
                    roosterdienst gewerkt wordt, dan kan de standaardregeling niet meer van
                    toepassing zijn. In dat geval worden de werktijden eenzijdig vastgesteld door
                    het college en geldt de bijzondere regeling van artikel 4:3 en verder.
                    Medewerkers die naast hun reguliere werktijden uit hoofde van hun functie
                    beschikbaarheidsdiensten verrichten, zoals ict-medewerkers en woordvoerders,
                    vallen niet om die reden onder de bijzondere regeling van de werktijden. Als
                    deze medewerkers (enige) vrijheid hebben bij het bepalen van hun reguliere
                    werktijden dan vallen ook zij onder de standaardregeling. Ook het werken in
                    roosters heeft niet per definitie tot gevolg dat medewerkers onder de bijzondere
                    regeling van de werktijden vallen.</al><al>Indien de gemeente gebruik maakt van een systeem van zelfroostering, waardoor
                    medewerkers zeggenschap krijgen over hun werktijden, dan geldt ook voor deze
                    medewerkers de standaardregeling. De bijzondere regeling is uitsluitend van
                    toepassing op medewerkers die (vrijwel) geen zeggenschap hebben over hun
                    werktijden.</al><tussenkop>Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet><cursief></cursief> De standaardregeling heeft als
                    uitgangspunt dat de ambtenaar met zijn leidinggevende afspraken maakt over
                    invulling van zijn werktijden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de
                    standaardregeling dat voor iedere ambtenaar een individueel rooster wordt
                    opgesteld in overleg met de leidinggevende. Flexibiliteit en zeggenschap van de
                    ambtenaar zijn sleutelbegrippen. De leidinggevende laat een deel van de
                    “control” los. Daarvoor in de plaats komt verantwoordelijkheid van de
                    medewerker. De ruimte die de ambtenaar krijgt zal hij zoals het een goed
                    ambtenaar betaamt moeten invullen.</al><al><vet>Lid 3, 4, 5, 6 en 7 </vet></al><al>Kern van de standaardregeling is dat de ambtenaar met zijn leidinggevende
                    afspraken maakt over zijn werkzaamheden, zijn verlof en de planning van zijn
                    werkzaamheden. Voorwaarde voor toepassing van de standaardregeling is dat de
                    ambtenaar en zijn leidinggevende samen tot overeenstemming komen. Als dat
                    uiteindelijk niet lukt dan stelt het college eenzijdig de werktijden vast, maar
                    dan kan de standaardregeling niet meer van toepassing zijn. In die situatie valt
                    de medewerker onder de bijzondere regeling. Het is onwenselijk dat binnen een
                    afdeling verschillende regimes gelden voor de werktijden. Toch kan dit voorkomen
                    indien een leidinggevende met een individuele medewerker niet tot goede
                    afspraken komt. Komt dit frequenter voor dan is de OR aan zet; zie hiervoor de
                    toelichting op lid 12.</al><al>De ambtenaar en zijn leidinggevende overleggen tweemaal per jaar over de
                    werktijden en de planning van de werkzaamheden. Het is niet gewenst dat de
                    ambtenaar veel meer of minder uren werkt dan zijn formele arbeidsduur. Op de
                    ambtenaar rust een verantwoordelijkheid om teveel of te weinig werk tijdig aan
                    te kaarten zodat de afspraken daarop afgestemd kunnen worden. In de situatie dat
                    ambtenaar en leidinggevende het erover eens zijn dat de formele arbeidsduur per
                    jaar overschreden zal worden dan wordt de omvang daarvan vastgesteld. De
                    ambtenaar ontvangt een vergoeding ter hoogte van het uurloon of een uur
                    vakantieverlof over de teveel gewerkte uren. De ambtenaar en zijn leidinggevende
                    stellen vast welke vergoeding het meest passend is. Dit gebeurt in ieder geval
                    aan het einde van elk kalenderjaar en bij het einde van een dienstverband.
                    Indien er geen keuze wordt gemaakt dan worden de te veel gewerkte uren
                    uitbetaald tegen de vergoeding.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De toepassing van de standaardregeling sluit niet uit dat het dienstbelang
                    werken buiten het dagvenster noodzakelijk maakt. Hier staat een
                    buitendagvenstervergoeding tegenover.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In het derde lid is bepaald dat de ambtenaar en zijn leidinggevende afspraken
                    maken over de werktijden. Als dat niet lukt is dit lid van toepassing. Dit lid
                    heeft geen betrekking op incidentele gevallen; daarvoor geldt het bepaalde in
                    het elfde lid.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Ten aanzien van de werktijden zijn de afspraken zoals bedoeld in het derde lid
                    leidend. Het kan incidenteel voorkomen dat een ambtenaar vanwege dienstbelang op
                    andere tijden moet werken. Het gaat in dit lid dan om tijden die binnen het
                    dagvenster vallen. Uitgangspunt is dat ook in deze situatie de ambtenaar en zijn
                    leidinggevende tot goede afspraken komen. Als dat niet mogelijk blijkt te zijn
                    en het is om redenen van dienstbelang noodzakelijk dat de ambtenaar
                    werkzaamheden verricht dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding ter hoogte
                    van de laagste buitendagvenstervergoeding.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Het individuele overleg over werktijden vraagt veel van leidinggevende en
                    medewerker. Daarom is het belangrijk dat binnen de organisatie gevolgd wordt hoe
                    dit proces verloopt. De OR is hiervoor het aangewezen orgaan. Als de OR
                    problemen signaleert, bijvoorbeeld binnen een specifieke afdeling, dan kan de OR
                    verbetervoorstellen doen aan het college.</al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Er zijn gemeenten waar voor inwerkingtreding van de nieuwe regels over
                    werktijden een dagvenster gold dat op onderdelen ruimer was dan het dagvenster
                    zoals omschreven in artikel 4:2, tweede lid. Met dagvenster wordt in dit verband
                    gedoeld op uren/dagen waarvoor geen toelage onregelmatige dienst verstrekt
                    wordt. Op grond van de regels over de TOD en werktijden zoals deze golden op 31
                    december 2013 was het bijvoorbeeld mogelijk om de ambtenaar op zaterdag voor ten
                    hoogste drie uren in te roosteren zonder aanspraak op een TOD. Als de gemeente
                    op 31 december 2013 een werktijdenregeling met een ruimer dagvenster had en die
                    in overeenstemming met de regels van de CAR-UWO was, dan blijft dit ruimere
                    dagvenster ook gelden vanaf 1 januari 2014.</al><tussenkop>Artikel 4:3 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>De bijzondere werktijdenregeling geldt voor medewerkers die geen of heel geringe
                    zeggenschap hebben over hun werktijden; hun werktijden worden eenzijdig
                    vastgesteld door het college. Het gaat in deze situatie in elk geval om
                    medewerkers die in een rooster werken en geacht worden op vaste tijden hun werk
                    te verrichten. Als de ambtenaar die valt onder de standaardregeling geen
                    overeenstemming bereikt met zijn leidinggevende over zijn werktijden dan is de
                    bijzondere regeling op hem van toepassing. Zijn werktijden worden dan eenzijdig
                    vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:5 Werken op zon- en feestdagen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                    verricht, moet de ambtenaar zo veel mogelijk In de gelegenheid worden gesteld de
                    kerk te bezoeken en dient de arbeid zo beperkt mogelijk te worden gehouden. Hoe
                    moet worden omgegaan met degene die tot een kerkgenootschap behoort dat de
                    wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het
                    vijfde lid van dit artikel.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                    gelijkgesteld aan het verrichten van arbeid op zondag.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voorbeelden van door het college aangewezen feestdagen zijn de carnavalsmaandag,
                    maar ook de 5-meiviering in de jaren dat geen sprake is van de officiële
                    lustrumviering. Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de
                    arbeidsduur op jaarbasis worden meegenomen Wat het recht op overwerkvergoeding
                    op dergelijke feestdagen betreft geldt hetzelfde als in de toelichting bij het
                    derde lid is aangegeven De hoogte van de overwerkvergoeding is in dit geval
                    afhankelijk van de dag waarop de feestdag valt. Zo geldt voor de bepaling van de
                    hoogte van de overwerkvergoeding voor gewerkte tijd op een carnavalsmaandag
                    hetgeen in artikel 3:18, is geregeld ten aanzien van een "gewone" maandag.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden (T)</tussenkop><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de elementen
                    van een cafetariamodel of CAO à la carte. Artikel 4a:1 maakt het mogelijk om
                    vakantie-uren te verkopen en artikel 4a:2 maakt het mogelijk om extra
                    vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3 maakt het mogelijk om een lokale regeling
                    te treffen met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur.</al><al>Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op 6 april 2006 (HvJ
                    EG 6 april 2006, C-124105) een uitspraak gedaan over de verkoop van de
                    wettelijke vakantie-uren. In de Europese richtlijn over arbeidstijden
                    (93/104/EG) is geregeld dat werknemers recht hebben op een jaarlijkse vakantie
                    van tenminste vier weken. Deze minimumperiode van de jaarlijkse vakantie mag
                    niet worden vervangen door een financiële vergoeding, ook niet in volgende
                    jaren. Bij een volledige formele arbeidsduur gaat het dus om 4 x 36 uur = 144
                    uur minimale wettelijke vakantie-uren. Een ambtenaar heeft bij een volledige
                    formele arbeidsduur recht op ten minste 158,4 vakantie-uren per jaar op grond
                    van artikel 6:2, eerste lid CAR-UWO. De minimum periode van de jaarlijkse
                    vakantie op grond van de CAR-UWO ligt daarmee hoger dan het aantal wettelijke
                    vakantie-uren op grond van de richtlijn want dit zijn er 144. De wettelijke
                    vakantie-uren kunnen niet afgekocht worden, ook niet in een volgend jaar.</al><al><vet><cursief>Voorbeeld 1:</cursief></vet> Een ambtenaar treedt op 1 januari
                    2004 in dienst en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht
                    op 158,4 vakantie-uren maar neemt 110 uur op in 2004. In 2005 wil hij de
                    resterende 48,4 vakantie-uren verkopen. Dit is niet toegestaan. Het wettelijk
                    aantal vakantie-uren van de ambtenaar bedraagt 144. Het verschil tussen 158,4 en
                    144 mag hij verkopen (inzetten in het cafetariamodel) maar de overige uren moet
                    hij opnemen in 2004 of daarna.</al><al>Echter op basis van het tweede lid van artikel 6:2 CAR-UWO kan het aantal
                    vakantie-uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor voltijders) door in
                    een kalenderjaar 50,4 uur meer te werken dan de arbeidsduur per jaar. Op deze
                    wijze wordt het aantal vakantie-uren verhoogd tot 208,8 uur en kan maximaal 64,8
                    uur worden verkocht. Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van
                    de deeltijdfactor. Voor medewerkers die van de seniorenmaatregel gebruikmaken
                    geldt hetzelfde principe (zie ook artikel 6:2:1 lid 6).</al><al><vet><cursief>Voorbeeld 2:</cursief></vet> Een ambtenaar treedt op 1januari 2004
                    in dienst en heeft een volledig dienstverband. Hij heeft in dat jaar recht op
                    158,4 vakantie-uren. Daarnaast heeft hij een verzoek ingediend om 50,4 uur extra
                    te werken en deze uren om te zetten in vakantie-uren. In totaal heeft deze
                    ambtenaar 208, 8(158,4+ 50,4) vakantie-uren in 2004. Hij neemt daarvan 130 uur
                    op en houdt 78,8 (208,8-130) vakantie-uren over. De ambtenaar heeft in 2004 niet
                    het wettelijk aantal vakantie-uren (144) opgenomen. Deze 14(144-130) uren kan
                    hij niet verkopen en neemt hij mee naar 2005. De ambtenaar kan van zijn
                    vakantieaanspraak over 2004, 64,8 (50,4+14,4) uren verkopen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                    dienstbelangen zich daartegen verzetten. Van zo'n belang is in ieder geval
                    sprake indien toekenning van de aanvraag leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van financiële en organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of</al></li><li nr="c"><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe geen
                            ruimte biedt.</al></li></lijst><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot vakantie
                    voor geld en omgekeerd aan de OR, zodat deze zicht heeft op het totale gebruik
                    van de mogelijkheden. Dit is een uitvloeisel van artikel 28 van de Wet op de
                    ondernemingsraden, waarin is geregeld dat de OR de naleving bevordert van de
                    voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per vakantie-uur een
                    vergoeding van een (bruto) uurloon bovenop zijn normale (bruto) salaris. Dit is
                    zijn eigen uurloon, tenzij lokaal anders is overeengekomen. Door het verkopen
                    van vakantie-uren worden de grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudo-premie WW,
                    UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting verhoogd. De
                    uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en ZW) en suppletie worden tevens
                    verhoogd. Het verkopen van vakantie-uren heeft geen gevolgen voor de hoogte van
                    de eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en levensloopbijdrage. Het verkopen
                    van vakantie-uren is op basis van het Pensioenreglement pensioengevend. Het ABP
                    hanteert echter de peildatumsystematiek waardoor de pensioengrondslag gedurende
                    een jaar niet kan worden gewijzigd. De verhoging van het pensioengevend inkomen
                    vanwege het verkopen van vakantie-uren kan in het pensioengevend inkomen van het
                    volgende jaar worden verwerkt. De opbrengst van de verkoop van uren kan worden
                    ingezet voor de gemeentelijke levensloopregeling zoals vastgelegd in hoofdstuk
                    6a. De tegenwaarde van de uren wordt dan gestort op de levenslooprekening van de
                    medewerker.</al><tussenkop>Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit artikel kan
                    de ambtenaar geld uitwisselen voor vrije uren. Een werknemer met een formele
                    arbeidsduur van 36 uur kan maximaal 72 vakantie-uren in een kalenderjaar kopen.
                    Voor de deeltijder geldt dit naar rato. Verrekening geschiedt door middel van
                    inhouding van een geldbedrag. Door het kopen van vakantie-uren worden de
                    grondslagen voor WAO/WIA-premie, pseudopremie WW, UFO-premie,
                    Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting lager. In tegenstelling
                    tot bij het verkopen van uren blijven de uitkeringen (op basis van de WAO, WIA,
                    WW en ZW) en suppletie onveranderd. De eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering
                    en levensloopbijdrage blijven ook onveranderd. Het pensioengevend inkomen als
                    genoemd in artikel 3.1 van het Pensioenreglement wijzigt bij de aankoop van
                    vakantie-uren niet mits wordt voldaan aan de voorwaarden van het besluit van 8
                    september 2008, CPP2008/1727M.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs of dienstbelang zoals vermeld in lid 3 is in ieder
                    geval sprake indien toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:
                    voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren; op het
                    gebied van veiligheid, of van roostertechnische aard.</al><tussenkop>Artikel 4a:3 Inhouding op salaris, salaristoelagen, eindejaarsuitkering,
                    vakantietoelage of urenvergoeding (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid biedt de mogelijkheid om het salaris, de toegekende salaristoelage(n),
                    eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering of de vergoeding voor extra te werken
                    uren te verlagen in ruil voor andere bestedingsmogelijkheden. In 2006 zijn de
                    bestedingsmogelijkheden o.a. een fietsregeling, de vakbondscontributie of een
                    vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer. Dit kan een fiscaal voordeel
                    opleveren voor de ambtenaar, als aan de fiscale voorwaarden wordt voldaan. In
                    ieder geval wordt door deze bepaling aan één van de voorwaarden van de
                    belastingdienst voldaan. Voorwaarde is namelijk dat er een basis in de
                    arbeidsvoorwaardenregeling is gelegd voor het inleveren van salaris,
                    salaristoelagen, eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en vergoeding voor de
                    verkoop van vakantie-uren.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In een lokaal te treffen regeling (bijvoorbeeld een fietsregeling, de
                    vakbondscontributie of een vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer)
                    kunnen de voorschriften en de voorwaarden worden vastgelegd, rekening houdend
                    met de fiscale randvoorwaarden. Een lokale verordening mag een dergelijke
                    tijdelijke verlaging van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet in
                    de weg staan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5a Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 6:1:1 Vakantieverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de ambtenaar
                    wordt verleend. Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de
                    algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie (artikel 6:2:1,
                    eerste lid) ook aangeven welke gedragslijnen worden gehanteerd wanneer het
                    vakantieverlof van enig jaar niet in zijn geheel is genoten. De mogelijkheid om
                    niet-genoten verlofuren door te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot
                    die gevallen zoals genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid, en 6:2:6 UWO. In
                    het geval dat het dienstbelang zich tegen het verlenen van vakantie verzet en
                    hierdoor de vakantie in dat kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is
                    toegekend, wordt de niet-genoten vakantie zo veel rnogelijk in het eerstvolgend
                    kalenderjaar verleend (artikel 6:2:4, eerste lid). Wanneer vakantie niet is
                    verleend op gronden genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of
                    herhalingsoefening militaire dienst), wordt de niet-genoten vakantie in principe
                    toegekend in het volgend kalenderjaar. Op verzoek van de ambtenaar kunnen over
                    het tijdstip van opname ook andere afspraken worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Duur vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2. Indien de
                    ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7.2 uur per dag, zal het
                    verlof met het aantal ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil
                    genieten, worden verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij voor
                    42 uur is ingeroosterd, verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel
                    verlofuren. Daar tegenover staat dat, als de ambtenaar verlof wil in weken
                    waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt, het verlof slechts
                    met relatief minder uren wordt verminderd.</al><al>Indien, als gevolg van verlof in weken met een feitelijke arbeidsduur van 42
                    uur, de ambtenaar bijvoorbeeld weinig verlofuren resteert, kan het de ambtenaar
                    worden toegestaan om gedurende de weken dat hem een feitelijke arbeidsduur van
                    minder dan 36 uur is opgedragen, deze arbeidsduur te realiseren over minder dan
                    vijf dagen waardoor de ambtenaar aaneengesloten vrije tijd kan creëren.</al><al>Op grond van artikel 7 van de Europese Richtlijn 2003/88/EG ‘betreffende een
                    aantal aspecten van de Organisatie van de arbeid’, hebben werknemers jaarlijks
                    recht op ten minste 4 weken vakantie met behoud van salaris, dat wil zeggen
                    viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dat betekent dat bij een
                    36-urige werkweek het wettelijk verlof 144 uur bedraagt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij een
                    volledig dienstverband) meer te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur
                    voortvloeit. Voor een deeltijder geldt een naar evenredigheid aantal uren als
                    maximum. Toekenning van dit verzoek geeft de ambtenaar recht op een gelijk
                    aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1 november
                    (tenzij anders geregeld) in het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor
                    het verzoek geldt. Niet voor niets is hiervoor de zelfde formulering gekozen als
                    in de artikelen 4a:1, eerste lid, en artikel 4a:2, eerste lid (het verzoek tot
                    verkoop dan wel koop van vakantie-uren). Gelet op de samenhang met het
                    cafetariamodel ligt het voor de hand dat het college bij de toewijzing van de
                    verzoeken rekening houdt met alle mutaties van het verlof, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>extra vakantie-uren op basis van dit artikel;</al></li><li nr="-"><al>verkoop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:1;</al></li><li nr="-"><al>koop van vakantie-uren op basis van artikel 4a:2.</al></li></lijst><al>Op basis van het totaalbeeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                    bezien in hoeverre sprake is van ernstige problemen van organisatorische dan wel
                    roostertechnische aard.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid is
                    in ieder geval sprake indien toekenning van het verzoek leidt tot ernstige
                    problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>van organisatorische aard;</al></li><li nr="b"><al>van roostertechnische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:2:1:2</tussenkop><al>Dit betekent concreet dat op dit moment er dan sprake is van een
                    vermenigvuldigingsfactor 1,33 (48 uur gedeeld door 36 uur). Hierdoor wordt bij
                    verlofopname in een 24-uursdienst, 24 uur verlof gerekend. Uitgangspunt bij de
                    toepassing van dit artikel is dat verlof in beginsel in de vorm van gehele
                    diensten wordt verleend. </al><al>De wijze van uitvoering wordt in de diverse clusters ongewijzigd voortgezet. Dit
                    onder toepassing van bovengenoemde vakantiefactor. Hiermee wordt geaccepteerd
                    dat vooralsnog verschillen in planning en roostermodaliteiten kunnen
                    voorkomen.</al><al>De komende drie jaar wordt benut om de verschillen en overeenkomsten binnen de
                    diverse 24-uur korpsen te inventariseren en in kaart te brengen. De werkgever
                    komt met een voorstel richting de Ondernemingsraad om te komen tot een uniform
                    model.</al><tussenkop>Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit lid aan de
                    ambtenaar geeft om voor bepaalde gelegenheden verlof op te nemen, mag van de
                    ambtenaar redelijkerwijs worden verwacht dat de werkgever zo vroeg mogelijk op
                    de hoogte wordt gesteld van het voornemen om verlof op deze gronden op te
                    nemen.</al><tussenkop>Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en
                    andere redenen van afwezigheid (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid geeft in algemene zin aan dat de opbouw wordt verminderd naar rato van
                    afwezigheid.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Afwezigheid leidt niet in alle gevallen tot vermindering van vakantie-opbouw.
                    Dat geldt voor afwezigheid wegens bevallings- en zwangerschapsverlof en
                    afwezigheid wegens ziekte. Dat vloeit voort de uit Europese richtlijn
                    2003/88/EG. De richtlijn beperkt zich tot het wettelijk verlof. In de CAR wordt
                    echter geen onderscheid gemaakt tussen wettelijk en bovenwettelijk verlof.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen. De vakantie mag zijn
                    herstel niet belemmeren; bij twijfel kan de bedrijfsarts hierover een advies
                    geven, een en ander zoals veelal zal zijn geregeld in het Protocol als bedoeld
                    in artikel 7:9 lid 4 CAR. De opgenomen vakantie wordt in mindering gebracht van
                    het verlofsaldo. Op grond van artikel 6:1 wordt gedurende de vakantie het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) doorbetaald zonder de korting die
                    eventueel al geldt gezien de duur van de ziekte. In het geval waarin de
                    ambtenaar in het kader van een medische behandeling of therapie elders moet
                    verblijven wordt geen vakantieverlof afgeschreven.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar een
                    vergoeding. Het uurloon bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar een
                    volledig dienstverband herberekend - salaris van de ambtenaar per maand (artikel
                    1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het bedrag van de schaal dat
                    op de ambtenaar van toepassing is op het moment dat het ontslag wordt verleend
                    of, indien voor de functie een vast bedrag geldt, dit bedrag.</al><tussenkop>Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                    redenen van dienstbelang niet op de lange baan wordt geschoven. De vakantie
                    dient uiterlijk voor het einde van het tweede volgend kalenderjaar te worden
                    verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                    verjaard.</al><tussenkop>Artikel 6:2:5 Intrekking (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk
                    vakantie wordt genoten omdat de verleende vakantie wordt ingetrokken, de genoten
                    vakantie-uren als niet verleend worden beschouwd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                    vergoed, er vindt derhalve geen vergoeding plaats van immateriële schade. Bij
                    geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                    vakantiehuisje dat niet betrokken kan worden of de kosten van vliegtickets waar
                    geen gebruik van gemaakt kan worden.</al><tussenkop>Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in een
                    volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen
                    van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Doet zich de situatie niet of
                    niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof worden geëffectueerd met
                    inachtneming van de beperking zoals verwoord in lid 3. Deze bepaling geeft
                    overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen verlofuren te schrappen (met
                    uitzondering van het bepaalde in artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                    doorbrengt buiten zijn woonplaats, zonder dat daartegen uit medisch oogpunt
                    bezwaren bestaan of omdat men daarvan verwacht dat dit een heilzame uitwerking
                    zal hebben. Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen
                    aantonen, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de behandelend of
                    controlerend arts, dat hij gedurende die periode nog niet genezen was en dat er
                    uit medisch oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn afwezigheid dan wel dat
                    er een heilzame uitwerking werd verwacht. Er wordt tijdens deze periode geen
                    verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet de ambtenaar namelijk ziekteverlof
                    gedurende welke niet nog eens verlof uit andere hoofde kan worden opgenomen.
                    Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn arbeid kan
                    verrichten en vakantie opneemt, geldt artikel 6:2:3, vierde lid. Indien het
                    aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken verlofuren slechts een
                    gering aantal betreft – het college dient dan in een besluit te bepalen hoeveel
                    - kan een verzoek tot overboeking achterwege blijven. Het overboeken geschiedt
                    dan automatisch. Daarbij kan het college tevens stipuleren dat dit aantal
                    verlofdagen vóór een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het spreekt vanzelf
                    dat over een dergelijke nadere regelgeving plaatselijk overleg dient te worden
                    gevoerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt tijdens
                    zijn vakantie. Het aannemelijk maken kan bestaan uit het overleggen van een
                    verklaring van een arts of van een op verleende geneeskundige hulp betrekking
                    hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig mogelijk ziek melden.
                    Indien het onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het voldoende
                    dat hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van het op
                    grond van lid 1 naar een volgend kalenderjaar overgeboekt vakantieverlof. Een
                    ambtenaar met bijvoorbeeld recht op 187,2 uren vakantieverlof kan, wanneer op
                    zijn verzoek dit verlof in zijn geheel wordt overgeboekt naar een volgend
                    kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 187,2 = 280,8 uur verlof opnemen (tenzij op
                    verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog resterende
                    verlofuren worden vervolgens naar het volgende kalenderjaar doorgeschoven.</al><tussenkop>Artikel 6:2a Vervaltermijn wettelijk verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het wettelijk verlof is primair bedoeld ter recuperatie in het jaar waarin het
                    wordt opgebouwd. Niettemin zullen er situaties zijn waarin het wettelijk verlof
                    in enig jaar niet geheel kan worden opgenomen. Daarom geldt een vervaltermijn
                    van 12 maanden. Als een ambtenaar te ziek is om verlof op te nemen, bijvoorbeeld
                    omdat hij in een ziekenhuis moet verblijven, geldt deze termijn niet.
                    Vanzelfsprekend zal in onderling overleg tussen college en ambtenaar na herstel
                    een plan worden gemaakt hoe om te gaan met het resterende wettelijk verlof.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als een ambtenaar een langere verlofperiode wil opnemen, bijvoorbeeld voor een
                    loopbaanverlof (sabbatical) en daarvoor ook wettelijk verlof wil inzetten, kan
                    hij het college vragen om af te zien van de vervaltermijn. Het college en de
                    ambtenaar maken in onderling overleg hierover afspraken op basis van een
                    onderbouwd schriftelijk verzoek van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:2b Verjaringstermijn bovenwettelijk verlof (T)</tussenkop><al>Het totale saldo verlofuren waarover de ambtenaar op 31 december 2014 beschikt,
                    wordt beschouwd als bovenwettelijk verlof.</al><al>Vanwege de gewijzigde regels rond opbouw en opname van verlof - analoog aan hoe
                    dit in het Burgerlijk Wetboek is geregeld - is het van belang om een duidelijk
                    onderscheid te maken tussen de civielrechtelijke begrippen “vervallen” en
                    “verjaren” die hierop van toepassing zijn. Bij verval komt het recht op verlof
                    onherroepelijk te vervallen door het verstrijken van een termijn. De
                    uitzonderingen daarop zijn geregeld in artikel 6:2a eerste lid. Bij verjaring
                    komt het verlof in beginsel ook te vervallen na het verstrijken van de termijn,
                    maar kan dit door middel van een schriftelijke verklaring van de rechthebbende
                    medewerker worden ‘gestuit’. De strekking van deze verklaring moet zijn dat
                    betrokkene de beschikking wil houden over het verlof dat dreigt te verjaren. Het
                    gevolg van stuiten is dat een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen en de
                    medewerker zijn aanspraak op het verlof behoudt. Dit laatste wil overigens niet
                    zeggen dat hij er ook altijd over kan ‘beschikken’ zoals geregeld in artikel
                    6:2:6, derde lid, UWO.</al><tussenkop>Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op vakantietoelage
                    gedurende de periode dat betrokkene geen aanspraak heeft op salaris
                    (bijvoorbeeld tijdens een periode van non-activiteit). Voor de berekening van
                    een evenredig deel van de vakantietoelage wordt de maand gesteld op 30
                    dagen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per kalendermaand wordt
                    berekend over het in die maand uitbetaalde salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). De minimum vakantietoelage bedraagt € 146,65 per maand.</al><tussenkop>Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) wordt ingehouden in geval van een disciplinaire
                    maatregel of een schorsing, over deze periode geen vakantietoeslag wordt
                    uitbetaald. Voorwaarde is wel dat dit expliciet bij de strafoplegging of
                    schorsing is bepaald. Is dat niet dat geval, dan ontvangt betrokkene een
                    vakantietoeslag over dat deel van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    dat niet is ingehouden.</al><tussenkop>Artikel 6:4 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het kraamverlof, calamiteiten en ander kortverzuimverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). De Wazo is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                    2001, 567) en is van toepassing op werknemers en ambtenaren. Het doel van de
                    Wazo is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen om betaald werk te
                    combineren met zorgtaken. In de Wazo zijn daarom regels gesteld omtrent diverse
                    vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kort verzuimverlof, zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof, verlof bij adoptie en pleegzorg, kraamverlof,
                    ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De bepalingen van de Wazo zijn niet
                    opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van
                    toepassing is op gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die
                    aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of aanvullende aanspraken
                    bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de regeling een bepaling
                    uit de Wazo overgenomen.</al><al>De bepalingen in de Wazo m.b.t. het calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
                    zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Bij die
                    gelegenheid is de in de wet opgenomen opsomming van situaties op grond waarvan
                    calamiteiten- of kort verzuim verlof kan worden toegekend, verruimd. Daarbij
                    gaat het om de introductie van het criterium ‘onvoorzienbaarheid’ en de
                    toevoeging van spoedeisend, onvoorzien of redelijkerwijze niet buiten werktijd
                    te plannen arts- of ziekenhuisbezoek – of de noodzakelijke begeleiding daarbij –
                    als reden voor het toekennen van verlof. Het calamiteiten-, kort verzuim- en
                    kraamverlof is geregeld in de artikelen 4:1 t/m 4:7 Wazo.</al><al><cursief>Kraamverlof</cursief>Met ingang van 1 januari 2015 is ook in de Wazo
                    geregeld dat het kraamverlof kan worden uitgebreid met drie dagen, door een
                    ‘voorschot’ te nemen op het (onbetaald of betaald) ouderschapsverlof. Eén en
                    ander is geregeld in artikel 6:5 lid 4 Wazo.</al><al>Overzicht graden van bloed- en aanverwantschap</al><tussenkop>Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                    voltrokken.</al><tussenkop>Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het langdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en
                    zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo met betrekking tot
                    het langdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb.
                    2014, 565). Daarbij is de kring van personen ten behoeve waarvan kort – en
                    langdurend zorgverlof kan worden opgenomen verruimd met bloedverwanten in de
                    eerste en tweede graad, huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving.
                    Behalve in het geval van een levensbedreigende ziekte kan er ook langdurend
                    zorgverlof worden toegekend t.b.v. de noodzakelijke verzorging bij ziekte of
                    hulpbehoevendheid. Het langdurend zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:9 tot
                    en met 5:16 Wazo.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                    geregeld dat de ambtenaar recht heeft op doorbetaling van 50% van zijn salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n) over de uren dat hij langdurend zorgverlof
                    geniet.</al><al><vet>Lid 2 tot en met 7</vet></al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                    vergelijkbare regeling als bij het ouderschapsverlof. Ziekte schort het
                    langdurend zorgverlof niet op. Ingeval van samenloop tussen langdurend
                    zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak op
                    zijn volledige salaris en toegekende salaristoelage(n), wordt de vermindering
                    van de duur van de vakantie beëindigd en vindt de opbouw van de vakantietoelage
                    weer plaats op basis van de volledige beloning.</al><tussenkop>Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Vakbondsconsulenten zijn ambtenaren die daartoe zijn aangewezen door een
                    vakvereniging en die binnen de gemeente medewerkers bijstaan in individuele
                    aangelegenheden. Arbeidsvoorwaardenadviseurs zijn ambtenaren die daartoe zijn
                    aangewezen door een vakvereniging en onder andere GO-leden adviseren binnen de
                    eigen of een andere organisatie in de regio, conform artikel 12:2:7 lid 3.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de vóórvergadering en de vergadering zelf.
                    Voor de voorbereiding van de vergadering en werkzaamheden ten gevolge van de
                    vergadering wordt geen verlof verleend.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                    zijn dat in goed overleg met de vakorganisaties plaatselijk in de
                    uitvoeringsregeling inhoud wordt gegeven aan het verlenen van het bijzonder
                    verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden met de lokale
                    omstandigheden, zoals de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in
                    de vakorganisaties actieve leden etc.. Een nadere regeling kan bijvoorbeeld
                    voorkomen dat steeds (terecht of onterecht) bijzonder verlof wordt geweigerd op
                    grond van het dienstbelang.</al><tussenkop>Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het kortdurend zorgverlof is geregeld in de Wet arbeid en
                    zorg. Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    kortdurend zorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 juli 2015 (Stb. 2014,
                    565), waarbij de kring van personen t.b.v. waarvan kortdurend zorgverlof kan
                    worden opgenomen is verruimd met bloedverwanten in de eerste en tweede graad,
                    huisgenoten en andere personen uit de sociale omgeving. Het kortdurend
                    zorgverlof is geregeld in de artikelen 5:1 tot en met 5:8, 5:15 en 5:16
                    Wazo</al><al><vet>Samenloop met andere verlofvormen</vet> De wetgever heeft het noodzakelijk
                    geacht om een regeling te treffen over samenloop tussen de diverse verlofvormen.
                    Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet aan de voorwaarden voor
                    calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend zorgverlof. In dat
                    geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om voor
                    calamiteitenverlof te kiezen omdat dit verlof verleend wordt met behoud van het
                    volledige salaris en toegekende salaristoelage(n). In artikel 5:8 Wazo is daarom
                    bepaald dat indien zowel is voldaan aan de voorwaarden voor het
                    calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor het kortdurend zorgverlof, het
                    calamiteitenverlof na één dag eindigt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledig dienstverband
                    ten hoogste 72 uur zorgverlof per jaar kan opnemen. Dit betekent dat ook de
                    ambtenaar wiens aanstelling op grond van artikel 2:7a verruimd is naar maximaal
                    40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar zorgverlof kan opnemen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                    ambtenaar met een dienstverband van minder dan 36 uur per week, naar
                    evenredigheid wordt verminderd.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft voor
                    rekening van de ambtenaar en voor de andere helft voor rekening van de werkgever
                    komt. Voor de verrekening van het verlof kan worden gedacht aan de inlevering
                    van regulier verlof. Ook kan de mogelijkheid worden geboden om het verlof op een
                    later moment in te halen. Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar hoe de
                    verrekening van het verlof zal plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 6:4:4 Non-activiteit (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen-, vut- en AAOP-premies zijn afspraken
                    gemaakt in artikel 3, lid 7, onderdeel a, van de Pensioenovereenkomst van 15
                    maart 1995 tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de centrales van
                    overheidspersoneel. Wanneer volledig politiek verlof wordt genoten, vindt geen
                    pensioenopbouw plaats vanuit het ambtenaarschap. Wethouders, gedeputeerden of
                    hoogheemraden bouwen bij het overheidsorgaan waar zij zijn benoemd een pensioen
                    op op basis van de Algemene pensioenwet politiek ambtsdragers (Appa). De vut- en
                    AAOP-premies blijven verschuldigd. Echter, op grond van de Pensioenovereenkomst
                    blijft de verdeling van het verhaal ongewijzigd: de werkgever draagt de lasten
                    van het werkgeversdeel, maar hij kan het werknemersdeel wel verhalen op de
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                    bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer het langdurend zorgverlof niet toereikend
                    blijkt te zijn (zie daarvoor ook artikel 6:4:1a) of om verlof om het overlijden
                    van een verwant te verwerken (rouwverlof).Het verlof kan met behoud van gehele
                    of gedeeltelijke doorbetaling worden verleend. Wanneer er sprake is van een
                    gedeeltelijke doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    kan het inkomen worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed uit de
                    levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a.</al><tussenkop>Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof zoals
                    bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6:10,
                    vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 6:5 Ouderschapsverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het ouderschapsverlof is geregeld in de Wet arbeid en zorg
                    (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 6:4 lid 1.De bepalingen in de Wazo met betrekking tot
                    het ouderschapsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015 (Stb.
                    2014, 565). Daarbij zijn zowel de eis dat men een jaar in dienst van de
                    werkgever moet zijn, als de regels met betrekking tot de wijze waarop het verlof
                    kan worden opgenomen, komen te vervallen. Een andere belangrijke wijziging
                    betreft het recht om – behoudens een zwaarwegend dienstbelang aan de kant van de
                    werkgever – een eenmaal toegekend recht op ouderschapsverlof te onderbreken of
                    op te schorten (artikel 6:6 lid 2 Wazo). Het ouderschapsverlof is geregeld in de
                    artikelen 6:1 tot en met 6:10 Wazo. In dit artikel is opgenomen dat een
                    ambtenaar die ouderschapsverlof geniet op grond van de Wazo, recht heeft op een
                    gedeeltelijke doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    over ten hoogste 13 maal de formele arbeidsduur per week. Deze regeling geldt
                    voor die gemeenten waarin lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof
                    vastgesteld is of wordt.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>De ambtenaar die werkzaam is bij een gemeente met een regeling betaald
                    ouderschapsverlof en die op grond van de Wazo ouderschapsverlof opneemt, heeft
                    recht op doorbetaling van een percentage van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) over dit verlof, gedurende ten hoogste 13 maal de formele
                    arbeidsduur per week. De doorbetaling bedraagt het in het tweede lid aangegeven
                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Een ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden verzoeken het
                    aangevraagde ouderschapsverlof niet op te nemen dan wel niet voort te zetten
                    (artikel 6:6 Wazo). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als een
                    zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Als een dergelijk verzoek wordt
                    gehonoreerd heeft dit tot gevolg dat het niet genoten ouderschapsverlof op een
                    later moment kan worden opgenomen, zolang aan de voorwaarden daarvan wordt
                    voldaan. Aan een dergelijk verzoek hoeft het college niet eerder gevolg te
                    worden gegeven dan vier weken na het verzoek.</al><tussenkop>Artikel 6:5:2 Meerlingen (T)</tussenkop><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                    ouderschapsverlof. Voor de overige kinderen van de twee- of meerling geldt wel
                    het recht op ouderschapsverlof volgens de Wazo, doch zonder gedeeltelijke
                    doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Voor het
                    ouderschapsverlof van de overige kinderen zijn de bepalingen uit artikel 6:5:1,
                    6:5:3, 6:5:4, 6:5:6 en 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                    overeenkomstig de omvang en de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar
                    bijvoorbeeld ouderschapsverlof gedurende zes maanden voor de helft van zijn
                    arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan heeft betrokkene
                    tot en met april recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis),
                    van mei tot november een halve verlofopbouw (6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis
                    x 0,5) en in november en december weer een gehele verlofopbouw (2/12 x
                    verlofaanspraak op jaarbasis).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De opbouw van de vakantietoelage tijdens ouderschapsverlof vindt plaats op basis
                    van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), die tijdens het
                    ouderschapsverlof wordt doorbetaald. Bij betaald ouderschapsverlof wordt dus
                    gedeeltelijk vakantietoelage opgebouwd. Bij onbetaald ouderschapsverlof wordt
                    geen vakantietoelage opgebouwd.</al><tussenkop>Artikel 6:5:5 Terugbetaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De terugbetaling betreft het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die zijn
                    betaald over de uren dat de ambtenaar het betaald ouderschapsverlof heeft
                    genoten. Dit geldt alleen bij ontslag op grond van artikel 8:1 (ontslag op
                    verzoek) en artikel 8:13 (ontslag als disciplinaire straf). Als een ambtenaar
                    het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet voor de toepassing van
                    artikel 6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd als een afzonderlijk
                    deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld.
                    Van 1-01-2001 tot 1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof opgenomen voor de helft
                    van zijn dienstverband. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002 heeft hij nogmaals
                    ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn dienstverband. Op 1-05-2002
                    wordt hij op eigen verzoek ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan
                    niet voor de eerste periode van ouderschapsverlof maar wel voor de tweede
                    periode van ouderschapsverlof.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                    indien de ambtenaar bij een andere gemeente gaat werken of indien er recht
                    bestaat op een uitkering wegens het volgen van de echtgenoot die door geheel
                    buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                    veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering wordt
                    verstrekt bij werkloosheid die ontstaan is doordat de ambtenaar ontslag heeft
                    gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door
                    geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.
                    Als dit het geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen
                    terugbetaling van het ouderschapsverlof gevorderd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Onder het aanvaarden van een dienstverband voor minder uren dan hij direct
                    voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een verzoek
                    om vermindering van arbeidsduur. Sinds 1 januari 2001 moet dit worden
                    vormgegeven door middel van een besluit tot gedeeltelijk ontslag. Een en ander
                    is geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een ambtenaar heeft ouderschapsverlof opgenomen voor
                    de helft van zijn dienstverband. Zijn aanstelling bedraagt 36 uur en zijn
                    feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende het ouderschapsverlof 18 uur. Deze
                    ambtenaar wordt bezoldigd volgens schaal 8. De ambtenaar verzoekt binnen drie
                    maanden na afloop van het ouderschapsverlof om zes uur per week minder te mogen
                    werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per week.
                    Betrokkene zal, voor die uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) die hij genoot over de arbeidsduur
                    waarvoor het ouderschapsverlof gold, dienen terug te betalen. In dit voorbeeld
                    betekent dit dat betrokkene over zes uur salaris en toegekende salaristoelage(n)
                    dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 50% van de betaling. Indien er
                    ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week en de aanstelling wordt
                    binnen drie maanden na afloop van het ouderschapsverlof op verzoek van
                    betrokkene met zes uur verminderd, geldt dat de betaling die hij genoot over de
                    vier uur ouderschapsverlof terugbetaals dient te worden; dus 4 uur x 26 weken x
                    50% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof gaat
                    genieten, zich schriftelijk akkoord te verklaren met de
                    terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals deze in de vorige leden zijn
                    genoemd.</al><tussenkop>Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de Wet
                    arbeid en zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo
                    m.b.t. het zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn voor het laatst gewijzigd op
                    1 januari 2015 (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat bij ziekenhuisopname
                    van de baby het bevallingsverlof wordt verlengd, en dat bij overlijden van de
                    moeder het resterende bevallingsverlof overgaat naar de partner. Verder kan het
                    bevallingsverlof na de 6e week na de bevalling gespreid worden opgenomen. Het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof is geregeld in de artikelen 3:1 t/m 3:1a,
                    3:3, 3:4, 3:5, 3:7, 3:10, 3:11, 3:13, 3:14 en 3:29 Wazo. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet
                    mag worden aangemerkt als ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke
                    ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op
                    doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van haar salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n). Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de
                    periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof aanspraak op een uitkering
                    (artikel 3:7 lid 1 Wazo). De hoogte van de uitkering in geval van zwangerschap
                    en bevalling bedraagt 100% van het voor de ambtenaar geldende dagloon met een
                    vastgesteld maximum (artikel 3:13 Wazo). Het bedrag van deze uitkering wordt in
                    mindering gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop de
                    betrokken ambtenaar recht heeft.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) door te betalen. De vrouwelijke
                    ambtenaar moet tijdig aan de werkgever de informatie overleggen die de werkgever
                    nodig heeft voor het ontvangen van de uitkering op grond van de Wazo (artikel
                    3:11 Wazo). Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt
                    verstrekt kan dit geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht op het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n). Er wordt dan een fictieve uitkering
                    ter hoogte van 100% van het dagloon in mindering gebracht. Om verrekening van
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de uitkering wegens
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof praktisch mogelijk te maken, is de ambtenaar
                    verplicht mee te werken aan de uitbetaling van de Wazo-uitkering door het UWV
                    aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><vet>Ziekte voor zwangerschapsverlof</vet> Er kan sprake zijn van een situatie
                    dat de vrouwelijke ambtenaar een bepaalde periode voor ingang van haar
                    zwangerschapsverlof haar werkzaamheden niet kan verrichten wegens gehele of
                    gedeeltelijke ziekte. Voor zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum, wordt deze ziekte aangemerkt als
                    zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke ambtenaar ten aanzien
                    van de duur van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid 4 Wazo). Dit kan
                    betekenen dat het zwangerschapsverlof langer duurt dan van tevoren was gekozen.
                    De periode van het bevallingsverlof wordt in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake of
                    een medewerker geheel of gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke ziekte
                    wordt het zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk is dan wel dat de
                    vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes weken voor de
                    vermoedelijke bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><tussenkop>Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Het adoptie- en pleegzorgverlof is geregeld in de Wet arbeid
                    en zorg (Wazo). Voor een inleidende toelichting bij de Wazo, wordt verwezen naar
                    de toelichting bij artikel 6:4 lid 1. De bepalingen in de Wazo m.b.t. het
                    adoptie- en pleegzorgverlof zijn voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2015
                    (Stb. 2014, 565), Daarbij is geregeld dat het verlof flexibeler kan worden
                    opgenomen binnen een ruimere periode van 26 weken. Het adoptie- en
                    pleegzorgverlof is geregeld in de artikelen 3:2 t/m 3:7, 3:9, 3:12, 3:13, 3:14
                    en 3:29 Wazo.</al><al><vet>Lid 2, 3 en 4</vet></al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de uitkering
                    aangevraagd via de werkgever. De werkgever vraagt uiterlijk twee weken voor de
                    datum van ingang van het verlof een uitkering bij het UWV aan (artikel 3:11 lid
                    2). De uitkering wordt gestort op rekening van de werkgever en de werkgever
                    betaalt het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) door. De
                    ambtenaar verleent op verzoek van de werkgever alle medewerking aan het via de
                    werkgever tot uitbetaling laten komen van de uitkering ter zake het adoptie- en
                    pleegzorgverlof. Wanneer een ambtenaar geen volledige medewerking verleent ten
                    aanzien van de aanvraag van de uitkering kan dit leiden tot een korting op zijn
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het tijdvak waarover adoptie- en pleegzorgverlof wordt genoten, schort de
                    termijn van 6 maanden van artikel 7:3 gedurende welke termijn het recht bestaat
                    op doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    niet op. Dit betekent dat indien een ambtenaar ziek is en tijdens de ziekte
                    adoptie- en pleegzorgverlof geniet, het verlof onderdeel uitmaakt van de termijn
                    van 6 maanden.</al><al><vet>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof</vet> Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met zwangerschap en bevallingsverlof als op
                    een uitkering in verband met adoptie of pleegzorg, vervalt de uitkering voor
                    adoptie of pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht
                    heeft op een uitkering in verband met adoptie als op een uitkering in verband
                    met pleegzorg krijgt de werknemer de uitkering in verband met pleegzorg evenmin
                    uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie aangebracht tussen de
                    verschillende uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29
                    Wazo).</al><tussenkop>Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                    levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en maximaal
                    18 maanden. Voor de maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de
                    sociale zekerheidswetgeving. In deze wetgeving is bepaald dat het normale voor
                    ingang van het verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de
                    vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer duurt
                    dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van hoofdstuk 6a
                    CAR kan hij gedurende deze periode van onbetaald verlof beschikken over zijn
                    levenslooptegoed. Voor meer informatie over de opname van het levenslooptegoed
                    wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                    aanvang van dat verlof vervulde tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan
                    te voeren die terugkeer naar deze functie belemmeren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals die
                    worden genoemd in het eerste en tweede lid, is dat op basis van dit artikellid
                    mogelijk. Er kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het toekennen van
                    verlof dat korter dan een maand duurt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                    beschikken over het levenslooptegoed (artikel 6a:9, tweede lid CAR). De aanvraag
                    voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om onbetaald
                    verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts tot
                    uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt
                    toegekend.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                    daartegen verzet. Hiervan is onder meer sprake indien honorering van het verzoek
                    zou leiden tot een dusdanige kleine aanstelling dat dit leidt tot bijvoorbeeld
                    rooster-technische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen partijen
                    in onderling overleg tot een oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de
                    belangen van de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                    wanneer een ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald
                    verlof geniet. Het biedt het college enkel de mogelijkheid. In sommige gevallen
                    is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij of geen nadeel
                    ondervindt van betaalde activiteiten van de ambtenaar.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van drie
                    jaar direct voorafgaand aan pensionering kan slechts worden geweigerd als een
                    zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich daartegen verzet. Het college mag dit
                    argument niet lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient
                    zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de
                    maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken.</al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is in ieder geval sprake indien
                    toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen
                            uren;</al></li><li nr="b"><al>op het gebied van veiligheid, of</al></li><li nr="c"><al>van rooster-technische aard.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:10 Aanspraken tijdens het verlof (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald verlof
                    geen opbouw van vakantie-uren plaatsvindt. Omdat een eventuele maandelijkse
                    uitkering van het levenslooptegoed van artikel 6a:9 CAR niet kan worden
                    aangemerkt als salaris vindt over de opgenomen uren van onbetaald verlof ook
                    geen opbouw van de vakantietoelage, levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering
                    plaats.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook
                    gedacht worden aan een kinderopvangvergoeding, kostenvergoeding en een
                    verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een telefoon. Het college draagt zorg
                    voor de aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de uitkeringsrechten
                    van de ambtenaar na de periode van verlof. In de sociale zekerheidswetgeving is
                    immers bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende
                    arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van het recht op een
                    uitkering, mits het verlof niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                    tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Echter wanneer
                    het college gedurende de periode van onbetaald verlof van de ambtenaar een
                    vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een opleiding wil
                    verstrekken dan sluit dit artikellid dat niet uit.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                    situatie van onbetaald verlof voor zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar
                    betaalt zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel. Het college draagt zorg
                    voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht gedurende de gehele
                    periode van verlof op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode
                    van maximaal drie maanden behelst, geldt dit niet. Dan betaalt de ambtenaar
                    enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel wordt bij verlof van maximaal drie
                    maanden door het college betaald. Bij deeltijdverlof wordt het verhaal naar rato
                    vastgesteld.</al><al>De mate van opbouw van pensioen tijdens onbetaald verlof is geregeld in het
                    pensioenreglement. Artikel 6:10, vierde lid, regelt de premieverdeling tussen
                    het college en de ambtenaar. Hieronder wordt aangegeven in welke mate pensioen
                    wordt opgebouwd, hoe de premieverdeling is geregeld en hoe het college de premie
                    moet verhalen op de ambtenaar.</al><lijst><li nr="1"><al><vet>Pensioen opbouwen</vet></al><lijst><li><al><cursief> Onbetaald verlof zonder levensloopuitkering</cursief>
                                    Bij onbetaald verlof zonder levensloopuitkering vindt gedurende
                                    de gehele verlofperiode de pensioenopbouw plaats alsof er geen
                                    sprake van verlof is (artikel 3:4, eerste lid, van het
                                    pensioenreglement). De ambtenaar blijft dus ongewijzigd pensioen
                                    opbouwen.</al></li><li><al><cursief>Onbetaald verlof met levensloopuitkering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Als de levensloopuitkering hoger of gelijk is aan 70%
                                            van het inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar
                                            niet met verlof was gegaan, wordt de pensioenopbouw
                                            gebaseerd op het inkomen dat zou zijn genoten als de
                                            ambtenaar niet met verlof was gegaan. Dit is alleen in
                                            het eerste jaar. Daarna stopt de opbouw. De ambtenaar
                                            heeft dan wel de keuze om nog pensioen op te bouwen op
                                            basis van een individueel vastgestelde premie.</al></li><li nr="-"><al>Bij een levensloopuitkering van minder dan 70% van het
                                            inkomen dat zou zijn genoten als de ambtenaar niet met
                                            verlof was gegaan, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op
                                            de levensloopuitkering die de medewerker geniet. Ook in
                                            deze situatie geldt dat na één jaar de ambtenaar kan
                                            kiezen voor voortzetting van pensioenopbouw op basis van
                                            een individuele premie. Dit is bepaald in artikel 16.6
                                            van het pensioenreglement.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Premieafdracht pensioen</vet>Als een ambtenaar onbetaald verlof
                            opneemt (ongeacht of het wordt gefinancierd door levenloop) voor een
                            periode korter dan drie maanden dan blijft de premieafdracht
                            ongewijzigd. Het college betaalt dus 70% van de premie en de ambtenaar
                            30% (voor de FPU-premie geldt 50%-50%).Als de ambtenaar onbetaald verlof
                            wil opnemen voor langer dan drie maanden betaalt hij vanaf de eerste
                            verlofdag de volledige pensioenpremies zelf. Als de ambtenaar het verlof
                            financiert met levenloop dan stopt de pensioenopbouw op basis van de
                            doorsneepremie van het ABP na één jaar. De ambtenaar kan ervoor kiezen
                            om de opbouw voort te zetten. Hij betaalt dan zelf de volledige
                            individuele premie.Financiert de ambtenaar het onbetaalde verlof niet
                            met levensloop dan loopt de pensioenopbouw ook na één jaar door op basis
                            van de doorsneepremie van het ABP. De ambtenaar betaalt de volledige
                            premie zelf.Voor de pensioenvormen ANW, AAOP
                            (arbeidsongeschiktheidspensioen) en FPU (VUTfondsbijdrage) vindt geen
                            opbouw plaats. Er moet wel premie worden afgedragen. Met die premie
                            worden de uitkeringen gefinancierd van (ex)-deelnemers van het ABP die
                            recht hebben op die uitkering. Hieraan kunnen de premiebetalers geen
                            rechten ontlenen.</al></li><li nr="3"><al><vet>Verhalen premie</vet>Het verhaal van de premie op de ambtenaar moet
                            op een van de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar een levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof houdt het college daar de door de ambtenaar
                                    verschuldigde pensioenpremie direct op in.</al></li><li nr="-"><al>Als de ambtenaar geen levensloopuitkering geniet tijdens het
                                    onbezoldigd verlof kan het bedrag dat het college moet verhalen
                                    op de ambtenaar niet verrekend worden met een betaling vanuit de
                                    gemeente aan de ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de
                                    gemeente op de ambtenaar. De gemeente dient afspraken te maken
                                    met de ambtenaar hoe deze vordering ingelost wordt.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:11 Samenloop met ziekte (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet verzekerd
                    voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in die periode geen loon en
                    daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden betaald. De werknemer
                    ondervindt na afloop van de verlofperiode geen nadeel voor de toepassing van de
                    Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering, mits dit verlof maximaal 18 maanden
                    duurt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee weken. Op
                    grond van de wet geldt als eerste ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn functie
                    niet meer kan vervullen wegen ziekte.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                    ambtenaar die langer dan 14 kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende
                    gevallen de periode van verlof te beëindigen. Hiervan kan enkel sprake zijn
                    wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z. verlof dat niet
                    voorafgaand aan pensionering wordt genoten.</al><al>Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat de periode van verlof niet stopt
                    bij ziekte. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof
                    de dag dat de ambtenaar zijn functie weer zou kunnen gaan vervullen na de
                    periode van verlof als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><tussenkop>Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                    recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In verband met het bijzondere
                    karakter van dat verlof is bepaald dat het onbetaalde verlof eindigt bij
                    samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de periode van het
                    verlof een uitkering geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel
                    6a:9 CAR wordt deze uitkering bij aanvang van het zwangerschaps- of
                    bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het levenslooptegoed op
                    grond van artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden
                    opgenomen voor zover de uitkering uit dit tegoed samen met het daarnaast van de
                    werkgever genoten loon uitgaat boven het laatstgenoten loon. Aan de ambtenaar
                    die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van artikel 6:6 CAR
                    het volledige salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n)
                    doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><tussenkop> Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen</vet> De levensloopregeling zoals die is opgenomen in artikel 19g
                    van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg is
                    per 1 januari 2006 in werking getreden. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting
                    2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere uitvoeringsbepalingen met
                    betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven. Daarin is onder meer
                    verplicht gesteld dat de werkgever een schriftelijk vastgelegde
                    levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke verplichting is door het LOGA
                    uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is in artikel
                    6a:7 CAR de zogenaamde levensloopbijdrage opgenomen, een werkgeversbijdrage die
                    de ambtenaar kan sparen in het kader van de gemeentelijke
                    levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in de
                    CAR. Dit is niet nodig omdat de wettelijke bepalingen over de levensloopregeling
                    rechtstreeks van toepassing zijn op gemeenteambtenaren. In de CAR zijn alleen
                    die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht zijn of aanvullende
                    afspraken bieden. Van dit principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede
                    komt van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de regeling. Hieronder een
                    globaal overzicht van de levensloopregeling zoals die is vastgelegd in de
                    bovenstaande wettelijke regelingen.</al><al><vet><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief></vet> Het doel van de
                    wettelijke levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid te bieden om op
                    individuele basis een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed - om
                    eerder met pensioen te gaan of (meerdere) periodes van onbetaald verlof te
                    financieren. Elke vorm van onbetaald verlof is toegestaan. De voorziening kan
                    bestaan uit een saldo op een bankrekening of een afgesloten
                    levensloopverzekering.</al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen in
                    de Wet arbeid en zorg. Het recht op deelname aan de regeling houdt overigens
                    niet automatisch in dat er recht op verlof bestaat. De werkgever zal toestemming
                    voor het verlof moeten geven in overeenstemming met de bestaande
                    rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande wettelijke regelingen
                    inzake verlof zoals de Wet arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR-UWO is
                    opgenomen wanneer en onder welke voorwaarden de ambtenaar recht heeft op
                    onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht op niet doelgebonden onbetaald
                    verlof opgenomen.</al><al><vet><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief></vet> De hoogte van het
                    levenslooptegoed is gebonden aan een wettelijk maximum. De ambtenaar mag
                    maximaal 210% van zijn bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog niet is
                    bereikt mag de werknemer jaarlijks maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon
                    dat in dat jaar door hem wordt verdiend. Zelfs als het tegoed daardoor in de
                    loop van het jaar uitstijgt boven 210% van het bruto jaarloon. Bepalend is de
                    hoogte van het levenslooptegoed per 1 januari.</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief> Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling
                    en een bruto jaarloon van € 25.000. Op 1 januari van jaar x bedraagt zijn
                    levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten en behaalde
                    vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon in
                    jaar x- /-1. Daarom mag A in jaar x nog 12% van zijn jaarloon in jaar x sparen
                    binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A € 3.000 (12% *€25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief> Per 31 december van jaar x bedraagt het
                    levenslooptegoed van ambtenaar A € 52.000 + (stel 4% rente) € 2.080 + € 3.000
                    (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210% van het jaarloon
                    zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen
                    meer sparen. Ook niet als hij een salarisverhoging ontvangt in jaar x+1.</al><al>Nadat het maximum is bereikt mogen - totdat het levenslooptegoed weer lager is
                    dan het maximum - geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in die
                    periode wel verder worden overschreden door oprenting of toename van de waarde
                    van de levensloopverzekering.</al><al><cursief><vet>Let op:</vet> uitzondering in het geval van demotie </cursief> Als
                    in het voorafgaande kalenderjaar een salarisvermindering heeft plaatsgevonden
                    mag op grond van de wet bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard van
                    het niet verminderde salaris worden uitgegaan, mits die salarisvermindering het
                    gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een
                    lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voor de
                    ingangsdatum van het pensioen. Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband
                    na het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet minder mag zijn dan 50% van de
                    omvang van het dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de
                    pensioendatum ligt.</al><al><vet><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        spaarperiode</cursief></vet> De werkgever houdt bij deelname van de
                    werknemer aan de levensloopregeling maximaal 12% in op het brutoloon van de
                    werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever gestort op een geblokkeerde
                    levenslooprekening of levensloopverzekering naar keuze en op naam van de
                    ambtenaar. Over deze stortingen is geen loonheffing (loonbelasting en premies
                    volksverzekeringen) verschuldigd. Bij de levensloopregeling is namelijk de
                    omkeerregel van toepassing. Deze houdt in dat over de bedragen die worden
                    gespaard geen loonheffing verschuldigd is en dat heffing pas plaatsvindt op het
                    moment dat deze bijdragen tot uitkering komen. Ook is over deze bedragen geen
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage verschuldigd zoals bedoeld in artikel
                    41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen zijn wel de gebruikelijke premies
                    werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><vet><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        verlofperiode</cursief></vet> Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden
                    gebruikt om eerder met pensioen te gaan of om periodes van onbetaald verlof te
                    financieren. Op dat moment maakt de instelling waar het levenslooptegoed is
                    ondergebracht het tegoed (periodiek) over naar de werkgever. De werkgever houdt
                    de verschuldigde loonheffing en de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in
                    en maakt het resterende tegoed (periodiek) aan de werknemer over. De werkgever
                    is op grond van de wet verplicht de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage te
                    vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                    heffingskorting van € 183 (2006) per gespaard jaar. Een werknemer die
                    bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft bij opname van het tegoed recht op
                    een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting
                    moet door de werkgever in mindering worden gebracht op de verschuldigde
                    loonheffing. De korting is nooit hoger dan het bedrag dat wordt opgenomen van
                    het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen recht op de korting bij opname
                    van verlof.</al><tussenkop>Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                    pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen mogen de
                    levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke instelling hij
                    de levenslooprekening (of-verzekering) wil onderbrengen. Onder levenslooptegoed
                    valt niet alleen het levenslooptegoed dat de ambtenaar in zijn ambtelijke
                    dienstverband opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed opgebouwd bij een
                    andere inhoudingsplichtige.</al><tussenkop>Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling hij dit bij het college meldt. Het college kan de deelname
                    enkel weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen zoals die zijn gesteld in
                    artikel 6a:4 CAR. Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de
                    ambtenaar deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling tot dat de deelname
                    wordt beëindigd op grond van artikel 6a:8 CAR. Het college heeft wel de
                    wettelijke mogelijkheid om inhoudingen op het loon ten behoeve van de
                    levensloopregeling te corrigeren als blijkt dat de grenzen van artikel 19g van
                    de Wet op de loonbelasting 1964 worden overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van artikel
                    7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per jaar
                    melden aan de werkgever dat hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het college
                    of hij bij een of meer gewezen werkgevers/inhoudingsplichtigen een
                    levenslooptegoed heeft opgebouwd. Indien de ambtenaar meerdere dienstverbanden
                    heeft, hoeft hij het levenslooptegoed dat wordt opgebouwd bij andere
                    inhoudingsplichtigen niet door te geven aan het college.</al><al><cursief>Algemeen</cursief> De werkgever bij wie het levenslooptegoed is
                    opgebouwd, is ook inhoudingsplichtig met betrekking tot de over het
                    levenslooptegoed verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                    ziektekostenbijdrage op grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in
                    beginsel ook indien de werknemer niet meer in dienst is bij deze
                    inhoudingsplichtige. Echter, indien de werknemer een nieuwe dienstverband
                    aanvaardt, wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe
                    werkgever. Met andere woorden, de nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het bij de oude werkgever opgebouwde levenslooptegoed. Dit is
                    slechts anders indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de werknemer niet gaat deelnemen aan de levensloopregeling van de nieuwe
                            werkgever; of,</al></li><li nr="-"><al>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn opgebouwd bij een andere
                            inhoudingsplichtige met wie de werknemer op dat moment een dienstverband
                            heeft. Dit kan het geval zijn als de werknemer al in dienst is bij een
                            andere werkgever.</al></li></lijst><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                    binnen de 210% grens blijft. Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee waarvoor
                    hij geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn. Indien de werknemer aan d</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief> Ambtenaar X heeft bij werkgever A een
                    levenslooptegoed opgebouwd van € 30.000. Hij neemt ontslag bij werkgever A en
                    aanvaardt een nieuw dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X neemt geen deel
                    aan de levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft inhoudingsplichtig
                    ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens
                    uitsluitend een uitkering ineens toegestaan zoals bij afkoop het geval is (zie
                    artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A kan de ambtenaar geen verlof
                    meer verlenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en
                    aanvaardt een nieuw dienstverband bij werkgever B. Ambtenaar X gaat ook bij de
                    nieuwe werkgever deelnemen aan de levensloopregeling. Het levenslooptegoed van €
                    30.000 wordt nu geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B is
                    inhoudingsplichtig ten aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of het
                    totale levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens blijft. Het
                    levenslooptegoed kan blijven staan bij de eerder gekozen levensloopinstelling
                    waar het is opgebouwd.</al><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief> Ambtenaar X gaat naast zijn dienstverband met
                    werkgever B een tweede dienstverband aan met werkgever C. Ook bij deze werkgever
                    gaat de ambtenaar deelnemen aan de levensloopregeling. Omdat werkgever B al
                    inhoudingsplichtig is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000 hoeft
                    werkgever C geen rekening te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft
                    werkgever C ook niet te informeren over dit levenslooptegoed.</al><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief> Ambtenaar X neemt deel aan zowel de
                    levensloopregeling van werkgever B als werkgever C. Zijn inkomen van werkgever B
                    bedraagt € 15.000, zijn inkomen bij werkgever C bedraagt € 20.000. Beide
                    werkgevers moeten ieder kalenderjaar toetsen of het maximum is bereikt om te
                    bepalen of de werknemer nog mag sparen in het betreffende kalenderjaar. Bij
                    werkgever B bedraagt het levenslooptegoed op 1 januari € 30.000. Dit is minder
                    dan 210% van het bruto jaarloon zijnde € 15.000. Daarom mag X in het aankomende
                    kalenderjaar nog 12% van € 15.000 sparen binnen de levensloopregeling bij
                    werkgever B. Bij werkgever C heeft de ambtenaar nog geen levenslooptegoed
                    opgebouwd. Bij werkgever C mag de ambtenaar daarom in het aankomende
                    kalenderjaar 12% van € 20.000 sparen binnen de levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling na
                    afloop van elk kalenderjaar een overzicht van het levenslooptegoed van de
                    ambtenaar te verstrekken aan het college. De reden hiervoor is dat het college
                    moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de 210% grens
                    blijft. De verklaring geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college niet
                    inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de ambtenaar bij
                    meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan een levensloopregeling.</al><tussenkop>Artikel 6a:5 Inleg (T)</tussenkop><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                    sparen. Hierbij mag worden uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op de
                    jaaropgave. Als de werknemer meerdere dienstverbanden naast elkaar heeft, geldt
                    het maximum per dienstverband. Het wettelijke maximum van 12% geldt niet voor de
                    ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd
                    van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                    overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de
                    maand waarin de door de ambtenaar aangewezen bronnen zouden zijn
                    uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 6a:6 Bronnen (T)</tussenkop><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking van
                    de uitvoeringslast zijn niet alle bestanddelen die onder het fiscale loon vallen
                    als bron aangewezen.Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde
                    voor 1 april 2006 kan alleen worden ingezet indien het college in samenspraak
                    met de ambtenaar tot het besluit is gekomen dat het verloftegoed wordt omgezet
                    in een geldbedrag.</al><tussenkop>Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Alle ambtenaren zoals genoemd in het eerste lid hebben recht op de
                    levensloopbijdrage, ongeacht of er wordt deelgenomen aan de gemeentelijke
                    levensloopregeling. De ambtenaar kan er voor kiezen om de bijdrage niet voor de
                    levensloopregeling aan te wenden. De bijdrage wordt in dat geval, na inhouding
                    van de verschuldigde loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de
                    inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage, uitbetaald tegelijk met het
                    salaris.</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage bedraagt 1,5% x het salaris op jaarbasis.
                    Voor degenen met een deeltijdaanstelling of arbeidsovereenkomst wordt de
                    levensloopbijdrage conform het salaris vermenigvuldigd met de
                    deeltijdfactor.</al><al>De levensloopbijdrage is geen salaristoelage en behoort daarom niet tot de
                    grondslag voor de berekening van de vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding
                    zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR. Ook behoort de bijdrage niet tot de
                    grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de uitkering niet kan worden
                    aangemerkt als salaris zoals gedefinieerd in artikel 1:1 lid 1.</al><al>De werkgeversbijdrage voor de levensloop geldt als vervanging van de FPU
                    Gemeenten. De ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met
                    FPU is gegaan heeft recht op de FPU Gemeenten en blijft dit recht houden. Daarom
                    hebben zij geen recht op de werkgeversbijdrage voor de levensloop.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Deze leden gelden voor de ambtenaar die op of na 1 januari 2006 in dienst is
                    getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op
                    functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                    december 2005.</al><al>Wanneer de ambtenaar binnen 20 jaar een andere, niet bezwarende, functie
                    aanvaardt, is hoofdstuk 9a niet meer van toepassing en valt deze ambtenaar onder
                    de reguliere levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De levensloopbijdrage van 2,5% eindigt in ieder geval na 20 jaar.</al><al>Wanneer het college en de ambtenaar gezamenlijk besluiten dat de tweede loopbaan
                    na 20 jaar nog niet begonnen wordt (conform artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel
                    b), kan de levensloopbijdrage van 2,5% worden voortgezet.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De levensloopbijdrage van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf augustus van dat
                    jaar opgebouwde aanspraken per maand. Aan ambtenaren die niet het gehele
                    kalenderjaar in dienst zijn, wordt een levensloopbijdrage betaald over dat
                    gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam zijn
                    geweest.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>In artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP is opgenomen dat de werkgeversbijdrage voor levensloop van
                    0,8% van het salaris ingevolge het Hoofdlijnenakkoord van 5 juli 2005 niet
                    pensioengevend is, tenzij de sector anders besluit. Als de werkgeversbijdrage in
                    de levensloop de 0,8% te boven gaat is het meerdere wel pensioengevend, tenzij
                    de sector anders besluit. In het CAO-onderhandelaarsakkoord 2005- 2007 heeft het
                    LOGA ten aanzien van ambtenaren in niet-bezwarende functies afgesproken dat de
                    0,8% ook pensioengevend is. Voor de sector Gemeenten geldt dus voor ambtenaren
                    in niet-bezwarende functies dat de gehele levensloopbijdrage in de
                    levensloopregeling tot de pensioengrondslag behoort en hierover pensioen wordt
                    opgebouwd. Of de medewerker deze bijdrage daadwerkelijk laat inleggen in zijn
                    individuele levensloopregeling of laat uitbetalen door de werkgever is hierbij
                    niet relevant.</al><al>Voor ambtenaren die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                    bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                    is - in het tweede lid - een afwijkende levensloopbijdrage vastgesteld. Hiervan
                    is dat percentage pensioengevend, dat ambtenaren in niet-bezwarende functies
                    ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling kan beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop van
                    tijd weer verder sparen dan moet hij dit opnieuw melden (zie artikel 6a:3 CAR).
                    De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per jaar een melden dat hij
                    wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    in ieder geval beëindigd wordt.</al><al>Op grond van artikel 8:2 CAR eindigt het dienstverband van de werknemer met
                    ingang van de dag dat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling eindigt op de dag voordat zijn dienstverband
                    eindigt. Als de medewerker het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor
                    die datum, heeft hij twee keuzes. In de eerste plaats kan het levenslooptegoed
                    contant worden opgenomen door de medewerker onder inhouding van de verschuldigde
                    loonheffing en inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage (als loon uit een
                    vroeger dienstverband). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed te
                    besteden aan het verbeteren van het ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale
                    ruimte is.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die de
                    instelling hanteert waarbij het levenslooptegoed is ondergebracht.</al><tussenkop>Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed (T)</tussenkop><al>Als het levenslooptegoed wordt opgenomen voor andere reden dan voor een periode
                    van verlof dan is melding 3 maanden vooraf niet nodig. De gemeente wordt in die
                    situatie namelijk niet geconfronteerd met onverwachte kosten of onverwachte
                    afwezigheid. Bij opname van levenslooptegoed zijn de bepaling in de Wet op de
                    Loonbelasting 1964 en de Wet Inkomstenbelasting van toepassing.</al><al>Indien de ambtenaar het levenslooptegoed wil inzetten voor verlof moet het
                    college op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed (periodiek) uitkeren
                    aan de ambtenaar gedurende een periode van verlof. Op de uitkering bij verlof
                    wordt de eventueel verschuldigde loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage,
                    pensioenpremies en eventuele andere inhoudingen ingehouden. De ambtenaar meldt
                    het college drie maanden voor de gewenste ingangsdatum dat hij over (een deel
                    van) zijn levenslooptegoed wil beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn
                    die geldt voor de aanvraag van onbetaald verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR).
                    De aanvraag voor het gebruik maken van het levenslooptegoed en het verzoek om
                    onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan uiteindelijk slechts
                    tot uitkering van het levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof
                    wordt toegekend. De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt
                    het tegoed alleen over naar het college voor zover het college en de ambtenaar
                    samen daarvoor toestemming hebben verleend. Aan de hoeveelheid levenslooptegoed
                    die een werknemer per maand kan opnemen is een limiet gesteld. Het opgenomen
                    bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct voorafgaand aan
                    de verlofperiode per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1.000
                    verdiende, mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan levenslooptegoed opnemen
                    voor de financiering van 1 maand onbetaald verlof. Er moet daarbij ook rekening
                    worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de werkgever. Krijgt
                    deze werknemer tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog
                    maar € 500 van zijn levenslooptegoed opnemen. Het laatstgenoten loon is het
                    reguliere loon dat voorafgaand aan de verlofperiode van de werkgever werd
                    ontvangen. Hierbij mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden
                    algemene salarisstijgingen. Bij de toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het
                    laatstgenoten loon hoeft op grond van de wet geen rekening te worden gehouden
                    met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige. De opname van het
                    levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als salaris. Daarom behoort de
                    opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening van de
                    vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24a CAR.
                    Ook behoort de opname niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat de
                    uitkering niet kan worden aangemerkt als salaris zoals gedefinieerd in artikel
                    1:1 lid 1.</al><al>Voor de opname van het levenslooptegoed voor andere bestedingsdoelen zijn geen
                    verdere bepalingen nodig. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk om het
                    levenslooptegoed binnen de fiscale mogelijkheden in te zetten voor de opbouw van
                    extra pensioen.</al><tussenkop>Artikel 6a:10 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder hoofdstuk
                    9 en 9b. Voor zover hier van belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel
                    leeftijdsontslag) tot 1 juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar die op grond van
                    artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel FLO-ontslag wordt
                    verleend. Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het overgangsrecht
                    personeel in bezwarende functies afwijkende afspraken zijn gemaakt, hebben zij
                    geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is
                    van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="-"><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een beroepsbrandweerkorps of bij
                            een ambulancedienst; en</al></li><li nr="-"><al>op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor door het college
                            krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="-"><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken een functie heeft vervuld, op grond
                            waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005,
                            ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></li></lijst><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                    hebben dus geen recht op de levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de ambtenaar
                    die op 31 december 2005 een functie vervulde, waarvoor een leeftijdsgrens was
                    bepaald, maar die feitelijk niet bezwarend was), valt wel onder hoofdstuk
                    6a.</al><tussenkop>Artikel 7:1 Definities (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Sub a</al><al>De definitie van passende arbeid komt overeen met de definitie die sinds de
                    invoering van de Wet Verbetering Poortwachter in artikel 658a van boek 7, titel
                    10, van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen. In zijn algemeenheid dient de vraag
                    wat passende arbeid is in elk concreet geval aan de hand van de omstandigheden
                    te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat het bij passende arbeid moet gaan
                    om arbeid die in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op
                    onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de afstand
                    tot het werk, het salarisniveau en hetgeen waartoe de ambtenaar nog in staat is.
                    Hierbij geldt dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, een bredere
                    oriëntatie ten aanzien van de te verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate
                    de duur van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de
                    ambtenaar worden verlangd dat hij concessies doet met betrekking tot de door hem
                    te verrichten werkzaamheden, als reïntegratie in de eigen functie niet tot de
                    mogelijkheden behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet
                    als passend moet worden aangemerkt, op een later moment -door wijziging van de
                    omstandigheden- wel als passend kan worden aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen,
                    of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden
                    verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede dat werkgever en
                    ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit dat de ambtenaar
                    tijdelijk ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                    belemmerend is voor het herstelproces en voor zover dit werk ook overigens in
                    redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder meer diens
                    arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen werkplek niet
                    meer tot de reële mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet
                    in eerste instantie zo dicht mogelijk worden aangesloten bij de laatst
                    overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke termijn) dergelijke arbeid
                    noch bij de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de
                    ambtenaar worden verlangd, dat hij zich wat betreft door hem te aanvaarden
                    arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie is dit betreffende het begrip
                    passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al>De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste instantie
                    ter beoordeling van de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan raadplegen om te
                    kunnen beoordelen wat (gegeven de gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag
                    worden gevraagd. Als de werkgever twijfelt over de vraag of de arbeid die hij
                    voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden aangemerkt, kan hij
                    daarover ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI, een oordeel
                    vragen aan het UWV, als onafhankelijke deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze
                    mogelijkheid. Voor de rechtsbescherming van de werknemer is relevant dat wanneer
                    de werkgever besluit op grond van artikel 7:14, tweede lid, onder b, het salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n) niet uit te betalen, deze alsnog aan de
                    ambtenaar moet worden uitbetaald als de ambtenaar op grond van de second opinion
                    ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in het gelijk wordt
                    gesteld. Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de
                    werkgever - als de ambtenaar ziek is - te zoeken naar passende arbeid (artikel
                    7:9). Daarnaast is de ambtenaar verplicht passende arbeid te aanvaarden, wanneer
                    deze wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de
                    weigering van een ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Sub b</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden verricht met oog op terugkeer
                    in zijn eigen of passende arbeid, heeft over die uren ingevolge artikel 7:3,
                    zesde lid, onder c, recht op 100% doorbetaling van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen
                    arbeid. Over de invulling van deze werkzaamheden maakt de werkgever heldere
                    afspraken met de ambtenaar. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake
                    deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. Bij het maken
                    van de afspraken tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het
                    aantal uren dat een ambtenaar op bepaalde dagen moet gaan werken, wat de
                    aanvangs- en vertrektijden zijn, welke taken de ambtenaar moet gaan uitvoeren en
                    wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan van
                    aanpak bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze worden
                    aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering
                    van een ambtenaar werkzaamheden in het kader van de reïntegratie te aanvaarden
                    te sanctioneren.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Sub c</al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met het oog op terugkeer in
                    zijn eigen of passende arbeid, heeft ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder d,
                    over deze uren recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n). Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk
                    maakt dat de ambtenaar op een andere wijze zijn eigen functie weer volledig kan
                    verrichten. Ook kan scholing worden gezocht die de ambtenaar in staat stelt een
                    passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing moeten de
                    ambtenaar en de werkgever afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door
                    een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst. De
                    afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9. De
                    ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt aangeboden
                    (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een
                    ambtenaar scholing in het kader van de reïntegratie te aanvaarden te
                    sanctioneren.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt eraan herinnerd dat artikel 7:24a,
                    7:25, 7:25a en 7:25b niet van toepassing zijn op de ambtenaar met een
                    arbeidsovereenkomst en dat hoofdstuk 7 niet van toepassing is op de ambtenaar
                    die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                    praktische opleiding of vorming.</al><tussenkop>Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                    bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek nader regelen. Dat
                    betekent dat voor UWO-gemeenten de bedrijfsgeneeskundige begeleiding in de
                    artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is uitgewerkt.
                    UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze
                    UWO-artikelen toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen voor zover noodzakelijk. Voor
                    alle gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 7:2:1 Arbo-dienst (T)</tussenkop><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich bij de
                    begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te
                    verrichten te laten bijstaan door een deskundige die gecertificeerd is op het
                    terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde of een arbo-dienst. Dit houdt
                    onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering van de
                    reïntegratieverplichtingen ingevolge de WIA de bovengenoemde deskundige of de
                    arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen om een probleemanalyse en een
                    advies, die de basis vormen van het plan van aanpak, dat na 8 weken ziekte
                    opgesteld moet zijn.</al><tussenkop>Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan een
                    geneeskundig onderzoek. Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer
                    bijvoorbeeld het gedrag van een ambtenaar op de werkplek aanleiding vormt voor
                    de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede gezondheid geniet. Het
                    kan voor de werkgever ook van belang zijn te weten of de ongeschiktheid voor een
                    functie een medische oorzaak heeft. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de
                    ambtenaar verplicht zich aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen, in artikel
                    7:13:2 is de sanctie neergelegd indien de ambtenaar weigert zich te onderwerpen
                    aan een dergelijk onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                    bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    De brochure 'Slim omgaan met subsidies voor arbeidsgehandicapten' van het A+O
                    fonds geeft hierover uitgebreide informatie.</al><tussenkop>Artikel 7:3 Recht op salaris (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Inleiding</vet> Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt
                    aangesloten bij de jurisprudentie zoals die door de Centrale Raad van Beroep is
                    gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor een recht op ziekengeld
                    moet een verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                    ziekte. Onder het begrip 'ongeschiktheid tot werken' verstaat de Centrale Raad
                    het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen
                    verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert de Centrale
                    Raad een medisch ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de Centrale Raad,
                    sprake zijn van een 'de gezondheidstoestand ongunstig beïnvloedend procesmatig
                    gebeuren'.</al><al><vet>Lid 1, 2, 3 en 4</vet></al><al>In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime van de
                    hoogte van de loondoorbetaling tijdens ziekte weergegeven. Met ingang van de
                    eerste ziektedag wordt het salaris en de toegekende salaristoelage(n) gedurende
                    zes maanden volledig doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende
                    maand tot en met de twaalfde maand recht op 90% van zijn salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n). Na twaalf maanden van ziekte heeft de ambtenaar
                    recht op 75% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Na 24 maanden
                    van ziekte heeft de ambtenaar recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) tot het einde van zijn dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet mag worden aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4,
                    die de hoogte van de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) bepalen, tijdens ziekte zijn hier niet van toepassing. In
                    artikel 6:7 is geregeld dat de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof recht heeft op de doorbetaling van haar volledige salaris en
                    de toegekende salaristoelage(n). Dit geldt ook als de ambtenaar ziek is tijdens
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                    heeft met andere woorden voorrang boven de financiële aanspraken die gelden
                    tijdens ziekte.</al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                    ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon over de perioden van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof en daarna.</al><al>Op grond van de Ambtenarenwet is de loondoorbetalingsverplichting bij een zieke
                    ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, korter. Tot 2018 is
                    deze termijn 13 weken waarna ontslag kan volgen. Wordt de ambtenaar niet
                    ontslagen, dan loopt de loondoorbetalingsperiode ook langer door. In 2018 wordt
                    de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geëvalueerd en wordt de
                    loondoorbetalingstermijn mogelijk verkort.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing in
                    het kader van de reïntegratie zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid,
                    onderdelen a, b en c. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak bestaan
                    op het gehele salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De ambtenaar die gedurende het tweede ziektejaar en daarna voor ten minste 50%
                    van zijn arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid of werkzaamheden in het kader
                    van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt als genoemd in het zesde lid,
                    heeft recht op een bonus van 5%, berekend over het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) waarop hij recht heeft ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft
                    naast de betaling van 100% over de gewerkte uren en uren van scholing in het
                    kader van de reïntegratie een extra reïntegratiestimulans voor de ambtenaar. Een
                    ambtenaar heeft in het eerste ziektejaar geen recht op de bonus.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari 2005,
                    vindplaats: LJN AS9294, 02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke behandeling
                    tussen mannen en vrouwen voortvloeit dat de periode vanaf het begin van de
                    zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof waarin de
                    zwangerschap gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag
                    worden voor de berekening van de termijn als bedoeld in het eerste tot en met
                    het vierde lid. Indien dat wel het geval zou zijn, zou de medewerkster die
                    zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd worden met een verlaging
                    van haar beloning. Deze verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom
                    strijdig met het gelijke behandelingsrecht. In het tiende lid is daarom geregeld
                    dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de termijnen als bedoeld
                    in het eerste tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer
                    duurt voordat de beloning van betrokkene op een lager niveau gesteld wordt.</al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><vet><cursief>Voorbeeld</cursief></vet> Een medewerkster is met ingang van 1
                    februari 2006 ziek vanwege een hernia. Zij wordt hersteld verklaard op 1 mei
                    2006 (zij is dan 3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens
                    zwangerschapsklachten (minder dan 4 weken van herstel) en herstelt hiervan met
                    ingang van 15 juni 2006 (1 maand ziek). Met ingang van 1 juli 2006 valt zij voor
                    4 maanden uit wegens een hernia (minder dan 4 weken van herstel). Als gevolg van
                    de samentelregeling uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er
                    minder dan 4 weken van herstel tussen ligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster
                    dan met ingang van 1 september 2006 (dan zijn in totaal - de korte periodes van
                    herstel niet meegerekend - 6 maanden van ziekte verstreken), recht hebben op 90%
                    van haar salaris en de toegekende salaristoelage(n). De periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de periode van de hoogte van de
                    loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand zwangerschapsgerelateerd
                    ziek geweest. Als gevolg hiervan wordt haar beloning met ingang van 1 oktober
                    2006 naar 90% bijgesteld.</al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode bedoeld in
                    het eerste tot en met het vierde lid. Als een medewerker 7 maanden ziek is en na
                    3 weken herstel zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan heeft zij op grond van
                    het tweede lid van dit artikel recht op 90% doorbetaling van haar salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte. De
                    periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening van de
                    periode waarover de hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op. Ingevolge
                    artikel 29a van de Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode van
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op ziekengeld ter hoogte van 100% van
                    haar dagloon. In artikel 7:19 is de samenloop van beloning tijdens ziekte met
                    het ziekengeld geregeld.</al><al><vet>Lid 11</vet></al><al>Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke
                    behandelingsrecht vloeit voort dat de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg dat
                    ziekteperioden die onderbroken worden door het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof in principe niet mogen worden samengeteld aangezien er door het
                    verlof een onderbreking van vier weken of meer plaatsvindt tussen de
                    ziekteperioden. Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct aansluit
                    op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte moet redelijkerwijs
                    worden geacht voort te vloeien uit dezelfde oorzaak, worden deze perioden
                    samengeteld.</al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) op 15 juli 2006 (dit is zes maanden + 2 weken na 1 januari
                    2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 15 januari 2007 wordt het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) vervolgens teruggebracht naar 75 % en per 15
                    januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij, waarna zij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer
                    ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 26 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen
                    van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) op 26 oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006) wordt
                    teruggebracht naar 90%. Op 26 april 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht
                    naar 75% en per 26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van 4 weken of meer. Daardoor geldt 19 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de beloning begint te
                    lopen. Dit betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli 2006)
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot 90%. Op
                    19 juli 2007 wordt deze vervolgens teruggebracht naar 75% en per 19 juli 2008
                    naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot en met 20
                    augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij
                    is op dat moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    terugbrengen van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) op 21 oktober 2006 (dit is 6 maanden + 16 weken na
                    1 januari 2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt deze
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief> De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het
                    terugbrengen van de beloning begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari
                    2007 (dit is 6 maanden na 21 augustus 2006) het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) wordt teruggebracht tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt deze
                    vervolgens teruggebracht naar 75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al><vet>Lid 12</vet></al><al>Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in een
                    andere functie door middel van een wijziging van de aanstelling (artikel 7:16,
                    tweede lid), ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de aanstelling een
                    nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in deze aanstelling beginnen
                    de termijnen van dit artikel opnieuw te lopen.</al><al><vet>Lid 13</vet></al><al>Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                    salarisbetaling nader regelen. In de artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is hieraan
                    uitdrukking gegeven. Ook de artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1 bevatten
                    bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het tussentijds
                    stopzetten van de salarisbetaling.</al><al><vet>Lid 14</vet></al><al>Het college kan in bepaalde gevallen van oordeel zijn dat een korting op het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) niet redelijk is en besluiten tot
                    doorbetaling van het volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Deze
                    afweging wordt in ieder geval gemaakt als er sprake is van een zodanige
                    gezondheidssituatie dat het levenseinde van de ambtenaar, volgens objectieve
                    medische maatstaven, nabij is. Voordat het college een besluit neemt, kan advies
                    worden gevraagd aan de bedrijfsarts of de gezondheidssituatie van de ambtenaar
                    levensbedreigend is en of zijn leven op korte termijn ernstig gevaar loopt.</al><tussenkop>Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                    arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in een
                    dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is aan betrokkene. De WGA- of
                    IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald
                    percentage van het salaris en de toegekende salaristoelage(n), genoten in het
                    jaar voorafgaand aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de mate
                    van arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop>Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen (T)</tussenkop><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de
                    vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de
                    overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning in een
                    lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het ligt voor de hand om dit in het
                    lokale beloningsbeleid te regelen.</al><tussenkop>Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging (T)</tussenkop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                    artikel in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard van
                    het onderwerp ligt het voor de hand om dit in het lokale beloningsbeleid te
                    doen.</al><tussenkop>Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                    artikel 2:7a (T)</tussenkop><al>Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40 uur
                    werkt kan hij verplicht worden tot aanvaarding van een functie voor (maximaal)
                    40 uur, voor zover en zolang artikel 2:7a op hem van toepassing is. Na afloop
                    van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden een functie te accepteren
                    voor de formele arbeidsduur van 36 uur.</al><tussenkop>Artikel 7:9 Verplichtingen college (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van werkzaamheden
                    in het kader van de reïntegratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het
                    kader van de reïntegratie, bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onder b en c,
                    worden begrepen. Doel van deze maatregelen is terugkeer in de eigen arbeid dan
                    wel plaatsing in een passende functie.</al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de werkgever
                    de verplichting opgenomen om er, zover als mogelijk, voor te zorgen dat de
                    ambtenaar bij de eigen organisatie arbeid kan verrichten (eerste spoor). Als bij
                    de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden is, moet de werkgever
                    (laten) zoeken naar passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De
                    tekst van artikel 7:9 komt overeen met de tekst van artikel 658a van boek 7,
                    titel 10 van het Burgerlijk Wetboek. Het is mogelijk dat de werkgever en de
                    werknemer van mening verschillen over de aanwezigheid van passende arbeid.
                    Artikel 30, eerste lid, onder f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen bepaalt dat de werknemer of de werkgever UWV kan verzoeken een
                    onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over de aanwezigheid van
                    passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in staat is te
                    verrichten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen voor
                    werkgever en werknemer opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het
                    opstellen van een plan van aanpak, dat opgesteld moet worden op het moment dat
                    sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit plan van aanpak moet volgen
                    op een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte moet
                    worden opgesteld. Binnen twee weken daarna moet het plan van aanpak zijn
                    opgesteld. Hierin moet worden opgenomen welke maatregelen in het kader van het
                    herstel van de ambtenaar getroffen worden.</al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing moeten
                    worden neergelegd in het plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken
                    van de afspraken bijstaan door een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de
                    bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                    verzuimprotocol vaststelt. In diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen van
                    dat verzuimprotocol vastgesteld. In de ledenbrief van 26 november 2002, Lbr.
                    02/167 is een handreiking gedaan voor een verzuimprotocol. De verplichte
                    elementen maken daar onderdeel van uit.</al><tussenkop>Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte
                    (T)</tussenkop><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de salarisbetaling.
                    Dit is bepaald in artikel 7:13:2, eerste lid, onder i.</al><tussenkop>Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen die, ook in het derde
                    ziektejaar, in het kader van ziekteverzuim en reïntegratie voor de ambtenaar
                    gelden. Op overtreding van deze verplichtingen staat een sanctie. Deze sancties
                    zijn opgenomen in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag is in nader gespecificeerde
                    situaties ook mogelijk binnen 24 maanden na ziekte).</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid,
                    onderdeel a en b, voor de werknemer de verplichting opgenomen medewerking te
                    verlenen aan zijn reïntegratie. Dit artikel is opgenomen in de CAR om hiermee
                    uitdrukking te geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering
                    poortwachter, die op 1 april 2002 in werking is getreden. De tekst van het
                    eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                    Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader van
                    preventie ziekteverzuim en reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd (zie
                    artikel 7:9). Het artikel verplicht de ambtenaar actief mee te werken aan het
                    reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de ziekte als lopende het
                    reïntegratietraject. Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar gevolg moet geven
                    moeten onder andere werkzaamheden en scholing in het kader van de reïntegratie
                    worden verstaan (zie artikel 7:9, tweede lid). </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                    sanctie op het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van deze arbeid is
                    neergelegd in artikel 7:14 (inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n)) en artikel 8:5a (ontslag binnen dan wel na 24 maanden na de
                    eerste ziektedag bij het zonder deugdelijke grond niet aanvaarden van passende
                    arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV kan
                    verzoeken een onderzoek in te stellen naar dan wel een oordeel te geven over de
                    aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de werkgever in
                    staat is te verrichten.</al><tussenkop>Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek (T)</tussenkop><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege de
                    bedrijfsgezondheidsdienst om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen te
                    kunnen beantwoorden. De geneeskundige die het medisch onderzoek verricht, deelt
                    de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan betrokkene en aan het college. Op
                    overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer het
                    onderzoek wel heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van verwijtbaar gedrag
                    van de ambtenaar. De sancties zijn opgenomen in artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al><tussenkop>Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling (T)</tussenkop><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling van
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n). Het gaat hierbij om situaties
                    waarin al vrij snel na de eerste ziektedag bekend is dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie
                            opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag betrokkene verwijtbaar
                            is;</al></li><li nr="-"><al>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar na de geneeskundige keuring,
                            waarbij blijkt dat de ambtenaar willens en wetens onjuiste informatie
                            omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt, zodanig dat de
                            verklaring dat tegen de vervulling van zijn functiegeen medische
                            bezwaren bestaan, niet afgegeven zou zijn.</al></li></lijst><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld kunnen
                    worden. Als de situatie zoals beschreven zich voordoet, bestaat er vanaf de
                    eerste dag van ziekte geen recht op salarisbetaling.</al><tussenkop>Artikel 7:13:2 Staken van de doorbetaling (T)</tussenkop><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding van de
                    verplichtingen als genoemd in artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies
                    die uit het onderzoek als bedoeld in artikel 7:12 getrokken kunnen worden. De in
                    deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:13:2 en 7:14 ook tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de
                    situatie weer hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) weer gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd in
                    artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van
                    artikel 7:11 aan de ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie te
                    verstrekken. De andere sancties van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de
                    ambtenaar, waarbij de arbo-dienst een rol speelt in de beoordeling van dat
                    gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de betaling
                    van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) wordt gestaakt wanneer
                    bijvoorbeeld de ambtenaar nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen
                    of zich niet houdt aan voorschriften van behandelende geneeskundigen.</al><al>Als de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond van zijn geestelijke
                    toestand, vindt doorbetaling wel plaats. De gemeente moet zich voor het besluit
                    om de salarisbetaling te staken dus vergewissen van de geestestoestand van de
                    ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in dat
                    artikel 7:14 ook tussentijds kan worden toegepast. Wanneer de situatie weer
                    hersteld is, wordt de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                    ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                    verplichtingen, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet naleven van het ziekteverzuimprotocol;</al></li><li nr="-"><al>het niet naleven van de voorschriften en maatregelen (zoals het
                            verrichten van werkzaamheden en scholing in het kader van de
                            reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen b en c)
                            die door het college gesteld kunnen worden;</al></li><li nr="-"><al>het niet meewerken aan het plan van aanpak en</al></li><li nr="-"><al>het weigeren van passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                    verzuimprotocol uiteindelijk kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen. Dit
                    is uitgewerkt in de zin dat overtreding van de regels uit het verzuimprotocol
                    als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van hoofdstuk 16
                    gesanctioneerd kan worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de
                    ernst van de gedraging. Ook de verwijtbaarheid van de gedragingen maakt deel uit
                    van de afwegingen, die leiden tot de keuze voor de sanctie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                    voorschriften en maatregelen, die door de gemeente zijn gesteld, weigert
                    passende arbeid te verrichten of die weigert medewerking te verlenen aan de
                    totstandkoming, evaluatie en — eventueel — bijstelling van het plan van aanpak,
                    kan bestraft worden met inhouding van op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n). Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid van bestraffing met
                    ontslag na 24 maanden dan wel binnen 24 maanden na de eerste ziektedag (artikel
                    8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                    evaluatie en - eventueel - bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie op
                    het weigeren van passende of gangbare arbeid is gelijk aan de sanctie die sinds
                    de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter in artikel 629, boek 7,
                    titel 10, van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                    imperatief: de salarisbetaling wordt gestaakt wanneer de ambtenaar het
                    beschreven gedrag betoont.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid, geen verwijt gemaakt kan
                    worden op grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling wel plaats. De
                    gemeente moet zich voor het besluit om de betaling van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) te staken dus vergewissen van de geestestoestand
                    van de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:15:1 Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
                    (T)</tussenkop><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid het op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2 of
                    7:14 niet uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n) aan anderen dan
                    aan de ambtenaar te betalen. Het kan hierbij gaan om betalingen die aan
                    familieleden worden gedaan. Ingevolge het tweede lid wordt het niet-uitbetaalde
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsnog uitbetaald wanneer de
                    ambtenaar na een door hem aangevraagde second opinion door het UWV in het gelijk
                    gesteld wordt.</al><tussenkop>Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Gedurende de hele periode van ziekte geldt dat de ambtenaar passende arbeid moet
                    verrichten. Gedurende de eerste 24 maanden kan de ambtenaar niet definitief
                    worden herplaatst in deze passende arbeid. Na 24 maanden gebeurt dat wel.
                    Hieraan worden echter in de 12 maanden na afloop van de eerste 24 maanden
                    voorwaarden verbonden. Deze voorwaarde is voor de medewerker die minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt is, dat hij met de passende arbeid zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de
                    ambtenaar die 35% tot 80% arbeidsongeschikt is, is dat hij met de passende
                    arbeid 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit benut. Zie verder lid 3 en
                    4.</al><al>Voor definitieve herplaatsing na het derde ziektejaar gelden de voorwaarden van
                    lid 3 en 4 niet meer. De ambtenaar hoeft met de passende arbeid dan niet meer
                    zijn volledige restverdiencapaciteit te benutten (minder dan 35%
                    arbeidsongeschikt) of 50% of meer van zijn restverdiencapaciteit te benutten
                    (35% tot 80% arbeidsongeschikt).</al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1"><al>de situatie waarin de aanstelling in de oude functie gehandhaafd blijft,
                            maar waarbij de ambtenaar tijdelijk andere arbeid wordt opgedragen;</al></li><li nr="2"><al>de situatie waarin de aanstelling na 24 maanden van ziekte wordt
                            gewijzigd; de oude functie van de ambtenaar komt te vervallen en deze
                            krijgt een nieuwe aanstelling in passende arbeid.</al></li></lijst><al><vet> ad 1</vet> De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral voordoen in die
                    gevallen waarbij:</al><lijst><li nr="a"><al>terugkeer in de oude functie nog mogelijk wordt geacht en de ambtenaar
                            bijvoorbeeld passende arbeid verricht,</al></li><li nr="b"><al>(volledige) terugkeer in de oude functie niet mogelijk wordt geacht en
                            de ambtenaar tijdelijk een andere functie vervult, bijvoorbeeld bij
                            wijze van proef voorafgaand aan een definitieve herplaatsing.</al></li></lijst><al>Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                    aanpassing van de aanstelling, aan de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de
                    ambtenaar en de werkgever inzichtelijk wat van de ambtenaar verlangd wordt. Ook
                    is het mogelijk dat de ambtenaar terugkeert in de functie waarin hij ziek is
                    geworden. Over de uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij
                    recht op de doorbetaling van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b). </al><al><vet>ad 2</vet>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een uitkering
                    ingevolge de WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken (de wachttijd voor
                    een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien het mogelijk zou zijn de zieke
                    medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende functie,
                    zou de situatie ontstaan dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht heeft op
                    een uitkering op grond van de WIA. De betrokken medewerker is voor zijn nieuwe
                    functie namelijk niet ziek. Dit is de reden geweest dat een wijziging van de
                    aanstelling pas plaatsvindt nadat er twee jaren van ziekte zijn verstreken.</al><al> In het derde en vierde lid van artikel 7:16 zijn aanvullende voorwaarden
                    opgenomen waaraan moet zijn voldaan voordat de ambtenaar in het derde ziektejaar
                    definitief wordt herplaatst via een wijziging van zijn aanstelling. Er zijn twee
                    voorwaarden waaraan moet zijn voldaan:</al><lijst><li nr="1"><al>de herplaatsing moet plaatsvinden in een passende functie</al></li><li nr="2"><al>waarbij rekening moet worden gehouden met het restverdiencapaciteit van
                            de ambtenaar die afhankelijk is van de mate van
                            arbeidsgeschiktheid:</al><lijst><li nr="a"><al>volledige invulling restverdiencapaciteit bij 35% of minder
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li><li nr="b"><al>ten minste 50% invulling restverdiencapaciteit bij
                                    arbeidsongeschiktheid tussen de 35% en 80%
                                    arbeidsongeschiktheid</al></li></lijst></li></lijst><al>De definitieve herplaatsing kan eventueel vooraf worden gegaan door een
                    herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de situatie onder
                    1) is dat bij een definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de
                    aanstelling het salaris en de toegekende salaristoelage(n) van de ambtenaar
                    wordt aangepast aan het niveau en de omvang van het nieuwe dienstverband. Dit is
                    mogelijk op grond van artikel 3:5 lid 3.</al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie door
                    middel van een wijziging van de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de
                    wijziging van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar ziek wordt in
                    deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel 7:3 opnieuw te lopen.
                    Indien de ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor de doorbetaling van het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) altijd uitgegaan van het salaris die
                    geldt voor die nieuwe functie.</al><al>Naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt, mag een bredere oriëntatie ten
                    aanzien van de te verrichten passende arbeid worden verwacht. Naarmate de duur
                    van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar
                    worden verlangd dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te
                    verrichten passende arbeid als reïntegratie in de eigen arbeid niet tot de
                    mogelijkheden behoort.</al><al>Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de betaling van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) te staken, wanneer de ambtenaar zonder deugdelijke
                    grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de beoordeling van de
                    'deugdelijkheid' van de weigeringsgrond zal worden meegewogen of de arbeid wel
                    voldoet aan het criterium 'passend'. De ultieme sanctie op het zonder
                    deugdelijke reden weigeren van passende arbeid is ontslag. Dit kan binnen 24
                    maanden, maar ook in de periode van 12 maanden daarna plaatsvinden. Artikel 8:5a
                    biedt daartoe de mogelijkheid. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 3 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor minder dan 35%. In het derde
                    ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee de volledige
                    restverdiencapaciteit wordt ingevuld. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan,
                    ontvangt de ambtenaar een hogere uitkering (zie paragraaf 7 van hoofdstuk
                    10d).</al><al>In beginsel is sprake van een ontslagverbod binnen 36 maanden na de eerste
                    ziektedag. Wanneer echter in het derde ziektejaar binnen de gemeente een functie
                    gevonden is voor de volledige restverdiencapaciteit, mag de medewerker
                    definitief herplaatst worden. Er is dan formeel geen sprake van ontslag.
                    Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van de medewerker mag plaatsvinden
                    als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente een passende functie gevonden
                    is voor de volledige restverdiencapaciteit.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit artikellid is van toepassing op de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1
                    juli 2007. Lid 4 geeft speciale eisen aan de aan te bieden functie in het geval
                    er sprake is van arbeidsongeschiktheid 35% of meer, maar minder dan 80%. In het
                    derde ziektejaar moet gezocht worden naar een passende functie, waarmee ten
                    minste 50% van de restverdiencapaciteit vervuld wordt. De uitkeringsrechten van
                    de ambtenaar op grond van de WIA en het ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen zijn
                    in dit geval groter, dan wanneer de ambtenaar een functie aanvaardt voor minder
                    dan 50% van zijn restverdiencapaciteit. Als de ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt is, is het niet mogelijk hem wegens arbeidsongeschiktheid te
                    ontslaan voordat er 36 maanden zijn verstreken. Wanneer echter in het derde
                    ziektejaar binnen de gemeente een functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit, mag de medewerker definitief herplaatst worden. Er is dan
                    formeel geen sprake van ontslag. Hiernaast geldt dat er wel volledig ontslag van
                    de medewerker mag plaatsvinden als er in het derde ziektejaar buiten de gemeente
                    een passende functie gevonden is voor ten minste 50% van de
                    restverdiencapaciteit.</al><al><vet>Situationele arbeidsongeschiktheid</vet>In het geval de ambtenaar
                    situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel geen sprake zijn van
                    verminderde arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid
                    wordt aangeboden, die gelijk of nagenoeg gelijk is aan de functie die hij
                    bekleedde, zij het bij een ander organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze
                    arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de situatie
                    waarin de ambtenaar zijn werk moest verrichten, is dan immers weggenomen.
                    Weigert de ambtenaar deze arbeid wel, dan kan besloten worden tot toepassing van
                    artikel 7:14 en kan de betaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) gestaakt worden.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al> Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de termijn
                    van 24 respectievelijk 12 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de termijn van 24 respectievelijk 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de termijn van 24 dan wel 12 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de termijn
                    van 24 dan wel 12 maanden, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn
                    door de zwangerschap of de bevalling. De termijn van 24 dan wel 12 maanden start
                    in dit voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Volgens het zevende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zesde lid vloeit voort
                    dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 en 12
                    maanden termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken
                    door zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Zie de toelichting op artikel 8:5 voor enkele voorbeelden. </al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><al><cursief>Ad a </cursief>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op
                    uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te
                    melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de
                    wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering
                    gaat dan pas later in.</al><al><cursief>Ad b</cursief>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan
                    worden.</al><al><cursief>Ad c</cursief>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de
                    verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                    ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25,
                    negende lid, van de WIA. De medewerker merkt financieel niets van de verlenging
                    van de ontslagtermijn op grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van
                    artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onder de informatie die de medewerker moet verstrekken valt onder meer een kopie
                    van het arbeidskundige rapport. De gemeente ontvangt als belanghebbende een
                    kopie van de WIA-beschikking, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid en het
                    resterend verdienvermogen genoemd worden.</al><tussenkop>Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid (T)</tussenkop><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen, die het in mindering brengen
                    van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de
                    reïntegratie op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), nader regelen.
                    Dat betekent dat voor UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten uit
                    passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op het salaris
                    en de toegekende salaristoelage(n), inhoudelijk in artikel 7:18:1 volledig is
                    uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan dit
                    UWO-artikel toevoegen, wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels
                    vaststellen ter uitvoering van een UWO-artikelen voor zover noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 7:18:1 Inkomsten uit ander dienstverband (T)</tussenkop><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                    herplaatsing werkzaamheden verricht voor zichzelf of voor derden (bijvoorbeeld
                    bij een andere werkgever), moeten de verkregen inkomsten in mindering gebracht
                    worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) waarop hij ingevolge
                    artikel 7:3 aanspraak op heeft. Deze verrekening vindt als volgt plaats. In
                    overleg met de ambtenaar wordt vastgesteld hoeveel uren hij besteedt aan de
                    betreffende werkzaamheden. Op basis hiervan wordt de hoogte van de
                    loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3, vastgesteld. De inkomsten die de
                    ambtenaar verwerft, worden op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) in
                    mindering gebracht.</al><tussenkop>Artikel 7:19 Samenloop met een ZW-uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is dat
                    er geen recht op ziekengeld bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op
                    een loondoorbetaling. Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In de ZW wordt evenwel
                    een uitzondering gemaakt voor de volgende categorieën werknemers in actieve
                    dienst:</al><lijst><li nr="-"><al>vrouwelijke ambtenaren die op basis van artikel 29a ZW recht op een
                            uitkering hebben;</al></li><li nr="-"><al>medewerkers die wegens orgaandonatie ongeschikt zijn hun functie te
                            vervullen;</al></li><li nr="-"><al>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet REA, die in de eerste vijf
                            jaren na aanvang van het dienstverband ongeschikt worden hun functie te
                            vervullen.</al></li></lijst><al>Deze categorieën actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                    krachtens de Ziektewet. Artikel 7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in
                    mindering gebracht wordt op het salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                    waarop de betrokken ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof recht op een uitkering krachtens artikel 29A ZW indien:</al><lijst><li nr="a"><al>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht heeft op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo (dus voor de ingang van
                            het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al></li><li nr="b"><al>zij in de periode waarin zij recht had kunnen hebben op een uitkering op
                            grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo, doch die uitkering nog
                            niet is aangevangen, wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van
                            haar arbeid. Dit betreft de periode tussen de zes en vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum. Indien de ingang van het
                            zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier weken voor de
                            vermoedelijke bevallingsdatum en zes weken voor de vermoedelijke
                            bevallingsdatum wordt de vrouwelijke ambtenaar ziek (ongeacht of deze
                            ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan gaat het verlof op basis
                            van de Wazo in vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier
                            weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna heeft de vrouwelijke
                            ambtenaar gedurende veertien weken recht op een Wazo-uitkering;</al></li><li nr="c"><al>zij nadat het recht op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste
                            lid, van de Wazo is geëindigd (dus na de afloop van het
                            bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar
                            arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de
                            daaraan voorafgaande zwangerschap.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                    verstrekt, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste lid
                    gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige ZW uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100 % van het
                    dagloon in geval van vrouwelijke ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op een
                    uitkering hebben.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                    ondergaat, geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een boete
                    wordt opgelegd, wordt in het kader van de vermindering als bedoeld in het eerste
                    lid gehandeld alsof de ambtenaar wel een volledige uitkering ontvangt. Er wordt
                    dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in mindering
                    gebracht. Sancties en boetes die in het kader van de ZW aan de ambtenaar worden
                    opgelegd, leiden niet tot aanpassing van de vermindering. Sancties en boetes in
                    het kader van de ZW worden dus niet gecompenseerd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om verrekening van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) met de
                    ZW-uitkering praktisch mogelijk te maken, moet de ambtenaar de ZW-uitkering
                    cederen aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                    Ziektewet recht op een uitkering. De uitkering is gecedeerd aan de werkgever
                    ingevolge het vierde lid. Als het bedrag van de uitkering hoger ligt dan het
                    bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3, wordt het
                    meerdere uitbetaald aan de ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 7:20 Samenloop met een WW-uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 maanden na de eerste
                    ziektedag verstreken zijn, kan het zijn dat de Werkloosheidswet (WW) op grond
                    van urenverlies én verlies van loon recht geeft recht op een uitkering. Wanneer
                    dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een WW-uitkering aan te vragen.
                    Indien hij een WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering
                    gebracht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n), waarop de betrokken
                    ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat een
                    medewerker dubbele inkomsten ontvangt. Om de werknemer niet te veel te belasten
                    wordt deze op grond van de CAR/UWO niet verplicht een WW-uitkering aan te
                    vragen. Het is echter wel mogelijk dat deze verplichting uit de WW voortvloeit.
                    Eventuele kortingen op de WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht
                    op de doorbetaling van het salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al><tussenkop>Artikel 7:21 Samenloop met een uitkering op grond van de WIA
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA in drie gevallen kan worden verlengd en wel:</al><lijst><li nr="a"><al>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld
                            in artikel 38, eerste lid, van de ZW, later doet dan op grond van dat
                            artikel is voorgeschreven;</al></li><li nr="b"><al>met de duur van de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op
                            salarisbetaling op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA;</al></li><li nr="c"><al>met de duur van het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                            lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al><vet><cursief>ad a</cursief></vet> Artikel 38 ZW legt een werkgever de
                    verplichting op uiterlijk op de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft
                    geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te laat
                    doet, wordt de wachttijd voor de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De
                    WIA-uitkering gaat dan pas later in.</al><al><vet><cursief>ad b</cursief></vet> In artikel 24, eerste lid, van de WIA is
                    bepaald dat de WIA-wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk
                    verlengd kan worden.</al><al><vet><cursief>ad c</cursief></vet> Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet
                    een reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                    werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of
                    onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                    gedurende welke de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer
                    op een verlenging van de WIA-wachttijd. De termijn van de verlenging is maximaal
                    52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze
                    sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA pas op
                    een later tijdstip ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op het door te betalen
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n) na 104 weken ziekte geen WGA- of IV
                    A-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de werkgever
                    feitelijk na 104 weken ziekte een zwaardere financiële last draagt. In het geval
                    genoemd onder b hiervoor is sprake van een bewuste keuze. Deze keuze kan voor
                    werkgever én werknemer gunstig zijn als reïntegratie aanstaande is. De werknemer
                    krijgt dan niet te maken met een uitkering op grond van de WIA; de werkgever
                    heeft als voordeel dat de Pemba-premie niet verhoogd wordt als gevolg van het
                    feit dat een medewerker een uitkering op grond van de WIA heeft. In de gevallen
                    a en c hiervoor kan dit worden beschouwd als een sanctie voor de werkgever voor
                    het niet naleven van de reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                    mindering wordt gebracht op de doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de
                    salarisbetaling indien deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde functie.
                    In het geval de betrokkene ondertussen definitief is herplaatst in een andere
                    functie door middel van een wijziging van de aanstelling wordt de WGA-uitkering,
                    voor zover die voortvloeit uit die oude functie, niet in mindering gebracht op
                    de salarisbetaling tijdens ziekte.</al><al>Iemand die recht heeft op een IVA-uitkering of een WGA-uitkering in verband met
                    volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, krijgt een uitkering ter
                    hoogte van 75% van zijn laatste loon. Wanneer dit hoger is dan de het salaris en
                    de toegekende salaristoelage(n), waarop op grond van artikel 7:3 recht bestaat,
                    heeft de ambtenaar ten minste recht op het bedrag van de IVA- of WGA-uitkering.
                    Dit is het geval na 24 maanden arbeidsongeschiktheid , waarna recht op
                    doorbetaling van 70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) bestaat.
                    Niet altijd zal er sprake van zijn dat de salarisbetaling lager is dan de IVA-
                    of WGA-uitkering bij volledige maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid. Hiervan
                    is geen sprake iemand eerder voor een IVA-uitkering in aanmerking komt (verkorte
                    wachttijd op grond van artikel 23, zesde lid, WIA). Deze eerdere ingang van de
                    IVA-uitkering is al mogelijk vanaf 13 weken na de eerste ziektedag. Op dat
                    moment (na 13 weken) is er zelfs nog sprake van 100% loondoorbetaling. Op dat
                    moment vindt dus wel volledige verrekening van de uitkering met de
                    loondoorbetaling plaats.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                    zieke ambtenaar die meer dan één functies heeft. Indien betrokkene voor beide
                    functies arbeidsongeschikt wordt, zal slechts één uitkering op grond van de WIA
                    worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op de doorbetaling van één
                    van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van de uitkering
                    ingevolge de WIA in mindering moeten brengen dat verband houdt met de
                    arbeidsongeschiktheid uit die functie. Dit dient naar rato te worden
                    bepaald.</al><al><vet>Lid 3 t/m 5</vet></al><al>In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                    uitkering op grond van de WIA en doorbetaling van het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) tijdens ziekte wordt uitgegaan van een WGA- of een
                    IVA-uitkering, als sprake is van gedrag dat verwijtbaar is aan betrokkene.
                    Hiermee wordt voorkomen dat de ontstane meerlasten kunnen worden afgewenteld op
                    de werkgever die immers een hoger bedrag aan salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) dient door te betalen ingeval de WGA- of IVA-uitkering niet of
                    niet volledig tot uitbetaling komt en dit betrokkene te verwijten is. Omdat dit
                    gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de werkgever de mogelijkheid in
                    dergelijke gevallen toch een korting op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement (T)</tussenkop><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond van
                    het pensioenreglement van het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met de
                    loondoorbetaling op grond van artikel 7:3.</al><tussenkop>Artikel 7:24 Tegemoetkoming ziektekosten (T)</tussenkop><al>De VNG heeft een contract met IZA Zorgverzekeraar NV en Zilveren Kruis Achmea
                    voor de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2016, dat optioneel 3 keer met 1
                    jaar verlengd kan worden. Het contract is een exclusief collectief
                    zorgverzekeringscontract voor gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven. De
                    definitie van postactieven en inactieven staat in artikel 7:1, eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 7:26 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari 2001
                    ziek) is bepaald dat de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt voor
                    ambtenaren wier vastgestelde zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt na 31
                    januari 2001 en de zieken die op 15 februari 2001 nog ziek zijn (ziekte in
                    verband met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen). Hierbij is voorts
                    bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken weer herleeft, dit als
                    een nieuw ziektegeval wordt beschouwd.</al><al>Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de ZW niet tot uitkering komt, moet
                    gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft bestaan en
                    dat de bepalingen van hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december 2001, blijven
                    gelden. Met het eerste lid van artikel 7:26 wordt dit gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW vallen,
                    komt de ZW ook daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op grond van
                    hoofdstuk 7 (van voor 1 januari 2001) zijn dan onverschuldigd betaald. Lid 2 van
                    artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling daarvan.</al><tussenkop>Artikel 7:27 Garantie-uitkering (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd
                    arbeidsongeschikt raakt en geen aanvullende werkzaamheden krijgt aangeboden - en
                    derhalve werkloos wordt - in tegenstelling tot de situatie voor 1 januari 2001
                    aanspraak maken op een WW-uitkering. Derhalve is de garantie-uitkering overbodig
                    geworden voor nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van
                    het eerste lid blijven de bestaande garantie-uitkeringen gegarandeerd. De
                    algemene opmerkingen en de voorbeelden die hierna zijn opgenomen gelden voor de
                    uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn ingegaan.</al><al>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief herplaatst te zijn in een nieuwe
                    functie wordt afgeschat en zijn toegenomen restverdiencapaciteit niet volledig
                    kan benutten, omdat hem geen aanvullende werkzaamheden worden aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op grond
                    van artikel 7:16, lid 1, onder c plaats te vinden door middel van een wijziging
                    van de aanstelling. Herplaatsing gaat met andere woorden niet gepaard met
                    ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet alleen artikel 7:16 sluit
                    ontslag uit, maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                    arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden, indien het niet
                    mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in passende/gangbare arbeid. Omdat
                    geen ontslag plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht op een uitkering
                    gebaseerd op die oorspronkelijke betrekking, een suppletie-uitkering, waar
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die niet herplaatst kunnen worden wel
                    recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de situatie dat een gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte wordt afgeschat, maar hem geen aanvullende arbeid kan worden
                    aangeboden (en waardoor de betrokkene in feite gedeeltelijk werkloos raakt),
                    vervelende inkomensgevolgen hebben, waardoor de betrokkene in een slechtere
                    situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en
                    suppletie krijgt. De garantie-uitkering biedt een inkomensvoorziening in deze
                    gevallen van werkloosheid en zorgt er voor dat een ambtenaar die mee werkt aan
                    reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand die niet kan
                    worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                    WAO-uitkering kan een WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief>Een ambtenaar met een salaris inclusief
                    salaristoelage(n) van € 2.500,- wordt op 1 januari 1998 ziek. Op 1 januari 1999
                    wordt hem een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na 14 maanden, op 1 maart 1999,
                    wordt hij definitief herplaatst in een functie waarin hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut. Hetsalaris en de toegekende salaristoelage(n) in de
                    nieuwe functie bedraagt € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige
                    restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op herplaatsingstoelage
                    (HPT). Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>salaris incl. salaristoelage(n) uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 875,-</al></entry><entry colname="col3"><al>(35% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 375,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                    arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op 15 tot 25%. De werkgever
                    is niet in staat om de ambtenaar aanvullende werkzaamheden te bieden, waardoor
                    de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor krijgt
                    de ambtenaar niet alleen te maken met een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook geconfronteerd met het
                    verlies van zijn herplaatsingstoelage. Zonder garantie-uitkering ziet het totale
                    inkomen van de ambtenaar er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>salaris incl. salaristoelagen uit nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 350,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(14% van € 2.500,-)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.600,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                    garantie-uitkering waardoor de inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op grond
                    van het pensioenreglement van het ABP vindt over deze garantie-uitkering
                    volledige pensioenopbouw plaats.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat, nadat
                    hij is herplaatst op grond van artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat luidde
                    voor 1 januari 2003, recht op een garantie-uitkering indien hem geen aanvullende
                    arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                    toegenomen restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor zijn
                    herplaatsingstoelage verliest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van de
                    termijn en de fasering in de percentages wordt uitgegaan van de begindatum van
                    de ziekte in de oorspronkelijke functie. Verder is de hoogte van de
                    garantie-uitkering gebaseerd op het salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                    in de oorspronkelijke functie. Toegepast op de bovenstaande situatieschets zou
                    de betrokkene met ingang van 1 januari 2000 recht krijgt op een
                    garantie-uitkering, tot uiterlijk 7,5 jaar na aanvang ziekte in de
                    oorspronkelijke functie (1 januari 1998), dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De
                    hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van de oorspronkelijke salarisbetaling van €
                    2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002. In de periode 1
                    oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt de uitkering € 1.750,- (70% van
                    €2.500,-).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) uit de functie waarin de ambtenaar is herplaatst, de
                    WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen en de herplaatsingstoelage in mindering
                    worden gebracht. Ook nieuwe inkomsten verworven op of na de datum dat de
                    ambtenaar is afgeschat worden op de garantie-uitkering in mindering gebracht.
                    Toegepast op de bovenstaande situatie zou dat bijvoorbeeld betekenen dit het
                    volgende betekenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 1 Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 400,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350=400)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 150,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(1750-1250-350=150)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.750,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    krijgt aangeboden ter waarde van € 300,- zou dit ter illustratie leiden tot de
                    volgende situatie (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt
                    weergegeven).</al><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 300,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al><onderstreept>€ 100,-</onderstreept></al></entry><entry colname="col3"><al>(2000-1250-350-300=100)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid
                    zou zijn aangeboden ter waarde van € 750,- (en daardoor zijn volledige
                    restverdiencapaciteit weer kan benutten zou dit tot de volgende situatie leiden
                    (alleen de situatie tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al><cursief>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>inkomen uit de nieuwe functie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.250,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="1" colname="col1"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe functie</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="1" colname="col2"><al>€ 750,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="1" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="2" colname="col1"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP)</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="2" colname="col2"><al>€ 350,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="2" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="3" colname="col1"><al>herplaatsingstoelage</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="3" colname="col2"><al>€ 150,-</al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="3" colname="col3"><al></al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" morerows="4" colname="col1"><al>garantie-uitkering</al></entry><entry namest="col2" nameend="col3" morerows="4" colname="col2"><al><onderstreept>€ 0,-</onderstreept></al></entry><entry namest="col3" nameend="col4" morerows="4" colname="col3"><al>(2500-1250-750-350-150=0)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.500,-</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert, verloren
                    laat gaan of geen gebruik maakt van gelegenheden tot het verkrijgen daarvan. De
                    sanctie is gelijk aan de omvang van de inkomsten die de ambtenaar uit deze
                    gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever de ambtenaar
                    bijvoorbeeld arbeid aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar
                    weigert deze arbeid, dan wordt dit bedrag van € 500,- toch in mindering gebracht
                    op de garantie-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 7:28 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met ingang
                    van 1 januari 2006 en zijn van toepassing op de lopende ziektegevallen van op of
                    na 1 januari 2004. Dit betekent niet dat de artikelen terugwerken tot 1 januari
                    2004. Er wordt door middel van dit artikel een onderverdeling gemaakt in twee
                    groepen van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1 januari 2004,
                    hiervoor gelden de bepalingen genoemd in artikel 7:28 zoals die golden op 31
                    december 2005. De groep van wie de eerste ziektedag lag op of na 1 januari 2004
                    valt met ingang van 1 januari 2006 onder de huidige bepalingen.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van de
                    verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een
                    uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een overgangsbepaling voor deze groep
                    medewerkers. De belangrijkste hiervan zijn de bepaling die ziet op definitieve
                    herplaatsing in passende of gangbare arbeid voordat 2 jaar van ziekte is
                    verstreken en de bepalingen die zien op verrekening van een WAO-uitkering met de
                    loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met vier
                    van artikel 7:3 gelden vanaf 1 januari 2006 voor medewerkers die op of na 1
                    januari 2004 ziek zijn geworden. Voor de ambtenaar van wie de eerste ziektedag
                    lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode ingevolge artikel 7:3,
                    vierde lid (zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest
                    van een onderbreking in 2004 van 4 weken of langer. Er is sprake van een nieuwe
                    ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari 2004. Hetzelfde geldt voor de
                    zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004 definitief is herplaatst
                    op grond van artikel 7:16, eerste lid, onder c (zoals dat artikel gold op 31
                    december 2005). Als de medewerker in de gewijzigde aanstelling opnieuw ziek
                    wordt, is sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1 januari
                    2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag lag op
                    1 maart 2005, dat hij op 1 januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond van artikel
                    7:3, tweede lid, heeft hij met ingang van 1 januari 2006 recht op doorbetaling
                    van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Met ingang van 1
                    maart 2006 is de ambtenaar 12 maanden ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3,
                    derde lid, recht op doorbetaling van 75% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages van
                    de loondoorbetaling gelden, die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die
                    bepaling gold op 31 december 2005 (eerste 18 maanden 100%, daarna 80% van het
                    salaris en de toegekende salaristoelage(n)).</al><tussenkop>Artikel 7:28:1 Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28a Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    een derde ziektejaar, zoals opgenomen is in artikel 7:16, derde en vierde
                    lid.</al><tussenkop>Artikel 7:28b Overgangsartikel (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 7:16, achtste lid,
                    onderdeel a van toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008 ziek
                    zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste dag
                    nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de
                    werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA met
                    de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in. De
                    periode waarna definitieve herplaatsing kan plaatsvinden, wordt met een gelijke
                    duur verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 8:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de ambtenaar
                    geen ontslag kan nemen. Hem moet dat verleend worden. Behoudens andersluidend
                    voorschrift dient een verzoek om ontslag ingewilligd te worden. Het verzoek om
                    ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Indien een ambtenaar op
                    een dergelijk verzoek wenst terug te komen, en B. en W. hebben nog niet beslist,
                    dan kan de betrokken ambtenaar volstaan met de schriftelijke mededeling dat men
                    het desbetreffende verzoek als niet gedaan dient te beschouwen. Indien echter
                    B&amp;W reeds een ontslagbesluit hebben genomen, is het college niet verplicht
                    op dat besluit terug te komen. Het college heeft wel die bevoegdheid. Een en
                    ander kan afhankelijk zijn van bepaalde factoren zoals de stand van zaken in de
                    vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de ambtenaar het verzoek intrekt. Het
                    belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de organisatie afgewogen te
                    worden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                    verzoek om ontslag indient omdat strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol zou
                    moeten worden verleend.</al><tussenkop>Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek tussen
                    één en drie maanden ligt. Deze open periode betekent dat de medewerker niet
                    koste wat kost vast mag houden aan één maand en de werkgever niet aan drie
                    maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden door de werkgever.
                    Hierbij moet zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente
                    worden afgewogen. Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn
                    per de eerste dag van de maand. Opzegging kan ook tegen andere dagen
                    plaatsvinden. Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder
                    weg gaat, handelt opzettelijk in strijd met zijn verplichtingen zijn functie
                    nauwgezet te vervullen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                    vooralsnog niet in te willigen wanneer een strafrechtelijke vervolging aanhangig
                    is of een disciplinaire straf wordt overwogen en het niet wenselijk is om deze
                    procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels ontslag heeft
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 8:2 Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In bijzondere situaties kan het wenselijk zijn dat betrokkene na het bereiken
                    van de AOW-gerechtigde leeftijd doorwerkt. Als betrokkene hiermee instemt wordt
                    hem op een latere leeftijd eervol ontslag verleend. Een tweede mogelijkheid is
                    betrokkene na zijn ontslag een nieuwe aanstelling te verlenen op grond van
                    artikel 2:4.</al><al>In het eerste geval zal betrokkene ook langer pensioen opbouwen: er is dan ook
                    sprake van inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging. In het tweede
                    geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de AOW-leeftijd, is er
                    geen sprake van verplichte pensioenopbouw en kan de ambtenaar kiezen om
                    vrijwillig de pensioenopbouw voort te zetten. Dit is geregeld in artikel 16.1
                    van het pensioenreglement.</al><al>In beide situaties is er sprake van een ander bruto-netto traject en
                    premieafdracht. Het aangaan van een nieuw dienstverband is voor zowel de
                    werkgever als de werknemer voordeliger in financieel opzicht. Wel heeft het niet
                    langer betalen van pensioenpremies natuurlijk gevolgen voor de pensioenopbouw.
                    Tijdens het nieuwe dienstverband wordt geen pensioen meer opgebouwd. In het
                    navolgende schema vindt u een overzicht met de gevolgen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Continuering dienstverband (art. 8:2 CAR)</al></entry><entry colname="col3"><al>Nieuw dienstverband (art. 2:4 CAR, met toepassing 8:2 lid
                                        2)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ingangsdatum OP</al></entry><entry colname="col2"><al>Na afloop dienstverband, of eerder op verzoek van
                                        ambtenaar</al></entry><entry colname="col3"><al>Met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opbouw ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Tot einde dienstverband</al></entry><entry colname="col3"><al>Eventueel vrijwillig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie AAOP</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie ABP Keuzepensioen</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie voor de voorwaardelijke inkoop</al></entry><entry colname="col2"><al>Ja</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Pseudopremie WW</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Premie WIA</al></entry><entry colname="col2"><al>Nee</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Overigens is het voor het in laten gaan van het pensioen niet meer noodzakelijk
                    om ontslag te verlenen. De ambtenaar kan ervoor kiezen zijn ABP-pensioen vanaf
                    60 jaar in te laten gaan, zonder dat hier een ontslag tegenover staat. Het
                    ingaan van pensioen heeft geen verdere gevolgen voor bovenbeschreven situatie.
                    Pensioenuitbetaling en pensioenopbouw kan dus naast elkaar bestaan.</al><tussenkop>Artikel 8:2a Opzegtermijn na bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op twee manieren kunnen mensen na de leeftijd van 65 jaar in dienst zijn van de
                    gemeente. De eerste mogelijkheid is dat iemand na de leeftijd van 65 jaar in
                    dienst treedt van de gemeente. Dit is mogelijk op grond van artikel 2:4. De
                    tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is, maar dat zijn aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 8:2, derde lid, na het bereiken
                    van de leeftijd van 65 jaar is voortgezet. Bij dit soort aanstellingen is de
                    wens van een van de partijen voldoende om de aanstelling te beëindigen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In verband met de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt tot 2018 dat
                    de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt bij ziekte kan worden
                    ontslagen na 13 weken. In 2018 wordt de Wet werken na de AOW-gerechtigde
                    leeftijd geëvalueerd en wordt deze termijn mogelijk verkort. De termijn van 13
                    weken is in artikel 127ca van de Ambtenarenwet vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de functie,
                    wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel dan wel wegens een
                    verminderde behoefte aan arbeidskrachten. De opgenomen zinsnede "of van andere
                    dienstonderdelen" impliceert dat ontslag in principe ook mogelijk is bij een
                    reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan dat waar de ambtenaar werkzaam
                    is. Afgezien van de vraag of zulks niet in strijd is met de redelijkheid, zal
                    ontslag niet vaak mogelijk zijn. De reden voor het ontslag moet immers zijn de
                    overbodigheid en niet slechts het feit van de reorganisatie. Uit de
                    jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot opheffing van een functie
                    of tot reorganisatie zakelijke motieven ten grondslag dienen te liggen en niet
                    de wens voor een bepaalde ambtenaar een ontslaggrond te creëren. Indien niet
                    duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in een voorkomend geval
                    gehanteerd moet worden, heeft men in principe de vrije keus, mits rekening is
                    gehouden met de belangen van de ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag op grond van artikel 8:3 over te gaan moet, individuele
                    gevallen uitgezonderd, overeenstemming zijn bereikt over het sociaal statuut. Op
                    het moment dat het sociaal plan gereed is en duidelijk is dat de functie van
                    betrokkene na reorganisatie niet meer terugkomt, dan wel als duidelijk is dat de
                    betrokken medewerker niet meer terugkomt op zijn functie, kan betrokkene
                    boventallig worden verklaard. Van dit laatste is sprake als bijvoorbeeld van de
                    vijf beleidsmedewerkers er na de reorganisatie maar drie terugkeren. Op grond
                    van lokale regels wordt dan bepaald welke twee medewerkers niet kunnen
                    terugkeren. Als er geen sociaal plan is, kan het besluit tot boventalligheid
                    worden genomen, zodra duidelijk is dat de functie van de medewerker of de
                    functies van een kleine groep medewerkers worden opgeheven, als duidelijk is dat
                    de betrokken medewerker(s) niet meer terugkomt op zijn functie en als duidelijk
                    is dat er ook geen andere passende functie beschikbaar is. Ingeval hoofdstuk 10d
                    van toepassing is, vindt intern en extern een onderzoek plaats naar een andere
                    functie voor de medewerker. Dit onderzoek vindt dan plaats tijdens het van werk
                    naar werk-traject op grond van paragraaf 5 van hoofdstuk 10d. Na ontslag kan op
                    grond van hoofdstuk 10d recht bestaan op een aanvullende en na-wettelijke
                    uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                    worden besproken en vooraf aan de betrokken ambtenaren bekend worden gemaakt.
                    Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om het
                    ontslag van meer dan één ambtenaar.</al><al>In het kader van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd wordt in artikel
                    127b van de Ambtenarenwet geregeld dat bij reorganisatieontslag als eerst
                    afscheid wordt genomen van de ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben
                    bereikt. Zijn er meer ambtenaren die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt,
                    dan wordt als eerste afscheid genomen van de ambtenaren met de kortste
                    diensttijd. Welke jaren meetellen als diensttijd is onderdeel van het
                    reorganisatieplan.</al><tussenkop>Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die volledig ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 24 maanden heeft geduurd. Eerder kan ontslag op deze grond niet
                    plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan binnen die termijn
                    wel worden verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de
                    situatie in de marktsector, waar ook een dergelijke ontslagbescherming geldt. </al><al>Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake als de ambtenaar:</al><lijst><li nr="1"><al>Volledig arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot 100%
                            arbeidsongeschikt) en recht heeft op een WGA-uitkering</al></li><li nr="2"><al>Volledig én duurzaam arbeidsongeschikt wordt bevonden door UWV (80% tot
                            100% arbeidsongeschikt) en recht heeft op een IVA-uitkering.</al></li></lijst><al>Ontslagverlening wegens volledige arbeidsongeschiktheid is slechts mogelijk
                    wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:4, derde lid. Het
                    college betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA.
                    Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de
                    aanvraag van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering. De werkgever
                    kan vanaf dit moment zijn voornemen tot ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
                    schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. </al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep.</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                    beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de
                    arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel
                    van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is
                    aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                    ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze WIA-beschikking
                    verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV ontvangen wegens
                    onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in zijn
                    ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden
                    is (zie lid 2).</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 24 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 24 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15
                    maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2006 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2008 (dit is 24 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    15 maart 2006 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2006 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2008 (dit is 24 maanden na 27
                    april 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006.
                    Op 15 maart 2006 herstelt zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2006 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden
                    ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op
                    1 mei 2006 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus 2006.
                    Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek.</al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008
                    (dit is 24 maanden na 22 augustus 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief>Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2006. Op 15 maart 2006 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2006 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2008 (dit is 24
                    maanden +16 weken na 27 april 2006) kan worden ontslagen.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>In lid 10 is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling van twee
                    jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een uitkering
                    ingevolge de WIA.</al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in de volgende gevallen.</al><lijst><li nr="a"><al>In artikel 24 lid 1 van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                            van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.</al></li><li nr="b"><al> Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                            reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de
                            werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen
                            of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de
                            termijn gedurende de werkgever het loon moet doorbetalen verlengen.</al></li></lijst><al>De termijn van de verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld
                    van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in
                    artikel 25, negende lid, van de WIA.</al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 24 maanden ziekte recht op 70% van zijn bezoldiging.</al><tussenkop>Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Aan de ambtenaar die gedeeltelijk ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag
                    worden verleend op grond van die ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten
                    minste 36 maanden heeft geduurd. Eerder ontslag kan op deze grond slechts
                    plaatsvinden indien er een passende functie voorhanden is na 24 maanden ziekte
                    buiten de gemeentelijke dienst. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan
                    wel binnen de genoemde termijnen worden verleend.</al><al>De bepaling ’gedeeltelijk’ houdt in dat dit artikel de mogelijkheid van volledig
                    ontslag geeft voor medewerkers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn (minder
                    dan 80% arbeidsongeschikt). Deze mogelijkheid geldt dus ook voor de mensen die
                    minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. Let wel, dit artikel ziet op volledig
                    ontslag en niet op gedeeltelijk ontslag uit de functie. Indien er binnen de
                    gemeentelijke dienst na 24 maanden van ziekte een passende functie voorhanden
                    is, kan de ambtenaar onder de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 7:16,
                    derde en vierde lid, namelijk definitief worden herplaatst.</al><al>Ontslagverlening wegens gedeeltelijke ongeschiktheid is slechts mogelijk wanneer
                    voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 8:5, tweede lid. Het college
                    betrekt hierbij de uitkomst van de claimbeoordeling op grond van de WIA. Deze
                    voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de aanvraag
                    van een uitkering op grond van de WIA. </al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV de
                    ambtenaar een aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de
                    werkgever gegevens opvraagt voor de vaststelling van de uitkering.</al><al>De aanzegging van het college dat een ontslagprocedure op grond van
                    arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en dat hierbij de claimbeoordeling op
                    grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                    daarmee geen besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk
                    ontslagbesluit is uiteraard wel een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en
                    beroep.</al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in overleg
                    met de bedrijfsarts of de arbodienst het reïntegratieverslag op. Het door UWV
                    (als onderdeel van de WIA-beschikking) beoordeelde reïntegratieverslag is basis
                    voor de oordeel van de werkgever of het mogelijk is de ambtenaar binnen de
                    gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen (onderdeel b). In week 91
                    stuurt de ambtenaar het aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het
                    reïntegratieverslag. UWV beoordeelt eerst de reïntegratie-inspanningen van de
                    werkgever en de ambtenaar. Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever
                    onvoldoende zijn geweest wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid 9, onder
                    b).</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                    beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de
                    arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel van UWV terzake (als onderdeel
                    van de WIA-beschikking) is basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is
                    aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2.</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA.
                    Medewerkers van wie het loonverlies minder dan 35% is, worden niet
                    arbeidsongeschikt bevonden. Dit is ook een WIA-beschikking. Het ontslagbesluit
                    moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn
                    genomen. Het college moet in zijn ontslagbesluit naar deze meest recente
                    WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking van UWV
                    ontvangen wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze
                    maatregel in zijn ontslagbesluit.</al><al>In de gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                    ambtenaar bezwaar indient tegen het ontslagbesluit, kan het college een
                    deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op grond van artikel 30 SUWI. UWV geeft een
                    oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de vervulling van zijn
                    functie en of er binnen de gemeentelijke dienst een passende functie voorhanden
                    is (zie lid 2).</al><al><cursief>Herplaatsing in het derde ziektejaar </cursief>In artikel 7:16 zijn
                    specifieke bepalingen opgenomen over herplaatsing in het derde ziektejaar.</al><al><vet>Lid 3, 4 en 5</vet></al><al> UWV beoordeelt tussen de 21e en 24e maand of de medewerker recht heeft op een
                    WIA-uitkering. De medewerker die 35% of meer arbeidsongeschikt wordt verklaard,
                    wordt vervolgens jaarlijks herkeurd. Deze herkeuring kan dus liggen binnen de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Daarom moet de werkgever ook de resultaten van de
                    herbeoordeling betrekken bij het uiteindelijke ontslagbesluit. De herkeuring kan
                    gevolgen hebben voor de inspanningen van werkgever en werknemer in de loop van
                    de 36 maanden. En dus ook voor de beoordeling of de ambtenaar binnen de gemeente
                    herplaatst kan worden. Verminderde arbeidsongeschiktheid leidt tot grotere
                    herplaatsingsmogelijkheden, terwijl verhoogde arbeidsongeschiktheid leidt tot
                    mindere herplaatsingsmogelijkheden.</al><al>Aan het einde van de toelichting op artikel 8:5, lid 3, 4 en 5, worden de
                    volgende zinnen toegevoegd: Wanneer sprake is van de situatie als bedoeld in het
                    tweede lid, en er dus 36 maanden van ziekte verstrijken zonder dat er een
                    mogelijkheid is om de ambtenaar te herplaatsen, wordt de ambtenaar 33 maanden na
                    ingang ziekte (dus 3 maanden voor de beoogde ontslagdatum bij ontslag na 36
                    maanden) op de hoogte gesteld van het feit dat de ontslagprocedure in gang is
                    gezet. Deze melding is dus niet aan de orde als de ambtenaar gedurende het derde
                    ziektejaar wordt herplaatst op grond van artikel 7:16, dan wel ontslagen wordt
                    op grond van het tiende lid van dit artikel. Dit laat overigens onverlet dat de
                    WIA-aanvraag wel in de 21e maand moet plaatsvinden.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                    behandeling van man en vrouw, mag voor de berekening van de ontslagtermijn
                    wegens ziekte de periode van ziekte tijdens de zwangerschap als gevolg van de
                    zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof zelf, niet worden
                    meegeteld. Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid
                    aangebracht tussen enerzijds ziekte tijdens de zwangerschap die verband houdt
                    met zwangerschap en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en anderzijds ziekte die
                    verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het bevallingsverlof. Deze
                    laatste periode kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de
                    ontslagtermijn van 36 maanden. Hetzelfde geldt voor ziekte tijdens de
                    zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de zwangerschap; ook deze periode
                    mag meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 36 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar
                    zwangerschap uit wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Zij blijft ziek tot
                    de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof. Aansluitend op het bevallingsverlof
                    meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                    zwangerschap. Voor berekening van de ontslagtermijn van 36 maanden mag niet
                    meegeteld worden de periode dat de medewerkster tijdens de zwangerschap ziek is
                    wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde geldt voor de periode van
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                    aansluitend op het bevallingsverlof mogen wel meegerekend worden voor de
                    ontslagtermijn, onafhankelijk van de vraag of deze veroorzaakt zijn door de
                    zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 36 maanden start in dit
                    voorbeeld dus op de dag aansluitend op de laatste dag van het
                    bevallingsverlof.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Volgens het achtste lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met een
                    onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Uit het zevende lid vloeit
                    voort dat de periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte en het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de berekening van de 36 maanden
                    termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte die 4 weken of langer duurt of door het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof, in principe niet mogen worden samengeteld
                    aangezien sprake is van een onderbreking van vier weken of langer. Indien de
                    ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                    voorafgaat aan en direct aansluit op het zwangerschaps- en bevallingsverlof én
                    de ziekte wordt geacht redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde oorzaak,
                    mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de ontslagtermijn. </al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen. </al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief> Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op
                    15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 29 maart 2009 (na 2 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt 1
                    januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 14 januari 2012 (dit is 36 maanden + 2
                    weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2009. Op
                    15 maart 2009 herstelt hij, waarna hij op 26 april 2009 (na 6 weken) weer ziek
                    wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor geldt
                    27 april 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te
                    lopen. Dit betekent dat de medewerker op 27 april 2012 (dit is 36 maanden na 27
                    april 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2008.
                    Op 15 maart 2008 herstelt zij. Op 29 maart 2008 gaat zij met zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2008 weer moeten gaan werken. Op dat moment
                    is zij echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof niet ziek was, geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als
                    onderbreking van meer dan 4 weken. Daardoor geldt 20 juli 2008 als eerste
                    ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de
                    medewerkster op 20 juli 20011 (dit is 36 maanden na 20 juli 2008) kan worden
                    ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief> Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2009.
                    Op 1 mei 2009 gaat zij met zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 21 augustus
                    2009. Op 22 augustus 2009 zou zij weer moeten gaan werken. Echter, zij is op dat
                    moment nog ziek. </al><al>Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak als de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 1 januari 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag
                    begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 23 april 2012 (dit is 36
                    maanden + 16 weken na 1 januari 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief>De ziekte na het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof heeft een andere oorzaak dan de ziekte voor dat verlof. In dit
                    geval geldt 22 augustus 2009 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                    ontslag begint te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2012
                    (dit is 36maanden na 22 augustus 2009) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief> Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari
                    2008. Op 15 maart 2008 krijgt zij zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren
                    tot 26 april 2008 (6 weken). Daarna stoppen de zwangerschapsgerelateerde
                    klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze ziekte duurt voort. De
                    zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                    geldt 27 april 2008 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint
                    te lopen. Dit betekent dat de medewerkster op 18 augustus 2011 (dit is 36
                    maanden + 16 weken na 27 april 2008) kan worden ontslagen.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>In het negende lid is geregeld dat de termijn van de verplichte loondoorbetaling
                    van twee jaar wordt verlengd met de verlenging van de wachttijd voor een
                    uitkering ingevolge de WIA. </al><al>De ontslagtermijn wordt verlengd in drie gevallen.</al><al><vet>Ad a</vet>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op
                    de eerste dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Als de werkgever deze melding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    Deze verlenging schort eveneens de periode van 36 maanden op.</al><al><vet>Ad b </vet>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de
                    wachttijd op verzoek van werkgever en werknemer gezamenlijk verlengd kan worden.
                    Deze verlenging schort de periode van 36 maanden op.</al><al><vet>Ad c</vet>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                    reïntegratieverslag worden ingediend. Als het UWV van mening is dat de werkgever
                    zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet is nagekomen of onvoldoende
                    reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende de
                    werkgever het loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is
                    maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en ernst van het
                    verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van
                    de WIA. </al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn op
                    grond van de hiervoor genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de
                    medewerker na 36 maanden ziekte recht op 70% van zijn salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n).</al><al>Onderdeel a is niet van toepassing op werkgevers die eigenrisicodrager zijn voor
                    de WIA. Artikel 85 van de WIA stelt hen namelijk vrij van de 13e weeks melding
                    van artikel 38 Ziektewet. Eigenrisicodragers moeten op grond van dit laatste
                    artikel uiterlijk acht maanden nadat de ongeschiktheid tot werken zijn
                    verstreken, aangifte van die ongeschiktheid doen bij het UWV. Vertraging van
                    deze laatste aangifte leidt dus niet tot verlenging van de termijn van 24
                    maanden.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>Artikel 7:16 bepaalt dat definitieve herplaatsing pas na 24 maanden ziekte
                    mogelijk is. Voor de periode van 24 tot 36 maanden na de eerste ziektedag is
                    deze definitieve herplaatsing aan bepaalde voorwaarden verbonden. Definitieve
                    herplaatsing is slechts mogelijk indien:</al><lijst><li nr="-"><al>voor medewerkers die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt
                            zijn met de aangeboden arbeid ten minste 50% van de
                            restverdiencapaciteit wordt vervuld of</al></li><li nr="-"><al>voor medewerkers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn met de
                            aangeboden arbeid ten minste 100% van de restverdiencapaciteit wordt
                            vervuld.</al></li></lijst><al>Definitieve herplaatsing kan ook buiten de gemeentelijke dienst plaatsvinden.
                    Hiervoor is echter wel ontslag nodig. Het tiende lid van artikel 8:5 bepaalt dat
                    in dat geval ook ontslag na 24 maanden mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                    wettigen dat de ambtenaar zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed
                    vertoont (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek aan kennis, vaardigheden,
                    niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij redelijkerwijs niet in zijn functie kan
                    worden gehandhaafd. Vage aanduidingen als "past niet in het team" zijn niet
                    voldoende. Voorts is niet slechts de eigenschap die een bepaald gedrag tot
                    gevolg heeft voldoende, maar dient er ook een relatie te zijn tussen dat gedrag
                    en de door de ambtenaar uit te oefenen functie.0verigens kan, ondanks gebleken
                    ongeschiktheid, naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de
                    ontslagbevoegdheid beperking ondergaan wanneer het disfunctioneren van de
                    betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in omstandigheden tot het ontstaan
                    en voortbestaan waaraan de gemeente zelf heeft bijgedragen. Tolereert men
                    bijvoorbeeld gedurende langere tijd bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te
                    doen blijken, dan kan men niet van de een op de andere dag dat gedrag aangrijpen
                    voor een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de betrokken ambtenaar er
                    op te worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                    getolereerd. In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en
                    onbekwaamheid vaak moeilijk te maken en kan men een keuze vaak beter
                    vermijden.</al><al>Zoals reeds vermeld verwacht de administratieve rechter een dossier
                    (beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen, brieven
                    met klachten; alles wat als bewijs kan dienen). De ongeschiktheid mag haar
                    oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van ziekten of gebreken. Of dat al dan
                    niet het geval is, kan soms alleen maar worden vastgesteld via een voorafgaand
                    medisch onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek moet een gerede aanleiding zijn.
                    (Zie voor eventuele voorzieningen bij werkloosheid hoofdstuk 10d).</al><tussenkop>Artikel 8:7 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><vet>Onderdeel 1</vet>Deze bepaling vindt zelden toepassing. Het is moeilijk aan
                    te geven wanneer een vereiste alleen bij het aanvaarden van de functie geldt. De
                    geneeskundige verklaring, genoemd in artikel 2:3, en de verklaring omtrent
                    gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van. Een voorbeeld van
                    een blijvend vereiste is het bezit van de rijbevoegdheid voor een chauffeur. Het
                    is echter geen automatisme dat, als deze chauffeur tijdelijk zijn rijbevoegdheid
                    verliest, ontslag op grond van het bepaalde in dit artikel wordt gegeven.
                    Ontslag ken worden gegeven, getoetst kan dus worden of een ontslagbesluit in
                    redelijkheid kon worden genomen. In het geval betrokkene een vaste aanstelling
                    had, bestaat er na het ontslag aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk
                    11.</al><al><vet>Onderdeel 2</vet>Onder "zwagerschap" wordt hier "aanverwantschap" bedoeld
                    die door huwelijk ontstaat. Het woord "aangaan" duidt op een actieve
                    betrokkenheid; de ambtenaar die het huwelijk aangaat waardoor de verboden
                    aanverwantschap ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag. Over deze
                    ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend..</al><al><vet>Onderdeel 3</vet>Ook hierover zijn geen gevallen uit de praktijk bekend. In
                    het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                    aanspraak op een uitkering conform hoofdstuk 11. </al><al><vet>Onderdeel 4</vet>Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze ontslaggrond wordt in de
                    praktijk niet gebruikt.</al><al><vet>Onderdeel 5</vet>Ook een voorwaardelijke veroordeling tot vrijheidsstraf
                    valt in principe onder deze bepaling. Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op
                    zijn plaats zijn maar er mag geen sprake zijn van een automatisme. Het is geen
                    strafontslag. Er moet een zorgvuldige afweging van belangen plaatsvinden;
                    volgens de Centrale Raad van Beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot
                    ontslag van ambtenaren in het algemeen. In een dergelijke afweging van belangen
                    moeten bijvoorbeeld naast de ernst van het begane misdrijf worden betrokken het
                    verband van dat misdrijf met het ambtenaar schap van betrokkene en met de aard
                    van zijn werkzaamheden, de wijze waarop hij in zijn functie heeft gefunctioneerd
                    en met name de vraag of, en zo ja welke, bezwaren zouden zijn verbonden aan
                    voortzetting van het dienstverband, hetzij in de oude functie, voor zover die na
                    het ondergaan van de straf nog bestaat, hetzij in een andere functie.</al><al><vet>Onderdeel 6</vet>Ontslag kan worden verleend als tijdens de medische
                    keuring onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel relevante gegevens zijn
                    verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in die zin dat betrokkene niet zou
                    zijn aangesteld als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest. Van een en
                    ander moet betrokkene redelijkerwijs een verwijt kunnen worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 8:8 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig verschillende
                    persoonlijkheidsstructuur tussen twee mensen die gezien hun taak nauw met elkaar
                    moeten samenwerken, dat een vruchtbare samenwerking tussen hen niet mogelijk
                    blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen samenwerken
                    (onverenigbaarheid van karakter of incompatibilité d'humeur). Het bestuursorgaan
                    is vrij in de keuze wie van beiden ontslagen dient te worden, als het ten minste
                    in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het ontslag voor de gerezen
                    moeilijkheden een afdoende oplossing biedt en degene die niet ontslagen wordt
                    wel met een ander zal kunnen samenwerken.De raad kan ten aanzien van het te
                    voeren financiële beleid bij de uitoefening van de werkgeverstaak bij de
                    begroting aan het college een budgettaire ruimte toekennen om aan medewerkers
                    waarvan om bijzondere redenen de aanstelling wordt beëindigd een uitkering te
                    verstrekken. De raad kan daarover ook beleidsafspraken maken. Immers, ook in het
                    dualistisch stelsel is het vaststellen van een uitkering die afwijkt van de
                    normale aanspraken of een vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad
                    invloed zal moeten kunnen uitoefenen. Achteraf wordt bij de jaarrekening
                    gerapporteerd over de feitelijke consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad. Het
                    college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot ontslag en uitkering op grond van artikel 8:8.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente. In 'lichtere' gevallen, of indien een voorgenomen besluit past binnen
                    gemaakte beleidsafspraken, zal het college tot de afweging kunnen komen dat het
                    niet nodig is de raad te informeren. De concrete invulling van de
                    inlichtingenplicht zal dus variëren afhankelijk van de feitelijke
                    omstandigheden. Raad en college kunnen daarover zelf afspraken maken. Indien het
                    nodig zou kunnen zijn om de raad te informeren over het voorgenomen besluit,
                    dient dit tijdig kenbaar gemaakt te worden door middel van een voorbehoud.</al><tussenkop>Artikel 8:9 Overige ontslaggronden (T)</tussenkop><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                    non-activiteitsregeling. Op grond van dit artikel kan een ambtenaar, die na
                    afloop van de non-activiteit, ondanks de inspanningen van de werkgever om een
                    passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende functie
                    binnen de gemeente, eervol worden ontslagen.</al><tussenkop>Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke aanstelling
                    voor bepaalde tijd in de gaten houdt. Immers, als er niet tijdig onderkend wordt
                    dat de tijdelijke aanstelling moet eindigen en betrokkene blijft op de datum
                    waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna feitelijk zijn werk
                    verrichten, dan wordt hij geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld
                    voor een gelijke periode. Na afloop van deze periode kan de aanstelling wederom
                    van rechtswege beëindigd worden. Uiteraard moeten hierbij de voorwaarden uit
                    artikel 2:4 wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak verlengd wordt, dat de termijn van 24
                    maanden wordt overschreden, mag het ontslag niet meer plaatsvinden. Ditzelfde
                    geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal verlengd wordt. Dit
                    is in het nieuwe vijfde lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al> Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd kan worden beëindigd. Dit is het geval, wanneer de grond voor
                    het aangaan van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd is komen te
                    vervallen.</al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Wanneer er sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding voor
                    bepaalde tijd, gelden gelijke regels als voor de tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van de termijn, zonder
                    dat een nieuwe tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe
                    urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste urenuitbreiding. Is er sprake
                    van een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd, dan gelden de regels
                    voor beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Door deze
                    bepalingen is tevens bepaald dat het ook aangaan van een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd kan plaatsvinden. Bij een
                    urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te worden genoemd;
                    verstrijken van de termijn is reden voor beëindiging van de tijdelijke
                    urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd moet wel een grond
                    worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden tegelijkertijd de reden
                    van beëindiging is.</al><al> Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4 in
                    de gaten moeten worden gehouden. Wordt een termijn van 24 maanden overschreden
                    of wordt voor de vierde maal een tijdelijke urenuitbreiding aangegaan, dan geldt
                    deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al>Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                    10a.</al><tussenkop>Artikel 8:12:1 Tijdelijk ontslag en tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding (T)</tussenkop><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een tijdelijke
                    aanstelling voor bepaalde of onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke
                    urenuitbreiding voor bepaalde of onbepaalde tijd ook ontslag verleend kan worden
                    op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk 8. Dit ontslag zal dan
                    uiteraard in het algemeen plaatsvinden voor de beëindiging conform artikel 8:12.
                    Wanneer de einddatum reeds genaderd is, lijkt het praktischer om de einddatum af
                    te wachten en de tijdelijke aanstelling van rechtswege te beëindigen. In een
                    eventuele procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel terughoudender
                    worden getoetst dan een ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><tussenkop>Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                    urenuitbreiding voor onbepaalde tijd (T)</tussenkop><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd, dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd.
                    Bij de formulering van de opzegtermijnen wordt gesproken van 'maanden': dit
                    hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><tussenkop>Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf (T)</tussenkop><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                    geconstateerde plichtsverzuim. Criteria voor wat wel of niet als evenredig valt
                    aan te merken, zijn niet te geven. De Centrale raad van beroep komt niet verder
                    dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn oordeel in
                    overeenstemming is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de disciplinaire
                    straf in overeenstemming is met de ernst van het geconstateerde
                    plichtsverzuim.</al><al>Het UWV beoordeelt of recht bestaat op een WW-uitkering. Bij ontslag op grond
                    van artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een uitkering op
                    grond van hoofdstuk 10a in aanmerking te komen. Zie artikel 10a:2.</al><tussenkop>Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                    -commissieleden. Bedoelde ontslagbescherming dient in de rechtspositie te worden
                    opgenomen omdat de Wet op de ondernemingsraden alleen voorziet in
                    ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een arbeidsovereenkomst. De
                    bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in de
                    rechtspositieregeling te worden opgenomen. De bescherming in dit artikellid is
                    overigens gelijk aan die welke voor werknemers met een arbeidsovereenkomst geldt
                    op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, van de WOR. Alhoewel in
                    de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt artikel 8:8 de
                    mogelijkheid andere ontslaggronden te gebruiken dan in de overige artikelen
                    genoemd. De in artikel 8:13, tweede lid, aangegeven ontslagbescherming brengt
                    met zich dat er slechts van ontslagbescherming sprake is in het geval er een
                    causaal verband bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd.
                    Als er geen verband is tussen het "OR-werk" en het ontslag, is ontslag op een
                    van de gronden zoals genoemd in de CAR, wél mogelijk. De bescherming tegen
                    benadeling als bedoeld in het eerste lid van genoemd wetsartikel, is weer wél
                    van toepassing op werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond van
                    het feit dat zij activiteiten als vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb. 1998,
                    107, tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
                    (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, is de ontslagbescherming
                    voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en overeenkomstige leden van
                    OR-commissies ook van toepassing geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde
                    (ambtelijk) secretaris. Aangezien de artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de
                    WOR geen rechtstreekse werking hebben naar de overheid, is deze
                    ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het nieuwe
                    vijfde lid van artikel 8:14 voorziet in een overeenkomstige ontslagbescherming
                    voor de ambtelijk secretaris Het eerste lid van artikel 21 WOR, ter zake van
                    benadeling, heeft wel rechtstreekse werking.</al><tussenkop>Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de organisatie
                    de gelegenheid te geven eventuele Interne onderzoeken te (doen) houden, of om
                    rust binnen de organisatie te krijgen Het besluit om een ambtenaar van zijn
                    werkplek te verwijderen dient te berusten op een behoorlijke afweging van de
                    daarvoor in aanmerking komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR
                    1994/195) De hier bedoelde schorsing kan gevolgd worden door een schorsing zoals
                    bedoeld in 16:1:2: de disciplinaire straf. Een besluit tot schorsing is een
                    besluit in de zin van de Awb: de ambtenaar dient derhalve vooraf gehoord te
                    worden In onderdeel d wordt gesproken over "het belang van de dienst": de
                    rechter zal zich daar in voorkomende gevallen een oordeel over moeten kunnen
                    vormen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit geformuleerd.
                    De woorden in onderdeel c - "zo nauwkeurig mogelijke aanduiding" - impliceren
                    reeds dat een exact aangeven van de duur van de schorsing vaak niet mogelijk is
                    De duur van de schorsing kan dan ook worden verlengd De schorsing kan uiteraard
                    door ontslag of anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                    ontslaat de ambtenaar niet van zijn ambtelijke verplichtingen Zo zal hij dus
                    bijvoorbeeld moeten meewerken aan een tijdens de schorsing te houden
                    geneeskundig onderzoek.</al><tussenkop>Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet gewerkt
                    wordt, er geen sprake is van salarisbetaling, hiervoor is een apart besluit
                    nodig. Dit betekent dus dat als er geen besluit wordt genomen, het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) normaal worden doorbetaald. De ambtenaar behoudt in
                    ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioen- en ziektekostenpremie
                    (zie het derde lid). Er kan géén inhouding op het salaris en de toegekende
                    salaristoelage(n) plaatsvinden wanneer er sprake is van een schorsing op grond
                    van het dienstbelang.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk strafontslag
                    is meteen inhouding van meer dan eenderde deel mogelijk. Echter, de ambtenaar
                    behoudt in ieder geval het op hem te verhalen deel van de pensioenen
                    ziektekostenpremie (zie het derde lid). In principe dient bij de inhouding op
                    het salaris en de toegekende salaristoelage(n) te worden aangesloten bij titel
                    II van de Ambtenarenwet. Het is gebruikelijk een zodanige inhouding toe te
                    passen dat de ambtenaar ten minste een bedrag behoudt dat overeenkomt met 90%
                    van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Tijdens de schorsing kan het niet-ingehouden deel van het salaris en de
                    toegekende salaristoelage(n) aan anderen worden uitbetaald. Onder "anderen"
                    dienen in dit verband te worden verstaan de personen die door de ambtenaar
                    geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud worden voorzien.</al><tussenkop>Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                    ontslag.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit zijn
                    uitvoeringshandelingen Ten aanzien van het ontslagbesluit is in dit artikellid
                    geregeld dat de (omschrijving van de) ingangsdatum van het ontslag in ieder
                    geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de andere artikelen van
                    dit hoofdstuk is voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het
                    ontslagbesluit (kunnen) staan:</al><lijst><li nr="-"><al>de grond van het ontslag (bij ontslag op grond van artikel 8:8 en
                            ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, gebeurt dit
                            slechts op verzoek van betrokkene);</al></li><li nr="-"><al>ontslagdatum;</al></li><li nr="-"><al>of er eervol ontslag wordt verleend (of niet);</al></li><li nr="-"><al>welke uitkering betrokkene na het ontslag ontvangt: een FLO-uitkering,
                            een pensioenuitkering, een wachtgeld, etc.;</al></li><li nr="-"><al>het ontslagbesluit is een besluit in de zin van de Awb;betrokkene kan
                            binnen zes weken bezwaar aantekenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur
                    (T)</tussenkop><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                    Werkloosheidswet het urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar
                    de ontslaggrond wél bepalend is voor het recht op een aanvullende dan wel
                    aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden voorzien in de mogelijkheid
                    tot gedeeltelijk ontslag. Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van
                    artikel 7:16 kan sprake zijn van vermindering van de omvang van het
                    dienstverband. In deze situatie is echter een formeel gedeeltelijk ontslag niet
                    toegestaan, maar dient de vermindering van de omvang van het dienstverband te
                    worden vormgegeven door middel van een wijziging van de aanstelling. Dit omdat
                    bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie krachtens hoofdstuk 11a.
                    Conform de oorspronkelijke doelstelling van de suppletieregeling heeft een
                    ambtenaar alleen recht op suppletie indien hij in het geheel niet herplaatst kan
                    worden bij zijn werkgever en derhalve volledig ontslagen is.</al><tussenkop>Artikel 8:18 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag lag
                    voor 1 januari 2004. Deze medewerkers kunnen in aanmerking komen voor een
                    uitkering op grond van de WAO. De oude artikelen 8:5 en 8:5a, zoals dat gold op
                    30 juni 2006, is op hen van toepassing.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al> Daarnaast kent de WAO een aantal bepalingen op grond waarvan na beëindiging van
                    de verzekering of het recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op
                    een uitkering ingevolge de WAO bestaat. De wetgever heeft ervoor gekozen bij de
                    invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering voor deze personen in stand
                    te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt zijn
                    eerste ziektedag op grond van de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking
                    kan komen voor een WAO-uitkering in plaats van een uitkering op grond van de
                    WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals die golden op 30 juni 2006, is op hen
                    van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 8:19 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die ziek zijn geworden voor 1 juli 2007 kunnen na 24 maanden van
                    ziekte worden definitief worden herplaatst of ontslagen. Voor hen geldt dus niet
                    dat ontslag pas na 36 maanden van ziekte mag plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 8:20 Overgangsbepaling (T)</tussenkop><al>Met dit overgangsartikel wordt duidelijk dat artikel 8:4, tiende lid, of artikel
                    8:5, negende lid, toepassing blijft voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden. Artikel 38 ZW legt voor ambtenaren die voor 1 augustus 2008
                    ziek zijn geworden, aan een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                    dag nadat de ziekte 13 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als
                    de werkgever deze 13e weeksmelding te laat doet, wordt de wachttijd voor de WIA
                    met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas later in.
                    De periode waarna ontslag kan plaatsvinden, wordt met een gelijke duur
                    verlengd.</al><al>Vanaf 1 november 2008 zijn de regels veranderd voor het ziekmelden van
                    medewerkers. Artikel 38 ZW legt een werkgever de verlichting op uiterlijk de
                    eerste dag nadat de ziekte 42 weken heeft geduurd de ziekte te melden bij het
                    UWV. Dit geldt ook als een werkgever eigenrisicodrager is voor de WAO en/of WGA.
                    Als de werkgever deze melding te laat doet loopt hij de kans een boete te
                    krijgen. De vertraging heeft geen gevolgen meer voor de
                    loondoorbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 9a:2 Definities (T)</tussenkop><al>De functie, waarop de ambtenaar uiteindelijk geplaatst wordt, moet aansluiten
                    bij de richting die in het loopbaanplan is afgesproken. Bij het bepalen van die
                    richting worden de interesses en competenties van de ambtenaar betrokken
                    (artikel 9a:5, lid 9, onderdeel b).</al><al>De ambtenaar mag een aangeboden functie weigeren, wanneer deze meer dan 2
                    salarisschalen verschilt van het salaris van de functie die de ambtenaar
                    vervulde, tenzij deze functie met medeweten van de ambtenaar is gezocht en
                    hierover in het kader van het loopbaanplan afspraken zijn gemaakt.</al><al>Wanneer de ambtenaar een betrekking aanvaardt met een lager inkomen dan het
                    inkomen dat hij met de bezwarende functie verdiende, heeft hij op grond van
                    artikel 9a:11 recht op een salarisgarantie.</al><tussenkop>Artikel 9a:5 Het loopbaanplan (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Het loopbaangesprek kan onderdeel uitmaken van het functioneringsgesprek of het
                    beoordelingsgesprek. De gemeentelijke werkgever kan er ook voor kiezen om het
                    loopbaantraject afzonderlijk te benaderen. Welke keuze ook gemaakt wordt, er
                    moet een goed dossier zijn van de afspraken, de voortgang en de resultaten. Ook
                    moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is. Dit kan de direct leidinggevende
                    zijn, maar kan ook een andere functionaris zijn.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Brandweermedewerkers in bezwarende functies moeten worden opgeleid tot
                    MBO-niveau voor zover ze dit nog niet hebben. Daarbij moet het gaan om extern
                    erkende opleidingen. De reden van deze opleiding tot MBOniveau is dat het
                    gewenst is dat ambtenaren uiteindelijk zo breed mogelijk inzetbaar zijn. Een
                    brede opleiding vergroot de kansen van ambtenaren in bezwarende functies op de
                    arbeidsmarkt. </al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Deze belangen zijn onder andere het arbeidsmarktperspectief van de opleiding die
                    gewenst is. Ook de capaciteiten van de ambtenaar spelen een rol in de opleiding
                    die hij wenst. De opleiding moet derhalve aansluiten bij de capaciteiten van de
                    ambtenaar. Verder kan ook de Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM) een
                    rol spelen bij de belangen van de gemeentelijke werkgever en ambtenaar. Als de
                    PAM uitwijst dat bepaalde aspecten van de bezwarende functie niet meer
                    uitgeoefend kunnen worden, kan dat van invloed zijn op de tweede loopbaan na
                    afloop van het uitoefenen van de bezwarende functie.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>onderdeel b</al><al>Vastgelegd moet worden in welke richting de tweede loopbaan gezocht wordt. Dit
                    is namelijk medebepalend voorde activiteiten en opleidingen die gedaan,
                    respectievelijk gevolgd moeten worden. Bij het bepalen van de richting van de
                    tweede loopbaan wordt rekening gehouden met de competenties en interesses van de
                    ambtenaar.</al><al><cursief><vet>Noot 1</vet> Per 1 januari 2011 wijzigt de toelichting
                        (U201002606)In de toelichting op artikel 9a:5, lid 6, worden de woorden
                        “Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM)” vervangen door : Periodiek
                        Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). In de toelichting op artikel 9a:5, lid
                        6, wordt het woord “PAM” vervangen door: PPMO.</cursief></al><tussenkop>Artikel 9a:6 Terugbetaling (T)</tussenkop><al>Bij het afbreken van de opleiding zonder geldige reden kan sprake zijn van
                    evident misbruik. De ambtenaar moet er op het moment dat de loopbaanfaciliteiten
                    bekostigd worden op gewezen worden dat hij bij evident misbruik de kosten moet
                    terugbetalen.</al><tussenkop>Artikel 9a:8 Disciplinaire straf (T)</tussenkop><al>Als de ambtenaar zich niet houdt aan de verplichtingen uit het loopbaanplan,
                    wordt een disciplinaire straf opgelegd. Hierbij gelden de bepalingen van
                    hoofdstuk 16. De zwaarte van de straf moet overeenkomen met de ernst van de
                    gedragingen. Van de voortgang van het loopbaanplan moet een dossier bijgehouden
                    worden. Hiermee kan beoordeeld worden of het niet kunnen starten van de tweede
                    loopbaan van de medewerker aan het einde van het loopbaantraject aan de
                    medewerker te wijten is.</al><tussenkop>Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan (T)</tussenkop><al>Wanneer het college zijn inspanningen uit het loopbaanplan niet nakomt en de
                    tweede loopbaan om die reden niet begonnen kan worden, blijft de ambtenaar in de
                    bezwarende functie doorwerken. De tweede reden dat de ambtenaar werkzaam kan
                    blijven in de bezwarende functie is als het college en de ambtenaar gezamenlijk
                    daartoe besluiten.</al><al>Uiteraard moet de ambtenaar medisch geschikt zijn om in de functie te kunnen
                    doorwerken. Of de ambtenaar medisch geschikt is, kan blijken uit de PPMO, maar
                    kan ook aan de orde worden gesteld door de ambtenaar zelf die zich heeft ziek
                    gemeld. Op dat moment wordt hoofdstuk 7 van toepassing en geldt het
                    ziekteverzuimprotocol. Ook kan het college op grond van hoofdstuk 7 besluiten de
                    ambtenaar aan een medisch onderzoek te onderwerpen, wanneer getwijfeld wordt aan
                    de medische geschiktheid om de functie uit te oefenen.</al><al>Het feit dat de tweede loopbaan na 20 jaar nog niet gestart heeft kunnen worden,
                    betekent niet dat van een tweede loopbaan helemaal geen sprake meer is. Het
                    loopbaanplan wordt voortgezet. Feitelijk betekent dit dus dat de termijn van 20
                    jaar wordt opgerekt.</al><al><cursief><vet>Noot 1</vet>Per 1 januari 2011 wijzigt de toelichting
                        (201002606)In de toelichting op artikel 9a:9 wordt het woord “PAM” vervangen
                        door: PPMO. </cursief></al><tussenkop>Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Vanaf het moment van ziekmelding begint de normale procedure te lopen, die voor
                    een zieke medewerker geldt. Hoofdstuk 7 CAR is dus gewoon van toepassing. Vanaf
                    het eerste moment van ziekte moeten college en ambtenaar werken aan
                    reïntegratie. Dat de medewerker niet meer geschikt is om in zijn bezwarende
                    functie door te werken betekent dus dat gezocht moet worden naar ander werk
                    binnen dan wel buiten de gemeentelijke dienst.</al><al>Dat hoofdstuk 7 van toepassing is, betekent ook dat de ambtenaar na verloop van
                    tijd minder hoge eisen mag stellen aan de nieuwe functie. Zie verder de
                    toelichting bij hoofdstuk 7.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het feit dat gekozen is voor de terminologie "een bezwarende functie" betekent
                    dat ook bij overstap van de ene naar de andere gemeente of van de ene bezwarende
                    functie naar de andere bezwarende functie de opbouw van de
                    overbruggingsuitkering geldt. De gemeente, van waaruit de ambtenaar
                    arbeidsongeschikt raakt, betaalt de overbruggingsuitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De overbruggingsuitkering wordt gedurende maximaal 20 jaar opgebouwd. Dit
                    resulteert in een totale maximale duur van 24 maanden.</al><tussenkop>Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Bij ledenbrief van 4 september 2006 (Marz/CvA/U200601402; CvA/LOGA 06/35) is een
                    uitputtende definitie gegeven van het begrip bezoldiging. Ook is in die
                    ledenbrief bevestigd dat de garantietoelagen uit artikel 9a:11 uitgaan van
                    bevroren bedragen (zie hierna de toelichting op overige leden van artikel
                    9a:11).</al><al>De nieuwe definitie van het begrip bezoldiging is in lid 1 vastgelegd. De
                    limitatieve opsomming houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet
                    meegenomen wordt in de berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend is voor
                    de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en generieke salarisstijgingen
                    omgerekend worden naar een periode van 12 maanden.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren diverse keuzes
                    maken, waaronder vakantie-uren kopen in het cafetariamodel, vakantie-uren
                    verkopen in het cafetariamodel, ouderschapsverlof opnemen, (kort- of langdurend)
                    zorgverlof opnemen, parttime gaan werken en fulltime gaan werken.</al><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de feitelijke
                    uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt
                    die wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                    artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door in de oude bezoldiging. Dit ziet dus op de
                    periode 12 maanden voor het begin van de tweede loopbaan. Uitzondering hierop is
                    dat een verhoging of verlaging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging
                    genoemd in artikel 3:1, lid 2, onderdeel c door uitwisseling van
                    arbeidsvoorwaarden in het cafetariamodel niet doorwerkt in de oude
                    bezoldiging.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het eerste lid biedt een salarisgarantie, <vet>waarbij sprake is van een
                        bevriezing van het oude salarisbedrag</vet>. Het gaat daarbij om een
                    garantie van het salarisbedrag dat betrokkene maandelijks ontving. Als iemand
                    een functie had in schaal 6 en betaald werd naar periodiek 5 (bedrag: € 1856) en
                    zijn nieuwe functie is een functie in schaal 5, waarbij hij ingedeeld wordt in
                    periodiek 7 (bedrag: € 1891), dan ontvangt hij geen garantietoelage. De hoogte
                    van de toelage kan veranderen als sprake is van een algemene salariswijziging.
                    De toelage bedraagt het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Dit
                    betekent dat als het nieuwe salaris stijgt, de toelage minder groot en
                    uiteindelijk wellicht nihil wordt.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 2 geeft recht op een garantietoelage van 2.000.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren
                    bezoldigingsbedrag.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 25.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 10.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 1 geeft recht op een garantietoelage van 5.000. Maar omdat het nieuwe
                    salaris samen met de nieuwe toelagen én de op grond van het eerste lid berekende
                    garantie hoger is dan de oude bezoldiging, wordt de garantietoelage verminderd
                    met een bedrag van 2.000. De garantietoelage bedraagt daarom 3.000.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot een aflopend percentage
                        van de oude toelagen, waarbij sprake is van bevroren bedragen.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al><vet>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een bevroren
                    bezoldigingsbedrag.</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oud salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>nieuw salaris 32.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oude toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>nieuwe toelagen 4.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Lid 3 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en 1.000. Maar
                    omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen én de afbouwtoelage in
                    het eerste en tweede jaar leiden tot een hoger totaalinkomen dan de oude
                    bezoldiging, komt de afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar niet geheel tot
                    uitbetaling. In het eerste jaar wordt de afbouwtoelage verminderd met een bedrag
                    van 2.000 en bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000. In het tweede jaar wordt de
                    afbouwtoelage verminderd met een bedrag van 1.000 en bedraagt de afbouwtoelage
                    dus 2.000.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Het percentage van 175% is als volgt opgebouwd. Gedurende vier jaar lang wordt
                    een aflopende compensatie gegeven van het inkomensverschil, waarbij het eerste
                    jaar 100% van het inkomensverschil wordt vergoed, het tweede jaar 75%, het derde
                    jaar 50% en het vierde jaar 25% van het inkomensverschil. In totaal wordt dus
                    250% van het inkomensverschil vergoed. Vervolgens wordt dit bedrag met 70%
                    vermenigvuldigd. Het percentage van 70% heeft te maken met het voordeel dat de
                    medewerker heeft doordat een bedrag ineens wordt verstrekt. Wanneer deze
                    percentages met elkaar vermenigvuldigd worden, wordt 70% * 250% = 175% van het
                    inkomensverschil vergoed.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Oude functie</al></entry><entry colname="col2"><al>Nieuwe functie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Salaris 30.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>Salaris 28.000 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toelagen 8.000</al></entry><entry colname="col2"><al>Toelagen 6.000</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De medewerker zakt in totaalinkomen van 38.000 naar 34.000.</al><al>De medewerker ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van (38.000-34.000) * 250% *
                    70% = 7.000.</al><tussenkop> Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december
                    2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005 een
                    functie bekleed heeft die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005.
                    Ook moet hij sinds die datum onafgebroken in een dergelijke functie gewerkt
                    hebben. Dit hoeft niet bij een en dezelfde organisatie te zijn geweest.</al><al>De tekst van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, luidt: "Indien
                    door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn bepaald voor
                    de vervulling van in die regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven
                    betrekkingen, wordt de ambtenaar die een zodanige betrekking vervult en de
                    daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft overschreden, eervol ontslag
                    verleend."</al><al>De rechten die deze ambtenaren hebben, zijn vervolgens afhankelijk van:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal dienstjaren dat de ambtenaar op 1 januari 2006 in een functie
                            werkzaam is geweest, die recht gaf op functioneel leeftijdsontslag.
                        </al></li><li nr="-"><al> het feit of de functie bezwarend was. </al></li><li nr="-"><al> de geboortedatum van de ambtenaar: is de ambtenaar voor 1950 of na 1949
                            geboren.</al></li></lijst><al>In aparte paragrafen worden deze rechten verder uitgewerkt. De rechten komen ten
                    laste van de gemeente, van waaruit betrokkene van de in dit hoofdstuk bepaalde
                    rechten gebruik maakt en het college de plichten aan de betrokkene oplegt.</al><tussenkop>Artikel 9b:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar moet op 31 december 2005 bij een gemeentelijk
                    beroepsbrandweerkorps of een gemeentelijke ambulancedienst een functie bekleed
                    hebben die - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op
                    grond van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 8:3" type="tekst" id="i278444"></illustratie></plaatje>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Ook moet hij sinds die datum
                    onafgebroken in deze functie gewerkt hebben. Onder onafgebrokenheid genoemd in
                    lid 1 onder c wordt ook verstaan een overstap naar een andere functie binnen
                    dezelfde gemeente of ambulancedienst of naar een functie bij een ander
                    gemeentelijk beroepsbrandweerkorps beroepsbrandweerkorps of andere gemeentelijke
                    ambulancedienst. Voorwaarde voor de functie waarnaar wordt overgestapt is dat
                    ook die functie - op 31 december 2005 - recht gaf op functioneel
                    leeftijdsontslag op grond van <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="artikel 8:3" type="tekst" id="i278445"></illustratie></plaatje>, zoals dat luidde op 31 december 2005. Het overgangsrecht bij
                    wijziging van functie of wijziging van werkgever loopt dus door, mits dit een
                    overstap is van de ene naar de andere bezwarende functie.</al><al>Doorlopen van het overgangsrecht betekent dat ook bij de nieuwe werkgever de
                    rechten ontstaan op grond van paragraaf 2 of 3 van dit hoofdstuk. Of paragraaf 2
                    of 3 van toepassing is, blijft afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1
                    januari 2006.</al><al>Er is een uitzondering op het doorlopen van het overgangsrecht en dat is als de
                    nieuwe werkgever met de medewerker afspreekt dat het overgangsrecht niet wordt
                    voortgezet. De medewerker kan namelijk ook anderszins voordeel hebben van de
                    overstap op grond waarvan het voor hem minder belangrijk is dat het
                    overgangsrecht wordt voortgezet.</al><tussenkop>Artikel 9b:2 Begripsbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Onderdeel a</vet>De in onderdeel a gegeven definitie van bezoldiging geldt
                    alleen voor de in dit artikel genoemde artikelen. Dat betekent dat in de andere
                    gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>de definitie van artikel 3:1 geldt (artikel 9b:20, eerste lid, eerste
                            maal en artikel 9b:25, zesde lid, eerste maal); of </al></li><li nr="-"><al>de nieuwe definitie wel geldt, maar dit via een inhoudelijke koppeling
                            met een van de wel genoemde artikelen geregeld is (zo wordt in artikel
                            9b:10 verwezen naar artikel 9b:4; het is dus niet nodig om artikel 9b:10
                            in de opsomming in onderdeel a op te nemen); of </al></li><li nr="-"><al>dat de definitie van bezoldiging niet ter zake doet, omdat het begrip
                            bezoldiging daar slechts gekoppeld is aan een periode en niet
                            inhoudelijk van betekenis is (bijvoorbeeld artikel 9b:9). </al></li></lijst><al>De limitatieve opsomming van de elementen die onder het begrip bezoldiging
                    vallen houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding niet meegenomen wordt in
                    de berekeningsgrondslag. De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de
                    datum die bepalend is voor de opgesomde artikelen betekent dat periodieken en
                    generieke salarisstijgingen omgerekend worden naar deze periode van 12 maanden. </al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand wordt op 1 juni 2007 55 jaar. Op dat moment
                    wil hij 50% gaan werken tegen doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Op 1
                    februari 2007 is een generieke salarisverhoging afgesproken van 0,8%. Deze telt
                    voor de gemiddelde bezoldiging van de 12 maanden voorafgaand aan 1 juni 2007
                    voor 4/12 mee, omdat deze slechts over 4 van de 12 voorafgaande maanden is
                    genoten.</al><al>In de definitie van bezoldiging wordt verwezen naar de datum die
                        <cursief>“voortvloeit uit de toepassing van …”</cursief> bepaalde artikelen.
                    Hiermee wordt het volgende bedoeld. Artikel 9b:4 geeft de ambtenaar de keuze om
                    op de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken, tegen doorbetaling van 80% van de
                    bezoldiging. Als hij dat daadwerkelijk doet, wordt uitgegaan van de gemiddelde
                    bezoldiging die hij in de periode 54 tot 55 jaar ontving. Maakt hij echter
                    gebruik van de mogelijkheid tot opschuiven (lid 5) en schuift hij de
                    ingangsdatum van de keuzemogelijkheden op met 2 jaar, dan stopt hij pas op
                    57-jarige leeftijd met werken en geldt de bezoldiging in de periode 56 tot 57
                    jaar.</al><al>Gedurende het dienstverband bij gemeenten kunnen ambtenaren gebruik maken van
                    diverse verlofvormen. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof of kort- of langdurend
                    zorgverlof. Deze verlofopname kan ook plaatsvinden in de referteperiode van het
                    begrip bezoldiging (12 maanden voorafgaand aan de datum bedoeld in het eerste
                    lid). Als verlofopname door de ambtenaar in deze referteperiode leidt tot een
                    wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                    3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging. </al><al>Een wijziging van de bezoldiging als gevolg van keuzes in het kader van het
                    cafetariamodel heeft geen gevolgen voor de bezoldiging.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>HHenk heeft 20 dienstjaren en kan op zijn 55-ste
                    verjaardag, op 1 augustus 2009, met volledig buitengewoon verlof. Henk geniet
                    van 1 januari tot 1 april 2009 drie maanden fulltime ouderschapsverlof. Stel
                    Henk krijgt in deze periode van ouderschapsverlof, gelet op de
                    ouderschapsverlofkorting, 35% van de bezoldiging doorbetaald vanuit de
                    werkgever. Deze daling van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging in de
                    referteperiode werkt door in de bezoldiging. De bezoldiging van Henk is
                    uiteindelijk (9 maanden 100% en 3 maanden 35% =) 83,75% van de bezoldiging die
                    Henk gehad zou hebben als hij geen ouderschapsverlof had opgenomen.</al><al>Alleen als verlofopname in de 12 maanden van de referteperiode heeft geleid tot
                    een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                    artikel 3:1, lid 2, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.
                    Andere invloeden, bijvoorbeeld ziekte of gebruikmaking van het cafetariamodel,
                    hebben geen effect op de bezoldiging.</al><al><vet>Onderdeel b en e</vet>In artikel 9b:1 is vastgesteld dat het moet gaan om
                    een betrekking die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag
                    op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278446"></illustratie></plaatje>. Deze eis geldt zowel bij de bezwarende als bij de niet-bezwarende
                    functie. </al><tussenkop>Artikel 9b:3 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                    onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht
                    gaf op functioneel leeftijdsontslag.</al><tussenkop>Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                    op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278447"></illustratie></plaatje>, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55 jaar.
                    Dit betekent dat de keuze in principe 4 jaar lang geldt. Op eerste dag van de
                    maand volgende op de maand waarin de medewerker 59 jaar wordt, gaat namelijk het
                    onbezoldigd volledig verlof in. Was de zogeheten FLO-leeftijd bepaald op een
                    hogere leeftijd, dan is de periode van de keuze korter dan 4 jaar. Lid 7 biedt
                    overigens de mogelijkheid om na ingang van de keuzeperiode over te stappen naar
                    een andere keuze. Zie ook de toelichting bij lid 7.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd op de
                    pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                    verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 4 jaar.
                    Het buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt
                    dit fiscaal extra belast.</al><al>De overige keuzes gelden voor zover het dienstbelang dit toelaat. Het
                    dienstbelang houdt onder meer in dat er voldoend e werk voorhanden moet zijn om
                    de ambtenaar van de eerste twee opties gebruik te laten maken.</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                    alternatief geldt voor 50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de
                    mogelijkheid te maken dat ambulancepersoneel in verband met vakbekwaamheidseisen
                    minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36 uur per week) moet
                    werken.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                    FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, gelden de keuzes van het eerste lid pas
                    vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar 56 jaar wordt.
                    Ditzelfde geldt naar analogie bij een FLOleeftijd van 57 en 58. In al deze
                    gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat vanaf de
                    eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. Ambtenaren met een
                    functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of 60 jaar, gaan dus
                    direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel 9b:4 feitelijk niet
                    van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig verlof gaan,
                    komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:4. Zie voor een
                    toelichting op ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd gold van 59
                    jaar, de toelichting op lid 5. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in
                    een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, het weede lid
                    van artikel 9b:11. De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus
                    korter naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                    die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> Men kan er ook voor kiezen om later dan bij het bereiken van de leeftijd van 55
                    jaar het overgangsrecht in te laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd
                    volledig verlof van artikel 9b:11 later in. </al><al>Als iemand hiervoor kiest, kan hij ook het ouderdomspensioen later laten ingaan.
                    Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid, waardoor de
                    uitkering per jaar hoger wordt. Zie verder de toelichting op artikel 9b:11. </al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                    2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan
                    onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgende
                    op de maand waarin de ambtenaar 59 jaar wordt. In artikel 9b:11 is opgenomen dat
                    de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven kan worden. Het
                    onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende functie,
                    waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar had
                    vastgesteld, gaat in vanaf de leeftijd van 60 jaar. Ook hij kan de ingangsdatum
                    van dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven. Ten aanzien van de medische
                    geschiktheid wordt verwezen naar de toelichting op lid 4.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>In lid 7 wordt het mogelijk gemaakt om gedurende de periode van 55 tot 59 jaar
                    de gemaakte keuze te herzien. Het dienstbelang moet deze herziening toelaten.
                    Een van de andere voorwaarden is dat alleen minder gewerkt kan worden dan de in
                    eerste instantie gemaakte keuze. Dit betekent dat als de ambtenaar gekozen had
                    om 50% te gaan werken tegen 90% van de bezoldiging, hij na herziening alleen nog
                    kan kiezen voor stoppen met werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging
                    dan wel ontslag nemen tegen uitbetaling van een bonus van een jaarsalaris. Deze
                    bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot betrokkene de
                    leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Het FLO-overgangsrecht ondervindt gevolgen van onder andere wijzigingen in
                    pensioenregels en het ziektekostenstelsel. Hierdoor bestaat er verschil in
                    inkomen van ambtenaren die gebruik konden maken van het oude FLO en medewerkers
                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 die na die datum gebruik hebben
                    gemaakt van de mogelijkheid in het FLO-overgangsrecht om volledig te stoppen met
                    werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging. In de CAO sector Gemeenten
                    2007-2009 is een compensatie afgesproken voor ambtenaren met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 die in schaal 6 of lager zaten en die gebruik maken van
                    de mogelijkheid om volledig te stoppen met werken tegen 80% bezoldiging. Deze
                    ambtenaren hebben, als zij in de jaren 2006 tot en met 2010 gebruik maken van
                    deze mogelijkheid, recht op een netto bedrag van € 500,- per jaar. Als zij niet
                    een volledig kalenderjaar gebruik hebben gemaakt van genoemde regeling dan
                    ontvangen zij het bedrag naar rato.</al><al><cursief>Voorbeelden</cursief>Iemand die vanaf 1 juli 2006 in het kader van FLO
                    overgangsrecht van voornoemde mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft dus in
                    2006 recht op een vergoeding van € 250, in 2007 tot en met 2009 jaarlijks recht
                    op een netto vergoeding van € 500 en in 2010 een vergoeding van € 250. Op 1 juli
                    2010 wordt de medewerker 59 jaar en gaat hij met onbezoldigd volledig verlof.
                    Iemand die vanaf 1 juli 2007 in het kader van FLO overgangsrecht van voornoemde
                    mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft in 2007 recht op een vergoeding van €
                    250 en in 2008 tot en met 2010 jaarlijks recht op een netto vergoeding van €
                    500. Iemand die vanaf 1 april 2008 in het kader van FLO overgangsrecht van
                    voornoemde mogelijkheid gebruik maakt, heeft in 2008 recht op een netto
                    vergoeding van 9/12 maal € 500 en in 2009 en 2010 jaarlijks recht op een netto
                    vergoeding van € 500.</al><al>Wanneer er lokaal al een compensatie van de betreffende medewerkers heeft
                    plaatsgevonden, bestaat slechts recht op de bovenstaande netto vergoeding voor
                    dat gedeelte dat hoger is dan wat de gemeente al aan de betrokken medewerker
                    netto heeft uitbetaald dan wel heeft toegezegd. Dit wordt berekend over de
                    gehele periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011. (zie voorbeeld 1 en
                    2)</al><al>Er kan ook sprake van zijn dat medewerkers om andere redenen de bovengenoemde
                    inkomensachteruitgang niet of slechts gedeeltelijk ondervonden. Wanneer geen
                    sprake is geweest van een achteruitgang in inkomen, bestaat uiteraard geen recht
                    op vergoeding op basis van de CAR. Wanneer de inkomensachteruitgang niet of
                    slechts gedeeltelijk heeft plaatsgevonden bestaat slechts aanspraak op de
                    vergoeding op basis van de CAR voor dat deel dat er minder is ontvangen dan de
                    netto vergoeding van € 500 per jaar. Dit wordt berekend over de gehele periode
                    van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 (zie voorbeeld 3).</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief>Een gemeente heeft voorafgaand aan de CAO lokaal
                    al toegezegd om in de jaren 2006 tot en met 2008 een netto compensatie te
                    verlenen van € 250 netto per jaar. Een medewerker die op 1 januari 2007 gebruik
                    heeft gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met
                    werken tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging heeft op basis van de CAR
                    nog recht op een nabetaling van € 250 netto per jaar over 2007. In 2008 heeft
                    hij recht op een netto uitkering van € 500 (€ 250 op basis van de lokaal
                    gemaakte afspraak en € 250 op basis van de CAR). In 2009 en 2010 heeft hij recht
                    op de compensatie van € 500 netto per jaar (op basis van de CAR).</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Een medewerker heeft op 1 januari 2006 gebruik
                    gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken
                    tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. De gemeente heeft in 2006 en 2007
                    een compensatie verleend voor de inkomensachteruitgang van € 1000 netto per
                    jaar. Dit betekent dat deze medewerker in de periode 2006-2007 al een
                    compensatie heeft ontvangen van € 2000 netto. Omdat dit gelijk is aan 4 <noot id="FN5663_1"><noot.al>Een medewerker heeft maximaal 4 jaar recht op de compensatie,
                            immers vanaf het moment dat de medewerker 59 jaar is gaat hij met
                            onbezoldigd volledig verlof (levensloop).</noot.al></noot> x € 500 waarop op basis van de CAR recht bestaat, bestaat geen recht
                    meer op extra compensatie.</al><al><cursief>Voorbeeld 3 </cursief> Een medewerker heeft per 1 januari 2006 gebruik
                    gemaakt van de mogelijkheid om vanaf de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken.
                    Deze medewerker is vanaf dat moment niet meer oproepbaar. Op basis van de CAR
                    moet dit tegen uitbetaling van 80% van de bezoldiging. Echter om administratieve
                    redenen is deze medewerker het hele jaar 2006 volledig doorbetaald (100% van de
                    bezoldiging). Pas vanaf 1 januari 2007 is de doorbetaling van de bezoldiging
                    verlaagd naar 80%. De uitbetaling in 2006 bedroeg hierdoor € 2000 netto per
                    maand terwijl dit € 1600 netto per maand was geweest wanneer de CAR was
                    toegepast. De medewerker heeft hierdoor in 2006 € 4800 (12*(2000-1600))
                    ontvangen. In totaal zou hij op grond van de CAR maximaal € 2000 kunnen
                    ontvangen. Omdat hij in feite al meer heeft ontvangen dan dat bedrag, heeft deze
                    medewerker geen recht meer op de compensatie bruto-netto FLO.</al><tussenkop>Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4
                    (T)</tussenkop><al>De opbouw van pensioen is geregeld in het ABP-reglement. Tijdens de periode van
                    (gedeeltelijk) betaald verlof is de pensioenopbouw als ware er geen sprake van
                    verlof. In de periode van artikel 9b:4 bouwt de medewerker dus pensioen op over
                    de volledige bezoldiging. In het pensioenreglement is wel ruimte gelaten om in
                    de CAO afspraken te maken over de pensioenopbouw van (hoge) bonussen. Er is voor
                    gekozen om de bonussen in artikel 9b:4 niet tot de pensieongrondslag te laten
                    behoren. </al><tussenkop>Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4
                    (T)</tussenkop><al>Als de ambtenaar ervoor kiest om volledig door te werken, bouwt hij ook volledig
                    vakantie op. Kiest hij ervoor om niet te werken, tegen doorbetaling van 80% van
                    de bezoldiging, dan bouwt hij geen vakantie-uren op. Uiteraard wordt bij 50%
                    werken (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel) voor 50, respectievelijk
                    60% vakantie opgebouwd.</al><tussenkop>Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4 (T)</tussenkop><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging, die
                    grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:4 gedaan wordt,
                    bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze toelage zou
                    dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering
                    en de vakantietoelage.</al><tussenkop>Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4
                    (T)</tussenkop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                    bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                    tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering. Dit
                    is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens de
                    periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 80% van de
                            bezoldiging (artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin);</al></li><li nr="-"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                            tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:4, eerste
                            lid, onderdeel b).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:11), wordt ten
                    laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode
                    is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><tussenkop>Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken
                    van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                    bezwarende functie bekleedt waaraan een FLO-leeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                    jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                    zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - bij het volgen
                    van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de eerste dag van de maand volgend
                    op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt gedurende 3 jaar in een
                    inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren
                    die een bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was
                    gekoppeld, geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de
                    levensloopvoorziening, waarmee - bij het volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk
                    9e) - vanaf de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin hij de leeftijd
                    van 60 jaar bereikt, gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70%
                    van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:21. </al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                    levensloopvoorziening, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke opname van de
                    levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof of
                    verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening 70% van de
                    oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de eerste van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                    62 jaar bereikt, kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het naar voren
                    halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat moment ontslag
                    verleend worden op grond van artikel 8:2. </al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                    ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                    actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                    financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig verlof,
                    kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde lid
                    van artikel 9b:4, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als de
                    keuze van artikel 9b:4 later is ingegaan. </al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent dat
                    een kortere periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd.
                    De ambtenaar is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De
                    ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de levensloopregeling
                    (bijvoorbeeld omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft
                    gemaakt of omdat hij gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de
                    levensloopregeling). Ook kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn
                    ouderdomspensioen later dan vanaf 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP
                    wordt dan minder ver naar voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor
                    over een kortere periode wordt verspreid, resulteert dit in een hoger
                    ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met een lage OP-opbouw kan dit een
                    interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent dat
                    over een langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                    bedoeld in artikel 6:9, is dat de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen.
                    Omdat sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10
                    lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de
                    pensioenopbouw tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van de
                    ambtenaar, tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend. Bij de
                    vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, volgt de premie
                    gedurende de gehele periode van verlof met een maximum van drie, respectievelijk
                    twee jaar de normale werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:12. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in
                    op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd
                    van 60 jaar bereikt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Bij ambtenaren op wie artikel 9b:4 feitelijk van toepassing is en die hebben
                    gekozen voor het vijfde lid van artikel 9b:4 schuift de datum van ingang van het
                    onbezoldigd volledig verlof automatisch op. Op de ambtenaar met een functie,
                    waaraan het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of
                    60 jaar, is artikel 9b:4 feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop
                    onbezoldigd volledig verlof wordt verleend, ligt namelijk op hetzelfde moment
                    (bij FLO-leeftijd 59 jaar) of komt eerder (bij FLO-leeftijd 60 jaar) dan het
                    moment, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid. Om ook deze ambtenaren de
                    mogelijkheid te bieden langer ouderdomspensioen op te bouwen door langer door te
                    werken tegen de normale bezoldiging, is de keuzevrijheid voor het later laten
                    ingaan van het onbezoldigd volledig verlof in dit artikel opgenomen.</al><al>Het voordeel van langer doorwerken is dat de ambtenaar langer ouderdomspensioen
                    opbouwt. De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te
                    werken. De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de
                    arbo-arts, die op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het
                    periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De periode dat de dienstbetrekking voortduurt, kan ook korter zijn, wanneer de
                    ambtenaar eerder dan na 3 jaar ontslag neemt. De periode van 3 respectievelijk 2
                    jaar is gekoppeld aan de verwachte deelname aan de levensloopregeling voor 3
                    respectievelijk 2 jaar tegen een uitkering van 70%. Het college zorgt namelijk
                    voor een zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat ambtenaren die een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd was gekoppeld van 55, 56,
                    57, 58 of 59 jaar vanaf de leeftijd van 59 jaar - bij het volgen van het
                    LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - gedurende 3 jaar in een inkomen kunnen voorzien
                    van 70% van de oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende
                    functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het
                    college zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee - bij het
                    volgen van het LOGA-pad (zie hoofdstuk 9e) - vanaf de leeftijd van 60 jaar
                    gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude
                    bezoldiging.</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><tussenkop>Artikel 9b:12 Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof
                    (T)</tussenkop><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                    Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter niets
                    over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen werkgever
                    en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof, voor zover
                    dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid
                    wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="-"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="-"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="-"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                            binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het Pensioenreglement
                    wordt verschil gemaakt in de grondslag voor pensioenopbouw bij onbezoldigd
                    volledig verlof</al><lijst><li nr="-"><al> met opname van levenslooptegoed en </al></li><li nr="-"><al> zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed pensioen wordt
                    opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot
                    minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat
                    lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept>Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw
                    plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald
                    verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In het
                    Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens onbetaald verlof
                    met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen op kunnen bouwen
                    tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met FLO-overgangsrecht maakt het
                    Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen tijdens het onbetaald verlof met
                    opname van levenslooptegoed voor een onbeperkte periode pensioen op tegen de
                    doorsneepremie. Voorwaarde daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct
                    voorafgaand aan het ouderdomspensioen genieten.</al><al>Bij onbezoldigd volledig verlof zonder opname van levenslooptegoed bouwen
                    ambtenaren met FLO-overgangsrecht net als andere ambtenaren voor onbeperkte duur
                    pensioen op tegen doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                        binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de Pensioenovereenkomst wordt
                    geregeld dat de normale werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan
                    70%-30%. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk
                    het werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende
                    de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof.
                    Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar
                    verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de
                    verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee
                    jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:12. Het verhaal van de premie
                    (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                            kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct
                            inhouden op de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al></li><li nr="-"><al>Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                            verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker
                            niet verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de
                            ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De
                            gemeente dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering
                            ingelost wordt. Vast staat wel dat er feitelijke betaling van de
                            ambtenaar aan de gemeente dient plaats te vinden. Er volgen immers geen
                            perioden meer waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met
                            betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                            totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd
                    van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                    januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                    arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en college
                    zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de reguliere regels van
                    loondoorbetaling bij ziekte.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dat artikel 8:4 en artikel 8:5 niet van toepassing zijn, betekent dat, anders
                    dan bij ‘reguliere’ gedeeltelijk arbeidsongeschikten, er na een periode van 24
                    maanden (bij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikten), dan wel 36
                    maanden (bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten), geen sprake mag zijn van
                    ontslag. Definitieve herplaatsing is wel mogelijk. Deze regels gelden ook voor
                    ambtenaren die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Omdat zij
                    echter - tijdelijk - geen restverdiencapaciteit hebben, heeft bij hen het zoeken
                    naar een andere functie geen nut en zal om die reden ook geen sprake zijn van
                    definitieve herplaatsing. Als deze ambtenaren herstellen, gaan de regels gelden,
                    zoals deze gelden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten.</al><al>De ambtenaar die tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar volledig en duurzaam
                    arbeidsongeschikt raakt, mag 24 maanden na arbeidsongeschiktheid (of zoveel
                    eerder als UWV daar toestemming voor geeft) ontslag verleend worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te realiseren dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte of de volledig maar niet
                    duurzaam arbeidsongeschikte vanaf zijn 55e gelijke rechten heeft als iemand die
                    niet (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is, moet de betrokken ambtenaar indien hij
                    niet herplaatst is, beter gemeld worden op de dag dan hij 55 wordt. Hij heeft
                    vanaf dat moment dezelfde keuzes als een ambtenaar die niet ziek is, zij het dat
                    50% doorwerken tegen 90% salaris wegens ziekte waarschijnlijk niet mogelijk is
                    voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, dat 50% werken tegen 90% salaris zeker
                    niet mogelijk is voor volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikten en dat
                    100% doorwerken met een bonus voor beide categorieën in ieder geval niet
                    mogelijk is.</al><al>Omdat de betrokken ambtenaren beter gemeld zijn, is artikel 7:3 (de regels rond
                    loondoorbetaling bij ziekte) vanaf dat moment niet meer van toepassing. De
                    bezoldiging van betrokkene wordt uitbetaald conform de regels van het
                    overgangsrecht.</al><al>Vanaf hun 59e jaar krijgen deze ambtenaren onbezoldigd volledig verlof, waarvan
                    zij de eerste periode gebruik kunnen maken van de levensloopregeling en de
                    leeftijd van 62 jaar van het versterkt OP.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, wordt de ambtenaar bij het
                    bereiken van die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Op de ambtenaar die ziek wordt tussen zijn 50e en zijn 55e jaar, blijven artikel
                    9b:4 tot en met 9b:18 van toepassing. Artikel 9b:4 blijft van toepassing, voor
                    zover de keuzes die daarin worden genoemd, gezien de medische geschiktheid nog
                    mogelijk zijn. Dat kan betekenen dat alleen de opties niet werken met
                    doorbetaling van 80% van de bezoldiging of ontslag onder toekenning van een
                    bonus nog mogelijk zijn.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Uitgangspunt hierbij is een FLO-leeftijd van 55 jaar. Dat betekent dat hij vanaf
                    zijn 55e al gebruik maakt van de keuzes van artikel 9b:4. In het zesde lid is
                    opgenomen dat een hogere leeftijd geldt, als een hogere FLO-leeftijd was
                    vastgesteld.</al><al>De ambtenaar die vanaf zijn 55e jaar arbeidsongeschikt raakt, wordt niet ziek
                    gemeld. Hij blijft gebruik maken van de keuzes van artikel 9b:4, voor zover dat
                    medisch gezien mogelijk is. </al><al>Als de ambtenaar gekozen had om 100% door te werken met een bonus, en hij dat
                    wegens ziekte niet meer kan, moet hij een van de andere opties van artikel 9b:4,
                    eerste lid, kiezen. Als hij vanwege ziekte ook niet meer de keuze heeft om 50%
                    te werken tegen 90% van het salaris, resteren voor hem alleen nog de keuze van
                    volledig buitengewoon verlof, tegen doorbetaling van 80% van de voor de
                    ambtenaar geldende bezoldiging en de keuze van volledig ontslag op grond van
                    artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de
                    ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de
                    bonus. Deze bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot het
                    moment, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. </al><al>Het is niet eenduidig vast te stellen na hoeveel tijd van ziekte vast staat dat
                    de ambtenaar de door hem gemaakte keuze niet meer kan voortzetten. Dat zal per
                    ziektegeval verschillen. De arbo-arts speelt hierin een rol.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt het vijfde lid bij
                    het bereiken van die hogere leeftijd. Het vijfde lid is dus pas van toepassing
                    als de keuze op grond van artikel 9b:4 daadwerkelijk geëffectueerd is.</al><tussenkop>Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid is een salarisbevriezing geregeld voor de ambtenaar die ziek
                    is geworden en in het kader van deze ziekte herplaatst wordt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al> Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                    nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en
                    medewerker afspraken over een financiële regeling.</al><tussenkop>Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                    onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage ontvangt
                    dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard
                    op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                    59 jaar bereikt) een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn
                    bezoldiging. Voor een ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een
                    FLO-leeftijd van 60 was verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het
                    onbezoldigd volledig verlof ingaat (standaard op de eerste dag van de maand
                    volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar bereikt) een tegoed
                    bereikt kan hebben overeenkomend met 140%.</al><tussenkop>Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                    uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2.</al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op 1
                    januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben gewerkt.
                    Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze “overgangsgroep”
                    behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven jaren
                    aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag gebaseerd
                    dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze storting is dat de
                    medewerker op de leeftijd van 62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden
                    x 76% van het gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of
                    ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het uiteindelijke pensioen van de
                    medewerker is, is van veel factoren afhankelijk (dienstjaren, deeltijdfactoren,
                    moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben hierover dus geen individuele
                    garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP over de jaren tot 2004 het
                    loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP het eindloonsysteem en zijn
                    geen loongegevens bewaard van voorliggende jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                    vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                    definitie van artikel 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is
                    geweest, zodat een berekening gemaakt kan worden van de storting die op
                    53-jarige leeftijd wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat
                    inkomen is ook niet (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de
                    volgende leidraad hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van
                    het inkomen van een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting
                    voor een vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd.
                    Daarbij geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende medewerker
                    als vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren bij een
                    ambulancedienst in de particuliere sector kan de gemeente het salaris uit het
                    jaar voorafgaand aan de storting hanteren dat gekoppeld was aan een
                    vergelijkbare functie binnen de gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag
                    hoeft niet meer te worden geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de formule
                    uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie van artikel
                    3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                    betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies volksverzekeringen,
                    premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet worden
                    ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt de
                    indexatiefactoren op bij het ABP.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief>Als de medewerker 53 jaar wordt,
                    berekent de werkgever het bedrag dat moet worden gestort in AEP. De gegevens die
                    de werkgever nodig heeft voor de berekening kunnen worden opgevraagd bij het
                    ABP.</al><lijst><li nr="1"><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53 jaar
                            wordt.</al></li><li nr="2"><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker
                            toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever
                            te verstrekken. Geeft de medewerker geen toestemming dan kan de
                            werkgever het ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                            vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De werkgever heeft de
                            toestemming nodig om de gegevens op te vragen die nodig zijn om de
                            benodigde storting te kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27
                            november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                            opgenomen waarmee de werkgever de werknemer om toestemming kan
                            verzoeken.</al></li><li nr="3"><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                            deeltijdfactoren per jaar op van dienstjaren van betrokken medewerker
                            bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                            indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt de
                            werkgever contact op met de BU-SV, Verstrekken Informatie Klantgroepen
                            (VIK) van het ABP, postbus 4806, 6401 JL Heerlen.</al></li><li nr="4"><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                            deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij elkaar op
                            en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij
                            dit bedrag met 57%. Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                            leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53
                            geldt.</al></li><li nr="5"><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt
                            gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004,
                            ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het
                            klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker
                            klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend is,
                    over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1 januari
                    2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                    middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                    storting uit lid 1 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks eenmaal, in
                    november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan zijn dat de
                    werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft gedaan, omdat
                    de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er onvoldoende
                    fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te doen, dan
                    stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die dat op zijn
                    beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                    bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                    zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd van
                    53 jaar, heeft ook recht op het bedrag dat in lid 1 genoemd is. Dat bedrag wordt
                    bij uitdiensttreden in AEP gestort. Omdat dat bedrag dus langer kan renderen,
                    wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor toegepast (zie artikel 9b:22a),
                    namelijk die factor die bij de leeftijd van uittreden hoort. Lid 2 is hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende ruimte
                    aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend
                    inkomen. Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen
                    pensioenpremies afgedragen.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat wegens onvoldoende ruimte
                    aan de medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit
                    betekent dat hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen
                    salaris is, wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten wat
                    het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra Pensioen is
                    gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij zijn keuzemoment
                    wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever eenmalig verzoeken om
                    een indicatie te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een rekentool op
                    abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen voor de
                    verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg met de
                    medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie. Hierbij wordt
                    geadviseerd rekening te houden met mogelijke carrièrestappen van de medewerker.
                    Als die nog worden verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                    berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt
                    met eventuele carrièrestappen geen rekening. </al><tussenkop>Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven die
                    ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd.
                    Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de
                    ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                    doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn uitzonderingen
                    denkbaar dat de storting op een andere leeftijd geschiedt. Voor meer informatie
                    over de diverse uitzonderingen zie ledenbrief van 27 november 2008
                    (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag
                    gegenereerd moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet,
                    bij de rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                    7.850 gestort worden (€ 10.000 x 0,785). Als er op een later moment dan op
                    53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                    leeftijdsafhankelijke factor.</al><tussenkop>Artikel 9b:22b Inkoop OP bij regionalisering (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:22, lid 3, is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                    Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de bezwarende
                    functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de bezwarende
                    functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering jonger is dan 53
                    jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting moeten doen. Deze storting
                    op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van
                    het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van
                    het rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting wordt
                    het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven, is
                    geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                    regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak over
                    het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds op 53
                    jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van het totaal
                    aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de nieuwe
                    werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente en de
                    nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP
                    verdeeld worden.</al><tussenkop>Artikel 9b:23 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat ambtenaren vanaf 31 december 2005 onafgebroken
                    in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op
                    functioneel leeftijdsontslag.</al><tussenkop>Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij
                    tweede loopbaan gestart wordt (T)</tussenkop><al>Zolang het medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar werkzaam in de bezwarende
                    functie tot het moment dat hij op grond van artikel 9b:28 buitengewoon verlof
                    verleend wordt, onder doorbetaling van 75%, respectievelijk 78% of 80% van de
                    bezoldiging. Dit doorwerken gebeurt vanaf de eerste dag van de maand volgend op
                    die waarin de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, voor 50% werken
                    onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel kan dit
                    zijn 60% werken tegen doorbetaling van 95% van de bezoldiging).</al><al>Dit doorwerken geldt niet als ambtenaren in het kader van het loopbaanplan op
                    grond van artikel 9b:25 een andere functie aanvaarden of als er anderszins in
                    het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken gemaakt worden. In
                    artikel 9b:25 wordt hoofdstuk 9a van toepassing verklaard op ambtenaren in een
                    bezwarende functie, die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren hadden.
                    Hoofdstuk 9a verplicht hen mee te werken aan de tweede loopbaan.</al><al>Het toewerken naar deze tweede loopbaan is onder meer van belang om hiermee
                    voortijdige uitval wegens arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Uit het rapport
                    van het Coronel-instituut van 2004 blijkt dat gezondheidsrisico's vaak al ver
                    voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd ontstaan. Een aanzienlijk percentage
                    van de medewerkers kan om die reden niet tot de leeftijd van 55 jaar doorwerken
                    in de bezwarende functie. Om die reden moet met al deze ambtenaren tijdig een
                    loopbaanplan worden opgesteld, waarin afspraken worden gemaakt over opleiding en
                    begeleiding naar een aangepaste functie-invulling of een andere functie
                    voorafgaand aan het moment dat het uitoefenen van de bezwarende functie om
                    gezondheidsredenen niet langer verantwoord is.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2006 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:In de toelichting op artikel 9b:24 wordt in de tweede
                        alinea de aanduiding “9b:16” vervangen door: 9b:25. </cursief></al><tussenkop>Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ambtenaren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                    functie moeten meewerken aan een tweede loopbaan. Deze plicht geldt tot de
                    eerste van de maand volgend op de maand waarin zij de leeftijd van 55 jaar
                    bereiken. Gedurende deze periode gelden alle bepalingen uit hoofdstuk 9a, voor
                    zover daar in dit artikel niet van is afgeweken.</al><al>Als de ambtenaar op de leeftijd van 55 jaar niet is begonnen aan een tweede
                    loopbaan, gelden de artikelen 9b:26 tot en met 9b:43. Deze ambtenaar gaat op de
                    eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar heeft
                    bereikt, 50% werken tegen 90% bezoldiging (of, voor ambulancepersoneel 60%
                    werken tegen 95% van de bezoldiging). Vervolgens gaat hij op een latere leeftijd
                    met gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof en gaat hij op de eerste dag van de
                    maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt met
                    onbezoldigd verlof. Wanneer de ambtenaar voor de leeftijd van 55 jaar in het
                    kader van de tweede loopbaan een functie heeft aanvaard, geldt vanaf dat moment
                    de gewone rechtspositie en vallen zij niet meer onder dit hoofdstuk.</al><al>In de leden 3 tot en met 7 zijn bepalingen opgenomen die afwijken van de
                    bepalingen van hoofdstuk 9a.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt de plicht om mee te
                    werken aan de tweede loopbaan tot het bereiken van die hogere leeftijd. Als de
                    tweede loopbaan op die leeftijd niet is begonnen, gelden de artikelen 9b:26 tot
                    en met 9b:43 vanaf dat moment.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit recht geldt alleen voor brandweerpersoneel. De verwachting is dat
                    ambulancepersoneel extern meer geschikte functies zal kunnen vinden.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Deze salarisbevriezing is ruimer dan de salarisgarantie van artikel 9a:11.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al> Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                    nieuwe functie buiten de gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en
                    medewerker in het kader van het loopbaanplan afspraken over een financiële
                    regeling.</al><tussenkop>Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                    januari 2006 in een bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                    op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278448"></illustratie></plaatje>, op 31 december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55
                    jaar.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd op de
                    pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.</al><al>De duur van de periode dat 50% gewerkt wordt tegen doorbetaling van 90% van het
                    salaris is afhankelijk van net aantal dienstjaren dat betrokkene op 1 januari
                    2006 had. De duur is namelijk tot het moment dat betrokkene gedeeltelijk
                    doorbetaald buitengewoon verlof wordt verleend (artikel 9b:28). Dat 60% werken
                    tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als alternatief geldt voor
                    50% werken tegen 90% van de bezoldiging heeft met de mogelijkheid te maken dat
                    ambulancepersoneel in verband met vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een
                    volledige betrekking (= 60% van 36 uur per week) moet werken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als in een gemeente op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende
                    ambtenaar een FLO-leeftijd van 56 of ouder gold, geldt het recht pas vanaf de
                    eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar die leeftijd
                    bereikt. Het overgangsrecht gaat dus op een later moment in dan vanaf 55 jaar.
                    Ook het moment van gedeeltelijk doorbetaald verlof van artikel 9b:28 schuift dan
                    op. In al deze gevallen geldt wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat
                    vanaf de leeftijd van 59 jaar (artikel 9b:35).</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of
                    60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel
                    9b:26 (net als artikel 9b:28; zie de toelichting op artikel 9b:28, lid 2)
                    feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd volledig
                    verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:26 voor
                    50% gaan werken tegen 90% bezoldiging, respectievelijk 60% werken tegen 95%
                    bezoldiging. Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie,
                    waarvoor een FLOleeftijd van 59 jaar was gesteld, zie de toelichting op lid 5.
                    Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een
                    FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld, zie het tweede lid van artikel 9b:35.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Zie toelichting op artikel 9b:43.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan met 55 jaar het overgangsrecht in te
                    laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van artikel
                    9b:35 later in. Als iemand hiervoor kiest kan hij het ouderdomspensioen later
                    laten ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over minder jaren gespreid,
                    waardoor de uitkering per jaar hoger wordt.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                    2005 een FLO-leeftijd van 59 jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan
                    onbezoldigd volledig verlof, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgend
                    op die waarin hij de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt. In artikel 9b:35 is
                    opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opgeschoven
                    kan worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende
                    functie, waarvoor het college op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar
                    had vastgesteld, gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. Ook hij kan de ingangsdatum van
                    dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven. Zie verder ook de toelichting op
                    artikel 9b:35.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><tussenkop>Artikel 9b:27 Vervallen (T)</tussenkop><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat de
                    gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt. </al><tussenkop>Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26 (T)</tussenkop><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging, die
                    grondslag is voor de betaling die op grond van artikel 9b:26 gedaan wordt,
                    bestaat geen apart recht op een toelage onregelmatige dienst. Deze toelage zou
                    dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de eindejaarsuitkering
                    en de vakantietoelage.</al><tussenkop>Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de
                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                    bezwarende functie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op 31 december 2005 een FLO-leeftijd was
                    vastgesteld van 55 jaar. </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                    verlof als bedoeld in artikel 6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 3 jaar.
                    De duur van het verlof is afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari
                    2006 en wordt bepaald op de wijze zoals aangegeven in het eerste lid. Het
                    buitengewoon verlof wordt gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt dit
                    fiscaal extra belast.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voorbeeld Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar
                    een FLO-leeftijd van 56 was vastgesteld, en deze ambtenaar had op 1 januari 2006
                    11 dienstjaren, geldt dat hij tot de leeftijd van 58 jaar (57 + 1) moet
                    doorwerken. Vanaf dat moment wordt, tot het moment van onbezoldigd volledig
                    verlof (59 jaar) 78% van zijn bezoldiging doorbetaald. Ook als een hogere
                    FLO-leeftijd was vastgesteld, geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig
                    verlof ingaat vanaf de eerste van de maand volgend op de maand waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59 of
                    60 jaar, gaan dus direct met onbezoldigd volledig verlof (vanaf de eerste dag
                    van de maand, volgend op die waarin de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar,
                    is bereikt). Op hen is artikel 9b:28 (net als artikel 9b:26, zie de toelichting
                    op artikel 9b:26, lid 2) feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij
                    met onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd
                    bedoeld in artikel 9b:28 (gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof). Voor
                    hen is in artikel 9b:35 bepaald dat zij de ingangsdatum van het onbezoldigd
                    volledig verlof kunnen opschuiven. De duur van de door de ambtenaar gemaakte
                    keuze wordt dus korter naarmate een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar gold. Zie
                    verder de toelichting op artikel 9b:35.</al><tussenkop>Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28
                    (T)</tussenkop><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat de
                    gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt.</al><tussenkop>Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                    9b:28 (T)</tussenkop><al>Gedurende de periode dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt
                    (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%,
                    respectievelijk 60% vakantie op. Gedurende de periode dat op grond van artikel
                    9b:28 gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen
                    vakantie opgebouwd.</al><tussenkop>Artikel 9b:32 Vervallen (T)</tussenkop><al>Toelichting voor Artikel 9b:32 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                    ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60% voor
                    ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% vakantietoelage op.
                    Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald
                    buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen vakantietoelage opgebouwd. </al><tussenkop>Artikel 9b:33 Vervallen (T)</tussenkop><al>Toelichting voor Artikel 9b:33 per 1-7-2006. Gedurende de periode dat de
                    ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50% werkt (respectievelijk 60% voor
                    ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% eindejaarsuitkering
                    op. Gedurende de periode dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald
                    buitengewoon verlof verleend wordt, wordt geen eindejaarsuitkering opgebouwd. </al><tussenkop>Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26
                    en artikel 9b:28 (T)</tussenkop><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                    bezoldiging of een uitkering wordt verstrekt, zonder dat daar die arbeid
                    tegenover staat, die behoort bij de doorbetaalde bezoldiging of uitkering. Dit
                    is bij ambtenaren rnet, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens de
                    periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging (of 60% werken
                            tegen 95% bezoldiging voor ambulancepersoneel) (artikel 9b:26);</al></li><li nr="-"><al>volledig buitengewoon verlof tegen doorbetaling van 75%, respectievelijk
                            78% of 80% van de bezoldiging (artikel 9b:28).</al></li></lijst><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:35), wordt ten
                    laste van de gemeente geen betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode
                    is dan ook geen sprake van verrekening van inkomsten.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2006 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd: De woorden “20 dienstjaren of meer” worden vervangen
                        door: minder dan 20 dienstjaren. </cursief></al><tussenkop>Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Let op: zie ook noot onderaan de tekst.</al><al><vet>Algemeen</vet>Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken
                    van de levensloopvoorziening. Om ervoor te zorgen dat de ambtenaar, die een
                    bezwarende functie bekleedt waaraan een FLOleeftijd van 55, 56, 57, 58 of 59
                    jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college voor een
                    zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat betrokkene - uitgaande van
                    het bereiken van 20 dienstjaren of meer op het moment van onbezoldigd volledige
                    verlof - onder voorwaarden <noot id="FN5649_1"><noot.al>Op het moment van verschijnen van deze teksten (juni 2006) zijn
                            deze voorwaarden nog niet bekend. Deze voorwaarden worden uitgewerkt bij
                            de uitwerking van de inkoop levensloop (artikel 9b:44) en volgen in de
                            tweede helft van 2006.</noot.al></noot> vanaf zijn 59e jaar gedurende 3 jaar in een inkomen kan voorzien van 70%
                    van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende functie
                    bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat het college
                    zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee — uitgaande van het
                    bereiken van 20 dienstjaren op het moment van onbezoldigd volledig verlof- onder
                    voorwaarden <noot id="FN5649_2"><noot.al>Zie noot 1</noot.al></noot> vanaf de leeftijd van 60 jaar gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden
                    voorzien van 70% van de oude bezoldiging. Dit is geregeld in artikel 9b:44.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                    levensloopvoorziening of heeft hij geen 20 dienstjaren op het moment van ingang
                    van het onbezoldigd volledig verlof, dan verlaagt hij daarmee de mogelijke
                    opname van de levensloopvoorziening tijdens de periode van onbezoldigd volledig
                    verlof of verkort hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening
                    70% van de oude bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is het
                    naar voren halen van het versterkt OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat
                    moment ontslag verleend worden op grond van artikel 8:2.</al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                    ingaan. Het pensioen dat hij op 62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt
                    actuarieel verhoogd naarmate het OP later ingaat. Als betrokkene een eigen
                    financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd volledig verlof,
                    kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde lid
                    van artikel 9b:26, gaat het onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als het
                    moment van artikel 9b:26 later is ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat een kortere
                    periode overbrugd moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd. De ambtenaar
                    is vrij in de manier waarop hij deze periode financiert. De ambtenaar kan
                    bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de levensloopregeling (bijvoorbeeld
                    omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat hij
                    gedurende kortere tijd een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook
                    kan de ambtenaar er voor kiezen om zijn ouderdomspensioen later dan vanaf de
                    leeftijd van 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP wordt dan minder ver naar
                    voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode
                    wordt verspreid, resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren
                    met een lage OPopbouw kan dit een interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat over een
                    langere periode ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                    bedoeld in artikel 6:9, is de werkgever deze vorm van verlof kan opleggen. Omdat
                    sprake is van een nieuwe vorm van onbezoldigd verlof, is ook artikel 6:10 lid 4
                    niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt namelijk dat de pensioenopbouw
                    tijdens de periode van verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar,
                    tenzij het verlof voor ten hoogste drie maanden wordt verleend. Bij de vorm van
                    onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, volgt de premie gedurende
                    de gehele periode van verlof met een maximum van drie, respectievelijk twee jaar
                    de normale werkgeverswerknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:36.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 60 jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in
                    bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december 2005 een
                    FLO-leeftijd gekoppeld had van 59 of 60 jaar, heeft de keuze om het moment van
                    het onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan. Deze ambtenaar moet dan
                    langer doorwerken tegen een volledig salaris. Deze ambtenaren hebben niet het
                    recht, dat artikel 9b:26 biedt. Het moment van onbezoldigd volledig verlof komt
                    namelijk eerder dan of valt gelijk met het moment, bedoeld in artikel 9b:26. De
                    vrijheid die artikel 9b:26, vijfde lid, biedt om het recht later te laten ingaan
                    en daarmee het moment van onbezoldigd volledig verlof later te laten ingaan, is
                    voor ambtenaren in een functie met een FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar dus geen
                    automatisme. Daarom is de keuzevrijheid voor het later laten ingaan van het
                    onbezoldigd volledig verlof in dit artikellid opgenomen.</al><al>Het voordeel voor de ambtenaar is, dat hij langer ouderdomspensioen
                    opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te werken.
                    De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die
                    op grond van hoofdstuk 7 wordt ingeschakeld, als uit het periodiek
                    arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                    verzoek van de ambtenaar beslissen.</al><al>Combinatie van artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35.Artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35 samen
                    betekenen, uitgaande van een FLO-leeftijd van 55 jaar, het volgende:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>B</al></entry><entry colname="col3"><al>C</al></entry><entry colname="col4"><al>D</al></entry><entry colname="col5"><al>E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dienstjaren op 1 januari 2006</al></entry><entry colname="col2"><al>leeftijd ingang 50% werken tegen 90% bezoldiging</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd ingang gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col4"><al>percentage bezoldiging bij gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd ingang onbezoldigd volledig verlof</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15-20</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>56 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>80%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10-15</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>57 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>78%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5-10</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>58 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>75%</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 5</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>59 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry><entry colname="col5"><al>59 jaar</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar schuift de datum van kolom B en C op
                    terwijl de datum van kolom E gelijk blijven.</al><al>Als de ambtenaar er zelf voor kiest om de datum waarop hij 50% gaat werken tegen
                    90% van de bezoldiging op te schuiven (hij maakt dan gebruik van het vijfde lid
                    van artikel 9b:26), schuift de datum van kolom B, C en E op.</al><al>Op de ambtenaar, waarvoor het college op 31 december 2005, op grond van artikel
                    8:3, zoals dat luidde op <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="31 december 2005" type="tekst" id="i278449"></illustratie></plaatje>, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, is alleen
                    kolom E van toepassing. Zij kunnen dit moment opschuiven.</al><tussenkop>Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd
                    volledig verlof (T)</tussenkop><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente wordt conform het
                    Pensioenreglement pensioen opgebouwd. Het Pensioenreglement zegt echter niets
                    over de premieverdeling. Dit artikel regelt de premieverdeling tussen werkgever
                    en ambtenaar bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof, voor zover
                    dit verlof langer is dan drie, respectievelijk twee jaar. Voor de volledigheid
                    wordt het complete beeld geschetst van:</al><lijst><li nr="-"><al>de grondslag voor pensioenopbouw</al></li><li nr="-"><al>de duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</al></li><li nr="-"><al>de premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                            binnen het FLO-overgangsrecht</al></li></lijst><al><cursief>De grondslag voor pensioenopbouw</cursief> In het Pensioenreglement
                    wordt verschil gemaakt in de grondslag voor pensioenopbouw bij onbezoldigd
                    volledig verlof</al><lijst><li nr="-"><al>met opname van levenslooptegoed en</al></li><li nr="-"><al>zonder opname van levenslooptegoed.</al></li></lijst><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof met opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept>Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof met opname van levenslooptegoed pensioen wordt
                    opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de levenslooppot
                    minder bedraagt dan 70%. In dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat
                    lagere percentage.</al><al><onderstreept>Onbezoldigd volledig verlof zonder opname van
                        levenslooptegoed</onderstreept> Het Pensioenreglement bepaalt dat in een
                    situatie van onbetaald verlof zonder opname van levenslooptegoed pensioenopbouw
                    plaatsvindt over zijn oude inkomen, als ware er geen sprake van onbetaald
                    verlof. Er vindt dus pensioenopbouw plaats over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>De duur van pensioenopbouw tegen doorsneepremie</cursief> In het
                    Pensioenreglement is geregeld dat reguliere ambtenaren tijdens onbetaald verlof
                    met opname van levenslooptegoed maximaal één jaar pensioen op kunnen bouwen
                    tegen de doorsneepremie. Voor ambtenaren met FLO-overgangsrecht maakt het
                    Pensioenreglement een uitzondering. Zij bouwen tijdens het onbetaald verlof met
                    opname van levenslooptegoed voor een onbeperkte periode pensioen op tegen de
                    doorsneepremie. Voorwaarde daarbij is wel dat zij dat onbetaald verlof direct
                    voorafgaand aan het ouderdomspensioen genieten. Bij onbezoldigd volledig verlof
                    zonder opname van levenslooptegoed bouwen ambtenaren met FLO-overgangsrecht net
                    als andere ambtenaren voor onbeperkte duur pensioen op tegen
                    doorsneepremie.</al><al><cursief>De premieverdeling tussen werkgever en ambtenaar van pensioenopbouw
                        binnen het FLO-overgangsrecht</cursief> In de Pensioenovereenkomst wordt
                    geregeld dat de normale werkgeverswerknemerspremieverdeling gelijk is aan
                    70%-30%. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever 30% van de premie (namelijk
                    het werknemersdeel) op de ambtenaar verhaalt. Dit wordt ook gehanteerd gedurende
                    de eerste drie, respectievelijk twee, jaar van het onbezoldigd volledig verlof.
                    Na deze drie respectievelijk twee jaar komt 100% van alle voor de ambtenaar
                    verschuldigde premies ten laste van die ambtenaar zelf. De werkgever, die de
                    verschuldigde premies afdraagt aan het ABP verhaalt na drie respectievelijk twee
                    jaar 100% op de ambtenaar. Dit regelt artikel 9b:36. Het verhaal van de premie
                    (30% in de eerste drie/twee jaar, 100% daarna) kan op de volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd verlof
                            kan de werkgever het werknemersdeel van de pensioenpremie direct
                            inhouden op de uitbetaling van de levensloopuitkering.</al></li><li nr="-"><al>Als de ambtenaar geen levenslooptegoed opneemt tijdens het onbezoldigd
                            verlof kan het bedrag dat de werkgever wil verhalen op de medewerker
                            niet verrekend worden met een betaling vanuit de gemeente aan de
                            ambtenaar. Er ontstaat een vordering van de gemeente op de ambtenaar. De
                            gemeente dient afspraken te maken met de ambtenaar hoe deze vordering
                            ingelost wordt. Vast staat wel dat er feitelijke betaling van de
                            ambtenaar aan de gemeente dient plaats te vinden. Er volgen immers geen
                            perioden meer waarin de gemeente de vordering kan verrekenen met
                            betalingen aan de ambtenaar; het onbezoldigd volledig verlof duurt voort
                            totdat het ouderdomspensioen ingaat.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantiereg. bij
                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na
                    1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                    arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van toepassing. Betrokkene en
                    werkgever zoeken naar een andere functie. Ook volgt de bezoldiging de reguliere
                    regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Lid 1 gaat over de ambtenaar die op grond van ziekte niet conform artikel 9b:26
                    (50% werken tegen 90% bezoldiging respectievelijk voor ambulancepersoneel 60%
                    werken tegen 95% van de bezoldiging) kan werken. Op hem blijft hoofdstuk 7 van
                    toepassing tot het moment dat de datum bereikt wordt, waarop conform artikel
                    9b:28 gedeeltelijk betaald verlof verleend wordt. Op dat moment wordt hij
                    hersteld verklaard en wordt hem gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof
                    verleend. Op grond van artikel 9b:35 wordt hem vervolgens onbezoldigd volledig
                    verlof verleend.</al><al><vet>Lid 2, 3 en 5</vet></al><al> De ambtenaar die ziek wordt na de leeftijd van 50 jaar wordt op het moment,
                    bedoeld in artikel 9b:26 hersteld verklaard. Op hem is artikel 9b:26 van
                    toepassing, voor zover zijn medische geschiktheid het mogelijk maakt dat hij 50%
                    werkt tegen 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel 60% werkt tegen 95%
                    van de bezoldiging). Is dat niet mogelijk dan is op hem het vierde lid van
                    artikel 9b:26 van toepassing, waarin wordt verwezen naar het eerste lid van dit
                    artikel. Dat betekent dat deze ambtenaar toch weer ziek gemeld wordt en pas
                    beter gemeld wordt op het moment dat op grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk
                    betaald buitengewoon verlof verleend wordt. Vervolgens wordt ook hem op grond
                    van artikel 9b:35 onbezoldigd volledig verlof verleend. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd was gesteld, wordt de ambtenaar bij het bereiken van
                    die hogere leeftijd hersteld verklaard.</al><tussenkop>Artikel 9b:44</tussenkop><al>In hoofdstuk 9e, de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht, is
                    onder andere geregeld dat de ambtenaar een zodanige levensloopbijdrage ontvangt
                    dat hij bij het bereiken van 20 dienstjaren op de leeftijd waarop het
                    onbezoldigd volledig verlof ingaat (dit is standaard op de eerste dag van de
                    maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar heeft bereikt)
                    een tegoed kan bereiken overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Voor een
                    ambtenaar die een FLO-functie bekleedde waaraan een FLO-leeftijd van 60 was
                    verbonden, geldt dat hij op de leeftijd waarop het onbezoldigd volledig verlof
                    ingaat (standaard op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                    ambtenaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt) een tegoed bereikt kan hebben
                    overeenkomend met 140%. Als de ambtenaar minder dan 20 dienstjaren bereikt,
                    gelden de 210% of 140% naar rato van het aantal bereikte dienstjaren.</al><tussenkop>Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren
                    op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>In de ledenbrief van 27 november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is
                    uitgebreid ingegaan op de inkoop van extra ouderdomspensioen.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Voor het begrip dienstjaren geldt de definitie van artikel 9b:2. </al><al>Het recht op inkoop extra ouderdomspensioen geldt alleen voor mensen die op 1
                    januari 2006 en hierna onafgebroken in een bezwarende functie hebben gewerkt.
                    Omdat dit artikel onderdeel is van de paragraaf die deze “overgangsgroep”
                    behandelt, is dit niet expliciet in lid 1 opgenomen.</al><al>ABP geeft op verzoek van de werkgever voor de door de werkgever aangegeven jaren
                    aan wat het inkomen en de deeltijdfactor was. Hierop wordt het bedrag gebaseerd
                    dat op 53-jarige leeftijd wordt gestort. Het streven van deze storting is dat de
                    medewerker, in het geval hij op 59 jaar 20 dienstjaren heeft, op de leeftijd van
                    62 jaar een bedrag heeft ter hoogte van 9 maanden x 76% van het gemiddelde loon
                    over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Als het
                    gaat om een medewerker, die een functie had, waaraan, op 31 december 2005, een
                    FLO-leeftijd was verbonden van 60 jaar, is het streven om op 60 jaar een bedrag
                    te hebben ter hoogte van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon over de
                    dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker tot 53 jaar. Hoe hoog het
                    uiteindelijke pensioen van de medewerker is, is van veel factoren afhankelijk
                    (dienstjaren, deeltijdfactoren, moment van uittreden etc). LOGA-partijen hebben
                    hierover dus geen individuele garanties afgesproken. Goed om te weten is dat ABP
                    over de jaren tot 2004 het loon doorgeeft van 2004. Voor die tijd hanteerde ABP
                    het eindloonsysteem en zijn geen loongegevens bewaard van voorliggende
                    jaren.</al><al>Wanneer ABP de gevraagde gegevens niet heeft, bijvoorbeeld omdat het
                    vrijwilligersjaren betreft of jaren buiten de dienst van de gemeente (zie
                    definitie 9b:2), moet de medewerker aantonen wat het inkomen is geweest, zodat
                    een berekening gemaakt kan worden van de storting die op 53-jarige leeftijd
                    wordt gedaan. Als de medewerker dit niet kan aantonen en dat inkomen is ook niet
                    (meer) bekend bij de gemeente, dan kan de gemeente de volgende leidraad
                    hanteren. Voor vrijwilligersjaren kan de gemeente uitgaan van het inkomen van
                    een vrijwilliger dat in het jaar voorafgaand aan de storting voor een
                    vrijwilliger gold. Dit bedrag hoeft niet meer te worden geïndexeerd. Daarbij
                    geldt het inkomen dat hoort bij de rang die de betreffende medewerker als
                    vrijwilliger had. Voor medewerkers die werkzaam waren bij een ambulancedienst in
                    de particuliere sector kan de gemeente het salaris uit het jaar voorafgaand aan
                    de storting hanteren dat gekoppeld was aan een vergelijkbare functie binnen de
                    gemeentelijke ambulancedienst. Ook dit bedrag hoeft niet meer te worden
                    geïndexeerd.</al><al>Welke elementen van dit inkomen als inkomen gebruikt moet worden in de formule
                    uit de eerste zin van het eerste lid, wordt bepaald naar analogie van artikel
                    3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al>Op de storting in ABP Extra Pensioen is de omkeerregel van toepassing. Dit
                    betekent dat bij storting in AEP geen loonbelasting, premies volksverzekeringen,
                    premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringswet worden
                    ingehouden.</al><al>De indexatiefactor wordt jaarlijks door ABP vastgesteld. De werkgever vraagt de
                    indexatiefactoren bij het ABP op.</al><al><cursief>Wat moet de werkgever doen? </cursief>Als de medewerker, die onder het
                    overgangsrecht valt, 53 jaar wordt, berekent de werkgever het bedrag dat moet
                    worden gestort in AEP. De gegevens die de werkgever nodig heeft voor de
                    berekening kunnen worden opgevraagd bij het ABP. </al><lijst><li nr="1"><al>De werkgever signaleert dat de betrokken medewerker binnenkort 53 jaar
                            wordt.</al></li><li nr="2"><al>De werkgever laat medewerker een formulier tekenen waarmee de medewerker
                            toestemming geeft aan het ABP om de benodigde gegevens aan de werkgever
                            te verstrekken. Geeft de medewerker geen toestemming dan kan de
                            werkgever het ouderdomspensioen van die medewerker niet versterken. Er
                            vindt dan geen storting van de werkgever plaats. De werkgever heeft de
                            toestemming nodig om de gegevens op te vragen die nodig zijn om de
                            benodigde storting te kunnen berekenen. Bij de ledenbrief van 27
                            november 2008 (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen) is een voorbeeldbrief
                            opgenomen waarmee de werkgever de medewerker om toestemming kan
                            verzoeken.</al></li><li nr="3"><al>De werkgever vraagt bij het ABP de pensioengevende inkomens en
                            deeltijdfactoren per jaar op van de dienstjaren van betrokken medewerker
                            bij de brandweer of ambulance. Ook vraagt de werkgever de
                            indexatiefactoren over de betreffende dienstjaren op. Hiertoe neemt de
                            werkgever contact op met de BU-SV, Special Services van het ABP, postbus
                            4806, 6401 JL Heerlen. Het ABP levert de werkgever de pensioengevende
                            inkomens van de dienstjaren, de bijbehorende deeltijdfactoren en de
                            indexatiefactoren. Zie de toelichting op lid 2 en 3 voor het geval de
                            medewerker nog geen 20 dienstjaren heeft.</al></li><li nr="4"><al>De werkgever vermenigvuldigt de inkomens per dienstjaar met de
                            deeltijdfactor, met de indexatiefactor, telt deze bedragen bij elkaar op
                            en deelt ze door het totaal aantal jaar. Tenslotte vermenigvuldigt hij
                            dit bedrag met 57%, als de medewerker op 53 jarige leeftijd al 20
                            dienstjaren heeft. Vervolgens vermenigvuldigt hij dit met de
                            leeftijdsafhankelijke factor zoals die op dat moment bij leeftijd 53
                            geldt.</al></li><li nr="5"><al>De werkgever stort het bedrag in AEP van betrokkene. Het bedrag wordt
                            gestort op de rekening van het ABP Extra Pensioen (59.34.95.004,
                            ABN/AMRO in Heerlen) onder vermelding van 81, direct gevolgd met het
                            klantnummer van de medewerker (dus bijvoorbeeld als de medewerker
                            klantnummer 123456789 heeft: o.v.v. 81123456789)</al></li></lijst><al>Bij stap 3 geldt dat het pensioengevend inkomen, zoals dat bij ABP bekend is,
                    over de jaren tot 2004 afgerekend wordt op het inkomen van peildatum 1 januari
                    2004. Dit houdt verband met de wijziging van eindloonstelsel naar
                    middelloonstelsel, dat per 1 januari 2004 is ingevoerd.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het kan zijn dat mensen op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren
                    hebben. Dan hebben zij nog geen recht op een storting van 57% van het gemiddeld
                    loon. Het percentage wat van dit gemiddelde loon wordt gestort is het aantal
                    dienstjaren op het moment van storting gedeeld door 20 maal 57%. Dus als een
                    medewerker 15 dienstjaren heeft op 53 jaar dan stort de werkgever een bedrag van
                    het gemiddelde loon over die 15 jaar maal 15/20ste van 57%.</al><al>Bij doorwerken in een bezwarende functie na de leeftijd van 53 jaar wordt ieder
                    jaar een extra bedrag gestort. Het recht op deze stortingen ontstaat bij het
                    bereiken van de eerstvolgende leeftijd. De stortingen stoppen op 59-jarige
                    leeftijd of bij het bereiken van 20 dienstjaren. Het streven van de stortingen
                    is dat, bij het bereiken van 20 dienstjaren op of voor 59-jarige leeftijd, op de
                    leeftijd van 62 jaar een bedrag beschikbaar is van 9 maanden x 76% x het
                    gemiddelde loon over de dienstjaren als brandweer- of ambulancemedewerker. Heeft
                    de medewerker op 59-jarige leeftijd minder dan 20 dienstjaren, dan geldt dit
                    streven naar rato van het aantal dienstjaren op 59 jaar. </al><al>Voor mensen die op 31 december 2005 een functie bekleedden, waarin een
                    FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden, geldt dat de stortingen doorgaan tot 60
                    jaar, dan wel tot het bereiken van 20 dienstjaren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om diverse redenen kan de fiscale ruimte zodanig zijn, dat niet de gehele
                    storting uit lid 1 of lid 3 gedaan kan worden. ABP controleert jaarlijks
                    eenmaal, in november, of de medewerker voldoende fiscale ruimte heeft. Het kan
                    zijn dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen al voor die tijd heeft
                    gedaan, omdat de medewerker al voor november 53 jaar is geworden. Blijkt dat er
                    onvoldoende fiscale ruimte was om de volledige storting in ABP Extra Pensioen te
                    doen, dan stort ABP het teveel na de controle terug naar de werkgever, die dat
                    op zijn beurt doorstort naar de medewerker.</al><al>Wanneer een bedrag aan de medewerker wordt overgemaakt, is hier het reguliere
                    bruto-nettotraject op van toepassing. Dit betekent dat er loonbelasting, premies
                    volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies
                    zorgverzekeringswet over worden betaald en ingehouden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De medewerker die om welke reden dan ook eerder uittreedt dan op de leeftijd van
                    53 jaar, heeft ook recht op het bedrag genoemd in lid 1 of lid 2 (lid 2 wordt
                    toegepast wanneer de ambtenaar op 53-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren
                    heeft). Dat bedrag wordt bij uitdiensttreden in AEP gestort. Maar omdat dat
                    bedrag langer kan renderen, wordt een andere leeftijdsafhankelijke factor
                    toegepast (zie artikel 9b:45a), namelijk die factor die bij de leeftijd van
                    uittreden hoort. Lid 4 is hierbij van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                    medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot het pensioengevend inkomen.
                    Hierover wordt dus geen pensioen opgebouwd en worden dus geen pensioenpremies
                    afgedragen.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Het bedrag dat in AEP wordt gestort en het bedrag dat eventueel aan de
                    medewerker wordt overgemaakt, behoort niet tot de bezoldiging. Dit betekent dat
                    hierover geen vakantietoeslag wordt betaald. Omdat het tevens geen salaris is,
                    wordt hierover ook geen eindejaarsuitkering berekend.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>Iemand kan de werkgever vragen om het moment waarop hij 50% gaat werken tegen
                    doorbetaling van 90% van de bezoldiging (respectievelijk 60% gaat werken tegen
                    doorbetaling van 95% van de bezoldiging) op te schuiven (artikel 9b:26 lid 5).
                    Als hij dit doet, wordt het aantal dienstjaren voor de toepassing van dit
                    artikel niet hoger dan het op 59-jarige leeftijd is. Dus als de medewerker op
                    59-jarige leeftijd 15 dienstjaren heeft in een bezwarende functie, is het
                    streven van de storting die op 53-jarige leeftijd en daarna tot 59 jaar wordt
                    gedaan een bedrag van 9 maanden x 76% x het gemiddelde loon van de 15
                    dienstjaren.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>De medewerker met een functie, waaraan op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van
                    59 of 60 was verbonden, gaat direct met onbezoldigd volledig verlof. Voor hem is
                    er dus geen periode van gedeeltelijk betaald verlof. Op hem is artikel 9b:25,
                    lid 5, dus niet van toepassing (zie de toelichting op lid 8). Hij kan wel
                    verzoeken om het moment van onbezoldigd volledig verlof op te schuiven (artikel
                    9b:35, lid 4). Als dit verzoek gehonoreerd wordt, wordt het aantal dienstjaren
                    voor de toepassing van dit artikel niet hoger dan het was op 59-jarige
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd.</al><al><vet>Lid 10</vet></al><al>De medewerker kan de wens hebben eerder dan op 54-jarige leeftijd te weten wat
                    het effect is van het bedrag dat op 53-jarige leeftijd in ABP Extra Pensioen is
                    gestort. Hiermee kan hij eerder anticiperen op de vraag of hij moment van minder
                    gaan werken wil uitstellen. Daarom kan de medewerker zijn werkgever eenmalig
                    verzoeken om een indicatie te geven van het verwachte stortingsbedrag. Met een
                    rekentool op abp.nl kan de medewerker dan berekenen wat dit bedrag zou betekenen
                    voor de verwachte hoogte van zijn pensioen. Het college bepaalt in overleg met
                    de medewerker het geschikte moment voor de eenmalige indicatie. Hierbij wordt
                    geadviseerd rekening te houden met mogelijke carrièrestappen van de medewerker.
                    Als die nog worden verwacht dan is het geven van een indicatie niet zinvol. De
                    berekening van dat bedrag is namelijk gebaseerd op de huidige situatie en houdt
                    met eventuele carrièrestappen geen rekening.</al><tussenkop>Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar met minder
                    dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al>De leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de actuariële tarieven die
                    ABP hanteert. In de tabel zijn meerdere leeftijdsafhankelijke factoren genoemd.
                    Welke factor gebruikt moet worden is afhankelijk van de leeftijd die de
                    ambtenaar heeft op het moment dat de werkgever de storting in ABP Extra Pensioen
                    doet. In principe is dat op de leeftijd van 53 jaar, maar er zijn uitzonderingen
                    denkbaar dat de storting op een andere leeftijd geschiedt. Voor meer informatie
                    over de diverse uitzonderingen zie ledenbrief van 27 november 2008
                    (FLO-overgangsrecht:inkoop pensioen).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Stel dat op de leeftijd van 62 jaar een bedrag
                    gegenereerd moet zijn van € 10.000 (fictief bedrag). Om dit te bereiken moet,
                    bij de rendementen die ABP verwacht op de leeftijd van 53 jaar een bedrag van €
                    7.850 gestort worden (€ 10.000 x 0,785). Als er op een later moment dan op
                    53-jarige wordt gestort, dan wordt het te storten bedrag ieder jaar hoger.</al><al>Als ABP de actuariële tarieven wijzigt, wijzigen LOGA-partijen ook de
                    leeftijdsafhankelijke factor.</al><tussenkop>Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:45 lid 5 is geregeld dat de werkgever een bedrag in ABP Extra
                    Pensioen stort als de ambtenaar vóór de leeftijd van 53 jaar uit de bezwarende
                    functie treedt. Bij de regionalisering treedt de ambtenaar uit de bezwarende
                    functie. Als de ambtenaar ten tijde van deze regionalisering jonger is dan 53
                    jaar, zou de werkgever dus op dat moment een storting moeten doen. Deze storting
                    op een eerder moment dan 53 jaar heeft gevolgen voor de uiteindelijke hoogte van
                    het pensioen. Deze gevolgen kunnen positief of negatief zijn, afhankelijk van
                    het rendement dat het gestorte bedrag oplevert. Door de eerdere storting wordt
                    het rendementsrisico dus bij de ambtenaar gelegd. Dit wijkt af van het
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Om zo dicht mogelijk bij de afspraken van het FLO-overgangsrecht te blijven, is
                    geregeld dat bij overgang naar een bezwarende functie vanwege de
                    regionalisering, er voor de ambtenaar geen verandering komt in de afspraak over
                    het inkopen van extra pensioen. Dit betekent dat de storting nog steeds op 53
                    jaar plaatsvindt. De nieuwe werkgever doet een storting naar rato van het totaal
                    aantal dienstjaren in de bezwarende functie, dus zowel die bij de nieuwe
                    werkgever, als die bij de gemeente en diens voorgangers. De gemeente en de
                    nieuwe werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van inkoop OP
                    verdeeld worden.</al><tussenkop>Artikel 9b:50 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                    onafgebroken in de functie gewerkt moeten hebben, die op 31 december 2005 recht
                    gaf op functioneel leeftijdsontslag.Artikel 9b:50, 9b:51 en 9b:52 gelden voor de
                    ambtenaar, die ondanks het feit dat een FLO-leeftijd was vastgesteld, geen
                    bezwarende functie vervulde. </al><tussenkop>Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op
                    1 januari 2006, in een niet bezwarende functie (T)</tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2006 ontvangen de ambtenaren, geboren na 1949, met 20
                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 de reguliere levensloopbijdrage van
                    1,5%.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9c Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9d Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 9e:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk geldt alleen voor ambtenaren die op 31 december 2005 een
                    FLO-functie bekleedden bij een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of
                    gemeentelijke ambulancedienst en die vanaf 1 januari 2006 onafgebroken een
                    bezwarende functie bekleden, waaraan op 31 december 2005 op grond van artikel
                    8:3 leeftijdsgrenzen waren verbonden. De ambtenaar op wie artikel 9b:49 van
                    toepassing is, is de ambtenaar in een bezwarende oud FLO-functie, die geboren is
                    voor 1950, maar die niet voldoet aan de voorwaarden voor FPU. Hij krijgt
                    dezelfde rechten als ambtenaren in bezwarende oud FLO-functies, die geboren zijn
                    na 1949.</al><tussenkop>Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><cursief>Onderdeel h</cursief>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance
                    bestaat uit een levensloopverzekering en een netto spaarverzekering. Storting op
                    de netto-spaarverzekering van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance kan
                    nodig zijn omdat de levensloopbijdrage die verstrekt wordt uitstijgt boven het
                    maximale bedrag dat fiscaal gunstig op een levensloopverzekering gestort mag
                    worden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>LOGA-partijen zijn met Loyalis een levensloopproduct overeengekomen, Loyalis
                    Levensloop Brandweer &amp; Ambulance. Dit levensloopproduct biedt onder
                    voorwaarden de garantie dat de individuele ambtenaar op de leeftijd van 59,
                    respectievelijk 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk
                    140% van hun bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2 (zie hierna artikel 9e:8 en
                    9e:9).</al><al>Voorwaarde voor deze garantie is dat de ambtenaar </al><lijst><li nr="-"><al> daadwerkelijk deelneemt aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                            Ambulance,</al></li><li nr="-"><al>de werkgever verzoekt om de complete levensloopbijdrage beschikbaar te
                            stellen voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance</al></li><li nr="-"><al>deze complete levensloopbijdrage ook daadwerkelijk inlegt op het moment
                            dat de werkgever deze bijdrage verstrekt</al></li><li nr="-"><al>niet tussentijds tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                            Ambulance.</al></li></lijst><al>De genoemde voorwaarden samen vormen het LOGA-pad. Alleen wanneer ambtenaren dit
                    LOGA-pad volgen, hebben zij de garanties, bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9. </al><tussenkop>Artikel 9e:6 Inleg (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Onderdeel van het formulier waarop de ambtenaar zijn melding doet is de optie
                    dat hij het LOGA-pad wil volgen en dat hij zijn complete levensloopbijdrage wil
                    inleggen (tot aan de fiscale grens van 12% op de levensloopverzekering plus het
                    eventueel meerdere op de netto spaarverzekering). Hij weet dan niet het exacte
                    bedrag noch de hoogte van het voor hem door Loyalis bepaalde maatwerkpercentage.
                    Als Loyalis een nieuw maatwerkpercentage doorgeeft, wijzigt het bedrag dat de
                    ambtenaar inlegt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance, tenzij de
                    ambtenaar aangeeft dat hij een ander bedrag wil inleggen. Legt hij een lager
                    bedrag in, dan wijkt hij daarmee af van het LOGA-pad en vervallen zijn
                    garanties.</al><tussenkop>Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of
                    meer op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1, 2 en 3</vet></al><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft op 1
                    januari 2006 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie. Hij moet vanaf 1
                    januari 2006 onafgebroken een bezwarende oud FLO-functie bekleden.</al><al>Deze ambtenaar heeft, als hij tot 59-jarige leeftijd in een bezwarende oud
                    FLO-functie blijft werken en als hij een functie bekleedt met een FLO-leeftijd
                    van 55 tot en met 59 jaar, op 59-jarige leeftijd recht op een tegoed
                    overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging. Bekleedt hij een FLO-functie
                    waaraan een FLO-leeftijd van 60 was verbonden, dan geldt een maximum van 140% op
                    60-jarige leeftijd. De levensloopbijdrage, die – mits het LOGA-pad gevolgd wordt
                    – leidt tot dit tegoed overeenkomend met 210% respectievelijk 140%, ontvangt hij
                    van de werkgever.</al><al>Lid 1 en 2 spreken over een tegoed overeenkomend met 210%, respectievelijk 140%
                    van de bezoldiging. De woorden ‘overeenkomend met’ zien op het feit dat de
                    ambtenaar zowel in de levensloopverzekering als in de netto spaarverzekering kan
                    hebben ingelegd. Genoemde percentages zijn bruto bedragen. De inleg in de
                    levensloopverzekering is ook bruto. De inleg in de netto spaarverzekering is
                    echter netto; hier zijn de loonheffingen (waaronder loonbelasting) al vanaf
                    gehaald. Als sprake is van een combinatie van levenslooptegoed en netto
                    spaarverzekeringstegoed kan dit dus niet worden opgeteld tot 210%,
                    respectievelijk 140%. Voor medewerkers die bij het volgen van het LOGA-pad geen
                    gebruik hebben hoeven maken van de netto spaarverzekering gelden wel de
                    percentages van 210% respectievelijk 140% aan opgebouwd levenslooptegoed.</al><al>Het percentage van 210% wordt gebaseerd op de bezoldiging die de grondslag vormt
                    voor de keuzes die de ambtenaar eerder op grond van artikel 9b:4 heeft kunnen
                    maken. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 55 jaar, dan
                    geldt het keuzemoment op 55-jarige leeftijd en geldt als grondslag de
                    bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaande aan
                    zijn 55e. Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 57 jaar, dan
                    geldt het keuzemoment op 57-jarige leeftijd en geldt als grondslag voor de 210%
                    dus de bezoldiging die betrokkene gemiddeld ontving in de 12 maanden voorafgaand
                    aan zijn 57e. Deze bezoldiging wordt na de leeftijd waarop de keuzes zijn
                    ingegaan geïndexeerd met de generieke salarisverhoging die in de gemeentelijke
                    sector wordt afgesproken.</al><al>Had de ambtenaar een functie met een oud FLO-leeftijd van 60 jaar, dan geldt
                    geen keuzemoment en gaat betrokkene op de leeftijd van 60 jaar met onbezoldigd
                    volledig verlof. De grondslag voor het percentage van 140% is dan de
                    bezoldiging, die de ambtenaar gemiddeld ontving in de 12 maanden voordat hij 60
                    werd.</al><al>De levensloopbijdrage stopt op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar.
                    Opschuiven van het keuzemoment van artikel 9b:4 leidt tot niet tot langer
                    doorbetalen van de levensloopbijdrage.</al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar</cursief> In het
                    halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis of op de
                    leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop
                    Brandweer Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                    LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                    vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="-"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                            ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al></li><li nr="-"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                            bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                            maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                    gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit tekort wordt
                    opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vindt plaats in het halfjaar nadat de
                    ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar was
                    vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het LOGA-pad is gedefinieerd in artikel 9e:2. Loyalis bepaalt voor alle
                    ambtenaren op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is de hoogte van
                    de levensloopbijdrage. De hoogte is gebaseerd op de rente die Loyalis reeds
                    behaald heeft op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance en die voor de
                    toekomst verwacht wordt op Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.
                    Jaarlijks wordt de werkgeversbijdrage bijgesteld op grond van onder meer de
                    rentestand en de ontwikkelingen in de bezoldiging van de individuele
                    ambtenaar.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend.</al><al><vet>Lid 6 en 7</vet></al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er wordt
                    ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de eindejaarsuitkering
                    alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het bepalen van
                    de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al><tussenkop>Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                    dienstjaren op 1 januari 2006 (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 9e:8. </al><al>Het verschil met 9e:8 is dat het hier gaat om ambtenaren die op 1 januari 2006
                    (nog) geen 20 dienstjaren hadden bereikt. Het kan zijn dat deze ambtenaren ook
                    op 59-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren hebben in een oud
                    FLO-functie.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al><cursief>Mogelijke nabetaling na de leeftijd van 59 of 60 jaar </cursief>In het
                    halfjaar nadat de ambtenaar 59 jaar is geworden controleert Loyalis of op de
                    leeftijd van 59 jaar daadwerkelijk voldoende tegoed op Loyalis levensloop
                    Brandweer &amp; Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het
                    LOGA-pad heeft gevolgd. Deze controle is nodig omdat in de periode na de
                    vaststelling van het laatste maatwerkpercentage</al><lijst><li nr="-"><al>de rendementen mogelijk lager zijn geweest dan de verwachte rendementen
                            ten tijde van de vaststelling van het laatste maatwerkpercentage of</al></li><li nr="-"><al>de bezoldigingsontwikkeling mogelijk groter is dan de verwachte
                            bezoldigingsontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het laatste
                            maatwerkpercentage.</al></li></lijst><al>Wanneer blijkt dat er onvoldoende tegoed op Loyalis levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance staat, uitgaande van de aanname dat de medewerker het LOGA-pad heeft
                    gevolgd, verstrekt de werkgever een nabetaling waarmee dit tekort wordt
                    opgeheven.</al><al>Eenzelfde controle en mogelijke nabetaling vind plaats in het halfjaar nadat de
                    ambtenaar 60 jaar is geworden, wanneer een oud FLO-leeftijd van 60 jaar was
                    vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4 en 5</vet></al><al>Van belang is hier dat alle jaren tot 59 jaar respectievelijk tot 60 jaar
                    meetellen. Voor de ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd tussen 55
                    en 59 jaar is dit van belang. Het derde lid impliceert namelijk dat ook de jaren
                    dat zij gedeeltelijk betaald, maar wel volledig verlof hebben ook meetellen als
                    dienstjaren. Opschuiven van het moment waarop de ambtenaar 50% respectievelijk
                    60% gaat werken tegen 90% respectievelijk 95% van zijn bezoldiging leidt niet
                    tot opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”.
                    Dat moment blijft staan op 59 jaar.</al><al>De ambtenaren met een functie met een oud FLO-leeftijd van 60, moeten tot hun
                    60e volledig doorwerken. Daarna krijgen zij onbezoldigd volledig verlof.
                    Uiteraard tellen alle jaren tot 60 jaar als dienstjaar mee. Opschuiven van het
                    moment waarop ambtenaren met onbezoldigd volledig verlof gaan leidt niet tot
                    opschuiven van het moment tot welk het aantal dienstjaren “geteld wordt”. Dat
                    moment blijft staan op 60 jaar. </al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Als de ambtenaar inderdaad minder dan 20 dienstjaren heeft op 59-jarige leeftijd
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd, geldt dat de levensloopbijdrage leidt tot
                    een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren op 59-jarige leeftijd
                    respectievelijk 60-jarige leeftijd. Als betrokkene een oud FLO-leeftijd had van
                    55 jaar en op 59-jarige leeftijd 18 dienstjaren heeft bereikt, heeft hij op
                    59-jarige leeftijd recht op een tegoed overeenkomend met 18/20 x 210% van zijn
                    bezoldiging. Hetgeen vermeld is in de toelichting op lid 2 en 3 is hierop van
                    overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De levensloopbijdrage is niet pensioengevend. </al><al><vet>Lid 9 en 10</vet></al><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging als bedoeld in artikel
                    3:1. Dit betekent dat er geen vakantietoelage over wordt uitgekeerd. Er wordt
                    ook geen eindejaarsuitkering over uitgekeerd, omdat de eindejaarsuitkering
                    alleen over het salaris wordt berekend.</al><al>De levensloopbijdrage behoort ook niet tot de bezoldiging als bedoeld i artikel
                    9b:2. Dit betekent dat de levensloopbijdrage niet meetelt voor het bepalen van
                    de bezoldiging, waarop de betalingen na de oud FLO-leeftijd gebaseerd zijn.</al><tussenkop>Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>onderdeel a</al><al>Wanneer de ambtenaar overlijdt voordat het eerste moment is bereikt waarop hij
                    onbezoldigd volledig verlof kan opnemen, stopt de levensloopbijdrage. Hiermee
                    wordt gedoeld op de leeftijd van 59 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 55 tot en
                    met 59 jaar) respectievelijk 60 jaar (bij een oud FLO-leeftijd van 60 jaar.</al><al>Wat er gebeurt met het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed dat
                    tot dat moment is opgebouwd, is afhankelijk van de polis die de ambtenaar heeft
                    afgesloten. Uitgaande van Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance geldt het
                    volgende: heeft de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden een dekking
                    voor restitutie bij overlijden lopen bij Loyalis, dan ontvangen de nabestaanden
                    90% van het opgebouwde tegoed waarvoor de ambtenaar zich verzekerd heeft. Heeft
                    de ambtenaar direct voorafgaand aan het overlijden geen dekking voor restitutie
                    bij overlijden, dan komt het tegoed ten goede aan Loyalis.</al><al>In geval de ambtenaar geen gebruik maakt van Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                    Ambulance maar de levensloopbijdrage heeft ondergebracht op een ander
                    verzekerings- of spaarproduct, dan gelden bij overlijden de voorwaarden van de
                    desbetreffende bank of verzekeraar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>onderdeel b</al><al>De beëindiging van de bezwarende functie kan gelegen zijn in ontslag, maar het
                    is ook mogelijk dat herplaatsing daarvan de oorzaak is.</al><al>Het is mogelijk dat de medewerker ontslagen wordt uit zijn bezwarende functie en
                    vervolgens co artikel 9b:1, tweede lid opnieuw werkzaam wordt in een andere
                    bezwarende ex-FLO-functie. Bij de oud-werkgever stopt de deelname aan de
                    gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht. Indien het
                    FLO-overgangsrecht bij de nieuwe werkgever doorloopt, dan valt de medewerker bij
                    die nieuwe werkgever opnieuw onder de gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht.</al><al>Indien een ambtenaar herplaatst wordt en hij niet langer aangesteld is in zijn
                    bezwarende functie, stopt deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                    FLO-overgangsrecht. Daarbij maakt het niet uit wat de reden van herplaatsing
                    (wegens ziekte, tweede loopbaan of anderszins) is.</al><tussenkop>Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 tot en met 5</vet></al><al>Wanneer de ambtenaar uit de bezwarende functie ontslag wordt verleend voordat
                    hij met onbezoldigd volledig verlof gaat (dat is op 59-jarige leeftijd of op
                    60-jarige leeftijd) wordt de levensloopbijdrage afgekocht naar rato van het
                    aantal dienstjaren op het moment van ontslag.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 al 20 dienstjaren of meer in een oud FLO-functie,
                    dan heeft hij op dat moment al recht gekregen op een tegoed overeenkomend met
                    210% respectievelijk 140% op 59- respectievelijk 60-jarige leeftijd. De afkoop
                    van deze rechten bij ontslag voor de 59- of 60-jarige leeftijd moet dan ook
                    kunnen leiden tot een bedrag overeenkomend met 210% respectievelijk 140% van de
                    bezoldiging op het moment van ontslag op die leeftijd.</al><al>Had iemand op 1 januari 2006 echter minder dan 20 dienstjaren in een oud
                    FLO-functie, dan is het daadwerkelijke aantal dienstjaren op het moment van
                    ontslag bepalend voor het afkoopbedrag.</al><al>Heeft betrokkene op het moment van ontslag 10 dienstjaren in een oud
                    FLO-functie, dan krijgt hij een afkoopbedrag dat in de jaren tot aan de leeftijd
                    van 59 of 60 jaar volgens de uitgangspunten die zijn vastgesteld in het LOGA kan
                    renderen tot 10/20 x 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag
                    (respectievelijk 10/20 x 140% van de bezoldiging op het moment van
                    ontslag).</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald. Loyalis moet dus door
                    de werkgever geïnformeerd worden over het aanstaande ontslag van de
                    medewerker.</al><tussenkop>Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering (T)</tussenkop><al>Op basis van het eerste of tweede lid van artikel 9e:11 hebben medewerkers recht
                    op een afkoopbedrag als zij de bezwarende functie verlaten. Artikel 9e:11a
                    regelt hierop een uitzondering voor medewerkers die ontslag krijgen uit de
                    bezwarende functie wegens regionalisering (bijvoorbeeld door het vormen van
                    veiligheidsregio’s). Zij hebben geen recht op afkoop van de levensloopbijdrage.
                    Voorwaarde voor die uitzondering is dat de medewerkers ook bij de nieuwe
                    werkgever recht hebben op FLO-overgangsrecht. Wanneer de nieuwe werkgever het
                    FLO-overgangsrecht van toepassing verklaart, betekent regionalisering geen einde
                    van het FLO-overgangsrecht. Dit houdt in dat ook bij de nieuwe werkgever recht
                    bestaat op een levensloopbijdrage. Deze levensloopbijdragen dragen bij aan
                    hetzelfde doel (zie hierna: Garantie) als de levensloopbijdragen die de gemeente
                    verstrekte. Anders dan bij individuele gevallen van ontslag, gaat het bij
                    regionalisering vaak om een groot aantal medewerkers dat ineens overgaat naar de
                    nieuwe werkgever. Zou de gemeente verplicht tot afkoop moeten overgaan, dan zou
                    die geconfronteerd worden met afkoopbedragen voor al deze medewerkers. De
                    gemeente zou in een keer dus veel geld moeten uitkeren. Om dit te voorkomen
                    hoeft de gemeente niet tot afkoop over te gaan. De gemeente en de nieuwe
                    werkgever moeten samen tot afspraken komen hoe de kosten van toekomstige
                    levensloopbijdragen verdeeld worden.</al><al><cursief>Garantie</cursief> Of de werkgever nu voor afkoop kiest of voor
                    declaratiestructuur met de nieuwe werkgever, de medewerker behoudt bij het
                    volgen van het LOGA-pad in beide gevallen de garantie dat hij bij het bereiken
                    van 20 dienstjaren op de leeftijd van 59, respectievelijk 60 jaar een tegoed
                    heeft overeenkomend met 210%, respectievelijk 140% van zijn bezoldiging (zie
                    artikel 9e:8 en 9e:9). Bij minder dan 20 dienstjaren geldt een garantie naar
                    rato.</al><tussenkop>Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht (T)</tussenkop><al>In artikel 9b:1, tweede lid is bepaald dat het FLO-overgangsrecht wordt
                    voortgezet, wanneer de ambtenaar uit de ene bezwarende oud FLO-functie overstapt
                    naar de andere bezwarende oud FLO-functie. Ook in dat geval worden de rechten
                    tot het moment van overstap afgekocht door de “oude werkgever”. De nieuwe
                    werkgever betaalt dan weer de levensloopbijdrage, waarbij de hoogte door Loyalis
                    bepaald wordt. Loyalis houdt er hierbij rekening mee dat de afkoop volgens het
                    LOGA-pad gestort is. Dit betekent dat het afkoopbedrag van de “oude werkgever”
                    dus ingelegd is in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment
                    van uitbetaling door de werkgever en dat er geen tegoed is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 10 Wachtgeld (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 10:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al><vet>begrip betrokkene</vet>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene
                    wet bestuursrecht noodzaakt tot de invoering van de term betrokkene) zodanig
                    omschreven dat dit begrip erin voorziet dat alle gevallen waarbij
                    wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één artikel in het hoofdstuk wachtgeld
                    bij elkaar s taan. Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene
                    recht op wachtgeld die zelf ontslag gevraagd heeft, nadat schriftelijk aan
                    betrokkene kenbaar is gemaakt dat het bestuursorgaan voornemens is ontslag te
                    verlenen wegens reorganisatie danwe wegens arbeidsongeschiktheid.</al><tussenkop>Artikel 10:3 Diensttijd (T)</tussenkop><al><vet>begrip diensttijd</vet>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van
                    het hoofdstuk wachtgeld de tijd is, doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het
                    ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding
                    ambtenaarschap in de zin van de pensioenwet (S ter t. 1994, 98) bovengenoemd
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als seizoenswerker of als deelnemer aan een
                    werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de wachtgeldduur. Deze tijd
                    doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan een onderbreking van langer dan
                    een j aar, telt - op grond van het bepaalde in artikel 10:3, onderdeel a, wel
                    mee bij de beoordeling of betrokkene een diensttijd heeft van ten minste tien
                    jaar, dan wel voor het beoordelen of aanspraak bestaat op een bijzonder verlengd
                    wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60). Diensttijd die reeds in
                    aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht op wachtgeld of een
                    ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de vaststelling van
                    wachtgeldaanspraken. Ook deze hoofdregel kent weer uitzonderingen. Deze
                    diensttijd telt namelijk wel weer mee bij de beoordeling of betrokkene aan tien
                    dienstjaren komt, dan wel of de som van leeftijd en diensttijd op de
                    ontslagdatum meer bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook nogmaals mee wanneer
                    de betrekking waaruit ontslag volgde, werd aanvaard op het moment dat betrokkene
                    wachtgelder was (in het kader van de bijzondere verlenging, artikel 10:8, derde
                    lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt dan wel in mindering gebracht op
                    de duur van een nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bij telling van diensttij d voor de opbouw van
                    wachtgeldaanspraken. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen.</al><tussenkop>Artikel 10:4 Dienstbetrekking (T)</tussenkop><al><vet>begrip dienstbetrekking</vet>Voor de omschrijving van het begrip
                    dienstbetrekking wordt aangesloten bij het begrip dienstbetrekking uit de WW.
                    Door de verwijzing naar de artikelen 4, 5 en 6 van de WW wordt bereikt dat de
                    reikwijdte van het begrip dienstbetrekking gelijk is aan die ingevolge de
                    WW.</al><tussenkop>Artikel 10:6 Recht op wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Sinds de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) kent het wachtgeldregime de
                    mogelijkheid van samenloop van een WAO-conforme uitkering (tot 1 januari 1996
                    een invaliditeitspensioen) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder
                    dan 80% en een wachtgeld. In een situatie van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is immers tevens sprake van werkloosheid, voorzover
                    betrokken ambtenaar zijn restcapaciteit niet kan benutten. Hierdoor wordt de
                    kring van rechthebbenden op een wachtgeld verruimd.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld bestaat. In
                    onderdeel b wordt bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak bestaat op een
                    WAO-conforme uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                    Betrokkene is in dat geval volledig arbeidsongeschikt en als gevolg daarvan niet
                    in staat arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen recht bestaat op
                    wachtgeld gedurende de periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan
                    worden (zie hoofdstuk 11a).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                    ingeval op de ontslagdatum sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    80% of meer, maar waarvan de arbeidsongeschiktheid nadien op een lager
                    percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog toegekende
                    wachtgeld worden vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld
                    eindigt in beginsel op hetzelfde tijdstip als wanneer het zou eindigen indien
                    het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. Hierbij geldt echter een
                    uitzondering.</al><al><vet>Onderdeel a</vet>Onderdeel a van het tweede lid bepaalt dat de duur van het
                    wachtgeld vanaf de datum van de afschatting wordt berekend op basis van de
                    WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter bepaling van het arbeidsverleden dient
                    daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid, onderdeel a, tevens te
                    worden begrepen een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Daarmee wordt bereikt dat ingeval van
                    afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet minder uitkering ontvangt dan
                    een verzekerde in de zin van de WW.</al><al><vet>Onderdeel b</vet>Onderdeel b van het tweede lid bepaalt dat voor de
                    berekening van de duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting op basis
                    van de omvang van de ambtelijke diensttijd de datum op grond waarvan het recht
                    op pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel 10:8 wordt dus in die
                    zin toegepast dat hierbij wordt uitgegaan van de oorspronkelijke ontslagdatum.
                    De duur van het wachtgeld vanaf de datum van afschatting wordt uiteindelijk
                    vastgesteld volgens de berekeningswijze die de langste duur oplevert.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op wachtgeld
                    gemaakt kan worden. Dit is uitsluitend het geval indien de duur van het
                    wachtgeld meer bedraagt dan de periode van 5,5 jaar (2 x 33 maanden) suppletie.
                    Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden vastgesteld op basis van de
                    omvang van de diensttijd. Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de
                    aanspraak op suppletie is geëindigd en duurt tot het moment waarop het zou
                    eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn toegekend. De hoogte
                    van dit wachtgeld wordt vastgesteld op zodanige wijze dat gerekend wordt vanaf
                    de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><tussenkop>Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode van
                    5 jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3 jaar in
                    dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam zijn geweest, komen in
                    aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het gaat hier om de zogenaamde
                    "arbeidsverleden-eis", een eis uit de op dit punt inmiddels gewijzigde WW.
                    (Ingevolge de WW dient betrokkene sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5
                    jaar ten minste 4 jaar gewerkt te hebben om voor een verlengde uitkering - met
                    een duur die meer dan zes maanden bedraagt - in aanmerking te komen. Voor het
                    recht op een WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat
                    betrokkene, voorafgaand aan de ontslagdatum, in een periode van 39 weken ten
                    minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest). Met het oog op 1 januari 1998,
                    de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van toepassing te zijn op
                    overheidspersoneel, is ervoor gekozen deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke
                    regelingen op te nemen). Een uitzondering geldt voor degenen die onmiddellijk
                    voorafgaand aan het ontslag een uitkering genieten op grond van de Algemene
                    Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                    "arbeidsverleden-eis" behoeven te voldoen, voor een verlengd wachtgeld in
                    aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is afhankelijk van de omvang van
                    het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een fictief deel.</al><tussenkop>Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen, op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en op basis van de omvang van
                    het arbeidsverleden. De wachtgeldduur wordt uiteindelijk vastgesteld op basis
                    van de berekeningswijze die de langste duur oplevert. Bij de vergelijking blijft
                    de duur van het vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de
                    formulering van het eerste lid, waarbij uitsluitend wordt verwezen naar het
                    bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het wachtgeld op basis van de som
                    van leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel
                    mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                    uitgedrukt in een percentage van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de leeftijd
                    op de ontslagdatum, des te hoger het percentage waarin de diensttijd wordt
                    uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van de diensttijd is
                    minimaal 18 bij een leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe
                    tot maximaal 78%.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid bepaalt op welke wij ze de diensttijd die bij een eerder toegekend
                    wachtgeld of toegekende uitkering in aanmerking is genomen, nogmaals meetelt
                    voor de berekening van een wachtgeldduur. Diensttijd wordt uitsluitend nogmaals
                    in aanmerking genomen bij de vaststelling van een wachtgeldduur, ingeval
                    betrokkene de dienstbetrekking waarui t ontslag volgde aanvaardde terwijl
                    aanspraak op een wachtgeld bestond. Daarbij geldt als vereiste dat beide
                    wachtgelden moeten zijn toegekend op basis van een wachtgeldduur, berekend op
                    basis van de omvang van de diensttijd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd en
                    diensttijd 60 of meer bedraagt en een diensttijd van ten minste tien jaar is
                    doorgebracht, de duur van het wachtgeld wordt verlengd tot de AOW-gerechtigde
                    leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na afloop van de
                    wachtgeldduur, vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                    bestaat aanspraak op een vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen ambtenaar
                    voldoet aan de arbeidsverleden-eis, maar vanwege de leeftijd op de ontslagdatum
                    geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld, bestaat na afloop van de
                    basisduur van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is
                    geregeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij het arbeidsverleden minder dan
                    vijf jaar dient te omvatten. Een dergelijke situatie zal zich zelden voordoen,
                    namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op de ontslagdatum jonger
                    is dan 23 jaar.</al><al><vet>Lid 5 en 6</vet></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op een
                    vervolgwachtgeld met een kortere duur dan een jaar, respectievelijk 3,5 j aar.
                    Deze situatie kan zich voordoen wanneer de wachtgeldduur wordt vastgesteld op
                    basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het verschil tussen deze
                    duurberekening en die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder
                    bedraagt dan een jaar. In dat geval ontstaat aanspraak op een vervolgwachtgeld
                    met een duur die korter is dan de gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent dit
                    dat het wachtgeld van degene die aanspraak heeft op een wachtgeld op basis van
                    de omvang van de diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op
                    hetzelfde tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld met inbegrip van het
                    vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou zijn toegekend op basis
                    van de omvang van het arbeidsverleden. Het volgende voorbeeld dient als
                    toelichting. </al><tussenkop>Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                    procentpunten verlaagd. Omdat ingevolge het bepaalde in de "Procentenwet" (wet
                    van 20 december 1984, Stb. 1984, 657) de uitkeringshoogten met 3 procentpunten
                    worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het wachtgeld 90%, 80% en 70%
                    bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd
                    blijft. Bij een mogelijk intrekken van de Procentenwet - van een concreet
                    beleidsvoornemen is momenteel nog geen sprake - zullen de percentages met
                    hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. Het bedrag aan wachtgeld
                    bedraagt ten minste het bedrag aan opgebouwd ouderdomspensioen dat op de
                    ontslagdatum is opgebouwd. Tijdens de bijzondere verlenging (op basis van
                    artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze
                    verlenging ten minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                    opgebouwd ouderdomspensioen.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 28-2-2001 (tot volgende artikelversie) veranderd
                        de toelichting:In de toelichting bij artikel 10:10 komt de tekst vanaf 'Het
                        bedrag aan wachtgeld' te luiden: Het bedrag aan wachtgeld bedraagt ten
                        minste het bedrag aan ouderdomspensioen dat op de ontslagdatum is opgebouwd.
                        Tijdens de bijzondere verlenging (op basis van artikel 10:8, vierde lid)
                        bedraagt het wachtgeld het eerste jaar van deze verlenging ten minste 40%
                        van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan ouderdomspensioen wanneer
                        dat lager is dan 40%. De gewezen ambtenaar die bijvoorbeeld 20 pensioenjaren
                        heeft, ontvangt gedurende het eerste jaar van de verlenging 40% van zijn
                        bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20 maal 1,7594).
                    </cursief></al><tussenkop>Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld (T)</tussenkop><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                    gevallen waarbij het minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de bezoldiging
                    Deze laatste toevoeging voorkomt dat bijvoorbeeld degene die uit een
                    deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende de fase van het vervolgwachtgeld met
                    een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In dat geval kan het
                    minimumloon meer bedragen dan 70% van de bezoldiging en wordt het
                    vervolgwachtgeld vastgesteld op evengenoemd percentage. Het bedrag aan
                    minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de Procentenwet. Dit geldt
                    ook ingeval het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 10:12 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke organisatie
                    levert de leeftijd van 55 jaar, die als maximum geldt voor de verplichting
                    passende werkzaamheden te aanvaarden, nog wel eens onduidelijkheden op. Degenen
                    van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke betrekking wordt omgezet in een private
                    betrekking, zijn op grond van deze bepaling namelijk niet verplicht deze
                    betrekking te aanvaarden. Een vergelijkbaar regime is overigens in de private
                    sector zeer gebruikelijk. Dit in de vorm van regelingen die erin voorzien dat
                    werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt, niet gehouden zijn
                    passende arbeid te aanvaarden.</al><tussenkop>Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte (T)</tussenkop><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen aan
                    verplichtingen die voor de actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook de zieke
                    wachtgelder komt in aanmerking voor geneeskundige begeleiding Daarbij komt dat
                    vastgesteld moet worden of en wanneer recht op een WAOconforme uitkering
                    ontstaat. Het eerste lid bepaalt dat de wachtgelder die ziek is en daardoor geen
                    werkzaamheden kan verrichten en de wachtgelder die weer beter is als gevolg
                    waarvan betrokkene weer werkzaam kan zijn, verplicht is burgemeester en
                    wethouders daarvan op de hoogte te stellen. In de praktijk zal het de afdeling
                    zijn die de wachtgelden uitvoert (doorgaans de afdeling P&amp;O), die in dat
                    geval geïnformeerd dient te worden. Bij het vaststellen van nadere voorschriften
                    met betrekking tot de geneeskundige begeleiding bij ziekte kan worden
                    aangesloten bij de bepalingen van hoofdstuk 7 van de UWO (voorzover de gemeente
                    daarbij is aangesloten). Het derde lid regelt de verplichting van een
                    wachtgelder om een WAO-conforme uitkering aan te vragen. In het vierde en vijfde
                    lid zijn sancties opgenomen, ingeval de wachtgelder verwijtbaar verzuimt een
                    WAO-conforme uitkering aan te vragen.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-11-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd: De woorden "burgemeester en wethouders" worden
                        vervangen door: het college. </cursief></al><tussenkop>Artikel 10:16 Vermindering (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Bij de wijze van verrekening van neveninkomsten wordt het
                    uitgangspunt gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau van de bezoldiging
                    behouden blijft. Immers, de wachtgelder mag bijverdienen zonder dat er gekort
                    wordt op het wachtgeld, voorzover het gezamenlijke bedrag aan wachtgeld en
                    neveninkomsten de oorspronkelijke bezoldiging niet teboven gaat. Het wachtgeld
                    wordt dus niet opgeschort ingeval er wordt bijverdiend, de einddatum van het
                    wachtgeld blijft ongewijzigd. Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een
                    loondervingsuitkering, worden op dezelfde wijze verrekend. Dit is van belang
                    voor een gemeente die een wachtgeld uitbetaalt aan een gewezen werknemer, die
                    elders weer gaat werken. De inkomsten uit arbeid, alsmede de uitkering die daar
                    mogelijk uit voorkomt, worden verrekend op bovengenoemde wijze. Hoofdregel is
                    dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag voorafgaand aan de
                    ontslagdatum, buiten verrekening blijven.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening van
                    neveninkomsten wordt uitgegaan van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de
                    vermindering van het wachtgeld als gevolg van het feit dat de wachtgelder
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing blijft. Indien
                    zou worden uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers
                    toe leiden dat het "vrije" bedrag (het bedrag dat kan worden bijverdiend zonder
                    dat een korting op het wachtgeld plaatsvindt) hoger wordt. Het totale bedrag aan
                    wachtgeld, neveninkomsten en arbeidsongeschiktheidsuitkering zou hierdoor het
                    bedrag van de laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie die
                    zich zelden zal voordoen. Het gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens de
                    wachtgeldperiode een nieuwe betrekking heeft aanvaard, waaruit hij
                    arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen. Er
                    ontstaat aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld
                    met een tweede ambtelijke uitkering. De wachtgelder in deze situatie gaat
                    vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal betrokkene, die
                    arbeidsongeschikt is verklaard voor de betrekking die vervuld werd als
                    wachtgelder in de regel namelijk eveneens arbeidsongeschikt zijn voor de
                    oorspronkelijke betrekking waarin rnen werkzaam was. Uitgangspunt bij de
                    verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat deze inkomsten eerst in
                    de wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het niveau van de oorspronkelijke
                    bezoldiging de bovengrens blijft. Wanneer de som van het oorspronkelijk
                    toegekende wachtgeld, de arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan niet aangevuld
                    met een tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer bedraagt dan de
                    oorspronkelijk genoten bezoldiging (uit de functie waaruit het eerste wachtgeld
                    werd toegekend), wordt eerst het oorspronkelijk toegekende wachtgeld verminderd
                    met het overschrijdende bedrag. Indien na deze vermindering nog een bedrag aan
                    overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende (tweede)
                    ontslaguitkering verminderd met het bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                    verrekenen van neveninkomsten in een situatie waarbij sprake is van samenloop
                    van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld. In dat geval dienen
                    twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die ingevolge het
                    pensioenreglement en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op
                    elkaar aan te sluiten. Neveninkomsten worden eerst in de wachtgeldsfeer
                    verrekend, en nadien in de sfeer van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit
                    betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering
                    worden gebracht, ingeval de neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het
                    wachtgeld volledig wordt weggekort. Het pensioenreglement bepaalt dat inkomsten
                    uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht op het
                    invaliditeitspensioen, voorzover de som van invaliditeitspensioen,
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering en neveninkomsten meer bedraagt dat de
                    berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 10:17 Verlenging (T)</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd aan de
                    toegekende wachtgeldduur, indien de wachtgelder binnen drie maanden na het
                    ontslag een soortgelijke betrekking gaat vervullen bij de gemeente die het
                    wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort, maar verlengd. Tijdens
                    het vervullen van de nieuwe betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en
                    worden de inkomsten verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt
                    betrokkene gedurende zes maanden een vergelijkbare betrekking aangeboden als die
                    waaruit ontslag volgde. De duur van het dienstverband van zes maanden wordt
                    toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie jaar. De
                    ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever "gestraft" wordt met
                    relatief zware wachtgeldlasten, indien de werkgever korte tijd na een gegeven
                    ontslag met recht op wachtgeld betrokkene soortgelijke werkzaamheden kan
                    aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend. In dat geval doet zich de
                    vraag voor of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><tussenkop>Artikel 10:18 Opschorting (T)</tussenkop><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum -
                    waardoor ingevolge artikel 7:6, eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari 2003
                    aanspraak ontstaat op doorbetaling van de bezoldiging - wordt de uitvoering van
                    dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op wachtgeld ingaat per de
                    datum dat de ontslagen ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al><tussenkop>Artikel 10:19 Samenloop (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en een
                    uitkering op grond van de WAO, dan wel een WAO-conforme uitkering al dan niet
                    vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een
                    arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikt wordt verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld
                    verminderd met een percentage, afhankelijk van de mate van
                    arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang van de
                    ontslagdatum indien per die datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op
                    grond van de WAO, een WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met een
                    invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
                    minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere datum,
                    namelijk het moment waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door
                    deze vermindering resteert een bedrag aan wachtgeld dat afhankelijk is van de
                    mate waarin betrokkene in staat wordt geacht inkomsten te verwerven. Het
                    resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                    werkloosheid. Tevens wordt in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan
                    uitkering op grond van de WAO, dan wel het totale bedrag aan WAO-conforme
                    uitkering, al dan niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het
                    verminderde wachtgeld nooit meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan
                    wachtgeld dat ontvangen zou zijn, wanneer geen uitkering zou zijn toegekend. Als
                    dat wel het geval is (bijvoorbeeld bij een hoog bedrag aan inverdiend pensioen),
                    wordt het overschrij dende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht. Het
                    hanteren van de bovengrens van het volledige wachtgeld leidt ertoe dat al
                    degenen aan wie een wachtgeld is toegekend gelijk behandeld worden. De
                    inkomenspositie van de ontslagen ambtenaar met aanspraak op wachtgeld is
                    hierdoor gelijk aan de positie van degene aan wie naast een wachtgeld tevens een
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid is toegekend. Anderzijds voorkomt deze bovengrens dat
                    ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, er
                    een onbedoelde inkomensstijging plaats vindt.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht, in
                    de situatie waarbij geen arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of
                    wanneer de uitkering niet volledig tot uitbetaling komt.</al><tussenkop>Artikel 10:21 Afkoop (T)</tussenkop><al>Het College van B&amp;W kunnen een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te
                    kopen, honoreren. Over de hoogte van de afkoopsom dient te worden onderhandeld.
                    Indien wordt overwogen een verzoek inzake afkoop van wachtgeld te honoreren, is
                    het raadzaam vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen. De raad moet immers
                    een krediet beschikbaar stellen.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-11-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:De woorden "Het college van b. en w. kunnen" worden
                        vervangen door: Het college kan. </cursief></al><tussenkop>Artikel 10:22 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al><noot id="FN5715_1"><noot.al>Vanwege het voorbeeldkarakter zijn de bedragen niet volgend de
                            officiële rekenmethode tot stand gekomen.</noot.al></noot> In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt voor het deel
                    waarmee het tezamen met de neveninkomsten die verdiend zouden kumen worden, de
                    bezoldiging te boven zou zijn gegaan. Een rekenvoorbeeld moge dit
                    verduidelijken. Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin € 2.000,-
                    werd verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70% van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene
                    weigert een betrekking te aanvaarden waarin € 1.500,- verdiend zou kunnen
                    worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld gekort worden
                    met € 900,- (€ 1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,- ) de bezoldig wordt met € 900,-
                    overschreden), met dit bedrag wordt het wachtgeld verminderd.</al><tussenkop>Artikel 10:23 Verval van wachtgeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het feit
                    dat de wachtgelder voor 80% of meer arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In
                    dat geval is geen sprake van werkloosheid. De verwijzing naar het tweede lid van
                    artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, die
                    aanvankelijk op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager percentage
                    wordt vastgesteld. In dat geval herleeft het reeds toegekende recht op
                    wachtgeld. Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een
                    dienstbetrekking als wachtgelder bekleed, waarbij sprake is van een mate van
                    arbeidsongeschiktheid naar een geringer percentage dan 80%, voorziet artikel
                    10:19 daarin. Wanneer in een dergelijke situatie neveninkomsten worden verdiend,
                    is artikel 10:15, tweede lid, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10:25 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                    ontslaguitkeringsregelingen. Dit betekent dat de duur van een ambtelijke
                    ontslaguitkering ten minste de duur bedraagt die zou zijn toegekend wanneer de
                    Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering van de WW-bodem
                    ging gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle lopende
                    wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is herberekend.</al><tussenkop>Artikel 10:26 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in een
                    overgangsuitkering voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat hierbij om
                    degenen waarvan de duur van het wachtgeld afloopt in de periode 1 augustus 1991
                    tot en met 31 december 1995. In aansluiting hebben zij recht op een
                    overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het minimumloon. Dit
                    bedrag kan echter nooit meer bedragen dan 70% van de bezoldiging. De duur
                    bedraagt een jaar. In alle gevallen eindigt de overgangsuitkering op 31 december
                    1995.</al><tussenkop>Artikel 10:27 Overgangsbepalingen (T)</tussenkop><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In dit
                    artikel wordt bepaald dat deze verlaging niet wordt toegepast ten aanzien van de
                    wachtgelden die voor 1 januari 1995 zijn toegekend.</al><tussenkop>Artikel 10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 10a:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende uitkering, die
                    tegelijk met de uitkering op basis van de Werkloosheidswet (WW) wordt uitgekeerd
                    en een aansluitende uitkering, die na afloop van de uitkering op basis van de WW
                    tot uitkering komt. Artikel 16 van de WW spreekt over een situatie waarin sprake
                    is van het verlies van vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per
                    kalenderweek, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over
                    die uren. Ook moet er sprake zijn van beschikbaarheid om arbeid te verrichten.
                    Het cruciale begrip is hier dus 'verlies van arbeidsuren', terwijl in de
                    wachtgeld- en uitkeringsregeling het begrip 'ontslag' essentieel was. Dit
                    verschil komt heel duidelijk naar voren in de situatie dat een tijdelijke
                    uitbreiding van het aantal arbeidsuren weer ongedaan wordt gemaakt. In de
                    systematiek van de wachtgeld- en uitkeringsregeling kon dit niet tot een recht
                    op uitkering leiden, omdat niet aan het vereiste van een ontslag wordt voldaan.
                    In de systematiek van de WW kan er wel sprake zijn van een recht op een
                    uitkering, omdat er sprake is van verlies van arbeidsuren. In tegenstelling tot
                    de WW kent de bovenwettelijke regeling geen maximum dagloon. Overigens hebben
                    zaken als het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een PC-privéproject
                    invloed op de hoogte van het dagloon. De verlaging hiervan werkt dus door in de
                    hoogte van zowel de wettelijke als de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit maximum is
                    opgenomen in artikel 9, eerste lid, van deze wet. Voor de toepassing van de
                    bovenwettelijke regeling bij werkloosheid is dit maximum niet van toepassing.
                    Dit betekent dat de berekeningsgrondslag niet wordt afgetopt. Een eventueel
                    hoger inkomen wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met 46
                    WW) betekent tevens, dat de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van
                    uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen
                    voor overheidspersoneel, ondenvijspersoneel en daarmee gelijk te stellen
                    personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling bij
                    werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 10a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming, de
                    vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het
                    karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                    arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde
                    groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden opgenomen,
                    waaraan voldaan moet worden voordat er sprake is van een recht op een
                    loongerelateerde W Wuitkering. Wil men in aanmerking komen voor een
                    (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men in ieder geval voldoen aan
                    de vereisten voor deze loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen recht is
                    op een loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen recht op een aanvullende
                    uitkering. In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW gaat het om zaken
                    als:</al><lijst><li nr="-"><al>het verlies van arbeidsuren, en;</al></li><li nr="-"><al>een referte-eis van het gewerkt hebben in 26 weken in de 39 weken
                            voorafgaande aan het ontslag en in vier jaar in de vijfjaar voorafgaande
                            aan de eerste werkloosheidsdag over 52 of meer dagen loon te hebben
                            ontvangen.</al></li></lijst><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van een recht op
                    WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om gevallen waarin de betrokkene:</al><lijst><li nr="-"><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW);</al></li><li nr="-"><al>volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO;</al></li><li nr="-"><al>rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al></li><li nr="-"><al>de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></li></lijst><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan voldaan moet
                    worden voordat er sprake is van een recht op WW, leidt ook niet elke
                    ontslaggrond in de CAR/UWO tot een recht op een aanvullende uitkering. De
                    relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd.</al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos wordt.
                    Het recht op WW-uitkering zal dan worden beoordeeld naar de totale omvang van de
                    werkloosheid. Het recht op een aanvullende uitkering bestaat (echter) alleen
                    voor de omvang van de werkloosheid die is ontstaan uit een dienstbetrekking bij
                    de gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend uit een arbeidsurenverlies
                    als betrokkene in de zin van deze regeling kan een aanspraak op een aanvullende
                    uitkering gekoppeld zijn.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als
                    bij een andere werkgever (16 uur). Wanneer hij uit beide betrekkingen wordt
                    ontslagen, wordt de aanvullende uitkering gerelateerd aan de 20 uur waarvoor er
                    ontslag bij de gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de andere werkgever blijven
                    voor het recht op aanvullende uitkering buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                    onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd dat ook ontslag uit een tijdelijke
                    aanstelling voor onbepaalde tijd recht kan geven op een aanvullende uitkering.
                    Verder is, nu in artikel 8:12 ook de beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding is opgenomen, vastgelegd dat beëindiging van een tijdelijke
                    urenuitbreiding recht kan geven op een aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                    suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknerners die zijn ontslagen
                    uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag
                    minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet op de
                    Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het recht
                    op een aanvullende uitkering heeft betrekking op de gehele duur van de
                    WW-uitkering. In artikel 10a:5, llid 4, is bepaald dat voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van ontslag.
                    Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 10a:5, lid
                    4 en 10a:16, lid 3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ook van
                    toepassing op medewerkers die wegens volledige arbeidsongeschiktheid zijn
                    ontslagen voor 2001. Dit vloeit voort uit de uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 27 juni 2005. De Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat een gewezen
                    overheidswerknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was afgeschat, recht
                    op een WW-uitkering heeft en niet op een wachtgelduitkering. De uitspraak heeft
                    geen terugwerkende kracht; dit betekent dat medewerkers die vanwege
                    arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001 en die na de datum van de
                    afspraak zijn afgeschat op hun WAO-uitkering (gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer) recht hebben op een
                    WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke uitkering.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
                    (T)</tussenkop><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt dat de
                    berekeningssysternatiek van het dagloon WW wordt gevolgd, echter zonder dat de
                    maximum dagloongrens wordt toegepast. Er zijn verschillen tussen de grondslag
                    'bezoldiging' en de grondslag 'dagloon'. Zoals al bij de toelichting op artikel
                    10a:1 werd aangeduid, is het spaarloon hiervan een duidelijk voorbeeld.</al><tussenkop>Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                    bovenwettelijke uitkering bestaat, is de berekeningsgrondslag van deze uitkering
                    hoger dan die van de loongerelateerde uitkering in de WW. Artikel 47 van de WW
                    stelt dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering 70% van het (gemaximeerde)
                    dagloon bedraagt, terwijl de aanvullende uitkering uitgaat van 80% van het
                    (ongemaximeerde) dagloon. Na 15 maanden zijn de percentages in de WW en in de
                    regeling voor de aanvullende uitkering gelijk, namelijk 70%. Veelal zal dit
                    betekenen dat er geen aanvullende uitkering tot uitbetaling zal komen. Omdat er
                    bij de berekening van de aanvullende uitkering echter wordt uitgegaan van het
                    mgernauimeerde dagloon, kan er een verschil optreden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal gronden
                    eindigen. Zie artikel 20 WW. Veelal zal het recht eindigen omdat er geen sprake
                    meer is van werkloosheid. Op het moment dat er weer sprake is van werkloosheid,
                    zonder dat er nieuwe WW-rechten zijn opgebouwd, herleeft het recht op uitkering
                    op grond van artikel 21 WW. Op het moment dat er sprake is van een dergelijke
                    herleving van het recht op WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW
                    zoveel later (dan in de oorspronkelijke berekening) als de periode heeft geduurd
                    dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat hier om een verlenging van de
                    WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50 WW</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15 maanden dat er
                    recht bestaat op een uitkering van in totaal 80% van het ongemaximeerde
                    dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het
                    recht op de loongerelateerde uitkering krachtens de WW eindigt op 1 januari
                    2007. Per 1 maart 2005 wordt de werkloosheid gedurende drie maanden geheel
                    beëindigd. In dit geval eindigt het recht op een aanvullende uitkering ter
                    hoogte van 80% van het ongemaximeerde dagloon, ondanks de verlenging van de
                    uitkering, op 1 april 2006. Uiteraard eindigt de WW-uitkering (en daarmee de
                    bovenwettelijke aanvullende uitkering tot 70%) wel drie maanden later, dus op 1
                    maart 2007. Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeids-ongeschiktheidspercentage van 80% of meer, heeft, nadat de mate van
                    arbeids-ongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft op een WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                    WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Is het ontslag wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 15 maanden
                    geleden, heeft betrokkene gedurende een periode tot 15 maanden na ontslag recht
                    op een aanvullende uitkering tot 80% van het ongemaximeerde dagloon. Hierna
                    heeft betrokkene recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken.Een medewerker is op 1 januari 2002 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of
                    meer. Op 1 januari 2004 wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na
                    afschatting 3 jaar recht op een WW-uitkering. Gedurende de WW heeft betrokkene
                    recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                    dagloon omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft plaatsgevonden.
                    Zie ook de voorbeelden die zijn opgenomen bij de toelichting op artikel 10a:16,
                    lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die
                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet> In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11
                    augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze
                    waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                    04/19). Een van de afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1
                    augustus 2004 ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering
                    niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van zowel de vervolguitkering
                    als de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin,
                    voor zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin
                    voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen dus onder
                    artikel artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te houden,
                    wordt deze overgangsuitkering de verlengde uitkering genoemd.</al><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al> De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van twee jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag jonger waren dan 57,5 en van 3,5 jaar
                    voor diegenen die op de dag van ontslag ouder waren dan 57,5.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is nodig, omdat
                    een WW-uitkering korter kan zijn dan 15 maanden. De verlengde uitkering moet
                    vervolgens nog wel tot 15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geven op
                    een uitkering ter hoogte van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze in
                    artikel 10a:3 is gedefinieerd. </al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a
                    van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover
                    toepasbaar", omdat de bepalingen van de aansluitende uitkering uiteraard niet
                    van toepassing zijn. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt echter
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vijfde lid
                    van artikel 10a:5a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                    mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen.</al><tussenkop>Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                    (T)</tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid van
                    invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering op grond van de bepalingen van hoofdstuk
                    10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, ook recht op een aanvullende
                    uitkering. Artikel 10a:5b voorziet hierin. Op deze groep is artikel 10a:5a dus
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat ook het
                    recht op een aanvullende uitkering geheel of gedeeltelijk eindigt. Voor de
                    toepassing van deze bepaling is met name artikel 20 van de WW van belang. Hierin
                    zijn gronden voor beëindiging van het recht op een WW-uitkering opgenomen. Het
                    gaat hierbij om zaken als het niet meer werkloos zijn, het verstrijken van de
                    uitkeringsduur en het in aanmerking komen voor een uitkering krachtens de
                    ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de gehele
                    of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering impliceert dat
                    achterliggende regels en systematiek (zoals Lisv-beleid en jurisprudentie) ook
                    worden gevolgd. Let wel: oud recht op aanvullende uitkering kan niet meer
                    herleven, indien de betrokkene als werknemer nieuwe werkzaamheden ter hand neemt
                    en daarmee een nieuw recht op WW opbouwt voor hetzelfde aantal uren als waarop
                    het recht op aanvullende uitkering gebaseerd was. Dit zou
                    reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is voorzien door artikel
                    10a:32 de reïntegratiepremie. </al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie)
                        veranderd de toelichting:Het woord "Lisv-beleid" wordt vervangen door:
                        UWV-beleid.</cursief></al><tussenkop>Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op een
                    WW-uitkering en het recht op een aanvullende uitkering. Hierbij is artikel 21
                    van de WW van belang. Indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                    recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of ziekte, na afloop van die arbeid
                    of ziekte geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, herleeft het recht
                    op de oude WW-uitkering en de aanvullende uitkering. Herleving houdt in, dat de
                    hoogte en de duur van de uitkering nog steeds worden bepaald door de eerste
                    werkloosheidsdag van de 'oorspronkelijke' werkloosheid (de 'WW-klok' loopt dus
                    gewoon door). Herleving is dus iets anders dan opschorting. Bij opsctiorting
                    wordt de uitkering tijdens de onderbreking stopgezet en wordt na de onderbreking
                    de uitkering voortgezet alsof er geen onderbreking is geweest. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:8.</al><tussenkop>Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                    overeenkomstige toepassing zin op artikel 10a:8. De WW-uitkering eindigt, indien
                    na een tijdelijke gehele beëindiging van het recht op een WW-uitkering het recht
                    op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de onderbreking heeft geduurd. Dit
                    betekent in feite dat, gerekend vanaf de eerste dag van de werkloosheid, de
                    WW-uitkering met zoveel tijd wordt verlengd als de tijdelijk onderbreking duurt.
                    Het effect van die verlenging komt er praktisch gezien op neer dat de duur van
                    de uitkering wordt opgeschort. Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet
                    opgeschort.Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de
                    aanvullende uitkering biedt compensatie voor het feit dat in de wachtgeld- en
                    uitkeringsregelingen de aanspraak op een wachtgeld of uitkering, bij goed
                    gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende uitkeringsduur.
                    Dit in tegenstelling tot de WW, waarin ook het einde van de werkloosheid tot
                    beëindiging van de uitkering kan leiden.</al><tussenkop>Artikel 10a:10 Anticumulatie (T)</tussenkop><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor minder dan
                    vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, de
                    WW-uitkering wordt verminderd met 70% van hetgeen er met die arbeid wordt
                    verricht. Pas als de WW volledig is 'weggekort', wordt het restant van de te
                    verrekenen inkomsten op de aanvullende uitkering gekort. Dit soort gevallen zal
                    sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein
                    dienstverband. De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf uren of meer of
                    voor ten minste de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, leidt in de
                    systematiek van de WW tot vermindering van de werkloosheid en aldus tot een
                    uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.</al><tussenkop>Artikel 10a:11 Scholing (T)</tussenkop><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat na toestemming en onder de
                    voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen kunnen
                    studeren met behoud van uitkering. De jurisprudentie en het beleid van het Lisv
                    inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van overeenkomstige toepassing.
                    Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk geachte
                    scholing, bestaat er over deze verlengde duur ook recht op een aanvullende
                    uitkering.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet> per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:Het woord "Lisv" wordt vervangen door: UWV
                    </cursief></al><tussenkop>Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die optreedt
                    vóór de eerste dag van werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat er geen recht
                    op WW (en aanvullende uitkering). Niettemin is dan artikel 10a:12 (toch) van
                    toepassing. Bepalend is of de betrokkene recht zou hebben op aanvullende
                    uitkering als hij niet ziek was geweest.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale uitkering
                    gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op basis van artikel 10a:5 zou
                    ontvangen als hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie
                    onder andere (de toelichting op) artikel 10a:8. In artikel 43, tweede en derde
                    lid WW, is (echter) vastgelegd dat de einddatum van een WW-uitkering in geval
                    van een onderbreking door ziekte alleen opschuift voorzover het ziektegeval
                    langer dan drie maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in de laatste drie
                    maanden van de vervolguitkering ziek wordt, 'verbruikt' hij dus de WW-duur.
                    Wanneer hij ziek blijft tot na de datum waarop de WW zou zijn verstreken, kan
                    het WW-recht bij herstel dus niet meer herleven. Wanneer de ziekte valt in de
                    laatste drie maanden van de WW-uitkering, bestaat er recht op aanvulling van de
                    ZW-uitkering tot aan het moment waarop WW-uitkering beëindigd zou worden als de
                    betrokkene niet ziek zou zijn geweest (de zogenaamde max datum). Wanneer de
                    betrokkene geen recht heeft op een aansluitende uitkering, ontvangt hij dus een
                    uitkering krachtens de ZW van 70% van het gemaximeerde ZW-dagloon, zonder
                    aanvulling. In het geval er wel recht bestaat op een aansluitende uitkering,
                    gaat de aansluitende uitkering direct in na het bereiken van de max datum. De
                    uitkering krachtens de ZW wordt dan in mindering gebracht op de aansluitende
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering (T)</tussenkop><al>De Wazo geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op een
                    uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Tijdens deze uitkering wordt
                    de aanvullende uitkering op grond van hoofdstuk 10a CAR verhoogd tot het voor
                    betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de uitkering die 'in verband met
                    zwangerschap' genoten wordt, geldt ook voor ziekte die verband houdt met
                    zwangerschap en/of bevalling. Deze uitkering op grond van de Wazo heeft geen
                    opschortende werking en heeft dus geen gevolgen voor de einddatum van de
                    WW-uitkering en de aanvullende uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering (T)</tussenkop><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van de
                    mogelijkheid om 'op proef een nieuwe functie bij een nieuwe werkgever te
                    aanvaarden, bestaat de mogelijkheid van een reïntegratie-uitkering; zie hiervoor
                    artikel 23 tot en met 27 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                    Deze proefplaatsing geeft overigens geen recht op een vaste aanstelling. Aan het
                    recht op een reïntegratie-uitkering is een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet
                    de werknemer recht hebben op een WW-uitkering, heeft de proefaanstelling een
                    duur van maximaal zes maanden en moet het gaan om onbeloonde werkzaamheden. De
                    werknemer ontvangt dus geen bezoldiging, maar krijgt een reïntegratie-uitkering
                    in plaats van zijn WWuitkering. De reïntegratie van arbeidsgehandicapten wordt
                    bevorderd, wanneer de REA-uitkering gelijkgesteld wordt met de WW-uitkering. Dit
                    betekent namelijk dat het recht op een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering
                    blijft bestaan. De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen met de
                    aanvulling is gelijk aan de hoogte van de WW-uitkering tezamen met de
                    bovenwettelijke aanvulling wanneer de werknemer geen proefaanstelling zou hebben
                    aanvaard.</al><tussenkop>Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden (T)</tussenkop><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook voor
                    werkloze werknemers neergelegd in de ZW. hebben de nabestaanden van de overleden
                    werkloze werknemer aanspraak op een overlijdensuitkering. Deze
                    overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld over
                    een maand. De bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaat eruit dat de
                    uitkering krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100% van het voor de betrokkene
                    geldende dagloon en wel over een periode van dertien weken. </al><tussenkop>Artikel 10a:13a Grensarbeiders (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71
                    hebben grensarbeiders die in Nederland bij de gemeente werken en die bij aanvang
                    van werkloosheid in het buitenland wonen, bij deze werkloosheid recht op een
                    uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen. Dit geldt ook als zij op grond
                    van deze verordening hun wettelijke werkloosheidsuitkering in hun woonland
                    moeten aanvragen, en dus geen recht hebben op Nederlandse WW. Voor de invoering
                    van de WW voor overheidspersoneel hadden grensarbeiders rechtspositioneel recht
                    op een wachtgeld of uitkering. Sinds de invoering van de WW sinds 1 januari 2001
                    geldt echter ook voor overheidspersoneel dat grensarbeiders geen recht meer
                    hebben op de wettelijke werkloosheidsuitkering in het werkland (voor de WW geldt
                    namelijk het woonlandprincipe). Zij hebben echter rechtspositioneel wel recht op
                    de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Daarom is met de centrales van
                    overheids- en onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over een aanpassing van
                    de regels voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen
                    recht op uitkering op grond van de WW heeft. Het artikel houdt het volgende
                    in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als hij in
                    Nederland had gewoond. Dat wil zeggen een uitkering ter hoogte van de WW- en
                    bovenwettelijke uitkering, minus de eventuele buitenlandse
                    werkloosheidsuitkering. De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes blijven
                    insturen. Veranderingen in de omstandigheden, bijvoorbeeld werkhervatting of
                    overtreding van verplichtingen, hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben
                    gehad als de betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus plaats op
                    grond van de Nederlandse regels. In geval van ziekte, zwangerschap of bevalling
                    loopt de bovenwettelijke uitkering door. In deze situatie zijn er twee
                    mogelijkheden.</al><lijst><li nr="1"><al>Als de betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap
                            of bevalling heeft en dit aantoont, verandert de bovenwettelijke
                            uitkering in een aanvulling op de (fictieve) uitkering op grond van de
                            ZW of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat - voor maximaal de duur
                            van deze Nederlandse equivalent - de uitkering van het woonland wordt
                            aangevuld tot het niveau dat betrokkene zou krijgen als hij in Nederland
                            had gewoond. Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap of
                            bevalling wordt genoten, ontvangt de grensarbeider zolang de
                            buitenlandse uitkering duurt, maar maximaal voor de duur van de
                            Nederlandse uitkering wegens zwangerschap en bevalling, conform de
                            Nederlandse vergelijkbare gevallen (artikel 10a:12a), een aanvulling tot
                            100% van de oude bezoldiging.De einddatum van de totale uitkering kan
                            hierdoor opschuiven. In geval van ziekte gebeurt dat alleen als de
                            ziekte meer dan 3 maanden duurt. In de fase van de aansluitende
                            uitkering geldt dit alleen als op de betrokkene, als hij in Nederland
                            had gewoond, de nawerkingsbepalingen van de ZW of de Wet arbeid en zorg
                            nog van toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat geldt
                            in puur Nederlandse gevallen.</al></li><li nr="2"><al>Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc. maar levert hij geen bewijs
                            van een buitenlandse uitkering daarvoor, dan loopt de bovenwettelijke
                            uitkering door zoals bij werkloosheid, dus zonder opschuiving van de
                            einddatum. Dit geldt, net als in puur Nederlandse gevallen, ook in alle
                            gevallen van ziekte etc. in de fase van de aansluitende uitkering na
                            afloop van de nawerkingsperiode van de ZW en de Wet arbeid en zorg.Als
                            de betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke) uitkering
                            wegens ziekte, zwangerschap, bevalling of uitkering op grond van de Wet
                            arbeid en zorg ontvangt, verandert de bovenwettelijke uitkering, volgens
                            de samenloopregel van het zesde lid, in een aanvulling op deze
                            Nederlandse uitkering.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10a:14 Diensttijd (T)</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd is,
                    doorgebracht in overheidsdienst, waaraan het deelnemerschap in de zin van het
                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP is verbonden, alsmede de
                    tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking van het zijn van
                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het
                    ambtenaarschap niet is verbonden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om diensttijd
                    doorgebracht als deelnemer aan een werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid. In
                    de eerste plaats telt de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan
                    een jaar niet mee voor de berekening van de duur van de aansluitende uitkering.
                    Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een recht
                    op wachtgeld of een ontslaguitkering, telt niet nogmaals mee bij de vaststelling
                    van de duur van de aansluitende uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht van
                    pensioenopbouw bij een private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP
                    niet leidt tot bijtelling van diensttijd voor de opbouw van aanspraken op een
                    aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor de
                    opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient (eveneens)
                    niet te worden meegenomen als diensttijd.</al><tussenkop>Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met
                    suppletie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle gevallen waarin er
                    ontslag plaatsvindt, recht op WW. Bovendien kent de CAR/UWO een gesloten systeem
                    van ontslaggronden. De relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd. Zie
                    ook de toelichting op artikel 10a:2.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op basis van de
                    WW wordt geweigerd na een reorganisatie-ontslag en er krachtens artikel 10a:9,
                    derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt toegekend, is er recht
                    op een aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 er alleen recht op een
                    aansluitende uitkering als daartoe expliciet besloten is.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan de hand van
                    het eerste tot en met het derde lid. Het recht gaat in op de eerste dag van de
                    werkloosheid. Dit recht komt niet tot uitbetaling zolang er recht op een
                    uitkering op basis van de WW bestaat. Lid 4 bevat het moment van ingang van de
                    aansluitende uitkering voor die mensen die op of na 1 augustus 2004 werkloos
                    zijn geworden.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Lid 5 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen,
                    op wie artikel 10a:5a van toepassing is. De aansluitende uitkering gaat dan pas
                    in op het moment dat de duur van de verlengde uitkering van 10a:5a is
                    verstreken.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Lid 6 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die mensen,
                    op wie artikel 130h, eerste lid, van toepassing is. Deze mensen ontvangen nog
                    een uitkering conform de oude regels van de WW. Deze mensen ontvangen dus nog
                    een vervolguitkering. De aansluitende uitkering gaat dan pas in op het moment
                    dat de duur van de vervolguitkering is verstreken.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering komt in de
                    situatie dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een
                    suppletie krachtens hoofdstuk 11a van de CAR. De doelgroep van de
                    suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen
                    uit een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                    het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag
                    minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO. Na afloop van de
                    suppletieregeling ontstaat aanspraak op een aansluitende uitkering indien en
                    voor zolang de duur van de aansluitende uitkering, bepaald krachtens artikel
                    10a:16 van deze regeling, de duur van de suppletie overtreft.</al><al><vet>Lid 8</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de berekening van de duur van de aansluitende uitkering vanaf de
                    datum van ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:16 Duur van de uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de
                    ambtelijke diensttijd. De wijze van berekenen is gelijk aan die van de oude
                    wachtgeldregeling. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des te hoger het
                    percentage waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van de aansluitende
                    uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van wie de eerste
                    dag na ontslag ligt op of na 1 augustus 2004 (dit zijn de mensen die per 1
                    augustus 2004 of later zijn ontslagen), geldt dat hiervan niet alleen de duur
                    van de loongerelateerde WW-uitkering wordt afgetrokken, maar ook een periode van
                    twee jaar. Dit heeft te maken met wijziging van de Werkloosheidswet, waarin per
                    11 augustus 2003 de vervolgutikering WW is afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de
                    wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerking in de bovenwettelijke regeling
                    een akkoord gesloten. Zie hiervoor de ledenbrief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107;
                    CvA/LOGA 04/19).</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief> Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud. Hij is
                    sinds zijn 18e in dienst van de overheid.<onderstreept>In de oude situatie
                        (ontslag voor 1 augustus 2004)</onderstreept> was de duur van zijn
                    aansluitende uitkering als volgt: 3 maanden + [19,5% + (35 - 21 = 14)*l,5%]*de
                    diensttijd - 3 maanden + 6,885 jaar = 7,135 jaar na de dag van ontslag.</al><al><onderstreept>In de nieuwe situatie (ontslag na 1 augustus 2004)</onderstreept>
                    is de basis-duurberekening hetzelfde. Hiervan wordt echter nog 2 jaar extra
                    afgetrokken, waardoor de duur van de aansluitende uitkering op 5,135 jaar na de
                    dag van ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe situatie geen vervolguitkering meer
                    bestaat, doet in deze berekening van de einddatum van de aansluitende uitkering
                    niet ter zake. Er kan, in tegenstelling tot de situatie bij de aanvullende
                    uitkering, in beginsel geen opschorting plaatsvinden. Een uitzondering wordt
                    gevormd door artikel 10a:24 scholing. Zie ook de toelichting op artikel 10a:21,
                    tweede lid.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting) en hij
                    recht heeft gehad op een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een aansluitende
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. Of betrokkene voor een aansluitende
                    uitkering in aanmerking komt hangt af van de duurberekening van de aansluitende
                    uitkering vanaf de datum van ontslag in relatie tot de duur van het recht op WW
                    na de afschatting. Is het recht op WW na afschatting geëindigd voor de einddatum
                    van het recht op een aansluitende uitkering, heeft betrokkene na afloop van zijn
                    WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering. Voor de berekening van de
                    hoogte van de aanvullende en aansluitende uitkering moet eveneens de datum van
                    ontslag als vertrekpunt genomen worden. Hieronder zijn twee voorbeelden
                    opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief>Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op 1 april 2006
                    afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de duur van
                    2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden bijna vijfjaar langer is geworden duurt de
                    WW langer dan die zou hebben geduurd als betrokkene direct na ontslag WW had
                    ontvangen). De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum van
                    ontslag is 7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Dit betekent dat
                    betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering gedurende de periode dat er
                    recht bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon. Met ingang van 1 oktober 2006 tot 1 oktober 2008 heeft
                    betrokkene recht op een aansluitende uitkering ter hoogte van 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief> Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag
                    verleend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. De ex-medewerker heeft recht op
                    een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80%. De
                    ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling van hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt op 1 april
                    2006 afgeschat. Vanaf dat moment heeft hij recht op een WW-uitkering voor de
                    duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum
                    van ontslag is 5 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Gedurende zijn
                    WW-uitkering heeft hij recht op een aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van
                    het ongemaximeerde dagloon. Het recht op WW eindigt op 1 april 2010. Betrokkene
                    heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een aanvullende uitkering ter hoogte
                    van 70% van het ongemaximeerde dagloon. De aansluitende uitkering komt niet tot
                    uitbetaling daar de einddatum is bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen. Mensen
                    die onder de WIA eerst volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering
                    ontvingen en daarna worden afgeschat, hebben namelijk geen recht op een
                    WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt het eerste lid niet.
                    Deze persoon heeft namelijk recht op een aansluitende uitkering tot aan de dag
                    waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Let wel: degene die op het
                    moment van ontslag 55 jaar of ouder is en die geen recht heeft op een
                    aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de
                    aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2
                    voldoet). De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was
                    opgenomen (recht op een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd, indien de som
                    van leeftijd en diensttijd groter of gelijk was aan 60), is komen te
                    vervallen.</al><tussenkop>Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet>Algemeen</vet>In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11
                    augustus 2003 is op 7 juli 2004 in het LOGA een akkoord bereikt over de wijze
                    waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in de bovenwettelijke
                    werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                    04/19). Een van de afspraken is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1
                    augustus 2004 ontslagen zijn een uitkering krijgen alsof de vervolguitkering
                    niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van én de vervolguitkering én
                    de aanvulling daarop gecompenseerd worden. Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor
                    zover het gaat om de aanvullende uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin voor
                    zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen hebben na
                    de loongerelateerde uitkering op grond van de WW geen recht meer op een
                    vervolguitkering krachtens de WW. Deze is per 11 augustus 2003 afgeschaft.
                    Aangezien in artikel 10a:5a echter is geregeld dat de afschaffing van deze
                    vervolguitkering wordt gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook deze
                    uitkering worden afgetrokken van de duur van de aansluitende uitkering. Dit is
                    geregeld in het laatste onderdeel van het eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering ingaat.
                    Deze bepaling blijft van toepassing op deze overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen onder het
                    nieuwe artikel 10a:16.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                    ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, geldt hetgeen in het eerste
                    lid is opgenomen niet. Deze persoon heeft recht op een aansluitende uitkering
                    tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment van ontslag 55
                    jaar of ouder is en die geen recht heeft op een aansluitende uitkering (zie
                    artikel 10a:15), heeft alleen recht op de aanvullende uitkering in §2 (mits hij
                    aan de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet). De bijzondere verlenging, zoals
                    die in de wachtgeldregeling was opgenomen (recht op een uitkering tot aan de
                    65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of gelijk
                    was aan 60), is komen te vervallen. Wanneer onverkort de systematiek van de WW
                    gevolgd zou worden, zou dit tot gevolg hebben dat het recht op aansluitende
                    uitkering, conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van de WW zou eindigen
                    op het moment dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar
                    wordt heeft bereikt. Dit is niet te rijmen met de inhoud van het tweede lid van
                    artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een uitzondering ten opzichte van de
                    WW-systematiek. Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet
                    (AOW) gaat in op de eerste dag van de kalendermaand, waarin de 65-jarige
                    leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in voorkomende gevallen samenloop plaats
                    tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW. De
                    AOW-uitkering wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a van
                    overeenkomstige toepassing zijn, voor zover toepasbaar. "Voor zover toepasbaar",
                    omdat bij sommige bepalingen nadere voorwaarden gelden, waaraan uiteraard ook
                    voldaan moet worden. Om die reden is het mogelijk dat sommige artikelen buiten
                    toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt
                    voorkomen dat bij wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten
                    benoeming blijven.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het vierde lid
                    van artikel 10a:16a bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op
                    wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is
                    (T)</tussenkop><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                    vervolguitkering is afgeschaft, is door het Kabinet - vanwege de snelheid van
                    invoering - overeengekomen dat er een overgangsrecht is voor onder meer diegenen
                    van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Voor deze groep
                    mensen is in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de
                    oude bepalingen van de WW blijven gelden en dat zij dus op grond van de oude
                    bepalingen van de WW een vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde is,
                    bestaat gedurende die vervolguitkering ook recht op een aanvullende uitkering.
                    Pas na deze aanvullende uitkering gaat de aansluitende uitkering in. Artikel
                    10a:16b voorziet hierin.</al><tussenkop>Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag
                    (T)</tussenkop><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het dagloon WW,
                    echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt toegepast. Zie ook de
                    toelichting op artikel 10a:3.</al><tussenkop>Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering (T)</tussenkop><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                    berekeningsgrondslag voor de aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt
                    aangepast.</al><tussenkop>Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de WW-uitkering
                    korter is dan 15 maanden, moet geregeld worden dat de aansluitende uitkering tot
                    15 maanden na de eerste werkloosheidsdag recht geeft op een uitkering ter hoogte
                    van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze gedefinieerd is in artikel
                    10a:17 juncto 10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid (artikel
                    8:5) en die in het genot is van een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een
                    arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, kan, nadat de mate van
                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld (afschatting), in
                    aanmerking komen voor een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is
                    beëindigd. Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt
                    hangt af van de duurberekening van de aansluitende uitkering vanaf de datum van
                    ontslag in relatie tot de duur van de WW-uitkering.Voor voorbeelden wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                    ontslag. Indien de periode na ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                    samen met de duur van de WW-uitkering na afschatting langer duurt dan 15
                    maanden, bedraagt de hoogte van de aansluitende uitkering 70% van het
                    ongemaximeerde dagloon.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al> Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van wie
                    het recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11
                    augustus 2003, welke uitkering wegens werkhervatting geëindigd is, na hernieuwde
                    werkloosheid slechter afzijn dan de mensen die voortdurend werkloos zijn
                    gebleven. Artikel 130h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop van
                    de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt
                    toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke
                    uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid. Het derde lid
                    van artikel 10a:19 bepaalt dat deze uitkering op grond van artikel 130h, tweede
                    lid, WW verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen
                    dat mensen gecumuleerd twee uitkeringen krijgen. </al><tussenkop>Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer op WW.
                    Niettemin zijn de bepalingen in de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke
                    beëindiging van het recht op uitkering analoog van toepassing. Dit betekent dat
                    een recht op aansluitende uitkering om dezelfde reden kan eindigen als een
                    WW-uitkering (bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW) geëindigd zou zijn.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is van ziekte,
                    ontstaat er recht op een uitkering krachtens de ZW. Zie artikel 7, onderdeel a
                    van de ZW. Op grond van artikel 19 WW heeft de betrokkene die een uitkering
                    krachtens de ZW ontvangt, geen recht op een uitkering krachtens de WW. Op zich
                    logisch, want anders zou de betrokkene recht hebben op zowel een uitkering
                    krachtens de ZW als een uitkering krachtens de WW. Tijdens de aansluitende
                    uitkering is er in de regel geen recht meer op een uitkering krachtens de ZW.
                    Dus artikel 19 WW heeft in dat geval geen rechtstreekse werking. Echter: wanneer
                    er sprake is van ziekte, is men niet beschikbaar om arbeid te verrichten en dus
                    ook niet werkloos in de zin van de WW. Op grond van artikel 20 WW (dat van
                    overeenkomstige toepassing is, volgens het eerste lid van artikel 10a:20) zou
                    dan het recht op uitkering eindigen, wat krachtens het eerste lid van artikel
                    10a:20 zou betekenen dat de aansluitende uitkering ook zou eindigen. Dit is niet
                    de bedoeling. Derhalve blijft het recht op aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de oorspronkelijke
                    uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte wordt het recht op aansluitende uitkering
                    dus 'verbruikt'.</al><tussenkop>Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en Waz (T)</tussenkop><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                    ZW-uitkering, ook al is de uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in de zin
                    van de ZW (bijvoorbeeld omdat de duur van de WW-uitkering is verstreken). Op
                    grond van artikel 46 van de ZW kan er namelijk sprake zijn van nawerking. Zo kan
                    de situatie zich voordoen dat een betrokkene binnen een maand na het begin van
                    de aansluitende uitkering ziek wordt en op grond van de nawerking nog recht
                    heeft op een ZW-uitkering. Betrokkene heeft dan zowel recht op een aansluitende
                    uitkering als op een ZW-uitkering. In dat geval loopt het recht op aansluitende
                    uitkering door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd.</al><al>Ook de Wazo kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet bepaalt dat
                    werknemers die korter dan 10 weken na afloop van de verplichte verzekering (dit
                    is na afloop van de WWuitkering) bevallen, een kind ter adoptie aannemen of een
                    pleegkind aannemen, recht hebben op een uitkering op grond van de Waz. </al><tussenkop>Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke beëindiging
                    van het recht op aansluitende uitkering, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid,
                    na afloop van die arbeid geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, het
                    recht op de aansluitende uitkering herleeft. Zie voor een verdere toelichting op
                    het begrip herleving de toelichting op artikel 10a:7.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                    zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb.
                    2003, 546, is in feite een verlenging van de duur van de WW-uitkering opgenomen.
                    In de toelichting op artikel 10a:8 is hierover het een en ander opgenomen. Deze
                    WW-bepalingen zijn nier van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                    uitkering. De aansluitende uitkering kan niet opschorten als gedurende de
                    aansluitende uitkering sprake is van herleving na een beëindiging.</al><tussenkop>Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van kracht is,
                    niettemin het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van toepassing is. Dit
                    betekent dat de betrokkene gedurende deze fase dezelfde verplichtingen heeft als
                    toen de WW nog wel van toepassing was en dat er ook sancties kunnen worden
                    getroffen wanneer de betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het einde
                    van de aanvullende uitkering nog niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt
                    het restant van de sanctie toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de situatie
                    waarin de betrokkene op grond van nawerking alsnog in de aansluitende fase van
                    de uitkering recht heeft op ZW.</al><tussenkop>Artikel 10a:23 Anticumulatie (T)</tussenkop><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de werkloosheid
                    en aldus tot een uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.
                    Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er arbeid wordt verricht voor minder
                    dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren.
                    De aansluitende uitkering wordt in dergelijke gevallen verminderd met 70% van
                    hetgeen er met die arbeid wordt verdiend. Dit soort gevallen zal sporadisch
                    voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders met een klein dienstverband.</al><tussenkop>Artikel 10a:24 Scholing (T)</tussenkop><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven aan
                    de artikelen 75 tot en met 78 van de WW. Dit betekent dat na toestemming en
                    onder de voorwaarden zoals die zijn vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen
                    kunnen studeren met behoud van aansluitende uitkering. De jurisprudentie en het
                    beleid van het Lisv inzake scholing en onbeloonde activiteiten zijn van
                    overeenkomstige toepassing. In geval van noodzakelijk geachte scholing is er een
                    duurdoorbreking van toepassing (krachtens artikel 76, eerste lid WW) en ligt de
                    duur van de aansluitende uitkering niet vast. Dit betekent dat hier een
                    uitzondering wordt gemaakt op artikel 10a:16, eerste lid, waarin bepaald is dat
                    de duur van de aansluitende uitkering eenmaal wordt berekend en vervolgens
                    vastligt.</al><al><cursief><vet>Noot:</vet>per 1-10-2004 (tot de volgende artikelversie) wordt de
                        toelichting gewijzigd:Het woord "Lisv" wordt vervangen door: UWV.
                    </cursief></al><tussenkop>Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden (T)</tussenkop><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat er recht
                    is op een aanvullende uitkering. In artikel 10a:25 is vastgelegd dat er een
                    gelijkwaardig recht op overlijdensuitkering bestaat in geval van overlijden
                    tijdens de aansluitende uitkering, maar na afloop van de WW-uitkering. De
                    ZW-uitkering is geëindigd. Behoudens nawerking op grond van artikel 46 ZW, in
                    welk geval artikel 10a:13 nog van toepassing is, bestaat er dan geen aanspraak
                    meer op een ZW-overlijdensuitkering. De overlijdensuitkering is in dit geval
                    geheel bovenwettelijk.</al><tussenkop>Artikel 10a:25a Grensarbeiders (T)</tussenkop><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in Nederland
                    recht hebben op dezelfde Nederlandse (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkering
                    als een werknemer die in Nederland woont en ontslagen wordt. Dit geldt niet
                    alleen voor de periode van de aanvullende uitkering (waarvoor artikel 10a:13a
                    geldt), maar ook voor de periode van de aansluitende uitkering. Hiervoor geldt
                    artikel 10a:25a. Zie voor een verdere toelichting de toelichting op artikel
                    10a:13a.</al><tussenkop>Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter hand gaat
                    nemen, kan ter zake van de kosten die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing
                    zijn verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend van € 2.270- onder
                    verrekening van een tegemoetkoming in de verhuiskosten uit anderen hoofde. Het
                    gaat hier om een discretionaire bevoegdheid. Het recht op een
                    verhuiskostenvergoeding kan alleen worden geëffectueerd, indien de vergoeding
                    bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de noodzakelijke
                    informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen. De tegemoetkoming in
                    verhuiskosten indien de betrokkene elders buiten de gemeentelijke organisatie
                    werk heeft gevonden, is een instrument dat kan bijdragen aan zijn reïntegratie
                    in het arbeidsproces. Hiermee wordt een eventuele belemmering gelegen in de hoge
                    verhuiskosten bij aanvaarding van een functie elders weggenomen. Het betreft
                    hier een discretionaire bevoegdheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe
                    werkgever ontvangt, kan hem slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten
                    worden toegekend voor het gedeelte van de vergoeding dat uit zou gaan boven de
                    door de nieuwe werkgever verstrekte tegemoetkoming.</al><tussenkop>Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de tegemoetkoming
                    in de verhuiskosten toegekend kan worden. De opsomming is cumulatief: er moet
                    aan alle gestelde voorwaarden worden voldaan. Er bestaat geen mogelijkheid tot
                    terugvordering in het geval van beëindiging werkhervatting door eigen schuld of
                    toedoen en/of in het geval van fraude.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te voorkomen dat er vertekeningsactie moet worden ondernomen wanneer blijkt
                    dat de betrokkene (toch) niet verhuisd is, is vastgelegd dat de vergoeding
                    achteraf wordt toegekend. Voordat de vergoeding wordt toegekend, moet komen vast
                    te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is verhuisd.</al><tussenkop>Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht op een WW-
                    en bovenwettelijke uitkering te stimuleren niet alleen een functie van een
                    gelijk niveau als de oude betrekking te aanvaarden, maar ook een functie die
                    lager wordt beloond. Per saldo zal dit tot lagere uitkeringslasten voor de
                    gemeente leiden. Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in de
                    oude betrekking en dat in de nieuwe betrekking. Net als bij de
                    verhuiskostenvergoeding kan het recht op een reïntegratietoeslag alleen worden
                    geëffectueerd, indien de toeslag bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd.
                    Betrokkene zal de noodzakelijke informatie aan de uitvoeringsinstelling moeten
                    overleggen. Er kan alleen recht op een reïntegratietoeslag ontstaan als een
                    betrokkene tijdens het recht op een bovenwettelijke uitkering een
                    dienstbetrekking in de zin van de WW aanvaardt. Wanneer de betrokkene
                    aansluitend aan het ontslag als betrokkene een dienstverband aanvaardt voordat
                    het recht op bovenwettelijke uitkering ontstaat, is er geen recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geëffectueerd, indien het
                    wordt aangevraagd. Betrokkene zal de benodigde gegevens aan de
                    uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende kracht moeten
                    worden gemaakt, is de termijn voor aanvraag van de reïntegratietoeslag vrij kort
                    gehouden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle gevallen
                    recht op een reïntegratietoeslag uit voort. Het lagere dagloon kan een gevolg
                    zijn van een kleinere omvang van de nieuwe betrekking. Wanneer er sprake is van
                    een kleinere omvang, wordt het dagloon in de oude betrekking omgerekend naar het
                    dagloon in de nieuwe betrekking. Als het verschil tussen het oude (omgerekende)
                    dagloon en het nieuwe minstens 10% bedraagt, ontstaat er recht op een
                    reïntegratietoeslag.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn overeengekomen.
                    Normaliter zal er bij de beëindiging van deze dienstbetrekking sprake zijn van
                    een nieuw recht op WW. Maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Wanneer
                    bijvoorbeeld de betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van minimaal één
                    jaar tussentijds toch weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als gevolg van ontslag
                    in de proeftijd), zal het eerste WW-recht, inclusief bovenwettelijke uitkering,
                    weer herleven. De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw
                    berekend bij het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking waaraan een aanspraak
                    op reïntegratietoeslag kan worden ontleend.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten die alleen
                    van belang is in situaties waarin er voor een gering aantal uren nieuw werk
                    wordt gevonden. Het gaat dan om een dienstverband van minder dan vijf uur en
                    minder dan de helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren. In zo'n geval is
                    er geen sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, zoals op
                    basis van artikel 20, eerste lid, onderdeel b van de WW verwacht kan worden,
                    maar wordt het totaal van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering
                    verminderd met 70% van hetgeen er met die nieuwe werkzaamheden wordt verdiend.
                    Er is in zulke gevallen geen recht op een reïntegratietoeslag. Ook wanneer aan
                    de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend (artikel 10a:32), is er
                    geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><tussenkop>Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet gelijk aan de
                    periode die de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende enlof
                    aansluitende uitkering als hij geen andere functie aanvaard zou hebben. Het gaat
                    in dit geval om driekwart van het aantal gehele jaren dat de betrokkene nog
                    recht gehad zou hebben op een bovenwettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de uitvoeringsinstelling van
                    bepaalde informatie te voorzien. Deze informatie moet maandelijks worden
                    gegeven. Wanneer de betrokkene deze verplichting niet nakomt, kan het recht op
                    reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld, en kan dit recht derhalve niet tot
                    uitkering komen.</al><tussenkop>Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene binnen zijn
                    nieuwe dienstbetrekking niet feitelijk werkt, maar wel recht op zijn loon
                    behoudt.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling 'fulltime
                    is fulltime'. Met andere woorden: een fulltime dienstverband van 36 uur wordt
                    qua omvang gelijkgesteld aan een fulltime dienstverband van 38 uur. Hierdoor
                    zijn omrekeningen niet nodig.</al><tussenkop>Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het arbeidsproces te
                    stimuleren. Een soortgelijke bepaling kwam eveneens voor in de oude wachtgeld-
                    en uitkeringsregeling. De reïntegratiepremie beoogt de gewezen ambtenaar in de
                    gelegenheid te stellen om door middel van een bedrag ineens zijn werkloosheid
                    geheel op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging van het verzoek geldt
                    derhalve dat de bestemming van het afkoopbedrag kansen moet bieden op een
                    blijvende opheffing van de bestaande werkloosheid. De betrokkene die nog geen
                    recht op een bovenwettelijke uitkering heeft, kan geen recht verkrijgen op een
                    reïntegratiepremie. Dit betekent dat de ambtenaar die aansluitend aan het
                    ontslag gaat werken, niet voor deze premie in aanmerking komt.</al><tussenkop>Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling hanteert het criterium 'in dezelfde mate werkloos zou zijn
                    gebleven' als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                    nieuwe werkgever. De zinsnede 'in dezelfde mate' impliceert dat de
                    omstandigheden op de dag voor de werkhervatting bepalend zijn voor de
                    berekeningsbasis. De berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene
                    al gedeeltelijk werkt, heeft dit invloed op de berekeningsbasis. Hetzelfde geldt
                    voor een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Daarentegen heeft een
                    sanctie geen invloed. Wanneer op de dag voor de werkhervatting een
                    uitsluitingsgrond voor het recht op WW van toepassing is (bijvoorbeeld ziekte of
                    vakantie), waardoor het recht op WW en bovenwettelijke uitkering geheel eindigt,
                    kan de reïntegratiepremie pas worden vastgesteld en tot uitbetaling komen als de
                    uitsluitingsgrond is opgeheven.</al><tussenkop> Hoofdstuk 10d Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij
                    werkloosheid (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk behandelt de verschillende procedures die dienen te worden gevolgd
                    bij boventalligheid of bij ontslag wegens ongeschiktheid. Daarnaast bevat het
                    hoofdstuk bepalingen over de uitkeringen bij werkloosheid of gedeeltelijke
                    arbeidsongeschiktheid. In het Cao-akkoord 2011 en 2012 zijn de toen bestaande
                    bepalingen over Van werk naar werk-trajecten bij boventalligheid
                    aangescherpt.</al><al>In dit hoofdstuk zijn nu de procedures opgenomen die gelden voor ontslag wegens
                    andere gronden (artikel 8:8); reïntegratie en ontslag op grond van
                    onbekwaamheid/ongeschiktheid (artikel 8:6); reïntegratie en ontslag wegens
                    reorganisatie (artikel 8:3) en ontslag wegens gedeeltelijke (minder dan 35%)
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5). Dit is dan ook uitgedrukt in de
                    werkingssfeerbepaling artikel 10d:1. </al><al>Voor de overige ontslaggronden van hoofdstuk 8 (de artikelen 8:1, 8:2, 8:4, 8:7,
                    8:9, 8:10, 8:11, 8:12 en 8:13) gelden geen bovenwettelijke (uitkerings)rechten. </al><tussenkop>Artikel 10d:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:1 wordt onderscheid gemaakt tussen ontslagen worden en ontslagen
                    zijn op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8. Het onderscheid tussen “worden”
                    en “zijn” ziet op de reintegratiefase voor ontslag (als medewerkers worden
                    ontslagen) en de (uitkerings)rechten na ontslag (als medewerkers zijn
                    ontslagen).</al><tussenkop>Artikel 10d:2 Begripsbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Ad b</vet>Vóór 1 januari 2016 werd hier het voor hoofdstuk 10d afwijkende
                    bezoldigingsbegrip gedefinieerd. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde
                    hoofdstuk 3 per 1 januari 2016 is dit gewijzigd in ‘grondslag’ en is daar voor
                    de medewerkers die toen in dienst waren de toelage overgangsrecht hoofdstuk 3
                    (TOR) aan toegevoegd.</al><al><vet>Ad g werkloosheidsuitkering</vet> Wanneer ambtenaren na ingang van de
                    werkloosheidsuitkering een baan krijgen, eindigt hun werkloosheid. Wanneer ook
                    deze baan weer eindigt, kunnen ambtenaren in aanmerking komen voor een herleving
                    van de werkloosheidsuitkering. Waar in dit hoofdstuk gesproken wordt over de
                    werkloosheidsuitkering, wordt ook gedoeld op deze herleefde uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:3 Samenloop met lokale afspraken (T)</tussenkop><al>LOGA partijen zijn overeengekomen dat de aanpak, zoals vastgelegd in dit
                    hoofdstuk, de basisaanpak wordt voor alle gemeenten, omdat daarmee door middel
                    van wederzijdse inspanningen maximaal geïnvesteerd wordt in het voorkomen van
                    werkloosheid. In lid 1 is bepaald dat lokaal aanvullende afspraken gemaakt mogen
                    worden ten opzichte van de basisaanpak in dit hoofdstuk, mits deze aanpak
                    gevolgd wordt. Er zijn twee soorten aanvulling en mogelijk: aanvullingen met
                    betrekking tot onderwerpen die niet geregeld zijn in dit hoofdstuk en
                    aanvullingen die tot een verruiming leiden van de afspraken in dit
                    hoofdstuk.</al><al>Als er op de in lid 2 genoemde datum een sociaal plan of vergelijkbare afspraak
                    geldt, welke niet voldoet aan de bepalingen in hoofdstuk 10d, bespreken college
                    en vakorganisaties in het GO wanneer tot aanpassing van het lokale beleid zal
                    worden overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
                    (T)</tussenkop><al>Het college treft een passende regeling voor de ambtenaar die ontslagen wordt op
                    grond van artikel 8:8. LOGA-partijen hebben niet willen vastleggen welke inhoud
                    een dergelijke regeling moet krijgen. Daarvoor zijn de omstandigheden rond het
                    ontslag te divers. Het ligt echter wel in de rede dat de inhoud, voor zover dat
                    redelijk en billijk is, gebaseerd wordt op de rechten die gelden voor ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 of 8:6 ontslagen worden. Afhankelijk van de
                    omstandigheden ligt opschorting van het ontslag wellicht minder voor de hand.
                    Maar ook voor deze groep ontslagenen geldt dat overstappen van werk naar werk
                    het primaire doel is van de ontslagregeling. Het ter beschikking stellen van
                    faciliteiten (financieel of anderszins) om de reïntegratie te stimuleren zal
                    daarom vaak onderdeel uitmaken van de ontslagregeling. Mocht werkloosheid niet
                    te voorkomen zijn, dan geldt de mogelijkheid om, onder gelijke voorwaarden als
                    voor de ambtenaren die ontslagen worden op grond van artikel 8:3 of 8:6,
                    afspraken te maken over een aanvulling op de WW-uitkering en een na-wettelijke
                    uitkering na afloop van de WW-uitkering. De exacte hoogte en duur van deze
                    uitkeringen zijn mede afhankelijk van de overige afspraken die rond het ontslag
                    gemaakt zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:6 Re-integratiefase voor ontslag (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het doel van de reïntegratiefase is het voorkomen van werkloosheid.</al><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Het ontslagbesluit bevat de datum waarop het ontslag ingaat. Doordat eerst nog
                    de reintegratiefase doorlopen moet worden, is dit een datum die in de toekomst
                    ligt. Deze ontslagdatum wordt bepaald op de eerstvolgende datum die, gelet op de
                    duur van de reintegratiefase die voor de ambtenaar geldt, mogelijk is. Wanneer
                    voor de ambtenaar een reintegratiefase van 4 maanden geldt, bevat het
                    ontslagbesluit een datum, gelegen 4 maanden na de verzending/overhandiging van
                    het ontslagbesluit. In artikel 10d:7 worden de mogelijkheden genoemd, op grond
                    waarvan het ontslag al eerder dan na afloop van de reintegratiefase kan
                    eindigen. Om die reden moet in het ontslagbesluit worden opgenomen dat het
                    ontslag eerder kan eindigen, indien dat op grond van artikel 10d:7 aan de orde
                    is.</al><al>Als met inachtneming van de artikelen 10d:8 en 10d:9 de reïntegratiefase
                    verlengd wordt, moet het oorspronkelijke ontslagbesluit worden ingetrokken en
                    worden vervangen door een nieuw ontslagbesluit met een ontslagdatum die verder
                    ligt dan de oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al><vet>Lid 5 </vet></al><al>Het besluit tot ontslag, inclusief ontslagdatum, kan worden genomen als aan de
                    noodzakelijke voorwaarden voor het ontslag op grond van artikel 8:6 voldaan
                    is.</al><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 moet een dossier zijn opgebouwd, waaruit
                    het college de conclusie heeft getrokken dat de ambtenaar ongeschikt of
                    onbekwaam is om zijn functie te blijven uitoefenen. Als dit dossier voldoende
                    is, kan het besluit tot ontslag genomen worden.</al><al>Bezwaar tegen een ontslagbesluit schort de werking van het ontslagbesluit en de
                    intreding van de reïntegratiefase niet op.</al><tussenkop>Artikel 10d:7 Einde re-integratiefase (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Ook bij het aanvaarden van een deeltijddienstverband eindigt de
                    reïntegratiefase. Op grond van artikel 72a WW heeft de gemeente voor zijn
                    oud-medewerkers een plicht om de reïntegratie in de arbeid te bevorderen. Zolang
                    de reïntegratie nog niet volledig is gelukt en heeft geleid tot volledige
                    opheffing van de werkloosheid (minder dan 5 uur werkloos), blijft deze plicht
                    van de gemeente bestaan. In dat verband kan het zinvol zijn om afspraken uit het
                    reïntegratieplan voort te zetten.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Tijdens de reïntegratiefase worden afspraken gemaakt over de inspanningen die
                    van de gemeente en de ambtenaar verlangd worden. Deze afspraken worden door het
                    college vastgesteld en vastgelegd in het reïntegratieplan. Dit kunnen onder meer
                    afspraken zijn over sollicitatieactiviteiten, opleidingen en outplacementtraject
                    (zie artikel 10d:10). Wanneer de ambtenaar zich niet houdt aan de gemaakte
                    afspraken, zoals het niet starten van een cursus of onvoldoende sollicitaties
                    verrichten, gaat het ontslag op grond van 8:6 eerder in dan pas na afloop van de
                    reïntegratiefase. Uiteraard gelden hierbij de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (belangenafweging) en
                    proportionaliteitsbeginsel (de sanctie moet niet zwaarder zijn dan op grond van
                    het gedrag te rechtvaardigen is). De medewerker kan het stopzetten van de
                    reïntegratiefase aan de rechter voorleggen. De rechter beoordeelt de
                    redelijkheid en billijkheid hiervan. Ook kan disciplinair ontslag plaatsvinden
                    op grond van artikel 8:13 (de nalatigheid moet dan voldoen aan de eisen die bij
                    disciplinair ontslag horen). In beide gevallen moet een besluit genomen worden
                    waarin, gemotiveerd en onder verwijzing naar artikel 10d:7,de nieuwe
                    ontslagdatum is opgenomen. Onderdeel van de afspraken kan bij ontslag op grond
                    van artikel 8:6 ook zijn welke eisen de ambtenaar mag stellen aan de aangeboden
                    functie. Als de ambtenaar een functie die aan dergelijke eisen voldoet, niet
                    accepteert, kan eveneens vóór het aflopen van de reintegratietermijn ontslag
                    plaatsvinden op grond van artikel 8:6. Naarmate de reïntegratiefase langer
                    duurt, mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht worden. Op grond van
                    jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval,
                    betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet aanvaarden,
                    waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Eerdere beëindiging van de reïntegratiefase leidt tot het vervallen van het
                    recht op een aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering. Ook hierbij moet
                    het college de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen.</al><tussenkop>Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente
                    (T)</tussenkop><al>De sanctie voor de medewerker op nalatigheid is beëindiging van de
                    reïntegratiefase en het vervallen van het recht op de aanvullende uitkering en
                    de na-wettelijke uitkering. Ook het college moet zich aan de acties uit het
                    reïntegratieplan houden. Doet het college dit niet, dan wordt de
                    reïntegratiefase verlengd met minimaal één maand en maximaal de helft van de
                    oorspronkelijke reïntegratiefase verlengd, binnen welke termijn geprobeerd wordt
                    de nalatigheid te herstellen, voor zover dit naar redelijkheid en billijkheid
                    mogelijk is.</al><tussenkop>Artikel 10d:9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 en 2</vet></al><al>Als de ambtenaar levenslooptegoed opneemt voor zijn volledige arbeidsduur, kan
                    zijn dienstverband worden voortgezet. Dit betekent in ieder geval dat zijn WW
                    pas later ingaat. Belangrijker is dat hij van werk naar werk kan overstappen,
                    wat het vinden van een baan over het algemeen makkelijker maakt. De verlenging
                    van de reïntegratiefase wordt slechts toegestaan, wanneer de ambtenaar tijdens
                    die fase aan zijn reïntegratie blijft werken.</al><al>Het college stemt alleen in met een verzoek tot verlenging van de
                    reïntegratiefase, wanneer de ambtenaar de reïntegratiefase niet volledig heeft
                    kunnen benutten aan reïntegratie. De oorzaak hiervoor moet redelijk zijn. Dit
                    kan bijvoorbeeld de zorg voor een ernstig zieke partner zijn. Hierdoor kan het
                    voor de ambtenaar onmogelijk zijn geweest om tijdens de reintegratiefase aan
                    zijn reïntegratieverplichtingen te voldoen. Het college kan dan instemmen met
                    een verlenging. Een langdurige vakantie wordt niet als redelijk beschouwd.</al><al>Voldoet de ambtenaar tijdens de verlenging van de reïntegratiefase niet meer aan
                    de voorwaarde dat aan reïntegratie gewerkt moet worden, dan wordt de verlenging
                    gestopt en gaat het oorspronkelijke ontslag alsnog in.</al><al>Door aangepaste fiscale wetgeving kunnen alleen mensen, die op 1 januari 2012
                    minimaal 3000 euro op hun levenslooprekening hadden staan, doorgaan met sparen
                    volgens deze regeling.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Lid 4 geeft aan dat de bepalingen over de eerdere beëindiging van de aanstelling
                    of arbeidsovereenkomst van overeenkomstige toepassing zijn. Wanneer tijdens de
                    verlenging afspraken worden gemaakt over voortzetting van de
                    reïntegratieactiviteiten en de ambtenaar houdt zich niet aan deze afspraken,
                    wordt voor het aflopen van de verlengde reïntegratiefase het ontslag verleend op
                    grond van artikel 8:6.</al><tussenkop>Artikel 10d:10 Reïntegratieplan (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Tijdens de reïntegratiefase geldt de reguliere rechtspositieregeling. Dit houdt
                    onder meer in dat de ambtenaar gewoon verlof opbouwt, zoals hij dat eerder
                    opbouwde. Wanneer hij tijdens de reïntegratiefase geen werkzaamheden verricht,
                    betekent dit dat hij in principe geen verlof nodig heeft voor activiteiten die
                    in het kader van het reïntegratieplan zijn afgesproken.</al><al>Als bij de start van de reïntegratiefase al duidelijk is dat direct na de
                    beoogde ontslagdatum een functie voorhanden is, bestaat het reïntegratieplan uit
                    het benoemen van die functie en de datum vanaf wanneer de ambtenaar deze functie
                    gaat bekleden. Het reïntegratieplan hoeft dan niet verder uitgewerkt te
                    worden.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het is zinvol om te beginnen met het opstellen van het reïntegratieplan, zodra
                    duidelijk is dat de ambtenaar ontslagen gaat worden op grond van artikel 8:6 en
                    daarmee dus niet te wachten tot het ontslagbesluit genomen is. Gemeente noch
                    ambtenaar zijn hiertoe overigens verplicht. Medewerking van beide partijen kan
                    echter de mogelijkheden op het vinden van een baan bespoedigen en dus de kans op
                    het voorkomen van werkloosheid vergroten.</al><al>Het reïntegratieplan moet in ieder geval binnen 1 maand na ingang van de
                    reïntegratiefase zijn opgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De gemeente maakt een kosten-batenanalyse van de voorgenomen
                    reïntegratieactiviteiten. De gemeente stelt vast welke kosten redelijkerwijs
                    voor rekening van de gemeente komen (de wensen van de ambtenaar kunnen verder
                    gaan dan op grond van reïntegratie noodzakelijk zijn, waardoor de gemeente niet
                    de volledige kosten vergoedt).</al><al>Wanneer besloten wordt dat volledige vergoeding van de kosten door de gemeente
                    niet redelijk is of wanneer de kosten uitstijgen boven het bedrag van € 7.500,=,
                    kan van de ambtenaar verlangd kan worden dat hij zelf ook financieel bijdraagt
                    aan de activiteiten uit het reïntegratieplan.</al><tussenkop>Artikel 10d:11 Toepassingsbereik (T)</tussenkop><al>Het toepassingsbereik van paragraaf 5 strekt zich uit over ambtenaren die een
                    dienstverband van 2 jaar of langer bij dezelfde gemeente hebben. In dit licht
                    wijst het LOGA op artikel 10d:3 lid 1.</al><tussenkop>Artikel 10d:13 Inspanningsverplichting (T)</tussenkop><al>Dit artikel drukt uit dat een goede uitvoering van het Van werk naar
                    werk-traject de verantwoordelijkheid is van zowel werkgever als ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 10d:14 Start Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een goed te definiëren moment markeert de start van het hele traject. Voor beide
                    partijen moet duidelijk zijn dat vanaf dit moment, dat boventalligheid intreedt,
                    de periode van twee jaar begint te lopen.</al><tussenkop>Artikel 10d:15 Van werk naar werk-onderzoek (T) </tussenkop><al>In dit artikel worden de inhoudelijke stappen van het Van werk naar werk-traject
                    geregeld. De start is het onderzoek naar wensen en mogelijkheden en
                    arbeidsmarktpotentie, ook buiten de gemeente. Het onderzoek wordt afgerond
                    binnen een maand na de startdatum van het Van werk naar werk-traject. De
                    startdatum is de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is
                    getreden. Het onderzoek kan eerder opgestart worden, als al is voorzien dat
                    boventalligheid aan de orde zal komen. Duidelijk is dat wanneer het onderzoek
                    eerder aanvangt, sneller met de uitvoering ervan kan worden gestart, en de kans
                    van slagen toeneemt. Bij het onderzoek kan een gecertificeerde loopbaanadviseur
                    worden ingeschakeld. Dit kan ook een functionaris zijn die bij de gemeente zelf
                    in dienst is, mits deze aantoonbaar is gekwalificeerd als
                    loopbaanbegeleider.</al><al>Wat betreft de loopbaanadviseur is van belang dat deze voldoet aan de
                    professionele kwaliteitseisen van de beroepsgroep van loopbaanbegeleiders ofwel
                    aantoonbaar daartoe gevolgde opleidingen en/of relevante ervaring heeft.</al><tussenkop>Artikel 10d:16 Van werk naar werk-contract (T)</tussenkop><al>Na het onderzoek genoemd in artikel 10d:13 wordt een contract gemaakt. Dat is
                    uiterlijk gereed drie maanden na afronding van het onderzoek. Het contract bevat
                    de afspraken tussen werkgever en ambtenaar gericht op het vinden van nieuw werk.
                    Het contract is maatwerk en zal per individu verschillen. Het is van belang
                    concreet alle van belang zijnde afspraken op te nemen. In het artikel is een
                    niet-limitatieve opsomming hiervan opgenomen. Gedurende de looptijd van het
                    contract is de ambtenaar boventallig; ten aanzien van de werkzaamheden die hij
                    gedurende de Van werk naar werk-termijn voor de werkgever verricht dienen daarom
                    ook afspraken te worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 10d:17 Uitvoering van het Van werk naar werk-contract
                    (T)</tussenkop><al>De monitoring en de verslaglegging van de voortgang en evaluatiegesprekken wordt
                    neergelegd bij een nader aan te wijzen persoon of organisatie. Van belang is dat
                    goed wordt toegezien op de uitvoering, voor beide partijen. Het verloop van het
                    Van werk naar werktraject kan immers aanleiding geven tot een verschil in
                    opvatting dat aan een commissie ter toetsing wordt voorgelegd (zie artikel
                    10d:24). De dossiervorming moet dan op orde zijn.</al><tussenkop>Artikel 10d:18 Einde Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>Een Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Maar deze termijn kan korter
                    zijn als eerder passend of geschikt werk is gevonden. Passend of geschikt werk
                    kan ook werk in deeltijd zijn en/of werk buiten de eigen organisatie of
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 10d:19 Tussentijdse beëindiging (T)</tussenkop><al>Als de boventallige ambtenaar een aanbod voor passend of geschikt werk binnen of
                    buiten de gemeentelijke organisatie weigert, volgt beëindiging van het Van werk
                    naar werk-contract en vervolgens reorganisatieontslag (ontslag op grond van
                    artikel 8:3 CAR). Partijen leggen in het Van werk naar werk-contract vast welke
                    functies passend dan wel geschikt zijn. Als de ambtenaar een dergelijke functie
                    weigert, eindigt het Van werk naar werk-contract. Afhankelijk van de duur van
                    het Van werk naar werk-traject mag een bredere oriëntatie op arbeid verwacht
                    worden. Op grond van jurisprudentie kan dat, afhankelijk van de omstandigheden
                    van het geval, betekenen dat de ambtenaar na verloop van tijd een functie moet
                    aanvaarden, waaraan een salaris is verbonden van maximaal 2 schalen lager of een
                    vergelijkbaar verschil als het een functie buiten de gemeente betreft.</al><al>Hiermee wordt gevolg gegeven aan de essentie van deze afspraken, namelijk dat
                    het voor de ambtenaren van belang is dat zij aan het werk blijven. Dat wordt ook
                    uitgedrukt door lid 2: als de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het
                    contract, dan wordt het traject eveneens gestopt en tot ontslag overgegaan. In
                    beide gevallen verliest de ambtenaar ook het recht op aanvulling op de
                    werkloosheidsuitkering en de na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:20 Advies loopbaanadviseur (T)</tussenkop><al>Het Van werk naar werk-traject duurt twee jaar. Als na verloop van 21 maanden
                    geen ander werk is gevonden dient een loopbaanadviseur een advies uit te brengen
                    over een eventueel vervolgtraject. Om een goed advies te kunnen uitbrengen,
                    heeft de loopbaanadviseur in ieder geval inzage in de evaluatieverslagen, en
                    zonodig in andere relevante correspondentie. De loopbaanadviseur moet overwegen
                    of een vervolgtraject een zinvolle stap is, die de kans op ander werk evident
                    doet toenemen. De verwachte ontwikkelingen binnen de organisatie en de
                    arbeidsmarkt van dat moment zijn daarbij relevant.</al><al>De loopbaanadviseur adviseert het college; het college hoeft dit advies niet te
                    volgen.</al><tussenkop>Artikel 10d:21 Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject
                    (T)</tussenkop><al>Als de termijn van 2 jaar voorbij is wordt het Van werk naar werk-traject
                    beëindigd. Er volgt dan, zonder verdere opzegtermijnen of wachttijd, een
                    ontslagbesluit op grond van artikel 8:3 CAR. Dat is alleen anders als het
                    college het advies van de loopbaanadviseur tot verlenging volgt.</al><tussenkop>Artikel 10d:22 Verlenging Van werk naar werk-traject (T)</tussenkop><al>De mogelijkheid bestaat om het Van werk naar werk-contract te verlengen.
                    Logischerwijs zou dit kunnen voortvloeien uit het advies van de loopbaanadviseur
                    zoals bedoeld in artikel 10d:20, maar ook een zeer reële kans op een andere
                    functie –schriftelijk te bevestigen door de werkgever in kwestie- kan leiden tot
                    verlenging. Een besluit hieromtrent is geheel aan de werkgever. Er kan maar een
                    keer worden verlengd. Het traject wordt definitief beëindigd op de datum waarop
                    het verlengde contract afloopt. Na afloop daarvan volgt het ontslagbesluit op
                    grond van artikel 8:3.</al><tussenkop>Artikel 10d:23 Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                    werk-contract (T)</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld wat er gebeurt als een van beide partijen het Van
                    werk naar werkcontract niet nakomt of als bij de uitvoering ervan geschillen
                    optreden. Als de ene partij van oordeel is dat de ander zich niet houdt aan de
                    afspraken is de eerste stap dat in goed overleg naar een uitweg wordt gezocht.
                    Als een gesprek niet leidt tot een oplossing volgt een ingebrekestelling: de
                    partij die vindt dat de ander niet doet wat is afgesproken in het contract stelt
                    de ander hiervan schriftelijk in kennis. Voor de gemeente kan dit leiden tot
                    beëindiging van het contract en een ontslag. Dat is beschreven in artikel 10d:19
                    bij tussentijdse beëindiging. Voor de ambtenaar betekent dit dat hij kan eisen
                    dat het Van werk naar werk-contract wordt verlengd met de periode waarin het
                    gebrek is opgetreden. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan de situatie dat
                    een loopbaancoach afwezig is waardoor afgesproken gesprekken niet hebben
                    plaatsgevonden. Deze worden dan als het ware ingehaald. Uitgangspunt is dat ook
                    in deze fase werkgever en ambtenaar er samen uitkomen. Maar als dat niet lukt,
                    kan de paritaire toetsingscommissie om advies worden gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 10d:24 Paritaire commissie (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt de positie van de paritaire toetsingscommissie. De commissie
                    is paritair. Gemeenten die al een dergelijke paritaire commissie hebben kunnen
                    de bestaande commissie aanwijzen. Het college moet een reglement vaststellen
                    waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden
                    vastgelegd. De LOGA partijen hebben een voorbeeld reglement opgesteld.</al><tussenkop>Artikel 10d:25 Aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1, sub a</vet></al><al>Wanneer de reïntegratiefase eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar zich niet
                    heeft gehouden aan de afspraken die in het reïntegratieplan zijn neergelegd,
                    vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub b</vet></al><al>Wanneer het Van werk naar werk-traject eerder is geëindigd, omdat de ambtenaar
                    zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in het Van werk naar werk-contract
                    zijn neergelegd, vervalt het recht op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Lid 1, sub c</vet></al><al>De ambtenaar moet niet alleen in principe recht hebben op een
                    werkloosheidsuitkering, maar deze ook daadwerkelijk ontvangen. Het kan
                    bijvoorbeeld zo zijn dat de ambtenaar alleen vanwege het feit dat hij met
                    vakantie is nog geen WW-uitkering ontvangt. Dan ontvangt hij ook geen
                    aanvullende uitkering. De WW-uitkering, en de aanvullende uitkering, vangen dan
                    tegelijk aan, na de vakantie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gedacht kan worden aan de betalingsberichten van UWV, gegevens over
                    werkhervatting (ter bepaling van het aantal uren dat iemand werkloos is) of
                    sanctiebesluiten van UWV. Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    procedure van gegevenslevering zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer
                    informatie www.uwv.nl; zoeken op poortwachtertoets). Deze voorwaarde geldt ter
                    bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering (artikel 10d:26) en ter
                    controle van sancties, die door UWV kunnen zijn opgelegd (artikel 10d:28).</al><tussenkop>Artikel 10d:26 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>In artikel 10d:2 is de grondslag gedefinieerd, die nodig is voor de berekening
                    van de aanvullende uitkering.</al><al>De hoogte van de uitkering is gedurende de twee fases verschillend. De genoemde
                    bedragen zijn de feitelijke beloning (salaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n). Hiermee wordt dus niet de voltijdsbeloning bedoeld, die
                    omgerekend moet worden naar de deeltijdfactor van de medewerker. Dus ook een
                    medewerker die met een functie voor 30 uur per week € 5.500,= aan salaris en
                    toegekende salaristoelagen ontvangt, krijgt gedurende de eerste fase een
                    aanvullende uitkering van 30% daarvan en gedurende de tweede fase een
                    aanvullende uitkering van 20% van dat bedrag. De zinsnede “naar rato van het
                    aantal uren dat de ambtenaar werkloos is” houdt in dat indien iemand een
                    arbeidsduur had van 36 uur, waaruit hij voor 18 uur is ontslagen hij een
                    aanvullende uitkering ontvangt van 10%, respectievelijk 20% of 30% maal 18/36.
                    Als deze persoon vervolgens een baan aanvaardt van 10 uur per week, ontvangt hij
                    een aanvullende uitkering van 10% (respectievelijk 20% of 30%) maal 8/36 zijn
                    salaris vermeerderd met de toegekende salaristoelage(n).</al><tussenkop>Artikel 10d:27 Duur aanvullende uitkering bij ontslag (T)</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat een medewerker, bijvoorbeeld vanwege vakantie rond de
                    datum van ontslag, nog geen WW-uitkering ontvangt (hij is dan namelijk niet
                    beschikbaar voor de arbeidsmarkt). Ook dan eindigt het recht op de aanvullende
                    uitkering 12 maanden na de dag van ontslag en niet 12 maanden na dag van ingang
                    van de WW-uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:28 Sancties (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Iedere sanctie die door UWV wordt opgelegd, leidt tot een evenredige sanctie op
                    de aanvullende uitkering. Dit betekent dat als UWV voor de duur van 3 maanden
                    een sanctie oplegt van 10%, ook de aanvullende uitkering voor de duur van 3
                    maanden gekort wordt met 10%. Beëindiging van de WW-uitkering voor bijvoorbeeld
                    6 maanden leidt ook tot beëindiging van de aanvullende uitkering voor 6 maanden.
                    Hiermee wordt de ambtenaar gestimuleerd om zijn verplichtingen (die grotendeels
                    gericht zijn op werkhervatting) op grond van de Werkloosheidswet na te
                    komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een sanctie die door UWV wordt opgelegd, kán leiden tot het vervallen van het
                    recht op een na-wettelijke uitkering. Dit is een facultatieve bepaling en is
                    afhankelijk van de aard en ernst van het gedrag dat heeft geleid tot de sanctie
                    die door UWV is opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 10d:29 Einde aanvullende uitkering (T)</tussenkop><al>Omdat de aanvullende uitkering gekoppeld is aan de uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, eindigt de aanvullende uitkering sowieso als de WW-uitkering
                    eindigt.</al><al><cursief>Herleving aanvullende uitkering</cursief>Omdat de
                    werkloosheidsuitkering gedefinieerd is als uitkering op grond van de
                    Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met de gemeente, herleeft de aanvullende uitkering, wanneer
                    de werkloosheidsuitkering herleeft.</al><al>Omdat de duur van de aanvullende uitkering van één jaar gekoppeld is aan de dag
                    van ontslag, geldt de herleving van de eerste fase van de aanvullende uitkering
                    alleen wanneer de werkloosheidsuitkering herleeft binnen 12 maanden na de
                    ingangsdatum van ontslag. Deze eerste fase wordt dus niet opgeschort met de
                    periode, waarin geen werkloosheidsuitkering is ontvangen. Gedurende de
                    resterende tijd van de werkloosheidsuitkering wordt de hoogte van de tweede fase
                    uitbetaald.</al><tussenkop>Artikel 10d:30 Na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel a</al><al>Ook na afloop van de werkloosheidsuitkering moet sprake zijn van werkloosheid,
                    zoals gedefinieerd in artikel 10d:1. Zowel deze verwijzing naar werkloosheid,
                    als naar de definitie van werkloosheidsuitkering geven aan dat het moet gaan om
                    een uitkering die voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de
                    gemeente.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Onderdeel b</al><al>Hiervoor wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de procedure van gegevenslevering
                    zoals deze bij UWV geldt (zie voor meer informatie www.uwv.nl;zoeken op
                    poortwachtertoets). Deze gegevens zijn nodig ter bepaling van de hoogte van de
                    na-wettelijke uitkering (artikel 10d:31) en het door de gemeente te voeren
                    sanctiebeleid (zie artikel 10d:34).</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij -ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid (artikel 8:6) ontstaat
                    alleen recht op een na-wettelijke uitkering als het ontslag gelegen is in
                    omstandigheden binnen de werksfeer. Dit betekent dat de ambtenaar zelf geen
                    schuld heeft aan de ongeschiktheid of onbekwaamheid.</al><tussenkop>Artikel 10d:31 Hoogte na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In lid 2 is opgenomen dat als iemand voor minder dan 36 uur werkloos is, zijn
                    na-wettelijke uitkering naar evenredigheid wordt bepaald. De na-wettelijke
                    uitkering wordt namelijk gebaseerd op de mate van werkloosheid.</al><al>Als uit een arbeidsovereenkomst of aanstelling blijkt dat iemand een functie van
                    20 uur in de week heeft, ontvangen hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    resterende 16 uur. Als door een nieuwe baan een werkloosheid resteert van minder
                    dan 5 uur, is de werkloosheid beëindigd en eindigt de na-wettelijke uitkering
                    (zie definitie werkloosheid en artikel 10d:18).</al><al>Gedeeltelijke werkhervatting, maar ook werkzaamheden als zelfstandige
                    verminderen de werkloosheid. Of iemand minder dan 36 uur werkloos is, is af te
                    leiden uit de gegevens over werkzaamheden (bijvoorbeeld salarisstroken). In
                    artikel 10d:15 is opgenomen dat de ambtenaar alle gegevens moet overleggen die
                    van belang zijn voor het bepalen van het recht op nawettelijke uitkering.
                    Hiertoe behoren dus ook salarisstroken en arbeidsovereenkomsten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het is mogelijk dat iemand met het aantal uren werkhervatting meer verdient dat
                    hij in de oude situatie deed. Daarom is in lid 3 een bepaling opgenomen, waaruit
                    voortvloeit dat het nieuwe inkomen en de na-wettelijke uitkering nooit meer kan
                    bedragen dan 90% van het oude salaris vermeerderd met de toegekende
                    salaristoelage(n)d.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Iemand werkte 36 uur en verdiende € 2000,=. De
                    na-wettelijke uitkering bedraagt 70% hiervan; dit is € 1400,=. Hij krijgt
                    tijdens de periode van de na-wettelijke uitkering een baan voor 18 uur. Hiermee
                    resteert een werkloosheid voor 18 uur. Met zijn nieuwe baan gaat hij €1500,=
                    verdienen. Zijn uitkering zou, gebaseerd op 18 uur werkloosheid, € 700,=
                    bedragen. Samen met de inkomsten van € 1500,= komt zijn totaal inkomen uit op €
                    2200,=. Het totaalinkomen is gemaximeerd op 90% van € 2000,=; dit is € 1800,=.
                    Zijn uitkering wordt dus gekort met € 300,=. Hij ontvangt nog een na-wettelijke
                    uitkering van € 400,=.</al><tussenkop>Artikel 10d:32 Duur na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al>Als iemand 45 is op de dag van ontslag en hij heeft vanaf zijn 25e in de
                    gemeentelijke sector gewerkt, ontvangt hij een na-wettelijke uitkering voor de
                    duur van (15 x 1,4) + (5 x 2) = 31 maanden.</al><tussenkop>Artikel 10d:33 Einde na-wettelijke uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Recht op een werkloosheidsuitkering bestaat als iemand meer dan 5 uur of meer
                    dan de helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week verliest. Als door
                    werkhervatting een werkloosheid resteert van minder dan 5 uur (of minder dan de
                    helft van zijn oorspronkelijke arbeidsduur per week) eindigt de werkloosheid en
                    eindigt de na-wettelijke uitkering.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De wijziging van lid 3 waarbij de beëindiging van de na-wettelijke uitkering
                    wordt gekoppeld aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is in werking
                    getreden op 15 juli 2014. De gewijzigde bepaling heeft betrekking op de
                    ambtenaar die op 15 juli 2014 bij de werkgever in dienst is, of de ex-ambtenaar
                    die op die datum — als gevolg van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of
                    8:8 CAR – in het genot is van een WW- of na-wettelijke uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:35 Afkoop (T)</tussenkop><al>Er bestaat geen recht op afkoop van de na-wettelijke uitkering. Het college kan
                    echter op verzoek van de ambtenaar besluiten tot afkoop van de na-wettelijke
                    uitkering. Het college bepaalt daarbij de voorwaarden en de hoogte van het
                    afkoopbedrag.</al><al>Als partijen het niet eens worden over de hoogte van het afkoopbedrag, vallen
                    partijen terug op de normale regels over hoogte en duur van de na-wettelijke
                    uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                    herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid (T)</tussenkop><al>De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde
                    ziektejaar definitief worden herplaatst, wanneer hij een functie aanvaardt,
                    waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                    is vastgesteld, kan voorzien. Wanneer een dergelijke functie buiten de
                    organisatie van de gemeente wordt gevonden, kan ontslag op grond van artikel 8:5
                    plaatsvinden. Is dat het geval dan ontvangt de ambtenaar, zolang hij arbeid
                    heeft waarmee hij ten minste in 100% van de restverdiencapaciteit kan voorzien,
                    een bijzondere uitkering.</al><tussenkop>Artikel 10d:39 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al>In de CAO 2007-2008 is overgangsrecht overeengekomen voor de ambtenaar die</al><lijst><li nr="-"><al>op de dag van inwerkingtreding van hoofdstuk 10d (1 juli 2008) 20
                            dienstjaren of meer heeft in de gemeentelijke sector en</al></li><li nr="-"><al>die binnen 10 jaar daarna daadwerkelijk ontslag verleend wordt.</al></li></lijst><al>Het overgangsrecht houdt in dat de duur van de overgangsuitkering overeenkomt
                    met de aansluitende uitkering uit hoofdstuk 10a, zoals dit hoofdstuk tot 1 juli
                    2008 luidde. Wel is afgesproken dat de berekening hiervan voor gemeenten
                    gemakkelijker wordt gemaakt. Daarom is de oude berekeningsduur van de
                    aansluitende uitkering omgezet in een formule, die in het tweede lid, is
                    opgenomen. Vanaf 1 juli 2008 valt iedereen onder hoofdstuk 10d. Alle ambtenaren
                    die op grond van artikel 8:3 en 8:6 ontslagen worden, krijgen dus recht op een
                    reïntegratiefase of een Van werk naar werk-traject. Mocht daarna sprake zijn van
                    werkloosheid, dan geldt slechts ten aanzien van de duur van de uitkering na
                    afloop van de WW een uitzondering voor de ambtenaren, voor wie dit
                    overgangsrecht is overeengekomen. De overgangsuitkering eindigt op de eerste van
                    de maand volgend op die waarin betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt
                    (artikel 10d:33). </al><tussenkop>Hoofdstuk 10e Vervallen hoofdstuk (T)</tussenkop><al>Vervallen hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 11 Uitkeringsregeling ontslag (T)</tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 11:1 Betrokkene (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al> Voor een toelichting op artikelen die gelijkluidend zijn aan die van hoofdstuk
                    10 (wachtgeld), wordt daarnaar verwezen.</al><al><vet>Algemeen</vet> De omschrijving dat aan de ambtenaar ontslag moet zijn
                    verleend, impliceert dat het einde van een tijdelijke urenuitbreiding geen recht
                    geeft op een uitkering. Immers, er is geen sprake van ontslag. Dit is anders
                    wanneer deze urenuitbreiding, die in de vorm van een brief kan worden
                    meegedeeld, de vorm krijgt van een tijdelijke aanstelling. Na afloop van deze
                    aanstelling ontstaat wel recht op een uitkering.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering toe te
                    kennen die ontslag heeft gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en eventueel
                    de levenspartner) wil volgen die genoodzaakt is elders een betrekking te
                    aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    die uitwijst dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe
                    te kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd. Wanneer de verhuizing medisch
                    noodzakelijk is in verband met de gezondheid van de echtgenoot, is er aanleiding
                    een uitkering toe te kennen. Dit is een omstandigheid waarop betrokkenen geen
                    invloed kunnen uitoefenen.</al><tussenkop>Artikel 11:6 Recht op uitkering (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is aan
                    de zogenaamde toegangs-eis. In het jaar voorafgaand aan het ontslag dient
                    betrokkene tenminste gedurende 26 weken werkzaam te zijn geweest als werknemer
                    in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige, tellen dus niet
                    mee. In dit verband wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien ten
                    minste op één dag per week is gewerkt, ongeacht het aantal uren. Deze
                    toegangseis, afkomstig uit de WW, is in de WW inmiddels per 1 maart 1995
                    verzwaard, maar die verzwaring wordt in ieder geval voor 1 januari 1998 niet
                    overgenomen in dit hoofdstuk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij het
                    vaststellen of aan de toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet alleen om
                    werkzaamheden verricht in de dienstbetrekking waaruit ontslag volgt, maar ook om
                    werkzaamheden die zijn verricht in een dienstbetrekking waarvoor de betrekking
                    waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan het ook
                    gaan om werkzaamheden die in de private sector zijn verricht voorafgaand aan
                    indiensttreding bij de gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                    waaruit ontslag volgt voor het bepalen of aan de toegangseis is voldaan, moge
                    het volgende voorbeeld illustreren. Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan
                    vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                    betrokkene een tweede deeltij dbaan vervullen van 16 uur voor de duur van drie
                    maanden. Aan deze baan is geen andere voorafgegaan. Na het verstrijken van de
                    termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een uitkering, betrokkene is in
                    deze functie immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is gewerkt
                    in de betrekking die blijft voortbestaan, tellen niet mee. Deze tijd telt
                    uitsluitend mee voor de beoordeling of aan de toegangseis voldaan is op het
                    tijdstip dat de deeltij dbetrekking van 20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen
                    dus slechts éénmaal mee.</al><tussenkop>Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                    werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná 1 januari 2001, de verwijzing naar
                    hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van toepassing zijn. Hierbij gaat het om
                    de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de tekst van
                    hoofdstuk 7, zoals dat luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al><tussenkop>Artikel 11:18 Samenloop (T)</tussenkop><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar, ter
                    hoogte van 80% van de bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit
                    betekent dat de periode gedurende welke een ziekte-uitkering is genoten, bij de
                    oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><tussenkop>Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
                    (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Dit artikel geldt slechts ten aanzien van degene aan wie
                    uitsluitend een uitkering voor de periode van zes maanden is toegekend. In
                    afwijking van het reguliere systeem van de verrekening van neveninkomsten, geldt
                    in dit geval dat het recht op uitkering vervalt en herleeft in de situatie dat
                    spoedig opnieuw werkloosheid optreedt nadat betrokkene bijvoorbeeld als
                    uitzendkracht heeft gewerkt.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met ingang
                    van de dag dat de werkloosheid eindigt, en dat het recht opnieuw voor de
                    resterende duur wordt toegekend met ingang van de dag dat opnieuw werkloosheid
                    ontstaat. Van belang is dat het begrip "beëindiging van de werkloosheid" zodanig
                    is omschreven dat bij het aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst
                    van beëindiging van de werkloosheid sprake is indien gedurende een periode van
                    een maand gewerkt is. Daarbij moet het gaan om een betrekking bij eenzelfde
                    werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking waaruit ontslag volgde.
                    Dit betekent dat gedurende de eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een
                    uitkering een tijdelijke betrekking vervult, de inkomsten met de uitkering
                    worden verrekend. Pas na een periode van een maand vervalt de uitkering. Hiermee
                    wordt voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                    herleeft wanneer bijvoorbeeld op uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van de
                    uitkeringsduur van zes maanden nog steeds sprake is van een situatie van
                    werkloosheid.</al><tussenkop>Artikel 11a Suppletie (T) </tussenkop><al>Bij de invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 CAR per 1 januari 2016, zijn de met
                    dat hoofdstuk corresponderende terminologie en verwijzingen in de overige
                    hoofdstukken van de CARUWO aangepast. Dat geldt niet voor dit hoofdstuk; dat is
                    in ongewijzigde vorm gehandhaafd. E.e.a. betekent dat voor verwijzingen en de
                    betekenis van gehanteerde begrippen in dit hoofdstuk, de CARUWO van vóór 1
                    januari 2016 moet worden geraadpleegd.</al><tussenkop>Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Per 1 januari 1996 heeft het burgerlijk overheidspersoneel in geval van
                    arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 31 van de Wet privatisering ABP (WPA)
                    recht op een uitkering conform de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
                    (WAO). Per die datum is het herplaatsingswachtgeld ingevolge hoofdstuk K van de
                    ABP-wet komen te vervallen. Voor het herplaatsingswachtgeld is de
                    suppletieregeling in de plaats gekomen. De suppletieregeling draagt het karakter
                    van een werkloosheidsregeling. Vooruitlopend op het moment dat het
                    overheidspersoneel onder de werking van de werknemersverzekeringen zal worden
                    gebracht, de zogenaamde OOW-operatie, is bij de suppletieregeling reeds zoveel
                    als uitvoeringstechnisch mogelijk aangesloten bij de WW. De lasten van de
                    suppletieregeling worden gedragen door de overheidswerkgever zelf.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdeel b</al><al>Artikel 11a:1 bevat de definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip "arbeidsongeschiktheidsuitkering" is in deze suppletieregeling
                    elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid
                    bedoeld. Voorbeelden hiervan zijn de WAO-conforme uitkering, de WAO-uitkering,
                    de uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
                    uitkering op grond van artikel 7:11 van de CAR. Ook uitkeringen van buitenlandse
                    mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba kunnen onder dit begrip
                    vallen.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdeel d</al><al>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt gevormd door de
                    overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij een gemeente
                    op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en
                    die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin
                    van de WAO</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende verdienvermogen
                    volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen. Ingevolge de systematiek
                    van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond
                    van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene
                    één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus
                    altijd minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie is
                    echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de
                    dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al>De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder
                    dan 15% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens
                    recht op suppletie. Met de omschrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is,
                    bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt niet beoogd een andere omschrijving te
                    geven dan die van het ambtenaar schap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde
                    op 31 december 1995.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdelen g en h</al><al>Het dagloon in de zin van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de zin
                    van de WAO met een bepaalde correctie. Allereerst wordt het dagloon in de zin
                    van de WAO vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal. Daarnaast
                    wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd
                    zijn ingevolge een particuliere ziektekostenverzekering de werkgeversbij drage
                    in die ziektekostenverzekering in mindering gebracht op het ongemaximeerde
                    dagloon in de zin van de WAO. Deze tegemoetkoming van de werkgever dient van het
                    WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie anders niet gelijk zou zijn aan de berekeningsgrondslag van het
                    vroegere herplaatsingswachtgeld, de laatstgenoten bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                    ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering, meestal het IZA, is
                    het niet nodig om bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie, het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen met de
                    tegemoetkoming van de werkgever in een particuliere ziektekostenverzekering van
                    betrokkene. In deze gevallen wordt bij de vaststelling van het dagloon in de zin
                    van de WAO reeds rekening gehouden met de werkgeversbijdrage.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>onderdeel h</al><al>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover het toegerekend
                    kan worden aan de betrekking waaruit betrokkene met recht op suppletie is
                    ontslagen. In tegenstelling tot de WAO-conforme uitkering ingevolge de WPA, is
                    het recht op suppletie immers aan die enkele betrekking gekoppeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk 11a
                    niet van toepassing is op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten
                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming en de
                    ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader
                    van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                    tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                    personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.</al><tussenkop>Artikel 11a:2 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor de
                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde
                    grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid (zie artikel 8:5, tweede
                    lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24
                    maanden. De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel
                    11a:6. Zoals bij dat artikel wordt toegelicht, is de maximale uitkeringsduur 66
                    maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na
                    ommekomst van de maximale uitkeringsduur, eindigt het recht op suppletie. Dat is
                    nadat 90 maanden zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens
                    ziekte. Vergelijk artikel 11a:5, onderdeel a.</al><tussenkop>Artikel 11a:3 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet> Algemeen </vet>Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een
                    verplichtingen- en sanctieregime dat overeenkomt met de WW. De toepassing van
                    dat sanctieregime ten aanzien van de suppletie geschiedt door of namens het
                    bestuursorgaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip "passende arbeid" in de zin
                    van de WW voor de toepassing van de suppletie zodanig uitgebreid dat het mede
                    gangbare arbeid omvat. De definitie van gangbare arbeid is eveneens in dit lid
                    gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg van
                    het volgende.</al><al>De werkgever dient, voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig onderzoek
                    te doen naar de herplaatsingsmogelijkheden voor degene die ongeschikt is voor
                    het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Hiertoe onderzoekt de werkgever
                    eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende
                    arbeid. Indien die mogelijkheid zich niet voordoet doch minimaal na afloop van
                    het eerste ziekte j aar onderzoekt hij of de mogelijkheid bestaat van plaatsing
                    in een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt betekent dat de betrokkene
                    op het moment dat het recht op suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan,
                    reeds een jaar lang verplicht is geweest aangeboden gangbare arbeid te
                    accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                    betrokkenen die een beroep kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog) niet
                    verplicht gangbare arbeid te aanvaarden. Zonder bovengenoemde uitbreiding van
                    het begrip "passende arbeid" zou de ongewenste situatie kunnen ontstaan dat een
                    betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag, gehouden
                    is gangbare arbeid te aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn
                    ontslag suppletie geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft te houden voor de
                    arbeidsmarkt.</al><al>Een ander effect van deze gelijkstelling van gangbare arbeid met passende arbeid
                    in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele weigering van
                    gangbare arbeid vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime van de WW, en dus
                    suppletieregeling, valt. De weigering van gangbare arbeid wordt derhalve
                    betrokken bij het bepalen van het recht op suppletie. Wanneer er op deze wij ze
                    sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend geheel danwel
                    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk worden geweigerd of kan de suppletieduur
                    worden beperkt.</al><tussenkop>Artikel 11a:4 en 11a:5 Recht op suppletie (T)</tussenkop><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op suppletie
                    ingevolge artikel 11a:4 en het beëindigen van dat recht op grond van artikel
                    11a:5, is het volgende. Het recht op suppletie loopt in het eerstgenoemde geval
                    nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie worden overgegaan, zodra
                    de in artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde omstandigheid zich niet meer
                    voordoet en er op dat moment nog suppletieduur resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                    11a:4, onderdeel a, tot onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de
                    systematiek van de WAO (-conforme) uitkering kan iemand ook bij een
                    arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk karakter, tijdelijk een
                    verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate van
                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Wanneer die mate van
                    arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt vastgesteld op een lagere klasse,
                    zou de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt
                    onredelijk geacht.</al><al>Voor wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de
                    huidige situatie terug kunnen vallen op het herplaatsingswachtgeld wanneer de
                    herplaatsingstoelage wordt beëindigd. Die vangnetfunctie wordt nu voortgezet in
                    artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><tussenkop>Artikel 11a:7 Suppletie (T)</tussenkop><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De "klok"
                    van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de
                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden
                    onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft
                    plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een
                    latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in
                    mindering gebracht op de totale uitkeringsduur van de suppletie. De betrokkene
                    geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode
                    80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn
                    ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt
                    was voor de vervulling van zijn betrekking. Wordt betrokkene ontslagen op een
                    moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen
                    recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar alleen nog
                    op 70% van die berekeningsgrondslag.</al><tussenkop>Artikel 11a:8 Suppletie (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet>In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot
                    uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de
                    betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake
                    van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer
                    wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van werkloosheid en
                    arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in mindering
                    gebracht op het bedrag van de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer betrokkene een
                    Waz-uitkering ontvangt. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en
                    voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde
                    wettelijke en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde
                    TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase van de WAO (-conforme) uitkering of bij
                    expiratie van de uitkeringsduur van de WW tijdens de duur van de
                    suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                    betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt.
                    Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie,
                    worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer
                    inkomsten gaat genereren uit die "oude" inkomstenbronnen dan ligt het in de rede
                    dat meerdere wordt verrekend met de suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of
                    in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel 11a:9.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op het
                    ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                    ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                    verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake
                    waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het
                    arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 11a:8, tweede lid, dient dat
                    meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het
                    bedrag van de suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:9 Suppletie (T)</tussenkop><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                    verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste lid,
                    opgenomen anticumulatieregeling. Betrokkene heeft bij inactiviteit een
                    garantieniveau van 80% onderscheidenlijk 70% van de berekeningsgrondslag van de
                    suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of bedrijf
                    inkomsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij
                    zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend verdienvermogen
                    volledig benut, heeft hij recht op een herplaatsingstoelage van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP. Zolang hij die herplaatsingstoelage ontvangt, komt zijn recht
                    op suppletie niet meer tot uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer
                    hij zijn werkloosheid gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet
                    meer voor dat gedeelte te gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel
                    op de volgende wijze: (berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) *
                    80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                    ingevolge artikel 11a:9 niet in mindering worden gebracht op het bedrag van de
                    suppletie, maar op de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan
                    zijn, in welk geval artikel 11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is
                    het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de
                    plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                    genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 11a:10 Suppletie (T)</tussenkop><al>Een vermindering in het niveau van de onderliggende wettelijke en/of
                    bovenwettelijke uitkeringen leidt door het aanvullende karakter van de
                    suppletieregeling tot een groter bedrag aan suppletie. Dit effect is echter
                    ongewenst indien de verlaging van het niveau van de onderliggende uitkeringen
                    wordt veroorzaakt door sancties. In artikel 11a:10 is daarom vastgelegd dat
                    sancties genomen ten aanzien van wettelijke en/of bovenwettelijke uitkeringen
                    niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie. In geval van sancties worden de
                    wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen voor de toepassing van de artikelen
                    11a:8 en 11a:9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten.</al><tussenkop>Artikel 11a:12 Betaling van suppletie (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:13 Betaling van suppletie (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
                    (T)</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</tussenkop><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de OOW-operatie
                    zoveel mogelijk aangesloten bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd
                    conform enkele WW-bepalingen.</al><tussenkop>Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften (T)</tussenkop><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                    eerste lid dient vast te stellen zijn nadere regels terzake van een doelmatige
                    controle ten aanzien van de betrokkenen. Voorbeelden van dit soort regels zijn
                    regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene het bestuursorgaan dient
                    te informeren over neveninkomsten, sollicitaties en inschrijving bij het RBA,
                    alsmede met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene zich ziek dan wel
                    hersteld dient te melden. Onder deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld ook
                    regels worden gevat die de betrokkene voorschrijven om gedurende de
                    ziekteperiode tijdens de duur van de suppletie op bepaalde tijdstippen thuis te
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                    december 1995 reeds in het genot waren van een herplaatsingswachtgeld in de zin
                    van de ABP-wet. De systematiek van dit overgangsrecht is dat de duur van het
                    door de betreffende persoon genoten herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een
                    nog resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste
                    en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om het
                    herplaatsingswachtgeld desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te
                    converteren naar de suppletie, is een afweging gemaakt voor wat betreft hoogte,
                    duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het tweede lid opgenomen tabel
                    betreffende de hoogte en de duur, heeft genoemde ongelijksoortigheid er onder
                    andere toe geleid dat de tabel op drie plaatsen niet lineair verloopt. Daar
                    staat tegenover dat de pensioenopbouw gedurende de duur van de suppletie 100%
                    is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde voorwaarden
                    50% was.</al><tussenkop>Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte (T)</tussenkop><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari 1996
                    de conversie dient plaats te vinden van de berekeningsgrondslag van de
                    bezoldiging of uitkering wegens ziekte van degene die op dat moment 52 weken of
                    langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO en wiens mate van
                    algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste 15
                    procent dan wel wiens mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriele
                    regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW is vastgesteld op ten
                    minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de suppletieregeling is bepaald dat
                    voor degene die op 1 januari 1996 recht had op een dergelijke bezoldiging of
                    uitkering wegens ziekte, dat "geconverteerde" dagloon zal gelden als
                    berekeningsgrondslag voor de suppletie, in het geval dat hij binnen een periode
                    van zes maanden aanspraak krijgt op suppletie.</al><tussenkop>Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg treden
                    indien het niveau van de WAO-conforme uitkering anders dan door wijziging als
                    gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse
                    wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke
                    wijze LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die
                    algemeen neerwaartse wijzigingen. Voor het geval dat overleg niet tot
                    overeenstemming heeft geleid binnen een periode van zes maanden na de datum van
                    publikatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die algemeen neerwaartse
                    wijzigingen, geldt het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse
                    wijzigingen effectief ten aanzien van de suppletieregeling vanaf de in het
                    Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet
                    eerder.</al><tussenkop>Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                    arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5) op of na 1 januari 2007 onder de
                    bovenwettelijke regeling op grond van het pensioenreglement van de Stichting
                    Pensioenfonds ABP. Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft
                    hij na ontslag wegens arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2007 recht op een
                    WW-uitkering en bovenwettelijke WW op grond van hoofdstuk 10a.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ambtenaar die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 wordt ontslagen wegens
                    arbeidsongeschiktheid en die voor 80% of meer arbeidsongeschikt is, heeft geen
                    recht op suppletie. Indien betrokkene wordt afgeschat, heeft hij dus niet alsnog
                    aanspraak op suppletie. Betrokkene valt onder de bovenwettelijke regeling op
                    grond van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><tussenkop>Artikel 12:1 Algemene bepalingen (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de
                    organisaties van overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen
                    belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene
                    regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd; een en ander voor
                    zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd. Bedoeld overleg
                    vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.) of via de hoorbepaling (zie
                    bijlage III).</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O. niet
                    alleen bevoegd is voor alle ambtenaren maar evenzeer voor de mensen die werkzaam
                    zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Het al dan niet representatief zijn
                    is een beslissing die op lokaal niveau genomen wordt. Op deze wijze kan rekening
                    gehouden worden met lokale organisaties van ambtenaren.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het -in
                    afwijking van de reguliere bepalingen over de samenstelling- mogelijk maakt om
                    de vertegenwoordigers van genoemde organisaties die op 1 juli 1998 zitting
                    hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te laten deelnemen.
                    Deze tijdelijke oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de
                    stemverhouding in de commissie, die immers gebaseerd is op de aantallen
                    vertegenwoordigde personeelsleden.</al><tussenkop>Artikel 12:1:1 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de portefeuillehouder
                    personeel en organisatie aan. Het is ook mogelijk dat naast deze
                    vertegenwoordiger van de werkgever een tweede collegelid wordt toegevoegd. In
                    artikel 12:1:3 en 12:1:7 is de ambtelijke ondersteuning geregeld.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal ambtenaren worden
                    bepaald dat lid van een organisatie moet zijn om die organisatie tot het overleg
                    toe te laten. Het gaat hier om de representativiteit van de organisatie Voor de
                    bepaling van het minimum zijn geen vaste regels te geven. Het kan, behalve van
                    lokale omstandigheden, afhankelijk zijn van het aantal medewerkers en van hun
                    organisatiegraad.</al><tussenkop>Artikel 12:1:2 Samenstelling (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele zin
                    zijn lidmaatschap niet op te geven. Indien de detachering langer duurt dan
                    bijvoorbeeld zes maanden, ligt het voor de hand het lidmaatschap op te geven Een
                    dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel kunnen worden
                    afgesproken.</al><tussenkop>Artikel 12:1:3 Samenstelling (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als secretaris
                    aan te wijzen of anders de medewerker die met die taken is belast. Het valt af
                    te raden de gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die immers de voorzitter is
                    van het overleg met de ondernemingsraad. Het is beter om die rollen te scheiden.
                    De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde informeel
                    of technisch overleg, dat het georganiseerd overleg voorbereidt.</al><tussenkop>Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO indien
                    gemeenten zich daarvoor hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau van een in het
                    LOGA afgesproken wijziging niet kan worden afgeweken, volstaat een mededeling
                    van de wijziging. Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt (zie bijlage III
                    bij CAR en UWO) geldt dat wijzigingen van CAR en/of UWO niet ter kennis van de
                    centrales behoeven te worden gebracht.</al><tussenkop>Artikel 12:1:5 Mededeling omtrent CAR en UWO (T)</tussenkop><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                    ondernemingsraad ligt. Het besluit tot reorganiseren moet in eerste instantie,
                    conform artikel 25 van de WOR, voor advies aan de ondernemingsraad worden
                    voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en het gemeentebestuur een besluit
                    heeft genomen, komt het GO in beeld. Het GO spreekt zich uit over de personele
                    gevolgen van het besluit. Als regel zijn die gevolgen neergelegd in een sociaal
                    statuut. Het toezicht op de uitvoering van het sociaal statuut is weer een zaak
                    voor de ondernemingsraad. Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg
                    dat het bevoegd gezag er verstandig aan doet om beide organen in alle fasen te
                    informeren over zijn voornemens. Dat maakt het mogelijk dat GO en de
                    ondernemingsraad elkaar beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar afstemmen. Dat
                    kan de kwaliteit van het proces en het draagvlak van de besluiten alleen maar
                    vergroten.</al><tussenkop>Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                    besproken, niet voor overleg in de commissie G.O. in aanmerking komen. Dit
                    spreekt voor zich: de CAR is onderwerp van overleg op sectoraal (=LOGA-) niveau
                    en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op gemeentelijk niveau plaats te
                    vinden (de grootste vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie).
                    Voldoende is om het G.O. te informeren. In het geval een gemeente zich heeft
                    aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde: afspraken hierover worden op LOGA-niveau
                    gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente die zich daarentegen niet
                    voor de UWO heeft aangemeld, geldt dat de onderwerpen in de UWO behoren tot het
                    "lokale domein": in de commissie G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats
                    te vinden. Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over
                    individuele kwesties wordt gesproken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de "UWO-gemeenten"
                    opgenomen in de UWO (bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het
                    overeenstemmingsvereiste aan de orde komt) en voor de "niet-UWO-gemeenten"
                    dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te komen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling zijn
                    in de UWO in artikel 12:3:1 e.v. opgenomen. Een "niet-UWO-gemeente" dient over
                    deze nadere regels in de commissie G.O. overleg te voeren. In de commissie G.O.
                    dient in dat geval tevens gesproken te worden over het al dan niet deelnemen aan
                    de Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><tussenkop>Artikel 12:2:1 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige formulering
                    van het overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een formulering voor het
                    overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd. Hiermee wordt invulling gegeven aan
                    het begrip "gevoelen" uit het artikel. In de LOGA-brief van 7 juni 1994, Lbr.
                    94/152, is aangegeven dat, wanneer het in de gemeente van toepassing zijnde
                    overeenstemmingsvereiste bevredigend functioneert, dit gehandhaafd kan worden.
                    Waar het overeenstemmingsvereiste niet is geformuleerd of waar het niet
                    bevredigend functioneert, is aan de gemeenten in de genoemde LOGA-brief een
                    keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die respectievelijk een brede (voorkeur
                    van de vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het College voor Arbeidszaken)
                    invulling aan het vereiste geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: "Invoering of wijziging van aangelegenheden van
                    algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, vindt
                    niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                    overheidspersoneel".</al><al>Formulering 2 luidt: "Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke
                    verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele
                    ambtenaren rechten kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan nadat daarover
                    overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel".</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 "de
                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd" wel onder
                    het overeenstemmingsvereiste valt en in formulering 2 niet. Concreet betekent
                    dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de inrichting van het
                    personeelsbeleid als zodanig, de werving en selectie, het
                    personeelsregistratiesysteem en het opleidingsbeleid niet onder het
                    overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze regelingen
                    voortvloeiende rechten en plichten voor individuele ambtenaren. In formulering 1
                    vallen de onderwerpen als zodanig onder het overeenstemmingsvereiste, en
                    natuurlijk de regelingen die daaruit voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie en de
                    griffiemedewerkers betreffen, moeten nog steeds door de gemeenteraad worden
                    genomen respectievelijk aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Alleen in de
                    situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd aan het college,
                    is het college het bevoegde orgaan.</al><tussenkop>Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang die
                    specifiek de rechtstoestand van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen.
                    De griffier kan op grond van artikel 12:2:7, tweede lid, de vergadering bijwonen
                    en deelnemen aan de besprekingen.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen. Besluiten
                    moeten passen binnen het mandaat dat men heeft; dat geldt voor beide zijden
                    Wanneer het mandaat onvoldoende is om tot overeenstemming te komen, moeten
                    partijen terug naar hun achterban.</al><tussenkop>Artikel 12:2:5 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                    teneinde gevoelens van onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld hiervan
                    was dat tijdens de acties in 1993 de centrales het overleg in alle GO's
                    opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n geval in het geheel geen
                    besluiten meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering
                    niet ten minste de helft van de werknemersvertegenwoordiging aanwezig is, kunnen
                    de geagendeerde onderwerpen behandeld en van een standpunt voorzien worden
                    Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin besluitvorming plaatsvinden
                    Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en de
                    andere partij nadrukkelijk op de gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al><tussenkop>Artikel 12:2:7 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om de
                    raad op de hoogte te brengen van hetgeen in het GO ter bespreking voorligt, met
                    name als dit raakt aan door de raad gestelde beleidsmatige of financiële
                    kaders.</al><tussenkop>Artikel 12:2:9 Vergaderingen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                    bepaald door hoofdelijke stemming van de leden in of buiten de vergadering. Voor
                    het geval dat meer werkgeversvertegenwoordigers zijn aangewezen is deze bepaling
                    noodzakelijk.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                    enkele organisatie bij een stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet in
                    de situatie waarin een organisatie meer leden in de gemeente heeft dan de andere
                    organisaties gezamenlijk.</al><tussenkop>Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>Bij de Advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997 circa 400
                    gemeenten aangemeld. De LAAC is te bereiken via het secretariaat van het College
                    voor Arbeidszaken, Postbus 30435, 2500 GK Den Haag.</al><tussenkop>Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie (T)</tussenkop><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en arbitragecommissie
                    wordt aangewezen door het College voor Arbeidszaken, gehoord het
                    Interprovinciaal Overlegorgaan en de Unie van Waterschappen. De andere helft
                    wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop>Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR (T)</tussenkop><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO)-uitkeringen wordt uitgebreid met de
                    eindejaarsuitkering. De invoering van de eindejaarsuitkering per 1 januari 1997
                    betekent dat deze uitkering per genoemde datum maandelijks wordt opgebouwd Deze
                    ingangsdatum van de eindejaarsuitkering brengt met zich dat, nu de
                    berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)- uitkeringen met deze uitkering
                    wordt uitgebreid, deze uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997
                    toegekende wachtgelden en (FLO)-uitkeringen.</al><tussenkop>Artikel 14:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Het bepaalde uit de artikelen 17, 18 en 34 van de Wet op de Ondernemingsraden
                    wordt in acht genomen. Conform artikel 18 van de Wet op de ondernemingsraden
                    (WOR) wordt de tijd vastgesteld die (C)OR en commissieleden redelijkerwijs nodig
                    hebben voor hun medezeggenschapswerk. In het convenant spreken WOR-bestuurder en
                    OR af hoe de individuele leden in staat worden gesteld deze tijdsbesteding te
                    combineren met hun functie. Hierbij geldt dat OR-werk ook regulier werk is.
                    Mogelijkheden hiertoe zijn onder meer herverdeling van werkzaamheden indien
                    noodzakelijk in combinatie met een tijdelijke uitbreiding van de formatie van de
                    organisatorische eenheid waar het OR-lid werkzaam is. Een andere mogelijkheid is
                    met gebruikmaking van artikel 2:7a CAR het verruimen van de arbeidsduur van
                    individuele OR-leden tot maximaal 40 uur per week, als de bezetting van de
                    afdeling in relatie tot het werk dat nodig maakt.</al><al>De bedoeling van LOGA-partijen is dat lokaal overleg wordt gevoerd over het
                    (maximaal) aantal zittingstermijnen. Afspraken hierover worden opgenomen in het
                    convenant. In zijn algemeenheid is het niet wenselijk om voor lange tijd
                    achtereen OR werk te doen. Er zijn uitzonderingsgevallen mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers
                    (T)</tussenkop><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                    verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) bij een collectieve
                    arbeidsvoonvaardenregeling of een publiekrechtelijke regeling van
                    arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel 2 van de
                    WOR is bepaald. Deze verplichting geldt ook voor onderdelen van gemeenten, waar
                    met toepassing van artikel 4 van de WOR is besloten in het belang van een goede
                    toepassing van de WOR voor die onderdelen een eigen OR in te stellen.</al><tussenkop>Artikel 15:1 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                    heeft naast artikel 16:1:1 nauwelijks enige zelfstandige betekenis. Overtreding
                    ervan levert immers plichtsverzuim op en daarvan geeft artikel 16:1:1, lid 2, de
                    definitie. De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van
                    het begrip "plichtsverzuim", zodat hier verwezen kan worden naar de toelichting
                    bij artikel 16:1:1.</al><tussenkop>Artikel 15:1a Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Veel gemeenten hebben
                    naar aanleiding van deze verplichting de bestaande ambtseed heringevoerd of een
                    nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of belofte of een
                    integriteitverklaring slechts één van de formaliteiten bij indiensttreding is,
                    zal deze niet het bedoelde effect van bewustwording van integriteitaspecten
                    hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan dient het moment de
                    nodige lading te krijgen: door de inhoud actief uit te spreken, door de
                    ceremonie erom heen, door de keuze van de persoon ten overstaan van wie de eed
                    wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en plaats.</al><tussenkop>Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten
                    (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden (T)</tussenkop><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan zijn
                    tot het opleggen van een disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele
                    voorbeelden zijn de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d d. 13 juli 1995,
                    TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij een verhuizing en
                    aannemen van een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993,
                    TAR 1994, nr 44 (aannemen van een geldbedrag).</al><tussenkop>Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De term "nevenwerkzaamheden" dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                    verschillende werkzaamheden verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur van
                    een vereniging of stichting, het zijn van commissaris, bestuurder, vennoot of
                    aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen betaalde en
                    onbetaalde nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de
                    normale diensttijd worden verricht. Een gedane melding dient getoetst te worden
                    aan het tot de ambtenaar gerichte verbod, dat in het derde lid is geformuleerd.
                    De ambtenaar zal zich een oordeel moeten vormen over de vraag of door een
                    nevenwerkzaamheid de goede functievervulling of de goede functionering van de
                    openbare dienst, voorzover deze in verband staat met de functievervulling, niet
                    in redelijkheid is verzekerd. De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich
                    niet goed verdraagt met de ambtelijke functie, hoeft niet zonder meer te leiden
                    tot het opleggen van een verbod. Er kunnen ook zodanige nadere afspraken worden
                    gemaakt dat de mogelijkheid van belangenverstrengeling of anderszins zich niet
                    meer voordoet. Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp
                    geeft eenzelfde richting aan. De registratie van nevenwerkzaamheden kan op
                    verschillende wijzen worden ingericht. In elk geval dient de registratie te
                    voldoen aan de regels die gesteld zijn op grond van de Wet persoonsregistraties
                    en de op deze wet gebaseerde verordening, voorzover deze in de gemeente is
                    vastgesteld.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over de openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden verricht door topambtenaren. In artikel 15:1e, vierde lid,
                    zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking van
                    nevenwerkzaamheden gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een
                    gemeentelijke dienst of bedrijf (dan wel functionarissen in functies die daarmee
                    op één lijn staan maar in het gemeentelijk organisatiemodel een andere benaming
                    hebben). Lokaal dient bepaald te worden of er daarnaast nog sprake is van
                    ‘andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                    integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden
                    noodzakelijk is’. Gedacht kan worden aan de functies waaraan het
                    plaatsvervangend directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen in aanmerking
                    komen de stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een
                    projectorganisatie, concern- of dienstcontroller, afdelingshoofd, commandant van
                    de brandweer. </al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van de ambtenaar);</al></li><li nr="-"><al>de nevenfunctie die de functionaris verricht, voorzover het een
                            nevenfunctie betreft die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                            verband staan met de functievervulling, kunnen raken;</al></li><li nr="-"><al>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie wordt vervuld;</al></li><li nr="-"><al>de eventuele beperkingen die het college heeft gesteld aan de
                            uitoefening van de nevenfunctie.</al></li></lijst><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke datum
                    de nevenwerkzaamheid wordt verricht. De openbaarmaking kan geschieden door ter
                    inzage legging van de gegevens op het gemeentehuis zoals dat is voorgeschreven
                    voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke ambtsdragers.</al><tussenkop>Artikel 15:1f Melding financiële belangen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al> In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die overheidswerkgevers
                    verplicht om voorschriften vast te stellen over het melden van financiële
                    belangen door ambtenaren die een functie uitoefenen waarin risico bestaat op
                    financiële belangenverstrengeling. Het begrip financieel belang is zeer divers.
                    Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed,
                    bouwgrond alsook om financiële deelneming in ondernemingen. Het college dient
                    ambtenaren aan te wijzen die zijn aangesteld in een functie (dan wel feitelijke
                    werkzaamheden verrichten) waaraan een bijzonder risico op financiële
                    belangenverstrengeling is verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht
                    worden aan ambtenaren die betrokken zijn bij grondzaken, subsidieverstrekking,
                    sponsoring, verstrekking van leningen, verstrekking van garanties, inkoop en
                    aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en adviesopdrachten.
                    Ambtenaren die deze taken verrichten zouden in de verleiding kunnen komen zich
                    bij het nemen van functionele beslissingen te laten leiden door niet-functionele
                    belangen zoals een persoonlijk financieel belang. Of er inderdaad sprake is van
                    een bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden
                    van de ambtenaar en dient lokaal bepaald te worden. Ook ambtenaren die uit
                    hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke werkzaamheden) beschikken of
                    kunnen beschikken over koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd
                    moeten krijgen. Zij hebben immers de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te
                    gebruiken of lopen het risico de schijn van oneigenlijk gebruik op te wekken. De
                    inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks bijzondere risico’s
                    zullen voordoen met betrekking tot oneigenlijk gebruik van koersgevoelige
                    informatie.</al><al><vet>Lid 2 en lid 3</vet></al><al>Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                    regels kunnen betrekking hebben op de volgende elementen.</al><lijst><li nr="-"><al>Het gebruik van een formulier voor de melding.</al></li><li nr="-"><al>De functionaris aan wie de melding gedaan moet worden.</al></li><li nr="-"><al>De wijze van registratie in verband met de bescherming van de
                            persoonlijke levenssfeer.</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de actualiteit van de registratie gewaarborgd
                            wordt.</al></li><li nr="-"><al>De plicht van de ambtenaar tot het verstrekken van nadere gegevens over
                            het financiële belang of het bezit van (of de transactie in)
                            effecten.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt dat
                    het bevoegd gezag in de gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de gemelde
                    belangen en bezittingen een risico opleveren in de werkzaamheden van de
                    ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te verschaffen die voor deze
                    beoordeling nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden
                    hoe dit risico voorkomen of verkleind kan worden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                    voorkomen dat hij in (de schijn van) een situatie terecht komt dat hij in zijn
                    functievervulling wordt beïnvloed door persoonlijke financiële belangen. Dat
                    vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en is nu uitdrukkelijk
                    bepaald in artikel 15:1f, vierde lid. De vraag of een financieel belang
                    toelaatbaar is kan niet eenduidig beantwoord worden. Bezien moet worden of het
                    concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij het
                    uitoefenen door de ambtenaar van zijn bevoegdheden en werkzaamheden. Wordt het
                    financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht dan zal de werkgever
                    op basis van de verbodsbepaling maatregelen moeten nemen om een risico op
                    financiële belangenverstrengeling of misbruik het hoofd te bieden. Daarbij dient
                    eerst naar de minst ingrijpende oplossing gezocht te worden. Gedacht kan worden
                    aan aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere functie. Is een
                    dergelijke oplossing niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel
                    belang af te stoten.</al><tussenkop>Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Op grond van dit artikellid valt een ambenaar die op grond van artikel 15:1:11,
                    tweede lid, is aangewezen om taken te verrichten in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s voor wat betreft die werkzaamheden onder leiding en toezicht
                    van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis
                    plaatsvindt. Daartoe zijn dus geen individuele detacheringsovereenkomsten nodig.
                    Het college van de gemeente waar de ambtenaar is aangesteld, blijft de formele
                    werkgever van desbetreffende ambenaar en de rechtspositie van die gemeente
                    blijft, ook voor onderhavige werkzaamheden in het kader van de Wet
                    veiligheidsregio’s, van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade (T)</tussenkop><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                    schuldige of nalatige ambtenaar te verhalen Bij elk schadegeval zal daarover
                    door het college een beslissing moeten worden genomen, met name over de vraag of
                    de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien aard is dat zij geheel op hem
                    kan worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden
                    volstaan. Overigens moet men natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit
                    artikel grijpen. In elke organisatie komen "bedrijfsongevalletjes" voor die
                    inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand toe te
                    rekenen, maar de woorden "schuld" en "nalatigheid" wijzen er toch wel op dat het
                    moet gaan om zaken waarover men de ambtenaar echt een verwijt kan maken.</al><tussenkop>Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar (T)</tussenkop><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of uitgeeft,
                    bijvoorbeeld via een loketkas of op andere wijze financiële waarden beheert. Het
                    betreft hier dus niet alleen degenen die ontvangersfuncties bekleden op grond
                    van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet. Genoemd artikel bepaalt dat
                    de administratie en het beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden
                    verricht door de bij de in dat lid bedoelde regels aan te wijzen
                    ambtenaren.</al><tussenkop>Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar (T)</tussenkop><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                    instemming van de ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel 27,
                    eerste lid, onderdeel g van de Wet op de ondernemingsraden.</al><tussenkop>Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding (T)</tussenkop><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een collegebesluit
                    worden opgesteld waarin wordt bepaald dat het niet geoorloofd is voor ambtenaren
                    die baliewerkzaamheden verrichten of anderszins regelmatig in contact treden met
                    burgers, in een korte broek op de werkplek te verschijnen.</al><tussenkop>Artikel 15:1:18 Dienstwoning (T)</tussenkop><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                    goede vervulling van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in een
                    bepaald huis woont (zie artikel 18:1:3). Te denken valt aan portiers of
                    conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan de verplichting met
                    zich mee de dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt gesteld
                    zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het
                    gebruik van de woning een duidelijk verband bestaat, wordt ook wel
                    "dienstwoning" genoemd, maar is in feite een normale huurwoning. Einde van het
                    dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de huurovereenkomst In
                    die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><tussenkop>Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de vervulling
                    van zijn functie. Deze beperking betekent niet dat alleen schade die het directe
                    gevolg is van het werk dat de ambtenaar verricht, vergoed wordt. Er moet een
                    zodanig verband met de functie zijn dat de schade zich niet zou hebben
                    voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan het
                    werk zou zijn geweest. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag
                    rekening worden gehouden met normale slijtage Voorkomen moet worden dat de
                    ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet, wat het geval zou zijn wanneer als
                    schadevergoeding de nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het goed
                    deze waarden niet meer had op het moment van de schade. In het algemeen zal geen
                    schade vergoed hoeven worden bij diefstal van een fiets uit een fietsenstalling
                    of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat deze goederen doorgaans niet
                    nodig zijn voor de uitoefening van de functie.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade aan
                    een eigen auto wordt vergoed, die is opgelopen tijdens een dienstreis. Deze
                    bepaling is opgenomen als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het College voor Arbeidszaken
                    van 27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                    geregeld over de hoogte van de vergoeding die betaald dient te worden. Dit kan
                    de schade aan de eigen auto zijn, dan wel het verlies aan no-claimkorting. Er is
                    bewust voor gekozen af te zien van de verplichting voor de ambtenaar een
                    all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in alle gevallen in
                    redelijkheid kan worden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling (T)</tussenkop><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                    inlichtingen geven die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
                    Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor te doen het
                    college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter verantwoording
                    roepen.Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                    opgemerkt. In sommige gevallen zal buiten kijf staan dat het college de raad
                    inlicht over een voornemen tot een schadeloosstelling of vergoeding van kosten.
                    Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de bijzondere
                    financiële consequenties. Is er sprake van een overeenkomst met de betrokken
                    ambtenaar, dan geldt bovendien het vierde lid van artikel 169 Gemeentewet.
                    Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht over een besluit tot
                    privaatrechtelijk handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de
                    gemeente.</al><tussenkop>Artikel 15:1:30 Borstvoeding (T)</tussenkop><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen waar
                    de ambtenaar borstvoeding kan kolven of kan zogen. Deze voorziening kan in de
                    plaats komen van de gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar kind zelf te
                    voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke rol.</al><tussenkop>Artikel 15:1:31 Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg
                    (T)</tussenkop><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de zin
                    van artikel 2:4 (aanstelling) en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die
                    (plaatsvervangend) lid zijn van de commissie voor georganiseerd overleg.
                    Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                    vakorganisaties zijn aangewezen om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het gaat
                    daarbij om de activiteiten waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2 buitengewoon
                    verlof kunnen genieten. De zorgplicht is te vergelijken met die voor de
                    ondernemingsraadsleden, opgenomen in artikel 21, eerste lid van de Wet op de
                    ondernemingsraden. Omdat zij door de uitoefening van hun taak kwetsbaarder zijn
                    dan andere werknemers, is deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO opgenomen.
                    Daardoor wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk in de onderneming kunnen
                    optreden zolang zij door hun vakorganisatie daarvoor een aanwijzing hebben
                    gekregen. Het gaat daarbij om benadeling in promotiekansen, verslechtering van
                    werkomstandigheden, gedwongen overplaatsing, schorsing vanwege
                    vakbondsactiviteiten en het niet verlengen van een
                    aanstelling/arbeidsovereenkomst De feitelijke handelwijze van de gemeente moet
                    gelijk zijn aan het handelen wanneer betrokkene de vakbondsactiviteiten niet zou
                    vervullen. De werknemer die zich desondanks benadeeld voelt, kan zich wenden tot
                    de administratieve kamer van de arrondissementsrechtbank (aanstelling) of de
                    kantonrechter (arbeidsovereenkomst).</al><tussenkop>Artikel 15:2 Klokkenluiders (T)</tussenkop><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de vaststelling
                    van de klokkenluidersregeling en de wijzigingen daarin. De raad kan het college
                    ter verantwoording roepen over het gevoerde beleid ter zake van de
                    meldingen.</al><tussenkop>Artikel 16:1:1 Plichtsverzuim (T)</tussenkop><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen. Deze
                    zeer ruime formulering van de strafbaarstelling brengt met zich dat het
                    bestuursorgaan zeer zorgvuldig te werk moet gaan alvorens een straf op te
                    leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen worden dat zij in
                    rechte kunnen worden aangetoond Daarbij moeten bepaalde gedragingen van
                    betrokkene als verwijtbaar worden aangemerkt. Het aspect van de verwijtbaarheid
                    speelt nogal eens een rol wanneer een bestuursorgaan tot strafontslag wil
                    overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het
                    spreekuur van de bedrijfsarts te komen. Uiteraard moet het hierbij om een zwaar
                    dossier gaan; dit vergt dossieropbouw. Met het opleggen van een dergelijke
                    sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het strafontslag ongedaan wordt
                    gemaakt op grond van het feit dat de gedragingen de betrokkene niet kunnen
                    worden verweten. In dit verband speelt artikel 15:1:1 een rol; dit artikel
                    bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is zich te gedragen als een goed
                    ambtenaar betaamt.</al><tussenkop>Artikel 16:1:2 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                    straffen lopen uiteen van een schriftelijke berisping tot een strafontslag. In
                    dit verband wordt ook aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1, dat gaat over de
                    schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient te worden opgemerkt
                    dat het niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een bedrag
                    overeenkomend met het salaris over een halve maand - slechts eenmaal kan worden
                    opgelegd. Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen De op te
                    leggen straf dient in overeenstemming te zijn met het plichtsverzuim. Het
                    besluit een straf toe te passen, zoals genoemd in artikel 16:1:2, eerste lid, is
                    een besluit ingevolge de Awb. Het derde lid biedt de mogelijkheid om een
                    voorwaardelijke straf op te leggen. De voorwaarden dienen redelijk te zijn; er
                    dient rekening te worden gehouden met de belangen van de organisatie en die van
                    de ambtenaar Ook de termijn waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient
                    redelijk te zijn. Wanneer een ambtenaar bijvoorbeeld geruime tijd heeft
                    gefraudeerd met het tijdsregistratiesysteem, kan worden afgesproken dat
                    betrokkene strafontslag wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na een
                    afgesproken tijdstip zich wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan
                    een voorwaarde is voldaan, wordt de straf ten uitvoer gelegd. Een dergelijk
                    uitvoeringsbesluit is een besluit in de zin van de Awb, hetgeen betekent dat de
                    betreffende ambtenaar vooraf gehoord dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 17:3 Individueel loopbaanbudget (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Regelt de hoogte van het individuele budget. Het budget is niet naar rato van
                    omvang dienstverband of naar rato van aantal maanden dienstverband als iemand in
                    de loop van het jaar in dienst komt. Op het moment een medewerker in de tweede
                    helft van een kalenderjaar in dienst komt, is het verstandig om bij aanstelling
                    meteen afspraken te maken over het individueel loopbaanbudget in dat
                    kalenderjaar.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bepaalt dat wanneer er een opleidings- en/of loopbaanbeleid is vastgesteld in de
                    gemeente dat vergelijkbare en gelijkwaardige mogelijkheden en rechten biedt als
                    het voorgestelde loopbaanbudget, dit beleid niet vervangen hoeft te worden door
                    het loopbaanbudget. Zulks ter beoordeling van de Ondernemingsraad.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>Regelt dat het individueel loopbaanbudget ingezet moet worden voor individuele
                    opleiding- en ontwikkelingswensen die gericht zijn op het verbeteren van de
                    eigen inzetbaarheid en arbeidsmarktpotentie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Om te voorkomen dat medewerkers die in de loop van het jaar in dienst treden dit
                    budget niet meer kunnen besteden en het budget komt te vervallen na verloop van
                    het kalenderjaar, is het van belang dat de leidinggevende dit onderwerp in een
                    vroegtijdig stadium aan de orde stelt.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Biedt de mogelijkheid om het individueel loopbaanbudget maximaal drie jaar te
                    sparen. In het persoonlijk ontwikkelingsgesprek worden hierover afspraken
                    gemaakt: deze worden in het persoonlijk opleidingsplan vastgelegd. Het is niet
                    mogelijk om over de geldigheidsduur van dit artikel heen te sparen. Sparen omdat
                    er niet over gesproken is en er dus geen afspraken zijn gemaakt wordt door de
                    LOGA partijen als ongewenst gezien.</al><tussenkop>Artikel 17:4 Persoonlijk ontwikkelingsplan (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de loopbaanontwikkeling en van
                    de ontwikkeling van de kennis en vaardigheden van de medewerker. Vorm en inhoud
                    zijn in beginsel vrij, dat wil zeggen dat het plan zowel kan bestaan uit een
                    korte feitelijke aanduiding van een opleidingsafspraak als uit een meer
                    uitgebreide afspraak over - door beide partijen - te ondernemen
                    ontwikkelingsactiviteiten in brede zin. Ook kan het accent liggen op
                    activiteiten die alleen de medewerker zal ondernemen of op inspanningen die
                    beide partijen zich zullen getroosten. Ook de mate waarin het initiatief voor
                    het doen van voorstellen voor de inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan
                    bij de medewerker dan wel bij de leidinggevende ligt, kan van geval tot geval
                    uiteenlopen. Essentieel is dat het persoonlijk ontwikkelingsplan gezamenlijk
                    wordt vastgesteld door leidinggevende en medewerker. Bij ontbreken van
                    overeenstemming is uiteindelijk de beslissing van de leidinggevende namens de
                    werkgever een voor beroep vatbaar besluit. Bij dit laatste dient bedacht te
                    worden dat het in het algemeen niet of nauwelijks denkbaar is, dat de werkgever
                    meer aan opleidingsinspanningen van de medewerker kan eisen dan waartoe deze
                    bereid is, afgezien van de opleidingen die krachtens artikel 15:1:26 in het
                    kader van een goede functie-uitoefening noodzakelijk zijn te achten. Een besluit
                    dat voor beroep vatbaar is, zal doorgaans alleen in de omgekeerde situatie
                    kunnen voorkomen: de medewerker wil meer dan de werkgever wil of kan
                    toestaan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk ontwikkelingsplan te
                    worden vastgesteld. De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen partijen
                    in onderling overleg concluderen dat er bijvoorbeeld in een bepaalde periode
                    geen reden is voor bijzondere inspanningen of afspraken. Het is in de praktijk
                    ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld jaarlijks, een gesprek plaatsvindt
                    tussen leidinggevende en medewerker over onderwerpen die van belang zijn voor de
                    ontwikkeling van kennis en vaardigheden en de loopbaan van de medewerker. De
                    voortgang van de eerdere afspraken kan aan de orde komen. Het vastleggen van de
                    afspraken in een dergelijk gesprek kan worden gezien als een nieuw persoonlijk
                    ontwikkelingsplan. Het ligt in de rede dat deze gesprekken in het kader van het
                    functioneringsgesprek en/of beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk
                    is dat niet.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in het
                    gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat is neergelegd in het gemeentelijk
                    opleidingsplan. De verplichting van het college om een opleidingsplan vast te
                    stellen is niet met zoveel woorden in de tekst opgenomen, omdat het hier niet
                    gaar om een deel van de persoonlijke rechtspositie. De individuele medewerker
                    heeft dus niet het recht om een opleidingsplan te eisen en hij kan er ook niet
                    direct rechten aan ontlenen of tegen in beroep komen. De Ondernemingsraad kan er
                    om vragen en heeft conform de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht met
                    het opleidingsplan. Dit plan kan voor de gehele gemeente tegelijk worden
                    vastgesteld, maar uiteraard is het ook mogelijk, en in veel situaties zelfs meer
                    voor de handliggend, dat het per sector of dienstonderdeel wordt vastgesteld.
                    Ook de frequentie waannee het wordt vastgesteld kan verschillen. Behalve
                    inhoudelijke doelen en criteria voor de gewenste opleidingen waarmee het beoogde
                    profiel van de organisatie als geheel of het betrokken onderdeel kan worden
                    bereikt, kan het opleidingsplan ook budgettaire en organisatorische
                    randvoonvaarden bevatten. Ook kan in het opleidingsplan worden gefomuleerd of en
                    zo ja tot welke grenzen of onder welke voorwaarden de werkgever bereid is in het
                    kader van goed werkgeverschap of stimulering van mobiliteit mee te werken aan
                    opleidingen, die primair het persoonlijke loopbaanbelang van medewerkers dienen
                    en maar ten dele het directe dienstbelang.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                    ontwikkelingsplan staan en passen in het gemeentelijk opleidingsplan worden
                    volledig bekostigd. Indien ze niet in die termen vallen, kan er wellicht wel
                    enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt buiten de formeel geregelde
                    rechten van medewerkers. Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil
                    gemaakt tussen een deeltijder en een voltijder. Beiden hebben bij gelijke
                    afspraken ook gelijke aanspraken op vergoeding van kosten.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof door de
                    werkgever verleend. Verlof met behoud van beloning, maar ook andere vormen van
                    medewerking door de werkgever worden vastgelegd. Te denken valt aan afspraken
                    over de inroostering van werktijden, inzet op een bepaald project dat directe
                    relatie heeft met de gevolgde opleiding en het ter beschikking stellen van
                    technische hulpmiddelen. Er is geen vast stramien vastgelegd hoeveel verlof
                    noodzakelijk is. Van geval tot geval zullen partijen samen dienen te bepalen wat
                    het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient in te houden. Uiteraard mag er een
                    beroep op de betrokken medewerker worden gedaan om ook eigen tijd in de
                    ontwikkeling van zijn loopbaan te investeren, maar andersom is het redelijk dat
                    de werkgever rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en de zwaarte van
                    de studie.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over de concrete
                    keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden gevolgd, de
                    voorwaarden waaronder de opleiding of andere activiteiten worden uitgevoerd, wat
                    de consequenties zijn van tussentijdse complicaties zoals voortijdige
                    beëindiging of onderbreking, verandering van functie of ontslag. Of en zo ja
                    welke afspraken er over eventuele terugbetaling van de vergoeding worden
                    vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard kan daarbij worden betrokken
                    wat het niveau van de kosten is, in wiens primaire belang de kosten zijn gemaakt
                    en wat de reden en termijn is van het ontslag. Aard en omvang van de te maken
                    kosten worden in redelijkheid vastgesteld. Doorgaans zal de kostenkwestie al bij
                    de keuze van de opleiding aan de orde komen. Minstens zal het gaan om de kosten
                    van de opleiding zelf, de kosten van studiemateriaal en de kosten van reizen en
                    eventueel verblijf. Voor de verdere activiteiten die worden afgesproken is
                    moeilijk eenduidig een indicatie te geven van de relevante kosten.</al><tussenkop>Artikel 17:7 Flankerend beleid (T) </tussenkop><al>Hierbij kan worden gedacht aan reis- en verhuiskosten, suppletie van salaris bij
                    aanvaarden van een lager betaalde functie, voorziening voor pensioenlacunes,
                    stimuleringspremie bij vrijwillig ontslag etc.</al><tussenkop>Artikel 18:1:2 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel regelt de aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten voor
                    ambtenaren die in verband met een verplaatsing of indiensttreding moeten
                    verhuizen. Zie ook de toelichting bij artikel 15:1:17.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene niet op de hoogte is van
                    de terugbetalingsverplichting.</al><tussenkop>Artikel 18:1:3 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een werknemer die een dienstwoning betrekt, heeft recht op dezelfde
                    tegemoetkoming in de verhuiskosten als een werknemer die vanwege dienstbelang
                    dient te verhuizen naar een huur- of koopwoning. Zie artikel 15:1:18.</al><tussenkop>Artikel 18:1:5 Tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De kosten voor het in- en uitpakken van breekbare zaken worden vergoed, dit is
                    expliciet geregeld. Het inpakken van andere goederen door de transporteur dient
                    door de betrokkene zelf te worden betaald. De bedragen voor transportkosten en
                    dubbele woonkosten worden vastgesteld op basis van de werkelijk gemaakte kosten.
                    Het maakt niet uit of de dubbele woonkosten betrekking hebben op huishuur,
                    hypotheeklasten of beide. Het bedrag voor de andere kosten (onderdeel C) beoogt
                    niet kostendekkend te zijn. De Belastingdienst hanteert maxima voor de bedragen
                    die fiscaal onbelast kunnen worden toegekend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wie zelfstandig, dus niet als alleenstaande bij de ouders inwonend, woonruimte
                    bewoont met eigen inboedel en stoffering komt in aanmerking voor de vergoeding.
                    Het is aan te nemen dat een kamerbewoner lagere verhuiskosten maakt dan iemand
                    die een groot huis achterlaat. Daarom is er een differentiatie naar het aantal
                    achter te laten kamers Dit voorkomt dat de gemeente gaat meebetalen aan de
                    inrichting van een groter huis. De differentiatie naar salarisniveau is
                    gebaseerd op de gedachte dat er tussen de waarde van de inboedel en het inkomen
                    een zekere relatie bestaat.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij een verhuizing waarbij beide levenspartners zijn betrokken, wordt voor beide
                    personen de berekeningsbasis vastgesteld. De tegemoetkoming wordt vervolgens
                    toegekend op grond van de hoogste berekeningsbasis. Voor deeltijders wordt de
                    berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake van een voltijddienstverband
                    (tenzij die deeltijder tevens een ander dienstverband heeft die eveneens
                    aanspraak geeft op een vergoeding).</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Om te voorkomen dat een betrokkene die geen eigen huishouding voerde, en dus een
                    nieuwe inrichting moet kopen, zich op kosten van de gemeente gaat inrichten, is
                    geregeld dat hij niet voor een vergoeding in aanmerking komt. In bijzondere
                    omstandigheden kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld in de
                    situatie dat een werknemer tijdelijk elders wordt geplaatst en dus tijdelijk
                    andere woonruimte moet betrekken.</al><tussenkop>Artikel 18:1:6 Tegemoetkoming woon- werkverkeer (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In principe komen alleen werknemers die verhuisplichtig zijn in aanmerking voor
                    een tegemoetkoming in de reiskosten. Omdat de reiskosten voor verhuisplichtigen
                    relatief hoog kunnen zijn, is het van belang om in het oog te houden of er wel
                    voldoende inspanningen worden verricht om aan de verhuisverplichting te voldoen
                    De tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten komt automatisch te vervallen als
                    de werknemer niet binnen twee jaar na het ontstaan van de verhuisverplichting is
                    verhuisd (zie art. 18:1:4). De verplichting om te verhuizen blijft overigens wel
                    bestaan.</al><tussenkop>Artikel 18:1:8 Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                    woon-werkverkeer (T)</tussenkop><al>Dit artikel regelt een vergoeding voor de betrokkene wiens plaats van
                    tewerkstelling door het bevoegde gezag is aangewezen als een plaats van
                    tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken of wiens plaats van
                    tewerkstelling vanwege de opgedragen tijden niet per openbaar vervoer is te
                    bereiken. Ondanks het feit dat de betrokkene niet de verplichting is opgelegd om
                    in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, heeft de betrokkene toch op
                    grond van de rechtspositieregeling recht op een kilometervergoeding voor
                    woon-werkverkeer. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door het bevoegde
                    gezag en geldt voor de gehele duur van het dienstverband.</al><tussenkop>Artikel 18:1:9 Pensionkosten (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Wat onder redelijk gemaakte pensionkosten verstaan moet worden is niet zonder
                    meer te zeggen, dit zal regionaal en per seizoen kunnen verschillen.</al><tussenkop>Artikel 18:1:10 Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten
                    (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen om er op toe te kunnen zien of betrokkene wel genoeg
                    inspanningen verricht om snel te verhuizen (opdat onnodige kosten worden
                    voorkomen).</al><tussenkop>Artikel 18:1:11 Procedure tegemoetkoming verhuiskosten (T)</tussenkop><al>Het is aan te raden de in dit artikel genoemde termijnen strikt te hanteren: bij
                    overschrijding van de termijnen zal het namelijk niet altijd meer mogelijk zijn
                    de aanvraag respectievelijk de bedragen te toetsen. Vanzelfsprekend dient de
                    werknemer over deze termijnen te worden geïnformeerd. Het niet voldoen aan de
                    voorwaarden leidt tot het vervallen van de aanspraken op vergoeding.</al><tussenkop>Artikel 18:1:13 Slotbepaling (T)</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij wijze van uitzondering van
                    de gestelde regels af te wijken, zowel in individuele gevallen als voor groepen
                    van personen Bijvoorbeeld bij ingrijpende reorganisaties en daarmee gepaard
                    gaande verplaatsingen kan op grond van dit artikel een aanvullend sociaal beleid
                    gevoerd worden.</al><tussenkop>Artikel 19:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer zijn ambtenaren. Daarom moet het
                    college op grond van artikel 125 van de Ambtenarenwet een rechtspositieregeling
                    voor hen vaststellen. De rechtspositie van de vrijwilligers bij de brandweer
                    wordt in dit hoofdstuk geregeld. De overige hoofdstukken van de CAR-UWO zijn
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 19:3 Overleg met vakorganisaties (T)</tussenkop><al>In artikel 125 van de Ambtenarenwet wordt bepaald dat het bevoegd gezag van een
                    gemeente voorschriften vaststelt over de wijze waarop met de daarvoor in
                    aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt
                    gepleegd. Dit artikel is een uitwerking van die bepaling.</al><tussenkop>Artikel 19:6 Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst (T)</tussenkop><al>Een vrijwilliger kan in vaste of in tijdelijke dienst aangesteld worden. Een
                    tijdelijke aanstelling kan alleen bij wijze van proef, dus om te beoordelen of
                    de vrijwilliger goed functioneert en geschikt is voor de brandweerdienst. Een
                    aanstelling op proef ligt vooral voor de hand als de vrijwilliger nog in
                    opleiding is. De tijdelijke aanstelling wordt altijd aangegaan voor een van te
                    voren omschreven periode. Deze periode wordt vermeld in de aanstelling. Een
                    eerste tijdelijke aanstelling kan verleend worden voor ten hoogste twee jaren.
                    Uitgangspunt is dat in die periode bekeken wordt of de vrijwilliger in
                    aanmerking kan komen voor een vaste aanstelling, is dat niet het geval dan
                    eindigt het dienstverband. Na afloop van de eerste tijdelijke aanstelling kan er
                    ook nog onduidelijkheid zijn over het functioneren van de vrijwilliger;
                    bijvoorbeeld omdat de vrijwilliger lange tijd ziek is geweest. Daarom is het
                    mogelijk om in bijzondere situaties een tweede tijdelijke aanstelling te
                    verlenen. De maximale termijn voor een tijdelijke proefaanstelling is drie jaar
                    en er kunnen maximaal twee tijdelijke aanstellingen verleend worden.</al><tussenkop>Artikel 19:7 Voorwaarden voor aanstelling (T)</tussenkop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt een aantal eisen aan de vrijwilliger. Een
                    belangrijke voorwaarde is dat de vrijwilliger blijkens een geneeskundig
                    onderzoek in staat geacht kan worden de op te dragen werkzaamheden naar behoren
                    te verrichten. Dit betekent dat een vrijwilliger voordat hij aangesteld kan
                    worden een keuring moet ondergaan. Daarna wordt de vrijwilliger periodiek
                    gekeurd.</al><tussenkop>Artikel 19:9 Bevordering (T)</tussenkop><al>Het Besluit brandweerpersoneel stelt opleidingseisen aan de verschillende
                    rangen. Bevordering naar een volgende rang kan alleen plaatsvinden indien de
                    vrijwilliger het daarvoor benodigde diploma heeft behaald. Het is overigens niet
                    zo dat het behalen van een diploma recht geeft op bevordering; hierover beslist
                    het college. Dit artikel beoogt niet in te grijpen in lokale aanstellings- en
                    bevorderingsbesluiten.</al><tussenkop>Artikel 19:12 Informatie aan hoofdwerkgever (T)</tussenkop><al>De meeste vrijwilligers hebben een baan in loondienst. Om als vrijwilliger goed
                    inzetbaar te zijn is het van belang dat de hoofdwerkgever medewerking hieraan
                    verleent. Het kan immers voorkomen dat een vrijwilliger onder werktijd
                    werkzaamheden voor de brandweer moet verrichten. Ook dienen zowel de gemeente
                    als de hoofdwerkgever bij het vaststellen van de werktijden rekening te houden
                    met de Arbeidstijdenwet; de werkzaamheden voor de brandweer worden namelijk
                    meegeteld als arbeidstijd in het kader van de Arbeidstijdenwet. De vrijwilliger
                    moet de gemeente informatie geven over zijn hoofdwerkgever die er, onder meer,
                    toe strekt dat de gemeente in contact kan komen met de hoofdwerkgever. De
                    vrijwilliger heeft daarnaast de plicht om zijn hoofdwerkgever te informeren over
                    een aantal praktische zaken die bij het vrijwilligerschap horen.</al><tussenkop>Artikel 19:13 Vergoeding (T)</tussenkop><al>Voor een zeer beperkte groep vrijwilligers geldt een aangepaste
                    vergoedingentabel. De aangepaste tabel geldt voor de zeer beperkte categorie
                    vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de
                    zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat hierbij om personen die
                    vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                    brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de
                    Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                    punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten
                    van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in 1980 is een
                    overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers die op 31 december
                    1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde
                    dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze overgangsbepaling zijn er nu
                    nog vrijwilligers bij de brandweer die overheidswerknemer zijn en pensioen
                    opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn per
                    definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is deze aparte vergoedingentabel niet van
                    belang, maar geldt de reguliere vergoedingentabel.</al><tussenkop>Artikel 19:15 Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                    werkzaamheden (T)</tussenkop><al>In deze paragraaf worden de vergoedingen geregeld. De vergoeding valt uiteen in
                    een jaarvergoeding en een aantal vergoedingen per activiteit. De hoogte van de
                    vergoeding verschilt per functie en per activiteit. De onkostenvergoeding is
                    bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:16 Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                    hulpverlening (T) </tussenkop><al>De onkostenvergoeding is bedoeld voor de vergoeding van de reiskosten van de
                    vrijwilligers. </al><tussenkop>Artikel 19:17 Vergoeding voor langdurige aanwezigheid (T)</tussenkop><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid is bedoeld voor activiteiten die een
                    groot tijdsbeslag leggen op de agenda van de vrijwilliger of waarvoor de
                    vrijwilliger verlof moet opnemen in zijn hoofdbetrekking. Als voorbeeld kan
                    dienen het deelnemen aan oefeningen in het buitenland; dit neemt vaak meerdere
                    dagen in beslag. Als de vrijwilliger recht heeft op de langdurigheidstoeslag
                    komt deze in de plaats van de vergoeding uit kolom twee, de vergoeding voor
                    oefeningen, cursussen en overige werkzaamheden. De vrijwilliger ontvangt een
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid wanneer hij vijf uur of langer ingezet
                    wordt. De vergoeding geldt voor alle uren van de inzet; duurt de inzet
                    bijvoorbeeld zes uur dan ontvangt de vrijwilliger over alle zes uren de
                    vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt alleen verstrekt
                    over die uren waarin daadwerkelijk geoefend wordt of een cursus gevolgd wordt;
                    de reistijd bijvoorbeeld telt dus niet mee voor de berekening van de vijf uren
                    en over deze tijd wordt ook geen vergoeding verstrekt. De vergoeding voor
                    langdurige aanwezigheid is evenmin bedoeld als vergoeding voor
                    kazerneringsdiensten. Wanneer een gemeente werkt met kazerneringsdiensten voor
                    vrijwilligers dan moet hiervoor op grond van artikel 19:19 lokaal een
                    vergoedingsregeling vastgesteld worden.</al><tussenkop>Artikel 19:18 Consignatievergoeding (T)</tussenkop><al>Deze vergoeding wordt alleen verstrekt wanneer een vrijwilliger zich buiten de
                    kazerne ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden.</al><tussenkop>Artikel 19:19 Kazerneringsdienst (T)</tussenkop><al>LOGA-partijen hebben in het onderhandelingsakkoord over de vrijwilligers bij de
                    brandweer, d.d. 15 mei 2009, afgesproken dat onderzoek verricht zal worden naar
                    de in het land gebruikte bedrijfsvoeringsmodellen voor de inzet van
                    brandweervrijwilligers. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek
                    treden LOGA-partijen opnieuw met elkaar in overleg over de rechtspositie van de
                    vrijwilliger. De mogelijkheid om lokaal een regeling te treffen over vergoeding
                    van kazerneringsdiensten is daardoor van tijdelijke aard.</al><tussenkop>Artikel 19:22 Gratificatie (T)</tussenkop><al>Het toekennen van een gratificatie is alleen mogelijk als hiertoe lokaal een
                    regeling is opgesteld. Deze regeling moet specifiek betrekking hebben op
                    vrijwilligers bij de brandweer. De lokale regeling over gratificaties en andere
                    vormen van flexibele beloning is niet van toepassing op de vrijwilligers.</al><tussenkop>Artikel 19:23 Fiscaal aantrekkelijke regelingen (T)</tussenkop><al>Artikel 4a:3 van de CAR-UWO maakt het mogelijk om een lokale regeling te treffen
                    met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Als een gemeente een dergelijke
                    regeling heeft dan mag de vrijwilliger hier ook gebruik van maken. Of de
                    vrijwilliger ook daadwerkelijk fiscaal voordeel geniet hangt van individuele
                    factoren en of de vrijwilliger voldoet aan de eisen die de fiscus stelt aan
                    gebruikmaking van de regeling. Het openstellen van deze regelingen voor
                    vrijwilligers betekent dus niet automatisch dat de vrijwilliger hier ook gebruik
                    van kan maken. De voorwaarden die in de lokale regeling gesteld zijn ten aanzien
                    van deelname zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijwilliger. Biedt de
                    lokale regeling ook andere aanspraken dan alleen de mogelijkheid van
                    gebruikmaking van fiscaal gunstige voorzieningen, dan zijn deze andere
                    aanspraken niet van toepassing op de vrijwilliger. Dit artikel voorziet enkel in
                    de mogelijkheid om de vrijwilliger de mogelijkheid te geven om binnen de fiscale
                    randvoorwaarden gebruik te maken van fiscaal gunstige regelingen.</al><tussenkop>Artikel 19:25 Ongevallenverzekering (T)</tussenkop><al>Het college is verplicht om een ongevallenverzekering voor de vrijwilliger af te
                    sluiten. Deze verzekering voorziet in een financiële uitkering wanneer de
                    vrijwilliger overlijdt of tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt raakt als
                    gevolg van een ongeval tijdens de brandweerdienst. Een goede
                    informatievoorziening over de inhoud van de verzekering is van groot belang;
                    daarom heeft de werkgever de plicht om de vrijwilliger bij indiensttreding te
                    informeren en relevante wijzigingen te melden.</al><tussenkop>Artikel 19:26 Vergoeding geneeskundige kosten (T)</tussenkop><al>De medische kosten van een vrijwilliger zullen grotendeels vergoed worden door
                    de zorgverzekeraar. Een deel van de kosten kan echter voor rekening blijven van
                    de vrijwilliger; de ongevallen verzekering biedt hiervoor een voorziening.</al><tussenkop>Artikel 19:27 Verzekering zelfstandig ondernemers (T)</tussenkop><al>De gevolgen van een dienstongeval zijn voor vrijwilligers die zelfstandig
                    ondernemer zijn vaak groter dan voor vrijwilligers in loondienst. De
                    vrijwilliger in loondienst heeft vanuit zijn hoofdbetrekking immers recht op
                    loondoorbetaling gedurende twee jaar. Voor de zelfstandig ondernemer is dit
                    afhankelijk van de verzekering die hij zelf tegen arbeidsongeschiktheid heeft
                    afgesloten. Om die reden geven LOGA-partijen gemeenten het advies om een
                    aanvullende verzekering af te sluiten. Deze aanvullende verzekering is echter
                    niet verplicht.</al><tussenkop>Artikel 19:28 Schade aan kleding en uitrusting (T)</tussenkop><al>Als de vrijwilliger schade lijdt als gevolg van zijn werkzaamheden wordt dit in
                    onder voorwaarden vergoed door het college. Dit artikel beperkt zich tot de
                    schade aan kleding en uitrusting en schade aan het voertuig waarmee de
                    vrijwilliger een dienstreis maakt. Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de
                    vrijwilliger voorafgaand toestemming nodig heeft van het college om bij een
                    dienstreis gebruik te maken van de eigen auto. Bij het bepalen van de hoogte van
                    de schadevergoeding mag de werkgever rekening houden met normale slijtage. Het
                    is niet de bedoeling dat de medewerker een onrechtvaardig voordeel geniet door
                    standaard de schade te vergoeden op basis van de nieuwwaarde van een goed.</al><tussenkop>Artikel 19:29 Zwangerschap (T)</tussenkop><al>De werkgever is wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat een vrouw veilig en
                    gezond kan werken tijdens de zwangerschap; hierover zijn regels vastgelegd in
                    wet- en regelgeving over arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. De eisen die
                    aan de werkgever gesteld worden, in combinatie met de aard van het brandweerwerk
                    zijn van dien aard dat ervoor gekozen is om zwangere vrouwen en vrouwen die
                    borstvoeding geven uit de repressieve brandweerdienst te halen. Dit geldt ook
                    voor vrouwen die korter dan zes maanden geleden zijn bevallen. Deelname aan
                    brandweeroefeningen is alleen toegestaan nadat voorafgaand overleg is geweest
                    met de bedrijfsarts en toestemming verleend is. Om deze regeling goed uit te
                    kunnen voeren is het belangrijk dat een vrouwelijke vrijwilliger in een zo vroeg
                    mogelijk stadium haar zwangerschap meldt.</al><tussenkop>Artikel 19:30 Beschikbaarheid van de vrijwilliger (T)</tussenkop><al>De organisatie van de vrijwillige brandweer verschilt per korps. Veel korpsen
                    werken met het vrije instroomprofiel, anderen werken met consignatie- of
                    kazerneringsdiensten voor vrijwilligers. In alle gevallen is het van belang dat
                    de vrijwilliger voldoende beschikbaar is voor de brandweerdienst en dat de
                    korpsleiding ervan op de hoogte is wie wel en wie niet beschikbaar is.</al><tussenkop>Artikel 19:31 Verplichtingen (T)</tussenkop><al>Dit artikel legt een verband met de plichten die een vrijwilliger heeft op grond
                    van zijn aanstelling. Het biedt de grondslag om een disciplinaire maatregel op
                    te leggen wegens plichtsverzuim.</al><tussenkop>Artikel 19:32 Eed of belofte (T)</tussenkop><al>Sinds maart 2006 is de overheidswerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                    stellen personeel een ambtseed- of belofte af te nemen. Dit is een van de
                    middelen om bewuster om te gaan met integriteit.</al><tussenkop>Artikel 19:33 Verboden (T)</tussenkop><al>Overtreding van deze artikelen levert plichtsverzuim op; dit kan leiden tot een
                    disciplinaire straf. Bij persoonlijk gebruik van goederen van de gemeente kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan het gebruik van een brandweervoertuig voor een
                    privéverhuizing.</al><tussenkop>Artikel 19:34 Gebruik van motorrijtuig (T)</tussenkop><al>Gebruik van de eigen auto voor dienstreizen is alleen toegestaan wanneer het
                    college daarvoor toestemming heeft verleend. Indien de vrijwilliger zonder
                    toestemming van het college toch de eigen auto gebruikt dan zal ingeval van
                    eventuele schade het college niet gehouden zijn tot vergoeding daarvan. Het al
                    dan niet verlenen van toestemming is niet van invloed op de aansprakelijkheid
                    van het college jegens derden ex artikel 6:170 van het Burgerlijk Wetboek. Dit
                    artikel stelt dat de werkgever aansprakelijk is voor schade die aan een derde
                    wordt toegebracht door één van de werknemers.</al><tussenkop>Artikel 19:35 Kledingvoorschrift (T)</tussenkop><al>Vrijwilligers dragen dezelfde uniformen en onderscheidingstekenen als de
                    beroepsbrandweerlieden. De bij de rangen behorende onderscheidingstekenen zijn
                    te vinden in de Regeling uniformkleding en onderscheidingstekenen
                    rijksbrandweerpersoneel. Grondslag voor deze regeling is Artikel 65, eerste lid,
                    Algemeen Rijksambtenarenreglement. Hierin staat dat de ambtenaar verplicht is de
                    dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze
                    Minister is voorgeschreven.</al><tussenkop>Artikel 19:39 Disciplinaire straffen (T)</tussenkop><al>Tijdens de periode van schorsing als disciplinaire straf wordt als regel de
                    vergoeding ingehouden. Het gaat hier om zowel de vaste als de variabele
                    vergoeding.</al><tussenkop>Algemeen (T)</tussenkop><al>In dit hoofdstuk is de aanstellingskeuring en de periodieke medische keuring
                    voor repressief brandweerpersoneel geregeld.</al><tussenkop>Artikel 19a:1 Algemeen (T)</tussenkop><al>Omdat het werk in repressieve dienst bijzondere eisen stelt aan de medische
                    geschiktheid van de medewerker en gevaren met zich mee kan brengen voor de
                    medewerker zelf en voor derden die zijn betrokken bij zijn werkzaamheden, wordt
                    de medewerker in repressieve dienst onderworpen aan een aanstellingskeuring en
                    een periodiek medische keuring. De keuringen zijn verplicht voor medewerkers
                    (beroeps en vrijwilligers) in een functie van manschap a en b of bevelvoerder
                    zoals vermeld in het Besluit personeel veiligheidsregio’s. Het college heeft de
                    mogelijkheid andere functies aan te wijzen waarvoor de aanstellingskeuring en
                    periodieke medische keuring wordt verplicht. Uitgangspunt hierbij moet wel zijn
                    dat het uitoefenen van de functie belastend is voor de gezondheid van de
                    medewerker, danwel risico’s voor derden met zich meebrengt. Hierbij dient de Wet
                    op de medische keuringen in acht te worden genomen.</al><tussenkop>Artikel 19a:2 Aanstellingskeuring (T)</tussenkop><al>Al het brandweerpersoneel dat in dienst treedt in een functie van manschap A en
                    B of bevelvoerder moet gekeurd worden. Dit zijn de functies binnen de brandweer
                    waarbij aan medewerkers bijzondere eisen aan de medische geschiktheid worden
                    gesteld. Dit geldt zowel voor beroepspersoneel als voor vrijwilligers. Lokaal
                    kan worden vastgesteld bij welke andere functies ook gekeurd moet worden.</al><al>Hierbij moet rekening worden gehouden met de Wet op de medische keuringen. Deze
                    staat een aanstellingskeuring alleen toe als aan de vervulling van de functie,
                    waarop de aanstelling betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de
                    medische geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor de
                    functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid van degene
                    die gekeurd wordt en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende
                    arbeid.</al><al>De inhoud van de aanstellingskeuring is vastgelegd in bijlage VIIa van de CAR.
                    Deze aanstellingskeuring is in opdracht van het LOGA door het Coronel instituut
                    ontwikkeld.</al><tussenkop>Artikel 19a:3 Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Vanwege bescherming van de gezondheid en veiligheid van de brandweermedewerker
                    en vanwege de bescherming van de gezondheid en veiligheid van derden bij de
                    uitvoering van de arbeid is het noodzakelijk om de medische geschiktheid van de
                    medewerker ook na aanstelling te blijven toetsen. Daarom zijn regels gesteld
                    over het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). Uit het PPMO volgt een
                    oordeel over de medische geschiktheid van de medewerker voor de uitoefening van
                    zijn functie. Het PPMO geeft daarnaast een prognose over de belastbaarheid van
                    de medewerker in de nabije toekomst. Het LOGA heeft een model gemaakt over het
                    rechtspositioneel kader bij de keuringen. Hierin staan de rechten en plichten
                    van de werkgever en de medewerker bij de keuring. Dit model is onder meer te
                    vinden op vng.nl.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De inhoud van het PPMO is ontwikkeld door het Coronel Instituut in samenwerking
                    met de sociale partners en mensen uit de brandweerbranche. Het PPMO geeft
                    inzicht in de ontwikkeling van de belastbaarheid. Met de keuring is beoogd in te
                    schatten of de medewerker voldoet aan de bijzondere eisen aan medische
                    geschiktheid die de functie vereist. Dit ter bescherming van de gezondheid van
                    de medewerker en ter bescherming van derden die betrokken zijn bij het werk van
                    de medewerkers. Als uit het PPMO blijkt dat de medewerker nu of op termijn zijn
                    werkzaamheden niet meer kan uitvoeren dan ondernemen de werkgever en de
                    medewerker gezamenlijk actie. Doel hierbij is de medewerker klaar te stomen voor
                    een andere functie. Het LOGA zal in overleg met de NVBR een handreiking maken
                    over hoe omgegaan kan worden met keuringresultaten en welke stappen er genomen
                    kunnen worden. Naar verwachting is deze handreiking in het voorjaar van 2011
                    gereed.</al><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>De frequentie van het PPMO is gekoppeld aan de leeftijd van de medewerker. Bij
                    indiensttreding wordt het PPMO afgenomen als nulmeting. Vervolgens wordt iedere
                    medewerker die jonger is dan 40 jaar eenmaal per 4 jaar getest. Medewerkers
                    tussen de 40 en 50 jaar, eens per twee jaar en medewerkers ouder dan 50 worden
                    ieder jaar getest. Met deze frequentie is aangesloten bij het oude besluit
                    brandweerpersoneel en dus bij de frequenties van de oude medische testen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Oefenen is ook onderdeel van de taken van een medewerker. Bij de beoordeling van
                    welke taken de medewerker wordt vrijgesteld moet dus ook worden vastgesteld in
                    hoeverre de medewerker nog kan meedoen aan de oefening.</al><tussenkop>Artikel 19a:4 Fysieke test (T)</tussenkop><al>De functie van manschap a en b en bevelvoerder stelt bijzondere eisen aan de
                    fysieke conditie van de medewerker. Jaarlijks wordt de fysieke conditie daarom
                    getoetst. De functiespecifieke test van het PPMO kan hiervoor gebruikt
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 19b:1 Werkingssfeer (T)</tussenkop><al>Alle genoemde functies, zonder onderscheid in junior of senior, behoren tot de
                    doelgroep van dit hoofdstuk.</al><tussenkop>Artikel 19b:2 Begripsbepaling (T)</tussenkop><al>Een instelling kan zowel kunsteducatie aanbieden als ondersteuning hierbij
                    leveren. Ook een combinatie van het aanbieden en het leveren van ondersteuning
                    is mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 19b:5 Verdeling van werkzaamheden (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>De werkgever moet een regeling vaststellen waarin per discipline de verhouding
                    wordt vastgesteld van de verschillende soorten werkzaamheden binnen lesgebonden
                    en niet-lesgebonden uren. Het sjabloon, opgenomen in bijlage IVa, waarin de
                    werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren worden opgesomd, is
                    het handvat voor de lokale regeling. Aan de hand van kenmerken van de instelling
                    en de discipline worden onderdelen uit het sjabloon opgenomen in de lokale
                    regeling.</al><al>Zo zal in instellingen die uit meerdere vestigingen bestaan de reistijd die
                    nodig is om tussen de verschillende vestigingen te reizen van invloed zijn op de
                    verhouding lesgebonden en niet-lesgebonden uren. Wanneer bepaalde werkzaamheden
                    worden verricht op verschillende locaties zullen meer niet-lesgebonden uren
                    nodig zijn dan wanneer dezelfde werkzaamheden op één locatie worden
                    uitgevoerd.</al><al>In de regeling kan per discipline een afwijking op de verhouding lesgebonden
                    versus niet-lesgebonden uren worden opgenomen. De voorwaarden voor deze
                    afwijking, die ook in de regeling zijn opgenomen, bepalen welke verhouding voor
                    de individuele ambtenaar geldt.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>Voor de discipline gitaardocent is in de lokale
                    regeling vastgelegd dat de standaardverhouding X% lesgebonden uren en Y%
                    niet-lesgebonden uren is. Als afwijking is in de regeling opgenomen dat een
                    gitaardocent met minder dan 3 jaar ervaring 5% meer niet-lesgebonden uren krijgt
                    voor de voorbereiding van lessen. Voor hem geldt dan een verhouding van X – 5%
                    lesgebonden uren en Y + 5% niet-lesgebonden uren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het college stelt de regeling vast. Maar het college doet dat niet voordat er
                    via open en reëel overleg overeenstemming over is bereikt tussen de werkgever en
                    de OR. Wanneer een van de partijen vindt dat het overleg over deze lokale
                    regeling niet juist heeft plaatsgevonden, legt het college de regeling op basis
                    van de WOR ter instemming voor aan de OR.</al><tussenkop>Artikel 19b:8 Uitloopbedragen (T)</tussenkop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De uitloopbedragen gelden voor alle ambtenaren in de kunsteducatie en zijn erop
                    gericht om wat langer financieel perspectief te bieden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al><cursief>Voorbeeld</cursief>De heer Van de Wel heeft op 1 augustus 2009 zijn
                    periodieke verhoging gehad naar periodiek 15 van schaal 8 (dit is de
                    maximumperiodiek). De eerstvolgende verhoging naar uitloopbedrag 1 van schaal 8
                    vindt pas na 2 jaar plaats: per 1 augustus 2011.</al><tussenkop>Artikel 19b:9 Recht op toelage onregelmatige dienst (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Het werken op onregelmatige tijden (de tijden buiten de reguliere kantoortijden)
                    is gebruikelijk in de kunsteducatie. Voor het werken op zondag wordt een toelage
                    onregelmatige dienst verstrekt.</al><al><vet>Lid 2 en 4</vet></al><al>Hoofdregel is dat de compensatie voor het werken op zondag wordt verstrekt in de
                    vorm van extra vrije tijd. Mochten zowel het college als de ambtenaar dat wensen
                    dan kan de compensatie ook in geld in plaats van vrije tijd worden
                    verleend.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De extra vrije tijd die de ambtenaar krijgt voor het werken op zondag, wordt
                    niet, zoals bij vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de verplicht vrije
                    periode conform artikel 19b:11, lid 1. Deze extra vrije tijd wordt op verzoek
                    van de ambtenaar verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan de algemene
                    regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 19b:10 t/m 19b:15 Algemene toelichting op paragraaf 3
                    (T)</tussenkop><al>Ambtenaren die onder de werking van dit hoofdstuk vallen, hebben meer vrij dan
                    een reguliere gemeenteambtenaar. Dit resulteert in een lager aantal te werken
                    uur per jaar. Een reguliere ambtenaar werkt 1.677,6 uur per jaar op basis van
                    een fulltime dienstverband (1.836 uur -/- 158,4 vakantie-uren). Een ambtenaar
                    die onder de werking van dit hoofdstuk valt, werkt 1656 uur per jaar.</al><al>Deze 1656 uur per jaar komen als volgt tot stand:</al><lijst><li nr="-"><al>een volledig dienstverband bedraagt 1836 uur per jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van het standaard aantal vakantie-uren van 158,4 uur per
                            jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar. Hier wordt
                            gefaseerd naar toe gewerkt (zie artikel 19b:13).</al></li></lijst><al>De extra vakantie-uren van 21,6 uur per jaar worden toegekend omdat cursorisch
                    onderwijs in de sector met zich meebrengt dat het onderwijzend personeel
                    beperkter is in de vakantieopname dan reguliere gemeenteambtenaren.</al><al>Voorwaarde voor het krijgen van deze extra vakantie-uren is dat voor de
                    ambtenaar:</al><lijst><li nr="-"><al>een deel van het jaar is aangemerkt als verplichte vakantieperiode,
                            of</al></li><li nr="-"><al>een deel van het jaar geen vakantie kan worden opgenomen door toewijzing
                            van lessen/cursussen. Deze 21,6 uur geldt voor fulltimers. Voor
                            parttimers is dat naar rato. Wanneer een ambtenaar voldoet aan
                            bovenstaande voorwaarden is de totale hoeveelheid vakantieverlof 180 uur
                            per jaar (158,4 + 21,6).</al></li></lijst><al>Hoewel kortdurend cursorisch onderwijs in opkomst is, komt langlopend cursorisch
                    onderwijs nog steeds erg veel voor. Bij het vaststellen van de perioden voor
                    langlopend cursorisch onderwijs houdt de werkgever rekening met 12 lokale
                    schoolvakantieweken, waarvan de ambtenaar zich gedurende 1 week beschikbaar moet
                    houden voor werkzaamheden van organisatorische aard. Onderwijzend personeel
                    heeft daarom vakantie in de perioden dat er geen cursorisch onderwijs is
                    ingepland. Dit betekent dat onderwijzend personeel verplicht vrij is in de 12
                    lokaal vastgestelde vakantieweken.</al><al>Hiervan kan worden afgeweken:</al><lijst><li nr="-"><al>met instemming van de ondernemingsraad of</al></li><li nr="-"><al>na overeenstemming daarover tussen de werkgever en de individuele
                            ambtenaar.</al></li></lijst><al>De te werken uren moeten worden verdeeld over het jaar, afhankelijk van het
                    aantal verplicht vrije weken, dat lokaal is vastgesteld. Hieronder wordt in een
                    aantal voorbeelden toegelicht hoe de feitelijke arbeidsduur per week bepaald
                    wordt. Overigens hoeft de instelling niet voor alle ambtenaren die werkzaam zijn
                    binnen de instelling dezelfde verdeling te hanteren. Het is mogelijk dat voor
                    een deel van het personeel alle vakantie-uren opgenomen moeten worden in de 12
                    verplichte vrije weken terwijl voor een ander deel van het personeel (een deel
                    van) de vakantie-uren vrij opneembaar zijn.</al><al>Hieronder volgt een aantal voorbeelden waarbij telkens:</al><lijst><li nr="-"><al>bij bullet 1 wordt aangegeven hoe men vanuit 1656 uur per jaar komt tot
                            het aantal te werken uren per dag en</al></li><li nr="-"><al>bij bullet 2 wordt aangegeven hoeveel uur verlof de ambtenaar
                            (rekentechnisch) opneemt per verlofdag. Dit is relevant te weten bij
                            samenloopsituaties van verplicht vrije perioden met bijvoorbeeld ziekte,
                            zwangerschaps- of bevallingsverlof en ouderschapsverlof.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 1: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken. Er zijn dan:</al><lijst><li nr="-"><al>40 werkweken (52 – 12 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                            arbeidsduur van 41,4 uur (1656 / 40) per week. Dit is 8,28 uur per
                            dag.</al></li><li nr="-"><al>12 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) / 12 = 15
                            uur per week = 3 uur per dag verlof opneemt. Per verplicht vrije dag
                            worden dus 3 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 2: Een instelling hanteert 12 verplicht vrije weken, maar medewerkers
                    moeten 1 week hiervan werkzaamheden voor de instelling verrichten. Er zijn
                    dan:</al><lijst><li nr="-"><al>41 werkweken (52 – 11 verplicht vrije weken) met een feitelijke
                            arbeidsduur van 40,39 uur (1656 / 41) per week. Dit is 8,08 uur per
                            dag.</al></li><li nr="-"><al>11 weken verplicht vrij waarin de ambtenaar 180 (158,4 + 21,6) / 11 =
                            16,36 uur per week = 3,27 uur per dag verlof opneemt. Per verplicht
                            vrije dag worden dus 3,27 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><al>Voorbeeld 3 (bij artikel 19b:10 lid 2): Een instelling kiest met instemming van
                    de OR of in overeenstemming met de individuele ambtenaar voor een combinatie van
                    verplicht vrije periodes met vrij opneembare vakantie-uren. De instelling kiest
                    voor 1 week vrij opneembare vakantie en 6 verplicht vrije weken. Er zijn
                    dan:</al><lijst><li nr="-"><al>45 werkweken (52 – 7 vrije weken) met een feitelijke arbeidsduur van
                            36,8 uur (1656 / 45) per week. Dit is 7,36 uur per dag.</al></li><li nr="-"><al>6 weken verplicht vrij + 1 week vrij opneembaar vakantie waarin de
                            ambtenaar (180 (158,4 + 21,6) / 7 = 25,71 uur per week = 5,14 uur per
                            dag verlof opneemt. Per verplicht vrije dag en vrij opneembare dag
                            worden dus 5,14 vakantie-uren ingeleverd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 19b:12 Vaststellen van het rooster (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De werkgever maakt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 2 maanden na
                    ingang van het cursusjaar, een rooster van de in dat cursusjaar te werken
                    uren.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Als een geplande cursus niet doorgaat, moet de werkgever bekijken of een nieuw
                    rooster moet worden gemaakt. Op die manier wordt voorkomen dat een ambtenaar,
                    van wie een cursus niet doorgaat, aan het eind van een cursusjaar nog veel uren
                    extra moet werken om het voorgeschreven aantal te werken uren per jaar te
                    behalen.</al><tussenkop>Artikel 19b:13 Overgangsrecht (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Afgesproken is dat het aantal daadwerkelijk te werken uren 1656 uur per jaar
                    bedraagt op basis van een volledig dienstverband. Deze 1656 uur komt als volgt
                    tot stand:</al><lijst><li nr="-"><al>een volledig dienstverband bedraagt 1836 uur per jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van het standaard vakantieverlof van 158,4 uur per jaar</al></li><li nr="-"><al>aftrek van extra vakantieverlof van 21,6 uur per jaar.</al></li></lijst><al>Omdat ambtenaren in veel instellingen tot 1 januari 2009 een lager aantal te
                    werken uren per jaar kennen is overgangsrecht overeengekomen. Het overgangsrecht
                    houdt in dat de ambtenaar vanaf 1 januari 2009 elk jaar 72 uur meer gaat werken
                    totdat men het te werken aantal uren van 1656 bereikt. Voor instellingen die
                    minder dan 72 uur van de 1656 uur af zitten, wordt het aantal te werken uren
                    verhoogd tot 1656 uur.</al><al>Voorbeeld: In instelling A werkt het onderwijzend personeel momenteel na aftrek
                    van het standaard aantal vakantie-uren 1440 uren per jaar. De werkgever van deze
                    instelling werkt in stappen van 72 uur per jaar toe naar 1656 werkuren per
                    jaar:</al><lijst><li nr="-"><al>per 1 januari 2009: 1440 + 72 = 1512 uur per jaar werken;</al></li><li nr="-"><al>per 1 januari 2010: 1512 + 72 = 1584 uur per jaar werken;</al></li><li nr="-"><al>per 1 januari 2011: 1584 + 72 = 1656 uur per jaar werken.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien tijdens de overgangsfase nieuwe ambtenaren worden aangesteld, geldt voor
                    deze nieuwe ambtenaren het aantal te werken uur zoals op dat moment geldt voor
                    de al in dienst zijnde ambtenaren. Het aantal te werken uren van deze nieuwe
                    ambtenaren wordt vervolgens op gelijke wijze verhoogd als bij de in dienst
                    zijnde ambtenaren.</al><al>Voorbeeld: In instelling A (dezelfde instelling als in het vorige voorbeeld)
                    wordt op 1 januari 2010 een nieuwe ambtenaar aangesteld. Deze ambtenaar met een
                    volledig dienstverband werkt in 2010 1584 uur. Vanaf 1 januari 2011 werkt deze
                    ambtenaar 1656 uur per jaar.</al><tussenkop>Artikel 19b:14 Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn
                    (T)</tussenkop><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al>Bij het verhogen van het aantal te werken uren per jaar geldt tot 2012 een
                    ontslagverbod als er te weinig werk voorhanden is om de meer te werken uren per
                    jaar in te vullen. Het ontslagverbod geldt alleen als de verhoging van het
                    aantal te werken uren uitsluitend oorzaak is voor overtolligheid. Ontslag op een
                    andere grond wel is geoorloofd.</al><tussenkop>Artikel 19b:15 Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                    verplicht vrije periode (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 3 bij artikel 19b:10.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Conform artikel 19b:11, eerste lid, kan een ambtenaar een verplicht vrije
                    periode worden opgelegd in bepaalde weken van het jaar. Die verplichte vrije
                    periode kan samenlopen met een periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof.
                    Daarnaast wordt deze ambtenaar geacht in die verplicht vrije periode vakantie te
                    genieten. Omdat er slechts sprake kan zijn van één verlofvorm tegelijkertijd en
                    in dit geval zwangerschaps- en bevallingsverlof voorgaat op vakantie, geniet de
                    ambtenaar geen vakantie in die verplichte vrije periode. Dit artikel regelt dat
                    de ambtenaar bij deze samenloop een compensatie krijgt voor de niet genoten
                    vakantie-uren tot 144 uur (het geldende minimum volgens de uitspraak van het Hof
                    van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 6 april 2006 (C-124/05)). Het
                    aantal vakantie-uren dat gecompenseerd wordt, is afhankelijk van de feitelijke
                    arbeidsduur in de verplicht vrije periode (zie artikel 19b:10, lid 2 en de
                    toelichting op paragraaf 3).</al><al>Voorbeeld 1: Een fulltime ambtenaar gaat eind 2009 3 weken voorafgaand aan de
                    jaarwisseling met zwangerschaps- of bevallingsverlof. Haar verlof duurt tot en
                    met week 13 van 2010.</al><al>De instelling werkt met 12 verplicht vrije weken per jaar, waarvan</al><lijst><li nr="-"><al>de laatste week van 2009 vrij is in verband met de kerstvakantie,</al></li><li nr="-"><al>de eerste anderhalve week (8 werkdagen) van 2010 vrij is in verband met
                            de kerstvakantie en</al></li><li nr="-"><al>week 8 van 2010 vrij is in verband met de voorjaarsvakantie.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van 12 verplicht vrije weken per jaar. Hierdoor zijn de 180
                    vakantie-uren verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen. Per (werk)dag in
                    de verplicht vrije periode genieten medewerkers dus 3 uur vakantie.</al><al><cursief>Berekening 2009</cursief>In 2009 loopt de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof dus samen met 1 week verplicht vrij.</al><al>Betrokkene geniet 11 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. In 11 verplicht vrije weken geniet betrokkene wel vakantie met
                    een totale omvang van 11 x 5 x 3 = 165 uren. Omdat dit aantal hoger is dan 144
                    uur per jaar, krijgt betrokkene in 2009 geen compensatie.</al><al><cursief>Berekening 2010</cursief>In 2010 loopt de periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof dus samen met 2 en een halve week (13 werkdagen) verplicht
                    vrij.</al><al>Betrokkene geniet op 13 werkdagen van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof. In 9 weken en 2 dagen verplicht vrij geniet betrokkene wel
                    vakantie met een totale omvang van (9 x 5 + 2) x 3 = 141 uren. Het aantal
                    vakantie-uren dat gecompenseerd wordt is daarom gelijk aan 144 – 141 = 3
                    uur.</al><al>Voorbeeld 2:Een fulltime ambtenaar is zwanger in 2013. Voor haar zijn 12
                    verplicht vrije weken vastgesteld. De periode van zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof loopt samen met 5 weken verplicht vrij in de zomer.</al><al>De 180 vakantie-uren zijn verspreid over 12 weken, zijnde 60 (werk)dagen. Per
                    (werk)dag in de verplicht vrije periode geniet men dus 3 uur vakantie.</al><al>Betrokkene geniet 5 van de 12 verplicht vrije weken zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. In 7 verplicht vrije weken geniet betrokkene wel vakantie met
                    een totale omvang van 7 x 5 x 3 = 105 uren. Het aantal vakantie-uren dat
                    gecompenseerd wordt is daarom gelijk aan 144 – 105 = 39 uur.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De vakantie-uren die de ambtenaar gecompenseerd krijgt, worden niet, zoals bij
                    de normale vakantie-uren het geval is, ingeroosterd in de verplicht vrije
                    periode conform artikel 19b:11, lid 1. De gecompenseerde vakantie-uren worden op
                    verzoek van de ambtenaar verleend. Dit verzoek dient te worden getoetst aan de
                    algemene regels over de duur van de vakantie van artikel 6:2:1, eerste lid.</al><al>Voorbeeld: De ambtenaar uit het voorbeeld bij het eerste lid krijgt 39 uur
                    gecompenseerd. Omdat deze ambtenaar in de te werken weken een arbeidsduur heeft
                    van 41,4 uur per week, kan deze ambtenaar 39 / 41,4 uur = 0,94 weken vakantie
                    opnemen. </al><al>NOTA BENE: Samenloop ziekte met een verplicht vrije periode Bij samenloop tussen
                    een verplicht vrije periode en ziekte geldt dezelfde uitvoering als hiervoor is
                    aangegeven, echter zonder het maximum van 144 uur. De ambtenaar krijgt dus alle
                    wegens ziekte niet genoten vakantie-uren gecompenseerd. Dit is gelijk aan de
                    regeling voor de reguliere ambtenaar.</al><tussenkop>Artikel 19b:16 Toelichting paragraaf 4 (T)</tussenkop><al>Reorganisatieontslag kan verschillende redenen hebben. Een van de redenen is dat
                    uit de actie van het college als bedoeld in artikel 19b:16 blijkt dat er in het
                    lopende cursusjaar minder ambtenaren met een bepaalde functie nodig zijn voor
                    het aantal cursussen en overige werkzaamheden binnen de instelling dan de totale
                    aanstellingsomvang van deze ambtenaren met dezelfde functie. In dat geval kan
                    (deeltijd)ontslag worden aangezegd op grond van artikel 8:3. Een andere reden
                    kan zijn dat er door vermindering van subsidie minder arbeidsplaatsen mogelijk
                    zijn.</al><al>In deze paragraaf wordt geregeld welke rechten gelden bij
                    reorganisatieontslag.</al><tussenkop>Artikel 19b:17 Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>In navolging op de CAO-afspraak 2005-2007 voor reguliere gemeenteambtenaren zijn
                    partijen overeengekomen de vaststelling van de ontslagvolgorde bij
                    reorganisaties ook over te laten aan het lokale overleg.</al><al>Mocht het lokale overleg nog niet tot een ontslagvolgorde zijn gekomen voor
                    ambtenaren in de instelling, dan geldt een ontslagvolgorde die achtereenvolgens
                    uitgaat van de drie genoemde criteria.</al><al>Onderdeel c Het afspiegelingsbeginsel in combinatie met het
                    anciënniteitsbeginsel houdt in dat medewerkers die het kortst in dienst zijn per
                    leeftijdsgroep het eerst voor ontslag in aanmerking komen. Bij het bepalen van
                    het aantal medewerkers dat per leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking wordt
                    gebracht, wordt getracht om de onderlinge verhouding van het aantal medewerkers
                    in elk van de leeftijdsgroepen gelijk te houden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Het achtereenvolgens hanteren van de in lid 2 genoemde criteria kan in sommige
                    gevallen onredelijk zijn. In uitzonderlijke gevallen kan het college afwijken
                    van deze ontslagvolgorde. Dit is het geval als een bepaalde ambtenaar beschikt
                    over zodanige kennis of bekwaamheden, dat zijn ontslag voor het functioneren van
                    de instelling bezwaarlijk is. Zo kan het college bijvoorbeeld beslissen dat een
                    pianoleraar die als tweede bevoegdheid harp heeft, niet ontslagen wordt ook al
                    komt hij voor ontslag in aanmerking bij toepassing van het
                    afspiegelingsbeginsel. De kwalificatie van deze docent, dat hij ook harplessen
                    kan geven, maakt hem uniek voor de instelling.</al><tussenkop>Artikel 19b:18 Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                    formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft van de
                    formele arbeidsduur (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al>Dit artikel regelt de afwijkingen en de rechten voor onderwijzend personeel in
                    de kunstzinnige vorming in geval van reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur
                    of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de helft
                    van zijn formele arbeidsduur. De reden van de afwijking is dat LOGA-partijen
                    vinden dat de langdurige verplichtingen voor zowel werkgever als medewerker van
                    hoofdstuk 10d niet in verhouding staan tot het geringe verlies van arbeidsuren
                    voor de medewerker.</al><al>Daarom hebben LOGA-partijen besloten dat hoofdstuk 10d in zijn geheel niet van
                    toepassing is. Net als voor ambtenaren in de kunstzinnige vorming die voor 5 uur
                    of meer of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor de helft of
                    meer van hun oorspronkelijke arbeidsduur ontslagen worden, geldt voor deze
                    medewerkers bij ontslag op grond van artikel 8:3 de ontslagvolgorde uit het
                    vooraf vastgesteld plan. Zolang dat plan nog niet is opgesteld, geldt ook voor
                    hen de ontslagvolgorde die als vangnetbepaling in artikel 19b:17 is opgenomen. </al><al>Los van wat individueel wordt afgesproken, geldt voor deze ambtenaren een
                    opzegtermijn van 3 maanden, waarbinnen zorgvuldig onderzoek plaatsvindt om te
                    beoordelen of de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente andere mede
                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende
                    werkzaamheden op te dragen zijn. Ontslag kan ook plaatsvinden als de ambtenaar
                    deze werkzaamheden weigert te aanvaarden.</al><al>Overigens kunnen ambtenaren met klein reorganisatieontslag als bedoeld in dit
                    artikel in plaats van de bovenwettelijke uitkeringen uit hoofdstuk 10d recht
                    hebben op de garantie-uitkering KV van artikel 19b:19<noot id="FN380568_1"><noot.al>Zie paragraaf 3.8.4</noot.al></noot>.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De ontslagvolgorde uit het vooraf vastgesteld plan, of als dat nog niet bestaat,
                    de ontslagvolgorde uit artikel 19b:17 is van toepassing op de ambtenaar. Al het
                    andere uit het vooraf vastgesteld plan geldt voor deze ambtenaren niet, tenzij
                    voor deze ambtenaren op individueel niveau nadere afspraken worden gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 19b:19 Garantie-uitkering KV (T)</tussenkop><al><vet></vet></al><al>Zie ook algemene toelichting op paragraaf 4 bij artikel 19b:16.</al><al><vet>Lid 9</vet></al><al>Onderdeel a</al><al>Dit onderdeel heeft onder meer betrekking op het recht op een
                    werkloosheidsuitkering dat kan ontstaan indien de ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>minder dan 5 uren of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur,
                            minder dan de helft van zijn formele arbeidsduur verliest en</al></li><li nr="-"><al>binnen 12 maanden wederom minder dan 5 uren of, bij een formele
                            arbeidsduur van minder dan 10 uur, minder dan de helft van zijn formele
                            arbeidsduur verliest</al></li></lijst><al>waardoor in die 12 maanden sprake is van een totaal verlies van minimaal 5 uren
                    of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, minimaal de helft van die
                    oorspronkelijke arbeidsduur. De ambtenaar moet wel zelf om de samentelling van
                    de uren verzoeken om een WW-uitkering te ontvangen. Dit is in aanvulling op de
                    Werkloosheidswet geregeld in het Besluit nadere regeling verlies van
                    arbeidsuren. In deze situatie ontstaat het recht op WW dus niet automatisch.
                    Indien het recht op een werkloosheidsuitkering kan ontstaan, dus als de
                    ambtenaar een verzoek om samentelling van zijn arbeidsurenverlies kan doen,
                    eindigt de garantie-uitkering. Dit betekent dat als de ambtenaar geen verzoek
                    indient voor een WW-uitkering, maar hij er wel recht op heeft, de
                    garantie-uitkering KV ook stopt.</al><tussenkop> Toepasselijkheid van hoofdstuk 3 op brandweerpersoneel in dienstroosters
                    (T)</tussenkop><al><vet>Algemeen </vet></al><al> Met ingang van 1 januari 2016 wordt een geheel vernieuwd beloningshoofdstuk
                    ingevoerd in de CAR UWO: hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk heeft een standaardkarakter,
                    hetgeen betekent dat afwijkingen ten nadele of ten gunste van de ambtenaar niet
                    zijn toegestaan. Het nieuwe beloningshoofdstuk is van toepassing op
                    brandweerpersoneel. Ten behoeve van brandweerpersoneel in dienstroosters heeft
                    het LOGA, na overleg in het LOBA, twee uitzonderingen gemaakt op hoofdstuk 3
                    (zie het tweede lid) en een tweetal aanvullingen toegevoegd (zie het derde en
                    vierde lid). </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In het tweede lid is geregeld dat de artikelen in hoofdstuk 3 die betrekking
                    hebben op de toelage onregelmatige dienst en de overwerkvergoeding niet van
                    toepassing zijn op brandweerpersoneel in dienstroosters. In plaats daarvan
                    blijven de lokale regels over de toelage onregelmatige dienst en de
                    overwerkvergoeding zoals die golden op 31 december 2015 van toepassing vanaf 1
                    januari 2016.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hoofstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van een vergoeding vanwege
                    het verschuiven van een rooster. Voor brandweerpersoneel dat werkzaam is in een
                    dienstrooster geldt dat wanneer er op 31 december 2015 een lokale regeling gold
                    voor de verschuivingstoelage, deze regeling van toepassing blijft vanaf 1
                    januari 2016.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Hoofdstuk 3 biedt geen grondslag voor het verstrekken van functiegebonden
                    toelagen. In de praktijk komt het voor dat aan brandweerpersoneel in
                    dienstroosters een dergelijke vergoeding wordt verstrekt. Indien er op 31
                    december 2015 lokaal een regeling geldt die voorziet in een functiegebonden
                    toelage voor bijvoorbeeld een duikploegleider of een oefenbegeleider dan behoudt
                    deze lokale regeling zijn toepassing vanaf 1 januari 2016.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>In dit artikel staan de respectieve uitzonderingen en aanvullingen op hoofdstuk
                    3 voor brandweerpersoneel in dienstroosters. De lokale regels zoals die golden
                    op 31 december 2015 ten aanzien van de vergoeding voor overwerk en onregelmatige
                    dienst, de verschuivingstoelage en de functiegebonden toelage voor bijvoorbeeld
                    een duikploegleider of een oefenbegeleider blijven ook vanaf de datum van
                    inwerkingtreding van het nieuwe beloningshoofdstuk, 1 januari 2016, van kracht.
                    In het vijfde lid wordt geregeld dat de genoemde regelingen in het lokale
                    overleg aangepast kunnen worden. LOGA partijen hebben niet beoogd op centraal
                    niveau de inhoud van de lokale regelingen ‘vast te zetten’ en het lokale overleg
                    in de Veiligheidsregio’s de mogelijkheid te ontnemen de in dit artikel genoemde
                    lokale regelingen te wijzigen.</al><tussenkop>Artikel 21:1:1 Begripsomschrijving (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                    levenspartners aan echtgenoten van gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt
                    onder welke voorwaarden een levenspartner van een ambtenaar gelijk wordt gesteld
                    aan een echtgeno(o)t(e). Het gaat daarbij om:</al><lijst><li nr="-"><al>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde regelingen
                            met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>aanspraken op salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                                    militaire dienst;</al></li><li nr="b"><al>het verlof met behoud van salarisbetaling wegens persoonlijke of
                                    familieomstandigheden;</al></li><li nr="c"><al>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                                    toepassing van artikel 8:16:3 de levenspartner als gezinslid
                                    wordt aangemerkt;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de wachtgelder;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>het recht op een uitkering;</al></li><li nr="b"><al>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de verhuiskosten-, de
                            reiskosten- en de pensionkostenvergoeding;</al></li><li nr="-"><al>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering bij
                            overlijden van de gewezen ambtenaar.</al></li></lijst><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof regelt
                    bij een huwelijk, kan er geen sprake zijn van het verlenen van buitengewoon
                    verlof bij het ondertekenen van een samenlevingscontract.</al><tussenkop>Hoofdstuk 22 Geen Toelichting (T)</tussenkop><al>Dit hoofdstuk heeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 99 Bijlage IV (T)</tussenkop><al><vet>Artikel 1, sub a</vet> Onder docent wordt verstaan de beroepskracht die
                    cursussen en/of lessen geeft in de disciplines muziek, beeldende vorming, drama,
                    dans, audiovisuele vorming en taal. Als een beroepskracht behalve docent ook als
                    consulent aan een instelling voor kunstzinnige vorming is verbonden, verdient
                    het de voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al><vet>Artikel 1, sub b</vet> Onder consulent wordt verstaan de beroepskracht die
                    een steunfunctie uitoefent op het gebied van muzikale, dansante, beeldende,
                    dramatische of audio-visuele vorming. In artikel 1 sub f staat het begrip
                    steunfunctie gedefinieerd. Als een beroepskracht behalve als consulent ook als
                    docent aan een instelling voor Kunstzinnige Vorming is verbonden, verdient het
                    de voorkeur om hem/haar twee maal aan te stellen. </al><al><vet>Artikel 3</vet>De algemene werkzaamheden omvatten onder andere: </al><lijst><li nr="1"><al> het bijwonen van docentenvergaderingen, sectievergaderingen of daarmee
                            vergelijkbare bijeenkomsten;</al></li><li nr="2"><al> het onderhouden van contacten met de directie ten behoeve van de
                            lessen/cursussen; </al></li><li nr="3"><al> het onderhouden van contacten met andere medewerkers ten behoeve van de
                            vereiste samenhang in de activiteiten van de instelling; </al></li><li nr="4"><al> het onderhouden van contacten met de (ouders van) leerlingen/cursisten
                            voor zover deze verband houden met de activiteiten van de instelling;
                        </al></li><li nr="5"><al> het ontwikkelen en verzorgen van materiaal ten behoeve van de
                            (voorbereiding van) de lessen/cursussen, </al></li><li nr="6"><al> het volgen van ontwikkelingen binnen het vakgebied en het deelnemen aan
                            her-, na-, of bijscholingscursussen/projecten in overleg met de
                            werkgever. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 4</vet> Met ingang van het cursusjaar 1995/1996 is de arbeidsduur
                    voor de ambtenaar behorend tot het onderwijzend personeel gelijkgesteld met de
                    arbeidsduur voor de ambtenaar behorend tot het niet onderwijzend personeel. De
                    arbeidsduur bij een volledig dienstverband bedraagt met ingang van 1 januari
                    1997 ten hoogste 1836 uren per jaar, waarbij de formele arbeidsduur per week 36
                    uren bedraagt. De verhouding lesgebonden - niet lesgebonden uren bedraagt
                    maximaal 26 lesgebonden uren en voor de overige uren niet lesgebonden uren. Deze
                    verhouding komt overeen met de situatie van voor het cursusjaar 1995/1996
                    waarbij werd uitgegaan van een normaanstelling van 26 klokuren les. </al><al><vet>Artikel 6</vet> Aan de functie van docent/consulent/balletbegeleider is
                    inherent dat de omvang van de functie kan fluctueren. Immers het
                    leerlingenaantal fluctueert, projecten kunnen aflopen, de vervanging van een
                    collega kan eindigen etc. Daarom wordt jaarlijks uiterlijk in de 10e week van
                    het schooljaar schriftelijk aan de ambtenaar meegedeeld met welk gemiddeld
                    aantal uren hij gedurende dat schooljaar wordt belast Gedurende de rest van dat
                    schooljaar is (het inkomen behorend bij) dat aantal uren gegarandeerd. Indien
                    het aantal uren minder is dan het vorig schooljaar heeft de ambtenaar in elk
                    geval minstens recht op het volgens het reglement garantie gegarandeerde
                    salaris. Indien het aantal te verdelen lessen terugloopt moet een bepaalde
                    volgorde worden gehanteerd waarin de docenten voor urenvermindering in
                    aanmerking komen. Er moet een afvloeiingsreglement worden opgesteld in de
                    volgorde zoals in artikel 12 van deze regeling weergegeven. Een
                    modelafvloeiingsregeling wordt aan de gemeenten toegezonden. De term
                    afvloeiingsregeling dekt de lading niet helemaal. Een afvloeiingsregeling is
                    eigenlijk een urenvermindering- en afvloeiingsregeling. </al><al><vet>Artikel 7</vet> Dit artikel moet worden gezien in relatie met artikel 3. De
                    taken genoemd in (de toelichting van) artikel 3 horen bij de lesgevende taken.
                    Voor deze taken hoeven dus geen taakuren te worden toegekend. </al><al><vet>Artikel 8 lid 1</vet> De ambtenaar heeft recht op verlof gedurende
                    schoolvakanties. De schoolvakanties zijn de vakanties van de instelling. De
                    ambtenaar heeft geen recht op vervangend verlof als hij tijdens de vakantie ziek
                    is geweest, lid 2 Gedurende enkele dagen doch maximaal één week kan de ambtenaar
                    worden verplicht zich tijdens de vakantie beschikbaar te houden voor
                    werkzaamheden van schoolorganisatorische aard. lid 3 In bijzondere gevallen kan
                    de ambtenaar verzoeken om, onder omzetting van het werk, op een ander moment
                    vakantie te hebben dan tijdens de schoolvakantie. Burgemeester en wethouders
                    hebben de bevoegdheid dit verzoek in te willigen of af te wijzen. Het een en
                    ander hangt af van de reden van het verzoek en de mogelijkheid om het werk om te
                    zetten.</al><al><vet>Artikel 9</vet> Voor de lessen die de ambtenaar op grond van dit artikel
                    geeft heeft hij recht op het salaris en de toegekende salaristoelage(n) alsof
                    hij bevoegd was voor die lessen. </al><al><vet>Artikel 11 Lid 1</vet> Bij reorganisatie en wijziging van beleid doet men
                    er goed aan bij zo weinig mogelijk functies over te gaan tot urenvermindering.
                    Het is beter om een aantal functies op te heffen. Immers, een ambtenaar die
                    wordt ontslagen wegens urenvermindering heeft recht op wachtgeld. Voor de uren
                    waar men daarna voor wordt aangesteld is hij zijn opgebouwde
                    wachtgelddienstjaren kwijt. Lid 2 Dit lid geeft de volgorde aan voor diegenen
                    die als eerste in aanmerking komen voor urenvermindering (art. 6) en voor
                    ontslag (art. 10). Men dient bij de vaststelling van de rangorde uit te gaan van
                    deze volgorde. </al><tussenkop>Artikel 99: Bijlage IVa (T)</tussenkop><al>Deze uitvoeringsregeling geeft aan hoe onderwijzend personeel in de kunstzinnige
                    vorming ingeschaald moet worden. Het reglement omvat regels voor de inschaling
                    bij indiensttreding (artikel 3) en het doorlopen van de schaal. De inschaling
                    vindt plaats op grond van ervaring in dezelfde of een vergelijkbare functie
                    (artikel 2) Hierbij is ook opgenomen wat meetelt als ervaringsjaar. De
                    salarisschalen zijn opgebouwd uit een aanloop-, functie- en uitloopdeel Totdat
                    het maximum van het functiedeel is bereikt, heeft de ambtenaar jaarlijks
                    aanspraak op een periodieke verhoging. In het uitloopdeel vindt de periodieke
                    verhoging één (artikel 4). In de gevallen waar in deze uitvoeringsregeling niet
                    wordt voorzien, is de lokale bezoldigingsverordening van toepassing. De
                    uitvoeringsregeling salariëring vervangt op 1 januari 1998 het Reglement
                    bezoldiging docenten, consulenten, balletbegeleiders. In verband met de overgang
                    zijn in de uitvoeringsregeling overgangs-en garantiebepalingen opgenomen Voor de
                    toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar de Loga-brief nr 705097, d.d 4
                    september 1997 (18071984). </al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><divisie><kop><titel>Bijlage I Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen
                        schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                        behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                        zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                        werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen
                        of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996
                        een eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                        grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                        genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering
                        wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder
                        dan 100 uur bij één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van toepassing. </al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van
                        het jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige verhoging van het minimale bedrag met ƒ
                        250,-. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                        minimaal bedrag van ƒ 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaal;bedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van ƒ 1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van ƒ 400,- naar
                        ƒ 1.125,- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,- naar ƒ 1.175,-</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        € 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt
                        verhoogd naar 2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd
                        van € 511,- naar € 611,- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de
                        eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van
                        € 611,- naar € 836,- bruto. </al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,- bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%. In
                        2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                        Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,-.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5
                        procentpunt. Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in
                        de eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen
                        die (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente
                        ontvangen een eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van
                        0,5%. Beide eenmalige uitkeringen worden berekend over het salaris dat de
                        medewerker ontvangen heeft in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de
                        factor 12. Voor medewerkers met een deeltijdbetrekking worden de twee
                        eenmalige uitkeringen vastgesteld naar rato van de betrekkingsomvang. De
                        eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en hebben geen invloed op de
                        hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en
                        werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10, 10a,
                        10d, 11 en 11a van de CAR). </al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                        wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                        resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                        eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al><al>Met ingang van 1 januari 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 april 2012 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. </al><al>Met ingang van 1 oktober 2014 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Degenen die op 15 juli 2014 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 350 bruto bij een volledige betrekking.
                        Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 april 2015 worden de schaalbedragen verhoogd met 50
                        euro.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        3,0%.</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage II Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke
                            garantiesalarissen</titel></kop><tussenkop><vet>Inpassingtabel betreffende de gemeentelijke garantiesalarissen
                            per 1 januari 2016</vet></tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al> Regelnummer </al></entry><entry colname="col2"><al> Garantieschalen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>3377</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3501</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3623</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3733</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3849</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3970</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>4098</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>4222</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>4341</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>4461</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4576</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4818</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4933</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>5053</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>5188</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>5487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>5637</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5935</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>6086</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>6258</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>6427</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>6595</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>6779</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>6977</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>7176</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>7375</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>7574</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>7772</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>7974</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage IIa Salaristabel gemeenteambtenaren</titel></kop><tussenkop><vet>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari
                        2016</vet></tussenkop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1492</al></entry><entry colname="col3"><al>1526</al></entry><entry colname="col4"><al>1565</al></entry><entry colname="col5"><al>1610</al></entry><entry colname="col6"><al>1656</al></entry><entry colname="col7"><al>1766</al></entry><entry colname="col8"><al>1982</al></entry><entry colname="col9"><al>2268</al></entry><entry colname="col10"><al>2517</al></entry><entry colname="col11"><al>2715</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1526</al></entry><entry colname="col3"><al>1578</al></entry><entry colname="col4"><al>1630</al></entry><entry colname="col5"><al>1682</al></entry><entry colname="col6"><al>1736</al></entry><entry colname="col7"><al>1847</al></entry><entry colname="col8"><al>2065</al></entry><entry colname="col9"><al>2360</al></entry><entry colname="col10"><al>2625</al></entry><entry colname="col11"><al>2842</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1564</al></entry><entry colname="col3"><al>1629</al></entry><entry colname="col4"><al>1694</al></entry><entry colname="col5"><al>1754</al></entry><entry colname="col6"><al>1814</al></entry><entry colname="col7"><al>1927</al></entry><entry colname="col8"><al>2149</al></entry><entry colname="col9"><al>2452</al></entry><entry colname="col10"><al>2732</al></entry><entry colname="col11"><al>2967</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1601</al></entry><entry colname="col3"><al>1680</al></entry><entry colname="col4"><al>1759</al></entry><entry colname="col5"><al>1825</al></entry><entry colname="col6"><al>1893</al></entry><entry colname="col7"><al>2008</al></entry><entry colname="col8"><al>2232</al></entry><entry colname="col9"><al>2544</al></entry><entry colname="col10"><al>2839</al></entry><entry colname="col11"><al>3094</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1638</al></entry><entry colname="col3"><al>1732</al></entry><entry colname="col4"><al>1823</al></entry><entry colname="col5"><al>1897</al></entry><entry colname="col6"><al>1973</al></entry><entry colname="col7"><al>2089</al></entry><entry colname="col8"><al>2316</al></entry><entry colname="col9"><al>2636</al></entry><entry colname="col10"><al>2946</al></entry><entry colname="col11"><al>3221</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1676</al></entry><entry colname="col3"><al>1783</al></entry><entry colname="col4"><al>1888</al></entry><entry colname="col5"><al>1969</al></entry><entry colname="col6"><al>2051</al></entry><entry colname="col7"><al>2169</al></entry><entry colname="col8"><al>2399</al></entry><entry colname="col9"><al>2728</al></entry><entry colname="col10"><al>3053</al></entry><entry colname="col11"><al>3347</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1713</al></entry><entry colname="col3"><al>1833</al></entry><entry colname="col4"><al>1953</al></entry><entry colname="col5"><al>2041</al></entry><entry colname="col6"><al>2130</al></entry><entry colname="col7"><al>2249</al></entry><entry colname="col8"><al>2483</al></entry><entry colname="col9"><al>2820</al></entry><entry colname="col10"><al>3161</al></entry><entry colname="col11"><al>3473</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1750</al></entry><entry colname="col3"><al>1885</al></entry><entry colname="col4"><al>2017</al></entry><entry colname="col5"><al>2112</al></entry><entry colname="col6"><al>2209</al></entry><entry colname="col7"><al>2330</al></entry><entry colname="col8"><al>2567</al></entry><entry colname="col9"><al>2912</al></entry><entry colname="col10"><al>3268</al></entry><entry colname="col11"><al>3599</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1788</al></entry><entry colname="col3"><al>1936</al></entry><entry colname="col4"><al>2082</al></entry><entry colname="col5"><al>2184</al></entry><entry colname="col6"><al>2288</al></entry><entry colname="col7"><al>2410</al></entry><entry colname="col8"><al>2651</al></entry><entry colname="col9"><al>3004</al></entry><entry colname="col10"><al>3376</al></entry><entry colname="col11"><al>3726</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1825</al></entry><entry colname="col3"><al>1987</al></entry><entry colname="col4"><al>2146</al></entry><entry colname="col5"><al>2256</al></entry><entry colname="col6"><al>2368</al></entry><entry colname="col7"><al>2491</al></entry><entry colname="col8"><al>2734</al></entry><entry colname="col9"><al>3096</al></entry><entry colname="col10"><al>3483</al></entry><entry colname="col11"><al>3852</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1862</al></entry><entry colname="col3"><al>2039</al></entry><entry colname="col4"><al>2211</al></entry><entry colname="col5"><al>2328</al></entry><entry colname="col6"><al>2446</al></entry><entry colname="col7"><al>2571</al></entry><entry colname="col8"><al>2818</al></entry><entry colname="col9"><al>3188</al></entry><entry colname="col10"><al>3590</al></entry><entry colname="col11"><al>3978</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1899</al></entry><entry colname="col3"><al>2090</al></entry><entry colname="col4"><al>2276</al></entry><entry colname="col5"><al>2399</al></entry><entry colname="col6"><al>2525</al></entry><entry colname="col7"><al>2652</al></entry><entry colname="col8"><al>2901</al></entry><entry colname="col9"><al>3280</al></entry><entry colname="col10"><al>3697</al></entry><entry colname="col11"><al>4105</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>2993</al></entry><entry colname="col3"><al>3253</al></entry><entry colname="col4"><al>3580</al></entry><entry colname="col5"><al>3908</al></entry><entry colname="col6"><al>4363</al></entry><entry colname="col7"><al>4635</al></entry><entry colname="col8"><al>4984</al></entry><entry colname="col9"><al>5337</al></entry><entry colname="col10"><al>5905</al></entry><entry colname="col11"><al>6546</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3123</al></entry><entry colname="col3"><al>3387</al></entry><entry colname="col4"><al>3715</al></entry><entry colname="col5"><al>4042</al></entry><entry colname="col6"><al>4495</al></entry><entry colname="col7"><al>4794</al></entry><entry colname="col8"><al>5168</al></entry><entry colname="col9"><al>5551</al></entry><entry colname="col10"><al>6136</al></entry><entry colname="col11"><al>6795</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3252</al></entry><entry colname="col3"><al>3522</al></entry><entry colname="col4"><al>3849</al></entry><entry colname="col5"><al>4175</al></entry><entry colname="col6"><al>4627</al></entry><entry colname="col7"><al>4954</al></entry><entry colname="col8"><al>5352</al></entry><entry colname="col9"><al>5765</al></entry><entry colname="col10"><al>6368</al></entry><entry colname="col11"><al>7043</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3382</al></entry><entry colname="col3"><al>3656</al></entry><entry colname="col4"><al>3983</al></entry><entry colname="col5"><al>4307</al></entry><entry colname="col6"><al>4758</al></entry><entry colname="col7"><al>5112</al></entry><entry colname="col8"><al>5536</al></entry><entry colname="col9"><al>5980</al></entry><entry colname="col10"><al>6599</al></entry><entry colname="col11"><al>7292</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3511</al></entry><entry colname="col3"><al>3791</al></entry><entry colname="col4"><al>4117</al></entry><entry colname="col5"><al>4439</al></entry><entry colname="col6"><al>4890</al></entry><entry colname="col7"><al>5272</al></entry><entry colname="col8"><al>5720</al></entry><entry colname="col9"><al>6195</al></entry><entry colname="col10"><al>6830</al></entry><entry colname="col11"><al>7540</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3641</al></entry><entry colname="col3"><al>3925</al></entry><entry colname="col4"><al>4249</al></entry><entry colname="col5"><al>4571</al></entry><entry colname="col6"><al>5022</al></entry><entry colname="col7"><al>5431</al></entry><entry colname="col8"><al>5904</al></entry><entry colname="col9"><al>6409</al></entry><entry colname="col10"><al>7062</al></entry><entry colname="col11"><al>7789</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3770</al></entry><entry colname="col3"><al>4060</al></entry><entry colname="col4"><al>4381</al></entry><entry colname="col5"><al>4703</al></entry><entry colname="col6"><al>5154</al></entry><entry colname="col7"><al>5591</al></entry><entry colname="col8"><al>6089</al></entry><entry colname="col9"><al>6623</al></entry><entry colname="col10"><al>7293</al></entry><entry colname="col11"><al>8037</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3900</al></entry><entry colname="col3"><al>4193</al></entry><entry colname="col4"><al>4513</al></entry><entry colname="col5"><al>4835</al></entry><entry colname="col6"><al>5286</al></entry><entry colname="col7"><al>5750</al></entry><entry colname="col8"><al>6273</al></entry><entry colname="col9"><al>6838</al></entry><entry colname="col10"><al>7524</al></entry><entry colname="col11"><al>8286</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>4029</al></entry><entry colname="col3"><al>4325</al></entry><entry colname="col4"><al>4645</al></entry><entry colname="col5"><al>4967</al></entry><entry colname="col6"><al>5418</al></entry><entry colname="col7"><al>5910</al></entry><entry colname="col8"><al>6457</al></entry><entry colname="col9"><al>7052</al></entry><entry colname="col10"><al>7756</al></entry><entry colname="col11"><al>8535</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4158</al></entry><entry colname="col3"><al>4457</al></entry><entry colname="col4"><al>4777</al></entry><entry colname="col5"><al>5099</al></entry><entry colname="col6"><al>5550</al></entry><entry colname="col7"><al>6068</al></entry><entry colname="col8"><al>6641</al></entry><entry colname="col9"><al>7267</al></entry><entry colname="col10"><al>7987</al></entry><entry colname="col11"><al>8784</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4284</al></entry><entry colname="col3"><al>4589</al></entry><entry colname="col4"><al>4909</al></entry><entry colname="col5"><al>5231</al></entry><entry colname="col6"><al>5682</al></entry><entry colname="col7"><al>6228</al></entry><entry colname="col8"><al>6825</al></entry><entry colname="col9"><al>7481</al></entry><entry colname="col10"><al>8218</al></entry><entry colname="col11"><al>9032</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4412</al></entry><entry colname="col3"><al>4721</al></entry><entry colname="col4"><al>5041</al></entry><entry colname="col5"><al>5363</al></entry><entry colname="col6"><al>5814</al></entry><entry colname="col7"><al>6387</al></entry><entry colname="col8"><al>7010</al></entry><entry colname="col9"><al>7696</al></entry><entry colname="col10"><al>8450</al></entry><entry colname="col11"><al>9281</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon
                        ligt, heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon
                        overeenkomstig de bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid
                        geldt een aparte schaal: <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="schaal A" type="tekst" id="i278450"></illustratie></plaatje>. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het wettelijk
                        minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan 120% van het
                        wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor <plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="schaal A" type="tekst" id="i278451"></illustratie></plaatje> worden geïndexeerd op de ontwikkeling van het wettelijk
                        minimumloon en elk jaar op 1 januari vastgesteld door het LOGA en
                        gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></divisie><divisie><kop><titel>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2017, nieuwe
                            structuur*</titel></kop><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>10</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1498</al></entry><entry colname="col3"><al>1533</al></entry><entry colname="col4"><al>1571</al></entry><entry colname="col5"><al>1616</al></entry><entry colname="col6"><al>1663</al></entry><entry colname="col7"><al>1773</al></entry><entry colname="col8"><al>1990</al></entry><entry colname="col9"><al>2277</al></entry><entry colname="col10"><al>2527</al></entry><entry colname="col11"><al>2726</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1533</al></entry><entry colname="col3"><al>1584</al></entry><entry colname="col4"><al>1636</al></entry><entry colname="col5"><al>1688</al></entry><entry colname="col6"><al>1743</al></entry><entry colname="col7"><al>1854</al></entry><entry colname="col8"><al>2073</al></entry><entry colname="col9"><al>2370</al></entry><entry colname="col10"><al>2635</al></entry><entry colname="col11"><al>2853</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1570</al></entry><entry colname="col3"><al>1636</al></entry><entry colname="col4"><al>1701</al></entry><entry colname="col5"><al>1791</al></entry><entry colname="col6"><al>1821</al></entry><entry colname="col7"><al>1935</al></entry><entry colname="col8"><al>2158</al></entry><entry colname="col9"><al>2462</al></entry><entry colname="col10"><al>2743</al></entry><entry colname="col11"><al>2979</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1607</al></entry><entry colname="col3"><al>1687</al></entry><entry colname="col4"><al>1766</al></entry><entry colname="col5"><al>1832</al></entry><entry colname="col6"><al>1901</al></entry><entry colname="col7"><al>2016</al></entry><entry colname="col8"><al>2241</al></entry><entry colname="col9"><al>2554</al></entry><entry colname="col10"><al>2850</al></entry><entry colname="col11"><al>3106</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>1645</al></entry><entry colname="col3"><al>1739</al></entry><entry colname="col4"><al>1831</al></entry><entry colname="col5"><al>1904</al></entry><entry colname="col6"><al>1981</al></entry><entry colname="col7"><al>2097</al></entry><entry colname="col8"><al>2326</al></entry><entry colname="col9"><al>2646</al></entry><entry colname="col10"><al>2958</al></entry><entry colname="col11"><al>3233</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>1682</al></entry><entry colname="col3"><al>1790</al></entry><entry colname="col4"><al>1896</al></entry><entry colname="col5"><al>1977</al></entry><entry colname="col6"><al>2059</al></entry><entry colname="col7"><al>2178</al></entry><entry colname="col8"><al>2409</al></entry><entry colname="col9"><al>2739</al></entry><entry colname="col10"><al>3066</al></entry><entry colname="col11"><al>3360</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>1720</al></entry><entry colname="col3"><al>1841</al></entry><entry colname="col4"><al>1960</al></entry><entry colname="col5"><al>2049</al></entry><entry colname="col6"><al>2139</al></entry><entry colname="col7"><al>2258</al></entry><entry colname="col8"><al>2493</al></entry><entry colname="col9"><al>2832</al></entry><entry colname="col10"><al>3174</al></entry><entry colname="col11"><al>3487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>1757</al></entry><entry colname="col3"><al>1892</al></entry><entry colname="col4"><al>2025</al></entry><entry colname="col5"><al>2121</al></entry><entry colname="col6"><al>2218</al></entry><entry colname="col7"><al>2339</al></entry><entry colname="col8"><al>2577</al></entry><entry colname="col9"><al>2924</al></entry><entry colname="col10"><al>3282</al></entry><entry colname="col11"><al>3614</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>1795</al></entry><entry colname="col3"><al>1944</al></entry><entry colname="col4"><al>2090</al></entry><entry colname="col5"><al>2193</al></entry><entry colname="col6"><al>2297</al></entry><entry colname="col7"><al>2420</al></entry><entry colname="col8"><al>2661</al></entry><entry colname="col9"><al>3016</al></entry><entry colname="col10"><al>3389</al></entry><entry colname="col11"><al>3741</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>1832</al></entry><entry colname="col3"><al>1995</al></entry><entry colname="col4"><al>2155</al></entry><entry colname="col5"><al>2265</al></entry><entry colname="col6"><al>2377</al></entry><entry colname="col7"><al>2501</al></entry><entry colname="col8"><al>2745</al></entry><entry colname="col9"><al>3108</al></entry><entry colname="col10"><al>3497</al></entry><entry colname="col11"><al>3868</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>1870</al></entry><entry colname="col3"><al>2047</al></entry><entry colname="col4"><al>2220</al></entry><entry colname="col5"><al>2337</al></entry><entry colname="col6"><al>2456</al></entry><entry colname="col7"><al>2582</al></entry><entry colname="col8"><al>2829</al></entry><entry colname="col9"><al>3201</al></entry><entry colname="col10"><al>3604</al></entry><entry colname="col11"><al>3994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>1907</al></entry><entry colname="col3"><al>2098</al></entry><entry colname="col4"><al>2285</al></entry><entry colname="col5"><al>2409</al></entry><entry colname="col6"><al>2535</al></entry><entry colname="col7"><al>2662</al></entry><entry colname="col8"><al>2913</al></entry><entry colname="col9"><al>3293</al></entry><entry colname="col10"><al>3712</al></entry><entry colname="col11"><al>4121</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="11"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><colspec colnum="8" colname="col8" colwidth=""></colspec><colspec colnum="9" colname="col9" colwidth=""></colspec><colspec colnum="10" colname="col10" colwidth=""></colspec><colspec colnum="11" colname="col11" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry morerows="1" colname="col1"><al>periodiek</al></entry><entry namest="col2" nameend="col12" colname="col2"><al>Schaal </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al><vet>10A</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>11A</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>14</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>15</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>16</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>17</vet></al></entry><entry colname="col11"><al><vet>18</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>3005</al></entry><entry colname="col3"><al>3266</al></entry><entry colname="col4"><al>3594</al></entry><entry colname="col5"><al>3923</al></entry><entry colname="col6"><al>4380</al></entry><entry colname="col7"><al>4653</al></entry><entry colname="col8"><al>5004</al></entry><entry colname="col9"><al>5358</al></entry><entry colname="col10"><al>5929</al></entry><entry colname="col11"><al>6572</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>3135</al></entry><entry colname="col3"><al>3401</al></entry><entry colname="col4"><al>3730</al></entry><entry colname="col5"><al>4058</al></entry><entry colname="col6"><al>4513</al></entry><entry colname="col7"><al>4813</al></entry><entry colname="col8"><al>5189</al></entry><entry colname="col9"><al>5573</al></entry><entry colname="col10"><al>6161</al></entry><entry colname="col11"><al>6822</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>3265</al></entry><entry colname="col3"><al>3536</al></entry><entry colname="col4"><al>3865</al></entry><entry colname="col5"><al>4192</al></entry><entry colname="col6"><al>4645</al></entry><entry colname="col7"><al>4973</al></entry><entry colname="col8"><al>5374</al></entry><entry colname="col9"><al>5788</al></entry><entry colname="col10"><al>6396</al></entry><entry colname="col11"><al>7071</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>3395</al></entry><entry colname="col3"><al>3671</al></entry><entry colname="col4"><al>3999</al></entry><entry colname="col5"><al>4325</al></entry><entry colname="col6"><al>4777</al></entry><entry colname="col7"><al>5133</al></entry><entry colname="col8"><al>5558</al></entry><entry colname="col9"><al>6004</al></entry><entry colname="col10"><al>6626</al></entry><entry colname="col11"><al>7321</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>3525</al></entry><entry colname="col3"><al>3806</al></entry><entry colname="col4"><al>4134</al></entry><entry colname="col5"><al>4457</al></entry><entry colname="col6"><al>4910</al></entry><entry colname="col7"><al>5293</al></entry><entry colname="col8"><al>5743</al></entry><entry colname="col9"><al>6219</al></entry><entry colname="col10"><al>6858</al></entry><entry colname="col11"><al>7570</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3655</al></entry><entry colname="col3"><al>3941</al></entry><entry colname="col4"><al>4266</al></entry><entry colname="col5"><al>4590</al></entry><entry colname="col6"><al>5042</al></entry><entry colname="col7"><al>5453</al></entry><entry colname="col8"><al>5828</al></entry><entry colname="col9"><al>6435</al></entry><entry colname="col10"><al>7090</al></entry><entry colname="col11"><al>7820</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>3785</al></entry><entry colname="col3"><al>4076</al></entry><entry colname="col4"><al>4399</al></entry><entry colname="col5"><al>4722</al></entry><entry colname="col6"><al>5175</al></entry><entry colname="col7"><al>5613</al></entry><entry colname="col8"><al>6113</al></entry><entry colname="col9"><al>6650</al></entry><entry colname="col10"><al>7322</al></entry><entry colname="col11"><al>8070</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>3915</al></entry><entry colname="col3"><al>4210</al></entry><entry colname="col4"><al>4531</al></entry><entry colname="col5"><al>4854</al></entry><entry colname="col6"><al>5307</al></entry><entry colname="col7"><al>5773</al></entry><entry colname="col8"><al>6298</al></entry><entry colname="col9"><al>6865</al></entry><entry colname="col10"><al>7555</al></entry><entry colname="col11"><al>8320</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>4045</al></entry><entry colname="col3"><al>4342</al></entry><entry colname="col4"><al>4664</al></entry><entry colname="col5"><al>4987</al></entry><entry colname="col6"><al>5440</al></entry><entry colname="col7"><al>5933</al></entry><entry colname="col8"><al>6483</al></entry><entry colname="col9"><al>7080</al></entry><entry colname="col10"><al>7787</al></entry><entry colname="col11"><al>8569</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>4174</al></entry><entry colname="col3"><al>4475</al></entry><entry colname="col4"><al>4796</al></entry><entry colname="col5"><al>5119</al></entry><entry colname="col6"><al>5572</al></entry><entry colname="col7"><al>6093</al></entry><entry colname="col8"><al>6668</al></entry><entry colname="col9"><al>7296</al></entry><entry colname="col10"><al>8019</al></entry><entry colname="col11"><al>8819</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>4302</al></entry><entry colname="col3"><al>4607</al></entry><entry colname="col4"><al>4928</al></entry><entry colname="col5"><al>5252</al></entry><entry colname="col6"><al>5704</al></entry><entry colname="col7"><al>6253</al></entry><entry colname="col8"><al>6853</al></entry><entry colname="col9"><al>7511</al></entry><entry colname="col10"><al>8251</al></entry><entry colname="col11"><al>9068</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>4430</al></entry><entry colname="col3"><al>4740</al></entry><entry colname="col4"><al>5061</al></entry><entry colname="col5"><al>5384</al></entry><entry colname="col6"><al>5837</al></entry><entry colname="col7"><al>6413</al></entry><entry colname="col8"><al>7038</al></entry><entry colname="col9"><al>7726</al></entry><entry colname="col10"><al>8484</al></entry><entry colname="col11"><al>9318</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer per 1 januari 2016</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. Aspirant manschap a </al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry><entry colname="col3"><al>10,51</al></entry><entry colname="col4"><al>19,64</al></entry><entry colname="col5"><al>13,09</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry><entry colname="col3"><al>12,07</al></entry><entry colname="col4"><al>22,69</al></entry><entry colname="col5"><al>15,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>340</al></entry><entry colname="col3"><al>13,39</al></entry><entry colname="col4"><al>25,11</al></entry><entry colname="col5"><al>16,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. Bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>510</al></entry><entry colname="col3"><al>16,77</al></entry><entry colname="col4"><al>31,53</al></entry><entry colname="col5"><al>21,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. Officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>4019</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>40,19</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5771</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,71</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7. Commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8585</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>64,40</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage IIc Gebruteerde Vergoedingsbedragen betreffende vrijwilligers
                            bij de gemeentelijke brandweer per 1 januari 2016 </titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al> jaarvergoeding </al></entry><entry colname="col3"><al> uurbedrag oefeningen en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al> uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al> uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 1. Aspirant manschap A </al></entry><entry colname="col2"><al>344</al></entry><entry colname="col3"><al>10,65</al></entry><entry colname="col4"><al>19,98</al></entry><entry colname="col5"><al>13,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 2. Manschap A, Chauffeur, Voertuigbediener,
                                            Gaspakdrager, Brandweerduiker, Verkenner gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>344</al></entry><entry colname="col3"><al>12,30</al></entry><entry colname="col4"><al>23,15</al></entry><entry colname="col5"><al>15,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 3. Manschap B, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                            manschap A, manschap A en ten minste twee specialisaties
                                            uit categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>344</al></entry><entry colname="col3"><al>13,63</al></entry><entry colname="col4"><al>25,51</al></entry><entry colname="col5"><al>17,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 4. Bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>518</al></entry><entry colname="col3"><al>17,06</al></entry><entry colname="col4"><al>32,01</al></entry><entry colname="col5"><al>21,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 5. Officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>4096</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>40,96</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 6. Hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                            stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5875</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>58,75</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 7. Commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8746</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>65,55</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen
                        tot het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het
                        gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                        vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. </al><al>Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de werking van de Algemene
                        Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                        punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP. Bij de wijziging in
                        1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers
                        die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap behielden
                        zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van deze
                        overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                        januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor
                        hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage 11.</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage III Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><tussenkop><vet>Artikel 12:1</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                        plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand
                        van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien
                        door het LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke
                        verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van
                        overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het vorige lid
                        bedoeld.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                        voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen
                        een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal
                        zijn, vermeldt het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                        toegelaten. </al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien de
                        organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde
                        termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al><tussenkop><vet>Lid 5</vet></tussenkop><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                        bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van het
                        besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake. </al><tussenkop><vet>Lid 6</vet></tussenkop><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel besluit
                        van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                        organisaties. </al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage IV Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 januari 2016
                        </titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><colspec colnum="5" colname="col5" colwidth=""></colspec><colspec colnum="6" colname="col6" colwidth=""></colspec><colspec colnum="7" colname="col7" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>ervaringsjaar/ periodiek</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>8</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>1793</al></entry><entry colname="col3"><al>1830</al></entry><entry colname="col4"><al>1869</al></entry><entry colname="col5"><al>1918</al></entry><entry colname="col6"><al>2173</al></entry><entry colname="col7"><al>2541</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>1918</al></entry><entry colname="col4"><al>1975</al></entry><entry colname="col5"><al>2043</al></entry><entry colname="col6"><al>2298</al></entry><entry colname="col7"><al>2660</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>aanloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>2173</al></entry><entry colname="col6"><al>2420</al></entry><entry colname="col7"><al>2787</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>0</al></entry><entry colname="col2"><al>1869</al></entry><entry colname="col3"><al>2043</al></entry><entry colname="col4"><al>2110</al></entry><entry colname="col5"><al>2298</al></entry><entry colname="col6"><al>2541</al></entry><entry colname="col7"><al>2854</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1918</al></entry><entry colname="col3"><al>2110</al></entry><entry colname="col4"><al>2173</al></entry><entry colname="col5"><al>2359</al></entry><entry colname="col6"><al>2602</al></entry><entry colname="col7"><al>2929</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1975</al></entry><entry colname="col3"><al>2173</al></entry><entry colname="col4"><al>2237</al></entry><entry colname="col5"><al>2420</al></entry><entry colname="col6"><al>2660</al></entry><entry colname="col7"><al>2999</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>2043</al></entry><entry colname="col3"><al>2237</al></entry><entry colname="col4"><al>2298</al></entry><entry colname="col5"><al>2479</al></entry><entry colname="col6"><al>2723</al></entry><entry colname="col7"><al>3058</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2110</al></entry><entry colname="col3"><al>2298</al></entry><entry colname="col4"><al>2359</al></entry><entry colname="col5"><al>2541</al></entry><entry colname="col6"><al>2787</al></entry><entry colname="col7"><al>3124</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>2173</al></entry><entry colname="col3"><al>2359</al></entry><entry colname="col4"><al>2420</al></entry><entry colname="col5"><al>2602</al></entry><entry colname="col6"><al>2854</al></entry><entry colname="col7"><al>3191</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>2237</al></entry><entry colname="col3"><al>2420</al></entry><entry colname="col4"><al>2479</al></entry><entry colname="col5"><al>2660</al></entry><entry colname="col6"><al>2929</al></entry><entry colname="col7"><al>3253</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>2298</al></entry><entry colname="col3"><al>2479</al></entry><entry colname="col4"><al>2541</al></entry><entry colname="col5"><al>2723</al></entry><entry colname="col6"><al>2999</al></entry><entry colname="col7"><al>3311</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>2359</al></entry><entry colname="col3"><al>2541</al></entry><entry colname="col4"><al>2602</al></entry><entry colname="col5"><al>2787</al></entry><entry colname="col6"><al>3058</al></entry><entry colname="col7"><al>3369</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>2420</al></entry><entry colname="col3"><al>2602</al></entry><entry colname="col4"><al>2660</al></entry><entry colname="col5"><al>2854</al></entry><entry colname="col6"><al>3124</al></entry><entry colname="col7"><al>3427</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>2479</al></entry><entry colname="col3"><al>2660</al></entry><entry colname="col4"><al>2723</al></entry><entry colname="col5"><al>2929</al></entry><entry colname="col6"><al>3191</al></entry><entry colname="col7"><al>3487</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>2723</al></entry><entry colname="col4"><al>2787</al></entry><entry colname="col5"><al>2999</al></entry><entry colname="col6"><al>3253</al></entry><entry colname="col7"><al>3552</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2854</al></entry><entry colname="col5"><al>3058</al></entry><entry colname="col6"><al>3311</al></entry><entry colname="col7"><al>3617</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2929</al></entry><entry colname="col5"><al>3124</al></entry><entry colname="col6"><al>3369</al></entry><entry colname="col7"><al>3676</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>2999</al></entry><entry colname="col5"><al>3191</al></entry><entry colname="col6"><al>3427</al></entry><entry colname="col7"><al>3733</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>3058</al></entry><entry colname="col5"><al>3253</al></entry><entry colname="col6"><al>3487</al></entry><entry colname="col7"><al>3788</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 1</al></entry><entry colname="col2"><al>2602</al></entry><entry colname="col3"><al>2854</al></entry><entry colname="col4"><al>3191</al></entry><entry colname="col5"><al>3427</al></entry><entry colname="col6"><al>3617</al></entry><entry colname="col7"><al>3906</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 2</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>2999</al></entry><entry colname="col4"><al>3311</al></entry><entry colname="col5"><al>3617</al></entry><entry colname="col6"><al>3733</al></entry><entry colname="col7"><al>4028</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>uitloopbedrag 3</al></entry><entry colname="col2"><al>0</al></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry><entry colname="col4"><al>0</al></entry><entry colname="col5"><al>3733</al></entry><entry colname="col6"><al>3849</al></entry><entry colname="col7"><al>4158</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel> Bijlage IVa Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor
                            onderwijzend personeel in de kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend
                                    personeel in de kunsteducatie</vet>LOGA-partijen vinden dat bij
                                de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren binnen de
                                aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel 19b:5
                                vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per
                                discipline de verhouding wordt vastgesteld van de verschillende
                                soorten werkzaamheden binnen lesgebonden en niet-lesgebonden uren.
                                    <vet>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</vet>Tot
                                1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor
                                onderwijzend personeel een vaste maximale verhouding van 26
                                lesgebonden uren en 10 overige niet-lesgebonden uren. Per 1 januari
                                2009 wordt deze vaste maximale verhouding losgelaten. Reden daarvoor
                                is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen recht kan doen
                                aan verschillen per discipline, per instelling of per onderwijzend
                                personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                                deze specifieke kenmerken. <vet>Status sjabloon</vet>In dit sjabloon
                                worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                                niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In
                                een instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon
                                genoemde werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus
                                niet in de lokale regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook
                                worden vastgesteld dat er instellingsspecifieke werkzaamheden zijn
                                die niet in het sjabloon voorkomen, maar die wel in de lokale
                                regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus een handvat voor
                                de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden
                                met</al><lijst><li nr="-"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en </al></li><li nr="-"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><al><vet>Opbouw Sjabloon</vet>Schematisch is de opbouw van het sjabloon
                                als volgt: <plaatje><illustratie formaat="jpeg" naam="foto54" type="foto" id="i278452"></illustratie></plaatje><vet>Categorieën van werkzaamheden </vet>Dit sjabloon
                                onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1"><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2"><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld
                                worden in drie subcategorieën: </al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                                uren. </vet></cursief>Deze subcategorie
                                            <onderstreept>hangt direct samen met</onderstreept> de
                                        lesgebonden uren. </al></li><li><al><cursief><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></cursief>Deze
                                        subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.
                                    </al></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                        werkzaamheden</cursief></vet>Deze subcategorie staat los van
                                        het aantal lesgebonden uren.</al></li></lijst><al> De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt: </al><lijst><li nr="1"><al><vet>Lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet>Het gaat in deze
                                        categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                                        jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te
                                        voeren les- of cursuswerkzaamheden, al of niet te
                                        onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen,
                                                combinatielessen, groepslessen, klassikale
                                                lessen</al></li><li nr="-"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Koren</al></li><li nr="-"><al>Orkesten</al></li><li nr="-"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="-"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst></li><li nr="2"><al><vet>Niet-lesgebonden uren in uren per
                                            schooljaar/cursusjaar/seizoen </vet></al><lijst><li><al><cursief><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></cursief>Het gaat in deze
                                                subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline
                                                in een bepaalde verhouding tot het aantal
                                                lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het type
                                                instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze
                                                uren worden ook wel “aanstellingsafhankelijke of
                                                leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Roosterwerkzaamheden </al></li><li nr="-"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten,
                                                  leerlingvolgsysteem en dergelijke</al></li><li nr="-"><al>Administratieve afwikkeling van de
                                                  lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                                                  presentielijsten)</al></li><li nr="-"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de
                                                  leerlingen/cursisten </al></li><li nr="-"><al>(Voortgangs)gesprekken met
                                                  ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en
                                                  didactische ontwikkelingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van vakliteratuur<noot id="FN13554_1"><noot.al>Elke medewerker wordt geacht ook zelf te
                                                  investeren in het bijhouden van
                                                  pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen
                                                  van vakliteratuur en het onderhouden van de
                                                  artistieke vaardigheden. Niettemin zijn er
                                                  situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien het
                                                  onderwijzend personeelslid een
                                                  onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar
                                                  toedeling van tijd voor dergelijke werkzaamheden
                                                  geboden is.</noot.al></noot></al></li><li nr="-"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk
                                                  verbonden artistieke vaardigheden</al></li><li nr="-"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2b. Algemene
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het
                                                aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel
                                                “organisatiegebonden uren” genoemd. Het betreft
                                                bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Personeelsvergaderingen,
                                                  afdelingsvergaderingen, sector- en
                                                  sectievergaderingen</al></li><li nr="-"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="-"><al>Functioneringsgesprekken,
                                                  ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                                                  ontwikkelingsplan</al></li><li nr="-"><al>Overleg over het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids </al></li><li nr="-"><al>Zorg voor het instrumentarium van de
                                                  instelling en (indien gebruik door de werkgever
                                                  verplicht is gesteld) van het eigen
                                                  instrument/gereedschap</al></li></lijst></li><li><al><vet><cursief>2c. Variabele
                                                  werkzaamheden</cursief></vet>Het gaat in deze
                                                subcategorie om specifieke werkzaamheden die
                                                losstaan van het aantal lesgebonden uren. Deze uren
                                                worden ook wel “persoonsgebonden uren” genoemd. Het
                                                betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al> Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling
                                                  in relatie tot de lessen en lesmaterialen</al></li><li nr="-"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de
                                                  lessen</al></li><li nr="-"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                                                  personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="-"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  leerlingenuitvoeringen/-concerten (intern en/of
                                                  extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten
                                                  speciaal voor onderwijzend personeelsleden (intern
                                                  en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities
                                                  (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van
                                                  instellingspresentaties (intern en/of extern)
                                                  </al></li><li nr="-"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor
                                                  zover niet genoemd onder subcategorie 2b.</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten,
                                                  zoals voorspeelavonden en tentoonstellingen</al></li><li nr="-"><al>Begeleiden van een collega bij een
                                                  voorspeelavond</al></li><li nr="-"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden,
                                                  bijvoorbeeld voor nieuwsbrief/schoolkrant van de
                                                  instelling</al></li><li nr="-"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van
                                                  instrument- of materiaalkeuzes</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van
                                                  de instelling</al></li><li nr="-"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse
                                                  cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere
                                                  activiteiten die ertoe bijdragen de eigen
                                                  vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld
                                                  beroepsverenigingen, vakgroepen, mits de werkgever
                                                  toestemming heeft verleend </al></li><li nr="-"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen
                                                  locaties van dezelfde instelling voor
                                                  kunsteducatie.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet>Om een beeld te
                                        geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling
                                        tot stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient
                                        dit voorbeeld niet op te vatten als een door het LOGA
                                        gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden uren versus
                                        niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de
                                        hand van het sjabloon een lokale regeling kan worden
                                        opgesteld.Binnen instelling X is onderwijzend personeel
                                        werkzaam in drie verschillende disciplines:</al><lijst><li nr="1"><al>Discipline A</al></li><li nr="2"><al>Discipline B</al></li><li nr="3"><al>Discipline C</al></li></lijst><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Discipline</al></entry><entry colname="col2"><al>1. Lesgebonden uren </al></entry><entry colname="col3"><al>2. Niet-lesgebonden uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A </al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B </al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het
                                        onderwijzend personeel in omvang zeer verschillend. Daarom
                                        wordt er in instelling X voor gekozen om binnen de categorie
                                        niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een
                                        uitsplitsing te maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing
                                        is als volgt: </al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth=""></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry namest="col1" nameend="col5" colname="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                                  subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Aanstellingsomvang</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de
                                                  lesgebonden uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week </al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47% </al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren
                                        over de subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is
                                        ook mogelijk om elke discipline een aparte verdeling van
                                        niet-lesgebonden uren over de subcategorieën te maken.
                                            <vet>Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding
                                            per discipline</vet>Er zijn individuele omstandigheden
                                        voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te houden aan de
                                        verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per
                                        discipline is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden
                                        met:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het
                                                onderwijzend personeellid of</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid
                                                geeft (groepslessen versus individuele lessen)</al></li></lijst><al>In de lokale regeling kunnen individuele
                                        afwijkingsmogelijkheden op de verhouding die per discipline
                                        is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden waaraan
                                        voldaan moet worden voordat individuele afwijking is
                                        toegestaan, dienen in de lokale regeling te worden
                                        opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden bepalen
                                        tezamen met de verhouding lesgebonden versus
                                        niet-lesgebonden uren die voor de discipline van de
                                        ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                                        individuele ambtenaar geldt.Voorbeeld: Voor discipline D
                                        staat in de lokale regeling dat de verhouding 70%
                                        lesgebonden uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de
                                        lokale regeling is ook vastgelegd dat voor discipline D een
                                        individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren met
                                        minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste
                                        van het aantal lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden
                                        uren voor de voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                        uren. Het college stelt bij toepassing van de lokale
                                        regeling voor een ambtenaar met discipline D en minder dan 3
                                        jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden en 35%
                                        niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden
                                        uren wordt binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan
                                        subcategorie 2a. <vet>Tot slot </vet>Te overwegen valt om
                                        een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen aan
                                        specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op
                                        voorhand te plannen. Aan een aantal kleinere werkzaamheden
                                        uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft dan eveneens
                                        niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de
                                        vrij in te delen tijd worden gerekend.</al></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage IVa1 Functiebeschrijvingen onderwijzend personeel in de
                            kunsteducatie</titel></kop><lijst><li><al><vet>Functiebeschrijvingen</vet><vet>1. Consulent</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming: consulent
                                        Functie-eisen:
                                        HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                                                steunfunctie-activiteitenplan </al></li><li nr="2"><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten </al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid,
                                                producten en programma’s </al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept> B.1 Het in overleg met cliënten
                                                  opstellen van een
                                                  steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept>Informeert
                                                en adviseert (potentiële) cliënten over de
                                                mogelijkheden van steunfunctieactiviteiten. Overlegt
                                                met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen
                                                en verwachtingen. Stelt een activiteiten- of
                                                begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt
                                                daarbij. Overlegt waar nodig met externe
                                                instanties.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van
                                                  steunfunctieactiviteiten</onderstreept> Geeft
                                                informatie en adviezen over methoden en
                                                leermiddelen. Verzorgt teamtrainingen en individuele
                                                begeleiding van docenten. Adviseert bij de aanschaf
                                                van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf
                                                leermiddelen en methodieken. Organiseert met de
                                                cliënt producties, tentoonstellingen en andere
                                                evenementen. Begeleidt bij de opstelling van
                                                werkplannen. Bewaakt de afspraken met betrekking tot
                                                begroting, planning en inzet.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling
                                                  van beleid, producten en programma’s
                                                </onderstreept>Volgt en signaleert relevante
                                                ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                                                vorming. Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling,
                                                marktanalyses en aan de ontwikkeling van nieuw
                                                aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                opdrachtgevers en andere instanties over organisatie
                                                en uitvoering van projecten. Werkt voorstellen uit
                                                in projectbeschrijvingen. </al></li></lijst><al><vet>2. Docent</vet></al><lijst><li nr="A"><al> Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                docentFunctie-eisen:
                                                  HBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het verzorgen van de inhoud van
                                                  onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2"><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3"><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van
                                                  KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4"><al> Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud
                                                  van onderwijsactiviteiten</onderstreept> Verzorgt
                                                  het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met
                                                  leiding en collega’s. Bepaalt vanuit het leerplan
                                                  de inhoud van de onderwijsactiviteiten. Zorgt voor
                                                  les- en documentatiemateriaal.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het geven van de
                                                  onderwijsactiviteit </onderstreept>Bereidt de
                                                  activiteit voor; stemt af op het niveau van de
                                                  groep. Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en
                                                  stuurt bij. Zorgt voor variatie in presentatie en
                                                  lesvorm. Houdt rekening met persoonlijkheid en
                                                  doelstelling deelnemers. Bespreekt regelmatig de
                                                  vorderingen met (ouders van) deelnemers en
                                                  evalueert de onderwijsactiviteit; stelt eventueel
                                                  leerdoelstellingen bij. Organiseert kunstuitingen
                                                  van en voor deelnemers.</al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de
                                                  ontwikkeling van KV-producten en
                                                  -programma’s</onderstreept>Volgt en signaleert
                                                  relevante ontwikkelingen op het terrein van de
                                                  kunstzinnige vorming. Levert bijdragen aan
                                                  marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                                                  marktontwikkelingsplannen; overlegt met
                                                  opdrachtgevers en andere instanties over
                                                  organisatie en uitvoering van projecten. Werkt
                                                  voorstellen uit in projectbeschrijvingen. </al></li><li><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamheden</onderstreept>Woont diverse
                                                  overlegvormen bij. Houdt ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied bij; neemt deel aan na- en bijscholing.
                                                  Levert bijdragen aan
                                                  evenementen/instellingsactiviteiten.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>3. Balletbegeleider</vet></al><lijst><li nr="A"><al>Beschrijving van de functieFunctiebenaming:
                                                BalletbegeleiderFunctie-eisen:
                                                  MBO-niveau<onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2"><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                                                  vakgebied</al></li><li nr="3"><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst></li><li nr="B"><al>Beschrijving van de taken</al><lijst><li><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden
                                                  van lessen</onderstreept>Begeleidt klassieke
                                                  balletlessen en andere lesvormen op piano en
                                                  andere instrumenten. Zorgt waar nodig voor
                                                  improvisatie en zorgt ervoor dat het karakter van
                                                  de oefening muzikaal wordt ondersteund. Past
                                                  gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt
                                                  andere accenten als de docent dit aangeeft.
                                                  Verzorgt de instrumentale begeleiding van
                                                  uitvoeringen.</al></li><li><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van
                                                  ontwikkelingen op het vakgebied</onderstreept>
                                                  Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.
                                                  </al></li><li><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige
                                                  werkzaamhede</onderstreept>n Voert periodiek
                                                  overleg met de docent over het afstemmen van het
                                                  spel op de oefeningen en de samenwerking tussen
                                                  docent en begeleider.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                            behorend tot het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige
                            vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten, consulenten
                            en Balletbegeleiders werkzaam in de Kunstzinnige Vorming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage VI Vervallen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage VIIa Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij de
                            aanstellingskeuring gebruikt dienen te worden. De uitwerking van
                            onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is vastgelegd in de
                            aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het Coronel Instituut.
                            Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                            diensten,</al><al>- ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie,
                                            epilepsie</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5
                                            jaar</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                            van:</al><al>- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (aanstellingsbrandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- geldige inentingen</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis,
                                            Difterie, Tetanus, Tuberculose, HIV) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (laddertest) (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen
                        verricht om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het
                        werk te kunnen aantonen: </al><lijst><li nr="-"><al>longfunctiebepaling met behulp van spirometrie</al></li><li nr="-"><al> audiogram afname </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage VIIb Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><al><vet>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke
                            signaalvragen, screeningsinstrumenten en functionele tests bij het
                            Periodiek Preventief Medisch Onderzoek gebruikt dienen te worden. De
                            uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling hiervan is
                            vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door het Coronel
                            Instituut. Deze uitwerking is te vinden op www.vng.nl.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth=""></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth=""></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere functie-eis:</al></entry><entry colname="col2"><al>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten,</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                            vorige keuring</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al>- hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Emotionele piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Energetische piekbelasting</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                            (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of
                                            huidige hartziekte; roken)</al><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van
                                            de huidige aanwezigheid van verhoogd risico op
                                            toekomstig HVZ (ter regulering en niet ter
                                            afkeuring):</al><al>- te hoge BMI of buikvet</al><al>- hoge bloeddruk</al><al>- diabetes mellitus</al><al>- afwijkingen ECG</al><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een
                                            indruk geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                            (brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Goed gezichtsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens
                                            werk</al><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand)</al><al>- onvoldoende kleurenzicht</al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom</al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Goed gehoorsvermogen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag
                                                worden in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of
                                            dampen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening</al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                            luchtweg/longen</al><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                            aanwezigheid van:</al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen
                                            (eczeem/atopie)</al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar
                                            voor anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen</al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten</al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                            (tijdens brandbestrijdingstest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10.Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten</al><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter
                                            test (tijdens brandbestrijdingstest en
                                            brandweertraplooptest) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11.Houdingen en krachtleverantie met rug </al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1-11 met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>Signaalvraag (mondeling):</al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of
                                            gezondheidsklachten opgelopen die van invloed (kunnen)
                                            zijn op de uitvoering van uw werk? </al><al>Signaalvraag (schriftelijk) naar:</al><al>1 Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                            psychisch, bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                            urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                            tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen)</al><al>2 Ingeschat eigen werkvermogen nu</al><al>3 Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de
                                            fysieke en psychologische taakeisen</al><al>4 doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen
                                            periode</al><al>5 doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                            periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                            gehoorsvermindering als gevolg</al><al>6 doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen
                                            in afgelopen periode</al><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om
                                            achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen
                                            tonen:</al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname </al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage VIII Sociaal Plan</titel></kop><tussenkop><vet>Inhoudsopgave</vet></tussenkop><lijst><li><al>Doel en werkingssfeer</al></li><li><al>Definities</al></li><li><al>1. Plaatsing</al><lijst><li><al>Artikel 1.1 Uitgangspunten</al></li></lijst></li><li><al>2. Salaris en reiskosten</al><lijst><li><al>Artikel 2.1 Salarisgarantie, opleidingsgarantie</al></li><li><al>Artikel 2.2 Reiskosten</al></li><li><al>Artikel 2.3 Hardheidsclausule</al></li></lijst></li><li><al>3. Commissie Sociaal Plan</al><lijst><li><al>Artikel 3.1 Taak</al></li><li><al>Artikel 3.2 Samenstelling</al></li><li><al>Artikel 3.3 Werkwijze</al></li></lijst></li><li><al>4. Looptijd</al><lijst><li><al>Artikel 4.1 Inwerkingtreding en looptijd</al></li><li><al>Artikel 4.2 Citeertitel</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop><vet>Doel en werkingssfeer</vet></tussenkop><al> Dit Sociaal Plan (hierna 'deze regeling') heeft als doel om de
                        uitgangspunten en de rechtspositionele waarborgen vast te leggen, die nodig
                        zijn om de personele gevolgen van het “formaliseren van de tijdelijke
                        werkorganisatie Brandweer” op een sociaal verantwoorde wijze te regelen.
                        Deze regeling is van toepassing op 66 medewerkers die onderdeel uitmaken van
                        de tijdelijke werkorganisatie. </al><tussenkop><vet>Definities</vet></tussenkop><lijst><li nr="-"><al><vet>Passende functie:</vet>een functie binnen de organisatie waarin
                                de medewerker gezien zijn/haar persoon, opleiding, ervaring,
                                omstandigheden en objectief vast te stellen vooruitzichten in
                                redelijkheid kan worden geplaatst en waarbij geldt dat die functie
                                niet meer dan twee salarisschalen lager is gewaardeerd dan de
                                functie die hij/zij laatstelijk heeft vervuld. Hieronder valt ook
                                een functie die binnen 12 maanden passend te maken is door scholing,
                                opleiding en/of vorming.</al></li><li nr="-"><al><vet>Plaatsen:</vet> het plaatsen van een medewerker in een
                                uitwisselbare functie binnen de nieuwe organisatie.</al></li><li nr="-"><al><vet>Reorganisatie:</vet> de wijziging van de organisatiestructuur
                                van de brandweer, die het gevolg is van het formaliseren van de
                                werkorganisatie.</al></li><li nr="-"><al><vet>Uitwisselbare functie(s):</vet></al><lijst><li nr="1"><al>functies die naar aard, inhoud en niveau als uitwisselbaar
                                        worden beschouwd;</al></li><li nr="2"><al>een functie die naar aard, inhoud en niveau in belangrijke
                                        mate overeenkomt met de functie die de medewerker voor de
                                        reorganisatie heeft vervuld.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al><vet>Werkgever</vet>: Het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling
                                Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant.</al></li></lijst><tussenkop><vet>1. Plaatsing</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1.1 Uitgangspunten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Het aan een reorganisatie ten grondslag liggende besluit bevat een
                        domeinbepaling, waardoor duidelijk is op welke onderdelen van de organisatie
                        de reorganisatie betrekking heeft. Deze regeling ziet toe op het domein
                        “tijdelijke werkorganisatie brandweer”.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Bij reorganisatie geldt ten aanzien van de plaatsing van medewerkers in de
                        nieuwe organisatie het uitgangspunt “mens volgt werk”. Dit uitgangspunt
                        heeft tot gevolg dat medewerkers worden geplaatst in een met de oude functie
                        uitwisselbare functie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Aanspraken van medewerkers op een eerder sociaal statuut en/of sociaal plan
                        worden door de werkgever gerespecteerd en in acht genomen.</al><tussenkop><vet>2. Salaris en reiskosten</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 2.1 Salarisgarantie,
                        opleidingsgarantie</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Medewerkers die na de plaatsingsfase in een zelfde of lager ingedeelde
                        functie geplaatst worden, behouden het recht op doorloop van de schaal welke
                        zij hebben op het moment voorafgaand aan de plaatsing, ongeacht of dit een
                        aanloopschaal of functionele schaal betreft.De werkgever respecteert in
                        voorkomende situaties de eventueel in het verleden met de betreffende
                        medewerker (aantoonbaar) schriftelijk toegezegde en/of gemaakte
                        salarisafspraken en/of salarisperspectieven van medewerker en zal die
                        gemaakte afspraken nakomen, onder de voorwaarde dat de medewerker naar het
                        oordeel van de werkgever normaal functioneert.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De schriftelijk vastgelegde, individuele afspraken met betrekking tot
                        persoonlijke ontwikkeling, scholing, vorming en opleiding blijven
                        gerespecteerd. Als een medewerker een opleiding tengevolge van een niet bij
                        de opleiding passende plaatsing, waarbij de opleiding door de werkgever is
                        opgedragen, geldt nooit een terugbetalingsverplichting.</al><tussenkop><vet>Artikel 2.2 Reiskosten</vet></tussenkop><al>Medewerkers die als gevolg van de reorganisatie verplicht worden om van
                        standplaats te wijzigen, met als gevolg dat de afstand tussen woonadres en
                        standplaats toeneemt, wordt een tijdelijke compensatie aangeboden.</al><al>Op deze medewerkers is het volgende van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>Indien de reisafstand tussen de woonplaats en de nieuwe plaats van
                                tewerkstelling meer is dan de huidige afstand tussen de woonplaats
                                en de thans geldende plaats van tewerkstelling, (op basis van
                                http://www.routenet.nl / meest optimale route), worden de extra af
                                te leggen kilometers vergoed met een bedrag van € 0,19 per kilometer
                                op declaratiebasis.</al></li><li nr="-"><al> Deze compensatiemaatregel wordt toegekend voor een periode van
                                maximaal 24 maanden. De periode van 24 maanden gaat in op de 1ste
                                van de maand dat de medewerker de functie vervult die de gedwongen
                                verplaatsing noodzakelijk maakt.</al></li><li nr="-"><al> Deze tijdelijke compensatiemaatregel komt te vervallen op het
                                moment dat medewerker op eigen initiatief een andere functie
                                aanvaardt.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 2.3 Hardheidsclausule</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Indien de toepassing van deze regeling en het RAVMWB in bijzondere
                        individuele gevallen leidt tot een onbillijke situatie voor de medewerker,
                        is de werkgever bereid af te wijken van deze regeling in een voor de
                        medewerker gunstige zin.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien er tussen de medewerker en de werkgever geen overeenstemming wordt
                        bereikt over de toepassing van de hardheidsclausule, dan kan dit door de
                        medewerker of door de werkgever worden voorgelegd aan de ingestelde
                        Commissie Sociaal Plan (conform artikel 3).</al><tussenkop><vet>3. Commissie Sociaal Plan</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 3.1 Taak</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Er wordt een paritaire commissie ingesteld, die toezicht houdt op de
                        uitvoering van deze regeling. De commissie adviseert de werkgever over:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitvoering van deze regeling</al></li><li nr="-"><al> alle situaties waarin een beroep wordt gedaan op de
                                hardheidsclausule.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Een verzoek om advies als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan door de
                        werkgever of door de betrokken medewerker.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De commissie brengt een bindend advies uit.</al><tussenkop><vet>Artikel 3.2 Samenstelling</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De werkgever stelt een commissie in, die bestaat uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een vaste onafhankelijk voorzitter;</al></li><li nr="-"><al> een lid aan te wijzen door de werkgever;</al></li><li nr="-"><al> een lid, aan te wijzen door de werknemersgeleding.</al></li></lijst><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Voor elk lid wordt een plaatsvervanger benoemd.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>De commissie wordt bijgestaan door een ambtelijk secretaris.</al><tussenkop><vet>Artikel 3.3 Werkwijze</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>De commissie kan belanghebbenden en andere betrokkenen horen.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>De werkgever en de betrokken medewerker zijn verplicht alle gevraagde
                        informatie te verschaffen aan de commissie.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar.</al><tussenkop><vet>Lid 4</vet></tussenkop><al>De commissie brengt haar advies schriftelijk uit, binnen vier weken na de
                        aanvraag daartoe.</al><tussenkop><vet>4. Looptijd</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 4.1 Inwerkingtreding en looptijd</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Lid 1</vet></tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2014 en eindigt op 31 december
                        2014.</al><tussenkop><vet>Lid 2</vet></tussenkop><al>Indien voor het verstrijken van de einddatum tussen werkgever en de
                        betrokken werknemersorganisaties geen overeenstemming is bereikt over de
                        voortzetting van deze regeling, komen de daarin opgenomen bepalingen te
                        vervallen.</al><tussenkop><vet>Lid 3</vet></tussenkop><al>Lid 1 en lid 2 gelden niet voor de compensatie reiskosten waarvoor een
                        maximale termijn van 24 maanden geldt, zoals in artikel 2.2 vermeld.</al><tussenkop><vet>Artikel 4.2 Citeertitel</vet></tussenkop><al>Deze regeling wordt aangehaald als:“Sociaal Plan Veiligheidsregio Midden- en
                        West-Brabant 2014”.</al><al>Het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant;</al><lijst><li nr="-"><al>gelet op hoofdstuk 10d RAVMWB;</al></li><li nr="-"><al>gelet op de overeenstemming met de Commissie voor het Georganiseerd
                                Overleg op 8 november 2013;</al></li></lijst><al>besluit vast te stellen de volgende regeling: “Sociaal Plan Veiligheidsregio
                        Midden- en West-Brabant 2014”</al></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>