<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR125401_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van Orde 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoortsecourant.nl">Zandvoortse Courant 04-05-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van Orde 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Artikel 16 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-04-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-05-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-05-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2006/5206</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt: “Reglement van Orde van de gemeenteraad van de Gemeente Zandvoort”</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de
            gemeenteraad 2006 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Zandvoort : d.d. 25 april 2006 </al><al>Gepubliceerd in de Zandvoortse Courant : d.d. 4 mei 2006 </al><al>Inwerkingtreding : d.d. 4 mei 2006 </al><al>Registratienr: 2006/5206 </al><al>Gemeente Zandvoort </al><al/><al><vet>1 HET REGLEMENT VAN ORDE </vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Zandvoort: </al><al>overwegende dat de raad een reglement van orde voor zijn vergaderingen en
                        andere werkzaamheden vaststelt; </al><al>gelet op artikel 16 van de Gemeentewet; </al><al>besluit vast te stellen: </al><al/><al>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de
                        gemeenteraad 2006 inclusief toelichting. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>1.1 ALGEMENE BEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </label></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder: </al><al>a. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al><al>b. amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of
                            ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden
                            opgenomen; </al><al>c. subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement,
                            naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement,
                            waarop het betrekking heeft; </al><al>d.motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor
                            een oordeel, wensof verzoek wordt uitgesproken; </al><al>e. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                            vergadering;</al><al>f. initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander
                            voorstel</al><al>g. interpellatie: een verzoek om mondelinge vragen te mogen stellen in
                            de raad over niet geagendeerde onderwerpen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 De voorzitter </label></kop><al>De voorzitter is belast met: </al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van het reglement van orde;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder
                                    opdraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 De griffier </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door
                                    een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.
                                </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd,
                                    aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 De secretaris </label></kop><al>De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering
                            aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als
                            bedoeld in dit reglement. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Het presidium </label></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad heeft een presidium.</al></li><li nr="2."><al>Het presidium bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters
                                    en heeft tot doel interne aangelegenheden de raad betreffende
                                    alsmede vertrouwelijke aangelegenheden die nog niet tot
                                    besluitvorming leiden te bespreken. </al></li><li nr="3."><al>Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem
                                    bij zijn afwezigheid in het presidium vervangt. </al></li><li nr="4."><al>Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium.</al></li><li nr="5."><al>De griffier of zijn vervanger is in elke vergadering van het
                                    presidium aanwezig.</al></li><li nr="6."><al>De voorzitter kan voorstellen de secretaris uit te nodigen voor
                                    het presidium.</al></li><li nr="7."><al>Het presidium komt bijeen op verzoek van de voorzitter, een lid
                                    van het college van burgemeester en wethouders of een lid van
                                    het presidium. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 De agendacommissie </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is een agendacommissie.</al></li><li nr="2."><al>De agendacommissie bestaat uit de voorzitters van raad en
                                    raadscommissies. De griffier of</al><al>zijn vervanger is in elke vergadering van de agendacommissie
                                    aanwezig. </al></li><li nr="3."><al>De voorzitter van de raad is voorzitter van de
                                    agendacommissie.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter van de agendacommissie kan voorstellen de
                                    gemeentesecretaris uit te</al><al>nodigen voor een vergadering van de agendacommissie. </al></li><li nr="5."><al>De leden van de agendacommissie hebben elk één stem in de
                                    agendacommissie. Bij het staken der stemmen beslist de
                                    voorzitter. </al></li><li nr="6."><al>De agendacommissie heeft tot taak het voorlopig vaststellen van
                                    de agenda van de gemeenteraad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Overleg </label></kop><al>Het presidium en de agendacommissie hebben naar behoefte gezamenlijk
                            overleg. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>TOELATING VAN NIEUWE LEDEN; FRACTIES </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                                commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                                onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
                                van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het
                                (centraal)stembureau. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag
                                uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In
                                het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
                                de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                                samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                                waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed
                                of verklaring en belofte af te leggen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste
                                lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet
                                aan de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van deze commissie is
                                overeenkomstig het tweede lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Fracties </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer
                                slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke
                                fractie </al><al>beschouwd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert
                                de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen
                                aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie
                                in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke
                                naam deze </al><al>fractie in de raad wil voeren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens
                                plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan
                                de voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien:</al><al>· één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan
                                optreden; </al><al>· twee of meer fracties als één fractie gaan optreden; </al><al>· één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere
                                fractie; </al><al>wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan
                                de voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met de onder lid 4 beschreven veranderde situatie wordt rekening
                                gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na
                                de mededeling daarvan. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.3 VERGADERINGEN</label></kop><sub-paragraaf><kop><label>1.3.1 TIJDSTIP VAN VERGADEREN; VOORBEREIDINGEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Vergaderfrequentie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen van de raad vinden plaats volgens een door de
                                    raad vastgesteld vergaderrooster, vangen aan om 20.00 uur en
                                    worden gehouden in het raadhuis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                    aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                    voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende
                                    situatie, overleg in de agendacommissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Oproep </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste 10 dagen voor een vergadering de
                                    leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van
                                    dag, tijdstip en plaats van de vergadering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                    Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de </al><al>schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Agenda </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt de
                                    agendacommissie de voorlopige agenda van de vergadering vast.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van
                                    een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met
                                    de daarbijbehorende stukken aan de leden van de raad verzonden,
                                    en </al><al>openbaar gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                    voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad
                                    bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda
                                    toevoegen of van de agenda afvoeren. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                    beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen
                                    naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of
                                    advies vragen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de
                                    raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 De wethouder </label></kop><al>De agendacommissie kan een of meer wethouders uitnodigen, al dan
                                niet op zijn/hun verzoek, om in de vergadering aanwezig te zijn en
                                aan de beraadslagingen deel te nemen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Ter inzage leggen van stukken </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen
                                    op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter
                                    inzage gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke
                                    oproep stukken </al><al>ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de
                                    leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten
                                    het gemeentehuis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                    stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                    griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Openbare kennisgeving </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt door aankondiging in één of meer dag-,
                                    nieuws-of huis-aanhuisbladen en door plaatsing op de
                                    gemeentelijke website openbaar gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt: </al><al>a. de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige
                                    agenda van de vergadering;</al><al>b. de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de
                                    vergadering behorende stukken kan inzien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden,
                                    indien digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente
                                    geplaatst. </al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>1.3.2 ORDE DER VERGADERING </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16 Presentielijst </label></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de
                                presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst
                                door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Zitplaatsen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                    vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium
                                    bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                    aangewezen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                    herzien na overleg in het presidium. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                    secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                    uitgenodigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Opening vergadering; quorum </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                    indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de
                                    raad blijkens de presentielijst aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                    vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                    voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de
                                    volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                    Gemeentewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming </label></kop><al>Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt
                                de voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke
                                stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van
                                de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de
                                hoofdelijke stemming. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Verslag en besluitenlijst </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een
                                    presentielijst, een kort verslag en debesluitenlijst van de
                                    vergadering. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo
                                    mogelijk, aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met
                                    de schriftelijke oproep. Het conceptverslag wordt gelijktijdig
                                    aan de overige personen die het woord gevoerd hebben,
                                    toegezonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de
                                    secretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de
                                    raad te doen, indien het conceptverslag onjuistheden bevat of
                                    niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een
                                    voorstel tot verandering dient voor de aanvang van de
                                    vergadering bij de griffier te worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag bevat ten minste:</al><al>a. de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de
                                    wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de
                                    leden die afwezig waren en overige personen die het woord
                                    gevoerd hebben; </al><al>b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; </al><al>c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding
                                    van de namen van de aanwezigen die het woord voerden; </al><al>d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met
                                    vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden
                                    die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de
                                    leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben
                                    onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben
                                    vergist; </al><al>e. de tekst van de ter vergadering ingediende
                                    initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,
                                    amendementen en subamendementen; </al><al>f. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid
                                    van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in
                                    artikel 25 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de
                                    beraadslagingen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld,
                                    waarna dit door de voorzitter en de griffier wordt ondertekend.
                                </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich
                                    daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig
                                    mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt door plaatsing op </al><al>de gemeentelijke website. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Ingekomen stukken </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke
                                    antwoorden op vragen, inlichtingen en overige mededelingen van
                                    het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze
                                    lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en ter inzage
                                    gelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt op voorstel van de voorzitter en de griffier de
                                    wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Aantal spreektermijnen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                    hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                    voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                            initiatiefvoorstel heeft ingediend,</al></li></lijst><al>voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp
                                    of voorstel het woord</al><al>heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een
                                    voorstel van orde. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Spreektijd </label></kop><al>Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de
                                leden en de overige aanwezigen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Handhaving orde; schorsing </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen
                                            van dit reglement te herinneren;</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat
                                            de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal
                                            afronden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke
                                    uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                    onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan
                                    wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter
                                    tot de orde geroepen. </al><al>Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de
                                    voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats
                                    heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor
                                    een door hem te bepalen tijd schorsen en -indien na de
                                    heropening de orde opnieuw wordt verstoord -de vergadering
                                    sluiten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Beraadslaging </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                    beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of
                                    voorstel afzonderlijk te beraadslagen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de
                                    voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door
                                    hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden
                                    de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De
                                    beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode
                                    verstreken is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering
                                    aanwezige leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de
                                    griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of
                                    één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging
                                    ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang
                                    wordt genomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Stemverklaring </label></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Beslissing </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel
                                    voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de
                                    raad anders beslist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over
                                    eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel,
                                    zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                    gevraagd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel
                                    plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te
                                    nemen eindbeslissing. </al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>1.3.3 PROCEDURES BIJ STEMMINGEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                    stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                    stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                    stemming is aangenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het
                                    verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                    tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet van
                                    stemming te hebben onthouden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                    voorzitter daarvan mededeling. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij
                                    naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid
                                    dat daarvoor overeenkomstig artikel 19 is aangewezen. Vervolgens
                                    geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid
                                    dat zich niet van deelneming aan de stemming op grond van
                                    artikel 28 Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te
                                    brengen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De leden brengen hun stem uit door het woord 'voor' of 'tegen'
                                    uit te spreken, zonder enige toevoeging. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                    kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                    gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan
                                    kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend
                                    heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist;
                                    in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen
                                    verandering. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede,
                                    met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte
                                    stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen
                                    besluit. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Stemming over amendementen en moties </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend,
                                    wordt eerst over dat amendement gestemd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt
                                    eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                    amendement. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                    aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de
                                    volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij </al><al>geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of
                                    subamendement het eerst in </al><al>stemming wordt gebracht. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                    wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                    motie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Stemming over personen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                    voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling
                                    moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot stembureau.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de
                                    Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een
                                    stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te
                                    zijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                    benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op
                                    voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen
                                    worden samengevat op één briefje. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes
                                    gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid
                                    verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen
                                    niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze
                                    te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in
                                    artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben
                                    uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben
                                    ingeleverd. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist
                                    de raad, op voorstel van de voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes
                                    onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Herstemming over personen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                    heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                    meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                    twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op
                                    zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste
                                    stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een
                                    tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde
                                    stemming zal plaatshebben. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                    staken, beslist terstond het lot. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Beslissing door het lot </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen
                                    wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                    afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                    gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                    gedeponeerd en omgeschud. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                    stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                    gekozen. </al><al/><al/><al/><al/><al><vet>RECHTEN VAN LEDEN </vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Amendementen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                                    amendementen indienen.</al><al>Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd
                                    voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover
                                    afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen
                                    beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn
                                    door leden van de raad, die </al><al>de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig
                                    zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                                    amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te
                                    stellen (subamendement). </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling
                                    genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden
                                    ingediend, tenzij de voorzitter -met het oog op het eenvoudige
                                    karakter van het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge
                                    indiening kan </al><al>worden volstaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is
                                    mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft
                                    plaatsgevonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Moties </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie
                                    indienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                    schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of
                                    voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp
                                    of voorstel plaats. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda
                                    opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda
                                    voorkomende onderwerpen zijn behandeld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat
                                    de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Voorstellen van orde </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de
                                    vergadering mondeling eenvoorstel van orde doen, dat kort kan
                                    worden toegelicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                    betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Initiatiefvoorstel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                    worden schriftelijk via de griffier bij de agendacommissie
                                    worden ingediend. De griffie brengt de inhoud van het voorstel
                                    zo spoedig mogelijk ter kennis van de voorzitter en de overige
                                    leden van de raad en de wethouders. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De agendacommissie plaatst het voorstel op de agenda van de
                                    eerstvolgende vergadering, tenzij de schriftelijke oproep
                                    hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het
                                    voorstel op de agenda van de daaropvolgende vergadering
                                    geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de agenda, ongeacht of daarop een
                                    ingediend initiatiefvoorstel is geplaatst, kan op verzoek van
                                    een lid van de raad de behandeling van het initiatiefvoorstel in
                                    stemming worden gebracht; er wordt niet tot (aparte) behandeling
                                    overgegaan als de raad </al><al>oordeelt dat: </al><al>a. het voorstel met het oog op de orde van de vergadering
                                    tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te
                                    worden behandeld; </al><al>b. het voorstel eerst dient te worden behandeld in een
                                    raadscommissie; </al><al>c. het voorstel voor advies naar het college dient te worden
                                    gezonden. In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering het
                                    voorstel opnieuw geagendeerd wordt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling
                                    van een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag
                                    van een wethouder, zijn de bepalingen in dit artikel niet van
                                    toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van de raad
                                    terstond aan de agenda toegevoegd worden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 Collegevoorstel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op
                                    de agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken
                                    zonder toestemming van de raad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in
                                    het eerste lid voor advies terug aan het college moet worden
                                    gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel
                                    opnieuw geagendeerd wordt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 39 Interpellatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt,
                                    behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende
                                    gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering
                                    via de griffier schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het
                                    verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp
                                    waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen
                                    vragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                    ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders.
                                    Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende
                                    vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in
                                    stemming gebracht. De raad willigt het verzoek tot het houden
                                    van een interpellatie in, indien het verzoek wordt gesteund door
                                    minimaal vier leden. De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de
                                    vergadering de interpellatie zal worden gehouden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de
                                    overige leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet
                                    meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Schriftelijke vragen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De
                                    vragen worden van een toelichting voorzien. Vragen die niet
                                    voldoen aan het hiervoor gestelde worden per omgaande aan de
                                    indiener teruggestuurd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg
                                    voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige
                                    leden van de raad en het college of de burgemeester worden
                                    gebracht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                    ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn
                                    binnengekomen. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen
                                    kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college
                                    of de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in
                                    kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen
                                    beantwoording zal plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                                    tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad
                                    toegezonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Vragen en inlichtingen </label></kop><al>Het bepaalde in artikel 39 en 40 geldt als nadere regeling van de
                                artikelen 155, beide leden,169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet, naast de mogelijkheden tot het stellen en behandelen
                                van vragen en het verkrijgen van inlichtingen in de raadscommissies,
                                zoals bepaald in de Verordening op de Raadscommissies 2006.
                                Begroting en rekening </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 Procedure begroting </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de
                                voorbereiding, het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van
                                de begroting volgens een procedure die de raad vaststelt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 Procedure jaarrekening </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de
                                voorbereiding en het onderzoek van de jaarrekening en het
                                jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van een
                                eventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad
                                vaststelt. </al><al/><al/><al><vet>LIDMAATSCHAP VAN ANDERE ORGANISATIES</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 44 Verslag en verantwoording </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                    secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van
                                    het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
                                    gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
                                    gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in
                                    aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken
                                    òf voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over
                                    zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn.
                                    Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de
                                    voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het
                                    eerste lid, schriftelijke vragenstellen. De regels voor het
                                    stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 40,
                                    zijn van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het
                                    eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze
                                    van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan
                                    daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld
                                    in artikel 41, zijn van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere
                                    organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden
                                    heeft benoemd. </al></lid></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.6 BESLOTEN VERGADERING</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 45 Algemeen </label></kop><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46 Verslag </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag van een besloten vergadering wordt niet rondgedeeld,
                                maar ligt uitsluitend voor de leden ter inzage. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering
                                ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad
                                een besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag. Het
                                vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier
                                ondertekend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 47 Geheimhouding </label></kop><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad
                            overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de
                            inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De
                            raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 48 Opheffing geheimhouding </label></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft </al><al>opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan
                            overleg gevoerd. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.7 TOEHOORDERS EN PERS</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 49 Toehoorders en pers </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed-of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 50 Geluid-en beeldregistraties </label></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering
                            geluid-dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling
                            aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze
                            aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van </al><al>pers aantasten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 51 Verbod gebruik mobiele telefoons </label></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                            vergadering het gebruik, alsmede het standby houden van mobiele
                            telefoons of andere communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen maken op de
                            orde van de vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet
                            toegestaan. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>SLOTBEPALINGEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 52 Uitleg reglement </label></kop><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent
                            de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 53 Inwerkingtreding en citeertitel </label></kop><al>1. Het “Reglement van Orde van de gemeenteraad van de Gemeente
                            Zandvoort” vastgesteld bij raadsbesluit van 23 april 2002 wordt
                            ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum. </al><al>2. Dit reglement treedt in werking op 4 mei 2006.</al><al>3. Dit reglement wordt aangehaald als “Reglement van Orde 2006”.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 april 2006. </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING </label></kop><divisie><kop><label>2.1 ALGEMEEN</label></kop><al>Na vier jaar ervaring met de duale werkwijze van de raad is het goed om het
                        reglement van orde kritisch te bekijken. Het reglement is opgesteld begin
                        2002 vooruitlopend op de inwerkingtreding van de gewijzigde Gemeentewet.
                        Gebleken is dat deze op enkele punten bijstelling behoeft. De belangrijkste
                        wijzigingen zijn: de nummering is aangepast en is nu </al><al>doorlopend; het spreekrecht voor burgers is verwijderd uit het reglement van
                        orde en heeft meer nadruk gekregen in de verordening op de raadscommissies;
                        de bepaling over notulen is aangepast, aansluiting bij terminologie uit
                        Gemeentewet en opname van besluitenlijst; </al><al>deregulering: schrappen spreekregels, volgorde sprekers en de gedetailleerde
                        uitwerking van het stembriefje en opname van een bepaling voor het
                        geloofsbrievenonderzoek van de wethouder. </al><al>Enkele kleinere aanpassingen liggen op het vlak van het op logischere wijze
                        invullen van bijvoorbeeld de griffier waar voorheen werd gesproken van de
                        voorzitter; wat minder formeel omgaan met bijvoorbeeld de aanwezigheid van
                        een wethouder bij de vergadering; </al><al>het opnemen dat stukken op internet geplaatst worden als service aan de
                        burger (hoewel wettelijk niet verplicht) en het met name noemen van de
                        burgemeester als bestuursorgaan waar voorheen gemakshalve over college werd
                        gesproken. </al></divisie><divisie><kop><label>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </label></kop><al>De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden
                        hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 De voorzitter </label></kop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                        Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In
                        artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het
                        raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                        burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst </al><al>in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de
                        raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De
                        burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in
                        de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij
                        onder andere voor de handhaving van de orde in de </al><al>vergadering. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 De griffier </label></kop><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De
                        griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de
                        raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De
                        Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel
                        107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In
                        verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid </al><al>een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan
                        de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging,
                        woonplaats etcetera zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat
                        beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de
                        raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken van de
                        griffier uitgewerkt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 De secretaris </label></kop><al>De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het
                        college en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die
                        twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de secretaris deelneemt aan de
                        beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen
                        door het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris </al><al>niet kan dwingen om in de raad aanwezig te zijn. De raad zal het college
                        moeten verzoeken of het college de secretaris opdraagt in de vergadering
                        aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan
                        de raad onder meer een beroep doen op kennis en informatie, die de
                        secretaris bezit of kan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan </al><al>een discussie over het functioneren van de ambtelijke organisatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 Het presidium </label></kop><al>Het presidium heeft in het reglement voornamelijk de rol om interne en
                        vertrouwelijke aangelegenheden te bespreken. De procedurele rol (vaststellen
                        voorlopige agenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten e.d.)
                        wordt in Zandvoort overgelaten aan </al><al>de agendacommissie. De VNG is van mening dat het presidium voor wat betreft
                        de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te
                        vervullen omdat anders het gevaar bestaat dat er </al><al>binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen in strijd
                        is met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt
                        (artikel 125 lid 1 Grondwet). De griffier is bij elke vergadering van het
                        presidium aanwezig, omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad
                        zorgt. De aanwezigheid van de secretaris kan gewenst zijn, omdat </al><al>de secretaris aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven
                        op onderwerpen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6 De agendacommissie </label></kop><al>De bepaling in het reglement van orde is summier de eigenlijke uitwerking
                        van de instelling, samenstelling en taak van de agendacommissie is opgenomen
                        in de verordening op de raadscommissies 2006. De agendacommissie vervult een
                        belangrijke (coördinerende) rol bij </al><al>de agendering van zaken in de raadscommissies. De commissie stelt de
                        agenda's van raadscommissies voorlopig vast. De definitieve vaststelling van
                        de agenda van een raadscommissie geschiedt door de betreffende commissie bij
                        de aanvang van de vergadering. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 Overleg </label></kop><al>In artikel 7 is voorzien in een overleg tussen presidium en agendacommissie.
                        Richtlijn kan zijn om twee maal per jaar gezamenlijk te vergaderen, maar dit
                        is niet verplicht. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders </label></kop><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                        benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                        benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                        benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                        Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt </al><al>worden aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet
                        aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de
                        volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen
                        die hij bekleedt, een uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats,
                        geboorteplaats en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken </al><al>waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, lid 2
                        Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet
                        in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de
                        gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze
                        code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane
                        nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag
                        uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. </al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de
                        voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek
                        verricht nadat de voorzitter van het </al><al>centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces
                        verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van
                        de uitslag) gebeurt alleen in de eerste samenkomst van de nieuwe raad na
                        verkiezingen. Het onderzoek van de </al><al>geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten
                        en van de lijstverbindingen. </al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van
                        zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling
                        van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na
                        een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de
                        raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte </al><al>afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse
                        vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de
                        beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid
                        plaatsvinden. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een </al><al>raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in
                        artikel 14 van de </al><al/><al>Gemeentewet vastgelegd. </al><al>De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                        toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet
                        dualisering gemeentebestuur in 2002. </al><al>Het vijfde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de
                        Kieswet vloeit het geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort. Aangezien
                        de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de
                        Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft </al><al>wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op
                        welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap
                        zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap
                        (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor
                        het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de
                        geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een vijfde lid aan dit artikel
                        is toegevoegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 Fracties </label></kop><al>In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat
                        onder een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk
                        begrip niet maar gaat onder andere in artikel 33, tweede lid, wel uit van
                        het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op
                        fractieondersteuning). In veel gemeenten bestaan regelingen ten </al><al>aanzien van vergoedingen aan fracties, faciliteiten voor fracties,
                        fractieassistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden aangesloten
                        bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip. </al><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen,
                        worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie
                        beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding
                        die zij boven de kandidatenlijst hadden staan. Op </al><al>deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de
                        kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een
                        fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een
                        dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de </al><al>aanduiding mee. In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat
                        leden de raad verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan
                        verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen </al><al>ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd
                        hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen denkbaar. In een
                        dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie
                        plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede.
                        Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt </al><al>maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of
                        zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel
                        is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een
                        kandidaat wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet
                        gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan </al><al>ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die
                        daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen
                        of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te
                        veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze
                        bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de </al><al>samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad
                        kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van
                        de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende
                        vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de
                        nieuwe situatie. </al><al>Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de
                        nieuwe fractie leden dient voor te dragen voor commissies, lid wordt, als
                        fractievoorzitter van het presidium, fractieondersteuning etc. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Vergaderingen </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 1 Tijd van vergaderen; voorbereidingen </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 Vergaderfrequentie </label></kop><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij
                        daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt
                        of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad
                        schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. </al><al/><al>Artikel 11 Oproep </al><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester
                        de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. </al><al>Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zeven dagen vóór een
                        vergadering de leden een brief (de schriftelijke oproep) stuurt, waarin de
                        vergadering wordt aangekondigd. Deze termijn is gewijzigd van veertien naar
                        tien dagen. De brief vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering.
                        Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij
                        behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede
                        lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan
                        de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde
                        stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier
                        wordt melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk, indien
                        de raad dit wenst de stukken en oproep niet per post maar </al><al>per e-mail te versturen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12 Agenda </label></kop><al>De agendacommissie bepaalt na overleg met de voorzitter van de
                        agendacommissie hoe de agenda eruit komt te zien (artikel 6). Het versturen
                        van de agenda en stukken is geregeld in artikel 11. Dit is echter een
                        voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal </al><al>het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op
                        te stellen, die ook zicht heeft op de 'waan' van de dag. In een dergelijke
                        situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo
                        nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot
                        op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de
                        vergadering. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te
                        geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen bij
                        aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de
                        agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. </al><al>Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad
                        van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de
                        hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst
                        dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft
                        de raad de mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of
                        aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid
                        regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter
                        de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen. </al><al>Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de
                        eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen
                        raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13 De wethouder </label></kop><al>Artikel 13 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de
                        Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de
                        raad worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. Het gebruik van
                        het werkwoord 'uitnodigen' geeft aan dat een wethouder kan weigeren te
                        verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet </al><al>waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden
                        uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af
                        te leggen; met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien voor
                        de betrokken wethouder. Gelet op de frequentie van de raadsvergadering
                        zullen veelal zaken uit alle portefeuilles aan de orde </al><al>komen, zodat in de praktijk dikwijls alle wethouders zullen worden
                        uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze
                        vaak deelnemen aan de beraadslagingen. Het kan echter wenselijk zijn, dat
                        een wethouder niet bij een vergadering aanwezig is als de raad een
                        zelfstandige afweging over een onderwerp of voorstel wil maken, </al><al>de raad bijvoorbeeld over het eigen functioneren van gedachten wil wisselen
                        of bij de voorbereiding van een besluit tot het houden van een onderzoek
                        naar het door het college gevoerde bestuur. </al><al/><al>Bij de evaluatie van de dualisering merkt de stuurgroep Leemhuis op dat een
                        wethouder te allen tijde bij raadsvergaderingen aanwezig moet kunnen zijn.
                        De VNG vindt echter dat elke individuele gemeente dat zelf moet kunnen
                        bepalen. Voorlopig komt op dit punt geen actie in de vorm van een
                        wetswijziging, hoewel het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties wel onderzoekt op welke andere wijze invulling kan
                        worden gegeven aan deze aanbeveling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14 Ter inzage leggen van stukken </label></kop><al>In dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken, om de zogenaamde
                        'achterliggende' stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt
                        gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.). </al><al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende
                        stukken. </al><al>Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal verschillende
                        onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet wenselijk dat
                        raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden. Uiteraard dienen
                        alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te hebben om alle
                        stukken desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel </al><al>voldoende tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het
                        verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage gelegd. </al><al>Een stuk is een 'document' in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur
                        (WOB). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend
                        schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten
                        vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander
                        materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor
                        overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda's, notulen,
                        (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de
                        zin van de WOB. </al><al>Het kan niet de bedoeling zijn, dat een lid van de raad of een ander het
                        originele stuk mee naar huis neemt. Dit zou betekenen dat andere raadsleden
                        en geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben om het document in te
                        zien. Een raadslid of een andere geïnteresseerde mag echter wel een kopie
                        van een ter inzage gelegd stuk maken. </al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het
                        ligt dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en
                        de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem
                        ter inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de
                        griffier inzage aan hen verlenen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 15 Openbare kennisgeving </label></kop><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                        tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                        aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de
                        herziening van het reglement is tevens de verplichting opgenomen de agenda
                        en stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van </al><al>service aan de burger is dit gewenst. Elke gemeente beschikt over een
                        website. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. Gemeenten
                        kunnen ervoor kiezen het derde lid niet over te nemen. In het reglement van
                        orde wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws-of huis-aan-huisbladen
                        de aankondiging van de vergadering van de raad wordt </al><al>geplaatst. Indien de gemeente echter vaak wisselende media benut, is het
                        niet verstandig om de naam van een blad op te nemen, aangezien het reglement
                        dan steeds opnieuw moet worden aangepast. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 2 Orde der vergadering </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16 Presentielijst </label></kop><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit
                        artikel 20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De
                        handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen,
                        dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het
                        stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. </al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft.
                        Daarom stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en
                        ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst
                        volledig is en het quorum aanwezig was. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 17 Zitplaatsen </label></kop><al>De griffier is overeenkomstig artikel 3 in elke vergadering aanwezig en
                        heeft daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het
                        presidium de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond
                        van artikel 13 kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering
                        aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om </al><al>ter vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om
                        voor een zitplaats voor hen te zorgen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 18 Opening vergadering; quorum </label></kop><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                        hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel
                        20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering
                        indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen. </al><al>Vervallen </al></divisie><divisie><kop><label>artikel 14 Spreekrecht burgers </label></kop><al>Dit artikel is vervallen bij de herziening van het reglement in 2006. Dit
                        dient in samenhang met de verordening op de raadscommissies worden gezien,
                        deze laatste is ook op dit punt herzien. Het betreft het verwijderen van het
                        spreekrecht uit het reglement en het meer benadrukken van deze mogelijkheid
                        in de verordening op de raadscommissies. Uit de </al><al>praktijk kwamen signalen dat het spreekrecht in de raadsvergadering niet de
                        goede manier is om burgers te betrekken bij de besluitvorming. Dit omdat de
                        raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang
                        daarvoor al is begonnen (ambtelijke organisatie, college, commissies)
                        waardoor de kans klein is dat de raad op dat moment -als reactie op het
                        inspreken van een burger -nog van richting veranderd. De
                        inspreekmogelijkheid van de burger tijdens de raadsvergadering kan daarmee
                        als schijnspreekrecht worden betiteld. De mogelijkheden van burgers om
                        tijdens de commissievergaderingen in te spreken zou </al><al>daarentegen beter benut kunnen worden. Deze vergaderingen zijn doorgaans
                        laagdrempeliger en hebben meer mogelijkheden om met de inspreker in overleg
                        te gaan in een informele setting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming </label></kop><al>Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen
                        aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                        vergadering, ook na een eventuele schorsing. Uiteraard is ook hier afwijking
                        mogelijk, bijvoorbeeld door te bepalen dat pas op het moment van stemming de
                        primus wordt bepaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 20 Verslag en besluitenlijst </label></kop><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze
                        waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet
                        verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting op
                        een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet).
                        Bij de herziening van het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit
                        betreft de bepaling over de besluitenlijst en het gebruik van de term
                        verslag. Wat dit </al><al>laatste betreft, voorheen werd gesproken over notulen. Gekozen is om aan te
                        sluiten bij de terminologie van de Gemeentewet (artikel 23, vijfde lid). </al><al>Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep
                        verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben.
                        Omdat wethouders (artikel 13), de burgemeester, de griffier en de secretaris
                        ook het woord kunnen voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een
                        voorstel tot verandering van het verslag aan de raad doen. Een voorstel tot
                        verandering dient voorafgaand aan de vergadering schriftelijk te worden
                        ingediend. Het is ook mogelijk om te bepalen dat dit kan plaatsvinden tot
                        het moment dat het verslag wordt vastgesteld. Er is hier gekozen om het voor
                        de griffier zo praktisch mogelijk te regelen. </al><al/><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                        griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van het verslag in
                        ontvangst te nemen, het verslag op te stellen en deze, tezamen met de
                        voorzitter, te ondertekenen Het is aan de raad om te beslissen of een
                        voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van
                        een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling </al><al>Rechtspraak van de Raad van State). Als de secretaris aanwezig is, dient
                        zijn naam, omdat het een belangrijke functionaris blijft, vermeld te worden
                        in het verslag. Hetzelfde geldt voor wethouders. </al><al>Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van hetgeen
                        de leden hebben gezegd te bevatten. Ook hetgeen de overige aanwezigen zoals
                        bijvoorbeeld de aanwezige wethouders of de gemeentesecretaris of burgers
                        zeggen moet zakelijk samengevat worden. Dit betekent dat die sprekers ook in
                        het verslag genoemd moeten worden. In het kader van de </al><al>betrokkenheid van burgers bij de lokale politiek kunnen gemeenten het
                        indienen van burgerinitiatiefvoorstellen mogelijk maken (zie de handreiking
                        Burgerinitiatief van de Vernieuwingsimpuls). Als een gemeente burgers die
                        mogelijkheid geeft, moet het verslag ook de tekst van die voorstellen
                        inhouden. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is
                        de openbaarmaking van een besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht
                        gesteld vanaf 19 februari 2003. Al eerder was in de Gemeentewet de
                        verplichting voor het college opgenomen </al><al>(artikel 60), door middel van een amendement is dit nu ook voor de raad
                        geregeld in artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet. Tijdens de
                        behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer is aangegeven dat de
                        besluitenlijst op zo kort mogelijke termijn moet worden </al><al>gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de
                        besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen
                        beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Algemene wet
                        bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een </al><al>werkbezoek af te leggen). Andere vormen van verslaglegging zijn ook
                        mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met
                        een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien </al><al>van tijdscodes-en een besluitenlijst. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen </label></kop><al>Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen
                        voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld
                        ter kennisneming, steunen, afwijzen, </al><al>in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar
                        het college etc. </al><al>Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde
                        verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en
                        besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De
                        schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook
                        bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een </al><al>ingekomen stuk. Verder bewaakt de voorzitter de orde van de vergadering.
                        Vanuit praktische overwegingen stelt de raad op voorstel van de voorzitter
                        en de griffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. </al><al>Vervallen </al><al/><al>In het kader van deregulering zijn de artikelen over “Spreekregels” en
                        “Volgorde sprekers” bij de herziening in 2006 geschrapt. Dat de voorzitter
                        mensen het woord geeft en dat een spreker zich richt tot de voorzitter volgt
                        uit artikel 2 onder a. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 22 Aantal spreektermijnen </label></kop><al>Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                        nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt
                        dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                        veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de
                        inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. </al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden.
                        Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een
                        korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. </al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke
                        termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan
                        de orde zijnde onderwerp. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 23 Spreektijd </label></kop><al>Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief
                        regels kan stellen over de spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit
                        niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het
                        handhaven van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in
                        de omvang van de spreektijd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 24 Handhaving orde; schorsing </label></kop><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn
                        interrupties toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan
                        interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet
                        bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om
                        te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening
                        te uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te
                        vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af
                        te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk
                        overleggen. Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook
                        betrekking op de wethouders, de secretaris, de griffier of andere personen,
                        die het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij
                        hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd. </al><al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een
                        spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver
                        dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om
                        aan dat lid, dat door zijn gedragingen de </al><al>geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te
                        ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter
                        onverlet. Artikel 24 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een
                        besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op
                        feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen </al><al>besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138). </al><al/><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van
                        goed-of afkeuring; </al><al>deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat
                        betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar
                        de artikel 48 van dit reglement. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 25 Beraadslaging </label></kop><al>Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel
                        dat in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel
                        beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. </al><al>Door de toevoeging 'of een lid van de raad' wordt ook raadsleden het recht
                        toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit
                        brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht
                        is aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar
                        dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende </al><al>en daarmee agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook
                        individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te
                        beschikken. </al><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de
                        tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt
                        direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde
                        termijn toegevoegd. </al><al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                        mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval
                        indien het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp
                        vertegenwoordigd is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen </label></kop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                        geregelde verschoningsrecht. </al><al>De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 12 bepalen dat de
                        griffier, de secretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen.
                        De burgemeester heeft het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan
                        de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid </al><al>van de Gemeentewet. De strekking van artikel 26 blijft alleen onveranderd
                        wanneer aan het eerste lid de griffier, de wethouder en de secretaris worden
                        toegevoegd. Daarmee blijft het artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen
                        dat anderen kunnen deelnemen aan de beraadslagingen. </al><al>In het tweede lid wordt het begrip 'beslissing' gebruikt. Het gaat hier
                        namelijk niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet
                        bestuursrecht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 27 Stemverklaring </label></kop><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen
                        van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De
                        stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden tot
                        de stemming begint. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 28 Beslissing </label></kop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een
                        onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De
                        voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen
                        stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond </al><al>van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming </label></kop><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                        stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze
                        bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand
                        stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten
                        overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid
                        Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht. </al><al/><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen,
                        indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele
                        leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van
                        stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een
                        raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. </al><al>Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient
                        duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de
                        achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de
                        stemming begint, is geregeld in artikel 16. </al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep
                        op artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel
                        geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de
                        Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling
                        onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn </al><al>er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de </al><al>verantwoordelijkheden in gemeenteraden. </al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel
                        2:4 Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de
                        mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn
                        beschouwing van 19 mei 2003: </al><al>"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                        individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te
                        waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn
                        in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van
                        een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad
                        kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in </al><al>algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de
                        schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan
                        worden (en dit bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode
                        in juridische zin niet bindend, dit is </al><al>tevens niet wenselijk." </al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                        toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                        zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van
                        het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen
                        staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 30 Stemming over amendementen en moties </label></kop><al>Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven
                        tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming
                        voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie
                        strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt
                        een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige
                        voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt
                        dit </al><al>uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 30 Stemming over personen </label></kop><al>Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen.
                        Voorheen was in artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd
                        over de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk
                        dient te geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op
                        deze wijze zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij
                        stembriefjes te doen is nu vervallen. Gemeenten </al><al>kunnen dus ook middels een elektronisch stemsysteem stemmen over personen,
                        mits de geheimhouding gewaarborgd is. </al><al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming doormiddel van
                        een behoorlijk ingevuld stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet
                        aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p.
                        86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening
                        gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld
                        stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt </al><al>of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk
                        ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. </al><al/><al>Bij de herziening van het reglement in 2006 is de bepaling wat wel en wat
                        niet onder een behoorlijk stembriefje valt geschrapt. De bepalingen zijn
                        onnodig gedetailleerd en zorgden in de praktijk regelmatig voor verwarring.
                        Daarnaast heeft de raad altijd het laatste woord in het geval van twijfel
                        over een behoorlijk stembriefje. </al><al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald
                        ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te
                        benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met
                        daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier overigens niet
                        over de benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat </al><al>in artikel 8 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt
                        verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald
                        ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de
                        namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de
                        opties 'voor' en 'tegen'. Bij een aanbeveling wordt </al><al>voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de
                        raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde
                        vrije stemming. Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen
                        personen te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een
                        vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze </al><al>kan worden ingevuld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 32 Herstemming over personen </label></kop><al>De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term
                        'herstemming' in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 33 Beslissing door het lot </label></kop><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel
                        31, derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Rechten van leden </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 34 Amendementen </label></kop><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet.
                        Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels
                        staan in het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van
                        de Gemeentewet is de raad verplicht een </al><al>amendement te behandelen. Dualisering veronderstelt versterking van de
                        vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor
                        dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over
                        adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is </al><al>het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang
                        tot het gebruik daarvan heeft (geen drempelsteun). Door het recht van
                        amendement kan de regelgevende taak van de raad reëel inhoud krijgen en mede
                        ten dienste staan van de inkadering en de controle door de raad. Ook kleine
                        fracties en individuele raadsleden worden zo in staat </al><al>gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende,
                        vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad. </al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het
                        college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen.
                        Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid
                        aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen,
                        het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden </al><al>op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het
                        (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
                        uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging
                        noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde </al><al>termijn. </al><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel
                        30. Voorstel tot splitsing van een voorgesteld beslissing kan, indien
                        aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander
                        niet wordt aanvaard. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 35 Moties </label></kop><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                        gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan
                        gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke,
                        procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over
                        bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek Een motie betreft </al><al>dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie
                        heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn
                        burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot
                        uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie
                        door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en
                        hieruit kan </al><al>het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de
                        besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een
                        motie een apart besluit wordt genomen. </al><al>Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat
                        deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de
                        beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een
                        besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt
                        aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in
                        artikel 37 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt </al><al>versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de
                        raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te
                        beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een
                        effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele
                        raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De
                        mogelijkheid om zonder drempelsteun een moties in te dienen staat dan </al><al>ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle
                        door de raad. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 36 Voorstellen van orde </label></kop><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is
                        van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                        beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                        niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van
                        toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het </al><al>schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet
                        geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd
                        te worden (artikel 37). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 37 Initiatiefvoorstellen </label></kop><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen.
                        Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                        ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het
                        recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de
                        Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de
                        raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening </al><al>wordt ingediend en behandeld. Het eerste tot en met het derde lid van
                        artikel 37 voorzien hierin. Artikel 147a, derde lid, bepaalt in
                        tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid, dat voor andere
                        initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit
                        betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in
                        behandeling nemen van een ander </al><al>initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft hiervoor -in aanvulling op de
                        eerste drie leden voorschriften. </al><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                        vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt.
                        Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken
                        over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten
                        is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen
                        toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij
                        het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening
                        van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en
                        individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel </al><al>te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. </al><al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                        mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel
                        echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de
                        mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel
                        12, derde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. </al><al>Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven
                        om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerd voorstel of
                        onderwerp te behandelen, is dit in het tweede lid opgenomen. Een
                        initiatiefvoorstel behoeft formeel niet langs het college, maar in geval het
                        voorstel personele (en financiële) consequenties heeft kan het </al><al>raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor
                        advies. De stuurgroep Leemhuis heeft in het evaluatierapport dualisering de
                        aanbeveling gedaan om het college de beleidsvoorbereiding te laten doen en
                        om de rol van het college bij initiatiefvoorstellen te versterken. De VNG
                        vindt het niet nodig om op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en het
                        college bij initiatiefvoorstellen een rol te geven. De positie van de raad,
                        in haar kaderstellende rol is het uitgangspunt. De tendens, dat het college
                        meer betrokken moet worden bij de beleidsvoorbereiding is evident. Toch
                        dienen gemeenten ervoor te waken dat het college de kaderstellende rol van
                        de raad niet gaat overnemen. De VNG heeft duidelijk aangegeven dat samenspel
                        tussen beide organen een oplossing is voor eventuele fricties. </al><al>Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel,
                        niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het
                        vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het
                        algemeen belang, het belang van de gemeente </al><al>of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met
                        de wet, het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk
                        beleid. Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over
                        het initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: "Het recht op initiatief
                        houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht
                        moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het
                        houdt in dat zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het
                        is immers aan de raad om, aan het begin van de raadsvergadering, met
                        meerderheid van stemmen, de agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad
                        die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk individueel raadslid
                        het recht toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou
                        het effectief functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een
                        raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover </al><al>de raadmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de
                        raad ernstig belemmeren". Het vijfde lid is toegevoegd omdat de
                        gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid geeft een wethouder na een motie
                        van wantrouwen te ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). In de oude </al><al>Gemeentewet was een afkoelingstermijn van 30 dagen opgenomen. Zonder de
                        bepaling in het vijfde lid is deze ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de
                        procedure regels van het reglement van orde. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 38 Collegevoorstel </label></kop><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is
                        de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan
                        agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel
                        heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide
                        voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere </al><al>behandeling van het voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier
                        toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor
                        een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de
                        raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van
                        het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het
                        college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander
                        voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel
                        voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder
                        voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad </al><al>kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan
                        het presidium overlaten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 39 Interpellatie </label></kop><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                        interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                        gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering
                        over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de
                        burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad </al><al>nodig. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                        controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                        raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor
                        een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het
                        individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik </al><al>daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij
                        gewone meerderheid. Minister Pechtold heeft in een brief van 16 december
                        2005 aan de Groen-Links fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de
                        ruimte heeft op eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de
                        vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid </al><al>nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister juicht dit echter
                        niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede
                        Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een betekenende
                        minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) </al><al>volstaat. Conform deze zienswijze is bij amendement aan artikel 39 lid 2 de
                        zinsnede toegevoegd dat de raad het verzoek tot het houden van een
                        interpellatie inwilligt, indien het verzoek wordt gesteund door minimaal
                        vier leden (een vijfde deel). </al><al>In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch
                        is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de
                        hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in
                        het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. </al><al>Vervallen </al><al>De bepaling over het “vragenuur” is vervallen. De gemeenteraad van Zandvoort
                        heeft proefondervindelijk geconstateerd dat een vragenuur op dit moment geen
                        meerwaarde heeft. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 40 Schriftelijke vragen </label></kop><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te
                        vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de
                        burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van
                        informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid
                        schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar </al><al>gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder
                        dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de
                        beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. </al><al>Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen
                        tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of
                        het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de
                        agenda van de raad te krijgen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 41 Vragen en inlichtingen </label></kop><al>In dit artikel wordt op het vlak van vragen een inlichtingen de relatie
                        tussen de Gemeentewet, dit Reglement van Orde en de Verordening op de
                        Raadscommissies gelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Begroting en rekening </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 42 Procedure begroting en artikel 43 Procedure jaarrekening </label></kop><al>In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening
                        vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn
                        algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor
                        de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a
                        Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) </al><al>wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 44 Verslag en verantwoording </label></kop><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder
                        of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                        gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van
                        dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de
                        wijze, waarop zij in het bestuur van de </al><al>gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording
                        verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                        gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de
                        informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. </al><al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge
                        verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen). En wordt
                        aangegeven dat bespreking in een commissie kan plaatsvinden. Indien de
                        gemeente geen commissies heeft kan hier een ander daarvoor geëigend
                        overlegorgaan worden opgenomen. </al><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke
                        vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 40. </al><al>Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                        aansluit bij de regels voor inlichtingen. </al><al>Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren
                        op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft
                        benoemd. Hierbij valt te denken </al><al>aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad
                        van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vierde lid. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Besloten vergadering </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 45 Algemeen </label></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                        toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                        onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                        stukken, het recht van amendement, het recht </al><al>van motie, het maken van het verslag. </al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover
                        het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van
                        de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld-en geluidsregistraties
                        voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                        betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                        moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86
                        van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. </al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor
                        'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten
                        vergadering wordt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 46 Verslag </label></kop><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                        Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 19 is de griffier
                        verantwoordelijk voor het verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook
                        voor het verslag van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage
                        bij de griffier. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 47 Geheimhouding </label></kop><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van
                        rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de
                        procedure volgens artikel 25 jo. artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 48 Opheffing geheimhouding </label></kop><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                        geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem
                        behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86,
                        tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester
                        geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de </al><al>raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad
                        verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet
                        toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een
                        overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe
                        van hoor en wederhoor. </al><al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet kan
                        geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een
                        commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden
                        van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de
                        raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                        eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer </al><al>dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                        bekrachtigd. </al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan
                        het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met
                        de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag
                        waarom de raad de geheimhouding wil opheffen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 49 Toehoorders en pers </label></kop><al>De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26,
                        eerste en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de
                        voorzitter van de raad om toehoorders die de orde verstoren, kan doen
                        vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 50 Geluid-en beeldregistraties </label></kop><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                        radio-en tv-stations geluids-en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard
                        niet het geval als het een besloten vergadering betreft </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 51 Verbod gebruik mobiele telefoons </label></kop><al>Dit artikel 51 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele
                        telefoonverkeer werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter
                        onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit noodzakelijk maken, de
                        voorzitter aanwezigen toestemming kan geven zijn mobiele telefoon wel
                        standby te laten staan. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 52 Uitleg reglement </label></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 53 Inwerkingtreding en citeertitel </label></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>