<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR125293_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Brummen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brummen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brummen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GemeenteThuis 21 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Brummen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB11.0068</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is ingetrokken bij besluit van 26 maart 2015 (RB15.006), middels de vastgestelde vervangende verordening. Inwerkingtreding van de vervangende verordening is 9 april 2015, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2015.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>De gemeenteraad heeft op 15 december de verordening voorzieningen huisvesting
            onderwijs gemeente Brummen vastgesteld.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>minister:</cursief> de minister van Onderwijs, Cultuur
                                    en Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al><cursief>bevoegd gezag:</cursief> bevoegd gezag van een volgens
                                    de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra
                                    bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                                    gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                    grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al><cursief>school: </cursief>school voor basisonderwijs en school
                                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs;</al></li><li nr="d."><al><cursief>school voor basisonderwijs</cursief>: een basisschool
                                    of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al><al>-<cursief> school voor (voortgezet) speciaal onderwijs:
                                    </cursief>een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                    speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
                                    1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal
                                    en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de
                                    Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal
                                    onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra;</al></li><li nr="e."><al><cursief>nevenvestiging: </cursief>deel van een school dat door
                                    de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair
                                    onderwijs en artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de
                                    expertisecentra voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al><cursief>voorziening: </cursief>één van de voorzieningen in de
                                    huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al><cursief>programma: </cursief>het programma als bedoeld in
                                    artikel 12 van deze verordening;</al></li><li nr="h."><al><cursief>overzicht: </cursief>het overzicht van de niet in het
                                    kader van de vaststelling van het programma ingewilligde
                                    aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al><cursief>aanvrager: </cursief>het bevoegd gezag dat een aanvraag
                                    voor bekostiging van een voorziening of voor bekostiging van
                                    bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25
                                    van deze verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al><cursief>aanvraag: </cursief>verzoek om bekostiging van een
                                    voorziening of om bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al><cursief>voor blijvend gebruik bestemde voorziening:
                                    </cursief>voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst
                                    van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening,
                                    15 jaren of langer noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al><cursief>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening</cursief>:
                                    voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de
                                    prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet
                                    langer dan 15 jaren noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al><cursief>permanent gebouw: </cursief>schoolgebouw dat door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor
                                    het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n."><al><cursief>noodlokaal: </cursief>verplaatsbare ruimte die door de
                                    keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                    materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting voor
                                    het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o."><al><cursief>gymnastiekruimte: ruimte </cursief>die geschikt is voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al><cursief>advies Onderwijsraad: </cursief>een advies van de
                                    Onderwijsraad over de vaststelling van het programma in relatie
                                    tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als
                                    bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs en
                                    artikel 93 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="q."><al><cursief>verhuur: </cursief>het gebruik van een onderwijsgebouw
                                    door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve
                                    van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li><li nr="r."><al><cursief>gezamenlijke akte: </cursief>de akte als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs enartikel 108
                                    van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="s."><al><cursief>beslissing gedeputeerde staten</cursief>: de beslissing
                                    van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel
                                    110, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs en artikel
                                    108, tweede lid van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="t."><al><cursief>eigendomsoverdracht: </cursief>de eigendomsoverdracht
                                    als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 108 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="u."><al><cursief>Integraal Huisvestingsplan (IHP):</cursief> een
                                    integraal nieuwbouwplan voor de locaties van het basisonderwijs
                                    in de gemeente Brummen, </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><al>a. de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit: </al><al>1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie. </al><al>2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al>3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al><al>4° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school;</al><al>5° terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1°
                            tot en met 4° omschreven voorziening;</al><al>6° inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                            gebracht;</al><al>7° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al><al>8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al
                            bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;</al><al>Conform het collegebesluit, d.d. 7 september (BW10.0309), als onderdeel
                            van het Integraal Huisvestingsplan, geldt dat de gemeente het
                            uitgangspunt hanteert van maximaal drie onderwijsvoorzieningen per kern
                            (Brummen en Eerbeek). De consequentie hiervan is dat slechts die
                            nieuwbouwplannen kunnen worden gehonoreerd die bijdragen aan de
                            realisatie van dit uitgangspunt.</al><lijst><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit
                                    een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder
                                    1.9 en 2.9;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit één
                                    of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10
                                    en 2.10;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 1 en 2 kan
                            een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding.
                            Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV deel A en is van
                                toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 1, 2,
                                6, 7 en 8. Tevens de kosten van bouwvoorbereiding zoals bedoeld in
                                artikel 3. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op
                                de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 3, 4 en 5. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2.1</nr><titel>AANVRAGEN PROGRAMMA</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f. De
                                                gemeente laat jaarlijks prognoses opstellen voor het
                                                basisonderwijs;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit: </al></li></lijst></li></lijst><al>1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                gebouw;</al><al>2° onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of
                                van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of;</al><al>3° herstel van een constructiefout.</al><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                vastgestelde formulier ‘Bouwkundige opname’.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de
                                                uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag
                                                betrekking heeft op een voorziening waarop het
                                                gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                                toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een
                                                toekenning van een vergoeding van de kosten van
                                                bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in
                                        de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn
                                        verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college
                                        onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
                                        minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke
                                        teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien
                                        het college het afschrift niet binnen een week na de
                                        wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                                        schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen
                                        drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het college. Indien het afschrift niet binnen de
                                        termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt het
                                        college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen. De aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de
                                meerjarenonderhoudsplanning die de gemeente tweejaarlijks laat
                                opstellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        november. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste één
                                        week voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het
                                        overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het
                                        advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt
                                        tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                        beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                        overleg.</al></li></lijst><al>In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk
                                overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het
                                college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het
                                advies van de Onderwijsraad.</al><al/><lijst><li nr="9."><al> Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt
                                        binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Voor groot
                                    onderhoud hanteert de gemeente Brummen een voorziening die wordt
                                    gevoed op basis van de meerjarenonderhoudsplanning. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>.De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend
                                        op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang
                                        kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra opgenomen
                                        weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                        plaatsing op het programma. Daarbij past het college de
                                        regels toe met betrekking tot:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al> de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                                bedoeld in bijlage III.</al></li><li nr="d."><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                                komende voorzieningen neemt het college, aan de hand
                                                van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                                uitsluitend voorzieningen op in het programma voor
                                                zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                                artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het
                                        programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als
                                        bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs
                                    en de Wet op de Expertisecentra. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door
                                    de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming
                                    van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van
                                    het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband
                                    met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden
                                    als bedoeld in artikel 16;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                    besteding van de beschikbaar te stellen middelen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt
                                    dat op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de
                                    richtlijnen zoals vastgelegd in het Besluit
                                    overheidsaanbestedingen van toepassing zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                        college over de instemming met de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder
                                        mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen
                                        met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten,
                                        wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen
                                        en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de
                                        aanvrager aangegeven tijdstip.</al></li></lijst><al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                                begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt,
                                binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan
                                de aanvrager.</al><lijst><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of
                                        er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin.</al></li></lijst><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft
                                dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
                                genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                toepassing.</al><lijst><li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                        twee weken na de datum van deze beslissing hiervan
                                        schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                                        definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                        prijsstelling bepalend.</al></li></lijst><al>Daar waar school staat kan ook cluster gelezen worden, waarbij
                                afgesproken wordt hoe de onderlinge taakverdeling is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 december van het jaar volgend op
                                    de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
                                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft
                                    gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 december
                                    daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste
                                    volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de
                                    aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het
                                    aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De
                                    in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk.
                                    Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
                                    inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een
                                    koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 december
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Standaard wordt de aanspraak op bekostiging met maximaal een
                                    jaar verlengd. In het tweede jaar beslist het college voor 15
                                    december op een herhaald verzoek tot verlenging van nog een
                                    termijn van een jaar. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2 onder d, e en f. De gemeente laat
                                            jaarlijks een prognose opstellen voor het
                                            basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs en Wet op de
                                    expertisecentra opgenomen weigeringsgronden van toepassing is.
                                    Bij deze vaststelling past het college de regels toe met
                                    betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet
                                    zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de
                                    beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn
                                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst zijn
                                    gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop
                                    de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het
                                    verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek
                                    als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college als het bevoegd gezag zelf bouwheer is. De bekostiging
                                bouwvoorbereiding is onderdeel van het normbedrag dat voor de
                                voorziening staat, dit conform bijlage IV financiële normering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de dagtekening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt
                                gewenst;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                locatie van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school
                                die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                                blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                                gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het
                                college vastgestelde formulier ‘Bouwkundige opname’;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                                bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening
                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar
                                van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden
                                gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 december van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet de informatie heeft verstrekt aan het college
                            waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw wanneer het betreft
                                    een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van
                                    het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                    berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van
                                    het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                    vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten
                                    minste een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter
                                    grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde
                                    niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of
                                    meer scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat
                                    door het college wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of
                                    meer scholen voor basisonderwijs en voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder
                                    a en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:
                                </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik
                                    is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit
                                    oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een
                                    ander gebouw een betere oplossing biedt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                    school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst
                                    gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan
                                    de vordering plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan
                                    wordt gevorderd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                    gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd
                                    wordt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                    heeft;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd
                                    wordt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                                    medegebruik.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien sprake is van
                                leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bedoeld in
                                artikel 30.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen
                                    dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder
                                    van het medegebruik ondervindt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                    redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verleent geen toestemming indien: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                    bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs en
                                    Wet op de expertisecentra;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                    school.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 juni voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                        rekening komen van het bevoegd gezag van de school.</al></li><li nr="e."><al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                        onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                        zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening
                                        is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Brummen.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012
                                    en werkt terug tot 1 oktober 2011 onder gelijktijdige intrekking
                                    van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente
                                    Brummen, zoals vastgesteld op 16 december 2004.</al><al/></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2011 bij
                        raadsbesluit met kenmerk RB10.0068     </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>1 Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</nr></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al/></li><li nr=""><al><onderstreept>DEEL A Lesgebouwen</onderstreept></al><al/><al><vet>1. School voor basisonderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                            noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard.
                            Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na
                            overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al/><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                                    de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                                    kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al/></li></lijst><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname als bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of
                                    zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                                    deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat
                                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks
                                    ter beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                    herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                    ordening noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is
                            dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van
                            sloopkosten plaats.</al><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>1.3.1 Uitbreiding algemeen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                                    van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de
                                    in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt,
                                    en</al></li><li nr="b1"><al> het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                                    aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al> het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                    aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b3"><al> het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de
                                    aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor
                                    maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                                speellokaal</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                                    jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste
                                    vijftien jaren zal blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                                    terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300
                                    meter hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                    college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                                    bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige
                                    bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, inpandig een
                                    speellokaal te maken.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding
                                    in aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                    gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                    aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of
                                    uitbreiding.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit
                            dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit
                                    bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten
                                    minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende
                                    noodlokalen op een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed
                                    kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de
                                    kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde
                                    aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling
                                    van het college.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                            verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                            uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                            toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                            voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                            blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening
                            in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                            huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1
                            januari 2011 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                            van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal
                            basisonderwijs uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al/><al><vet>1.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                            leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op
                            grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                            vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in
                            bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al/><al><vet>1.9 Aanpassing</vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de
                                    eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten
                                    of om, afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale
                                    school voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen
                                    jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor
                                    speciaal basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                    aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad a</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                            van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria,
                            zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet
                            aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl
                            deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            te verwezenlijken zijn.</al><al><onderstreept>Ad b</onderstreept></al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                            kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                            leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                            binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende
                            ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs
                            aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen.</al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale
                            school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger
                            dan zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet
                            geschikt is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al><onderstreept>Ad c</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale
                            school voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen
                            ruimte groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van
                            een speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast
                            is de noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12
                            kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten.</al><al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                            uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage
                            IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening
                            is.</al><al><onderstreept>Ad d</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op
                            korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><onderstreept>Ad e</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is.</al><al><onderstreept>Ad f</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                            gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de
                            betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het
                            aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om
                            zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
                            onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                            kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                            zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om
                            de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                            betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                            het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                            verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                            goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><vet>1.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand,
                                    daklichten</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                                    verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. </al><al>Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien
                                    op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                                    in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                                    school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                                    van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in
                                    bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                                    nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden
                                    gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al><vet>1.11 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                            rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                            constructiefout.</al><al/><al><vet>1.12 Vervanging of herstel van schade aan
                                gebouw,</vet><vet>onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                                bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet
                            noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De
                            voorziening genoemd onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor
                            nevenvestigingen. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het
                            geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het
                            college.</al><al/><al><vet>2.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of
                                    nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                                    brengt;</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                                    de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                                    kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                    de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                                    aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                                    kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten ten opzichte van de verlenging van de
                                    levensduur);</al></li><li nr="b1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of
                                    zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                                    deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat
                                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks
                                    ter beoordeling van het college;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                    herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                    ordening noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is
                            dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van
                            sloopkosten plaats.</al><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet></al><al><vet>2.3.1 Uitbreiding algemeen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen
                                    aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                                    van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste de
                                    in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt. ,
                                </al></li><li nr="b1"><al> het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                                    aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b2"><al> het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                    aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="b3"><al> het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de
                                    aanvraag aantoont dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor
                                    maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest;</al></li><li nr="c"><al> het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra
                                    huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes
                                    jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste
                                    vijftien jaren zal blijven bestaan en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                                    terwijl</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                                    motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk
                                    is en,</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                    college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                                    bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto
                                    oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is
                                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of
                                    gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of
                                    nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                                    brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding
                                    in aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b1."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                    gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht of</al></li><li nr="b2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                                    worden verwacht en</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                    aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of
                                    uitbreiding.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit
                            dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit
                                    bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten
                                    minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende
                                    noodlokalen op een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed
                                    kunnen voorzien, terwijl</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                    realiseren en</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de
                                    kosten voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde
                                    aantal leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling
                                    van het college.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                            verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                            uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                            toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                            voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                            blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening
                            in de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                            huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1
                            januari 2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair
                            van een speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt
                            met een speellokaal.</al><al/><al><vet>2.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste minste
                            zoveel leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals
                            vastgesteld op grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het
                            gebouw als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, met tenminste
                            de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al/><al><vet>2.9 Aanpassing</vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    gelet op de eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="d."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor
                                    een ander vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="e."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al></li><li nr="g."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                    aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad a</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                            van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria,
                            zoals genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet
                            aan de huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs,
                            terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                            college, te verwezenlijken zijn.</al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw
                            in gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De
                            voorzieningen die dan noodzakelijk zijn, zijn de specifieke
                            voorzieningen voor die onderwijssoort, die nog niet in het gebouw
                            aanwezig zijn.</al><al><onderstreept>Ad b</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                            leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                            beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is,
                            terwijl dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende
                            onderwijs.</al><al><onderstreept>Ad c</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan
                            60 leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de
                            prognose als vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste
                            vijftien jaren aanwezig zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren
                            of meer - gelet op de bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan
                            dienen.</al><al><onderstreept>Ad d</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor
                            een ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is
                            goedgekeurd.</al><al><onderstreept>Ad e</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op
                            korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><onderstreept>Ad f</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is.</al><al><onderstreept>Ad g</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                            gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de
                            betreffende voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het
                            aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om
                            zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige
                            onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                            gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                            zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om
                            de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                            betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                            het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                            verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                            goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><vet>2.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand,
                                    daklichten</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                                    verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al><al/></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud aan:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien
                                    op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                                    in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                                    school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                                    van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in
                                    bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                                    nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden
                                    gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al><vet>2.11 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                            rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                            constructiefout.</al><al/><al><vet>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair in geval van</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd.</al></li><li nr=""><al/><al><onderstreept> DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke
                                oefening</onderstreept></al><al/><al><vet>1. School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                    voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                                    of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                                    klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan
                                    wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde
                                    aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                                    of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                                    klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan
                                    wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde
                                    aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is
                                    dan 140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                                    daardoor belemmerd wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                                    of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                                    klokuren gebruik te maken van één of meer gymnastiekruimten dan
                                    wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde
                                    aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor
                                    bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het
                                    gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren
                                    of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                                    klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan
                                    wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                                    gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het
                                    door het college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen)
                                    zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.5 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                            uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                    eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor
                                    bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                    eerder eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is
                                    verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een
                                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt
                                    goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                    eerder (een deel van) het noodzakelijke meubilair is
                                    verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><vet>1.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor
                            binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats
                            is.</al><al/><al><vet>1.9 Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het
                                    effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van
                                    de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het
                                    effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van
                                    de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de
                                    eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad 1</onderstreept></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden
                            zijn.</al><al><onderstreept>Ad 2</onderstreept></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al><onderstreept>Ad 3</onderstreept></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                            desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                            genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                            inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl
                            deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            te verwezenlijken zijn.</al><al><onderstreept>Ad 4</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is
                            dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><onderstreept>Ad 5</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                            zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om
                            de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                            betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                            het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                            verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                            goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><vet>1.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand,
                                    daklichten</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                                    verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al/><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien
                                    op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                                    in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                                    school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                                    van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in
                                    bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                                    nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden
                                    gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een
                            bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel
                            van) een constructiefout.</al><al/><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al><vet>2.1 </vet><vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of
                                    nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                                    brengt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                                    onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                    minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                                    speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde
                                    aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en
                                    voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder d, dat
                                    onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                                    onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                    minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                                    speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde
                                    aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.3 Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is
                                    dan 140 m2 en daardoor het effectief gebruik van de
                                    gymnastiekruimte belemmerd wordt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                                    onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                    minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                                    speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de
                                    groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde
                                    aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a1."><al>het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het
                                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of</al></li><li nr="a2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het
                                    gestelde in 2.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed
                                    bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal
                                    onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                    minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km
                                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen
                                    speciaal onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                                    gebruik door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te
                                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een
                                    redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het
                                    door het college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen)
                                    zijn en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                    redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.5 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                            blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of </al><al/><al><vet>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                                    en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                    eerder eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.7 Eerste inrichting meubilair</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                                    en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                    eerder eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al> De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt
                            uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een
                                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school of nevenvestiging
                                    is of wordt goedgekeurd en</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                    eerder het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al/><al><vet>2.8 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                            getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen
                            de huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al/><al><vet>2.9 Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het
                                    effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van
                                    de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het
                                    effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van
                                    de gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                    anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de
                                    eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al><onderstreept>Ad 1</onderstreept></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden
                            zijn.</al><al><onderstreept>Ad 2</onderstreept></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al><onderstreept>Ad 3</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                            van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria,
                            zoals genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet
                            aan de inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet)
                            speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter
                            beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al><onderstreept>Ad 4</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van
                            het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is
                            dat dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><onderstreept>Ad 5</onderstreept></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                            oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert
                            dat vervanging noodzakelijk is.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                            zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om
                            de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                            betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                            het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                            verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                            goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al/><al><vet>2.10 Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand,
                                    daklichten</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                                    sluitwerk.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                                    verwarming.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="-"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                            gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                            verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7,
                            tweede lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag
                            niet langer volstaat. Noodzakelijk onderhoud aan:</al><lijst><li nr="-"><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien
                                    op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                                    in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de
                                    school nodig is en</al></li><li nr="-"><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                                    van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in
                                    bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                                    nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden
                                    gemaakt van medegebruik elders.</al></li></lijst><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al/><al><vet>2.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een
                            bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel
                            van) een constructiefout.</al><al/><al><vet>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                            opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                            gebouw wordt gehinderd.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognose</nr></kop><tussenkop>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en
                    artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste
                    vijftien jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</tussenkop><al/><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al/><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al/><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al/><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al/><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al><al/><al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al/><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Brummen.’</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III Criteria voor oppervlakte en indeling</nr></kop><tussenkop>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier
                    delen:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al/><al><onderstreept>DEEL A De bepaling van de capaciteit</onderstreept></al><al/><al><vet>1. School voor basisonderwijs en speciale school voor
                                basisonderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                            onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming
                            met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de
                            met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                            beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                            onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang)
                            en recreatieve doeleinden.</al><al/><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                                B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw
                            is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                            ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van
                            de schoolgebouwen in het primair onderwijs’.</al><al/><al><vet><onderstreept>Basisschool</onderstreept></vet></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in
                            het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw
                            met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard
                            worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al/><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                            het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de
                            capaciteitsbepaling.</al><al/><al><vet><onderstreept>Speciale school voor
                                basisonderwijs</onderstreept></vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter,
                            een eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling
                            wordt meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school
                            voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf
                            1.3.2, wordt op het bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering
                            gebracht.</al><al/><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                                bouwaard</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen
                            geldt het gestelde onder 1.1.</al><al/><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                            gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                            daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                            rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw
                            (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of
                            meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld.
                            Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie
                            van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de
                            rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten
                            worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
                            hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                            staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te
                            dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt
                            nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met
                            een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                            capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                            beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al><al/><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de
                            overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de
                            bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van
                            de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan
                            krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor
                            omschreven.</al><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande
                            tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college,
                            het college anders beslist.</al><al/><al><vet>1.4 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                            kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt.
                            De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                            registratie van het Kadaster.</al><al/><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van
                            het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel
                            van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle
                            scholen voor (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                            voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte
                            van de school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                            aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt
                            40 klokuren.</al><al/><al><vet>1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                            Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                            gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                            lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><vet>1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                            zijn.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college
                            kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                            vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                            indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten
                            behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                            kinderopvang) of recreatieve doeleinden.</al><al/><al><vet>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke
                            bouwaard</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw
                            is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                            ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                            de schoolgebouwen in het primair onderwijs’.</al><al/><al>De capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                            vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit
                            van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de
                            tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al><al/><al>Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                            voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2 sub a.
                            en sub b, wordt op de bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering
                            gebracht.</al><al/><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                            overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al><al/><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                            het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                            schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot
                            vaststelling van een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor
                            de capaciteitsbepaling.</al><al/><al><vet>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of
                                een tijdelijke bouwaard</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><al/><al><vet>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                            gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                            daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                            rangordenummer.</al><al/><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en
                            een of meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen
                            vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de
                            gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, omdat
                            nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                            vastgesteld.</al><al/><al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats
                            voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de
                            dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                            een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                            capaciteit.</al><al/><al>Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                            bouwkundige staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de
                            school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw.</al><al/><al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande
                            tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college,
                            het college anders beslist.</al><al/><al><vet>2.4 Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                            kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt.
                            De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                            registratie van het Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van
                            het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel
                            van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>2.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle
                            scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn
                            voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De
                            bruto-vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling
                            van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet>2.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet>2.6.1 Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal
                            onderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><vet>2.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                            Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                            gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                            lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><vet>2.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                            zijn.</al><al/><al/><al><onderstreept>DEEL B Wijze van bepalen van de
                                ruimtebehoefte</onderstreept></al><al/><al><vet>1. School voor basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Basisschool</onderstreept></vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom
                            bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de
                            huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen
                            BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                            Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als
                            een afzonderlijke school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een
                            toeslag in verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de
                            formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al><al/><al>B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig
                            afgerond op hele vierkante meters.</al><al>, en</al><al/><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                            waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven.</al><al/><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al/><al>T = 1,40 * G, waarbij</al><al/><al>T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                            vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</al><al/><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="·"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van
                                    alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="·"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter
                                    grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen,
                                    waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De
                                    uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal;</al></li><li nr="·"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van
                                    het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom
                                    vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Speciale school voor
                                basisonderwijs</onderstreept></vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen
                            bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de
                            huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen
                            BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                            Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als
                            een afzonderlijke school.</al><al/><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt
                            berekend met de formule:</al><al>R= 250+7,35*L, waarbij</al><al/><al>R= ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op
                            hele vierkante meters, en</al><al/><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                            waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van
                            90 m2.</al><al/><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Basisschool</onderstreept></vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal
                            klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                            formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                            gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs.</al><al/><al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                            gymnastiek.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                            accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald
                            door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar
                            waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de
                            school zal zijn ingeschreven.</al><al/><al><vet><onderstreept>Speciale school voor
                                basisonderwijs</onderstreept></vet></al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen
                            bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met
                            leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur
                            gymnastiek indien de school niet de beschikking heeft over een
                            speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                            uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al><al/><al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen
                            door de ‘N-factor’. De ‘N-factor’ is bepalend voor de groepsgrootte. De
                            N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het
                            verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                            achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal
                            naar beneden afgerond.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                            gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het
                            aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
                            is de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal),
                            het type vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de
                            huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                            wordt berekend met de formule:</al><al>R=V+f*L, waarbij</al><al/><al>R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                            hele vierkante meters, en</al><al/><al>V = vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor
                            alle onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de
                            vaste voet 250 m2. Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van
                            toepassing, en</al><al/><al>f = factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande
                            tabel, en</al><al/><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                            waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                            ingeschreven.</al><al/><al>De tabel geeft een overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per
                            leerling), per onderwijssoort. </al><al/><al>m2 brutovloeroppervlakte per leerling</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="90*"/><colspec colname="col2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colwidth="5*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige
                                                spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove
                                                of slechthorende kinderen (ES)</al><al>-Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>-Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>-Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>-Kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                                                instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Dove kinderen (DO)</al><al>-Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al><al>-Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>*tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschappen de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N
                            = 2 geldt 56,75, voor VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3
                            geldt 56,75 en voor VSO-MG met N = 3 geldt 57,5.</al><al/><al>Voor een school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de
                            vaste voet slechts eenmaal van toepassing.</al><al>Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de
                            schoolsoorten de vaste voet van toepassing.</al><al/><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school
                            waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                            verschillende onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de
                            afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al/><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele
                            ruimtebehoefte van 90 m2.</al><al/><al><vet>2.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek.
                            Het aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel
                            voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                            speciaal onderwijs:</al><al/><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                            maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet
                            de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen
                            van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur
                            gymnastiek.</al><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe
                            accommodatie wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de
                            prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal groepen
                            van een SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer afdelingen
                            zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk
                            plaats.</al><al/><al><onderstreept>DEEL C De bepaling van de omvang van de
                                toekenning</onderstreept></al><al/><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening
                            is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de
                            financiële consequenties vast te stellen.</al><al/><al><vet>1. School voor (speciaal) basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                            noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter
                            brutovloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                            genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                            bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                            hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                            zal blijven bestaan.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al/><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                            beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals
                            beschreven in deel B van deze bijlage.</al><al/><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>75 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>75 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik
                                    bestemde voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="-"><al>75 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk
                                    gebruik bestemde voorziening voor een school voor speciaal
                                    basisonderwijs.</al></li></lijst><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                            genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan.
                            Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                            hierboven genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien
                            jaar zal blijven bestaan.</al><al/><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de
                            bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90 m2 bvo.</al><al/><al><vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorzieningen</vet></al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te
                            realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                            III, deel D.</al><al/><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                            gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel
                            uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en
                            meubilair wordt bepaald door de omvang in m2 bruto-vloeroppervlakte van
                            de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                            zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel
                            van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al/><al><vet>1.3 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                            wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven
                            in onderdeel D van deze bijlage.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                            voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                            onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                            maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het
                            terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                            om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte
                            te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                            meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                            gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf
                            van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de
                            gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                            herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval
                            van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al/><al><vet>2.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al/><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                            noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter
                            brutovloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven
                            genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven
                            bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de
                            hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                            zal blijven bestaan.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al/><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                            beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals
                            beschreven in deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 75 m2
                            bruto-vloeroppervlakte bedragen.</al><al/><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                            genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan.
                            Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                            hierboven genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien
                            jaar zal blijven bestaan.</al><al/><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een
                            speellokaal 90 m2 bvo.</al><al/><al><vet>2.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorzieningen</vet></al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                            terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                            minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te
                            realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                            gestelde in bijlage III, deel D.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste
                            aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding
                            van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt
                            bepaald door de omvang in m2 bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                            voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                            zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel
                            noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                            onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                            zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel
                            van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al/><al><vet>2.3 Gymnastiekruimten</vet></al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                            wordt bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in
                            onderdeel D van deze bijlage.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria
                            voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het
                            onderdeel uitbreiding (bijlage I).</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de
                            activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                            maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het
                            onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het
                            terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                            om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte
                            te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</al><al/><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                            meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                            gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf
                            van het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de
                            gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt
                            bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                            voortgang van het onderwijs.</al><al/><al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                            herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval
                            van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die
                            minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al/><al/><al><vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                            voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al><vet>School voor basisonderwijs</vet></al></li><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                    gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto
                                    oppervlakte van 84m2 voor een speellokaal.</al></li><li nr="2."><al><vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al></li><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                    gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                    leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84
                                    m2;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al><vet>Gymnastiekruimten</vet></al></li><li nr="-"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li><li nr="-"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                            was-/douchegelegenheid.</al></li></lijst><al><vet>III-1</vet></al><al>Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="-"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="-"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li><li nr="-"><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                            nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte
                            van ten minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al></li><li nr="-"><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte</al></li></lijst><al><vet>III-2</vet></al><al>Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al>Uitzonderingen:</al><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>- Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend. </al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV Financiële normering</nr></kop><tussenkop>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding
                    is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat
                    8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</tussenkop><al/><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2011 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering.</al><al/><al><vet>1.School voor basisonderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al/><tussenkop>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al/><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al/><tussenkop><onderstreept>Kosten voor
                    terreinen</onderstreept></tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de </al><al>Bouwkosten</al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantel m² en een bedrag per m² voor de overige m².bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een basisschool
                    wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><tussenkop>Vergoeding basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m²
                                        bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 737.840,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.262,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding speciale basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="85*"/><colspec colname="col2" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.195.523,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.322,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.433,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                    dezelfde plaats</al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding
                    voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per
                    m² bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden. De
                    vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding (speciale) basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 51,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                    brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al/><tussenkop>Kosten voor terrein</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al/><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m² . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de
                    in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al/><tussenkop>Bedragen vergoeding basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.049,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 75 tot 115 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 72.032,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.439,33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding speciale basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.114,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 75 tot 105 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 74.076,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.468,01</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m²
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.539,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 238.167,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                    dezelfde plaats</al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al/><tussenkop>1.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al/><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding (speciale) basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 42.018,79</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 75 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 28.012,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.032,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding (speciale) basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.619,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 75 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.746,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.081,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                    gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><al/><tussenkop>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                    meubilair</tussenkop><al/><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m² Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding..</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro):</al><al/><tussenkop>Vergoeding basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.144,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 126,44</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen in euro):.</al><tussenkop>Vergoeding speciale basisschool</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.685,50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 130,81</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                    6.997,89.</al><al/><tussenkop>1.5 Aanpassing</tussenkop><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al/><tussenkop>1.6 Gymnastiek</tussenkop><al/><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 775.656,43 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 791.344,53 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding o.b.v.. paallengte</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.601,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.507,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.206,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al><al/><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 180.213,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 219.074,84</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding o.b.v. paallengte</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colwidth="29*"/><colspec colname="col3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>112-120m2</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>121-150m2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.984,51</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.733,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.097,56</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.118,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.778,19</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.722,74</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 48.422,31. </al><al/><al><vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 2.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 2.4)
                            en</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 2.5).</al></li></lijst><al/><tussenkop>2.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</tussenkop><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te
                    weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van nieuwbouw van een
                    nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                    voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al/><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><al/><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met
                    deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al/><tussenkop>Vergoeding bouwkosten</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="85*"/><colspec colname="col2" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.150.497,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.314,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.433,60</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag:</al><al/><tussenkop>Vergoeding nieuwbouw lift</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 111.493,43</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m² bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29,37</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>2.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</tussenkop><al/><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging.</al><al/><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al/><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag, een bedrag per m² .Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al/><tussenkop>Vergoeding bouwkosten</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="86*"/><colspec colname="col2" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.636,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 75 tot 96 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 67.090,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.470,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m²
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 113.433,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 238.167,07</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:</al><tussenkop>Toeslag liftinstallatie</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 134.013,072</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><al/><tussenkop>2.3 Tijdelijke voorziening</tussenkop><al/><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde
                    voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al/><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen:</al><al/><tussenkop>Vergoeding nieuwbouw</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="81*"/><colspec colname="col2" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.040,17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 75 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.760,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.011,71</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><al/><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke
                    voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen </al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al/><tussenkop>Vergoeding uitbreiding</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 23.948,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 75 tot 80 m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.965,87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.069,66</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><al/><al><vet>2.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m² Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding</al><al/><tussenkop>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>Basisbedrag</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>naast het basisbedrag voor elke m² bvo</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.207,74</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 225,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.374,94</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 292,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 109.373,35</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 145,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 155.222,56</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 277,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 98.983,61</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 136,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.531,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 266,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.446,25</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 115,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 95.116,90</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 133,30</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 95.957,73</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 144,76</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.988,26</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 118,24</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 6.997,89.</al><al/><tussenkop>2.4 Gymnastiek</tussenkop><al/><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><al/><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 775.656,43 (op het schoolterrein)
                    en € 791.344,53 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de
                    kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De
                    grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                    toeslag van 50 m2 (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag
                    is een bedrag gemoeid van € 77.809,56.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven. Indien extra
                    ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2 beschikbaar is gesteld, geldt een hogere
                    toeslag (tussen haakjes vermeld). De vergoeding wordt bepaald </al><al>op basis van de volgende bedragen:</al><tussenkop>Vergoeding o.b.v.paallengte</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.601,47</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 19.671,23)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.507,44</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 27.243,12)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 30.206,26</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 39.207,42)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                    oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde
                    uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:</al><al/><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 180.213,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 219.074,84</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><tussenkop>Vergoeding</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="42*"/><colspec colname="col2" colwidth="29*"/><colspec colname="col3" colwidth="29*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>112-120m2</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>121-150m2</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.984,51</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 8.733,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.097,56</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 15.118,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.778,19</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 24.722,74</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal voor (voortgezet) speciaal onderwijs ziet er als volgt uit:</al><tussenkop>OLP/Meubilair</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Schoolsoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bedrag in euro</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.613,86</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.387,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.473,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.907,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.513,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.513,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.438,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 45.270,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.451,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 55.262,19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.693,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.616,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.616,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.828,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.880,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.255,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57.347,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 58.236,82</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.418,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.418,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 40.280,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>3. Indexering</vet></al><al/><tussenkop>Werkelijke prijsontwikkeling</tussenkop><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al><al/><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer ‘Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2005=100 (inclusief BTW)’, gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek
                    bouwnijverheid’ van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</al><al/><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer ‘Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek van de prijzen’ van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar.</al><al>Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al/><tussenkop>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het
                    programma</tussenkop><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen. </al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) ‘bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen’, zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer ‘prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie’, zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><al/><al><vet>4. Europese aanbesteding</vet></al><al>Voor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van
                    de europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</al><al>a.193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten</al><al>b. 4.845.000 excl. BTW voor werken. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</nr></kop><al/><al><vet>1. Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li></lijst><tussenkop>Ad 1</tussenkop><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><tussenkop>Ad 2</tussenkop><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing ‘vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie’ in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><tussenkop>Ad 3</tussenkop><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><tussenkop>Ad 4</tussenkop><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al/><al><vet>2. Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</vet></al><al/><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al><al/><al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al><al/><tussenkop>2.1 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen om
                    capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen’ komt voor
                    plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><al/><tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk
                    om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven’ komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><al/><tussenkop>2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk
                    om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder
                    aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor
                    plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al/><tussenkop>2.4 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen die
                    wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste
                    bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van
                    het onderwijs’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst></bijlage></regeling></body></cvdr>