<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR125207_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Cromstrijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kompas, d.d. 23 december 2011/ Gemeenteblad 2011/12</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gemeentewet, artikel 139</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1111545</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                        Cromstrijen;</vet></al><al>gelet op </al><lijst><li nr="-"><al>de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>de Algemene Maatregel van Bestuur Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Cromstrijen 2012;</al></li><li nr="-"><al>het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen
                                2012;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht;</al></li></lijst><al>besluit vast te stellen:</al><al><vet>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Cromstrijen</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Inleiding.</titel></kop><structuurtekst><al>In deze nota zijn de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Cromstrijen verwerkt.</al><al>De Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene
                            wet bestuursrecht: </al><al>“1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot
                            een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan
                            wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.”</al><al>Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen eenvoudig
                            naar worden verwezen. Uiteraard is het wel zo dat besluiten volgens de
                            beleidsregels moeten worden genomen. Dit sluit uiteraard niet uit om bij
                            gewijzigd beleid de beleidsregels aan te passen.</al><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen wordt
                            door de gemeenteraad vastgesteld. Het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Cromstrijen en de Beleidsregels maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Cromstrijen worden door het college van
                            burgemeester en wethouders vastgesteld. Dit betekent dat het Besluit en
                            de Beleidsregels niet in strijd mogen komen met de Verordening.</al><al>De Beleidsregels volgen in principe de opbouw van de Verordening. Er
                            zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele
                            voorzieningen worden verstrekt: hulp bij het huishouden,
                            woonvoorzieningen, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
                            (vervoersvoorzieningen) en het verplaatsen in en rond de woning
                            (rolstoelen).</al><al>Daarnaast beginnen de Beleidsregels met een hoofdstuk over de vorm van
                            de te verstrekken individuele voorzieningen (hoofdstuk 2 van de
                            Verordening). Het eerste hoofdstuk van de Verordening (Algemene
                            bepalingen, en met name het onderdeel beperkingen) is opgenomen in
                            hoofdstuk 7, het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten. Tot slot is er een hoofdstuk dat handelt over het medische
                            advies. In dit hoofdstuk zal ook ingegaan worden op het ICF.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van de te verstrekken voorzieningen.</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>2.1. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Verschillende wijzen om voorzieningen te
                                    verstrekken.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 6 van de Wmo bepaalt het volgende:</al><al>“ Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die
                            aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het
                            ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee
                            vergelijkbaar Persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende
                            bezwaren bestaan.” </al><al>Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekkingen van
                            individuele voorzieningen mogelijk zijn. Allereerst is er de voorziening
                            in natura. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening
                            verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. Artikel 6 Wmo bepaalt dat
                            er een verplicht alternatief voor een voorziening in natura geboden moet
                            worden en wel in de vorm van een Persoonsgebonden budget
                            (Persoonsgebonden budget). Dat is de tweede vorm van verstrekking. En de
                            derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming, zo blijkt
                            uit artikel 7, lid 2 Wmo:</al><al>“Een Persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming voor een
                            bouwkundige of woontech-nische ingreep in of aan een woonruimte wordt
                            verleend aan de eigenaar van de woonruimte. Artikel 6 is van
                            overeenkomstige toepassing.”</al><al>In relatie tot bouwkundige woonvoorzieningen wordt – in navolging van de
                            Wvg – de verplichting opgelegd om een financiële tegemoetkoming uit te
                            betalen aan de eigenaar van de woning. Een dergelijke financiële
                            tegemoetkoming kan alleen al om die reden in sommige situaties geen
                            Persoonsgebonden budget genoemd worden. Ook zal soms een financiële
                            tegemoetkoming verstrekt worden als het gaat om een taxi- of een
                            rolstoeltaxikostenvergoeding die op declaratiebasis wordt
                            verstrekt.</al><al>Op grond van de wetswijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                            van 23 juni 2009 wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt voor de
                            vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5,
                            1<sup>ste</sup> lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (Alfahulp).
                            Hiertoe is artikel 6 van de Wmo uitgebreid met artikel 6a. Dit
                            artikel bepaalt het volgende: “1. Het college van burgemeester en
                            wethouders licht de personen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vooraf
                            in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de
                            keuze voor een individuele voorziening in natura, een Persoonsgebonden
                            budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld
                            in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een
                            financiële tegemoetkoming.</al><al>2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
                            gesteld over de wijze waarop een persoon als bedoeld in artikel 6,
                            eerste lid, door het college van burgemeester en wethouders geïnformeerd
                            wordt over de keuze die deze persoon heeft tussen de individuele
                            voorziening in natura, een Persoonsgebonden budget waaronder de
                            vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste
                            lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële
                            tegemoetkoming.”</al><al><vet>Financiële tegemoetkoming Alfahulp</vet></al><al>Voor de bemiddeling tussen de burger en de Alfahulp en de loonbetaling
                            (de kassiersfunctie) heeft de gemeente een contract afgesloten met de
                            Zorgaanbieders.</al><al>Voor deze dienstverlening worden de tarieven gehanteerd van de
                            inschrijving van de zorgaanbieders op de aanbesteding van de hulp bij
                            het huishouden in 2008. </al><al>De dienstverlening bestaat uit:</al><lijst><li nr="-"><al>de uitbetaling van het uurloon van de Alfahulp voor alleen
                                    schoonmaakwerkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>de werving van de Alfahulpen;</al></li><li nr="-"><al>de bemiddeling bij het maken van afspraken;</al></li><li nr="-"><al>het toezicht op de verleende hulp bij het huishouden;</al></li><li nr="-"><al>de vervanging bij ziekte, verlof en vakantie;</al></li><li nr="-"><al>de controle op de levering van de hulp door de Alfahulp;</al></li><li nr="-"><al>de betaling aan de cliënt;</al></li><li nr="-"><al>de afrekening en verantwoording met de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>de kassiersfunctie.</al></li></lijst><al>De cliënt moet schriftelijk verklaren in te stemmen met de bemiddeling
                            en de kassiersfunctie door de zorgaanbieder, zonder dat er sprake is van
                            een werkgeversrelatie.</al><al>Ook dient de cliënt een verklaring te ondertekenen waardoor de gemeente
                            gemachtigd wordt om de financiële vergoeding voor de Alfahulp direct
                            over te maken naar de zorgaanbieder.</al><al><vet>Het Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Artikel 3 van de Verordening bepaalt:</al><al>“Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als Persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Cromstrijen neergelegde criteria vast in welke situaties de bij
                            wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en een
                            Persoonsgebonden budget niet wordt geboden”.</al><al>Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire
                            behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk
                            zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat
                            zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. In een Algemeen Overleg
                            over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys,
                            heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel niet
                            bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief
                            vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van
                            collectief vervoer (een voorziening in natura) een Persoonsgebonden
                            budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door
                            een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit
                            zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer
                            zou zo een naturavoorziening wegvallen. Daarom is in de Verordening nog
                            steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken
                            om een Persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel
                            van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag
                            afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nog nader
                            worden uitgewerkt.</al><al>Artikel 6 van de Verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing
                            zijn op het Persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat
                            een Persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van
                            individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen
                            geen Persoonsgebonden budget verstrekt wordt. Dat vloeit ook voort uit
                            de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die
                            van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking
                            hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te
                            realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een
                            alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de
                            algemene voorziening geen adequate oplossing is of een Persoonsgebonden
                            budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of
                            als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels
                            van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld.</al><al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur
                                    heeft;</al></li><li nr="·"><al>Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet
                                    complexe zorg;</al></li><li nr="·"><al>Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al><vet>Omvang van het Persoonsgebonden budget</vet></al><al>De omvang van het Persoonsgebonden budget zal bepaald moeten
                            worden.</al><al>Bij de toekenning en de vaststelling van een Persoonsgebonden budget ten
                            behoeve van hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de volgende
                            (bruto) uurtarieven:</al><lijst><li nr="-"><al>hulp bij het huishouden 1 € 16,30</al></li><li nr="-"><al>hulp bij het huishouden 2 € 19,56</al></li><li nr="-"><al>hulp bij het huishouden 3 € 22,23</al></li></lijst><al>Deze categorieën zijn als volgt uitgewerkt:</al><al><vet>1. alleen schoonmaakwerkzaamheden (Hbh1)</vet></al><al> Veel cliënten hebben hulp nodig in de huishouding voor het schoonmaken
                            van het huis en eventueel het overnemen van licht huishoudelijke taken.
                            Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies:</al><lijst><li nr="-"><al>licht huishoudelijk werk;</al></li><li nr="-"><al>zwaar huishoudelijk werk;</al></li><li nr="-"><al>de was doen;</al></li><li nr="-"><al>huishoudelijke spullen in orde houden.</al></li><li nr="-"><al>boodschappen doen;</al></li><li nr="-"><al>broodmaaltijd bereiden;</al></li><li nr="-"><al>warme maaltijd bereiden.</al><al> Er wordt verondersteld dat de cliënt in staat is tot zelfregie
                                    over de planning van activiteiten. Als er voor de activiteiten
                                    boodschappen doen en warme maaltijd bereiden een voorliggende
                                    voorziening is in de gemeente (in de vorm van een
                                    boodschappenservice en Tafeltje dekje), wordt hiervoor geen tijd
                                    toegekend. </al></li></lijst><al><vet>2. </vet><vet> schoonmaakwerkzaamheden met andere (lichte)
                                ondersteuning in de organisatie van huishouding (Hbh2)</vet></al><al> Een deel van de cliënten heeft hulp nodig bij het organiseren van het
                            huishouden. Voor deze categorie cliënten gelden de volgende
                            functies:</al><lijst><li nr="-"><al>huishoudelijk werk (functies zoals bedoeld onder Hbh1);</al></li><li nr="-"><al>anderen in huis helpen met zelfverzorging;</al></li><li nr="-"><al>anderen helpen in huis bij het bereiden van de
                                    broodmaaltijd;</al></li><li nr="-"><al>dagelijkse organisatie van het huishouden (bijv. lichte
                                    administratieve werkzaamheden).</al></li></lijst><al><vet>3. </vet><vet> schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen een
                                ontregelde huishouding (Hbh3)</vet></al><al> Bij een deel van de cliënten is sprake van een ontregelde huishouding.
                            Voor deze categorie cliënten gelden de volgende functies:</al><lijst><li nr="-"><al>huishoudelijk werk (functies zoals bedoeld onder Hbh1);</al></li><li nr="-"><al>instructie geven hoe zaken te organiseren (bijvoorbeeld
                                    dagelijkse routine);</al></li><li nr="-"><al>advies geven (bijvoorbeeld administratieve werkzaamheden);</al></li><li nr="-"><al>voorlichting geven (bijvoorbeeld hygiëne);</al></li><li nr="-"><al>eenvoudige psychosociale begeleiding.</al></li></lijst><al>Na de verantwoording, zoals bedoeld in artikel 2 lid 4 onder a. van het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen 2012, wordt
                            het Persoonsgebonden budget vastgesteld op basis van de rechtmatige
                            besteding, vermeerderd met het vrij besteedbare bedrag. Het vastgestelde
                            Persoonsgebonden budget bedraagt maximaal het toegekende
                            Persoonsgebonden budget.</al><al>Het vrij besteedbare bedrag bedraagt 1,5% van het toegekende
                            Persoonsgebonden budget met een minimum van € 250,00 en een maximum van
                            € 1.250,00 per kalenderjaar.</al><al>Het Persoonsgebonden budget wordt, op basis van het aantal toegekende
                            uren per week en op basis van het uurtarief van de van toepassing zijnde
                            categorie, zoals opgenomen onder sub a, berekend. Het Persoonsgebonden
                            budget wordt op jaarbasis berekend. Het Persoonsgebonden budget wordt
                            vervolgens per periode van 4 weken betaalbaar gesteld.</al><al>Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van
                            het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten.
                            Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met
                            een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt.
                            Deze korting wordt doorberekend naar het Persoonsgebonden budget. Het is
                            immers niet de bedoeling dat een Persoonsgebonden budget meer geld gaat
                            kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van
                            uitgegaan kunnen worden dat ook met een Persoonsgebonden budget een
                            voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft.</al><al>Als het Persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan
                            de aanvrager worden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat
                            de omvang van het Persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het
                            Persoonsgebonden budget bedoeld is.</al><al>Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het Persoonsgebonden budget
                            dient te worden aangeschaft en (meer precies) aan welke vereisten de aan
                            te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig
                            mogelijk omschreven Programma van Eisen bij de beschikking gevoegd.
                            Hierdoor kan voorkomen worden dat, door onduidelijkheid omtrent de eisen
                            die aan de voorziening gesteld moeten worden, een verkeerde voorziening
                            wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden,
                            hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn.
                            Dit is uitsluitend te voorkomen door een Programma van Eisen onderdeel
                            uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening
                            aangeschaft die niet aan dat Programma van Eisen voldoet, dan is
                            gehandeld in strijd met de beschikking.</al><al>In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen
                            bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen
                            bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste
                            gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden.</al><al>Na ontvangst van de beschikking voor het verstrekken van een
                            Persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden dient de
                            budgethouder een kopie van de overeenkomst, welke is afgesloten met de
                            persoon die hulp bij het huishouden gaat verlenen, aan de gemeente te
                            overleggen. De overeenkomst moet vergelijkbaar zijn met de
                            modelovereenkomst zoals die door de Sociale Verzekerings Bank wordt
                            verstrekt. Na ontvangst van de kopie van de overeenkomst kan het
                            Persoonsgebonden budget betaalbaar worden gesteld. Het Persoonsgebonden
                            budget wordt in de regel in termijnen van 4 weken (parallel aan de
                            termijn die het Centraal Administratie Kantoor hanteert)
                            uitbetaald.</al><al>Bij andere voorzieningen kan het Persoonsgebonden budget - indien daar
                            aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer
                            betaald moeten worden) – in één keer uitbetaald worden.</al><al><vet>Verantwoording Persoonsgebonden budget</vet>In de Verordening
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen 2012 en het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen 2012 is aangegeven
                            op welke wijze de verantwoording plaatsvindt.</al><al>Als bij de verantwoording en/of controle blijkt dat het Persoonsgebonden
                            budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is, dan hoeft er
                            verder niets te gebeuren. Is het Persoonsgebonden budget anders besteed
                            dan bedoeld, dan kan het college overwegen het Persoonsgebonden budget
                            geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Voor tot terugvordering van
                            het Persoonsgebonden budget wordt overgegaan, wordt de budgethouder in
                            de gelegenheid gesteld om een zienswijze kenbaar te maken aan het
                            college over het voorgenomen besluit.Daarbij zal leidend zijn of
                            er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van
                            onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze
                            situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet
                            afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust
                            onjuist is gedaan.</al><al><vet>Eigen bijdrage</vet></al><al>Artikel 7 van de Verordening bepaalt dat bij een te verstrekken
                            Persoonsgebonden budget een eigen bijdrage verschuldigd kan zijn. Deze
                            eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal Administratie Kantoor
                            (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar
                            twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de
                            verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen
                            beschikken. In 2011 doet men aangifte over 2010, dus dat jaar is nog
                            niet bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2009 in 2011 gebruikt
                            wordt. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal
                            plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Het in mindering
                            brengen van eigen bijdragen of een eigen aandeel zal daardoor vaak niet
                            mogelijk zijn. Al deze activiteiten zullen door het CAK worden
                            uitgevoerd.</al><al>Wordt een voorziening niet als Persoonsgebonden budget verstrekt, maar
                            in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de
                            beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking
                            plaatsvindt. Ook nu geldt dat een eventueel te betalen eigen bijdrage
                            door de gemeente meestal slechts aangekondigd kan worden aangezien
                            berekening en inning plaats zal vinden via het CAK.</al><al>Bij Hulp bij het huishouden wordt de eigen bijdrage berekend over het
                            kalenderjaar (of wanneer de voorziening in de loop van het jaar is
                            toegekend het resterende deel van het kalenderjaar). De eigen bijdrage
                            kan alleen gewijzigd worden als er sprake is van een langdurige opname
                            in een ziekenhuis, AWBZ-instelling of iets dergelijks.</al><al>In de overige gevallen dient de eigen bijdrage gedurende de gehele
                            periode, waarover een Persoonsgebonden budget voor de Hulp bij het
                            huishouden is toegekend, afgedragen te worden. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het voeren van een huishouden, onderdeel hulp bij het
                            huishouden</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>3.1. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Inleiding.</onderstreept></vet></al><al>De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven
                            functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het
                            besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de
                            AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van
                            artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt
                            gesproken over het “een huishouden te voeren” waaronder in de
                            Verordening zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de
                            woonvoorzieningen uit de Wvg.</al><al>Bij deze Beleidsregels zijn drie bijlagen opgenomen die bij dit
                            hoofdstuk horen:</al><lijst><li nr="1."><al>Handreiking normering hulp bij het huishouden.</al></li><li nr="2."><al>Protocol gebruikelijke zorg.</al></li><li nr="3."><al>Protocol indicatiestelling voor Huishoudelijke verzorging.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>3.2. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Mogelijke voorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 8 van de Verordening geeft een viertal mogelijk te verstrekken
                            voorzieningen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een Persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden. d. een financiële vergoeding voor het inschakelen
                                    van een Alfahulp </al></li></lijst><al><vet>Algemene hulp bij het huishouden</vet></al><al>Uit artikel 9 van de Verordening blijkt dat indien als gevolg van
                            aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij
                            het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer
                            huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het
                            huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste
                            vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen.</al><al>Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Zo’n
                            algemene hulp bij het huishouden is (nog) niet aanwezig in Cromstrijen
                            (01-01-2012). Mocht in de toekomst zo’n algemene hulp bij het huishouden
                            gerealiseerd worden dan gaat het, zo meldt de toelichting op artikel 8,
                            om een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel
                            administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet
                            worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit
                            bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden,
                            al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.</al><al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur
                                    heeft;</al></li><li nr="·"><al>Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet
                                    complexe zorg;</al></li><li nr="·"><al>Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al>Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat
                            om een kortdurende voorziening.</al><al>Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe
                            zorg, zoals bijvoorbeeld tijdelijke hulp bij het huishouden na een
                            ziekenhuisopname.</al><al>Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele
                            zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname. </al><al> Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven
                            door de behandelend arts of de transferverpleegkundige van het
                            ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de omvang is beperkt. Een
                            uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te
                            lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp
                            bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt
                            zich met de verwijsbrief bij het loket. Daar wordt gecontroleerd of de
                            verwijzing er is, of die duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden
                            en wordt nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan
                            nemen. Heeft die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in
                            aanmerking, dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. </al><al>Hierbij is geen sprake van een keuze voor een Persoonsgebonden budget.
                            Dit is overigens geen beperking ten opzichte van de situatie onder de
                            AWBZ: ook onder de AWBZ werd bij een vraag die naar verwachting niet
                            langer zou duren dan drie maanden, geen mogelijkheid voor een
                            Persoonsgebonden budget geboden.</al><al>Om te realiseren dat er weinig administratieve rompslomp is, worden er
                            geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt derhalve een eenvoudige toets
                            plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en
                            gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd.</al><al>Mocht men aangeven niet met deze vorm van hulp in te kunnen stemmen, dan
                            wordt een normale procedure opgestart met een aanvraagformulier en het
                            gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van algemene hulp bij het huishouden
                            wordt dus alleen gerealiseerd indien men het daar mee eens is. De brief
                            is dan alleen maar een bevestiging en geen beschikking waartegen bezwaar
                            en beroep openstaat. Wil men een beschikking, bijvoorbeeld omdat men een
                            Persoonsgebonden budget wil, dan wordt die afgegeven. Er moet dus altijd
                            overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp.</al><al>Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van
                            hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend.
                            Daarbij moet gedacht worden aan situaties die maximaal drie tot zes
                            maanden voortduren.</al><al><vet>Hulp bij het huishouden in natura, door middel van een
                                Persoonsgebonden budget of een financiële vergoeding voor het
                                inschakelen van een Alfahulp</vet></al><al>Artikel 9 van de Verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het
                            huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het
                            huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen
                            voor hulp bij het huishouden in natura, een Persoonsgebonden budget te
                            besteden aan hulp bij het huishouden, of een financiële vergoeding voor
                            het inschakelen van een Alfahulp. Belangrijke voorwaarde bij de laatste
                            optie is dat de cliënt goed geïnformeerd is over alle gevolgen die de
                            keuze voor een Alfahulp met zich meebrengt, zoals geen vervanging bij
                            ziekte of vakantie, aansprakelijk voor eventueel letsel van de
                            medewerker tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Ook in deze
                            situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van
                            ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de
                            mantelzorg.</al><al>Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek
                            kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid,
                            onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De
                            vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in
                            het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In
                            dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een
                            medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij
                            dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk
                            te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor
                            het verlenen van anti-revaliderende hulp. </al><al>Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties
                            dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In
                            situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het
                            toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. </al><al> Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden
                            plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij
                            de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de
                            hulpvrager.</al><al>Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het
                            huishouden.</al><al>In artikel 11 van de Verordening wordt uitgegaan van 3 categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>alleen schoonmaakwerkzaamheden (Hbh1);</al></li><li nr="2."><al>schoonmaakwerkzaamheden met andere (lichte) ondersteuning in de
                                    organisatie van de huishouding (Hbh2);</al></li><li nr="3."><al>schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen een ontregelde
                                    huishouding (Hbh3).</al></li></lijst><al>In paragraaf 2.1. is reeds een nadere omschrijving van deze categorieën
                            gegeven.</al><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op basis van
                            de protocollen “Gebruikelijke zorg” en “Indicatiestelling voor
                            huishoudelijke verzorging”. </al><al>De omvang wordt aangegeven in de vorm van een aantal minuten of uren
                            hulp bij het huishouden per week. </al><al>Bij die verantwoording zal rekening worden gehouden met een vrij
                            besteedbare ruimte zoals dat voor 1 januari 2007 onder de AWBZ geldt.
                            Een klein deel van het Persoonsgebonden budget is vrij besteedbaar en
                            wordt niet in de verantwoording en eventuele terugvordering betrokken.
                            Het is 1,5% van het netto-budget met een minimum van € 250,00 en een
                            maximum van € 1.250,00 per kalenderjaar. Dit bedrag kan gebruikt worden
                            voor het plaatsen van personeelsadvertenties, telefoonkosten of andere
                            kosten in het kader van het Persoonsgebonden budget. Of voor de
                            huishoudelijke hulp. Ook mag een budgethouder de hulp verspreid over het
                            jaar flexibel inzetten en de ene periode meer hulp inkopen dan een
                            andere periode. Het budget mag ook in het buitenland worden ingezet,
                            maar er wordt dan wel een korting toegepast naar het prijsniveau van het
                            betreffende land, het zogenoemde ‘aanvaardbaarheidspercentage’.
                            Bovendien mogen budgethouders ten hoogste drie maanden per jaar in het
                            buitenland verblijven. Bij permanent verblijf in het buitenland vervalt
                            het recht op een Persoonsgebonden budget. Budgethouders mogen niet
                            ‘schuiven’ en het Persoonsge-bonden budget niet voor andere zorgfuncties
                            inzetten.</al><al>Budgethouders kunnen bij de besteding van hun Persoonsgebonden budget
                            ondersteuning zoeken. Onder meer de Sociale Verzekerings Bank verleent
                            deze ondersteuning. De ondersteuning kan betrekking hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>kenniscentrum;</al></li><li nr="b."><al>facturering salarisadministratie;</al></li><li nr="c."><al>collectieve verzekeringen.</al></li></lijst><al>Deze ondersteuning is mogelijk op basis van een aansluitingsovereenkomst
                            die de gemeente met de SVB afsluit. De kosten verbonden aan de
                            dienstverlening onder b. wordt aan de budgethouder doorberekend en in
                            mindering op het Persoonsgebonden budget gebracht.</al><al>De cliënt die gebruik maakt van een financiële tegemoetkoming voor een
                            Alfahulp kan een beroep doen op ondersteuning van zorgaanbieders,
                            waarmee de gemeente voor dat doel een overeenkomst heeft afgesloten. De
                            ondersteuning komt voor rekening van de gemeente. </al><al> Onderdeel van die dienstverlening is dat de cliënt de gemeente een
                            machtiging geeft om de tegemoetkoming over te maken aan de zorgaanbieder
                            en tegelijkertijd de zorgaanbieder machtigt om de Alfahulp te betalen.
                            Gelet daarop kan de zorgaanbieder verantwoording afleggen over de
                            besteding van de middelen. Dit voorkomt dat elke cliënt zelf
                            verantwoording moet afleggen en het voorkomt dus een behoorlijke
                            administratieve last bij de cliënt en een groot aantal administratieve
                            handelingen bij de gemeente. Gelet daarop wordt een financiële
                            tegemoet-koming alleen verstrekt als tegelijkertijd gebruik gemaakt
                            wordt van de diensten van een zorgaanbieder, waarmee de gemeente een
                            overeenkomst heeft afgesloten.</al><al><vet><onderstreept>3.3. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het
                                    huishouden</onderstreept></vet></al><al>Artikel 10 van de Verordening bepaalt dat,”in afwijking van het gestelde
                            in artikel 9 komt een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                            onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet in aanmerking voor hulp bij
                            het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van
                            uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het
                            huishoudelijk werk te verrichten”. Deze beperking heet “gebruikelijke
                            zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde
                            ten aanzien van de functie HV in de AWBZ tot de invoering van de Wmo.
                            Het gaat daarbij om het protocol gebruikelijke zorg. Het protocol
                            gebruikelijke zorg wordt in het kader van de Beleidsregels overgenomen
                            en is als bijlage 3 bijgevoegd.</al><al>Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft
                            die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden
                            dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer
                            bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd
                            op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid
                            verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat
                            indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet
                            meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden
                            dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en
                            betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men
                            verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een
                            eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men
                            verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar
                            wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het
                            bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen
                            bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden
                            bij de indicatie.</al><al>Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil
                            of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de
                            leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet
                            kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het
                            aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via
                            instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe
                            geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die
                            werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen
                            oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat
                            geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het
                            verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg.
                            Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding zijn niet te
                            vragen het huishoudelijk werk aan te leren.</al><al>Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden
                            en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden
                            gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis
                            zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk
                            werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een
                            eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid
                            moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op
                            het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die
                            maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te
                            zoeken.</al><al>Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan
                            personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die
                            in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk
                            een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de
                            werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde
                            beroepsmatig niet geïndiceerd!</al><al>Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij
                            kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid,
                            maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor
                            overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld
                            het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit niet zelf meer kan.
                            Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen
                            niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven
                            gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en
                            behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.</al><al>Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie
                            “verblijf" is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden.</al><al>Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij
                            het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd
                            kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan
                            gaat het immers om reeds aanwezige professionele zorg en is er geen
                            tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde
                            wasverzorging of maaltijdverzorging.</al><al>Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de
                            hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald
                            worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke
                            normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ, gekozen
                            voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de
                            verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten
                            worden.</al><al>De in de bijlage 2 aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze
                            normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van
                            het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van
                            thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een
                            uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de
                            benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie bijlage 2).</al><al>Het protocol huishoudelijke verzorging wordt in het kader van deze
                            Beleidsregels overgenomen en is als bijlage 4 bijgevoegd. Bijlage 2
                            vormt in principe het kader voor de normering (en prevaleert) voor de
                            beoordeling. Bijlage 3 en 4 moeten gezien worden als een verdere
                            vertaling.</al><al>“<onderstreept>niet-adequate woning</onderstreept>”</al><al>In bijlage 2 wordt bij zwaar huishoudelijk werk voor de omvang van de
                            hulp bij het huishouden primair uitgegaan van standaardsituaties:</al><lijst><li nr="-"><al>een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers;</al></li><li nr="-"><al>meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers.</al></li></lijst><al>Tegelijkertijd wordt aangegeven dat extra uren ingezet kunnen worden.
                            Dit wordt als volgt aangeduid: “In grote woningen met een hoge
                            bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet
                            door verwaarlozing), bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning of
                            bij aanwezigheid van jonge kinderen, kunnen extra uren, afhankelijk van
                            de situatie, worden toegekend. Verzorging van huisdieren wordt
                            meegenomen en niet extra geïndiceerd.</al><al> Dit houdt in dat de grootte van een woning – zonder dat er bijzondere
                            omstandigheden zijn - niet betekent dat er extra uren hulp bij het
                            huishouden worden verstrekt. Ook dat bij woningen met meerdere badkamers
                            of een inefficiënte inrichting er – zonder dat er bijzondere
                            omstandigheden zijn – geen extra uren hulp bij het huishouden worden
                            verleend.</al><al><vet><onderstreept>3.4. Voorliggende
                            voorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Bij al deze onderdelen geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Op
                            basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar
                            bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken.</al><al>Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in de bijlage 2 kan voor de
                            individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is.
                            Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan
                            toegekend worden.</al><al>De toekenning is in principe, omdat er nog gekeken dient te worden naar
                            voorliggende voorzieningen. Voorliggende voorzieningen, die altijd
                            algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang
                            (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of
                            naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten;
                            hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. De voorliggende
                            voorziening moet in de eigen of aangrenzende gemeente beschikbaar zijn
                            of aangeboden worden. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een
                            voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden met de
                            sociale kaart.</al><al>Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende
                            voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de
                            voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn
                            van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen
                            gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het
                            probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze
                            kosten.</al><al>Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het
                            huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden
                            aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de
                            instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan
                            voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp
                            is toegekend.</al><al>Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is
                            besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die
                            deze eigen bijdragen int.</al><al>Gaat het om een Persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het
                            gestelde in artikel 6 is of kan worden voldaan en er geen overwegende
                            bezwaren bestaan, het Persoonsgebonden budget bij beschikking worden
                            toegekend en kan ingevolge lid 4 van artikel 6 tot uitbetaling worden
                            overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het
                            innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van
                            toepassing.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen.</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren;” , onder welke
                            regel in de Verordening zowel wordt verstaan de woonvoorziening als de
                            hulp bij het huishouden.</al><al><vet><onderstreept>4.1. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Uitsluitingen</onderstreept></vet></al><al>Voor alles zal bepaald moeten worden of één of meer van de uitsluitingen
                            van artikel 18 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Cromstrijen en/of één of meer van de beperkingen van artikel 20
                            van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen
                            van toepassing zijn.</al><al>In artikel 18 is aangegeven:</al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                            specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat
                            betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten.</al><al>Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn
                            op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn
                            uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw
                            verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig
                            zijn. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld automatische deuropeners, goede
                            toegankelijkheid (geen drempels) en doorgankelijkheid (voldoende
                            manoeuvreerruimte) voor onder meer gebruikers van rolstoelen en
                            scootmobielen, stallingruimte voor scootmobielen e.d. Maar er kan ook
                            gedacht worden aan bijvoorbeeld wandbeugels bij een lift.</al><al>Is er sprake van één van deze mogelijkheden dan is afwijzing op voorhand
                            mogelijk.</al><al>In artikel 20 worden beperkingen genoemd waarbij de aanvraag voor een
                            woonvoorziening geweigerd kan worden. In de toelichting van de
                            verordening worden ze nader toegelicht. De betekenis van één van de
                            beperkingen wordt hier kort naar voren gehaald, namelijk d:</al><al>d.de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van
                            leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
                            voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
                            onverwacht optredende noodzaak;</al><al>In een situatie zoals bedoeld onder d. wordt de woonvoorziening in
                            beginsel geweigerd. Zo’n woonvoorziening kan – bijvoorbeeld – betrekking
                            hebben op een woningaanpassing of op een tegemoetkoming in de verhuis-
                            en inrichtingskosten. </al><al>Hieronder volgt een nadere uitleg.</al><al>Op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie kan voorzien
                            worden dat in de toekomst de situatie ontstaat waarin voorzieningen
                            nodig zijn dan wel – bijvoorbeeld – er een andere woonsituatie
                            (bijvoorbeeld een gelijkvloerse woning) noodzakelijk is (een verhuizing
                            die dus te voorzien is). Omdat het te voorzien is dat dit kan gebeuren
                            bestaat er voor betrokkene tijd om te anticiperen op zo’n toekomstige
                            situatie (bijvoorbeeld een verhuizing naar een gelijkvloerse
                            woning).</al><al>Een voorbeeld. Als traplopen voor een betrokkene nu al lastig is, dan
                            weet de betrokkene dat bijvoorbeeld, binnen 5 jaar of korter, traplopen
                            wellicht onmogelijk gaat worden.</al><al> En dus mag verwacht worden dat de betrokkene op tijd maatregelen neemt
                            en gaat zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer
                            kan, gaat aan de eigen verantwoordelijkheid voorbij. Bij een aanvraag
                            voor een woonvoorziening zal deze dan ook in beginsel worden afgewezen.
                            Op dit punt wordt dus primair uitgegaan van de eigen
                            verantwoordelijkheid van de aanvrager.</al><al>Een situatie zoals in het voorbeeld komt vooral voor bij ouderen. Het op
                            tijd anticiperen betekent dat ouderen (van bijvoorbeeld 70 jaar en
                            ouder) in de praktijk niet of nauwelijks aanvragen voor
                            woningaanpassingen indienen. Of indien ze niet geanticipeerd hebben,
                            daarmede zelf de keuze gemaakt hebben en de verantwoordelijkheid hebben
                            noodzakelijke woningaanpassingen en/of verhuizing voor eigen rekening te
                            laten komen. Voor zover het voor de hierboven bedoelde ouderen gaat om
                            woonvoorzieningen die ook bij een gelijkvloerse woning noodzakelijk
                            zijn, blijft een woonvoorziening tot de mogelijkheden behoren. </al><al>Het betekent tegelijkertijd, dat wanneer iemand er niet voor kiest om
                            zijn/haar woonsituatie aan te passen én er door plotseling optredende
                            beperkingen ten gevolge van een ziekte of aandoening voor de betrokkene
                            alsnog of acute noodzaak ontstaat voor een verhuizing dan wel aanpassing
                            van zijn/haar woning, de verantwoordelijkheid daarvoor bij de betrokkene
                            ligt. In die situatie wordt een aanvraag voor een woonvoorziening in
                            beginsel afgewezen.</al><al>In de praktijk kunnen verschillende woonvoorzieningen gefaseerd aan de
                            orde komen. Het verstrekken van eenvoudige (bijvoorbeeld een niet
                            bouwkundige) woonvoorziening betekent niet automatisch dat andere meer
                            vérstrekkende woonvoorzieningen in een later stadium alsook verstrekt
                            zouden moeten worden. Bij het verstrekken van een woonvoorziening geldt
                            steeds een bepaalde afweging (zie bijvoorbeeld onder paragraaf 4.2.
                            subparagraaf “primaat verhuizing”). Bij het verstrekken van eenvoudige
                            woonvoorzieningen is het in de meeste gevallen al voorzienbaar om vanuit
                            de eigen verantwoordelijkheid in de komende periode maatregelen te nemen
                            en de woonsituatie aan te passen. Toekomstige aanvragen voor
                            woonvoorzieningen zullen derhalve in beginsel afgewezen worden.</al><al><vet><onderstreept>4.2. </onderstreept></vet><vet><onderstreept> Vormen
                                    van woonvoorzieningen</onderstreept></vet></al><al>Artikel 13 van de Verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om
                            een woonvoorziening te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>als algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>als woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>als Persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="d."><al>als financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst><al>Artikel 14 van de Verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan
                            de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” en
                            een aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene
                            woonvoorziening in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel
                            en adequaat op kan lossen.</al><al><vet>Algemene woonvoorzieningen</vet></al><al>De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de
                            Verordening bedoeld voor situaties betreffende oplossingen die van korte
                            duur zijn, lichte, niet complexe zorg/ voorzieningen of betrekking
                            hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze voorzieningen snel te
                            realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. </al><al>Gaat het om een algemene voorziening, dan zal geen aanvraag worden
                            ingediend. Een melding bij het steunpunt/loket is voldoende. Na een
                            beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene woonvoorziening wordt
                            gerealiseerd.</al><al>Als een algemene voorziening niet de oplossing is voor het woonprobleem,
                            of als de aanvrager die niet wenst, zal een aanvraag voor een
                            woonvoorziening moeten worden ingediend.</al><al>Omdat algemene woonvoorzieningen nog niet in de gemeente Cromstrijen
                            zijn ontwikkeld komen vooralsnog alleen de onder b, c en d van artikel
                            13 van de Verordening genoemde verstrekkingsmogelijkheden in
                            aanmerking.</al><al>Onder deze verstrekkingsmogelijkheden kunnen de volgende concrete
                            voorzieningen vallen:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie.</al></li></lijst><al><vet>Primaat verhuizing</vet></al><al>Artikel 16 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als
                            vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of
                            verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een
                            goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in
                            aanmerking komt.</al><al>Aanvrager kan voor een aanpassing in aanmerking komen indien een
                            verhuizing naar een aangepaste of makkelijker aan te passen woning niet
                            te realiseren of niet de goedkoopst-adequate oplossing is.</al><al>In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de
                            verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep.
                            Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt
                            ter compensatie van woonproblemen. In feite gaat het bij het hanteren
                            van het primaat van de verhuizing om een uitwerking van het principe dat
                            wordt gekozen voor de goedkoopst-adequate oplossing. </al><al>Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de
                            verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek
                            waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding
                            tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de
                            negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed
                            gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante
                            factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus
                            om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de
                            belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan
                            toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate
                            oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting
                            voldaan.</al><al>Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle
                            mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke
                            situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een
                            overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die
                            afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de
                            besluitvorming.</al><al>-<vet>De snelheid waarmee het probleem kan worden
                            gecompenseerd</vet></al><al>De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol
                            in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het
                            woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of
                            eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het
                            maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring
                            vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook
                            zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt
                            als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit
                            de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het
                            indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een
                            oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem.</al><al>-<vet>Rekening houden met sociale factoren</vet></al><al>Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn
                            bijvoorbeeld de voorkeur van de gehandicapte, de binding van de
                            gehandicapte met de huidige woonomgeving, de nabijheid van voor de
                            gehandicapte belangrijke voorzieningen. Ook de waardering van de
                            aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de
                            woning van de gehandicapte kan een rol spelen in het afwegingsproces,
                            met name in situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale
                            omstandigheden moeten in het indicatie-onderzoek zoveel mogelijk
                            geobjectiveerd worden. De sociale factor zal minder zwaar wegen in het
                            voordeel van aanpassen, als dicht in de buurt van de huidige woning een
                            geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de
                            beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels
                            en werkplek is gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van
                            verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder
                            vervoersvoorzieningen nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis"
                            heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit
                            de bedrijfsmatige kant meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat
                            de vestiging van het bedrijf op een andere, in commercieel opzicht
                            minder aantrekkelijke, locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit
                            eigen bedrijf kan hebben.</al><al>-<vet>Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht van de
                                gehandicapte</vet></al><al>Het college maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige
                            en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij
                            in aanmerking worden genomen.</al><al>Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of
                            woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de
                            woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning heeft meer emotionele
                            en financiële consequenties dan verhuizing vanuit een huurwoning.</al><al>Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij
                            het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor
                            het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere
                            aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen
                            woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre
                            vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans
                            geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager,
                            al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd
                            of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de
                            hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die
                            gehandicapt raakt, door zijn handicap drastisch verandert (doorgaans
                            brengt een handicap negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen
                            moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen
                            woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen.</al><al>-<vet>Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe
                                woonruimte</vet></al><al>Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige
                            woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten
                            in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten
                            in elk geval meegenomen in de overwegingen:</al><lijst><li nr="a."><al>huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de
                                    reeds bewoonde woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van het Persoonsgebonden budget voor
                                    verhuiskosten;</al></li><li nr="c."><al>de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;</al></li><li nr="d."><al>kosten van het eventueel vrijmaken van de woning;</al></li><li nr="e."><al>een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving.</al></li></lijst><al>De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere
                            factoren kunnen een rol spelen. </al><al>-<vet>De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing</vet></al><al>Er wordt ook rekening gehouden met het feit dat een aan te passen
                            koopwoning naar alle waarschijnlijkheid minder makkelijk kans heeft om
                            voor hergebruik in aanmerking te komen:</al><lijst><li nr="-"><al>een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor
                                    eigen woningen;</al></li><li nr="-"><al>de gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te
                                    krijgen;</al></li><li nr="-"><al>het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor
                                    die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch
                                    gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte.</al></li></lijst><al>Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele
                            belanghebbende aangepast worden.</al><al>Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten
                            dan aanpassingenaan koopwoningen, omdat deze huurwoningen
                            opnieuw kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor
                            de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de
                            afweging dan ook een rol van belang. </al><al>Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat
                            dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat
                            als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal
                            volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen
                            verhuizing of aanpassen.</al><al>Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning
                            door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag
                            willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven
                            afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer
                            doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden
                            geschikte woningen. Na weigering beoordeelt het college of er van uit
                            kan worden gegaan dat voldoende is gedaan om een compenserende oplossing
                            te bieden. Dit wordt afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren.</al><al>Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over
                            het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing.</al><al>Valt die afweging uit in het voordeel van verhuizing, dan gaat de
                            verhuiskostenvergoeding een rol spelen. Een verhuiskostenvergoeding zal
                            veelal in de vorm van een Persoonsgebonden budget worden toegekend. Dit
                            is in drie situaties mogelijk aan de orde:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van
                                    de woning verhuizen naar een adequate woning;</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een
                                    woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt verhuizing de
                                    goedkoopst adequate oplossing te zijn voor het woonprobleem. Ook
                                    mogelijk is dat de betreffende woning niet kan worden
                                    aangepast;</al></li><li nr="3."><al>Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon
                                    die in een aangepaste woning woont.</al></li></lijst><al>Een Persoonsgebonden budget in de kosten van verhuis- en
                            herinrichtingskosten is bedoeld als goedkoopst-adequaat alternatief voor
                            een dure woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet
                            algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie.
                            Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene
                            zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk,
                            evenals voorspelbare verhuizingen van senioren.</al><al>Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen
                            wordt geen Persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen
                            naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente
                            bewoning, zoals in artikel 20, aanhef en onder e van de Verordening
                            wordt bepaald.</al><al>Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer
                            er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van
                            de woning die, door middel van een verhuizing op de goedkoopst-adequate
                            wijze, kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet gesteld als het gaat
                            om een persoon buiten de Wmo-doelgroep om een aangepaste woning te laten
                            vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de woning op verzoek van het
                            college gebeurt, is er aanspraak op een Persoonsgebonden budget voor
                            verhuis- en herinrichtingskosten. Een bijzondere categorie zijn de
                            zogenaamde ADL-woningen. Deze ADL-woningen zijn woningen die specifiek
                            zijn bedoeld voor mensen met een ernstige lichamelijke handicap die
                            zelfstandig willen wonen en daarbij hulp nodig hebben bij de algemene
                            dagelijkse levensverrichtingen. In de directe omgeving van de woningen
                            ligt een ADL-centrum van waaruit 24 uur per dag op afroep assistentie
                            kan worden verleend. De aanpassingen voor een ADL-woning vallen niet
                            onder de Wmo, maar onder een specifieke subsidieregeling die uitgevoerd
                            wordt door het College voor Zorgverzekeringen. De ADL-woningen kunnen
                            alleen verhuurd worden aan mensen die voldoen aan de daarvoor geldende
                            voorwaarden.</al><al>Bij een verhuizing naar een ADL-woning zal nagegaan moeten worden of de
                            kosten van verhuizing deel uitmaken van de specifieke regeling. Is dat
                            het geval dan is er sprake van een voorliggende voorziening en kan in
                            het kader van de Wmo geen verhuiskostenvergoeding verleend worden.
                            Uiteraard dient bij het verlenen van een eventuele
                            verhuiskostenvergoeding altijd ten opzichte van de huidige woning de
                            noodzaak van een verhuizing vastgesteld te worden. Een
                            verhuiskostenvergoeding wordt ook niet verstrekt als de gehandicapte
                            voor het eerst zelfstandig gaat wonen (iedereen gaat immers eens
                            zelfstandig wonen en die kosten zijn derhalve algemeen gebruikelijk). </al><al>Het college verstrekt in beginsel geen Persoonsgebonden budget voor
                            verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden
                            voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden
                            vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning
                            werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan,
                            is dat reden voor afwijzing. </al><al>De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de
                            situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene
                            gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening
                            in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de
                            compensatieplicht van de vertrekgemeente.</al><al><vet>Verhuiskosten bij het vrijmaken van een woning</vet></al><al>Het kan voorkomen dat een (aangepaste of geschikte) woning met behulp
                            van een stimuleringspremie (de verhuiskostenvergoeding) aan de zittende
                            (niet-gehandicapte) bewoner(s) vrijgemaakt kan worden ten behoeve van
                            een gehandicapte waardoor een aanpassing van een andere woning overbodig
                            wordt. Hierbij geldt de beperking dat de kosten van de aanpassing in de
                            huidige woonruimte van de gehandicapte een bepaald bedrag te boven
                            zouden moeten gaan, omdat anders het (financiële) rendement te laag
                            is.</al><al><vet>Verhuizing en algemeen gebruikelijk</vet></al><al>In de Verordening is het verhuisprimaat vastgelegd. Dit betekent dat een
                            gehandicapte pas voor een woningaanpassing in aanmerking kan komen
                            indien verhuizen naar een geschikte woning niet te realiseren is of niet
                            de goedkoopst adequate oplossing is (zie hierboven). Indien de
                            verhuizing voor de aanvrager als algemeen gebruikelijk moet worden
                            beschouwd, wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend. Dit
                            is het geval wanneer de noodzaak tot verhuizen al langere tijd tevoren
                            was te voorzien. Bijvoorbeeld , zoals bij verhuizing naar een kleinere,
                            meer comfortabele woning, al dan niet met zorgaccommodatie, wanneer men
                            op leeftijd is gekomen. Alleen als de noodzaak tot verhuizen het gevolg
                            is van plotseling opgetreden beperkingen ten gevolge van een ziekte of
                            aandoening, welke in redelijkheid niet waren te voorzien, kan een
                            tegemoetkoming worden verstrekt. Zie ook artikel 20 onder d. van de
                            Verordening.</al><al>Voor een nadere uitleg wordt verwezen naar Paragraaf 4.1. Uitsluitingen
                            en beperkingen.</al><al><vet>Verhuiskostenvergoeding inzetten voor een
                            woningaanpassing</vet></al><al>Indien een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is
                            toegekend kan de belanghebbende besluiten deze vergoeding in te zetten
                            voor de aanpassing van zijn woning. Dit is mogelijk onder de volgende
                            voorwaarden:</al><lijst><li nr="-"><al>de belanghebbende door de woningaanpassing een adequate
                                    voorziening realiseert. Eventuele meerkosten komen voor rekening
                                    van de belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>de belanghebbende afziet van aan de huidige voorziening
                                    gerelateerde vervolgaanvragen in het kader van de Wmo. Het
                                    betreft dan mogelijke vervolgaanvragen, die indien de
                                    belanghebbende naar een geschikte woning zou zijn verhuisd, niet
                                    aan orde zouden zijn geweest. Het betreft dan vervolgaanvragen
                                    over het gehele terrein van de Wmo. Bv. ook een vervolgaanvraag
                                    voor een extra rolstoel omdat de slaapkamer of douche zich op de
                                    verdiepingsvloer bevindt.</al></li></lijst><al>Vervolgaanvragen, die ook bij een verhuizing aan de orde kunnen zijn,
                            worden wel in behandeling genomen.</al><al><vet>Primaat losse woonunit</vet></al><al>Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden
                            welke aanpassingen noodzakelijk zijn.</al><al>Hierbij geeft de Verordening nog een tweede primaat aan, te weten het
                            primaat van de losse woonunit (artikel 17): </al><al>“Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan”.</al><al>Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen
                            over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van
                            een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering.</al><al>Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de
                            mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld
                            doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als
                            er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook
                            ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat
                            de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is:
                            een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel.</al><al>Het program van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt
                            worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de
                            beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit
                            aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor
                            dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt
                            teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van
                            een losse woonunit.</al><al>Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat
                            deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet
                            bouwkundige aanpassing worden gemaakt.</al><al><vet>Overige (bouwkundige) voorzieningen</vet></al><al>De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning
                            betreffen.</al><al>Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat
                            zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk
                            geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging,
                            toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal
                            en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het
                            veilig kunnen spelen in de woonruimte.</al><al>Aanpassingen kunnen gericht zijn op verbeteringen in het bereiken van de
                            woning, de stalling van verplaatsingshulpmiddelen, de bruikbaarheid van
                            de woning en/of de bediening van de woning.</al><al><vet>Het bereiken van de woning</vet></al><al>Rolstoelgebruik vergt in veel gevallen aanpassingen aan de woning, zoals
                            het verbreden van het toegangspad tot de woning en het verbreden van de
                            toegangsdeur. Uitgangspunt is dat één toegangsdeur bereikbaar en
                            verbreed wordt. Doorgaans is dat de voordeur van de woning. Uitgangspunt
                            is tevens dat het hebben van een verharde toegang tot de woning algemeen
                            gebruikelijk is. Alleen meerkosten voor het aanpassen van de toegang
                            komen voor vergoeding in aanmerking. </al><al><vet>Stalling van noodzakelijke verplaatsingshulpmiddelen</vet></al><al>Indien voor een vervoershulpmiddel een stalling noodzakelijk is, kan in
                            een stallingmogelijkheid en aanleggen van elektriciteit voor het opladen
                            van de accu’s worden voorzien. Voor zover er geen stallingmogelijkheid
                            aanwezig is of niet gerealiseerd kan worden, kan worden volstaan met een
                            afdekzeil. In sommige gevallen kan een bestaande stalling aangepast
                            worden.</al><al><vet>De bruikbaarheid van de woning</vet></al><al>Ook kunnen aanpassingen op de verdieping getroffen worden. Voorbeelden
                            zijn het weghalen van drempels, het verbreden van doorgangen en het
                            aanbrengen van (vaste) patiëntentilliften. Het bereiken van
                            verschillende woonlagen in de woning wordt veelal gerealiseerd door
                            middel van een traplift.</al><al> De gemeente maakt op deze manier verdiepingen bereikbaar waar
                            woonruimten liggen waar men noodzakelijke woonactiviteiten verricht
                            (slapen, wassen, eten<vet>, </vet>koken). Doorgaans maakt de gemeente de
                            eerste verdieping bereikbaar. Liggen die woonactiviteiten verspreid over
                            meerdere woonlagen, dan doet de gemeente ineerste instantie een
                            appèl op het reorganisatievermogen van de betrokkene en diens sociale
                            omgeving. Het verbeteren van de bruikbaarheid van de woning betreft het
                            aanbrengen van aanpassingen die de gehandicapte in staat stellen de
                            keuken, toilet, was- en douchegelegenheid zo zelfstandig mogelijk te
                            gebruiken. Welke voorzieningen dat precies zijn, hangt af van de
                            beperkingen en belemmeringen van de betrokkene en het gebruik dat de
                            gehandicapte van die woonruimten moet maken.</al><al><vet>De bediening van de woning</vet></al><al>Ook de bediening van de woning kan problemen opleveren vanwege
                            ondervonden ergonomische belemmeringen. Voorbeelden van aanpassingen die
                            de bediening van de woning betreffen, zijn het hang- en sluitwerk van
                            ramen en deuren. Ook het aanbrengen van een intercom om de voordeur te
                            kunnen openen en afstandsbediening van licht, gordijnen en zonwering kan
                            tot de mogelijkheden behoren. Daarbij doet zich allereerst de vraag voor
                            of de betrokkene ergonomische belemmeringen ondervindt en zonder zo'n
                            woningaanpassing niet zelfstandig in de woning kan functioneren. Voor
                            zover bediening van de woning algemeen gebruikelijk is wordt er geen
                            tegemoetkoming verleend. Daarnaast wordt er geen vergoeding verstrekt
                            voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of
                            voorzieningen aan of in de betrokken woonruimte(n) in woongebouwen, die
                            mede op huisvesting van gehandicapten en ouderen zijn gericht.</al><al>Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning
                            worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met
                            voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten,
                            therapeutisch baden). Ook voor het treffen van een voorziening uit
                            oppas- of verzorgingsoogpunt worden geen compenserende voorzieningen
                            getroffen.</al><al>Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel
                            karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening
                            hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële
                            onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of
                            branddeuren). </al><al>Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden verstrekt ter
                            compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de
                            uitraaskamer. Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het
                            tot rust doen komen van personen met een specifieke beperking. </al><al>Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal
                            beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen
                            voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden
                            woonproblematiek. Verder wordt – conform de jurisprudentie van de
                            Centrale Raad van Beroep onder de Wvg - beoordeeld in hoeverre de
                            problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen
                            inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs
                            te vergen oppasmaatregelen van ouders. Verder wordt rekening gehouden
                            met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van
                            taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de
                            opstelling van inrichtingselementen in de
                            woning.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aanpassen de goedkoopst adequate voorziening</titel></kop><structuurtekst><al>Indien het aanpassen van de woonruimte de goedkoopst adequate
                            voorziening is, moet worden aangegeven op welke wijze invulling aan deze
                            keuze wordt gegeven. Hieronder gaan we op enkele aspecten in:</al><lijst><li nr="1."><al>Alleen toekennen indien de kosten van een "maatwerk"-
                                    woningaanpassing niet hoger zijn dan de verhuiskostenvergoeding
                                    inclusief eventueel benodigde aanpassing van de nieuwe
                                    woning;</al></li><li nr="2."><al>In sommige gevallen afwegen hoe lang een voorziening adequaat
                                    zal zijn gezien de prognose van de handicap;</al></li><li nr="3."><al>Wanneer cliënt om ergonomische redenen (rolstoelgebruiker,
                                    slecht ter been, andere redenen) belemmeringen in de huidige
                                    woning ondervindt, te denken valt aan trappen binnen de woning,
                                    bruikbaarheid van toilet, badkamer en keuken, slaapkamer,
                                    etc.;</al></li><li nr="4."><al>Criterium voor keukenaanpassingen: deze moeten noodzakelijk zijn
                                    voor degene die in de keuken de meeste werkzaamheden verricht.
                                    Dit sluit niet uit dat eenvoudige verrichtingen in de keuken
                                    mogelijk moeten zijn, bijvoorbeeld koffie of thee zetten, brood
                                    klaarmaken.</al></li></lijst><al><vet>Specifieke beleidsregels voor in woonschepen en
                            woonwagens</vet></al><al>Aanpassen met behoud van het karakter van woonschepen en woonwagens.
                            Aangebrachte voorzieningen moeten passen in het karakter van woonschepen
                            en woonwagens. Aanvragen voor een overdekte gang van de woonwagen naar
                            het douche/wc-gebouw komen bijvoorbeeld niet voor een tegemoetkoming in
                            aanmerking</al><al><vet><onderstreept>4.3. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Beperkingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Hoofdverblijf</vet></al><al>Artikel 19 van de Verordening bepaalt in lid 1:</al><al>“Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                            hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                            voorziening wordt getroffen.”</al><al>Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente
                            bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en
                            verblijfplaats heeft en in degemeentelijke
                            basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven.
                            Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een
                            briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft
                            compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de
                            Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een
                            aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een
                            verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de
                            vertrekgemeente.</al><al>In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij
                            moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die
                            in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de
                            ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de
                            tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide
                            ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in
                            situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de
                            ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn
                            gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de
                            woning van de betreffende ouder is gelegen.</al><al>Artikel 19 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze
                            hoofdregel:</al><lijst><li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                    woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van
                                    één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in
                                    een AWBZ-instelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de
                                    gemeente waar de aan te passen woning staat.</al></li><li nr="4."><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de
                                    in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college
                                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                    Cromstrijen vast te leggen maximumbedrag.</al></li><li nr="5."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                    aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan
                                    bereiken.</al></li></lijst><al>Deze afwijking is optioneel, overgenomen uit de Wvg, waarin het
                            zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder
                            de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in
                            de Verordening opgenomen, aangezien met invoering van de Wmo niet is
                            beoogd het regime van de Wvg-woonvoorzieningen uit te breiden.</al><al>Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling betreft het uitsluitend
                            de in lid 5 genoemde zaken, te weten het kunnen bereiken van de
                            woonruimte, de woonkamer en een toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk
                            worden opgevat: het gaat niet om gebruiken maar om bereiken. Op zich mag
                            dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge
                            kosten met zich meebrengt, hetgeen niet past bij een bovenwettelijke
                            taak. </al><al><vet>Overige beperkingen woonvoorzieningen</vet></al><al>Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen,
                            zoals in de Verordening vastgelegd in artikel 20: </al><al>“De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
                                    geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
                                    aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten of voorzieningen aan of in de betrokken woonruimte(n) in
                                    woongebouwen, die (mede) op huisvesting van gehandicapten en/of
                                    ouderen zijn gericht;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
                                    van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
                                    vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele
                                    jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
                                    AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                    verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                    problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                    ondervonden”.</al></li></lijst><al>De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit
                            een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of
                            minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat
                            naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een
                            belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen
                            van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is,
                            de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer
                            bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties mag
                            verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de
                            gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate
                            oplossing is.</al><al>Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de
                            jurisprudentie, gelimiteerd worden. Dit uitgangspunt is onder punt c
                            vastgelegd. Daarbij geldt dat ook getoetst wordt aan het gestelde in
                            artikel 18 van de Verordening. Voor een nadere uitleg wordt verwezen
                            naar Paragraaf 4.1 en 4.3. Uitsluitingen en beperkingen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>“De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                            specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat
                            betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten.” </al><al>Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke
                            verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt
                            sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers.
                            Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, weet dat dat bijvoorbeeld
                            binnen 5 jaar of korter onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen
                            nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet
                            langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan
                            daarom aanleiding zijn tot afwijzing.</al><al>Het laatste punt, onder e, tenslotte, is bij de verhuiskostenvergoeding
                            al besproken.</al><al><vet><onderstreept>4.4. Overige
                            woonvoorzieningen</onderstreept></vet></al><al><vet>Uitbreiding van ruimten</vet></al><al>Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maxima
                            aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard
                            dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de
                            adviseur van de gemeente) aangegeven te worden:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Soort vertrek</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Bij aanbouw in m2</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al><cursief>Bij uitbreiding in m2</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>keuken</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 persoonsslaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 persoonsslaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>toiletruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>badkamer</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-wastafelruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-doucheruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>entree/hal/gang</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>berging</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen</vet></al><al>Of de cliënt in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een vaste
                            (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van
                            de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Het gaat
                            bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om tilliften, badliften,
                            douche/toiletstoelen, douchestretchers, badtransfer-planken. Waar
                            mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid gekozen worden voor
                            verstrekking van losse woonvoorzieningen. Zoals al vermeld gaat het hier
                            niet om inrichtingselementen. </al><al> De losse woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een
                            elementaire woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels
                            een bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een
                            goedkoop en adequaat alternatief zijn voor een vaste voorziening. Een
                            voorbeeld: in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel
                            kan ook een losse tillift worden verstrekt of een transferplank. Ook zal
                            bij voorkeur met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin
                            mensen wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties
                            waarin de voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de
                            verstrekking van vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt
                            dat deze voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn
                            terminale situaties, maar ook situaties waarin mensen die in een
                            slooppand wonen.</al><al>Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om </al><lijst><li nr="a."><al>(patiënten)tilliften en badliften;</al></li><li nr="b."><al>douchehulpmiddelen zoals douche/toiletstoelen, douchestretchers,
                                    bad-transferplanken etc.</al></li></lijst><al><vet>ad. a. (patiënten)tilliften en badliften:</vet></al><al>Het verticale transport van een gehandicapte vanuit bed naar de rolstoel
                            kan in een aantal gevallen problemen opleveren. Niet in alle gevallen
                            kan een hoog-laag bed het probleem oplossen en biedt een patiëntenlift
                            wel een oplossing. Een patiëntenlift wordt in een aantal gevallen ook
                            gebruikt voor het verplaatsen van bijvoorbeeld bed naar de douche of het
                            bad. Patiëntenliften zijn hulpmiddelen voor het boven en buiten de
                            inrichtingselementen brengen van personen, die niet zelf voor de duur
                            van dit transport, de totale lichaamsondersteuningskracht kunnen
                            leveren. Er zijn zowel vaste als mobiele patiëntenliften.</al><al>Een patiëntenlift wordt niet verstrekt als deze <vet>alleen</vet>
                            bestemd is ten behoeve van professionele hulpverleners. In dat geval is
                            de patiëntenlift een arbo-voorziening.</al><al>De keuze voor een bepaalde patiëntenlift is afhankelijk van een tweetal
                            factoren:</al><lijst><li nr="1."><al>de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare
                                    ruimte;</al></li><li nr="2."><al>de noodzakelijke lichaamsondersteuning.</al></li></lijst><al>De keuze voor een bepaald type patiëntenlift wordt voor een groot deel
                            bepaald door de bouwkundige situatie ter plekke en de beschikbare
                            ruimte. Indien er voldoende ruimte is dan kan de keus vallen op een
                            mobiele patiëntenlift. Als de situatie het niet toelaat dan kan een
                            vaste patiëntenlift worden verstrekt.</al><al>Daarnaast speelt bij deze keuze natuurlijk ook een rol de eisen die aan
                            de lift moeten worden gesteld uitgaande van de functiebeperkingen van
                            betrokkene. Doordat een bepaalde vorm van lichaamsondersteuning gebonden
                            is aan een bepaalde uitvoering van een patiëntenlift is het niet uit te
                            sluiten dat bij de keuze voor een bepaald type patiëntenlift beide
                            afwegingen leiden tot een niet te combineren oplossing. In dat geval
                            moet worden bepaald welke factor doorslaggevend moet zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>ad. b. douchehulpmiddelen:</titel></kop><structuurtekst><al>Evenals de patiëntenliften vallen ook de douchehulpmiddelen, als
                            roerende woonvoorzieningen, onder de Wmo. In het algemeen kan tussen de
                            AWBZ en Wmo betreffende ADL-hulpmiddelen de volgende scheiding worden
                            aangehouden: hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" valt onder
                            verantwoordelijkheid van de gemeente (het gaat daarbij om badzitjes,
                            bad(transfer)planken, douche/toiletstoelen, douchewagens, -stretchers en
                            -brancards). De overige ADL-hulpmiddelen (voor het aan- en uitkleden,
                            slapen, eten en drinken en zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid
                            van de AWBZ.</al><al>Aan de adviseur kan gevraagd worden dat hij aangeeft welke voorziening
                            van deze natte-cel hulpmiddelen de goedkoopst adequate oplossing biedt. </al><al> Zo zou een keus kunnen worden gemaakt tussen een (aard- en nagel-)vast
                            douchezitje of een losse douchestoel waarbij de adviseur aan kan geven
                            welke voorziening nog adequaat is, gezien de handicap en/of de
                            bouwkundige situatie. </al><al>Bij deze hulpmiddelen gelden de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>criterium voor wat betreft de douchestoel: cliënt kan niet
                                    staande douchen.</al></li><li nr="2."><al>criterium voor wat betreft de verrijdbare patiëntentilliften:
                                    cliënt is niet in staat zelfstandig in en uit bed te gaan, noch
                                    zelfstandig in de rolstoel plaats te nemen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vervangen gewone vloerbedekking door rolstoelvast tapijt</titel></kop><structuurtekst><al>In de regel vindt het vervangen van gewone vloerbedekking door
                            rolstoelvast tapijt plaats in de woonkamer.</al><al>Bij vervangen vloerbedekking gelden de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>criterium voor wat betreft de rolstoelvaste vloerbedekking:
                                    gekoppeld aan verstrekking van handbewogen rolstoel of
                                    elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd, al dan niet
                                    aangepast (zie ook hoofdstuk 4).</al></li><li nr="2."><al>criterium voor wat betreft de rolstoelvaste vloerbedekking: in
                                    geval cliënt plotseling rolstoelgebruiker wordt, wordt rekening
                                    gehouden met een afschrijvingstermijn voor de huidige
                                    vloerbedekking (in principe 8 jaar).</al></li></lijst><al><vet>Woningsanering in verband met CARA</vet></al><al><vet> Financiële tegemoetkoming voor woningsanering</vet></al><al>Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor
                            woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische
                            bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als
                            een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. De
                            noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding, wordt mede in relatie
                            tot het levenspatroon en leefregels, de gehele woninginrichting en
                            ventilatiemogelijkheden en -gedrag bepaald. Het college kan hierover
                            advies vragen eventueel met inschakeling van een gespecialiseerde
                            CARA-verpleegkundige. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het
                            vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van
                            eisen voor de woninginrichting zal houden. Ook mag verwacht worden dat
                            betrokkene zelf maatregelen treft ter voorkoming van CARA-klachten.</al><al>In de regel kan een vergoeding worden verstrekt indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten
                                    dat CARA zou ontstaan/verergeren;</al></li><li nr="-"><al>vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn
                                    noodzakelijk is.</al></li></lijst><al><vet>Geen vergoeding wordt verstrekt indien:</vet></al><lijst><li nr="-"><al>het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de
                                    situatie van de cliënt leidt;</al></li><li nr="-"><al>de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen
                                    weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert.</al></li></lijst><al>De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het
                            slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager
                            jonger is dan vier jaar.</al><al><vet>Afschrijvingstermijn</vet></al><al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende
                            te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is
                            afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële
                            tegemoetkoming verleend.</al><al>Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening
                            gehouden met de reeds verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding
                            bedraagt een percentage van de kosten, afhankelijk van de
                            afschrijvingsperiode:</al><al>100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar;</al><al>75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;</al><al>50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;</al><al>25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. </al><lijst><li nr="-"><al>Indien het artikel acht jaar of ouder is, wordt geen vergoeding
                                    verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>Hetzelfde geldt bij verhuizing, omdat bij verhuizing de woning
                                    opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden
                                    gehouden met de ondervonden klachten. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><structuurtekst><al>Burgemeester en wethouders verlenen een financiële tegemoetkoming in de
                            kosten van onderhoud keuring en reparatie aan woonvoorzieningen die in
                            het kader van de Wvg dan wel de BSHG, RGSHG of Wmo zijn aangebracht.
                            Deze financiële tegemoetkoming wordt verleend indien de gehandicapte ten
                            tijde van het onderhoud, keuring of reparatie de woonruimte als
                            hoofdverblijf bewoont.</al><al>De tegemoetkomingen voor onderhoud en keuring staan vermeld in een
                            bijlage bij het Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al><al>In overleg met verhuurders kan over onderhoud e.d. een aparte afspraak
                            gemaakt worden.</al><al>De gemeente kan ook met een bedrijf voor het onderhoud en keuring van
                            liften in diverse woningen een onderhoudscontract afsluiten. Voor de
                            daarbij betrokken voorzieningen vervalt dan de mogelijkheid voor
                            individuele tegemoetkomingen.</al><al><vet>De uitraasruimte</vet></al><al>De uitraasruimte was voorheen, onder de Wvg, omschreven in de wet zelf,
                            maar is onder de Wmo omschreven in de Verordening. Artikel 15, aanhef en
                            onder d luidt dan ook: </al><al><cursief>“De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen
                                kunnen bestaan uit: (……)</cursief></al><al><cursief>d. een uitraasruimte.”</cursief></al><al>Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een
                            aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te
                            doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat
                            individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht
                            zijn.</al><al>De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor
                            huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan
                            zijn van verstrekking. </al><al>Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd
                            gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn.
                            Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer,
                            het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en
                            veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die
                            toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is
                            kan dat onder de voorziening vallen.</al><al>Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een
                            onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op
                            individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte
                            moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast,
                            bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig
                            is.</al><al><vet><onderstreept>4.5. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Procedure bij bouwkundige aanpassing.</onderstreept></vet></al><al><vet>Procedure aanvraag woningaanpassing (Persoonsgebonden budget of
                                financiële tegemoetkoming):</vet></al><al>1 Vaststellen Programma van Eisen.</al><al>Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een
                            gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische
                            deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de
                            goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt
                            op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij een aannemer
                            op. </al><al>2 Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing
                            biedt.</al><al> De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het
                            verlenen van een financiële tegemoetkoming of als basis geldt voor het
                            vaststellen van het Persoonsgebonden budget. </al><al>3 Het college geeft toestemming.</al><al>Het college geeft vervolgens toestemming voor de woningaanpassing, op
                            voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de
                            werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming of het
                            Persoonsgebonden budget betrekking heeft. </al><al>4 De eigenaar voert uit.</al><al>De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de
                            woningaanpassing conform het programma van eisen. </al><al>5 Het college controleert.</al><al>Het college verleent slechts een Persoonsgebonden budget of een
                            financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing indien de door hen
                            aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de
                            woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen
                            achteraf plaats.</al><al>De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en
                            tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de
                            gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren.</al><al>6 Uitbetaling aan de woningeigenaar en gereedmelding.</al><al> De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de
                            woningeigenaar.</al><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 15
                            maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de
                            woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt
                            uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde
                            werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding).</al><al> Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling
                            van de financiële tegemoetkoming of de controle op en vaststelling van
                            het Persoonsgebonden budget.</al><al>De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen
                            van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het
                            Persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is
                            verleend.</al><al>Diegene aan wie het Persoonsgebonden budget of de financiële
                            tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van 5 jaar
                            alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden
                            ter controle beschikbaar te houden.</al><al>4.6.Voorwaarden voor verstrekking Persoonsgebonden budget en uitbetaling
                            financiële tegemoetkoming.</al><al>Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform
                            het Programma van Eisen en er aldus een adequate aanpassing wordt
                            verstrekt is een aantal voorwaarden gesteld om de toegekende
                            tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. </al><al> De voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en
                            eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden
                            bekendgemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is
                            gebonden. </al><al><vet>De volgende voorwaarden zijn van toepassing:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin
                                    worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de
                                    financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande
                                    schriftelijke toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar
                                    of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de
                                    woningaanpassing wordt aangebracht;</al></li><li nr="c."><al>aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht geboden in
                                    bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de
                                    woningaanpassing;</al></li><li nr="d."><al>aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot
                                    het controleren van de woningaanpassing;</al></li><li nr="e."><al>terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk
                                    binnen 15 maanden na het toekennen van de financiële
                                    tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële
                                    tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden
                                    zijn voltooid conform het Programma van Eisen (PvE);</al></li><li nr="f."><al>de gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                    uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of controle op en
                                    vaststelling van het Persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="g."><al>de gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het
                                    treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden
                                    waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. Alle
                                    rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd.</al><lijst><li nr="4.7."><al>Kosten van woningaanpassingen.</al></li></lijst></li></lijst><al>De volgende kosten in het kader van een woningaanpassing kunnen in
                            aanmerking worden genomen bij de vaststelling van (het Persoonsgebonden
                            budget of) de financiële tegemoetkoming:</al><al>1 De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het
                            treffen van de voorziening;</al><al>2 De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming
                            van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw
                            1991;</al><al>3 Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met
                            dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als
                            bepaald in SR 1988 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het
                            noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden
                            ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan
                            veelal de ingrijpender woningaanpassingen.</al><al>4 De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk
                            is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;</al><al>5 De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de
                            voorziening;</al><al>6 De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                            omzetbelasting;</al><al>7 Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling
                            aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover deze verband
                            houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;</al><al>8 De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het
                            oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens bijgaande tabel. </al><al>9 De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde
                            kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                            redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;</al><al>10 De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen
                            met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;</al><al>11 De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening;</al><al>Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder wil
                            vergoeden kan het volgende opgenomen worden:</al><al>De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen
                            van een voorziening voor de gehandicapte, voor zover de kosten onder 1
                            tot en met 11 meer dan </al><al>€ 1000,00 bedragen, 10% van die kosten, met een maximum van €
                            350,00.</al><al>4.8.Opstalverzekering.</al><al>Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar
                            van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de
                            woning aanpast.</al><al><vet><onderstreept>4.9. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van
                                    voorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Aan de lokale woningcorporatie(s) en aan eigenaren van woningen kan een
                            tegemoetkoming worden verstrekt, indien aangebrachte Wmo-voorzieningen
                            moeten worden verwijderd.</al><al><vet><onderstreept>4.10. </onderstreept></vet><vet><onderstreept> Omvang
                                    tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    inrichtingskosten.</onderstreept></vet></al><al>De hoogte van het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in
                            artikel 15 onder a van de Verordening maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Cromstrijen bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een vast bedrag voor de kosten van stoffering en verven/behangen
                                    van de nieuwe woning. De hoogte van de financiële tegemoetkoming
                                    is afhankelijk van de gezinsgrootte;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor de kosten van verhuizing.</al></li></lijst><al>In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen wordt
                            aangegeven welke bedrag maximaal kan worden verstrekt voor ad a. en ad
                            b. Bij ad a. gaat het om een vast bedrag en bij ad b. om een maximum
                            bedrag.</al><al>Bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor verhuizing zal
                            worden nagegaan welke kosten noodzakelijk zijn. Daarbij wordt uitgegaan
                            van de goedkoopst adequate oplossing. Bij de beoordeling daarvan wordt
                            onder meer met het inschakelen van het eigen netwerk rekening gehouden
                            maar ook het hergebruik van de inrichting uit de oude woning.</al><al>Tot slot wordt bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming
                            uitgegaan van de werkelijke kosten.</al><al>Het verhuizen kan leiden tot dubbele huur. Bij de financiële
                            tegemoetkoming kan voorts maximaal één maand dubbele huur vergoed
                            worden. Daarbij wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van de
                            woonruimte met de laagste huurlasten. Is er slechts sprake van een
                            gedeelte van een maand waarin de huur overlapt, dan wordt bij de
                            vaststelling uitgegaan wordt van de werkelijke kosten.”</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>5.1. </onderstreept></vet><vet><onderstreept> Vormen
                                    van vervoersvoorzieningen.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 22 van de Verordening luidt:</al><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een Persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming op declaratiebasis in het geval de
                                    vervoersbehoefte niet is vast te stellen. </al></li></lijst><al>Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en Persoonsgebonden
                            budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene
                            vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 23 blijkt
                            verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met
                            daarna een primaat voor het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het
                            bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene
                            voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen
                            bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of collectief
                            vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan komen
                            andere voorzieningen in aanmerking.</al><al><vet>De algemene voorzieningen</vet></al><al>Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en
                            effectief op kunnen lossen.</al><al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur
                                    heeft;</al></li><li nr="·"><al>het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet
                                    complexe zorg;</al></li><li nr="·"><al>of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al>Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen
                            moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een
                            scootmobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een
                            scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke
                            pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat
                            bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootmobiels. Het
                            gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in
                            ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de
                            voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en
                            ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie
                            mogelijk. Bij algemene voorzieningen geldt dat, wie daar niet mee
                            geholpen denkt te zijn, uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan
                            geldt echter de reguliere aanvraagprocedure. De gemeente Cromstrijen
                            heeft nog geen algemene voorzieningen ontwikkeld.</al><al><vet>Primaat collectief vervoer</vet></al><al>Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als
                            naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig
                            zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit
                            primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het
                            openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het
                            openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in
                            aanmerking voor collectief vervoer. In de gemeente Cromstrijen is geen
                            collectief vervoer.</al><al><vet><onderstreept>5.2. Algemene beleidsregels</onderstreept></vet></al><al>In het algemeen wordt een vervoersvoorziening getroffen als het
                            verplaatsingsgedrag van de gehandicapte in belangrijke mate is verstoord
                            vanwege de ondervonden belemmeringen. Van een dergelijke verstoring is
                            geen sprake als slechts incidenteel verplaatsingsmoeilijkheden
                            optreden.</al><al>De selectie van de goedkoopst-adequate vervoersvoorziening hangt af
                            van:</al><lijst><li nr="-"><al>de ondervonden belemmeringen;</al></li><li nr="-"><al>het verplaatsingsmotief van de gehandicapte;</al></li><li nr="-"><al>de verplaatsingsbestemming;</al></li><li nr="-"><al>de frequentie van verplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>de wijze van verplaatsen.</al><al>Openbaar vervoer niet kunnen bereiken en/of gebruiken</al><al>De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of
                                    geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door
                                    de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                                    geoperationaliseerd middels het loopafstands-criterium “maximale
                                    loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al
                                    dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan
                                    wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen
                                    bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het
                                    openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor
                                    vervoersvoorzieningen in aanmerking.</al><al>Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar
                                    vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op
                                    grote(re) afstand komt te liggen, is geen aanleiding een
                                    vervoersvoorziening te verstrekken. </al><al>Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier
                                    ook rekening mee worden gehouden.</al><al>Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening
                                    in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer
                                    mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte
                                    afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het
                                    tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor
                                    niet-gehandicapten het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als
                                    op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen
                                    bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij
                                    personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een
                                    loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de
                                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide
                                    terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat
                                    dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot
                                    100 meter is het dwingend voorgeschreven!</al><al>Vaststelling directe woon- en leefomgeving</al><al>Voor de vervoersvoorzieningen, geldt dat uitsluitend rekening
                                    gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon-
                                    en leefomgeving. Artikel 26 lid 1 van de Verordening bepaalt
                                    hierover:</al><al>1.“Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien
                                    van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen
                                    in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                    van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet
                                    waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend
                                    door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek
                                    voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                    voorkomen.”</al><al>Voor een sluitend systeem van vervoer kan aangesloten worden bij
                                    de uitvoering van het zogenaamde bovenregionale vervoer,
                                    waarvoor de rijksoverheid verantwoordelijk is. Het
                                    bovenregionaal vervoer wordt uitgevoerd door Valys. </al><al> Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt, ten aanzien
                                    van de vervoerbehoefte voor de maatschappelijke participatie,
                                    uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in de directe
                                    woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alle dag.
                                    De gemeente Cromstrijen heeft de directe woon- en leefomgeving
                                    vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al>De Hoeksche Waard;</al></li><li nr="2."><al>Bestemmingen tot maximaal 20 kilometer, enkele reis,
                                            vanaf het woonadres.</al></li></lijst><al>De afstand wordt berekend op basis van de kortste route op basis
                                    van de ANWB-routeplanner.</al><al>Overige bestemmingen vallen buiten de directe woon- en
                                    leefomgeving en komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al><al>Een vergoeding voor gebruik van de eigen auto wordt alleen
                                    verstrekt als de aanvrager, of een meerder-jarige huisgenoot van
                                    de aanvrager, beschikt over een geldig rijbewijs en een te
                                    naamgestelde auto.</al><al>Artikel 26, lid 2 van de Verordening geeft, als gevolg van de
                                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke
                                    omvang in kilometers geboden moet worden.</al><al>2.“De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                    participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste
                                    een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot
                                    2000 kilometer mogelijk maken.”</al><al>Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer,
                                    met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met
                                    de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze
                                    manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de
                                    Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorzover
                                    deze vervoersbehoefte aanwezig is. Ligt de vervoersbehoefte
                                    lager dan wordt de voorziening daarop afgestemd.</al><al>Voor de verplaatsing op de lange afstanden kan gedacht worden
                                    aan een geldbedrag bedoeld voor een zelf te regelen voorziening
                                    (autokostenvergoeding, taxikostenvergoeding,
                                    rolstoeltaxikostenvergoeding). Of in uitzonderlijke situaties
                                    een voorziening in natura (een bruikleenauto, een auto
                                    aanpassing, een gesloten buitenwagen).</al><al>Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden
                                    aan een scootmobiel of een driewielfiets. Of een
                                    Persoonsgebonden budget om dergelijke voorzieningen aan te
                                    schaffen.</al><al><vet>Geen verstrekking algemeen gebruikelijke
                                    voorziening</vet>Het begrip 'algemeen gebruikelijk' wordt
                                    bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen ingevuld door voor
                                    enkele voorzieningen een inkomensgrens te stellen. Heeft men een
                                    inkomen onder de inkomensgrens, dan kan men in principe in
                                    aanmerking komen voor deze voorzieningen. Heeft men een inkomen
                                    boven de inkomensgrens, dan is een auto en de daarmee
                                    samenhangende kosten algemeen gebruikelijk.</al><al>Men kan dan wel in aanmerking komen voor een financiële
                                    tegemoetkoming in de meerkosten van een rolstoeltaxi ten
                                    opzichte van een taxi.</al><al>Voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn, zoals
                                    aanpassingen van een auto of een speciaal voertuig voor
                                    gehandicapten, kunnen worden verstrekt aan gehandicapten met een
                                    inkomen boven de inkomensgrens.</al><al>De hoogte van de inkomensgrens staat vermeld in het besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Artikel 25 biedt de mogelijkheid een inkomensgrens te stellen
                                    voor bepaalde vervoersvoorzieningen. Het zijn dan de
                                    voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan
                                    gelijk te stellen zijn. Dat zijn bijvoorbeeld de kosten van een
                                    taxi. </al><al>In de gemeente Cromstrijen is deze inkomensgrens vastgesteld op
                                    1,5 x de geldende inkomensgrens.</al><al>Aanvragers met een inkomen boven deze grens kunnen deze
                                    vervoersvoorzieningen niet krijgen, dan is de auto en de daarmee
                                    samenhangende kosten algemeen gebruikelijk. Heeft men een
                                    inkomen onder de 1,5 geldende inkomensgrens, dan kan men in
                                    principe in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Voor een
                                    rolstoeltaxi geldt, dat als de auto algemeen gebruikelijk is,
                                    van de rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen
                                    gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat als vergoeding of
                                    Persoonsgebonden budget uitsluitend het verschil tussen beide
                                    vergoedingen kan worden toegekend.</al><al><vet><onderstreept>5.3. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                            Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer
                                            in de eigen woon- of
                                    leefomgeving.</onderstreept></vet></al><al><vet>Het leven van alledag in de directe woon- of
                                        leefomgeving</vet> De compensatieplicht voor vervoer is in
                                    beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het
                                    kader van het leven van alledag in de directe woon- of
                                    leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om
                                    verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen
                                    woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen,
                                    vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en
                                    sociaal-culturele instellingen. </al><al>Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen
                                    leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te
                                    nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van
                                    scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook
                                    niet onder de compensatieplicht.</al><al>De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het
                                    sociaal vervoer. Het gaat in de Wmo in beginsel om
                                    verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen
                                    woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen,
                                    vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en
                                    sociaal-culturele instellingen. Bij het verstrekken van een
                                    vervoersvoorziening – bijvoorbeeld een scootmobiel – bestaat ook
                                    de mogelijkheid dat als bij-effect ook recreatieve
                                    verplaatsingen kunnen worden verricht. Een vervoersvoorziening
                                    die (uitsluitend) wordt gevraagd met het oog op recreatie en
                                    ontspanning wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt.
                                    Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die
                                    de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het
                                    jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. </al><al>Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit
                                    zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze
                                    jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert
                                    dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht. </al><al>De gemeente dienteen zorgvuldig onderzoek tedoen
                                    naar het verplaatsingspatroonvan de gehandicapte.
                                    Opdie manier kan vastgesteld worden welke verplaatsingen
                                    voor de gehandicapte van belang zijn voor het onderhouden van de
                                    voor hem noodzakelijke sociale contacten. Zijn de door de
                                    gehandicapte regelmatig af te leggen afstanden uitzonderlijk
                                    hoog en/of is de frequentie waarmee die afstanden worden
                                    afgelegd uitzonderlijk hoog, dan wordt daarmee bij het
                                    vaststellen van de goedkoopst-adequate voorziening rekening
                                    gehouden. </al><al>Ook kan de situatie zich voordoen dat het verplaatsingsgedrag
                                    van de gehandicapte uitzonderlijk laag is.</al><al><vet> Vervoer in verband met werk</vet> Bij de beoordeling van
                                    aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden
                                    met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in
                                    dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er
                                    voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige
                                    Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA,
                                    Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het
                                    UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale
                                    werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis
                                    van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever.</al></li></lijst><al><vet>Vervoer in verband met vrijwilligerswerk</vet></al><al>Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen
                            aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de
                            Centrale Raad van Beroep bepaald.</al><al>De Centrale Raad van Beroep gaat er van uit dat vervoerskosten betaald
                            kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk
                            verricht wordt.</al><al><vet>Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek
                                aan medische behandelaars</vet> Vervoer van en naar medische
                            behandelaars viel niet onder de Wvg en valt evenmin onder de Wmo. Het is
                            niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag.
                            Bovendien zijn er voor bepaalde situaties voorliggende voorzieningen,
                            zoals de Regeling Zorgverzekering.</al><al>Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in
                            principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn
                            niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van
                            dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie
                            spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet
                            te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen
                            ging.</al><al>Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch
                            moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet
                            (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de
                            erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen
                            volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend
                            therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in
                            AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet
                            te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. </al><al><vet>Vervoer in verband met het volgen van onderwijs</vet></al><al>Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de
                            Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het
                            leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen
                            die via het UWV worden verstrekt, de voormalige
                            Wet-Rea-voorzieningen.</al><al><vet>Vervoer van kinderen door ouders met een beperking</vet></al><al>Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden
                            gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking.
                            Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor
                            vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep.</al><al><vet>Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners</vet></al><al>Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt
                            tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente
                            woonachtige AWBZ-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële
                            regeling, de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen, voor wat
                            betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor
                            AWBZ-bewoners.</al><al>Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en
                            overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat
                            houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten
                            aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. </al><al> Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte
                            hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in
                            mindere mate boodschappen hoeven te doen. </al><al>Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een
                            winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn
                            ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken
                            valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij,
                            verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een
                            aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen,
                            omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale
                            instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat
                            de instellingen de maaltijden bereidt. Ook sommige gezamenlijke sociale
                            activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling
                            georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte
                            wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan
                            ook rekening gehouden. </al><al>Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor
                            bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van
                            hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan
                            bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld een gehalveerd
                            Persoonsgebonden budget voor vervoerskosten worden verstrekt.
                            Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een
                            grotere vervoersbehoefte is.</al><al>In paragraaf 5.4. onder subparagraaf “afhankelijk van vervoersbehoefte”
                            wordt dit verder uitgewerkt.</al><al><vet>Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners</vet></al><al>Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie.
                            Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij
                            AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische
                            taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende
                            tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de
                            zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. </al><al><vet>Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners</vet></al><al>Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners door
                            jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht
                            voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale
                            beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook
                            mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor
                            individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor
                            AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie.</al><al>De compensatieplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel
                            compensatieplicht is voor lokaal en regionaal vervoer voor
                            AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende
                            vereenzaming - compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge,
                            verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen wordt in
                            deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie de bewijslast omgedraaid.
                            Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het
                            tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal
                            weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de compensatieplicht
                            valt. </al><al>Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan
                            van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de
                            instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk
                            huis.</al><al>Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt
                            niet onder de Wvg-zorgplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de
                            Centrale Raad van Beroep.</al><al><vet><onderstreept>5.4. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Financiële tegemoetkomingen/ Persoonsgebonden budget in de
                                    kosten van vervoer.</onderstreept></vet></al><al>Met betrekking tot een financiële tegemoetkoming worden de volgende
                            criteria aangehouden:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien cliënt reeds rolstoelgebruiker is (wellicht volgens een
                                    andere regeling dan de Wmo) en niet in staat lopend een afstand
                                    van 400 meter af te leggen.</al></li><li nr="2."><al>Niet in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te
                                    leggen.</al></li><li nr="3."><al>Wel in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te
                                    leggen maar niet aansluitend 10 minuten staande kunnen
                                    wachten.</al></li><li nr="4."><al>Wel in staat zelfstandig lopend een afstand van 400 meter af te
                                    leggen, ook aansluitend 10 minuten staande kunnen wachten, maar
                                    niet in staat de instaphoogte van het openbaar vervoer (ca. 32
                                    cm) te overbruggen.</al></li><li nr="5."><al>Niet in staat zich in een snel wegrijdend voertuig staande te
                                    houden</al></li><li nr="6."><al>Visueel het voertuig niet kunnen onderscheiden.</al></li><li nr="7."><al>Wegens gebrek aan zitplaatsen niet in staat in het spitsuur van
                                    het openbaar vervoer gebruik te maken (vervoer i.v.m. werk valt
                                    niet onder de Wvg).</al></li><li nr="8."><al>Cliënt kan om fysieke redenen niet zelfstandig de buitenvoordeur
                                    aan de straat bereiken.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Tegemoetkoming voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of een eigen
                            auto</titel></kop><structuurtekst><al>Indien de betrokkene geen gebruik kan maken van het collectief
                            vervoersysteem of zo'n systeem niet aanwezig is, is de
                            goedkoopst-adequate oplossing doorgaans het verstrekken van een
                            financiële tegemoetkoming/Persoonsgebonden budget in de kosten van het
                            gebruik van een taxi of een eigen auto.</al><al>Bij de vergoeding wordt uitgegaan van een kilometrage van 1.500 km tegen
                            een vergoeding van € 0,28 per kilometer. Dat levert een vergoeding van €
                            420,00 per jaar op. Ook hier geldt dat er bijzondere omstandigheden
                            kunnen zijn waarbij bij de hoogte van de vergoeding rekening gehouden
                            wordt en die kan leiden tot een hogere vergoeding. Hierbij kan
                            bijvoorbeeld gedacht worden aan het verrichten van vrijwilligerswerk,
                            aan omstandigheden in gezinnen met kleine kinderen. In feite dient
                            aangetoond te worden dat de vervoersbehoefte uitstijgt boven een
                            kilometrage van 1.500 km. Het verlenen van een hogere vergoeding is
                            mogelijk met de toepassing van de hardheidsclausule.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Afhankelijk van vervoersbehoefte</titel></kop><structuurtekst><al>De hoogte van de voorziening (bv. een standaard Persoonsgebonden budget
                            voor vervoer) kan afhankelijk zijn van de vervoersbehoefte. Daarvoor
                            gelden de navolgende nadere uitvoeringsregels en wordt een relatie
                            gelegd tussen de vervoersbehoefte van de betrokkene en:</al><lijst><li nr="1."><al>de leeftijd;</al></li><li nr="2."><al>de woonsituatie;</al></li><li nr="3."><al>het gebruik van andere vervoersvoorzieningen;</al></li><li nr="4."><al>extreem hoge vervoersbehoefte;</al></li><li nr="5."><al>als verplaatsingen van cliënt onduidelijk zijn.</al></li></lijst><al>In alle gevallen wordt getoetst of er in het voorliggende individuele
                            geval aanleiding is om van de beleidsregels af te wijken. </al><al><vet>Ad 1</vet><vet> de leeftijd</vet></al><al>Indien in individuele gevallen het tegendeel niet blijkt wordt ervan
                            uitgegaan dat:</al><lijst><li nr="-"><al>er bij kinderen jonger dan 5 jaar geen sprake is van
                                    vervoersproblemen, omdat de ouders hen meenemen, zoals ook
                                    gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen;</al></li><li nr="-"><al>kinderen van 5 tot 12 jaar een geringe zelfstandige
                                    vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden
                                    begeleid, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte
                                    kinderen;</al></li><li nr="-"><al>kinderen van 12 tot 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte
                                    ontwikkelen en vanaf 18 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte
                                    hebben die overeenkomt met dievan volwassenen.</al></li></lijst><al>Deze uitgangspunten hebben tot gevolg dat in de regel:</al><lijst><li nr="-"><al>aan gehandicapte kinderen tot 5 jaar geen tegemoetkoming in de
                                    kosten van vervoerskosten wordt verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>aan gehandicapte kinderen van 5 tot 12 jaar een halve
                                    tegemoetkoming in de kosten van vervoer wordt verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>aan gehandicapte kinderen van 12 tot 15 jaar een tegemoetkoming
                                    wordt verstrekt ter hoogte van 3/4 deel van het forfaitaire
                                    bedrag;</al></li><li nr="-"><al>aan gehandicapte kinderen van 15 tot 18 jaar een volledige
                                    forfaitaire tegemoetkoming wordt verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>Ad 2</vet><vet> De woonsituatie</vet></al><al>Aanvragers die in een complex wonen waarin voorzieningen, zoals een
                            winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn
                            ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken
                            valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij,
                            verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een
                            aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen,
                            omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale
                            instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat
                            de instelling de maaltijden bereidt.</al><al>Met deze situatie wordt bij de vaststelling van de hoogte van de
                            tegemoetkoming rekening gehouden.</al><al>Voor bewoners van een intramurale instelling wordt in een aanzienlijk
                            gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag
                            voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling wordt derhalve in
                            de regel een halve tegemoetkoming in de kosten van vervoer
                            verstrekt.</al><al><vet>Ad 3 </vet><vet> Andere vervoersvoorzieningen</vet></al><al>Aan de gehandicapte die een substantiële vervoersbehoefte heeft in de
                            directe omgeving rond de woning en daarvoor een open elektrische
                            buitenwagen, driewielfiets etc. ter beschikking heeft gekregen wordt,
                            afhankelijk van handicap, situatie en behoefte van de gehandicapte, een
                            aanvullende tegemoetkoming in de kosten van vervoer verstrekt. Daarbij
                            wordt rekening gehouden met de combinatie van voorzieningen. In het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen is dat
                            uitgewerkt en toegelicht.</al><al><vet>ad 4 </vet><vet> Extreem hoge vervoersbehoefte</vet></al><al>Ten behoeve van het gebruik van eigen auto of taxi is een bepaald bedrag
                            vastgesteld. Het kan voorkomen dat de gehandicapte aangeeft dat er
                            sprake isvan een extreem verplaatsingspatroon. Het is niet zo dat
                            de vervoerskostenvergoeding voldoende moet zijn om al het vervoer dat de
                            gehandicapte wenst, te betalen.</al><al> Op zich is niet iedere wens om ondanks de hiermee gepaard gaande hoge
                            kosten zeer frequent familie en vrienden te bezoeken een reden een
                            hogere tegemoetkoming of zelfs een andere voorziening te treffen. De
                            gehandicapte dient deze vervoersbehoefte te bewijzen, bijvoorbeeld zijn
                            familie is niet in staat hem/haar te bezoeken.</al><al><vet>Ad. 5 </vet><vet> Als verplaatsingen van cliënt onduidelijk
                                zijn</vet></al><al>Als de verplaatsingen onduidelijk zijn zal een vervoersvoorziening op
                            declaratiebasis worden toegekend. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Begeleidingskosten</titel></kop><structuurtekst><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de extra
                            kosten die een noodzakelijke begeleider van de gehandicapte moet maken,
                            naast het gebruik van kosteloos vervoer.</al><al>Een tegemoetkoming kan bijvoorbeeld verstrekt worden indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard en de ernst van de aandoening zodanig is dat adequaat
                                    gebruik van het openbaar vervoer slechts mogelijk is wanneer de
                                    betrokkene wordt begeleid en;</al></li><li nr="-"><al>de begeleider voor het ophalen en wegbrengen van de gehandicapte
                                    slechts één reis alleen en</al></li><li nr="-"><al>derhalve voor eigen kosten moet afleggen en begeleiding aanwezig
                                    is.</al></li></lijst><al>De gemeente heeft in het kader van de Wmo geen compensatieplicht om
                            daadwerkelijk in de begeleiding te voorzien. Het regelen van een
                            begeleider dient door de betrokkene of door zijn/haar omgeving te
                            geschieden.</al><al>Voor het bestaande openbaar vervoer is een zogenaamde begeleiderkaart
                            beschikbaar. Een gehandicapte die over een begeleiderkaart beschikt kan
                            in het openbaar vervoer, terwijl hij zelf wel betaalt, gratis een
                            begeleider meenemen. Er blijft dan nog een probleem bestaan voor
                            gehandicapten die begeleiding nodig hebben, wanneer zij weggebracht of
                            opgehaald moeten worden. De begeleider zal dan steeds één reis alleen en
                            derhalve als betalend passagier af moeten leggen. In deze situaties
                            kunnen begeleidingskosten verstrekt worden.</al><al><vet><onderstreept>Vaststelling inkomen</onderstreept></vet></al><al>In artikel 25 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Cromstrijen wordt aangegeven dat er voor de financiële tegemoetkomingen
                            voor vervoer een inkomensgrens is. In het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Cromstrijen wordt dat nader ingevuld. Dit
                            betekent dat bij een aanvraag moet worden vastgesteld of de
                            belanghebbende een inkomen onder of boven de inkomensgrens heeft. In
                            artikel 8 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Cromstrijen wordt aangegeven wat onder inkomen verstaan wordt.</al><al>Voor de vaststelling van dat inkomen wordt de volgende werkwijze
                            gehanteerd:</al><al>-de aanvrager overlegt bij de aanvraag gegevens over zijn inkomen door
                            een kopie van de definitieve of voorlopige aanslag van de
                            belastingdienst. Het gaat daarbij om de meest recente aanslag. In de
                            praktijk betekent dit dat in de eerste maanden van een kalenderjaar
                            (bijvoorbeeld 2011) het zal gaan om de aanslag van het voorvorige jaar
                            (in het voorbeeld de aanslag over het jaar 2009). Na deze periode zal in
                            veel gevallen de aanslag van het vorige jaar al bekend zijn.</al><al>Indien belanghebbende een fiscale partner heeft (zie artikel 8 van het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen) dient ook
                            de aanslag van de fiscale partner overgelegd te worden.</al><lijst><li nr="-"><al>voor zover de belanghebbende (en/of de echtgenoot) geen aangifte
                                    heeft gedaan dient een zogenaamd IB-60 verklaring van de
                                    belastingsdienst overgelegd te worden. Een IB-60 verklaring kan
                                    via de belastingtelefoon bij de belastingdienst aangevraagd
                                    worden.</al></li><li nr="-"><al>op basis van de gegevens uit de aanslag (aanslagen) en/of IB-60
                                    verklaring (verklaringen) wordt overeenkomstig artikel 8 lid 1
                                    en lid 2 het netto-inkomen vastgesteld.</al></li></lijst><al>Indien het huidig inkomen, door wijziging van omstandigheden, afwijkt
                            van het inkomen in voorgaande jaren, wordt het inkomen vastgesteld op
                            basis van andere bewijsstukken (bankafschriften, salarisspecificaties
                            e.d.) al dan niet in combinatie met gegevens uit belastingaanslag(en)
                            en/of IB-60 verkla(a)ring(en).</al><al><vet>Aanvulling op standaard Persoonsgebonden budget, verantwoording
                                aanvulling op standaard Persoonsgebonden budget en (aanvullende)
                                voorziening op declaratiebasis.</vet></al><al>Bij voorzieningen voor gebruik taxi, rolstoeltaxi en begeleidingskosten
                            wordt in de regel een standaard Persoonsgebonden budget verstrekt
                            (tenzij er redenen zijn om de voorzieningen op declaratiebasis te
                            verstrekken). Op het standaard Persoonsgebonden budget kan een
                            aanvulling gevraagd worden. Daarbij dient:</al><lijst><li nr="-"><al>een verantwoording afgelegd te worden over de besteding van het
                                    standaard Persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="-"><al>de gevraagde aanvulling op het standaard Persoonsgebonden budget
                                    onderbouwd te worden.</al></li></lijst><al>De aanvulling op het standaard Persoonsgebonden budget wordt overigens
                            op declaratiebasis verstrekt en dient dus steeds verantwoord te
                            worden.</al><al>Op welke wijze kan de aanwending van een standaard Persoonsgebonden
                            budget, een aanvulling op het standaard Persoonsgebonden budget en een
                            voorziening op declaratiebasis worden verantwoord? Dat kan op de
                            volgende manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>bewijsstukken in de vorm van taxibonnen;</al></li><li nr="-"><al>afgetekende bonnen of verklaringen in het kader van
                                    vrijwilligersvervoersprojecten in de Hoeksche Waard.</al></li></lijst><al>Bij de verantwoording door de belanghebbende dienen voorts ook het
                            vertrekadres en bestemmingsadres aangegeven te worden.</al><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening (standaard Persoonsgebonden
                            budget en eventuele aanvulling) wordt ten aanzien van de vervoerbehoefte
                            voor de maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met
                            verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het
                            leven van alle dag (zie paragraaf 5.2. subparagraaf Vaststelling directe
                            woon- en leefomgeving).</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5.5. Bruikleenauto.</titel></kop><structuurtekst><al>Aan gehandicapten die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer
                            en waarvoor geen andere goedkoopst-adequate oplossing getroffen kan
                            worden, kan de beschikking gegeven worden over een bruikleenauto.
                            Hiertoe is een inkomensgrens gesteld die vermeld is in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen. Een bruikleenauto
                            kan in de regel verstrekt worden aan gehandicapten die voor hun
                            verplaatsingsprobleem beslist op een auto zijn aangewezen. Dit wordt
                            bepaald na individuele beoordeling van de aanvraag. </al><al> De gemeente stelt alsdan een type bruikleenauto ter beschikking,
                            waarvan de aanschafwaarde het referentiebedrag niet overstijgt. De prijs
                            van een zogenaamde referentieauto is vermeld in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen. De bruikleenauto
                            zal in het gemeentelijk beleid maatschappelijke ondersteuning het
                            sluitstuk van de te verstrekken voorzieningen vormen. In vrijwel alle
                            gevallen zal het verstrekken van een bruikleenauto de duurste oplossing
                            zijn en deze optie kan dus alleen aan de orde komen als er geen andere
                            adequate oplossingen te bieden zijn. Anders gezegd: indien andere
                            vervoersvoorzieningen niet adequaat zouden blijken te zijn, komt de
                            bruikleenauto in beeld als mogelijke verstrekking.</al><al>De bruikleenauto is een vervoersmogelijkheid voor zowel de korte als de
                            lange afstand. Indien er zowel voor de korte als voor de lange afstand
                            een voorziening dient te worden getroffen, zal de afweging gemaakt
                            moeten worden of de bruikleenauto goedkoper is dan een combinatie van
                            twee of meer adequate voorzieningen (bijvoorbeeld taxikostenvergoeding
                            plus een vervoermiddel voor de korte afstand).</al><al> Een gehandicapte kan zijn aangewezen op een auto omdat hij/zij:</al><lijst><li nr="-"><al>niet in een taxi kan plaatsnemen;</al></li><li nr="-"><al>door een taxichauffeur, in redelijkheid, kan worden geweigerd
                                    (bijvoorbeeld wegens het risico van bevuiling of een onaangename
                                    lucht);</al></li><li nr="-"><al>op grond van medische beperkingen voor vrijwel iedere
                                    verplaatsing buitenshuis op een auto/taxi is aangewezen (zeer
                                    beperkte mobiliteit) zodat taxivervoer -praktisch gezien - niet
                                    als een adequate voorziening kan worden beschouwd;</al></li><li nr="-"><al>zodanig excentrisch woont dat taxivervoer duur is en niet
                                    voldoet aan de reële vervoersbehoefte van belanghebbende omdat
                                    bijvoorbeeld het beschikbare jaarbedrag slechts voor een beperkt
                                    aantal ritten per taxi toereikend is.</al></li></lijst><al>Wanneer de belanghebbende voor zijn verplaatsingsprobleem beslist op een
                            auto is aangewezen, kan een auto in bruikleen worden verstrekt mits
                            voldaan is aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>het inkomen niet hoger is dan 1,5 x norminkomen;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende (eventueel een huisgenoot) moet in het bezit zijn
                                    van een rijbewijs, dan wel in staat zijn dit te kunnen
                                    behalen.</al></li></lijst><al>De gemeente bepaalt merk, type, uitrusting en eventuele
                            aanpassingen.</al><al><vet>Financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een
                                bruikleenauto</vet></al><al>Een dergelijke tegemoetkoming is gekoppeld aan een verstrekking van een
                            bruikleenauto, omdat de overige kosten onder de bruikleenverstrekking
                            vallen.</al><al><vet><onderstreept>5.6. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Tegemoetkoming voor rijlessen in een aangepaste
                                    auto.</onderstreept></vet></al><al>Het hebben van een rijbewijs mag als algemeen gebruikelijk verondersteld
                            worden. Voor gehandicapten waarvan is vastgesteld dat zij zijn
                            aangewezen op een aangepaste auto<vet>, </vet>kan het gemeentebestuur de
                            meerkosten van het behalen van een aangepast rijbewijs voor het besturen
                            van een aangepaste auto vergoeden (de bepalingen onder 5.5 gelden ook
                            hierbij).</al><al><vet><onderstreept>5.7. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Gesloten buitenwagen.</onderstreept></vet></al><al>Een gesloten buitenwagen is een specifiek invalidenvoertuig. </al><al>De gesloten buitenwagen wordt verstrekt in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>er is geen (voor de gehandicapte) bruikbaar collectief
                                    vervoersysteem aanwezig;</al></li><li nr="-"><al>de gehandicapte woont op een voor taxi's moeilijk bereikbare
                                    plaats; </al></li><li nr="-"><al>de vervoersbehoefte betreffen vooral de korte en iets langere
                                    afstanden, met een invalidenwagen te bereiken;</al></li><li nr="-"><al>uitsluitend indien als gevolg van ernstige hart-/longproblemen
                                    niet de mogelijkheid bestaat van een open buitenwagen gebruik te
                                    maken.</al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders kunnen de kosten van gebruik van een
                            elektrisch aangedreven invalidenvoertuig vergoeden.</al><al><vet><onderstreept>5.8. </onderstreept></vet><vet><onderstreept> Open
                                    elektrische buitenwagen. (scootmobiel)</onderstreept></vet></al><al>De open buitenwagen is bedoeld voor mensen die matig tot slecht kunnen
                            lopen en staan. Deze vervoersvoorziening kan worden verstrekt aan
                            gehandicapten die belemmeringen ondervinden bij het bereiken van
                            bestemming op korte afstand rond de woning. Dat kan het geval zijn als
                            de gehandicapte in een straal van ongeveer 1 tot 1,5 kilometer rond de
                            woning met een open elektrische buitenwagen zelf boodschappen kan doen,
                            familie kan bezoeken et cetera. De gemeente kan in de beleidsregels
                            maatschappelijke ondersteuning over verstrekking en eventuele
                            tegemoetkoming in de kosten van het gebruik bijvoorbeeld vastleggen dat
                            burgemeester en wethouders een open elektrische buitenwagen kunnen
                            verstrekken indien er een substantiële vervoersbehoefte is in de directe
                            omgeving van de woning.</al><al><vet>Afstelling snelheid</vet></al><al>Aan de snelheid van de open elektrische buitenwagen (scootmobiel) wordt
                            een begrenzing gesteld. De maximale snelheid bedraagt 12 km/per uur.
                            Deze snelheid kan verder begrensd worden afhankelijk van het type
                            buitenwagen en de vaardigheden van de gebruiker. De begrenzing wordt
                            ingesteld gelet op de veiligheid voor de gebruiker en overige
                            verkeersdeelnemers en de bescherming van de buitenwagen tegen
                            beschadigingen, voor het behoud van de duurzaamheid en het beperken van
                            het onderhoud.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1. Criteria voor het toekennen van een open elektrische wagen
                            (scootmobiel)</titel></kop><structuurtekst><al>Behalve een substantiële vervoersbehoefte dient ten minste ook aan de
                            twee volgende criteria voldaan te worden:</al><al>a.zelfstandigheid.</al><al>Dat wil zeggen dat de persoon waaraan een open elektrische buitenwagen
                            (scootmobiel) wordt toegekend zelfstandig om moet kunnen gaan met
                            zijn/haar buitenwagen (scootmobiel). Is dat niet het geval dan wordt
                            geen open elektrische buitenwagen (scootmobiel) verstrekt. Dit criterium
                            kan beoordeeld worden door de medisch adviseur, quick trial training of
                            de consulent.</al><al>b gemiddeld gebruik van minimaal 1 x per week.</al><al>Een scootmobiel biedt de cliënt de mogelijkheid om mee te blijven doen
                            aan het leven van alle dag, waaronder het behoud van sociale netwerken.
                            Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat de scootmobiel
                            gemiddeld minimaal 1 x per week gebruikt wordt.</al><al><vet>Tijdelijke toekenning van een open elektrische buitenwagen
                                (scootmobiel)</vet></al><al>Open elektrische buitenwagens (scootmobiel) worden niet voor onbeperkte
                            tijd maar voor een tijdelijke periode verstrekt, bijvoorbeeld voor een
                            jaar. Een verlenging is mogelijk, maar van belang is om voor het einde
                            van de periode vast te stellen of de scootmobiel nog noodzakelijk is.
                            Daarbij spelen de onder 1 genoemde criteria een rol. De betrokken
                            gebruiker dient middels een verklaring de noodzaak aangeven. Tevens
                            vermeldt hij/zij op welke wijze van de open elektrische buitenwagen
                            gebruik gemaakt is en gaat worden. Op basis van deze verklaring kan de
                            toekenning voor de open elektrische buitenwagen (scootmobiel) verlengd
                            worden. Of kan de buitenwagen ingenomen worden. Of kan een nader
                            onderzoek plaatsvinden alvorens een besluit omtrent de toekenning te
                            nemen.</al><al><vet>Heronderzoek</vet></al><al>Het opnieuw beoordelen van de noodzaak van een open elektrische
                            buitenwagen (scootmobiel) kan op drie manieren: via huisbezoek, door het
                            telefonisch inwinnen van de noodzakelijke informatie of middels het
                            periodiek onderhoud van het hulpmiddel door de leverancier.</al><al>Heronderzoek kan steekproefsgewijs worden uitgevoerd of als de eigen
                            verklaring of andere informatie daartoe aanleiding geeft. Mocht uit het
                            heronderzoek blijken dat de noodzaak voor een open elektrische
                            buitenwagen (scootmobiel) is vervallen of de betrokken persoon niet meer
                            aan criteria voldoet, dan kan de open elektrische buitenwagen
                            (scootmobiel) ook gedurende de periode, waarvoor de toekenning is
                            verleend, worden ingenomen.</al><al><vet><onderstreept>5.9. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    (Gebruik van) overige
                                verplaatsingsmiddelen.</onderstreept></vet></al><al>Overige verplaatsingsmiddelen, zoals driewielfietsen, loopfietsen,
                            handbikes (fietsdeel gekoppeld aan een rolstoel) etc. kunnen verstrekt
                            worden als met deze vervoersvoorzieningen een substantieel deel van de
                            bestemmingen in het kader van het leven van alledag bereikt kunnen
                            worden. Vervoersvoorzieningen die louter een functie vervullen als
                            hulpmiddel voor het bereiken van recreatieve bestemmingen, voor
                            ontspanning, recreatie en ontwikkeling, worden niet in het kader van de
                            Wmo verstrekt. Gemeenten die meerkosten van deze voorzieningen
                            verstrekken, trekken de kosten van een 'standaardfiets' af van de
                            tegemoetkoming voor een handbike, loopfiets of driewieler. In het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen wordt
                            aangegeven welk bedrag wordt afgetrokken.</al><al><vet><onderstreept>5.10. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Aanpassing van de eigen
                            auto/bruikleenauto.</onderstreept></vet></al><al>Autoaanpassingen zijn erop gericht het gebruik van een auto mogelijk te
                            maken voor die gehandicapten die op de auto zijn aangewezen voor het
                            vervoer buitenshuis. Is men op een auto aangewezen ( zie hiervoor het
                            gestelde onder 5.5) en kan men de auto alleen gebruiken indien de auto
                            is aangepast, dan worden de kosten vergoed, ongeacht het inkomen van de
                            aanvrager. Autoaanpassingen zijn immers niet algemeen gebruikelijk. Een
                            inkomensgrens wordt daarom niet gesteld. Wanneer het gemeentebestuur
                            oordeelt dat een gehandicapte meteen inkomen onder de
                            inkomensgrens in aanmerking komt voor de verstrekking van een
                            autoaanpassing, komen zij doorgaans ook in aanmerking voor een
                            financiële tegemoetkoming of een Persoonsgebonden budget in de kosten
                            van het gebruik van een auto. Zie ook bijlage 4: auto-faciliteiten. Niet
                            alle faciliteiten komen voor een vergoeding in aanmerking.</al><al><vet><onderstreept>5.11. </onderstreept></vet><vet><onderstreept> De
                                    speciale autostoel.</onderstreept></vet></al><al>In verband met de lange gebruiksduur wordt er een apart beleid ten
                            aanzien van de autostoel gevoerd.</al><al>De speciale autostoel kan namelijk met verwisseling van het frame
                            gemakkelijk van de ene auto in de andere auto overgezet worden.
                            Verstelbare lendesteunen en de in hoogte verstelbare stoel vallen onder
                            de autofaciliteiten. Is de als faciliteit verkrijgbare
                            verstelmogelijkheid niet voldoende dan kan verdergaande c.q. afwijkende
                            aanpassing plaatsvinden, bijvoorbeeld met behulp van losse lendenkussen
                            of door middel van vervanging van de aanwezige stoel door een speciale
                            autostoel. Met betrekking tot de autostoel geldt het navolgende
                            beleid:</al><al>Een tegemoetkoming in de kosten van het aanpassen c.q. het vervangen van
                            de autostoel is eerst aan de orde als zich bij relatief korte afstanden
                            (75 a 100 km) of een relatief korte rijtijd (circa 1 uur) ernstige
                            rugklachten voordoen, die een adequate zithouding noodzakelijk
                            maken.</al><al>Geen tegemoetkoming wordt verleend indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanpassing slechts een preventief karakter draagt;</al></li><li nr="-"><al>de standaardstoel niet aan redelijke normen voldoet.</al></li></lijst><al>Of bij de aanschaf van een andere auto een nieuwe stoel moet worden
                            verstrekt, dan wel de "oude" stoel overgezet kan worden zal per geval
                            beoordeeld moeten worden.</al><al>Ook hier geldt dat men op een auto aangewezen dient te zijn ( zie
                            hiervoor het gestelde onder 5.5).</al><al><vet><onderstreept>5.12. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Parkeerfaciliteiten.</onderstreept></vet></al><al>Wanneer men door zijn handicap genoodzaakt is gebruik te maken van een
                            gereserveerde parkeerplaats of een parkeerontheffing, ligt het in de
                            rede dit tot de compensatieplicht van de gemeente te rekenen. Dit als de
                            auto een onderdeel uitmaakt van een voorziening die als de goedkoopst
                            adequate te kenschetsen valt. Daarbij zijn de gebruikelijke afwegingen
                            ten aanzien van mogelijke alternatieven gemaakt.</al><al>Indien er bij de keuze voor het gebruik van de auto sprake is van een
                            eigen keuze, terwijl alternatieven aanwezig zijn, wordt geen
                            tegemoetkoming verstrekt. De financiële tegemoetkoming heeft betrekking
                            op de kosten van een door de gemeente aan te leggen gereserveerde
                            parkeerplaats. Met betrekking tot de huur van een individuele
                            gereserveerde parkeerplaats wordt de volgende beleidslijn
                            getrokken:</al><lijst><li nr="-"><al>wanneer ook de valide noodzakelijkerwijs kosten moet maken om te
                                    kunnen parkeren (bij bepaalde flatcomplexen moet bijvoorbeeld
                                    iedere bewoner die een auto heeft parkeerkosten betalen) er geen
                                    uitzondering wordt gemaakt voor de gehandicapte. Er wordt geen
                                    tegemoetkoming verleend.</al></li><li nr="-"><al>Voor de huurkosten van een gereserveerde parkeerplaats die de
                                    valide niet hoeft te maken en de gehandicapte wel, kan echter
                                    een tegemoetkoming worden verleend. Bijvoorbeeld in de situatie
                                    dat de valide gebruik kan maken van vrije parkeerplaatsen
                                    terwijl deze door de gehandicapte vanwege zijn handicap niet
                                    goed zijn te bereiken. </al></li></lijst><al>De kosten van een medisch onderzoek voor een landelijke of gemeentelijke
                            parkeerontheffing komen voor rekening van aanvrager. </al><al>5.13.Autoverzekering/belasting en verzekering andere mogelijke
                            hulpmiddelen.</al><al>Een financiële tegemoetkoming of een Persoonsgebonden budget zal kunnen
                            worden verleend ten aanzien van de extra kosten van de verzekering als
                            gevolg van de autoaanpassing en ten aanzien van de extra
                            motorrijtuigenbelasting doordat als gevolg van een autoaanpassing de
                            auto in een hogere klasse valt.</al><al>De extra kosten kunnen worden bepaald in vergelijking met de kosten bij
                            de referentieauto.</al><al>5.14.Auto's in bijzondere uitvoering.</al><al>Een aangepaste auto in bijzondere uitvoering, bijvoorbeeld een bus,
                            waarin de gehandicapte in een rolstoel gezeten zelf kan rijden, zal in
                            het kader van de Wmo nimmer verstrekt worden bij de afweging van
                            verschillende pakketten die een alternatieve oplossing bieden, gezien de
                            enorme kosten.</al><al>Anders ligt het met een specifiek aangepast busje. Zeker bij kinderen
                            met bijvoorbeeld een spierziekte, die aangewezen zijn op een elektrische
                            rolstoel, is een dergelijk busje veelal de enige mogelijkheid om de
                            kinderen te verplaatsen. Afgewogen moet worden of gebruik van een
                            rolstoeltaxi een voldoende adequate oplossing biedt. Hetzelfde geldt
                            voor een collectief systeem. Zijn die oplossingen adequaat, dan kan het
                            gemeentebestuur besluiten geen busje te verstrekken.</al><al>Het verstrekken van een aangepaste bus zou boven de inkomensgrens plaats
                            kunnen vinden in zoverre een dergelijke bus een normaal gebruikelijke
                            auto (vergelijk de zogenaamde referentieauto) in kosten te boven gaat.
                            Het moet hier dan gaan om een bus die noodzakelijk is omdat een
                            collectief systeem of een rolstoeltaxi niet bruikbaar zijn. Overigens
                            kan het bij een auto in bijzondere uitvoering om meer bijzondere kosten
                            gaan dan alleen de aanschafkosten (bijvoorbeeld extra wegenbelasting,
                            verzekering, bijzondere verbruiksbelasting, etc.). Een aangepaste bus
                            wordt veelal als casco gekocht en daarna door speciaal ingerichte
                            bedrijven omgebouwd.</al><al>Het gemeentelijk beleid is als volgt:</al><al>-zodra vaststaat, dat een rolstoelgebruiker de overstap van rolstoel
                            naar duopassagierstoel niet meer (verantwoord) kan maken, kan een
                            tegemoetkoming worden verleend in de kosten van het geschikt maken van
                            een bestelauto of -busje ten behoeve van vervoer achterin.</al><al>Boven de inkomensgrens heeft de tegemoetkoming betrekking op de kosten
                            van de auto in bijzondere uitvoering die een normaal gebruikelijke auto
                            te boven gaan. Op de kosten wordt dus de catalogusprijs van een auto die
                            in bruikleensituatie beschikbaar is in mindering gebracht (bedrag
                            referentie-auto);</al><lijst><li nr="-"><al>alle daartoe benodigde aanpassingen worden tot de specifieke
                                    autoaanpassingen gerekend;</al></li><li nr="-"><al>bij de tegemoetkoming wordt uitgegaan van de goedkoopste
                                    adequate oplossing.</al></li><li nr="-"><al>kiest de belanghebbende een duurdere uitvoering dan worden de
                                    meerkosten daarvan niet vergoed.</al></li><li nr="-"><al>de tegemoetkoming voor auto's in bijzondere uitvoeringen wordt
                                    eenmaal in de zeven jaar toegekend. De tegemoetkoming voor niet
                                    meer nieuwe auto's wordt bepaald naar gelang de op zeven jaar te
                                    stellen afschrijving. Bij tussentijdse hernieuwde aanvraag wordt
                                    naar rato van de verstreken tijd tegemoetkoming verleend. Op de
                                    tegemoetkoming wordt dan een mindering toegepast gebaseerd op de
                                    eerdere tegemoetkoming voor hetzelfde type bijzondere uitvoering
                                    van de auto.</al></li></lijst><al>De korting naar rato van de inmiddels verstreken tijd wordt niet
                            toegepast als de hernieuwde aanvraag binnen de termijn van zeven jaar
                            een gevolg is van een calamiteit.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel.</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>6.1. Verplaatsen in en rond de
                                woning.</onderstreept></vet></al><al>Artikel 4 lid 1 Wmo, aanhef en onder b luidt:</al><al>“1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in
                            artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in
                            zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het
                            college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van
                            maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>(………)</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="c."><al>(………)”</al></li></lijst><al>Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen
                            plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een
                            trippelstoel, of met een rolstoel.</al><al>Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel, net als in de Wvg
                            eerder het geval, onder de Wmo. De andere voorzieningen vallen onder
                            andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 3 Wmo
                            uitgesloten.</al><al>Er is van af gezien – net als in de Wvg – om een begripsomschrijving van
                            een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet
                            gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te
                            formuleren. Daarom blijft staan als eerder onder de Wvg: onder rolstoel
                            dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse
                            taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter
                            verplaatsing in en om de woning, soms ook in de directe woon- en
                            leefomgeving, waarbij het gaat om 4 wielen, soms alle vier even groot
                            (een transportrolstoel), soms 2 grote wielen achter en 2 kleine wielen
                            voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan
                            worden aangedreven. Een rolstoel kan inderdaad met de hand worden
                            aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een
                            rolstoel aangebracht kunnen worden om het rijden met de rolstoel te
                            ondersteunen, lichter te maken.</al><al>Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor
                            verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen.</al><al><vet><onderstreept>6.2. Vormen van
                                rolstoelvoorzieningen</onderstreept></vet></al><al>Artikel 27 van de Verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om
                            rolstoelen te verstrekken:</al><lijst><li nr="-"><al>een algemene rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="-"><al>een Persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>een Persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst><al><vet>De algemene rolstoelvoorziening</vet></al><al>De algemene rolstoelvoorziening is met de invoering van de Wmo een
                            nieuwe vorm van verstrekken. Deze vorm van verstrekken biedt
                            mogelijkheden voor die aanvragers die een rolstoel niet dagelijks maar
                            incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan aanvragers die in en om de
                            woning geen hulpmiddelen nodig hebben of met andere loophulpmiddelen
                            zich kunnen verplaatsen, terwijl uitsluitend tijdens een dagje uit, of
                            een middagje winkelen de afstanden die afgelegd te groot worden zodat
                            een rolstoel noodzakelijk is. Dergelijke rolstoelen worden vaak
                            opgeklapt achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij
                            bovenomschreven activiteiten. </al><al> Aangezien de eis voor het in aanmerking komen voor een
                            rolstoelvoorziening in natura of als Persoonsgebonden budget is dat
                            “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is en
                            deze aanvragers daaraan niet voldoen, kan de algemene
                            rolstoelvoorziening een hulpmiddel zijn. Bij een algemene
                            rolstoelvoorziening is het voor diegenen die daartoe het recht hebben
                            een rolstoel voor één of meer dagen te lenen om de gewenste activiteiten
                            mee uit te kunnen voeren. Indien aanvragers liever zelf een dergelijke
                            rolstoel voor incidenteel gebruik hebben kunnen zij gewezen worden op de
                            uitgebreide tweedehandsmarkt rond deze rolstoelen en ook op de
                            mogelijkheid individueel een dergelijke rolstoel aan te schaffen.</al><al>Ook deze algemene voorziening kent een simpele “toegangstoets”, weinig
                            bureaucratie en geen eigen bijdrage. Op eenvoudige wijze kan vastgesteld
                            worden of de wens van een dergelijke rolstoel gebruik te mogen maken
                            geen contra-indicaties kent. In geval van twijfel kan altijd een normale
                            aanvraagprocedure inclusief een medisch advies worden gevolgd. Dit kan
                            ook als de aanvrager dit wenst, omdat een eigen rolstoel noodzakelijk
                            geacht wordt. In de gemeente Cromstrijen is een rolstoelpool in De
                            buitensluis en in het Zorgloket.</al><al><vet>Rolstoel in natura en Persoonsgebonden budget</vet></al><al>De algemene rolstoelvoorziening zal een deel van de groep adequaat
                            kunnen bedienen. Voor hen die (veel) vaker, met name dagelijks, een
                            rolstoel nodig hebben voor verplaatsing in en rond de woning kan op
                            basis van het gestelde in artikel 28, lid 2 van de Verordening een
                            rolstoel toegekend worden. Dit kan ingevolge artikel 27 van de
                            Verordening, aanhef en onder b en c als voorziening in natura en als
                            Persoonsgebonden budget. Via onderzoek zal bepaald worden of er een
                            indicatie is voor een rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de
                            wens van de aanvrager bepalend en zal een Persoonsgebonden budget
                            uitsluitend geweigerd worden als daarvan sprake is op basis van artikel
                            3 van de Verordening en artikel 1.2 van het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Cromstrijen.</al><al>Rolstoelen in natura worden in bruikleen verstrekt, om het hergebruik
                            van deze voorzieningen zoveel mogelijk te bevorderen. De verstrekking
                            geschiedt, indien mogelijk, door middel van een reeds eerder gebruikte
                            rolstoel uit het depot van de leverancier, dan wel het eigen depot.</al><al>Een Persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld gelijk
                            aan de huurprijs inclusief de kosten van onderhoud en reparatie. Dit
                            bedrag wordt per kalenderjaar vastgesteld. Bij de bepaling van het
                            Persoonsgebonden budget wordt mede uitgegaan van de tegenwaarde van de
                            in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                            voorziening in natura. </al><al>Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen. Voor een
                            sportrolstoel komt men ingevolge artikel 28, lid 3 van de Verordening in
                            aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door
                            aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Dit om het ook
                            mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan
                            sport te kunnen doen. Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten
                            is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon
                            bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal vragen.
                            Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De aanvraag
                            voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen
                            worden. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is van
                            een gehandicaptensportvereniging, hoewel dat lid zijn ook niet alles
                            zegt.</al><al> Er moet op gewezen worden dat bij veel gehandicaptensportverenigingen
                            de mogelijkheid geschapen wordt een sportrolstoel te lenen om uit te
                            proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand
                            past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel
                            uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt.</al><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend als Persoonsgebonden budget
                            verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een
                            sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud. Dit bedrag wordt eens
                            per 3 jaar verstrekt. Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak
                            hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet
                            voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk
                            maken.</al><al>De enige sportvoorziening die wordt verstrekt is de sportrolstoel. Net
                            als in de Wvg is gekozen tot deze beperking. Bij de Wvg is de
                            sportrolstoel als uitzondering vanuit de AAW meegenomen. Dit gebeurt nu
                            weer vanuit de Wvg naar de Wmo. Volgens vaste jurisprudentie van de
                            Centrale Raad van Beroep in de Wvg is dat terecht. Nu bij invoering van
                            de Wmo geen extra geld beschikbaar is gekomen om ruimer
                            sportvoorzieningen te verstrekken is deze regel vanuit de Wvg in de Wmo
                            aangehouden.</al><al><vet>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners</vet></al><al>Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge artikel 5 van de Wet
                            toelating zorginstellingen is erkend komen, ingevolge artikel 29 van de
                            Verordening, slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit
                            de AWBZ geen rolstoel krijgen. Hiervan zal sprake zijn als artikel 15
                            van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van toepassing is. </al><al>Artikel 15 Besluit zorgaanspraken AWBZ luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling,
                                    omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14, tevens:</al></li><li nr="a."><al>geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde
                                    paramedische zorg;</al></li></lijst><al>b.farmaceutische zorg;</al><al>c.hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven
                            zorg;</al><al>d.tandheelkundige zorg;</al><al>e.kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de
                            instelling;</al><lijst><li nr="f."><al>het individueel gebruik van een rolstoel.</al></li><li nr="2."><al>De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het
                                    verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.”</al></li></lijst><al>De zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de functie
                            behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg. Dat betekent dat de
                            combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in dezelfde instelling,
                            het verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum
                            redenen zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een
                            ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal
                            uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo.</al><al>Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer
                            voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er
                            sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie zal moeten
                            worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer facetten van de
                            werking van artikel 15 Besluit zorgaanspraken van toepassing is.
                            Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij het
                            zorgkantoor.</al><al><vet><onderstreept>6.3. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Specifieke beleidsregels voor
                            rolstoelen.</onderstreept></vet></al><al>In deze paragraaf komen beleidsregels aan de orde voor:</al><lijst><li nr="a."><al>handbewogen rolstoelen of duwwandelwagens;</al></li><li nr="b."><al>kinderrolstoelen;</al></li><li nr="c."><al>stoelen op wielen;</al></li><li nr="d."><al>aanpassingen;</al></li><li nr="e."><al>elektrisch voortbewogen rolstoelen;</al></li><li nr="f."><al>overige kindervoorzieningen</al></li><li nr="g."><al>vervoermiddelen voor kinderen;</al></li></lijst><al>In de beleidsregels is vastgelegd op welke wijze de keuze voor de
                            goedkoopst-adequate rolstoel plaatsvindt.</al><al>De selectie van de goedkoopst-adequate rolstoel en eventuele
                            noodzakelijke aanpassingen vindt plaats op basis van de volgende
                            gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>stoornissen, beperkingen en belemmeringen;</al></li><li nr="-"><al>aandrijving en besturing;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksgebied;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksduur;</al></li><li nr="-"><al>meeneembaarheid;</al></li><li nr="-"><al>zithouding;</al></li><li nr="-"><al>antropocentrische gegevens.</al></li></lijst><al>De aanpassingen hebben betrekking op het opheffen of verminderen van
                            belemmeringen die de gehandicapte ondervindt in het gebruik van de
                            rolstoel als hulpmiddel voor het zich verplaatsen binnen en buiten de
                            woning.</al><al><vet>a.</vet><vet> Handbewogen rolstoel of duwwandelwagen, al dan niet
                                aangepast</vet></al><al>Bij het verstrekken van zo’n rolstoel gelden de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>Niet in staat een half uur achtereen te lopen voor het winkelen,
                                    boodschappen doen, e.d., in de nabije omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Normale hand- en armfunctie aanwezig. Dit criterium geldt niet
                                    voor de duwwandelwagen.</al></li><li nr="3."><al>Afwegen hoe lang de voorziening zal voldoen gezien de prognose
                                    van de handicap.</al></li><li nr="4."><al>Afhankelijk van de intensiteit van het gebruik moet de woning
                                    meer of minder rolstoelgeschikt zijn.</al><al> In beginsel wordt aan een belanghebbende één rolstoel of één
                                    scootmobiel verstrekt. </al></li></lijst><al>In uitzonderingssituaties kan maatwerk geleverd worden en kan een
                            transportrolstoel naast de rolstoel of scootmobiel verstrekt worden. In
                            zo’n situatie zal beoordeeld worden:</al><lijst><li nr="-"><al>of de eerste rolstoel ingezet kan worden voor het vervoer
                                    waarvoor de tweede rolstoel aangevraagd wordt;</al></li><li nr="-"><al>er aantoonbaar regelmatig (minimaal eenmaal per week) gebruik
                                    gemaakt dient te worden van de tweede rolstoel. Bij incidenteel
                                    gebruik zal geen tweede rolstoel verstrekt worden;</al></li><li nr="-"><al>of er mogelijkheden zijn om in redelijkheid de “tweede rolstoel”
                                    te huren of in bruikleen te nemen.</al></li></lijst><al><vet>b.</vet><vet> Kinderrolstoelen</vet></al><al> Bij de verstrekking van kinderrolstoelen gelden enkele aandachtspunten. </al><al>Kinderen die een zo beperkte arm- en/of handfunktie hebben dat zij
                            aangewezen zijn op een elektrische rolstoel, zijn in het algemeen vanaf
                            ongeveer hun vierde jaar in staat een elektrische rolstoel te bedienen.
                            Tot dat moment zijn zij aangewezen op een buggy of
                            kinderduwwandelwagen.</al><al>Bij kinderrolstoelen is het raadzaam een aantal voorzieningen standaard
                            aan te brengen: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten en
                            spaakbeschermers.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Sta/zitrolstoelen voor kinderen</titel></kop><structuurtekst><al>Vanuit therapeutisch oogpunt is het belangrijk dat kinderen niet de hele
                            dag in een rolstoel zitten, maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan
                            en zich staand kunnen voortbewegen. Hiertoe zijn rolstoelen ontwikkeld,
                            waar het zitgedeelte vervangen kan worden door een "stagedeelte". Op
                            deze manier kan een kind met één en dezelfde rolstoel zowel zich staand
                            als zittend voortbewegen. De financiering van deze rolstoelen is
                            problematisch. Het "stagedeelte" van de rolstoel is therapeutisch
                            bedoeld en komt niet voor tegemoetkoming via de Wmo in aanmerking.
                            Vanuit de AWBZ kan wel de rolstoel met stagedeelte vergoed worden, maar
                            niet het zitgedeelte.</al><al>Het is dan ook aan te bevelen in voorkomende gevallen met de betreffende
                            zorgverzekeraar contact op te nemen om te bekijken of gezamenlijke
                            financiering van een dergelijke combinatierolstoel mogelijk is.</al><al><vet>c.</vet><vet> Stoelen op wielen</vet></al><al>Een stoel op wielen valt niet binnen het gemeentelijk
                            voorzieningenbeleid. Zo´n stoel kan desgewenst wel in plaats van een
                            rolstoel verstrekt worden indien zo´n rolstoel op wielen even adequaat
                            maar goedkoper is.</al><al><vet>d.</vet><vet> Aanpassingen aan rolstoelen</vet></al><al> Om een adequate rolstoel te verstrekken kunnen aanpassingen nodig
                            zijn.</al><al><vet>1.</vet><vet> Zitorthesen</vet></al><al> Voorzover zitorthesen vergoed worden door de AWBZ vallen de
                            desbetreffende voorzieningen niet binnen het gemeentelijk beleid.</al><al>Op maat gemaakte orthesen als onderdeel van een rolstoel of
                            kinderduwwandel-wagen vallen onder het gemeentelijk
                            verstrekkingenbeleid.</al><al><vet>2.</vet><vet> Anti-decubituskussen</vet></al><al> Losse anti-decubituskussens vallen onder het gemeentelijk beleid. </al><al><vet>3.</vet><vet> Rolstoeltraining</vet></al><al>Het goed kunnen omgaan met een elektrische rolstoel vereist een zekere
                            vaardigheid die door middel van rolstoeltraining kan worden verkregen. </al><al> Rolstoelraining maakt niet automatisch onderdeel uit van de
                            rolstoelverstrekking.</al><al>Bij mensen, die voor het eerst een rolstoel nodig hebben en niet in een
                            revalidatiecentrum </al><al> zijn geweest, bestaat geen regeling.</al><al>Binnen het gemeentelijk beleid wordt voor die categorie een
                            tegemoetkoming gegeven in de kosten van rolstoeltraining tot maximaal 5
                            lessen van één uur. De tegemoetkoming heeft betrekking op de kosten van
                            de training en de gemaakte reiskosten naar en van de locatie waar de
                            training plaatsvindt.</al><al>Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel is het van
                            belang dat de gebruiker goed met de rolstoel overweg kan en zonder
                            schade toe te brengen aan de rolstoel stoepen e.d. kan nemen.</al><al> Het goed overweg kunnen met de rolstoel vergroot niet alleen de
                            zelfstandigheid en de mogelijkheden van de gebruiker; zorgvuldig omgaan
                            met de rolstoel bevordert tevens de levensduur van de rolstoel en
                            voorkomt schade en extra onderhoud. </al><al><vet>4.</vet><vet> Rolstoelaccessoires</vet></al><al>In het kader van het gemeentelijk beleid kunnen onder meer de
                            onderstaande accessoires worden toegekend:</al><lijst><li nr="1."><al>been- en voetzakken;</al></li><li nr="2."><al>spaakbeschermers;</al></li><li nr="3."><al>achteruitkijkspiegel;</al></li><li nr="4."><al>stokhouder;</al></li><li nr="5."><al>armverlengers;</al></li><li nr="6."><al>zomer- en wintercapes;</al></li><li nr="7."><al>zonneschermen. </al></li></lijst><al>Been- en voetzakken alsmede zomer- en wintercape’s zijn bestemd voor
                            mensen die als gevolg van een verminderde bloedsomloop buitenshuis
                            voortdurend koude voeten en benen hebben dan wel nog een bredere
                            bescherming behoeven en voor wie deze voorzieningen als
                                <vet>noodzakelijk</vet> gezien moeten worden voor het adequaat
                            gebruiken van de rolstoel.</al><al>Een ander voorbeeld zijn op het wiel aangesloten spaakbeschermers. Voor
                            kinderen zijn </al><al>deze spaakbeschermers van belang om te voorkomen dat zij met hun vingers
                            tussen de spaken komen. Zo kunnen een achteruitkijkspiegel en/of een
                            stokhouder in individuele gevallen een noodzakelijke accessoire
                            betekenen. Zulks geldt evenzo voor armverlengers voor begeleiders.
                            Zonneschermen aan buggies en wandelwagens worden uitsluitend vergoed,
                            indien het kind allergisch is voor zonnestralen. Dit beleid wordt
                            gecontinueerd.</al><al> Overige accessoires worden niet vergoed.</al><al><vet>5.</vet><vet> Onderhoud en reparaties</vet></al><al>Bij een rolstoelvoorziening verstrekt in natura huurt de gemeente de
                            voorzieningen, waarbij de kosten voor onderhoud en reparatie in het
                            huurcontract geregeld is en uitgevoerd wordt door de leverancier.</al><al>Het Persoonsgebonden budget bestaat uit een bedrag gelijk aan de
                            huurprijs inclusief de kosten van onderhoud en reparatie. De betrokkene
                            dient uit het Persoonsgebonden budget de kosten aan onderhoud en
                            reparatie te bekostigen.</al><al>Indien voor het onderhoud e.d. geen nadere regeling is getroffen kunnen
                            belanghebbenden de noodzakelijke kosten voor onderhoud e.d. declareren.
                            Daarbij worden de volgende regels gehanteerd:</al><lijst><li nr="1."><al>Grote reparaties worden alleen vergoed voorzover daarvoor vooraf
                                    toestemming is verleend.</al></li><li nr="2."><al>Reparaties beneden een bedrag van € 50,00 kunnen na overlegging
                                    van de benodigde (betalings)bewijzen gedeclareerd worden.</al></li><li nr="3."><al>De gemeente kan eisen dat regelmatig door deskundigen de
                                    verstrekte rolstoelen aan een (grote) onderhoudsbeurt worden
                                    onderworpen. De kosten van de controle komen voor rekening van
                                    de gemeente.</al></li></lijst><al>In de bruikleen/huurovereenkomst, bij het verstrekken van een financiële
                            tegemoetkoming en een Persoonsgebonden budget kunnen bepalingen of
                            voorwaarden opgenomen worden omtrent regelmatig onderhoud door een
                            vakkundig bedrijf. In de hoogte van de afkoopsom en Persoonsgebonden
                            budget wordt daarmede rekening gehouden.</al><al>De keuze voor een tegemoetkoming wordt bepaald door het gevaar dat
                            anders reparatie en onderhoud achterwege blijven en daardoor de
                            gebruiksduur beperkt wordt en de veiligheid van rolstoelen geweld
                            aangedaan wordt.</al><al>Voor een afkoopsom wordt gekozen vanwege de vereenvoudiging in
                            uitvoering en beperking van uitvoeringskosten.</al><al>Met betrekking tot onderhoud en reparatie wordt het uitgangspunt
                            gehanteerd dat de gehandicapte in principe voor onderhoud en reparaties
                            naar de werkplaats van de leverancier gaat.</al><al>Voor gehandicapten die niet in staat zijn om naar de werkplaats van de
                            leverancier te komen, blijft vanzelfsprekend de mogelijkheid bestaan dat
                            de leverancier de reparatie bij de gehandicapte thuis verricht of
                            eventueel de rolstoel of het vervoermiddel mee terugneemt naar zijn
                            werkplaats.</al><al><vet>6.</vet><vet> Tegemoetkoming voor verzekering van de
                            rolstoel</vet></al><al>Rolstoelen/andere vervoermiddelen met uitzondering van sportrolstoelen
                            en rolstoelen/vervoermiddelen in eigendom bij belanghebbende worden door
                            de gemeente verzekerd. De kosten komen voor rekening van de
                            gemeente.</al><al> De keuze voor verzekering door de gemeente is ingegeven door:</al><lijst><li nr="-"><al>zekerheid van verzekering;</al></li><li nr="-"><al>beperking van de uitvoering.</al></li></lijst><al>Om de kosten voor rekening van de gemeente te nemen is het volgende in
                            overweging genomen:</al><lijst><li nr="-"><al>de kosten van verzekering vloeien logischerwijs voort uit het
                                    gebruik van een</al><al> rolstoel.</al></li><li nr="-"><al>met de verzekering worden ook de risico´s voor de gemeente
                                    afgedekt.</al></li></lijst><al><vet>e.</vet><vet> Elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd,
                                al dan niet aangepast</vet></al><al>Bij het verstrekken van zo´n rolstoel gelden de volgende criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>Zich minder dan 100 meter kunnen verplaatsen met een
                                    handrolstoel, bijvoorbeeld vanwege energetische problemen (hart,
                                    longen, e.d.) en beperkte arm- of handfunctie en/of
                                    zitbalans.</al></li><li nr="2."><al>Niet in staat gebruik te kunnen maken van
                                    scootmobiel/plateaurolstoel vanwege sterk beperkte arm- of
                                    handfunctie of te weinig zitbalans.</al></li><li nr="3."><al>Woning moet rolstoelgeschikt zijn of <onderstreept>te
                                        maken.</onderstreept></al></li><li nr="4."><al>Stallingruimte moet aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden,
                                    voorzien van 220 volt.</al></li></lijst><al><vet>f.</vet><vet> Overige kindervoorzieningen</vet></al><al><vet><onderstreept> Zitondersteuningselementen</onderstreept></vet></al><al>Voor kinderen met een beperking die niet in een gewone kinderstoel
                            kunnen zitten zijn er zogenaamde zitondersteuningselementen. Afhankelijk
                            van de beperkingen van het kind zijn er zitondersteuningselementen die
                            meer of minder ondersteuning bieden. Kinderen brengen vaak een groot
                            deel van de dag door in een dergelijk "stoeltje".</al><al>De kuipvormige voorzieningen zijn bedoeld voor kinderen die veel
                            ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Deze
                            "kuipstoeltjes" zijn geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 14 maanden.
                            Vaak is het de "eerste voorziening" voor een kind. </al><al>Zitondersteuningselementen zijn in meerdere maten verkrijgbaar. Aan het
                            zitelement kunnen diverse aanpassingen worden aangebracht, zoals
                            hoofdsteunen en schouderfixatiebeugels. In plaats van een riem is aan
                            het zitelement een vestje vastgemaakt, zodat het kind op een
                            vriendelijke manier gefixeerd kan worden. Aangezien ouders die een
                            zitondersteuningselement aanvragen geen kosten behoeven te maken voor de
                            aanschaf van een gewone kinderstoel, moeten de kosten van een gewone
                            kinderstoel in de vorm van een besparingsbijdrage betaald worden. </al><al><vet>Autozitjes en fietszitjes</vet></al><al>Voor gehandicapte kinderen zijn er speciale zitjes voor in de auto of op
                            de fiets. Voor deze zitjes worden de hierboven genoemde kuipvormige
                            zitondersteuningselementen gebruikt. In het algemeen kan het kuipje dat
                            bij een bepaald onderstel hoort echter niet als fiets- of autozitje
                            gebruikt worden. Er moet dus een apart zitje aangeschaft worden. De
                            kosten van een gewoon auto-/fietszitje dient in de vorm van een
                            besparingsbijdrage betaald te worden. </al><al><vet> Aangepaste box en aankleedtafels voor kinderen</vet></al><al>In het kader van de Wmo kunnen zowel aankleedtafels als aangepaste boxen
                            worden verstrekt voor gehandicapte kinderen en voor gehandicapte
                            verzorgers van (niet-gehandicapte) kinderen. Aangezien een box en een
                            aankleedtafel algemeen gebruikelijk zijn, dienen de kosten van een
                            gewone box en aankleedtafel (commode) in de vorm van een
                            besparingsbijdrage betaald te worden. </al><al><vet>g</vet><vet> Vervoermiddelen voor kinderen</vet></al><al><vet>Buggies</vet></al><al>Licht gehandicapte kinderen die nog niet aan een rolstoel toe zijn
                            worden vervoerd in een aangepaste buggy. Aangepaste buggies zijn breder
                            en groter dan de buggies voor niet-gehandicapte kinderen. Buggies bieden
                            relatief weinig ondersteuning en zijn dan ook bedoeld voor kinderen met
                            een redelijke spierfunctie. Aangezien deze voorziening ook voor
                            niet-gehandicapte kinderen een normaal vervoermiddel is, kan een buggy
                            als algemeen gebruikelijk aangemerkt worden. Uitsluitend de meerkosten
                            van een aangepaste buggy ten opzichte van een gewone buggy komen dan
                            voor verstrekking in aanmerking. De kosten van een gewone buggy dienen
                            in de vorm van een besparingsbijdrage betaald te worden. Het ligt
                            anders, indien de buggy nodig is voor een ouder gehandicapt kind (4 of 5
                            jaar). Een buggy voor een kind van die leeftijd is niet algemeen
                            gebruikelijk.</al><al><vet>Duwwandelwagen</vet></al><al>Voor zwaarder gehandicapte kinderen zijn er diverse soorten
                            duwwandelwagens die in meer of mindere mate ondersteuning bieden.
                            Uitsluitend de meerkosten van een duwwandelwagen ten opzichte van een
                            gewone wandelwagen/buggy komen voor verstrekking in aanmerking. </al><al>De kosten van een gewone wandelwagen/buggy dienen in de vorm van een
                            besparingsbijdrage betaald te worden.</al><al>Het ligt anders, indien de duwwandelwagen nodig is voor een ouder
                            gehandicapt kind (4 of 5 jaar). Een wandelwagen/buggy voor een kind van
                            die leeftijd is niet algemeen gebruikelijk.</al><al>Als accessoire bij duwwandelwagens en buggies kan een zonnescherm
                            geleverd worden indien het betreffende kind allergisch is voor
                            zonnestralen. </al><al><vet>Speelvoertuigen</vet></al><al>Er zijn voor jonge gehandicapte kinderen voorzieningen beschikbaar die
                            het midden houden tussen (therapeutische) speelvoorzieningen en
                            mobiliteitshulpmiddelen. Het gaat daarbij concreet om speelmobielen en
                            vliegende Hollanders, kruipwagens en kruiphulpmiddelen. Deze
                            speelvoertuigen kunnen op grond van de Wmo verstrekt worden. Voor de
                            ontwikkeling van gehandicapte kinderen zijn speelvoertuigen belangrijke
                            voorzieningen.</al><al><vet>1.</vet><vet> speelmobielen en vliegende Hollanders</vet></al><al>Speelmobielen zijn speelvoorzieningen/vervoermiddelen voor buiten. Een
                            vliegende Hollander is een specifiek speelmobiel . Deze voorzieningen op
                            drie wielen worden door de gebruiker zelf voortbewogen door middel van
                            een op en neer bewegende hendel of een "koffiemolen". Speelmobielen zijn
                            sneller en wendbaarder dan een handbewogen rolstoel. Hierdoor biedt het
                            kinderen meer mogelijkheden om met leeftijdsgenoten buiten te spelen.
                            Bovendien kunnen kinderen met een speelmobiel langere afstanden
                            afleggen. </al><al><vet>2. </vet><vet> kruipwagens en kruiphulpmiddelen</vet></al><al>Kruipwagens zijn bedoeld voor kinderen die vanwege
                            beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Liggend of zittend
                            op een kruipwagen of kruiphulpmiddel kunnen deze kinderen zich met hun
                            handen voortbewegen, als bij een handbewogen rolstoel. Dit stimuleert
                            hun ontwikkeling en biedt hen de mogelijkheid de wereld om hen heen te
                            verkennen. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het medisch advies.</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aanleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij
                            indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging
                            AWBZ was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend. Uit de
                            jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt
                            dat die medische noodzaak in de ogen van de Raad noodzakelijk is om
                            voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een medisch
                            advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, ook in de op de
                            Wvg en de AWBZ-functie HV volgende Wmo van cruciaal belang is. Daarom is
                            hierover een apart hoofdstuk opgenomen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><structuurtekst><al>In de Verordening heeft dat vorm gekregen in artikel 32, (met name in
                            lid 2):</al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                    voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene
                                    door wie een aanvraag is ingediend:</al></li><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Het college vraagt aan een medisch adviseur om advies
                                    indien:</al></li><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                    afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li><li nr="3."><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem
                                    aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te
                                    doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van
                                    de aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                    adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in
                                    de International Classification of Functions, Disabilities and
                                    Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></li><li nr="5."><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                    bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid
                                    en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                    beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met
                                    een psychosociaal probleem.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Gebruik van artikel 32 uit de Verordening</titel></kop><structuurtekst><al>Lid 1 van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te
                            bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de
                            jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent
                            de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid
                            voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit
                            onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus
                            altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische
                            noodzaak vastgesteld kan worden.</al><al>In lid 2 van dit artikel worden een aantal situaties genoemd waarin het
                            college de door haar aangewezen adviesinstantie om advies dient te
                            vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente medisch
                            advies:</al><lijst><li nr="1)"><al>Als een aanvraag om medische reden wordt afgewezen wordt de
                                    medisch adviseur om een advies gevraagd (punt a). Zonder een
                                    medisch advies zou in deze situatie het besluit onvoldoende
                                    gemotiveerd zijn. De rechter zou een dergelijk besluit
                                    vernietigen als onvoldoende gemotiveerd.</al></li><li nr="2)"><al>Tot slot kan het college altijd aanleiding zien om medisch
                                    advies te vragen. Dat zal bijvoorbeeld plaatsvinden bij een
                                    progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te
                                    objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld
                                    worden. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies
                                    gevraagd.</al></li></lijst><al>Lid 3 van dit artikel bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk zijn
                            voor het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden aan het
                            college. Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook aan
                            financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de
                            AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de
                            behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit
                            schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend
                            op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan
                            met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde
                            gegevens beschikt worden, met name indien de aanvrager aangeeft welk
                            (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie
                            aan de medische adviseur.</al><al>Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende
                            sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager.
                            Daarbij dient in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende
                            arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd
                            worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel.</al><al>Lid 4 bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in
                            de International Classification of Functions, Disabilities and
                            Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. </al><al>“De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De
                            classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de
                            gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen
                            verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een
                            zinvolle ordening geplaatst.” </al><al>Van de zeer uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met “functies” en
                            “activiteiten en participatie” van belang. Daarom zijn deze lijsten als
                            bijlage 5 en 6 toegevoegd.</al><al>De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze. Door
                            de adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de
                            aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat
                            daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en
                            dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies.
                            Een lijst van deze functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit
                            hoofdstuk.</al><al>Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn
                            voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft.
                            Indien dat wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies
                            worden aangegeven.</al><al>Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en
                            participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de
                            Wmo plaats zal moeten vinden. </al><al> Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en
                            participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de
                            ICF. De indeling van activiteiten en participatie is als bijlage 2 bij
                            dit hoofdstuk opgenomen.</al><al>Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de
                            aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate
                            van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke
                            compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire
                            van de ICF wordt gebruikt.</al><al>Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot
                            (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde
                            compensatie/voorziening.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten.</titel></kop><structuurtekst><al><vet><onderstreept>8.1. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Aanvraag.</onderstreept></vet></al><al>Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag.</al><al>Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al><al>De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt bekend verondersteld.
                            Hier wordt niet nader op ingegaan.</al><al>Aanvragen in het kader van de Wmo kunnen uitsluitend schriftelijk worden
                            ingediend, waaronder begrepen een aanvraag via het digitale loket.</al><al>Op het moment dat er sprake is van een algemene voorziening in
                            Cromstrijen dan kan daarop een uitzondering gemaakt worden. Het karakter
                            van deze algemene voorzieningen: een snelle oplossing in weinig complexe
                            en niet langdurige situaties, zonder administratieve rompslomp, dus met
                            weinig bureaucratie, geen eigen bijdragen en geen beschikkingen, is
                            zodanig dat bij algemene voorzieningen andere wijzen van aanvragen dan
                            uitsluitend schriftelijk mogelijk moet zijn.</al><al>Volstrekt helder moet wel zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>wanneer het verzoek om een algemene voorziening is gedaan;</al></li><li nr="-"><al>door wie dat verzoek is behandeld;</al></li><li nr="-"><al>welke beperkte toets is uitgevoerd;</al></li><li nr="-"><al>wat daar het effect van is;</al></li><li nr="-"><al>zodat vast ligt welke algemene voorziening van toepassing
                                    is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>en voor welke periode.</al></li></lijst><al>Dit zou vastgelegd kunnen worden in een eenvoudige rapportage van de
                            hand van degene die heeft behandeld, op maximaal één A4.</al><al>Voor zover het geen algemene voorziening betreft zal de aanvraag
                            schriftelijk plaats moeten vinden. Dit gebeurt ingevolge artikel 30 van
                            de Verordening aan de hand van een speciaal aanvraagformulier. Voordeel
                            van een dergelijk formulier is dat als het geheel ingevuld is, alle voor
                            de behandeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn.</al><al>De aanvraag dient ingediend te worden op de in artikel 31 van de
                            Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen genoemde
                            plaats, waar een loket bestaat dat tevens bedoeld is voor het indienen
                            van aanvragen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
                            Is op het terrein van de Wmo en op het terrein van de AWBZ
                            tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in één
                            keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het vereiste van de Wmo
                            dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de indicatie ten
                            aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de Wmo.</al><al>Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens
                            tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden
                            genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van 8 weken
                            beschikbaar.</al><al>Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken op een aanvraag een
                            beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn
                            betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding
                            van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan
                            worden.</al><al>8.2.Onderzoek – doelgroep.</al><al>Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de
                            aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele
                            uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten
                            in de Verordening.</al><al>In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten:</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Wmo bepaalt:</titel></kop><al>“Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover
                            met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding
                            geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van
                            een andere wettelijke bepaling bestaat.”</al><al>Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening
                            wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om
                            wettelijke bepalingen.</al><al>Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de WIA.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>van de Wmo spreekt van:</titel></kop><al> “de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                            onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en
                            zijn maatschappelijke participatie”.</al><al> Die persoon uit het eerste lid onder g, onderdeel 4°, 5° en 6° is: </al><al>4° het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij het
                            vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet
                            kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers;</al><al>5˚ het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en
                            van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                            probleem;</al><al>6˚ het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal
                            probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun
                            zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke
                            verkeer;”</al><al> Het gaat daarbij om </al><lijst><li nr="1."><al>Mantelzorgers;</al></li><li nr="2."><al>Mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en
                                    mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname
                                    aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig
                                    functioneren;</al></li><li nr="3."><al>Mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en
                                    mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van
                                    voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van het
                                    zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk
                                    verkeer.</al></li></lijst><al>Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot
                            voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking
                            kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene
                            die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard
                            op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van hulp bij
                            het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt. Als de mantelzorger
                            bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging) door
                            overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp
                            bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp
                            niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke
                            verzorging.</al><al>Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn
                            eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg
                            gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van
                            de zorgvrager.</al><al>Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een
                            beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een
                            psychosociaal probleem zal soms een medisch advies nodig zijn om vast te
                            stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te
                            objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te
                            lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de ICF, wat verder is
                            uitgewerkt in hoofdstuk 6.</al><al>In de Verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd
                            bestaande uit “beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” (art. 8
                            Verordening) of “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek”
                            (artikel 9 Verordening) , “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                            of gebrek” (artikel 14, lid 1 Verordening), “aantoonbare beperkingen op
                            grond van ziekte of gebrek” (artikel 16, lid 1 Verordening),
                            “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” (artikel 24, lid
                            1 Verordening) en “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                            gebrek” (artikel 28, de leden 1, 2 en 3 Verordening).</al><al>Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van
                            (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gaat
                            hierbij om een medisch oordeel. Ook binnen de Wmo zal, net als binnen de
                            Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen
                            van voorzieningen.</al><al>Via een medisch onderzoek zal vastgesteld moeten worden of er inderdaad
                            medische noodzaak bestaat. Op het medisch onderzoek wordt in hoofdstuk 6
                            ingegaan.</al><al>Als is vastgesteld of er medisch gezien sprake is van aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn
                            geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn speelt de vraag of er
                            algemene beperkingen zijn. Deels zal deze vraag ook eerder spelen.
                            Immers: het heeft weinig zin een uitgebreid medisch onderzoek te starten
                            als tevoren duidelijk is dat het probleem tijdelijk is en dus niet
                            voldaan kan worden aan het criterium langdurig-noodzakelijk.</al><al>Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele
                            algemene beperkingen, zoals vastgelegd in de Verordening in artikel 2.
                            Het gaat daarbij om de begrippen langdurig noodzakelijk (art. 2.1,
                            aanhef en onder a), goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder b)
                            en in overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en
                            onder c). Verder wordt in een aantal situaties geen voorziening
                            toegekend. Dit is het geval bij een algemeen gebruikelijke zaak (artikel
                            2, lid 2 aanhef en onder a), als de aanvrager niet woonachtig is binnen
                            de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en
                            onder b), voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard
                            der gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c), voor
                            zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het
                            uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
                            d), voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef en
                            onder e), voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment
                            van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder f) en tot slot voor
                            zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, lid 2
                            aanhef en onder g).</al><al>Deze punten worden als volgt uitgewerkt:</al><al><vet>Langdurig noodzakelijk (art. 2.1, aanhef en onder a)</vet></al><al>De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft te
                            maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de
                            AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende
                            drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een
                            hulpmiddel worden verleend. </al><al> Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te
                            huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig
                            noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de
                            vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een
                            probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn,
                            mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak.
                            Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de
                            levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk
                            probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan
                            uitgegaan worden van langdurige noodzaak.</al><al><vet>Goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder b)</vet></al><al>Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstrekken
                            voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn er twee of meer
                            voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste
                            voorziening. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het
                            gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de
                            gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met
                            zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de
                            consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen
                            vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs
                            naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo
                            veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een
                            individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan
                            collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt
                            worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen
                            komen.</al><al><vet>In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en
                                onder c)</vet></al><al>Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening
                            gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de
                            voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten
                            worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.</al><al><vet>Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
                                a)</vet></al><al>Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de AAW.
                            Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een
                            zaak algemeen gebruikelijk indien de volgende criteria van toepassing
                            zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld;</al></li><li nr="2."><al>de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar;</al></li><li nr="3."><al>de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke
                                    producten.</al></li></lijst><al>In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen
                            gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant
                            van de aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd.
                            Er moet dan een uitzondering worden gemaakt, waarbij het gaat om:</al><lijst><li nr="1."><al>een plotseling optredende handicap, waardoor algemeen
                                    gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden
                                    vervangen;</al></li><li nr="2."><al>de aanvrager heeft een inkomen, dat door aantoonbare kosten van
                                    de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt
                                    te komen.</al></li></lijst><al><vet>Lijst van artikelen die algemeen gebruikelijk zijn</vet></al><al>In een lijst wordt een kort overzicht gegeven welke voorzieningen in
                            principe algemeen gebruikelijk zijn. De lijst is als bijlage 7
                            bijgevoegd. Voorzieningen op de lijst zijn algemeen gebruikelijk.
                            Hiervoor wordt geen voorziening gegeven in het kader van de Wmo. De
                            lijst is niet limitatief. Bij het aanvragen van voorzieningen zal steeds
                            getoetst worden of een voorziening aan de hand van de genoemde criteria
                            algemeen gebruikelijk is. Voorzieningen die onder een andere regeling
                            (waaronder ook de bijzondere bijstand) vallen komen ook niet voor een
                            voorziening in aanmerking.</al><al><vet>De aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de aanvraag
                                wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en onder b)</vet></al><al>De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten” (art. 2,
                            lid 1). De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is het evident dat
                            het compensatiebeginsel van de gemeente alleen maar geldt ten aanzien
                            van in de gemeente woonachtige aanvragers.</al><al><vet>Voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der
                                gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c)</vet></al><al>zal ook geen voorziening worden verstrekt. Het zal hierbij vooral om
                            woonvoorzieningen gaan, waarbij te denken valt aan spaanplaat dat
                            deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het westen die veel
                            waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid binnen, enz. Iedereen,
                            ongeacht een eventuele handicap, zal met dit soort materialen dezelfde
                            problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt
                            door de combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen,
                            reden om een voorziening te weigeren.</al><al><vet>Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het
                                uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en
                                onder d)</vet></al><al>Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter
                            huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet
                            realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel
                            woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld
                            vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij
                            het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage
                            wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de
                            garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle
                            extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst:
                            uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen
                            ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.</al><al><vet>Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef
                                en onder e)</vet></al><al>wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers het
                            compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn.
                            Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te
                            hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een
                            andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd
                            moeten worden. Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties
                            waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening.</al><al><vet>Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van
                                beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder f),</vet></al><al>wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een
                            fait accompli te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan
                            uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een
                            voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een
                            afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt
                            dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad
                            gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te
                            maken. Bij een woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet
                            meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft
                            bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf toch nog
                            gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst-adequate oplossing was, een
                            afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de
                            goedkoopst-adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de
                            aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie
                            voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft
                            aangeschaft.</al><al><vet>Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2,
                                lid 2 aanhef en onder g), en daarbij sprake is van schuld</vet></al><al>zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande
                            regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch
                            komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs
                            misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een
                            scootmobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid,
                            onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort
                            problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te
                            maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een
                            dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot
                            aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden
                            ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden
                            overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.</al><al>Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening
                            verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen
                            nieuwe voorziening verstrekt te worden.</al><al>Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een
                            zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.</al><al>Als iemand een Persoonsgebonden budget heeft kan op gelijke wijze
                            gehandeld worden als in het geval bij een verstrekking in natura
                            gedurende de looptijd de voorziening verloren gaat. </al><al>Naast deze algemene beperkingen spelen ook per verstrekkingengebied
                            bijzondere beperkingen. Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken
                            besproken.</al><al>Als er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                            gebrek (met inbegrip van psychosociale problemen) en er is recht op
                            compensatie in de vorm van een voorziening in natura of een
                            Persoonsgebonden budget, kan er toekenning plaatsvinden middels een
                            positieve beschikking.</al><al><vet><onderstreept>8.3. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>
                                    Motivering van besluiten.</onderstreept></vet></al><al>Ingevolge artikel 26, lid 1 Wmo, dat luidt:</al><al>“1. De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele
                            voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan
                            het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                            maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                            probleem.”</al><al>Op basis van deze bepaling zal in de beschikking aangegeven moeten
                            worden <cursief>op </cursief>welke wijze de genomen beschikking
                            bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en
                            de normale maatschappelijke participatie van betrokkene. Gaat het om een
                            positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk zijn. Door in de
                            beschikking aan te geven welke mogelijkheden betrokkene krijgt door de
                            toegekende voorziening(en) is in feite voldaan aan deze opdracht. Enkele
                            voorbeelden:</al><al>Bij toekenning van een woonvoorziening, bijvoorbeeld een traplift, kan
                            aangegeven worden dat door deze voorziening betrokkene, die voordien
                            problemen had bij het normale gebruik van de woning, doordat de
                            verdieping niet te bereiken was, thans met de traplift weer op de
                            verdieping kan komen om de slaapkamer en de sanitaire ruimte te
                            bereiken, waarmee het probleem is gecompenseerd. Bij toekenning van een
                            scootmobiel kan aangegeven worden dat betrokkene voordien problemen had
                            bij verplaatsing in de directe woonomgeving, en daardoor problemen bij
                            het bezoeken van winkels, familie en kennissen enz. Deze problemen zijn
                            gecompenseerd middels een Persoonsgebonden budget waarmee betrokkene een
                            scootmobiel kan aanschaffen waarmee de verplaatsingen in de directe woon
                            en leefomgeving gemaakt kunnen worden.</al><al>Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                            gebrek, bestaat er om een andere reden geen medische noodzaak voor het
                            verstrekken van de aangevraagde voorziening of de aangevraagde hulp bij
                            het huishouden, ook dan zal ingevolge artikel 26 lid 1 Wmo gemotiveerd
                            moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het
                            behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                            maatschappelijke participatievan betrokkene. Dit is uiteraard
                            niet mogelijk op de wijze zoals bij een positieve beschikking is
                            aangegeven. Bij een afwijzing zal men moeten denken aan een formulering
                            waarbij aangegeven wordt dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs
                            ongewenst is, omdat betrokkene zonder de gevraagde voorzieningen ook in
                            staat is zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te behouden
                            of te bevorderen.</al><al>Enkele voorbeelden:</al><al>Een aanvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in en om de
                            woning en hulp bij het huishouden. Uit medisch onderzoek blijkt dat de
                            diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en dat er nog geen
                            behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer
                            toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen
                            behandeling plaats gaat vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en
                            voorzieningen ontstaat terwijl er dus nog behandelmogelijkheden onbenut
                            zijn. De medisch adviseur zal naar de huisarts verwijzen met het advies
                            behandelmogelijkheden te benutten. Hangende die behandelmogelijkheden
                            zal geen rolstoel noch hulp bij het huishouden worden toegekend. Mocht
                            mevrouw in behandeling gaan, bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum,
                            dan zal hooguit in overleg met de behandelaren besloten worden tot een
                            beperkte of tijdelijke inzet van een rolstoel of hulp bij het
                            huishouden, voor zover deze inzet de behandeling niet in de weg staat.
                            De motivering zal dus kunnen zijn:</al><al>Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit
                            medisch onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn.
                            Als wij u nu een rolstoel ter beschikking zouden stellen bestaat de
                            mogelijkheid dat u door gebruikmaking van de rolstoel
                            behandelmogelijkheden in de weg staat. Het doel van de Wmo is niet
                            aanvragers afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te compenseren
                            als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom zullen wij
                            u op dit moment geen rolstoel noch hulp bij het huishouden toekennen.
                            Mocht uit uw behandeling in overleg met uw behandelaars blijken dat
                            verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u opnieuw contact met ons
                            opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw behandelaars.</al><al>In de Verordening is in artikel 34 opgenomen dat men verplicht is om
                            wijzigingen in de situatie te melden: “Degene aan wie krachtens deze
                            Verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan burgemeester
                            en wethouders terstond mededeling te doen van feiten en omstandigheden,
                            waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen
                            zijn op het recht op een voorziening, de hoogte van financiële
                            tegemoetkomingen en/of het verstrekken van voorzieningen in
                            natura”.</al><al>Ondanks dat deze regel in de Verordening staat, is het van belang deze
                            voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op
                            te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent
                            wordt gemaakt. <vet>Hoofdstuk 9: Inwerkingtreding en
                            citeertitel</vet></al><al><vet>Inwerkingtreding:</vet></al><al>Deze Beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2012.</al><al><vet>Intrekking:</vet></al><al>De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Cromstrijen2006, zoals vastgesteld in de vergadering van burgemeester en
                            wethouders van 19 december 2006, alsmede de Eerste wijziging van de
                            Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen 2006,
                            zoals vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van 6
                            januari 2009, worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.</al><al><vet>Citeertitel: </vet></al><al>Deze Beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Cromstrijen 2012.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="29*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="45*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Aldus besloten in de vergadering van burgemeester en
                                                wethouders op 25 oktober 2011;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>de secretaris,</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>de voorzitter,</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlagen:</al><al>Handreiking normering hulp bij het huishouden</al><al>Protocol gebruikelijke zorg</al><al>Protocol indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging</al><al>Auto faciliteiten</al><al>ICF Functies</al><al>ICF Activiteiten en participatie</al><al>Lijst van algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><tussenkop>Bijlage 1: Handreiking normering hulp bij het huishouden.</tussenkop><tussenkop>Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven.</tussenkop><al>Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en
                    opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en
                    met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer
                    dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per
                    week boodschappen worden toegekend. Indien de afstand tot de winkels groot is,
                    kan 30 minuten extra worden toegekend. Dat betekent dat voor boodschappen de
                    marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze
                    voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra
                    gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels,
                    worden in principe niet gehonoreerd. Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen
                    kunnen gehonoreerd worden.</al><tussenkop>Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd.</tussenkop><al>Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel
                    dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig.
                    Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en
                    koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer
                    levensmiddelenvoorraad. Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de
                    warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend. Zijn er kinderen jonger dan
                    12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend. Per dag kan het dus
                    gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen
                    tussen 60 minuten en 120 minuten.</al><tussenkop>Licht poetswerk in huis, kamers opruimen.</tussenkop><al>Hieronder vallen de volgende activiteiten:</al><al>Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30
                    minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer. Opruimen, stof
                    afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de
                    grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en
                    bedraagt 15 tot 40 minuten per keer. Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie
                    (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen
                    en handen die leidt tot extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt
                    alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau
                    sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week
                    20-30 minuten.</al><al>Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</al><tussenkop>Zwaar huishoudelijk werk.</tussenkop><al>Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken,
                    bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval. Omvang bij een
                    eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90
                    minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3
                    kamers geldt de omvang van klasse 2. </al><al> In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad
                    (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een
                    gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren,
                    afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt
                    meegenomen en niet extra geïndiceerd.</al><tussenkop>Verzorging kleding/linnengoed.</tussenkop><al>Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een
                    wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen,
                    strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed. Hiervoor wordt bij 1 persoon 60
                    minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week.</al><al>Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij
                    bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige
                    transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij
                    huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden
                    toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week.</al><tussenkop>Organisatie van het huishouden.</tussenkop><al>Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen
                    huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het
                    bereiden van maaltijden. Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in
                    staat is de ouderrol op zich te nemen.Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week
                    aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp
                    bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen,
                    opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal
                    kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren
                    van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende
                    activiteiten.</al><tussenkop>Dagelijkse organisatie van het huishouden.</tussenkop><al>Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen.
                    Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden
                    geïndiceerd. Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen
                    onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere
                    problematiek bij meerdere huisgenoten.</al><tussenkop>Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische
                    stoornissen.</tussenkop><al>Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking
                    tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden,
                    helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden ouders bij
                    opvoeding (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding
                    kinderen. Omvang 30 minuten per week.</al><tussenkop>Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het
                    huishouden.</tussenkop><al>Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk,
                    instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie komen.
                    Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken.</al><al>Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 2: Protocol gebruikelijke zorg.</tussenkop><al>Uitgave van het CIZ. Afzonderlijk bijgevoegd. <vet>Bijlage 3: Protocol
                        Indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging.</vet></al><al>Uitgaven van het CIZ. Afzonderlijk bijgevoegd.<vet>Bijlage 4:
                        Auto-faciliteiten.</vet></al><al>Faciliteiten af-fabriek, aanwezig in auto’s van de prijsklasse tot en met het
                    maximale bedrag van de referentieauto als bedoeld in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Cromstrijen komen niet voor
                    tegemoetkoming in aanmerking.</al><al>Faciliteiten die functioneel noodzakelijk kunnen zijn voor het gebruik van een
                    auto door mensen met een handicap, maar die niet voor tegemoetkoming in
                    aanmerking komen:</al><lijst><li nr="-"><al>stuurbekrachtiging;</al></li><li nr="-"><al>automatische transmissie;</al></li><li nr="-"><al>hoofdsteunen;</al></li><li nr="-"><al>lendensteunen voorstoel (verstelbaar);</al></li><li nr="-"><al>kunststoffen bekleding;</al></li><li nr="-"><al>buitenspiegel van binnenuit verstelbaar;</al></li><li nr="-"><al>elektrisch bedienbare portierruiten;</al></li><li nr="-"><al>neerklapbare of inklapbare achterbank (meenemen rolstoel)</al></li><li nr="-"><al>rechter buitenspiegel</al></li><li nr="-"><al>warmtewerend glas</al></li><li nr="-"><al>achterruitverwarming</al></li><li nr="-"><al>trekhaak</al></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 5: De ICF: FUNCTIES.</tussenkop><al><vet>(bron: </vet>http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm)</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet><cursief>Hoofdstuk 1 Mentale
                                        functies.</cursief></vet></al><al><cursief>Algemene mentale functies.</cursief></al><al>Bewustzijn</al><al>Oriëntatie</al><al>Intellectuele functies</al><al>Globale psychosociale functies</al><al>Temperament en persoonlijkheid</al><al>Energie en driften</al><al>Slaap</al><al>Algemene mentale functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Specifieke mentale functies.</cursief></al><al>Aandacht</al><al>Geheugen</al><al>Psychomotorische functies</al><al>Stemming</al><al>Perceptie</al><al>Denken</al><al>Hogere cognitieve functies</al><al>Mentale functies gerelateerd aan taal</al><al>Mentale functies gerelateerd aan rekenen</al><al>Bepalen sequentie bij complexe bewegingen</al><al>Ervaren van zelf en tijd</al><al>Specifieke mentale functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Mentale functies, anders gespecificeerd</al><al>Mentale functies, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 2 Sensorische functies en
                                                pijn</cursief></vet></al><al><cursief>Visuele en verwante functies.</cursief></al><al>Visuele functies</al><al>Functies van aan oog verwante structuren</al><al>Gewaarwordingen van oog en verwante structuren</al><al>Visuele en verwante functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Hoorfuncties en vestibulaire
                                        functies</cursief></al><al>Hoorfuncties</al><al>Vestibulaire functies</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met hoorfuncties en
                                        vestibulaire functies</al><al>Hoorfuncties vestibulaire functies, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd </al><al><cursief>Andere sensorische functies</cursief></al><al>Smaak</al><al>Reuk</al><al>Propriocepsis</al><al>Tast</al><al>Sensorische functies verwant aan temperatuur en andere
                                        stimuli</al><al>Andere sensorische functies, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Pijn</cursief></al><al>Pijngewaarwording</al><al>Pijngewaarwording, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Sensorische functies en pijn, anders gespecificeerd</al><al>Sensorische functies en pijn, niet gespecificeerd.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet><cursief>Hoofdstuk 3 Stem en
                                        spraak</cursief></vet></al><al><cursief>Stem</cursief></al><al>Articulatie</al><al>Vloeiendheid en ritme van spreken</al><al>Alternatieve vormen van stemgebruik</al><al>Stem en spraak, anders gespecificeerd</al><al>Stem en spraak, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 4 Functies van hart en
                                                bloedvatenstelsel. Hematologisch systeem,
                                                afweersysteem en
                                        ademhalingsstelsel</cursief></vet></al><al><cursief>Functies van hart en
                                        bloedvatenstelsel</cursief></al><al>Hartfuncties</al><al>Functies van bloedvaten</al><al>Bloeddruk</al><al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><cursief>Functies van hematologisch systeem en
                                            afweersysteem</cursief></al><al>Functies van hematologisch systeem</al><al>Functies van afweersysteem</al><al>Functies van hematologisch systeem en afweersysteem, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><cursief>Functies van ademhalingsstelsel</cursief></al><al>Ademhaling</al><al>Functies van ademhalingsspieren</al><al>Functies van ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al><al><cursief>Andere functies en gewaarwordingen van hart en
                                            bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel</cursief></al><al>Andere ademhalingsfuncties</al><al>Inspanningstolerantie</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met cardiovasculaire en
                                        respiratoire functies</al><al>Andere functies en gewaarwordingen van hart en
                                        bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch
                                        systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, anders
                                        gespecificeerd</al><al>Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch
                                        systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, niet
                                        gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 5 Functies van
                                                spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                                                hormoonstelsel</cursief></vet></al><al><cursief>Opname van voedsel</cursief></al><al>Vertering</al><al>Assimilatie</al><al>Defecatie</al><al>Handhaving lichaamsgewicht</al><al>Gewaarwordingen verband houdend met
                                        spijsverteringsstelsel</al><al>Functies van spijsverteringsstelsel, anders gespecificeerd
                                        en niet gespecificeerd</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Functies van metabool stelsel en
                                            hormoonstelsel</cursief></al><al>Algemene metabole functies</al><al>Water-, mineraal- en elektrolytenbalans</al><al>Thermoregulatoire functies</al><al>Functies van endocriene klieren</al><al>Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al>Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                                        hormoonstelsel, anders gespecificeerd</al><al>Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en
                                        hormoonstelsel, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 6 Functies van urogenitaal stelsel
                                                en reproductieve functies</cursief></vet></al><al><cursief>Functies gerelateerd aan urine</cursief></al><al>Productie en opslag van urine</al><al>Functies gerelateerd aan urinelozing</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met urinelozing</al><al>Functies gerelateerd aan urine, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al><al><cursief>Genitale en reproductieve functies</cursief></al><al>Seksuele functies</al><al>Functies gerelateerd aan menstruatie</al><al>Functies gerelateerd aan voortplanting</al><al>Gewaarwordingen gepaard gaande met genitale en reproductieve
                                        functies</al><al>Genitale en reproductieve functies, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al><al>Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies,
                                        anders gespecificeerd</al><al>Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies,
                                        niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 7 Functies van bewegingssysteem en
                                                aan beweging verwante functies</cursief></vet></al><al><cursief>Functies van gewrichten en botten</cursief></al><al>Mobiliteit van gewrichten</al><al>Stabiliteit van gewrichten</al><al>Mobiliteit van botten</al><al>Functies van gewrichten en botten, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al><al><cursief>Spierfuncties</cursief></al><al>Spiersterkte</al><al>Spiertonus</al><al>Spieruithoudingsvermogen</al><al>Spierfuncties, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Bewegingsfuncties</cursief></al><al>Motorische reflexfuncties</al><al>Onwillekeurige bewegingsreacties</al><al>Controle van willekeurige bewegingen</al><al>Onwillekeurige bewegingen</al><al>Gangpatroon</al><al>Gewaarwordingen verband houdend met spieren en
                                        bewegingsfuncties</al><al>Bewegingsfuncties, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante
                                        functies, anders gespecificeerd</al><al>Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante
                                        functies, niet gespecificeerd</al></entry><entry colname="col2"><al><vet><cursief>Hoofdstuk 8 Functies van huid en verwante
                                                structuren</cursief></vet></al><al><cursief>Functies van de huid</cursief></al><al>Beschermende functies van huid</al><al>Herstelfuncties van huid</al><al>Andere functies van huid</al><al>Gewaarwording verband houdend met huid</al><al>Functies van huid, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Functies van haren en nagels</cursief></al><al>Functies van haar</al><al>Functies van nagels</al><al>Functies van haren en nagels, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Functies van huid en verwante structuren, anders
                                        gespecificeerd</al><al>Functies van huid en verwante structuren, niet
                                        gespecificeerd</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 6: De ICF: ACTIVITEITEN EN PARTICIPATIE.</tussenkop><al><vet>(bron: </vet>http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm)</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet><cursief>Hoofdstuk 1 Leren en toepassen van
                                                kennis</cursief></vet></al><al><cursief>Doelbewust gebruiken van zintuigen</cursief></al><al>Gadeslaan</al><al>Luisteren</al><al>Doelbewust gebruiken van andere zintuigen</al><al>Doelbewust gebruiken van zintuigen, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al><al><cursief>Basaal leren</cursief></al><al>Nadoen</al><al>Herhalen</al><al>Leren lezen</al><al>Leren schrijven</al><al>Leren rekenen</al><al>Ontwikkelen van vaardigheden</al><al>Basaal leren, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Toepassen van kennis</cursief></al><al>Richten van aandacht</al><al>Denken</al><al>Lezen</al><al>Schrijven</al><al>Rekenen</al><al>Oplossen van problemen</al><al>Besluiten nemen</al><al>Toepassen van kennis, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Leren en toepassen van kennis, anders gespecificeerd</al><al>Leren en toepassen van kennis, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 2 Algemene taken en
                                            eisen</cursief></vet></al><al>Ondernemen van enkelvoudige taak</al><al>Ondernemen van meervoudige taken</al><al>Uitvoeren van dagelijkse routinehandelingen</al><al>Omgaan met stress en andere mentale eisen</al><al>Algemene taken en eisen, anders gespecificeerd</al><al>Algemene taken en eisen, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 3 Communicatie</cursief></vet></al><al><cursief>Communiceren - begrijpen</cursief></al><al>Begrijpen van gesproken boodschappen</al><al>Begrijpen van non-verbale boodschappen</al><al>Begrijpen van formele gebarentaal</al><al>Begrijpen van geschreven boodschappen</al><al>Communiceren - begrijpen, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Communiceren – zich uiten</cursief> Spreken</al><al>Zich non-verbaal uiten</al><al>Zich uiten via formele gebarentaal</al><al>Schrijven van boodschappen</al><al>Communiceren - zich uiten, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Conversatie en gebruik van communicatie-apparatuur
                                            en -technieken</cursief></al><al>Converseren</al><al>Bespreken <cursief>Huishoudelijke taken</cursief></al><al>Bereiden van maaltijden</al><al>Huishoudelijke taken, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Huishouden doen</al><al><cursief>Verzorgen van wat bij huishouden behoort en
                                            assisteren van andere personen</cursief></al><al>Verzorgen van wat bij huishouden behoort</al><al>Assisteren van andere personen</al><al>Verzorgen van wat bij huishouden behoort en assisteren van
                                        andere personen, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Huishouden, anders gespecificeerd</al><al>Huishouden, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 7 Tussenmenselijke interacties en
                                                relaties</cursief></vet></al><al><cursief>Algemene tussenmenselijke
                                        interacties</cursief></al><al>Basale tussenmenselijke interacties</al><al>Complexe tussenmenselijke interacties</al><al>Omgaan met onbekenden</al><al>Formele relaties</al><al>Informele sociale relaties</al><al>Familierelaties</al><al>Intieme relaties</al><al>Bijzondere tussenmenselijke relaties, anders gespecificeerd
                                        en niet gespecificeerd</al><al>Tussenmenselijke interacties en relaties, anders
                                        gespecificeerd</al><al>Tussenmenselijke interacties en relaties, niet
                                        gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 8 Belangrijke
                                                levensgebieden</cursief></vet></al><al><cursief>Informele opleiding</cursief></al><al>Voorschoolse opleiding</al><al>Schoolse opleiding</al><al>Beroepsopleiding</al><al>Hogere opleiding</al><al>Opleiding, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><cursief>Beroep en werk</cursief></al><al>Werkend leren</al><al>Verwerven, behouden en beëindigen van werk</al><al>Betaald werk</al><al>Onbetaald werk</al><al>Beroep en werk, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Economisch leven</cursief></al><al>Basale financiële transacties</al><al>Complexe financiële transacties</al><al>Economische zelfstandigheid</al><al>Economische leven, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al>Belangrijke levensgebieden, anders gespecificeerd</al><al>Belangrijke levensgebieden, niet gespecificeerd</al></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiken van communicatieapparatuur en -technieken</al><al>Communicatie, anders gespecificeerd</al><al>Communicatie, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 4 Mobiliteit</cursief></vet></al><al><cursief>Veranderen en handhaven van
                                            lichaamshouding</cursief></al><al>Veranderen van basale lichaamshouding</al><al>Handhaven van lichaamshouding</al><al>Uitvoeren van transfers</al><al>Veranderen en handhaven van lichaamshouding, anders
                                        gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><cursief>Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of
                                            iemand</cursief></al><al>Optillen en meenemen</al><al>Verplaatsen van iets of iemand met onderste
                                        extremiteiten</al><al>Nauwkeurig gebruiken van hand</al><al>Gebruiken van hand en arm</al><al>Dragen, verplaatsen en manipuleren van iets of iemand,
                                        anders gespecificeerd en niet gespecificeerd</al><al><cursief>Lopen en zich verplaatsen</cursief></al><al>Lopen</al><al>Zich verplaatsen</al><al>Zich verplaatsen tussen verschillende locaties</al><al>Zich verplaatsen met speciale middelen</al><al>Lopen en zich verplaatsen, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><cursief>Zich verplaatsen per vervoermiddel</cursief></al><al>Gebruiken van vervoermiddel</al><al>Besturen</al><al>Rijden op dieren als vervoermiddel</al><al>Zich verplaatsen per vervoermiddel, anders gespecificeerd en
                                        niet gespecificeerd</al><al>Mobiliteit, anders gespecificeerd</al><al>Mobiliteit, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 5
                                        Zelfverzorging</cursief></vet></al><al>Zich wassen</al><al>Verzorgen van lichaamsdelen</al><al>Zorgdragen voor toiletgang</al><al>Zich kleden</al><al>Eten</al><al>Drinken</al><al>Zorgdragen voor eigen gezondheid</al><al>Zelfverzorging, anders gespecificeerd</al><al>Zelfverzorging, niet gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 6 Huishouden</cursief></vet></al><al><cursief>Verwerven van
                                        benodigdheden</cursief>Verwerven van
                                        woonruimte</al><al>Verwerven van goederen en diensten</al><al>Verwerven van benodigdheden, anders gespecificeerd en niet
                                        gespecificeerd</al><al><vet><cursief>Hoofdstuk 9 Maatschappelijk, sociaal en
                                                burgerlijk leven</cursief></vet></al><al><cursief>Maatschappelijk leven</cursief></al><al>Recreatie en vrije tijd</al><al>Religie en spiritualiteit</al><al>Mensenrechten</al><al>Politiek en burgerschap</al><al>Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, anders
                                        gespecificeerd</al><al>Maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven, niet
                                        gespecificeerd.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 7: lijst van algemeen gebruikelijke en voorliggende
                    voorzieningen.</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="2*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="98*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Kenmerken algemeen gebruikelijke voorziening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>De voorziening behoort voor iemand zonder beperkingen ook
                                        tot het normale aanschaffingspatroon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>De voorziening is niet speciaal bedoeld voor mensen met
                                        beperkingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>Het product is gewoon te koop in reguliere winkels.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>De voorziening is niet duurder dan soortgelijke
                                        producten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Dit betreft in ieder geval:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Voorziening</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aangepaste box</al></entry><entry colname="col2"><al>Kosten aangepaste box minus besparingsbijdrage</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aankleedtafel voor kinderen en volwassenen</al></entry><entry colname="col2"><al>Kosten aangepaste aankleedtafel minus
                                        besparingsbijdrage</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Alarmeringsapparatuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Met medische indicatie: AWBZ Zonder indicatie: algemeen
                                        gebruikelijk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Anti-slip-tegel / coating</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Automatische transmissie</al><al>Boodschappenservice</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bromfiets</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brommobiel</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Centrale verwarming</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Click and go-systeem</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dieetkosten indien dieetproducten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dieetproducten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eénhendelmengkraan</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eenvoudige (wand-)beugel</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elektrisch bedienbare ramen</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Fiets met trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor)
                                        en lage instap</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Fiets met lage instap</al><al>Glasbewassing buitenzijde</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hobbyruimte (aanpassing)</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen vergoeding mogelijk, woningaanpassing betreft het
                                        normale gebruik van de woning</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hobbyvoorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>Eventueel bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inductiekookplaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Inkomensondersteunende voorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Internet</al><al>Kinderopvang</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kinderstoel</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kledingslijtage</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ligfiets</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Maaltijdvoorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>Voorliggende voorziening (tafeltje dekje)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Mobiele telefoon</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Orthopedische matrassen</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Personenalarmering</al></entry><entry colname="col2"><al>Met medische indicatie: AWBZ Zonder indicatie: Algemeen
                                        gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Rolstoelhandschoenen</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2e rolstoel AWBZ-bewoners (muv. GVT en RIBW)</al></entry><entry colname="col2"><al>AWBZ</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sociale honden (SOHO)</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen vergoeding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Spartamet</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Stookkosten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Stuurbekrachtiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tandem (ontwikkeling en ontspanning)</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Thermostatische mengkraan</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toiletverhoger</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vakantiewoning (aanpassing)</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen vergoeding mogelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor extra stookkosten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor extra kledingslijtage</al></entry><entry colname="col2"><al>Bijzondere bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verhoogde toiletpot</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vervangen van lavet door douche</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wasdroger</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Waterbed</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zonwering</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen gebruikelijk</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>