<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR124974_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Doetinchem 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Doetinchems Vizier, 28 september 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Doetinchem 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 108, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-04-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2006</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening Wet werk en bijstand gemeente Doetinchem 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doetinchem; </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 september 2011; </al><al/><al>gezien het advies van de sociale raad, </al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 8, eerste lid, onderdeel b en 18 van de Wet werk en bijstand; </al><al/><al>b e s l u i t : </al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening: <vet>Maatregelverordening Wet werk
                            en bijstand gemeente Doetinchem 2011 </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1 In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al>bijstand: de algemene en bijzondere bijstand zoals bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel b en onderdeel d van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5,
                                    onderdeel c van de wet. Voor zelfstandigen van 18 tot 27 jaar
                                    die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben ontvangen, wordt onder
                                    bijstandsnorm verstaan de norm die op grond van artikel 78f,
                                    tweede lid van de wet op hen van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                    artikel 36 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid van de
                                    wet;</al></li><li nr="g."><al>zeer ernstig misdragen: het door belanghebbende op een dusdanige
                                    wijze benaderen van het college dan wel onder hem ressorterende
                                    personen die belast zijn met de uitvoering van de wet, dat deze
                                    zich op een fysieke of psychische wijze bedreigd voelen;</al></li><li nr="h."><al>plicht tot arbeidsinschakeling: de verplichtingen genoemd in
                                    artikel 9, eerste lid, onder a en b van de wet;</al></li><li nr="i."><al>inlichtingenplicht Wwb: het meewerken aan de verplichtingen
                                    genoemd in artikel 17, eerste, tweede en vierde lid en artikel
                                    53a, tweede lid van de wet en artikel 28, tweede lid en artikel
                                    29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
                                    en inkomen;</al></li><li nr="j."><al>verplichtingen Bbz: het meewerken aan de verplichtingen genoemd
                                    in artikel 38 van het Besluit;</al></li><li nr="k."><al>aanvullende verplichtingen: de overige aan de bijstand verbonden
                                    verplichtingen gebaseerd op de artikelen 40, tweede lid, 48,
                                    derde lid, 55, 56, eerste lid en 57, onder a van de wet, alsmede
                                    de individueel opgelegde verplichtingen die in de beschikking en
                                    het trajectplan zijn opgenomen;</al></li><li nr="l."><al>trajectplan: een door de gemeenten en belanghebbende ondertekend
                                    individueel plan, bestaande uit een geheel van
                                    re-integratie-instrumenten dat tot doel heeft om binnen een
                                    bepaald tijdsbestek te komen tot arbeidsinschakeling of
                                    zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="m."><al>agressieprotocol: het door het college vastgestelde protocol ter
                                    voorkoming en beheersing van agressie;</al></li><li nr="n."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Doetinchem.</al></li></lijst><al>2 Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en als
                            in het Bbz en de Algemene wet bestuursrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                                besef van verantwoordelijk-heid betoont voor de voorziening in het
                                bestaan of de uit de wet, of artikel 30 onderdeel c, tweede en derde
                                lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, kan
                                overeenkomstig deze verordening een maatregel worden opgelegd.
                                Hieronder wordt ook verstaan het zich ernstig misdragen ten opzichte
                                van het college of zijn ambtenaren en medewerkers van andere
                                organisaties die belast zijn met de uitvoering van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van
                                belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de van toepassing zijnde
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, als
                                aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend onder
                                toepassing van artikel 12 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand op woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor het levensonderhoud op grond van de Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte of
                                            tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend;</al></li></lijst></li></lijst><al>In afwijking van het vorige lid blijft het opleggen van een maatregel
                            wegens schending van de inlichtingenplicht achterwege na verloop van
                            vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. </al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als
                                    naar het oordeel van het college daarvoor dringende redenen
                                    aanwezig zijn.</al></li><li nr="3."><al>Als het college op grond van het vorige lid afziet van het
                                    opleggen van een maatregel, wordt belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de maand volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                belanghebbende bekend is gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor belanghebbende geldende bijstandsnorm ten tijde van de
                                gedraging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor belanghebbende geldende
                                bijstandsnorm ten tijde van de gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de bijstand
                                inmiddels is beëindigd, wordt de verlaging alsnog gerealiseerd door
                                middel van herziening van het recht op bijstand over de periode
                                waarin de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden, voor zover de
                                ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde
                                gedraging komt te liggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de gedraging niet kan worden geëffectueerd met toepassing van
                                het eerste, tweede of derde lid, vindt realisatie plaats door
                                verlaging van de bijstand als aan belanghebbende opnieuw binnen 24
                                maanden recht op bijstand wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de verlaging slechts gedeeltelijk kan worden geëffectueerd,
                                wordt de verlaging met toepassing van het eerste, tweede of derde
                                lid gedeeltelijk geëffectueerd. Het restant van de verlaging wordt
                                niet geëffectueerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een
                                geldlening op grond van het besluit hebben ontvangen, de maatregel
                                met terugwerkende kracht betrokken worden bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een maatregel wordt opgelegd voor de duur van een maand, tenzij in
                                deze verordening een afwijkende termijn is opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als er sprake is van het tegelijkertijd schuldig maken aan meerdere
                                gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de wet
                                genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Als voor
                                schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende
                                hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als binnen een periode sprake is van meerdere gedragingen die
                                schending opleveren van een of meerdere in de wet genoemde
                                verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke
                                maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd,
                                tot een maximum van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het tweede lid wordt afgeweken als toepassing hiervan gelet op
                                artikel 2, tweede lid niet verantwoord is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Waarschuwing en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de maatregel kan worden verdubbeld, als belanghebbende
                                zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                maatregel is opgelegd, opnieuw een van de verplichtingen en/of
                                gedragingen zoals genoemd in de hoofdstukken 2, 3 en 4 schendt. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijkgesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als
                                bedoeld in artikel 4, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en kan worden
                                volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij
                                het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt
                                binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder aan belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen. Tevens wordt daarmee gelijkgesteld het besluit
                                tot het geven van een schriftelijke waarschuwing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN OF
                            BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de Wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="-"><al>Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="-"><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de
                                            arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie, waaronder begrepen de voorbereiding op en
                                            het onderzoek naar de mogelijkheden daartoe.</al></li><li nr="-"><al>Het niet of in onvoldoende mate meewerken het
                                            bewerkstelligen van mogelijke vermindering van het
                                            bijstandsrecht.</al></li><li nr="-"><al>Het niet, niet tijdig of in onvoldoende mate voldoen aan
                                            eventuele door het college opgelegde aanvullende
                                            verplichtingen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="-"><al>Het door eigen toedoen niet verkrijgen, aanvaarden of
                                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een andere
                                            vorm van inkomen uit activiteiten met een bedrijfsmatig
                                            karakter;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="-"><al>Het niet nakomen van verplichtingen die zijn vastgelegd
                                            in het trajectplan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt een maatregel vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de eerste
                                    categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                    tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                    derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de
                                    vierde categorie voor een nader te bepalen duur; de duur wordt
                                    gekoppeld aan de periode gedurende welke belanghebbende de aan
                                    hem opgelegde verplichtingen in het kader van het trajectplan
                                    niet nakomt, maar bedraagt ten minste een maand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heroverweegt de in artikel 9 onder d bedoelde maatregel
                                binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van de
                                beschikking waarin het besluit tot een maatregel of voortzetting van
                                de maatregel aan belanghebbende bekend wordt gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de onder lid d bedoelde heroverweging beoordeelt
                                het college of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van
                                belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot herziening,
                                beëindiging of voortzetting van de opgelegde maatregel.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT EN MEDEWERKINGSPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Niet nakomen van verplichtingen</titel></kop><al>Als belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet,
                            of artikel 38, tweede lid van het besluit niet, niet tijdig of
                            onvolledig is nagekomen, en dit niet heeft geleid tot het ten onrechte
                            of tot een te hoog bedrag van lenen van bijstand, kan met toepassing van
                            artikel 18, tweede lid van de wet een maatregel worden opgelegd van vijf
                            procent van de bijstandsnorm, onverminderd artikel 2, tweede lid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen als
                                bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 38, tweede lid van het
                                besluit, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van
                                het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000: tien procent van de
                                        bijstandsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000: twintig
                                        procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000 tot € 4000: veertig
                                        procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000 of meer: honderd
                                        procent van de bijstandsnorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de maatregel niet of niet volledig kan worden opgelegd over de
                                periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt deze maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerstvolgende maand nadat het college het
                                besluit tot het opleggen van de maatregel heeft genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het uitblijven van een strafrechtelijke sanctie kan alsnog een
                                maatregel worden opgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, kan een
                                maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende manier vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000: tien procent van de
                                        bijstandsnorm;</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000: twintig
                                        procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000 tot € 4000<cursief>:
                                        </cursief>veertig procent van de bijstandsnorm;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000 of meer: honderd
                                        procent van de bijstandsnorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van de voorgaande leden kan de bijzondere bijstand dan
                                wel de langdurigheidstoeslag worden geweigerd, als het beroep op
                                bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                                of zijn ambtenaren en medewerkers van andere organisaties die belast
                                zijn met de uitvoering van de wet, onder omstandigheden die
                                rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel
                                gedurende één maand opgelegd in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld en discriminatie 20% van de
                                        uitkeringsnorm;</al></li><li nr="b."><al>intimidatie en bedreiging 40% van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="c."><al>zaakgericht fysiek geweld 60% van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="d."><al>mensgericht fysiek geweld 100% van de uitkeringsnorm;</al></li><li nr="e."><al>een combinatie van geweldsvormen 100% van de
                                        uitkeringsnorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid kan, conform het bepaalde in de Nota
                                anti-agressiebeleid, door of namens het college aangifte worden
                                gedaan bij de politie, dan wel voor een door het college nader te
                                bepalen periode de toegang tot de afdeling werk en inkomen op het
                                Werkplein worden ontzegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht tot 1
                                juli 2011.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2006 vervalt op het
                                in het eerste lid genoemde tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Maatregelverordening Wet
                                werk en bijstand gemeente Doetinchem 2011. </vet></al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van 15 september 2011, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1: Begrippen </vet></al><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. De begrippen die in de
                    verordening worden gebruikt, hebben eenzelfde betekening als de omschrijving in
                    de Wet werk en bijstand (Wwb) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
                    2004 (Bbz). </al><al>In de verordening wordt het begrip 'belanghebbende' gebruikt. Dit begrip wordt
                    in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als 'degene wiens
                    belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken'.</al><al/><al><vet>Artikel 2: Het opleggen van een maatregel </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen: </al><al/><al>1. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                    het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al><al/><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee
                    soorten verplichtingen: </al><al>- de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze
                    te aanvaarden en </al><al>- de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening
                    gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen
                    nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden
                    op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                    re-integratieverordening vormt de juridische basis voor opleggen van deze
                    specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen moeten in het besluit tot het
                    verlenen van bijstand worden neergelegd. </al><al/><al>3. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde
                    rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                    mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling
                    of het recht op bijstand. </al><al/><al>4. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                    uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan
                    uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><al>- het toestaan van huisbezoek; </al><al>- het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al><al/><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: '<cursief>het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen'. </cursief>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan
                    uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens
                    en bewijsstukken aan UWV WERKbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de
                    beslissing door het college (artikel 30c, tweede en derde lid Wet SUWI) en de
                    verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
                    omstandigheden mee te delen aan UWV WERKbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand. 2 </al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In het tweede lid is de
                    hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te
                    stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
                    verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op
                    te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                    van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaard-maatregel geboden is. Hierbij wordt belanghebbende door
                    middel van hoor en wederhoor in de gelegenheid gesteld de zienswijze naar voren
                    te brengen. Afwijking van de standaard-maatregel kan zowel een verzwaring als
                    een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al/><al>- Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al/><al>- Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al/><al>- Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde. </al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><al/><al>- bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld
                    hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor
                    geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; </al><al>- sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al><al>- bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. </al><al/><al><vet>Artikel 3: De berekeningsgrondslag </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>De 18- tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Ook kan er aanleiding bestaan om de langdurigheidstoeslag op grond van het
                    opleggen van een maatregel te verlagen. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Ook in de hier genoemde gevallen kan aanleiding bestaan om de bijzondere
                    bijstand te verlagen. </al><al/><al><vet>Artikel 4: Afzien van het opleggen van een maatregel </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel 'indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid' ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid van de Wwb.
                    Het college kan in beleidsregels vastleggen hoe om te gaan met de beoordeling
                    van de verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke gedragingen in
                    principe altijd verwijtbaar worden gesteld en welke gedragingen in principe
                    nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen sprake is of
                    kan zijn van verzachtende omstandigheden. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het
                    college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                    hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de
                    informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is
                    verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, is de verjaringstermijn
                    op vijf jaar gesteld. Met deze termijn wordt aangesloten bij de algemene
                    verjaringstermijn in de Wwb in relatie tot Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
                    Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de
                    omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van
                    Beroep kunnen dringende redenen alleen gelegen zijn in onaan-vaardbare sociale
                    of financiële consequenties voor belanghebbende. Het moet dan gaan om een
                    incidenteel geval waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Het is van belang een schriftelijke mededeling aan belanghebbende te zenden van
                    het afzien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen in
                    verband met eventuele recidive. </al><al/><al><vet>Artikel 5: Ingangsdatum en tijdvak </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><al>1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of </al><al>2. door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                    maand(en). </al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet te worden overgegaan tot
                    herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand te worden
                    teruggevorderd. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerstvolgende maand, waarbij wordt uitgegaan van de
                    geldende bijstandsnorm ten tijde van de gedraging. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>De maatregel kan worden toegepast vanaf de periode dat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden. Dit is met name van toepassing wanneer de volledige maand
                    volgend op de gedraging niet mogelijk is. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Is toepassing van het eerste en het tweede lid niet aan de orde omdat de
                    bijstand reeds is beëindigd, dan biedt het derde lid de mogelijkheid dat met
                    terugwerkende kracht een maatregel kan worden opgelegd. Wanneer de bijstand nog
                    niet (volledig) aan belanghebbende is betaald, is het praktisch om de verlaging
                    van de bijstand te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In
                    dat geval moet de bijstand wel worden herzien en terug-gevorderd. Dat is ook nog
                    mogelijk als de bijstand reeds is uitbetaald. Uit jurisprudentie van de raad
                    blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging heeft
                    plaats-gevonden. Wordt een dergelijke maatregel opgelegd, dan moet tevens een
                    besluit tot herziening van de bijstand aan belanghebbende worden gezonden. </al><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Als er geen bijstand meer wordt verstrekt, kan er geen maatregel worden
                    opgelegd. Dit artikel maakt het mogelijk de maatregel mee te nemen bij een
                    nieuwe aanvraag om bijstand binnen 24 maanden. </al><al><cursief>Vijfde lid </cursief></al><al>Dit lid spreekt voor zich. </al><al><cursief>Zesde lid </cursief></al><al>Als de zelfstandige periodieke bijstand op grond van het besluit ontvangt, wordt
                    de maatregel opgelegd met ingang van de eerstvolgende maand volgend op de datum
                    waarop het besluit tot het opleggen van een maatregel aan belanghebbende is
                    bekendgemaakt. Bij de definitieve vaststelling van de Bbz-uitkering wordt de
                    hoogte van de maatregel in mindering gebracht op de jaarnorm. Als belanghebbende
                    geen bijstand op grond van het besluit meer ontvangt en zich niet houdt aan de
                    in artikel 38 van het besluit genoemde verplichtingen (zoals het aanleveren van
                    de jaargegevens voor 1 juli van het jaar daarop volgend), kan met terugwerkende
                    kracht een maatregel worden opgelegd bij de definitieve vaststelling van de
                    Bbz-uitkering voor dat jaar. </al><al><cursief>Zevende lid </cursief></al><al>Dit lid spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 6: Samenloop van gedragingen </vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Als sprake is
                    van één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan worden
                    aangemerkt, moet voor het toepassen van de afstemming worden uitgegaan van de
                    verplichting waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. Is er sprake van
                    verschillende gedragingen, dan moet voor iedere gedraging afzonderlijk het
                    percentage van de maatregel worden berekend en gelijktijdig worden opgelegd,
                    tenzij dit niet verantwoord is. Vanzelfsprekend moet altijd de individuele toets
                    aan artikel 2, tweede lid worden getoetst. </al><al/><al><vet>Artikel 7: Waarschuwing en recidive </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Als binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een
                    eerdere maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de verwijtbare
                    gedraging, kan de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking worden
                    gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidive slechts één keer worden toegepast.
                    Als belang-hebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                    verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van
                    belanghebbende. Een zwaardere maatregel dan in geval van recidive is dan
                    doorgaans verdedigbaar. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Een schriftelijke waarschuwing is alleen mogelijk als er meer dan een jaar
                    tussen de eerdere waarschuwing zit. Anders is er sprake van een maatregel. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2: GEEN OF ONVOLDOENDE MEDE WERKING VERLENEN AAN HET VERKRIJGEN
                        OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</vet></al><al/><al><vet>Artikel 8: Indeling in categorieën </vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het UWV WERKbedrijf en ingeschreven te blijven. De tweede
                    categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt,
                    bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om voldoende te
                    solliciteren en medewerking te verlenen aan een re-integratietraject. In de
                    derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een
                    beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. De vierde
                    categorie betreft het niet nakomen van de in het trajectplan opgenomen
                    verplichtingen die de arbeidsinschakeling belemmeren. </al><al/><al><vet>Artikel 9: De hoogte en de duur van de maatregel </vet></al><al>Dit artikel geeft de hoogte van de maatregel aan. Hierbij wordt een onderscheid
                    gemaakt in de duur van de opgelegde maatregel bij lid c en d. De hoogte van de
                    maatregel is gelijkluidend, maar kan onder lid d langer dan een maand
                    voortduren: in ieder geval één maand maar tot het moment dat de verwijtbare
                    gedraging ten goede is gekeerd. </al><al/><al><vet>Artikel 10: Heroverweging </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Binnen drie maanden na de beschikking tot het opleggen van een maatregel moet
                    door het college een heroverweging worden gemaakt. Dit onderzoek kan in sommige
                    gevallen schriftelijk plaatsvinden, afhankelijk van de aard van de verplichting
                    of gedraging. Zo kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan niet nakomen
                    van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van schriftelijke
                    bewijzen waaruit blijkt dat de belanghebbende inmiddels aan de
                    sollicitatieplicht is gaan voldoen. In andere gevallen zal het noodzakelijk zijn
                    om belanghebbende op te roepen. Als belanghebbende de gevraagde gegevens niet
                    overlegt of geen gehoor geeft aan oproepen, vindt heroverweging plaats op basis
                    van de dan bekende gegevens, wat veelal tot voortzetting van de maatregel zal
                    leiden. De heroverweging resulteert in een beschikking. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Het resultaat van de heroverweging kan drieledig zijn. Belanghebbende laat
                    blijken zich inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare
                    gedraging waarvoor de maatregel was opgelegd. In dat geval zal de maatregel
                    worden herzien met ingang van het moment waarop van verder verwijtbaar gedrag
                    geen sprake meer is. Beëindiging van de verlaging na drie maanden vindt plaats
                    als belanghebbende aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de opgelegde
                    verplichtingen zal houden. Van voortzetting zal sprake zijn als belanghebbende
                    zich ook ten tijde van de heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging
                    schuldig maakt. De voortzetting kan, afhankelijk van de omstandigheden, mate van
                    verwijtbaarheid en ernst van de gedraging, plaatsvinden voor bepaalde duur. Bij
                    voortzetting moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw heroverweging
                    plaatsvinden. Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting met
                    vaststelling van een lager percentage als belanghebbende blijk geeft zijn gedrag
                    enigszins, maar onvoldoende te hebben verbeterd. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3: NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT EN
                        MEDEWERKINGSPLICHT</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11: Niet nakomen verplichtingen </vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens, het niet melden van
                    vrijwilligerswerk of het niet melden van een niet-rechthebbende partner. </al><al/><al><vet>Artikel 12: Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                        gevolgen voor de bijstand. </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In artikel 17, eerste lid van de Wwb is bepaald dat belanghebbende op verzoek,
                    of onverwijld uit eigen beweging, mededeling doet van alle feiten en
                    omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De
                    ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het teveel betaalde bedrag aan bijstand. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Wwb wordt afhankelijk
                    gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de
                    schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan belanghebbende is
                    betaald. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Als de maatregel niet kan worden opgelegd, omdat er niet meer teruggevorderd kan
                    worden dan er uitkering wordt verstrekt, wordt de maatregel over de toekomstige
                    bijstandsuitkering opgelegd als er sprake is van een lopende uitkering. </al><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel in reactie op het schenden van de
                    inlichtingenplicht is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de
                    gemeente zelf. De gemeente heeft echter de verplichting om proces-verbaal op te
                    maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) als er sprake is van
                    fraude met een benadelingsbedrag hoger dan €10.000 bruto (de aangifterichtlijn
                    sociale zekerheid). Op grond van het 'una via'-beginsel (geen samenloop van
                    sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkel
                    overheids-orgaan; geen dubbele bestraffing) kan er geen maatregel en
                    strafrechtelijke vervolging tegelijkertijd plaatsvinden. </al><al><vet>HOOFDSTUK 4: OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN MAATREGEL</vet></al><al/><al><vet>Artikel 13: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een maatregel. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: </al><al>- een onverantwoorde besteding van vermogen; </al><al>- geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening; </al><al>- het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering. </al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In dit lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en het
                    benadelingsbedrag. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>De langdurigheidstoeslag dan wel de bijzondere bijstand worden geweigerd bij
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Er moet dan wel vaststaan dat er
                    een causaal verband bestaat tussen het beroep op deze voorzieningen en de
                    gedraging die uiting geeft aan het tekort-schietend besef van
                    verantwoordelijkheid. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het onverantwoord
                    interen van een groot vermogen. </al><al/><al><vet>Artikel 14: Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat belanghebbende zich
                    ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><al/><al>a. verbaal geweld (schelden); </al><al/><al>b. intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al><al/><al>c. zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al><al/><al>d. mensgericht fysiek geweld; </al><al/><al>e. combinatie van agressievormen </al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                        <cursief>instrumenteel </cursief>geweld en
                        <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is sprake als
                    iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaar-heid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al><vet>HOOFDSTUK 4: SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 15: Inwerkingtreding en Artikel 16: Citeertitel </vet></al><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>