<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR12490_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koerier, 9 juni 2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-06-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-07-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW04.00401</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al/>
          <al>De raad van de gemeente Beuningen;</al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 6 april 2004;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 150 Gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>B E S L U I T :</al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de <vet>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en in
                            de gemeente belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid
                            worden betrokken (I</vet><vet>n</vet><vet>spraakverordening).</vet></al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <al>Deze Verordening verstaat onder:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                                voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li>
            <li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven.</al></li>
            <li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Onderwerp van inspraak</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden
                                of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid.</al></li>
            <li nr="2."><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.
                            </al></li>
            <li nr="3."><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                        vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                        uitgesloten;</al></li>
                <li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving
                                        waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks
                                        beleidsvrijheid heeft;</al></li>
                <li nr="d."><al>inzake begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                        dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van
                                        de Gemeentewet;</al></li>
                <li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                        spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li>
                <li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang
                                        van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare
                                        groepen in de samenleving</al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Inspraakgerechtigden</titel>
          </kop>
          <al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Inspraakprocedure</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                                inspraakprocedure vaststellen.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Eindverslag</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een
                                eindverslag op.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het eindverslag bevat in ieder geval:</al><lijst>
                <li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li>
                <li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                        mondeling of schriftelijk naar voren</al><al> zijn gebracht;</al></li>
                <li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen waarbij met redenen omkleed
                                        wordt aangegeven op welke</al><al> punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen
                                        wordt overgegaan.</al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3."><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                                openbaar. </al></li>
            <li nr="4."><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn
                                burgerjaarverslag.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Intrekking oude verordening</titel>
          </kop>
          <al>De Verordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 10 januari 1995 wordt
                        ingetrokken met ingang van datum inwerkingtreding van de nieuwe verordening.
                    </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
          </kop>
          <al>Deze Verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in
                        werking.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening 2004.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Beuningen, 1 juni 2004.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Nota-toelichting</label>
          <nr/>
          <titel/>
        </kop>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting bij de algemene
                    inspraakverordening:</tussenkop>
        <tussenkop>Begripsomschrijvingen (artikel 1)</tussenkop>
        <al/>
        <al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                    opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 Gemeentewet.
                    Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het
                    gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. </al>
        <al>Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening
                    omtrent beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt het de gemeenteraad
                    een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding
                    noodzakelijke belangenafweging. De verantwoordelijkheid voor het houden van
                    inspraak over beleidsvoornemens ligt, zo volgt uit de tekst van de wet, bij de
                    gemeenteraad.</al>
        <al/>
        <al>De verantwoordelijkheid voor de uitvoering, de nadere regeling en organisatie
                    van de inspraak behoort aan het college van burgemeester en wethouders. Er is
                    dan ook voor gekozen dit uitdrukkelijk in de verordening op te nemen.</al>
        <al/>
        <al>Indien de burgemeester of een ander bevoegd gemeentelijk orgaan eigen
                    beleidsvoornemens aan inspraak wil onderwerpen kan van deze inspraakverordening
                    gebruik worden gemaakt. Ze moet dan wel (in aangepaste vorm) van toepassing
                    worden verklaard.</al>
        <al/>
        <al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen. Het gaat dan echter al vaak om door burgemeester en
                    wethouders vastgestelde beleidsvoornemens. Andere mogelijkheden die buiten die
                    inspraak vallen zijn het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het
                    houden van informatiebijeenkomsten, etc.</al>
        <al/>
        <al>Inspraak is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de
                    uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en
                    beroep.</al>
        <al/>
        <al>Het begrip beleidsvoornemen is niet gedefinieerd. Het zal duidelijk zijn dat het
                    hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten en/of maatregelen
                    maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Het wordt
                    aan de gemeenteraad overgelaten daaraan nadere invulling te geven.</al>
        <tussenkop>Object van inspraak (artikel 2)</tussenkop>
        <al/>
        <al>Inspraak is in beginsel mogelijk op alle terreinen van gemeentelijk bestuur. Het
                    is niet mogelijk in de verordening bepaalde terreinen daarvan uit te
                    sluiten.</al>
        <al>In de verordening zijn in het tweede lid van dit artikel categorieën van
                    beleidsvoornemens genoemd waarop in elk geval inspraak wordt verleend.</al>
        <al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.</al>
        <tussenkop>Subject van inspraak (artikel 3)</tussenkop>
        <al/>
        <al>Deze omschrijving vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van de wet.</al>
        <al>
          <onderstreept>Inspraakprocedure (artikelen 4, 5 en 6)</onderstreept>.</al>
        <al>Op de terinzagelegging, voorafgaand aan inspraak, kan zonder problemen de
                    procedure die afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat, worden
                    toegepast.</al>
        <al>Gevolg is wel dat burgemeester en wethouders aan bevoegdheden inleveren waar het
                    gaat om vaststelling van de periode waarin het beleidsvoornemen ter inzage wordt
                    gelegd, hoe de mogelijkheid van de terinzagelegging ter kennis van het publiek
                    wordt gebracht en wat in de bekendmaking moet worden vermeld. Dit lijkt echter
                    geen dusdanig zwaarwegend bezwaar dat het opweegt tegen de voordelen van een
                    zoveel mogelijk uniforme regeling van de terinzagelegging.</al>
        <al>Hieronder volgt een opsomming van de procedure.</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Voorafgaand aan de terinzagelegging wordt volgens artikel 3:12², eerste
                            lid, Awb van de terinzagelegging van het beleidsvoornemen kennis gedaan
                            in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen, danwel op een
                            andere geschikte wijze. In de kennisgeving wordt vermeld;</al><lijst>
              <li nr="a."><al>waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;</al></li>
              <li nr="b."><al>wie in de gelegenheid wordt gesteld van zijn zienswijze te doen
                                    blijken;</al></li>
              <li nr="c."><al>op welke wijze dat kan geschieden.</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="-"><al>Het beleidsvoornemen wordt met de daarop betrekking hebbende stukken
                            voor alle belanghebbenden ter inzage gelegd voor een periode van ten
                            minste vier weken. Terinzagelegging vindt in elk geval plaats ten
                            kantore van het bestuursorgaan.</al></li>
          <li nr="-"><al>Alle belanghebbenden kunnen in elk geval gedurende de vier weken die het
                            beleidsvoornemen ter inzage ligt, hun zienswijze naar voren brengen. Het
                            bestuursorgaan kan die periode verlengen. Dit zal in de kennisgeving als
                            bedoeld in artikel 3:12 Awb, moeten worden vermeld. Het naar voren
                            brengen van de zienswijze kan krachtens artikel 3:13 eerste lid, Awb
                            zowel mondeling als schriftelijk.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>De bevoegdheden die op grond van de artikelen 5 en 6 aan burgemeester en
                    wethouders worden toegekend worden ingeperkt door de regeling die afdeling 3.4
                    Awb geeft. Zo is het college niet geheel vrij in het vaststellen van de termijn
                    waarbinnen de insprekers hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Artikel 3:13,
                    derde lid, Awb bepaalt dat de termijn niet eindigt voor de laatste dag van
                    terinzagelegging.</al>
        <al/>
        <al>Van de bevoegdheid tot aanwijzing van een ruimere kring van belanghebbenden,
                    zoals het tweede lid van artikel 3:13 Awb biedt, wordt gebruik gemaakt in
                    artikel 3 van de Inspraakverordening. Inspraak wordt geboden aan ingezetenen en
                    aan in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen. Daar deze
                    bepaling een concretisering van het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel
                    1:2 van de Awb inhoudt, kan deze worden gehanteerd.</al>
        <al/>
        <al>Het bepaalde in de artikelen 5 en 6 komt deels overeen met het derde lid van
                    artikel 3:12 Awb. Ingevolge dit artikel dient het waar en wanneer van de
                    terinzagelegging, als mede de wijze van kenbaar maken van zienswijzen bekend te
                    worden gemaakt. Afwijkend van de Awb regelt artikel 5, door gebruik te maken van
                    het begrip inspraak zoals gedefinieerd in artikel 1, onder A, dat degene die
                    zijn zienswijze naar voren brengt in de gelegenheid wordt gesteld daarover met
                    het bestuursorgaan van gedachten te wisselen. </al>
        <al/>
        <al>Ook het opnemen in het inspraakprocedurebesluit van een regeling die de invloed
                    van de inspreker beziet vormt een aanvulling op afdeling 3.4 Awb.</al>
        <al>Artikel 6 regelt de wijziging van de inspraakprocedure. Deze
                    wijzigingsbevoegdheid wordt ingeperkt voor wat betreft het vaststellen van de
                    inzagetermijn. Artikel 3:11 Awb bepaalt dat de termijn waarin het
                    beleidsvoornemen ter inzage wordt gelegd niet korter kan zijn dan vier weken. Nu
                    afdeling 3.4 Awb van toepassing is verklaard kan hiervan niet worden afgeweken.
                    Wijziging van de inspraakprocedure wordt nu in zoverre beperkt dat ook hierbij
                    de termijn tenminste vier weken moet bedragen. </al>
        <al/>
        <al>Dit geldt op dezelfde wijze voor de termijn waarbinnen de belanghebbenden,
                    bedoeld in artikel 3, hun zienswijzen naar voren kunnen brengen. Artikel 3:13,
                    derde lid, Awb bepaalt dat deze periode in elk geval niet korter mag zijn dan de
                    termijn waarin het beleidsvoornemen ter inzage ligt. Ook hiervan kan niet worden
                    afgeweken.</al>
        <al/>
        <al>Op de bekendmaking van de wijziging wordt artikel 3:42 van de Awb van toepassing
                    verklaard. Dit artikel luidt: De bekendmaking van besluiten die niet tot een of
                    meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit
                    of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een
                    dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.</al>
        <tussenkop>Eindverslag (artikel 7)</tussenkop>
        <al/>
        <al>Met het gestelde in dit artikel wordt voldaan aan artikel 151, tweede lid, onder
                    c, Gemeentewet. In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar het gestelde
                    in afdeling 3.4 Awb. In artikel 3:13, vijfde lid, Awb wordt namelijk slechts
                    bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure
                    mondeling naar voren is gebracht. De eindrapportage dient een volledig overzicht
                    te bevatten van zowel de mondeling als de schriftelijke inspraakreacties. Voor
                    wat betreft het tweede lid, onder b., wordt verwezen naar hetgeen in de Memorie
                    van toelichting bij de Awb wordt opgemerkt. Daarin is aangegeven dat in het
                    verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren
                    gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren
                    hebben gebracht.</al>
        <tussenkop>Beklag en bezwaar (artikel 8)</tussenkop>
        <al/>
        <al>Het niet of onvoldoende nakomen van de inspraakverplichtingen kan juridische
                    consequenties hebben. Voor het bepalen daarvan zijn van belang het in de
                    inspraakverordening opgenomen recht van beklag en de toetsing door hogere
                    bestuursorganen.</al>
        <al/>
        <al>De nieuwe gemeentewet schrijft voor dat in de inspraakverordening een regeling
                    wordt getroffen voor de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang
                    hebbende natuurlijke en rechtspersonen in de gelegenheid worden gesteld hun
                    beklag te doen over de uitvoering van de verordening.</al>
        <al/>
        <al>In dit kader is het noodzakelijk aandacht te geven aan een uitspraak van de
                    Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 27 juli 1991, gepubliceerd in de
                    Gemeentestem nr. 6940, 7 m.n.</al>
        <al>Teunissen, inzake de toepassing van de inspraakverordening van de gemeente
                    Boskoop.</al>
        <al>In deze uitspraak geeft de Afdeling in de eerste plaats aan dat de door
                    burgemeester en wethouders conform de inspraakverordening vastgestelde
                    inspraakprocedure moet worden aangemerkt als een nadere regeling als bedoeld in
                    artikel 169 (oude) gemeentewet, en derhalve als een algemeen verbindend
                    voorschrift. In zijn noot onder deze uitspraak merkt Teunissen op dat het
                    terecht is dat de Afdeling (in casu) nu van mening is dat artikel 169
                    gemeentewet ook basis is voor delegatie in een medebewindsverordening. Een
                    probleem overigens dat door artikel 157 van de nieuwe Gemeentewet wordt
                    ondervangen. Dit artikel legt een algemene grondslag voor delegatie van
                    bevoegdheden van de raad aan burgemeester en wethouders, inclusief het stellen
                    van nadere regels zowel op autonoom als op medebewindsterrein.</al>
        <al/>
        <al>In de tweede plaats geeft de Afdeling aan dat in het kader van inspraak twee
                    categorieën (rechts)handelingen te onderscheiden vallen, te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>besluiten betreffende hetgeen object van inspraak in de zin van de wet
                            is danwel wie subject is van inspraak;</al></li>
          <li nr="b."><al>besluiten en (andere) handelingen c.q. nalaten ter uitvoering van een
                            inspraakverordening of -procedure.</al></li>
        </lijst>
        <al>Hierbij dient het volgende onderscheid gemaakt te worden:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>besluiten betreffende hetgeen object van inspraak in de zin van de wet
                            is danwel wie subject is van inspraak;</al></li>
          <li nr="b."><al>besluiten en (andere) handelingen c.q. nalaten ter uitvoering van een
                            inspraakverordening of -procedure.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Besluiten genoemd onder a. hebben een beschikkingskarakter, zij zijn alle
                    gericht op rechtsgevolg en voldoen ook overigens aan de in artikel 2 van de Wet
                    administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen gegeven omschrijving van het
                    beschikkingsbegrip. Op deze bezwaren is de Awb van toepassing.</al>
        <al/>
        <al>Een beslissing op een klacht zoals genoemd onder b. kan wel worden meegenomen
                    bij de toetsing van het besluit in het kader van de voorbereiding waarvan de
                    inspraak plaatsvond. Voor dit kunnen meenemen van uitvoeringsklachten geldt wel
                    als voorwaarde dat gebruik is gemaakt van het in de wet en in de
                    inspraakverordening neergelegde beklagrecht. </al>
        <al>Indien dus niet eerst een klacht wordt ingediend tegen de wijze van uitvoering
                    van de inspraakprocedure dan kan zo'n uitvoeringsklacht niet meer worden
                    ingebracht in een bezwaar- of beroepsprocedure tegen het besluit met het oog
                    waarop de inspraak werd verleend.</al>
        <al/>
        <al>
          <onderstreept>Slot- en overgangsbepalingen (artikelen 9 en
                    10)</onderstreept>.</al>
        <al>Deze artikelen behoeven geen toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>