<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR124887_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-04-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zutphen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-186540.html">Gemeenteblad 2016, 186540</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=artikel 149&amp;g=2011-12-06">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-02-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-04-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1:3, 1:8, 2:12, 2:24, 2:28, 2:34d, 2:38; 2:39, 2:48, 2:58, 2:59, 2:66, 2:67, 2:68, 4:1, 4:3, 5:31A, 5:34a, 6:1, 6:2 en Toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>89157</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1. Verwijderingsregeling fietsen en bromfietsen Zutphen 2006 (art. 5.1.11)</al><al>2. Nadere regels seksinrichtingen en escortbedrijven (art. 3.1.3)</al><al>3. "Nadere regels" ingevolge de Verordening op het Stads- en Landschapsschoon 2006, ingevolge de Algemene plaatselijke verordening 2005 en ingevolge de Bouwverordening</al><al>4. Uitvoeringsbesluit Aanleg geveltuinen in de gemeente Zutphen (art. 2.1.5.1 en 2.1.5.2)</al><al>5. Beleidsregel, Driehoeksreclameborden in de gemeente Zutphen</al><al>6. Beleidsregels onheffing parkeren caravans, aanhangwagens e.d.</al><al>7. Beleidsregels voor bevelen tot gebiedsontzegging op grond van artikel 2.4.10a APV</al><al>8. Beleidsregels straatmuzikanten 2013</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zutphen,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouder van 22 november 2011 met
                        nummer 68457;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Algemene Plaatselijke Verordening 2011</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al> bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al> bouwwerk: hetgeen in artikel 1.1 van de Bouwverordening Zutphen
                                    daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al> college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al> gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al> handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="-"><al> openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="-"><al> openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al> rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="-"><al> weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4,
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.10, vierde lid,
                                artikel 2:11 of artikel 4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>[Vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of
                            krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de
                            vergunning zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1. </lidnr><al>Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in
                                het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de
                                aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de
                                beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke
                                behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:25 kan
                                worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 12 weken voor
                                de beoogde datum is ingediend en daardoor een behoorlijke
                                behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de
                            volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel: 2:25 Vergunning evenementen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:39: Exploitatievergunning speelgelegenheid;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 3:4: Vergunning seksinrichting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                            toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                            dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                            samenscholing;</al><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                            weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen
                                            richting te verwijderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving openbare manifestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging,
                                    een vergadering of een samenkomst tot het belijden van
                                    godsdienst of levensovertuiging te houden, geeft daarvan voor de
                                    openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging,
                                    vergadering of samenkomst wordt gehouden, schriftelijk kennis
                                    aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat: </al><lijst><li nr="a."><al> naam en adres van degene die de betoging, de
                                            vergadering of de samenkomst houdt;</al></li><li nr="b."><al> het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voorzover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging, de vergadering
                                            of de samenkomst houdt zal treffen om een regelmatig
                                            verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats in strijd
                                    met de publieke functie ervan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning
                                    (objectvergunning) van het bevoegde bestuursorgaan een openbare
                                    plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                    functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;</al></li><li nr="c."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                            worden geopenbaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende
                                    voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid
                                    en aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>uitstallingen;</al></li><li nr="b."><al>bouwobjecten;</al></li><li nr="c."><al>nader door het college aan te wijzen categorieën van
                                            voorwerpen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover op grond van dit artikel een objectvergunning is
                                    vereist, verleent het bevoegde gezag een omgevingsvergunning in
                                    plaats van een objectvergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    indien het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2,
                                    eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Degene die voornemens is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan
                                    uiterlijk 5 werkdagen tevoren een melding aan het college. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de
                                    categorieën genoemd in lid 3.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een vergunning op grond van dit artikel kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al> indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de inde nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement
                                    Gelderland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan in ieder geval
                                    worden geweigerd indien de aanleg, de beschadiging of de
                                    verandering van de weg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
                                    de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke
                                    taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                            uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                            weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg; </al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg; </al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving; </al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatwerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    Wegenreglement.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht de in de omgeving van dat
                                    bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten
                                    winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in bossen of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan: </al><lijst><li nr="a."><al> te roken gedurende een door het college aangewezen
                                            periode;</al></li><li nr="b."><al> voor zover het de open lucht betreft, brandende of
                                            smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of
                                            te laten liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                    onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken
                                    plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste
                                    boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
                                    afscheiding zijn aangebracht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats of enig deel van een bouwwerk
                                een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                neervallen op een openbare plaats. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20a</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen
                                    en terreinen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen
                                    die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te
                                    dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                    behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en
                                    munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen,
                                    bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: </al><lijst><li nr="a."><al>bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover
                                            deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn
                                            bestemd of overwegend worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>sportwedstrijden, voor zover deze worden gehouden op
                                            terreinen of in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of
                                            overwegend worden gebruikt, </al></li><li nr="c."><al>activiteiten in openbare inrichtingen die in de
                                            uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze
                                            verordening;</al></li><li nr="e."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="f."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="g."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2:3 van deze verordening, op een openbare
                                            plaats;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een
                                            openbare plaats;</al></li><li nr="e."><al>een vechtsportevenement in een gebouw dat voor
                                            sportwedstrijden is bestemd of overwegend wordt
                                            gebruikt;</al></li><li nr="f."><al>een voetbalwedstrijd, waarbij ten minste één betaald
                                            voetbal organisatie is betrokken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder evenemententerrein wordt verstaan: de ruimte die in de
                                    evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten
                                    plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te
                                    kijken of er aan deel te nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten
                                    die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening
                                    vergunningplichtig zijn, heeft de houder van een vergunning voor
                                    het evenement, tijdens de duur van het evenement, geen
                                    afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn
                                    vermeld in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden, op het
                                    evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor
                                    krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist
                                    en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld
                                    in het eerste lid, tenzij die anderen met de houder van de
                                    vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens
                                    de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en
                                    beperkingen, welke aan de vergunning zijn verbonden, in acht te
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben
                                    gesloten als in derde lid bedoeld, is het bepaalde in tweede lid
                                    op hen van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De organisator van een evenement waarvoor op grond van artikel
                                    2:24, tweede lid onder e, vergunning is vereist, is niet van
                                    slecht levensgedrag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester weigert een vergunning als de organisator van
                                    een evenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid onder e,
                                    van slecht levensgedrag is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.25a</nr><titel>Vrijstelling evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen voor door hem aan te
                                    wijzen categorieën evenementen, mits de door de burgemeester te
                                    stellen algemene regels worden nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan een evenement als bedoeld in het eerste lid
                                    verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26a</nr><titel>Gedrag bij evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                    wanordelijkheden te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                    andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een
                                    zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid
                                    in gevaar komt of kan komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die
                                    behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en
                                    munitie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                    ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare
                                    of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                        worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                        consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare
                                        inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel,
                                        restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                        buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt
                                        tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en
                                        andere aanhorigheden;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                        inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid
                                        kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen
                                        worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                        worden bereid of verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting, als bedoeld in één van
                                    de door de burgemeester aangewezen categorieën, te exploiteren
                                    zonder vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester
                                    de vergunning indien de vestiging of de exploitatie van de
                                    openbare inrichting in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet
                                    worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van
                                    de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare
                                    wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                    openbare inrichting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                    weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter
                                    van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of
                                    zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de
                                    spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of
                                    bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt een verklaring omtrent gedrag overgelegd van de exploitant
                                    en de op de aanvraag vermelde leidinggevenden, die niet meer dan
                                    drie maanden voor de aanvraag van de vergunning is afgegeven.
                                    Deze verplichting geldt niet indien de openbare inrichting
                                    tevens een horecabedrijf is als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                    betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting
                                    behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over
                                    de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                    burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van
                                    die weg ten behoeve van een of meer bij de openbare inrichting
                                    horende terrassen weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                            dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                            of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven
                                    tussen 1.00 uur en 7.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                                    horecabedrijf of een daartoe behorend terras.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing in die
                                    situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                    voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk
                                    sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting
                                        krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel
                                        2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet , treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr/><titel/></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Verbod verstrekking sterke drank</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke
                                    drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een
                                    inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van
                                            onderwijs wordt gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is bij jeugdorganisaties of
                                            -instellingen;</al></li><li nr="c."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is bij sportorganisaties of
                                            -instellingen;</al></li><li nr="d."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is voor het snel serveren en/of verstrekken
                                            van al dan niet in eigen onderneming bereide kleine
                                            maaltijden of kleine etenswaren, alcoholvrije dranken
                                            en/of ijs;</al></li><li nr="e."><al>die of waarvan een onderdeel in gebruik is als
                                            wachtruimte voor passagiers van een openbaar
                                            vervoerbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8A</nr><titel>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                                Drank- en Horecawet</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>alcoholhoudende drank,</al></li><li nr="-"><al>horecabedrijf,</al></li><li nr="-"><al>horecalocaliteit,</al></li><li nr="-"><al>inrichting,</al></li><li nr="-"><al>paracommerciële rechtspersoon,</al></li><li nr="-"><al>sterke drank,</al></li><li nr="-"><al>slijtersbedrijf en</al></li><li nr="-"><al>zwak-alcoholische drank,</al></li></lijst><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>Regulering paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend verstrekken op:</al><lijst><li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 uur tot 0.00 uur;
                                            en</al></li><li nr="b."><al>zaterdag vanaf 13.00 uur tot 0.00.</al></li><li nr="c."><al>zondag vanaf 12.00 uur tot 0.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                    drank op dagen dat geen activiteiten of bijeenkomsten worden
                                    gehouden die passen binnen de statutaire doelstelling van de
                                    desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende
                                    drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en
                                    bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet
                                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34c</nr><titel>Beperking verstrekking drank</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, bedrijfsmatig of anders dan om niet,
                                    alcoholhoudende drank te verstrekken in een inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van
                                            onderwijs wordt gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is bij jeugdorganisaties of
                                            -instellingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden, bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke
                                    drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een
                                    inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is bij sportorganisaties of
                                            -instellingen;</al></li><li nr="b."><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak
                                            in gebruik is voor het snel serveren en/of verstrekken
                                            van al dan niet in eigen onderneming bereide kleine
                                            maaltijden of kleine etenswaren, alcoholvrije dranken
                                            en/of ijs;</al></li><li nr="c."><al>die of waarvan een onderdeel in gebruik is als
                                            wachtruimte voor passagiers van een openbaar
                                            vervoerbedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en
                                    tweede lid gestelde verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34d</nr><titel>Verbod Happy Hours</titel></kop><al>Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras
                                bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te
                                verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een
                                periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar
                                gewoonlijk wordt gevraagd.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van
                                vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor
                                    het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                    een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de
                                            Kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder
                                            a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning: </al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid; of</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen ;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c. van de Wet; </al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet; </al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten
                                    toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: </al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor bet aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of
                                    vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te
                                    dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen, of herkenning
                                    bij het plegen voornoemde strafbare feiten te voorkomen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Vervoer van geprepareerde voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente
                                in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen,
                                groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of
                                paden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats: </al><lijst><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                            overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                            voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                            verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers
                                            of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder berokkent.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47a</nr><titel>Verplichte route</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen
                                    verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem
                                    aangewezen route af te wijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te
                                    nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in liet eerste lid geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.48a</nr><titel>Glaswerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel buiten een openbare
                                    inrichting op of aan de weg te bevinden met een glas of open
                                    fles met of zonder alcoholhoudende drank.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een terras
                                    behorende bij een openbare inrichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan het gebruik van milieuvriendelijke
                                    kunststofglazen voorschrijven bij door hem aan te wijzen
                                    evenementen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde verplichting geldt voor de
                                    terrassen van alle openbare inrichtingen die binnen het
                                    evenemententerrein, als bedoeld in artikel 2.2.1., gevestigd
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De houder van een openbare inrichting als bedoeld in het vierde
                                    lid, is verplicht zodanig maatregelen te treffen dat bezoekers
                                    geen glaswerk vanuit zijn inrichting mee de openbare weg
                                    opnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;</al></li><li nr="c."><al>zich zonder redelijk doel op te houden op een
                                            schoolterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, ruimte waar een geldautomaat
                                geplaatst is, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel,
                                parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het
                                publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te
                                bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.50a</nr><titel>Gebiedsontzegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan degene die, hetzij alleen, hetzij in
                                    groepsverband, de openbare orde ernstig verstoort door het
                                    plegen van strafbare feiten, of anderszins personen lastig valt
                                    of schade toebrengt uit het oogpunt van openbare orde het bevel
                                    geven zich te verwijderen en zich verwijderd te houden van of
                                    uit een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied
                                    gedurende de tijd bij het bevel genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich in het gebied te bevinden in strijd met een
                                    krachtens het eerste lid gegeven bevel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voor zover de
                                    persoon tot wie het bevel is gericht:</al><lijst><li nr="a."><al>in het gebied blijkens opgave in het persoonsregister
                                            van de gemeente woonachtig is, of </al></li><li nr="b."><al>aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied
                                            werkzaam is, of</al></li><li nr="c."><al>anderszins aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend
                                            belang heeft zich in dat gebied op te houden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester bepaalt de plaats of het gebied waarvoor een
                                    gebiedsontzegging bij bevel opgelegd kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                    evenemententerrein e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, evenement, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid
                                gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de
                                bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond verboden
                                    die hond te laten verblijven of te laten lopen op de weg: </al><lijst><li nr="a."><al>zonder dat die hond is aangelijnd; </al></li><li nr="b."><al>zonder voorzien te zijn van een halsband of ander
                                            identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk
                                            doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid onder a is niet van toepassing op
                                    door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod genoemd in het eerste lid onder a is niet van
                                    toepassing op de eigenaar, houder of verzorger van een
                                    hond:</al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden;</al><al>of</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van
                                    uitwerpselen ontdoet op of aan de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien degene die zich met een
                                    hond op een openbare plaats begeeft er zorg voor draagt dat de
                                    uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, is een
                                    ieder die zich met een hond op een openbare plaats bevindt,
                                    verplicht een schepje, zakje of ander doeltreffend hulpmiddel
                                    ter onmiddellijke verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen
                                    bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene die zich met hond op een openbare plaats bevindt, is
                                    verplicht de schep, het zakje of ander doeltreffend hulpmiddel
                                    op verzoek te laten zien aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De geboden genoemd onder lid 1, 3 en 4 zijn niet van toepassing
                                    op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat
                                    begeleiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: </al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder b,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer , bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: </al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde
                                            regels, of</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen plaats die een krachtens het eerste lid is aangewezen,
                                    ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte
                                of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze
                                overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester
                                gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                        zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
                                    </al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed; en</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al><lijst><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met
                                                vermelding van zijn woonadres en het adres van de
                                                bij zijn onderneming behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                                adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer
                                                uitoefent; </al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs
                                                van een misdrijf afkomstig is of voor de
                                                rechthebbende verloren is gegaan;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven; </al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen.</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                                gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Carbid schieten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een bus/ container-
                                    /opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas
                                    afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en
                                    water- of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid geldt niet indien het carbid
                                    schieten plaatsvindt tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                                    2.00 uur van het daaropvolgende jaar, mits:</al><lijst><li nr="a."><al>bij het carbid schieten wordt gebruik gemaakt van bussen
                                            met een maximale inhoud van 40 liter;</al></li><li nr="b."><al>het carbid schieten plaats vindt buiten de bebouwde kom
                                            op een afstand van ten minste 100 m van woningen en 300
                                            m van gebouwen, bouwwerken of andere werken waarbinnen
                                            dieren verblijven;</al></li><li nr="c."><al>het vrijschootsveld tenminste 100 m bedraagt en zich
                                            binnen dit schootsveld geen personen en/of openbare
                                            wegen of paden bevinden;</al></li><li nr="d."><al>degene die met carbid schiet redelijkerwijs alle
                                            maatregelen heeft genomen ter voorkoming van gevaar voor
                                            mens en dier.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Handel in en gebruik van verdovende middelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een
                                    openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te
                                    bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te
                                    bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                                    kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de
                                    Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling
                                    af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam
                                    te zijn of daarin te bemiddelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats middelen bedoeld als in
                                    artikel 2 van de Opiumwet, te gebruiken, toe te dienen, dan wel
                                    voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat
                                    gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben.
                                </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding en veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19,
                                2:20a, 2:26a, 2:47, 2:47a, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 van de Algemene
                                Plaatselijke Verordening Zutphen 2011 niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:l</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="f."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="g."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van: </al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; </al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting
                                            door middel van een situatietekening met een schaal van
                                            tenminste 1:1000;</al></li><li nr="e."><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de
                                            Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="f."><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is
                                            tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de
                                            seksinrichting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder: </al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie
                                            openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius,
                                            Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere
                                            rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                            recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge
                                            artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                            Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en
                                                  453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de Kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen; </al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: </al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 1.00 en 7.00
                                            uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 2.30 en 7.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting: </al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn: weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[gereserveeerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit; </al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft; </al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; </al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; </al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting; </al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting; </al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt. </al></li><li nr="i."><al>Zutphen centrum: gebied omsloten door IJssel, spoor, Fanny
                                        Blankers Koenweg, Coehoornsingel, Berkelsingel, Graaf
                                        Ottosingel, Tadamastraat, Houtwal, Vispoortplein,
                                        Martinetsingel, zoals aangegeven op bijgevoegde kaart; </al></li><li nr="j."><al>overig Zutphen: Zutphen, met uitzondering van het gebied
                                        centrum;</al></li><li nr="k."><al>Warnsveld, dorpskern: gebied tussen Rijksstraatweg,
                                        Bonendaal, Vordensebinnenweg, Landweg, zoals aangegeven op
                                        bijgevoegde kaart; </al></li><li nr="l."><al>overig Warnsveld: Warnsveld, met uitzondering van het onder
                                        k. bedoelde gebied.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5. van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen: </al><lijst><li nr="a."><al>Zutphen, centrum;</al></li><li nr="b."><al>overig Zutphen; </al></li><li nr="c."><al>Warnsveld, dorpskern; </al></li><li nr="d."><al>overig Warnsveld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het maximum aantal dagen of dagdelen dat kan worden aangewezen
                                    is 8 voor de gebieden, genoemd in het derde lid onder a en c, en
                                    4 voor de gebieden, genoemd in het derde lid onder b en d. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of op 50
                                    meter afstand indien het dichtstbijgelegen gevoelige gebouw op
                                    meer dan 50 meter afstand ligt. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt in in- en aanpandige gebouwen niet meer dan
                                    50 dB(A) in de periode van 7.00-19.00 uur en 45 dB(A) in de
                                    periode van 19.00-24.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij het bepalen van de geluidswaarde als bedoeld in het zevende
                                    lid worden geen correcties toegepast voor tonaal en
                                    muziekgeluid. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5. van deze verordening- uiterlijk om 24.00 uur te worden
                                    beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting in de delen Zutphen centrum en Warnsveld
                                    dorpskern, toegestaan maximaal 4 incidentele festiviteiten per
                                    kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in
                                    de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5.
                                    van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder
                                    van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting in de delen overig Zutphen en overig
                                    Warnsveld toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per
                                    kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in
                                    de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5.
                                    van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder
                                    van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of op
                                    50 meter afstand indien het dichtstbijzijnde geluidgevoelige
                                    gebouw op meer dan 50 meter afstand van de inrichting ligt.
                                </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt in in- en aanpandige gebouwen niet meer dan
                                    50 dB(A) in de periode van 7.00-19.00 uur en 45 dB(A) in de
                                    periode van 19.00-24.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5. van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd.
                                    Bij het bepalen van de geluidswaarde als bedoeld in het zevende
                                    lid worden geen correcties toegepast voor tonaal en
                                    muziekgeluid. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De houder van een inrichting die een kennisgeving als bedoeld in
                                    dit artikel heeft gedaan, dient omwonenden minimaal een week van
                                    tevoren te informeren over de te houden festiviteit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te houden, toe te laten,
                                feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien de burgemeester
                                het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft
                                wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt
                                beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><al>1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld
                                in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit
                                binnen inrichtingen is de onder d. opgenomen tabel van toepassing,
                                met dien verstande dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="c."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al></li><li nr="d."><al>Tabel </al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>7.00-19.00 uur</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00-23.00 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00-7.00 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van
                                deze verordening van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan vrijstelling verlenen van het verbod voor
                                    bepaalde, door het college aangewezen handelingen, mits aan de
                                    door het college te stellen algemene regels worden
                                    nageleefd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats ziin
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
                                    een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                    openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en
                                    b.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:l</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990).
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 50 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: </al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg in
                                            de bebouwde komt te plaatsen of te hebben; </al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                    landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op de weg in de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op campers,
                                    kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze
                                    voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de
                                    weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod niet
                                    geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan vrijstelling verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in
                                    de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet </al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                            snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten:</al><lijst><li nr="a."><al>op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 20.00 en 8.00
                                            uur.</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de verboden als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen;
                                            of</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,
                                    een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt;</al></li><li nr="c."><al>vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of het
                                    Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, tweede lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; </al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de burgemeester het organiseren van de
                                            snuffelmarkt verboden heeft in het belang van de
                                            openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                            volksgezondheid of het milieu.</al></li><li nr="b."><al>indien degene die voornemens is een snuffelmarkt te
                                            organiseren daarvan niet tevoren melding heeft
                                            gedaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid,
                                    onder b binnen drie weken voorafgaand aan de snuffelmarkt met
                                    vermelding van: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de organisator;</al></li><li nr="b."><al>adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden
                                            wordt;</al></li><li nr="c."><al>de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt
                                            gehouden;</al></li><li nr="d."><al>de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;</al></li><li nr="e."><al>het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden
                                            en verhandeld;</al></li><li nr="f."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="g."><al>het te verwachten aantal bezoekers;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De snuffelmarkt kan worden gehouden indien de burgemeester niet
                                    binnen een week na ontvangst van de melding heeft beslist dat
                                    het organiseren van de snuffelmarkt wordt verboden in het belang
                                    van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid
                                    of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen een week na
                                    ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van
                                    redenen bericht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen buiten de door het college aangewezen gedeelten van
                                    openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het
                                    eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                    de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken , de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregeld onderwerp
                                    wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31A Begripsbepalingen</nr></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al> motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                        1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="-"><al> bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: </al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid
                                            bedoelde gebieden of terreinen;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.33a</nr><titel>Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 5:33 kan het college ten
                                aanzien van door hen bij besluit aangewezen voor publiek
                                toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                                gebruik bedoelde terreinen voorschriften stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de zedelijkheid;</al></li><li nr="c."><al>ter voorkoming van gevaar, schade en overlast;</al></li><li nr="d."><al>ter bescherming van het milieu;</al></li><li nr="e."><al>in het belang van de volksgezondheid.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34a</nr><titel>Verbod op het gebruik van wensballonnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zogenoemde wensballonnen door middel van hete
                                    lucht afkomstig van vuur op te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een wensballon wordt mede verstaan elk voorwerp dat door
                                    middel van open vuur opstijgt en zonder sturing wegdrijft.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><structuurtekst><al>[gereserveerd]</al></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:l</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de
                                op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en
                                beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
                                maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden
                                gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste is artikel 1a van de Wet op de
                                economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde
                                bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid en
                                2:12, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van deze verordening zijn belast:
                                ambtenaren van politie, als bedoeld in artikel 141 Wetboek van
                                Strafvordering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van deze verordening, behoudens
                                hoofdstuk 3, zijn belast: de bijzondere opsporingsambtenaren, als
                                bedoeld in artikel 142 Wetboek van Strafvordering en werkzaam onder
                                verantwoordelijkheid van de gemeente Zutphen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening Zutphen 2005 wordt
                                ingetrokken</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            Zutphen 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Zutphen,</ondertekening><ondertekening>gehouden op:</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Transponeringstabellen</label></kop><al>De nummering van dit model wijkt op enkele plaatsen sterk af van de nummering
                    van de vorige versie. Om de aansluiting tussen de versies gemakkelijker te
                    maken, zijn hieronder transponeringstabellen opgenomen. Van deze versie naar
                    vorige versie </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="89*"/><colspec colname="col2" colwidth="11*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>artikel huidige versie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>vorige versie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al></entry><entry colname="col2"><al>1.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>1.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al></entry><entry colname="col2"><al>1.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                        ontheffing</al></entry><entry colname="col2"><al>1.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                        ontheffing</al></entry><entry colname="col2"><al>1.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:7 Termijnen</al></entry><entry colname="col2"><al>1.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>1.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 1:9 Lex silencio positivo</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.1.2.1</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                                        plaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.2.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.2.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.2.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                        gedrukte stukken of afbeeldingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.3.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.1.4.1</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.1.4.2</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:9 Straatartiest</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.4.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in
                                        strijd met de publieke functie ervan</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.5.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                        weg</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.5.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.5.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                                        voorwerp</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.5.a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</al></entry><entry colname="col2"><al>2.1.6.11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:24 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>2.2.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:25 Evenement</al></entry><entry colname="col2"><al>2.2.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:25a Vrijstelling evenement</al></entry><entry colname="col2"><al>2.2.2.a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring</al></entry><entry colname="col2"><al>2.2.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:26a Gedrag bij evenementen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.2.3.a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:29 Sluitingstijd</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke
                                        sluiting</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven</al></entry><entry colname="col2"><al>2.5.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:34 Verbod verstrekking sterke drank</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.1.a.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.2.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.3.2.2</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.2.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.2.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.3.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:40 Speelautomaten</al></entry><entry colname="col2"><al>2.3.3.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:44a Vervoer van geprepareerde voorwerpen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.4.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:47a Verplichte route</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.5.a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:48a Glaswerk</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.8.a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                        toegankelijke ruimten</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:50a Gebiedsontzegging</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.10.a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                        kermisterrein e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.4.14</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.4.15</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.4.16</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:57 Loslopende honden</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                        dieren</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>2.4.21</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:62 Loslopend vee</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:63 Duiven</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.23</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:64 Bijen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.4.24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:65 Bedelarij</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:66 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>2.5.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                        verkoopregister</al></entry><entry colname="col2"><al>2.5.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van
                                        het Wetboek van Strafrecht</al></entry><entry colname="col2"><al>2.5.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                        goederen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.5.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</al></entry><entry colname="col2"><al>2.5.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:71 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                        tijdens de verkoopdagen</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                        jaarwisseling</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:73a Carbid schieten</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</al></entry><entry colname="col2"><al>2.7.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</al></entry><entry colname="col2"><al>2.8.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>3.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al></entry><entry colname="col2"><al>3.1.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al></entry><entry colname="col2"><al>3.1.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                        (tijdelijke) sluiting</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                        beheerder</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:10 Sekswinkels</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                        dergelijke</al></entry><entry colname="col2"><al>3.2.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</al></entry><entry colname="col2"><al>3.3.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>3.3.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</al></entry><entry colname="col2"><al>3.4.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer</al></entry><entry colname="col2"><al>3.4.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>4.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>4.1.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>4.1.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>4.1.4</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</al></entry><entry colname="col2"><al> 4.1.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder </al></entry><entry colname="col2"><al>4.1.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:7 Straatvegen</al></entry><entry colname="col2"><al>4.4.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen </al></entry><entry colname="col2"><al>4.4.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                        openbare riolen en putten buiten gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>4.4.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 4:11 Kapvergunning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                        afvalstoffen enz.</al></entry><entry colname="col2"><al>4.7.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</al></entry><entry colname="col2"><al>4.7.1a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al></entry><entry colname="col2"><al>4.7.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:17 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>4.5.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                                        kampeerterreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>4.5.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</al></entry><entry colname="col2"><al>4.5.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                        e.d.</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.2a</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                        voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met
                                            stankverspreidende stoffen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                                        voertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</al></entry><entry colname="col2"><al>5.1.11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:14 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al> 5.2.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:15 Ventverbod</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:17 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.3.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.3.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.3.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.3.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.3.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:22 Begripsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</al></entry><entry colname="col2"><al>5.2.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                                        vaartuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.3.8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:32 Crossterreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.4.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</al></entry><entry colname="col2"><al>5.4.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 5:33a Voorschriften natuurgebieden en andere
                                        terreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>5.4.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                            inrichtingen of anderszins vuur te stoken</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>5.5.1</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>6.1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al></entry><entry colname="col2"><al>6.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al></entry><entry colname="col2"><al>6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                        verordening</al></entry><entry colname="col2"><al>6.4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</al></entry><entry colname="col2"><al>6.5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 6:6 Citeertitel</al></entry><entry colname="col2"><al>6.6</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Van vorige versie naar huidige versie</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="11*"/><colspec colname="col2" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>vorige versie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>artikel huidige versie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                                        ontheffing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                                        ontheffing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:7 Termijnen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.1.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.1.2.1</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.2.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                                        plaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.2.3</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.2.4</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.3.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                                        gedrukte stukken of afbeeldingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.1.4.1</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.1.4.2</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:9 Straatartiest</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.5.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in
                                        strijd met de publieke functie ervan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.5.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                        weg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.5.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                                        voorwerp</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.5a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.9</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.10</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.1.6.11</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.2.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:24 Begripsbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.2.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:25 Evenement</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.2.2.a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:25a Vrijstelling evenement</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.2.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.2.3.a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:26a Gedrag bij evenementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.2a</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:29 Sluitingstijd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke
                                        sluiting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:31 Verbodengedragingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.1a.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:34 Verbod verstrekking sterke drank</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.2.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.3.2.2</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.2.3</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.2.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.3.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.3.3.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:40 Speelautomaten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:44a Vervoer van geprepareerde voorwerpen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.5a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:47a Verplichte route</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.8a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:48a Glaswerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.9</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.9a</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.10</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek
                                        toegankelijke ruimten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.10a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:50a Gebiedsontzeggingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.11</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.12</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                                        kermisterrein e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.13</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.4.14</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.4.15</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.4.16</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.17</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:57 Loslopende honden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.18</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.19</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.20</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke
                                        dieren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.20a</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>2.4.21</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.22</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:62 Loslopend vee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.23</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:63 Duiven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.4.24</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:64 Bijen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.5.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:66 Begripsbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.5.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                        verkoopregister</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.5.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van
                                        het Wetboek van Strafrecht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.5.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                                        goederen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.5.5</al></entry><entry colname="col2"><al> Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.5.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.6.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:71 Begripsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                        tijdens de verkoopdagen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                        jaarwisseling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.7.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.8.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.1.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.1.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.1.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden;
                                        (tijdelijke) sluiting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                        beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:10 Sekswinkels</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.2.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                        dergelijke</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.3.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.3.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.4.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.4.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>3.5.1</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.1.4</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.4.1.</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.4.3</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.4.4</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.4.4a</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.4.5</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:7 Straatvegen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.7</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.8</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en
                                            niet openbare riolen en putten buiten
                                        gebouwen</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.1a</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.5.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:17 Begripsbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.5.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                                        kampeerterreinen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.5.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.7.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest,
                                        afvalstoffen enz.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.7.1a</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van
                                            meststoffen</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>4.7.2</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                                        e.d.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.2a</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>5.1.4</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                                        voertuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.9</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met
                                            stankverspreidende stoffen</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.10</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                                        voertuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1.11</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:14 Begripsomschrijving</al><al>Artikel 5:15 Ventverbod</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.3.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:17 Begripsbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.3.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.3.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.3.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.3.5</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:22 Begripsbepaling </al><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                                        vaartuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.3.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.4.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:32 Crossterreinen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.4.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 5:33a Voorschriften natuurgebieden en andere
                                        terreinen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>5.5.1</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten
                                            inrichtingen of anderszins vuur te stoken</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.6.1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.6.2</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.6.3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 6:1 Strafbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.4</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                        verordening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 6:6 Citeertitel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:65 Bedelarij</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:73a Carbid schieten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop><cursief>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</cursief></tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><al>Openbare plaats</al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al>Weg</al><al>Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg maakt daar
                    onderdeel van uitmaakt.</al><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:</al><lijst><li nr="a."><al> de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de
                            wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de
                            grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar
                            zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik
                            heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);</al></li><li nr="b."><al> de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de
                            voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als
                            gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en
                            het in stand houden van de weg in te grijpen.</al></li></lijst><al>Op of aan de weg</al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27
                    van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen
                    het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.
                    Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er
                    bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar
                    geen weg, maar wel openbare plaats.</al><al>Openbaar water</al><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</al><al>Bebouwde kom</al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de
                    bebouwde kom.</al><al>Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van
                    gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de
                    Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Het is
                    daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de
                    verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus
                    mee gepubliceerd worden.</al><al>Een alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen
                    van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de
                    Wegenverkeerswet 1994.</al><al>Rechthebbende</al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al>Bouwwerk</al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren”.</al><al>Gebouw</al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt”.</al><al>Handelsreclame</al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing
                    op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal
                    niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan
                    artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze
                    verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.</al><al>Bevoegd gezag</al><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of
                    veranderen van een weg (artikel 2:11).De vergunning voor het aanleggen of
                    veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de
                    Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan
                    overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan
                    van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende
                    zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie
                    verder de toelichting bij artikel 2:10.</al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop><al>Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van
                    de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde
                    aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen
                    soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze
                    termijn hebben we op acht weken gesteld (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht
                    tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de
                    aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar
                    en beroep gaan.</al><tussenkop>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</tussenkop><al>[vervallen]</al><tussenkop>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al>In de algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of
                    krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf
                    op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    voorschriften.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een
                    voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen
                    van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                    vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                    karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het
                    aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn
                    als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                    terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><tussenkop>Artikel 1:7 Termijnen</tussenkop><al>Vóór juni 2007 kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een
                    krachtens het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden
                    konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden
                    verlengd.</al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden; </al></li><li nr="b."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang; </al></li><li nr="c."><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang.</al></li></lijst><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    “Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal.” (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor
                    bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is
                    en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al>Zie voor de betekenis van “een dwingende reden van algemeen belang” bij de
                    toelichting onder artikel 1:8.</al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><tussenkop>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels
                    kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze
                    werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende
                    bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het
                    geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten
                    is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ter bevordering van de
                    systematiek en duidelijkheid binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I
                    algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels
                    zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning
                    andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in
                    het betreffende artikel genoemd. In enkele gevallen is van artikel 1:8
                    afgeweken.</al><al>Europese Dienstenrichtlijn</al><al>Vergunningen</al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn
                    deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt.
                    Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd,
                    zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al><al>Meldingen</al><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan
                    wij dit kennen.</al><al>Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat de
                    Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                    afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen
                    ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot
                    of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt
                    dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een
                    ‘vergunning’zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te
                    schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze
                    verordening is een eendaags klein evenement.</al><al>Vestiging of tijdelijke overschrijding</al><al>Bij het screenen van de APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                    ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                    dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in
                    hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan.</al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake
                    van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische
                    activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht.
                    Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd
                    wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer
                    zijn activiteiten onderneemt. (overweging 37 bij de richtlijn).</al><al>In het licht van beide regimes moet worden bekeken of een vergunningstelsel is
                    toegestaan.</al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat vergunningstelsels toe, mits aan de
                    volgende vereisten is voldaan:</al><lijst><li nr="·"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                            aanvraagt;</al></li><li nr="·"><al>de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een
                            dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip
                            dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door
                            het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                            betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de
                            volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid,
                            als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere
                            dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de
                            richtlijn);</al></li><li nr="·"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid).</al></li></lijst><al> De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn
                    dienst te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16 van de
                    Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel strengere
                    criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><lijst><li nr="·"><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener;</al></li><li nr="·"><al>er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid).
                            Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een
                            strengere eis dan artikel 9;</al></li><li nr="·"><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid).</al></li></lijst><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn
                    toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan
                    aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt
                    van rechtsgelijkheid niet wenselijk.</al><al>Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te
                    brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke
                    grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders
                    zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een
                    bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om
                    zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen
                    onderdanen.</al><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                    aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd
                    zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten
                    bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de model-apv geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en
                    dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</al><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><al>Overlast</al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al>Verkeersveiligheid</al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</al><al>Veiligheid van personen en gezondheid</al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al>Zedelijkheid</al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
                    waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan,
                    palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook
                    andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’
                    hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige
                    weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat.</al><al>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder
                    b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling
                    van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is
                    daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet
                    worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden
                    gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen.
                    Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een
                    aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in
                    artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken
                    vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had. </al><al>Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te
                    beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late)
                    tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling
                    hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit
                    waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of
                    ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie
                    in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel)
                    duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant
                    van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke
                    gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken
                    voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke
                    behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Voor evenementen is de termijn van drie weken doorgaans te kort om tot een goede
                    behandeling van de aanvraag te komen. Met toevoeging van het derde lid wordt
                    voor evenementenvergunningen een termijn van twaalf weken gesteld. Dit sluit aan
                    bij de huidige regeling, zoals die in het evenementenbeleid is vastgesteld. Met
                    deze regeling wordt bevorderd dat vergunningaanvragen tijdig worden
                    ingediend.</al><tussenkop>Artikel 1:9 Lex silencio positivo</tussenkop><tussenkop>Art. 2:25 Vergunning evenementen</tussenkop><al>Kleinere evenementen zijn vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op
                    grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien
                    de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals de brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer een parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien.</al><tussenkop>Art. 2:28 Exploitatie openbare inrichting</tussenkop><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                    positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen
                    belang.</al><tussenkop>Art. 2:39 Speelgelegenheid</tussenkop><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn
                    als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke
                    toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio
                    positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen
                    belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid.</al><tussenkop>Art. 3:4 Seksinrichingen</tussenkop><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                    rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook
                    niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde
                    en volksgezondheid. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Openbare orde</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden </tussenkop><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><tussenkop>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><al>Hier is de term 'bevoegd gezag' vervangen door 'bevoegde bestuursorganen'.</al><al>Eerste lid</al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.”</al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al>Tweede lid</al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter
                    meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft
                    misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om
                    bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12
                    Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de
                    rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde.
                    Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling
                    een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element
                    vormt.</al><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van
                    artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel
                    levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van
                    artikel 186 WvSr.</al><tussenkop>Afdeling 2: Betoging</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:2 Optochten (Gereserveerd)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare
                    plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare
                    plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt voor de gevallen waarin voor deze samenkomsten een kennisgeving is
                    vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM
                    kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving
                    voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM
                    kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij
                    bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te
                    geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en
                    betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester
                    o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al>Vierde lid</al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken.</al><tussenkop>Artikel 2:4 Afwijking termijn</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte stukken</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of
                    gedrukte stukken of afbeeldingen</tussenkop><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid
                    toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen
                    gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel
                    2:42.</al><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                    Gemeentewet.</al><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                            gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                            wet.</al></li><li nr="2."><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                            toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</al></li><li nr="3."><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                            voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof
                            nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                            volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor
                            personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede
                            zeden.</al></li><li nr="4."><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                            handelsreclame.</al></li></lijst><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude
                    Grondwet kan als volgt worden samengevat.</al><al>Wabo</al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar
                    een element van handelsreclame in zit.</al><tussenkop>Afdeling 4: Vertoningen e.d. op de weg</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:8 Dienstverlening</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:9 Straatartiest</tussenkop><al>Het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen
                    evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde
                    geldt voor straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel
                    2:9.</al><al>De motieven om openbare plaatsen aan te wijzen zijn: dwingende redenen van
                    algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. Zie voor de betekenis van deze begrippen het
                    commentaar onder artikel 1.8.</al><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip
                    “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de
                    toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke
                    uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van
                    degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986,
                    Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7,
                    derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof
                    nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                    inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten
                    echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                    van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                    gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat
                    betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
                    bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6, Beperking
                    aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, is dat
                    uitgewerkt in een verbod met ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde straten
                    en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd.</al><al>De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><al>Lex silencio positivo</al><al>Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden
                    zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren, en niet op aanvraag.
                    Mocht er wel een aanvraag aan de orde zijn, dan bestaan er geen duidelijke
                    bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal
                    vaker op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen,
                    bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is
                    geen reden om van een lex silencio af te zien. </al><tussenkop>Afdeling 5: Bruikbaarheid en aanzien van de
                    weg</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
                    of op andere openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of
                    plaats</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al>Vergeleken met het oude artikel 2.1.5.1. APV is in dit artikel een
                    dereguleringsslag gemaakt:</al><al>Een aantal gedetailleerde bepalingen zijn vervallen, zoals het deel van lid 1
                    dat regels voor voorwerpen boven de weg stelde, tot op de twintig centimeter.
                    Het college kan een aanzienlijke verlaging van de administratieve lasten
                    bereiken door ruim invulling te geven aan de vrijstellingsbepaling van het derde
                    lid. Eén van de belangrijkste ergernissen die de toepassing van dit artikel
                    oproept, is dat gemeenten soms een vergunning eisen terwijl van reële hinder of
                    overlast geen sprake is. </al><al>Ter bevordering van deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de
                    APV zijn in mei 2007 twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7
                    bepaalt dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de
                    algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd
                    tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. Zie voor meer informatie
                    de toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al>Het plaatsen van voorwerpen op de weg</al><al>Inboedels</al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de
                    ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:10. Tegen
                    dergelijke overtredingen kan preventief handhavend worden opgetreden.</al><al>Wabo</al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een
                    nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</al><al>Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                    bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen
                    voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat
                    om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld plaatsen van bloembakken, straatmeubilair en dergelijke).</al><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een
                    grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van het
                    bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als de onmgevingsvergunning (vierde lid)
                    nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen
                    zijn. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van
                    artikel 2.2, tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of
                    aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat
                    de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. Wij
                    verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en hebben 2.2,
                    tweede lid van de Wabo in de APV dan ook niet toegepast.</al><al>Tweede lid, onder a: evenementen</al><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2:10. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de
                    voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de
                    verkeersveiligheid worden gewaarborgd.</al><al>Tweede lid, onder b: standplaatsen</al><al>Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5:17 van
                    toepassing is.</al><al>Tweede lid, onder c</al><al>Het verbod van artikel 2:10, lid 1, is niet van toepassing op voorwerpen waarop
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke
                    uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van
                    meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:1. wel verboden om uitingen te
                    doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.</al><al>Derde lid</al><al>Uitstallingen en bouwobjecten worden uitgezonderd van de vergunningplicht. Het
                    college dient hier nadere regels over te stellen</al><al>Zevende lid</al><al>Hier is een afwijking van de genoemde algemeen geldende weigeringsgronden
                    opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde problemen,
                    hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik ervan, niet voldoet
                    aan de redelijke eisen van welstand of overlast veroorzaakt voor gebruikers van
                    de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al><tussenkop>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                    weg</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al>Tweede lid</al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of
                    veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten
                    opgenomen.</al><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van deze verordening. Indien de
                    activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening,
                    exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is
                    het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er
                    ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen
                    vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al>Derde lid</al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Vierde lid</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><tussenkop>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen
                    creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de
                    kant van de weg) te veel belemmeren. Een uitwegvergunning kan worden geweigerd
                    indien (één van) de weigeringsgronden genoemd in het derde lid aan de orde (is)
                    zijn.</al><al>Ten einde de bruikbaarheid van de weg te waarborgen is het toegestaan een
                    vergunning te eisen en via voorschriften de wijze waarop wordt uitgeweegd te
                    regelen. </al><al>Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning
                    is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is,
                    indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het
                    vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de
                    veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als
                    de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke
                    toestemming worden gegeven. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat
                    anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat
                    hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><tussenkop>Afdeling 6: Veiligheid op de weg</tussenkop><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van
                    het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
                    aangemerkt kunnen worden.</al><tussenkop>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</tussenkop><al>Gereserveerd.</al><tussenkop>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen. Het
                    aanbrengen van een herkenningsteken is als verplichting geschrapt. </al><tussenkop>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of
                    voorwerp</tussenkop><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><tussenkop>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</tussenkop><al>Gereserveerd.</al><tussenkop>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en
                    natuurterreinen</tussenkop><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. </al><tussenkop>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk
                    voorwerp</tussenkop><al>Elektrische schrikdraadinstallaties worden inmiddels ook door particulieren
                    gebruikt ter bescherming van hun (volks)tuin, volière en dergelijke tegen
                    dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen eisen gesteld. Deze bepaling
                    gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen
                    van schrikdraad en puntdraad.</al><tussenkop>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling spreekt voor zich.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:20a Gevaarlijke voorwerpen</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het kader van de bestuurlijke ophouding.</al><tussenkop>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en
                    verlichting</tussenkop><al>Afbakening</al><al>De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><tussenkop>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</tussenkop><al>Gereserveerd.</al><tussenkop>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</tussenkop><al>Gereserveerd.</al><tussenkop>Afdeling 7: Evenementen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:24 Begripsomschrijving</tussenkop><al/><al>Eerste lid</al><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”)
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt.</al><lijst><li nr="1."><al>In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoop,- theater en
                            muziekvoorstellingen voor zover deze worden gehouden in gebouwen die
                            daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt. Deze voorstellingen
                            worden niet als evenement aangemerkt.</al></li><li nr="2."><al>Dit geldt ook voor sportwedstrijden op terreinen of in gebouwen die
                            daarvoor bestemd zijn of overwegend worden gebruikt. Uitzondering hierop
                            zijn vechtsportevenementen. Vanwege het bijzondere karakter en de
                            risico’s die hiermee gepaard gaan, wordt deze categorie wel als
                            vergunningplichtig aangemerkt. Zie tweede lid onder e.</al></li><li nr="3."><al>Dansen in een inrichting op grond van de Drank- en Horecawet is
                            uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet
                            als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel
                            plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv.
                            het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel
                            als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78. Zie verder hieronder
                            onder feest.</al></li><li nr="4."><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten.
                            Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder
                            h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de
                            gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
                            Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 5:22 van de APV.
                            Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de toelichtingen
                            bij artikel 5:22 en de Marktverordening Zutphen 2006. </al></li><li nr="5."><al>De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al></li><li nr="6."><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom.
                            Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3.</al></li><li nr="7."><al>Onder g zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9
                            (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om
                            dubbele regelgeving te voorkomen.</al></li></lijst><al>Tweede lid</al><al>Herdenkingsplechtigheid</al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><al>Braderie</al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in
                    de zin van artikel 5:22, van de model-Apv. Omdat een braderie een voor publiek
                    toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.</al><al>Optochten</al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    (Wom) van toepassing.</al><al>Feest, muziek</al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij
                    feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld
                    worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de
                    uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij
                    schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader
                    van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast.</al><al>Vechtsportevenementen</al><al>De uitzondering van de vergunningplicht voor het houden van sportwedstrijden
                    binnen gebouwen kan op gespannen voet komen te staan met andere belangen zoals
                    openbare orde en veiligheid. Zo wijzen ervaringen op diverse plekken uit dat er
                    bij sommige vechtsportevenementen zoals freefight- en kickboxgala’s een
                    verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement.
                    Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in
                    een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet. Daarom is de
                    mogelijkheid in de APV opgenomen om aan het organiseren van dergelijke
                    evenementen wel een vergunningplicht te koppelen, in afwijking van de
                    uitzondering benoemd in het eerste lid onder b. </al><al>Tevens is de vergunningplicht van toepassing op voetbalwedstrijden, waarbij één
                    betaald voetbal-organisatie is betrokken. In geval er een voetbalwedstrijd
                    plaats vindt, waarbij een betaald voetbal-organisatie betrokken is, is van
                    belang dat in het kader van de openbare orde de burgemeester de bevoegdheid
                    heeft om te besluiten of de wedstrijd plaats kan vinden en hier zo nodig
                    voorschriften aan te verbinden. Daarom wordt deze categorie activiteiten op
                    sportterreinen in het tweede lid wel als vergunningplichtig aangemerkt (tweede
                    lid, onder f.).</al><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
                    bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een
                    optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud) (is gelijk
                    aan artikel 2:25 nieuw)( vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388
                    (Ghostship/Ghosthouse).</al><al>Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor
                    publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor
                    publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen,
                    muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting
                    als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het
                    college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een
                    inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen
                    op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning worden opgenomen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2:25 Evenement</cursief></al><al>De organisator van een evenement is verantwoordelijk voor het indienen van een
                    aanvraag, waarin alle onderdelen van het evenement zijn opgenomen. Voor het
                    evenement wordt één vergunning verleend, die alle onderdelen omvat, ook de
                    onderdelen die door derden in opdracht van de organisator worden uitgevoerd.
                    Voorzover derden zich aan de organisator verbonden hebben, vallen zij onder de
                    evenementenvergunning en hebben zij geen afzonderlijke vergunning nodig. Dit
                    betekent dat geen andere vergunningplichtige activiteiten zijn toegestaan, dan
                    die in de evenementenvergunning zijn opgenomen. </al><al>Aan de organisator van een vechtsportevenement wordt de eis gesteld dat deze een
                    verklaring omtrent gedrag kan overleggen. De eis van het levensgedrag wordt hier
                    gesteld om te kunnen toetsen of de organisator van een dergelijk evenement op
                    grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan zijn verantwoordelijkheden te
                    voldoen. De organisator van een evenement is verantwoordelijk voor een goede
                    gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel
                    in het gebouw als de direct omgeving daarvan. De burgemeester weigert de
                    vergunning als de levensgedragtoets negatief uitvalt.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:25a Vrijstelling evenement</tussenkop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid voor de burgemeester om categorieën van
                    evenementen aan te wijzen waarvoor de vergunningplicht niet geldt. Hierbij moet
                    gedacht worden aan kleinschalige evenementen, die nauwelijk overlast veroorzaken
                    en waarvan geen problemen te verwachten zijn voor de openbare orde en
                    veiligheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om buurtfeesten en –barbecues. Aanwijzing
                    van deze categorieën leidt tot administratieve lastenvermindering. Er kunnen wel
                    algemene regels gesteld worden, waaraan deze evenementen moeten voldoen.</al><tussenkop>Artikel 2:26 Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Artikel 2:26a Gedrag bij evenementen</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het kader van de bestuurlijke ophouding.</al><tussenkop>Afdeling 8: Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:27</tussenkop><al>In plaats van de term “horecabedrijf” wordt nu de term “openbare inrichting”
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met “horecabedrijf” alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de
                    zogenaamde “natte horeca”. De bepalingen in de APV betreffen juist ook de
                    bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde “droge
                    horeca”: tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</al><tussenkop>Artikel 2:28</tussenkop><al>De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen aanwijzen, die een
                    vergunning nodig hebben voor het exploiteren van een openbare inrichting. De
                    openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf
                    kunnen door middel van een preventieve toetsing worden beschermd. </al><al>Strijd met het bestemmingsplan is als imperatieve weigeringsgrond opgenomen,
                    omdat het in de praktijk regelmatig voorkomt, dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag noch de openbare orde noch het woon en leefklimaat zich tegen
                    verlening verzetten, terwijl het geldende bestemmingsplan vestiging van een
                    openbare inrichting ter plaatse niet toelaat. Het is dan moeilijk uit te leggen
                    dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik
                    gemaakt kan worden. </al><al>De burgemeester dient per inrichting aan te tonen of aannemelijk te maken, dat
                    en in hoeverre de aanwezigheid dan wel de wijze van exploitatie van de betrokken
                    inrichting de leef- en woonsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze
                    nadelig beïnvloedt.</al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een openbare
                    inrichting zich al dan niet verdraagt met het woon en leefklimaat en de openbare
                    orde ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf
                    overlast te duchten is, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de
                    leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten.</al><al>Krachtens artikel 1:4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de
                    exploitatievergunning. </al><al>Op basis van artikel 1:5 is de vergunning persoonsgebonden. Dat is bij deze
                    exploitatievergunning niet zonder reden. De persoon van de exploitant speelt een
                    belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze
                    exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die
                    reden is in het vijfde lid de verplichting opgenomen voor de vergunningaanvrager
                    om een recente verklaring omtrent gedrag over te leggen. In het kader van de Wet
                    BIBOB, (Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) zal de gemeente
                    eerst zelf al het mogelijke moeten doen om de integriteit en achtergrond van de
                    vergunningaanvrager te onderzoeken. Een belangrijk hulpmiddel kan daarbij de
                    verklaring omtrent het gedrag zijn. Omdat de Drank- en Horecawet reeds andere
                    mogelijkheden biedt om antecedentenonderzoek te doen naar de aanvrager van een
                    vergunning, wordt de verplichting om een verklaring omtrent gedrag over te
                    leggen beperkt tot die horecabedrijven die geen alcoholhoudende drank
                    verstrekken.</al><tussenkop>Artikel 2:29 Sluitingstijden</tussenkop><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester ingevolge het tweede lid andere sluitingstijden vaststellen voor
                    een afzonderlijk horecabedrijf. De sluitingstijden worden als voorschrift
                    opgenomen in de in artikel 2:28 bedoelde exploitatievergunning. Over de
                    uitoefening van deze bevoegdheid, kan de burgemeester desgewenst beleidsregels
                    vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet
                    bestuursrecht. </al><al>De sluitingsbepalingen gelden niet voorzover de op de Wet milieubeheer (Wm)
                    gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wm beoogt een uitputtende
                    regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het
                    milieu door het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. </al><tussenkop>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                    sluiting</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><al>Derde lid</al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet “Damocles” (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het derde lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. </al><tussenkop>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</tussenkop><al>Onder a:</al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al>Onder b:</al><al>De sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Het bepaalde in onderdeel b.
                    van dit artikel richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als
                    die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd
                    dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:30. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><tussenkop>Artikel 2:32 Handel binnen openbare
                    inrichtingen</tussenkop><al>Dit artikel betreft een verbod van heling; het gaat om het oude artikel 2.5.5
                    uit afdeling 12 (betreffende heling) dat in 2008 naar deze afdeling verhuisd is,
                    met de bedoeling om alle artikelen betreffende openbare inrichtingen bij elkaar
                    te plaatsen. Met de term ‘gebruikte of ongeregelde goederen’ worden dezelfde
                    goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt
                    verhandeld.</al><al>In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter
                    slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2:33 Het college als bevoegd
                    bestuursorgaan</tussenkop><al>Het begrip “openbare inrichting” als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174
                    van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2:34 Verbod verstrekking sterke drank</tussenkop><al>Artikel 23 lid 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat bij verordening regels
                    kunnen worden gesteld omtrent het beperken van een vergunning tot het
                    verstrekken van alcoholhoudende drank. In deze bepaling wordt van deze
                    mogelijkheid gebruik gemaakt. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het
                    gestelde verbod.</al><tussenkop>Afdeling 9: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                    nachtverblijf</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:35 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Inrichting</al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><tussenkop>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie </tussenkop><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><tussenkop>Artikel 2:37 Nachtregister</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens
                    nachtregister</tussenkop><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><tussenkop>Afdeling 10: Toezicht op speelgelegenheden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><al>Tweede en derde lid</al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Artikel 2:40 Speelautomaten</tussenkop><al>Dit artikel is een invuling van artikel 30c, tweede lid, Wet op de Kansspelen.
                    Op grond hiervan moet in een gemeentelijke verordening het maximum aantal
                    kansspelautomaten waarvoor vergunning wordt verleend worden vastgelegd. Voor
                    hoogdrempelige inrichtingen wordt dit aantal op grond van de Wet op de
                    Kansspelen op twee bepaald en in laagdrempelige inrichtingen is geen
                    kansspelautomaat toegestaan.</al><tussenkop>Afdeling 11: Maatregelen tegen overlast en
                    baldadigheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of
                    lokaal</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    wordt dit in de APV geregeld. Hiermee wordt een sanctie gesteld op overtreding
                    van het verbod, voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de
                    verzegeling reeds verbroken. </al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen. </al><al>Derde lid</al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:42 Plakken en kladden</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al>Tweede lid</al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien. Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde
                    grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou
                    worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden
                    gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin
                    neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het
                    gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik
                    een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan
                    indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat
                    de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. </al><al>Doen plakken of doen aanbrengen</al><al>Ook het “doen” plakken of het op andere wijze “doen” aanbrengen van
                    aanplakbiljetten valt onder de verbodsbepaling. Dit vanwege de jurisprudentie
                    van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder “doen” aanplakken
                    verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een actieve
                    bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met succes
                    handhaven.</al><al>Vierde tot en met zesde lid</al><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. </al><tussenkop>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken. Deze bepaling maakt
                    geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin
                    in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene
                    rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht. Bij de voorgestelde
                    redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand
                    van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake
                    is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><tussenkop>Artikel 2:44a Vervoer van geprepareerde
                    voorwerpen</tussenkop><al>Het verbod geeft een juridische basis en is tevens handvat voor de politie om in
                    de openbare ruimte op te kunnen treden tegen criminaliteit met behulp van een
                    geprepareerd voorwerp.</al><tussenkop>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</tussenkop><tussenkop>(gereserveerd)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte</tussenkop><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><tussenkop>Artikel 2:47a Verplichte route</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen in verband met de bestuurlijke ophouding (artikel
                    2:75).</al><tussenkop>Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik</tussenkop><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om op een openbare plaats alcoholhoudende
                    drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij
                    zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken
                    van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond
                    van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats
                    waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Omdat het sinds de wijziging van de Drank- en Horecawet in 2013 voor jongeren
                    onder de achttien jaar sowieso verboden is om alcoholhoudende drank te nuttigen
                    of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben, is
                    dit artikel aangepast en is het alleen nog van toepassing op personen die de
                    leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. </al><tussenkop>Artikel 2:48a Glaswerk bij evenementen</tussenkop><al>Glaswerk op straat tijdens evenementen brengt een aantal risico’s met zich mee.
                    Het kan zorgen voor verwondingen bij valpartijen. Glas kan ook als wapen worden
                    gebruik om anderen mee te verwonden. Het kost bovendien extra
                    opruimwerkzaamheden om glasresten tussen bestrating te verwijderen. Dit artikel
                    richt zich nu tot het publiek en tot de organisator van het evenement. Voor het
                    publiek geldt op een verbod om zonder redelijk doel glaswerk op straat bij zich
                    te hebben. Voor de organisator geldt dat aan het tappen op straat het
                    voorschrift wordt verbonden dat alleen kunststofglazen mogen worden gebruikt.
                    Dat desondanks toch glaswerk op straat kan komen, heeft met name te maken met de
                    terrassen die geen buitentaps exploiteren, of horecabedrijven waar publiek
                    glaswerk mee naar buiten neemt. De basis om ook deze categorie glaswerk van het
                    evenemententerrein te weren is in dit artikel opgenomen. Er is een bevoegdheid
                    voor de burgemeester in opgenomen om evenementen aan te wijzen, tijdens welke
                    het aan alle horecabedrijven in het omschreven gebied verplicht is om drank in
                    kunststofglazen te schenken. De verplichting geldt alleen voor de terrassen.
                    Horecabedrijven dienen er op grond van het vijfde lid wel op toe te zien dat
                    bezoekers geen glaswerk mee naar buiten nemen, om te voorkomen dat zo alsnog
                    glaswerk op straat komt. Met de term milieuvriendelijke kunststofglazen wordt
                    met name gedoeld op harde kunststofglazen die voor hergebruik geschikt zijn,
                    zoals in het evenementenbeleid omschreven.</al><al>Omdat het sinds de wijziging van de Drank- en Horecawet in 2013 voor jongeren
                    onder de achttien jaar sowieso verboden is om alcoholhoudende drank te nuttigen
                    of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben, is
                    dit artikel aangepast en is het alleen nog van toepassing op personen die de
                    leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.</al><tussenkop>Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in
                    gebouwen</tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><tussenkop>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek
                    toegankelijke ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”.
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. Het ordeverstorende element ten
                    slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen
                    hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen.</al><tussenkop>Artikel 2:50a Gebiedsontzegging</tussenkop><al>Op grond van dit artikel kan de burgemeester bij bevel een gebiedsontzegging
                    opleggen aan personen die de openbare orde ernstig verstoren door het plegen van
                    strafbare feiten of anderszins personen lastig vallen of schade toebrengen. De
                    maatregel is gericht op het herstel van de openbare orde. Op grond van het
                    vierde lid van dit artikel bepaalt de burgemeester de plaats of het gebied
                    waarvoor een gebiedsontzegging bij bevel kan worden opgelegd.</al><tussenkop>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</tussenkop><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                    kermisterrein e.d.</tussenkop><al>Op grond van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
                    kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De
                    achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de
                    vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement
                    voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 2:53 Bespieden van personen </tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:56 Alarminstallaties</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:57 Loslopende honden</tussenkop><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr="·"><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="·"><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al>Het tweede lid geeft de bevoegdheid om losloopgebieden aan te wijzen.</al><tussenkop>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Bovendien wordt
                    hondenpoep als grote ergernis ervaren.</al><al>De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.
                    Degene die de hond uitlaat moet hiervoor doeltreffende middelen bij zich hebben
                    en dit kunnen tonen.In het vijfde lid wordt een uitzondering opgenomen
                    voor blindegeleidehonden.</al><al/><al><cursief>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</cursief></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke
                    dieren</tussenkop><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Voorzover het college bij een aanwijzing die
                    betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Door in het
                    eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                    op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het
                    (oude) vierde lid is daarmee vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2:61 Wilde dieren </tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:62 Loslopend vee</tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. </al><tussenkop>Artikel 2:63 Duiven </tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:64 Bijen </tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:65 Bedelarij</tussenkop><al>Bedelaars gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te
                    klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de
                    openbare orde in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven
                    te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.
                    Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod
                    geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie
                    in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning
                    vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><tussenkop>Afdeling 12: Bepalingen ter bestrijding van heling van
                    goederen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:66 Begripsbepaling</tussenkop><al><cursief>Handelaar</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.
                    Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren
                    in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden
                    vermeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</tussenkop><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle” goederen). </al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                    verkoopregister.</al><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is
                    bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting
                    van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter
                    van het Wetboek van Strafrecht</tussenkop><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al><cursief>Onder a</cursief></al><al><cursief>Ten eerste</cursief></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</al><al><cursief>Ten tweede en derde</cursief></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, moet
                    de burgemeester hiervan in kennis worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up-to-date houden.</al><al><cursief>Ten vierde</cursief></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al><cursief>Onder d</cursief></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin.</al><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen,
                    strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van vijf dagen,
                    zodat kan worden voorkomen dat een gestolen goed aangeboden wordt bij en
                    doorverkocht door een opkoper terwijl deze nog niet als gestolen is opgegeven.
                    Tevens wordt met deze bewaartermijn de bedrijfsvoering van de handelaren niet al
                    te zeer wordt belemmerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                    goederen </tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Afdeling 13: Vuurwerk</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). </al><al>Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel
                    vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet
                    relevant.</al><tussenkop>Artikel 2:72 Afleveren van vuurwerk</tussenkop><al>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</al><al>Op basis van artikel 2:72 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Artikel 1:7 bepaalt
                    dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Algemene
                    weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare
                    orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de
                    kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast
                    dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het
                    verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en
                    dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare
                    orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen
                    voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van
                    algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en het milieu</al><al>Koopzondag</al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><tussenkop>Artikel 2:73 Bezigen van vuurwerk</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><tussenkop>Artikel 2:73a Carbid schieten</tussenkop><al>Het carbid schieten heeft de laatste jaren aan populariteit gewonnen als
                    goedkoop alternatief voor het afsteken van vuurwerk. Ook in Zutphen komen rond
                    de jaarwisseling regelmatig vragen over de voorwaarden voor het schieten met
                    carbid. De activiteit is niet zonder risico’s voor de veiligheid van personen en
                    goederen en kan bovendien door de harde knallen behoorlijk wat overlast
                    veroorzaken. Het carbid schieten valt niet onder vuurwerk, en de regels uit het
                    Vuurwerkbesluit zijn daarom niet van toepassing. Veel gemeenten zijn er in de
                    afgelopen jaren daarom toe overgaan hierover regels op te nemen in de APV. De
                    invulling van deze regels verschilt per gemeente. In dit artikel worden de
                    tijdstippen waarop het carbid schieten wordt toegestaan gelijk getrokken met de
                    tijdstippen waarop vuurwerk mag worden afgestoken, namelijk op oudjaarsdag vanaf
                    10.00 uur tot 1 januari 2.00 uur. Daarmee wordt de overlast beperkt, omdat het
                    op deze tijdstippen reeds is toegestaan (knal-)vuurwerk af te steken. De
                    overlast wordt ook beperkt door afstanden en een maximale afmeting van de bussen
                    die gebruikt mogen worden. Tevens wordt ten behoeve van de veiligheid een
                    afstandcriterium ten behoeve van de veiligheid van personen opgenomen. In veel
                    gemeenten zijn uitgebreidere voorschriften te vinden voor het carbid schieten.
                    Bij het opstellen van dit artikel is getracht het aantal voorschriften minimaal
                    te houden, in verband met het streven naar beperking van het aantal regels. </al><tussenkop>Afdeling 14: Drugsoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen.De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument
                    waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op
                    lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt
                    verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af
                    te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet
                    wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat.
                    Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te
                    nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare
                    feiten tot doel heeft. Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen
                    te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare
                    orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te
                    nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde
                    en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.In dit
                    artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”)
                    strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en
                    concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen
                    van transacties enz.</al><al>In het tweede lid wordt het gebruik van harddrugs op straat verboden gesteld.
                    Omdat dit voor overlast kan zorgen en het gebruik niet strafbaar is op grond van
                    de Opiumwet is dit tweede lid toegevoegd, zodat tegen openlijk harddrugsgebruik
                    kan worden opgetreden.</al><tussenkop>Afdeling 15: Bestuurlijke ophouding,
                    veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Artikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de
                    Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te
                    houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats
                    van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet
                    gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit
                    de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het
                    bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in)
                    een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij
                    groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te
                    houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich
                    bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    lenen. Dit zijn de volgende bepalingen::</al><lijst><li nr="·"><al>artikel 2:1 (samenscholingsverbod);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:10 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:16 (openen straatkolken en dergelijke);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:19 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:20a (gevaarlijke voorwerpen);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:26a (gedrag bij evenementen);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op of aan de weg);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:47a (verplichte route)</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:48 (hinderlijk drankgebruik);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:49 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:50 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten)</al></li><li nr="·"><al>artikel 2:73 (bezigen van vuurwerk) </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="·"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="·"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="·"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><lijst><li nr="·"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="·"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="·"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="·"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels,
                    straatprostitutie e.d.</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1: Begripsbepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”.</al><al>Seksinrichting (onder c)</al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities
                    (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
                    gepubliceerd). “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                    bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                    diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden
                    dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al>Escortbedrijf (onder d)</al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><al>Bezoeker (onder g)</al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><tussenkop>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid). In veruit de meeste gevallen dient de
                    burgemeester derhalve te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn
                    bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen
                    is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college
                    bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college
                    bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg,
                    waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing van
                    tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze afbakening - waar aan
                    de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in hoofdstuk 3
                    het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig
                    gedefinieerd.</al><tussenkop>Artikel 3:3 Nadere regels</tussenkop><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen “nadere regel” maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><tussenkop>Afdeling 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                    dergelijke</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</tussenkop><al>Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht
                    voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de
                    vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard
                    dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige
                    aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of
                    meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt
                    met de feitelijke situatie.</al><al>Voor een goede beoordeling van een vergunningaanvraag is in het tweede lid
                    bepaald welke gegevens in ieder geval moeten worden aangeleverd.</al><tussenkop>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                    vreemdelingen (Wav) opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven
                    tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De
                    relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de
                    bestrijding van de mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                    levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord “naast” aan het begin van het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 3:6 Sluitingstijden</tussenkop><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. De in het
                    eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen werkdagen en het
                    weekeinde. </al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. </al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). </al><tussenkop>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                    sluiting</tussenkop><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr="·"><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6
                            gestelde; of</al></li><li nr="·"><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</al></li></lijst><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in artikel 3.6 tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke
                    sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van
                    afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden
                    van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21
                    van de Awb die door artikel 3:7 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van
                    bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in
                    overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een
                    (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk
                    bepaalde.</al><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven manier. </al><tussenkop>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant
                    en beheerder</tussenkop><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid. Het tweede lid schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een
                    algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde
                    in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten optreden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><tussenkop>Artikel 3:9 Straatprostitutie</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid is straatprostitutie geheel verboden.</al><al>Het tweede lid geeft - ter handhaving van het verbod - politieambtenaren de
                    bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan
                    zo'n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het
                    Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</al><tussenkop>Artikel 3:10 Sekswinkels</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                            leefomgeving in gevaar wordt gebracht;</al></li><li nr="b."><al>(algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij
                            het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en
                            dergelijke als hier bedoeld.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 3: Beslissingstermijn;
                    weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</tussenkop><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Om die reden is
                    een langere beslissingstermijn dan de in artikel 1.2 genoemde wenselijk,
                    namelijk dertien weken.</al><tussenkop>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Eerste lid, onder a: levensgedrag</al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3:5.</al><al>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2:8,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het
                    bestemmingsplan als weigeringsgrond opgenomen. </al><al>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal</al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                    politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f
                    Wetboek van Strafrecht is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden
                    dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of
                    minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te
                    worden voorkomen dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten
                    van arbeid geldige verblijfstitel inzet. </al><al>Tweede lid</al><al>Europese Dienstenrichtlijn</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op sexinrichtingen. Het drijven
                    van een dergelijke onderneming is immers het verrichten van een dienst aan de
                    klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel a. niet
                    discriminatoir, b. noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna alle gevallen
                    gaat het om vestiging van een sexinrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn
                    de bovengenoemde criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9
                    verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder andere
                    de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als
                    bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de
                    maatschappelijke orde; doelstellingen van het sociaal beleid; bescherming van
                    afnemers van diensten; bescherming van werknemers; voorkoming van fraude;
                    bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, verkeersveiligheid. Zie
                    verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of
                    reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    ondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet
                    artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare
                    orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een
                    vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er overeenkomstig de
                    rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke
                    uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een
                    duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                    onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt
                    gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><al>Wij hebben gemeend dat de weigeringsgronden onder de rule of reason vallen. Wel
                    moeten de begrippen worden geïnterpreteerd binnen de bandbreedte van de rule of
                    reason. Andere weigeringsgronden zijn niet geoorloofd. Uiteraard dient
                    gemotiveerd te worden van welke weigeringsgrond sprake is en waarom.</al><al>Tweede lid, onder a: openbare orde</al><al>De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer
                    aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden
                    verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is
                    verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te
                    voorkomen dat de openbare orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw
                    bedrijf verder wordt verstoord.</al><al>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. De exploitatie van seksinrichtingen kan worden
                    tegengegaan op plaatsen waar de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze
                    nadelig zou worden beïnvloed. Ook een aspect van bescherming van de woon- en
                    leefomgeving is uiteraard de omvang van de inrichting. </al><al>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen</al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><lijst><li nr="·"><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                            brandveiligheid van de inrichting zelf; en</al></li><li nr="·"><al>biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover
                            het gaat om het gebruik van de inrichting.</al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid</al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor bijvoorbeeld
                    de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of
                    bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Situaties als deze
                    kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal
                    bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid).</al><al>Tweede lid onder f: gezondheid</al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300)
                    en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid
                    (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op
                    voor de uitvoering van collectieve preventie van onder meer seksueel
                    overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de
                    opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee,
                    waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie, als een van de
                    hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor gemeenten, bijgestaan door
                    de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te voeren.</al><al>Tweede lid, onder f: zedelijkheid</al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de
                    formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239,
                    240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende
                    bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen
                    echter ongemoeid gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve
                    actueel.</al><al>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden</al><al>Volgens de Memorie van Toelichting (MvT) betreft de bescherming en verbetering
                    van de positie van de prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen
                    van de wetswijziging is, onder meer de arbeidsomstandigheden in
                    prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de
                    Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op delen van de
                    prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een arbeidsverhouding als
                    bedoeld in de wet.</al><tussenkop>Afdeling 4: Beëindiging exploitatie; wijziging
                    beheer</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</tussenkop><al>Eerste en tweede lid</al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><tussenkop>Artikel 3:15 Wijziging beheer</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al>Tweede lid</al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al>Derde lid</al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><tussenkop>Afdeling5: Overgangsbepaling</tussenkop><tussenkop>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het
                    natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente </tussenkop><tussenkop>Afdeling 1: Geluidhinder en verlichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al><cursief>Besluit</cursief></al><al>Het Activiteitenbesluit milieubeheer, hierna aangeduid als Besluit, biedt de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan
                    festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</al><al/><tussenkop>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve
                    festiviteiten</tussenkop><al>Eerste lid</al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van
                    het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al>Tweede lid</al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. </al><al>Derde en vierde lid</al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het
                    grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar
                    verschillende dorpskernen of wijken. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld
                    gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties. De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in
                    het oude besluit opgenomen. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal
                    aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. </al><al>Voor de kernen van Zutphen en Warnsveld is het maximum aantal collectieve dagen
                    gesteld op 8. Dit komt overeen met het aantal dagen dat daadwerkelijk als
                    collectieve festiviteit voor de kern van Zutphen wordt aangewezen. Het maximum
                    aantal dagen is voor Zutphen en Warnsveld gelijk getrokken.</al><al>Voor de overige gebieden is het maximum aantal dagen op vier gesteld. Hiermee
                    wordt de mogelijkheid geboden om in deze gebieden, los van de evenementen in het
                    centrum, voor collectieve festiviteiten de vrijstelling te laten gelden.</al><al>Zevende tot en met het negende lid. </al><al>Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke
                    verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en
                    activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel
                    2.21, onderdeel a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om
                    voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij
                    sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Besluit opgenomen.</al><al>De voorwaarden hebben betrekking op beperking van het geluidsniveau en het
                    bepalen van het eindtijdstip. </al><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden
                    hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn.
                    Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm
                    geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het
                    Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke
                    verordening aan te passen (zie ook artikel 41.5). De reguliere geluidsnormen
                    gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen
                    produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van
                    onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek
                    meegenomen in de geluidsnorm.</al><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in
                    tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor
                    wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de
                    handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continu-bedrijven.
                    Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de
                    nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode.
                    Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
                    muziekgeluid niet toegestaan.</al><al>In het zevende lid is de norm voor het buitenniveau vastgelegd. In het achtste
                    lid is de norm voor het binnenniveau vastgelegd. Tijdens de festiviteit gelden
                    deze normen.</al><al>In het tiende lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele
                    festiviteiten</tussenkop><al>Eerste en tweede lid</al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                    een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of
                    straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het
                    maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of
                    dagdelen per jaar betreft. De regeling geldt ook voor festiviteiten bij alle
                    andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat
                    bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en
                    metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige
                    uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen
                    (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit
                    landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt dezelfde indeling gehanteerd als bij de
                    collectieve festiviteiten. Inrichtingen in de delen Zuthpen, centrum en
                    Warnsveld centrum kunnen maximaal vier incidentele festiviteiten houden,
                    inrichtingen hierbuiten maximaal twee.</al><al>Derde lid</al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de
                    beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen
                    naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder voor de
                    sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al>Zevende tot en met het negende lid</al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt het Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat
                    in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b. Voor de algemene toelichting
                    over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de
                    toelichting bij het zevende tot en met het negende lid wordt kortheidshalve
                    verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2. APV, zevende tot en met
                    het negende lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor
                    incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit
                    in plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder
                    het oude besluit.</al><al>Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden, is
                    een evenementenvergunning nodig.</al><tussenkop>Artikel 4:4 Verboden incidentele
                    festiviteiten</tussenkop><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare
                    vermakelijkheden.</al><tussenkop>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</tussenkop><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17 en 2.18 van het Besluit. Het artikel
                    is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten
                    inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet
                    milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene
                    geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto
                    vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Er is voor
                    gekozen om bij de bepaling van de geluidwaarden aan te sluiten bij de waarden
                    voor versterkte muziek.</al><al>De genoemde geluidsniveaus in de in het eerste lid van dit artikel onder d
                    opgenomen tabel zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst
                            of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid
                            in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; </al></li><li nr="b."><al>het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
                            het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en
                            zonsondergang op militaire inrichtingen; </al></li><li nr="c."><al>het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                            muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum
                            van twee uren per week op militaire inrichtingen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</tussenkop><al>Afbakening</al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is
                    gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 4.</al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het
                    kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="·"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; </al></li><li nr="·"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen; </al></li><li nr="·"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; </al></li><li nr="·"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; </al></li><li nr="·"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen; </al></li><li nr="·"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.
                            overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al>Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een
                    minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben.
                    Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl
                    men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken.</al><al>In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om voor bepaalde categorieën
                    handelingen algemene regels te stellen. Er is een bevoegdheid voor het college
                    in opgenomen. Wanneer aan de in het collegebesluit gestelde regels wordt voldaan
                    is geen ontheffing nodig. </al><tussenkop>Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverordening</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:7 Straatvegen</tussenkop><al>Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking
                    op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde
                    aangeduide dagen en uren.</al><tussenkop>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                    openbare riolen en putten buiten gebouwen</tussenkop><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    APV besloten. </al><tussenkop>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:10 t/m 4:12</tussenkop><tussenkop>(Gereserveerd). Dit onderwerp is geregeld in de
                    bomenverordening.</tussenkop><tussenkop>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en
                    stankoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</tussenkop><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al>De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor
                    auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al>Afbakening</al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer.</al><tussenkop>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen </tussenkop><tussenkop>(gereserveerd)</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><tussenkop>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                    kampeerterreinen</tussenkop><al>Kamperen op kampeerterreinen is geregeld in de bestemmingsplannen. Voor het
                    kamperen buiten deze kampeerterreinen geldt met de afschaffing van de Wet op de
                    openlucht recreatie (WOR) geen landelijk verbod meer. Dat betekent dat zonder
                    een verbodsartikel overal wild gekampeerd mag worden. Dit kan tot ongewenste
                    situaties leiden. Daarom wordt in dit artikel de verbodsbepaling in de APV
                    opgenomen. Het artikel biedt de mogelijkheid om hiervan ontheffing te verlenen.
                    Een voorbeeld hiervan kan zijn kamperen bij een evenement.</al><tussenkop>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</tussenkop><al>Bepaalde vormen van kamperen kunnen gereguleerd worden door specifieke plaatsen
                    aan te wijzen waar deze vormen van kamperen worden toegestaan. Voor deze
                    plaatsen kunnen regels worden opgesteld waar de kampeerders zich aan moeten
                    houden. Het college is bevoegd deze plaatsen aan te wijzen en daar algemene
                    regels voor te stellen. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld
                    kampeerautoplaatsen of het kamperen in tenten t.b.v. nachtvissen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de
                    huishouding der gemeente </tussenkop><tussenkop>Afdeling 1: Parkeerexcessen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
                    De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8 en 5:9
                    hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994. Ook voor het openbaar verkeer openstaande
                    parkeerterreinen kunnen onder de definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994
                    worden gebracht. Hiervoor pleiten de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat
                    blijkens haar considerans regels inzake het verkeer op de weg. Artikel 2 van de
                    WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming van de voorschriften van de WVW 1994, bij
                    of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelingen worden gesteld
                    nopens het verkeer op de wegen. In een van die algemene maatregelen van bestuur,
                    het RVV 1990, worden gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij
                    voorbeeld in artikel 24 e.v. en artikel 46 RVV 1990. Onder parkeerplaats wordt
                    ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen parkeerterreinen onder de werking van
                    de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit neemt niet weg dat zij in een aantal
                    gevallen daarvan zullen moeten worden uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld
                    aan het parkeren van vrachtwagens. Het is immers evident dat parkeerterreinen
                    een belangrijke functie vervullen ten behoeve van een redelijke verdeling van de
                    beschikbare parkeerruimte, zie verder de toelichting bij artikel 5:8.</al><al>Onder a</al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine
                    voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering
                    gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.
                    Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><al>Onder b</al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die
                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                    passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven
                    definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van
                    voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><tussenkop>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf
                    e.d.</tussenkop><al>Eerste lid. </al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel. Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en
                    taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom
                    expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede
                    wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor
                    het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik
                    van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al>Tweede lid.</al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf. De in het derde lid
                    gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het normaal parkeren van de
                    voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant. Het bepaalde bij
                    artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten opzichte van de andere
                    in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2 mag met andere woorden
                    niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in de afdeling, in die
                    zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten - garagehouders enz.
                    mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook impliceert dat zij een
                    autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig enz. ongelimiteerd lang
                    op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is aangewezen dezelfde
                    blijft. Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het
                    aantal voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en
                    5:5 bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om
                    gedurende lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan
                    nauwelijks te onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door
                    garagehouders geschiedt, even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan
                    bezondigen. Het bepaalde bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus
                    niet een “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling. </al><al>Derde lid, onder a</al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief). Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke”
                    parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de
                    zin van de WVW 1994). Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten
                    gelden voor gedragingen buiten de weg.</al><al>Derde lid, onder b</al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Met het
                    oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van het
                    herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:47. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen. Gelet op de strekking van deze
                    bepaling kan zij niet als een “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van
                    het woord worden aangemerkt. Gezien het verband met de andere in deze afdeling
                    opgenomen bepalingen achten wij het niettemin wenselijk het onderhavige
                    voorschrift in deze afdeling op te nemen. Met de hierbedoelde bepaling kan naar
                    verwachting beter worden opgetreden tegen met het slopen en repareren van
                    voertuigen gepaard gaande geluid- en stankoverlast en verontreiniging van de
                    weg. Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg
                    als werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen
                    moet echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin)
                    gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent
                    deze mogelijkheid.</al><al>Vierde lid</al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid.Tevens wordt hier de aandacht
                    gevestigd op hetgeen daar is opgemerkt over het verlenen van ontheffing ten
                    aanzien van bestaande bedrijven.</al><tussenkop>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het
                    wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve
                    dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden
                    aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen
                    trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de
                    beschikbare parkeerruimte gelegd. Gekozen is voor een constructie waarin het
                    college de bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht
                    is. Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het
                    het verbod activeren. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1,
                    onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit
                    artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de
                    andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hierbedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen. Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van
                    de WVW 1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te
                    verbieden.</al><tussenkop>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod. Ofschoon een
                    wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar strekking en het
                    verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling aan te merken. De
                    onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op
                    de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve
                    niet tevens het bestanddeel “van de weg af zichtbaar”. Het verbod in dit artikel
                    richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op
                    zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere
                    belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</al><tussenkop>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het plaatsen of hebben gedurende ten
                    hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene
                    de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te
                    ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen. De
                    bepaling in het eerste lid onder b. richt zich ook tegen het ontsieren van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d.
                    elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling
                    derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de
                    gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Zoals opgemerkt in
                    de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo
                    uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder
                    van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. Het excessieve is
                    primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het
                    niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan
                    reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve
                    gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk
                    aanzien van de gemeente. In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk”
                    parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in
                    de zin van de WVW 1994). Het hebben van handelsreclame op of aan onroerend goed
                    op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel 4:15 van deze APV.
                    Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met
                    artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel
                    4:15.Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het
                    maken van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                    Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen
                    onderwerpen. Men spreekt wel van “ideële reclame”. De wenselijkheid en
                    mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien.Het hier geregelde
                    verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de gemeente (behoudens de
                    ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Zoals opgemerkt in de toelichting
                    op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het
                    verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig
                    maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><al>Het parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in
                    de stadscentra en in de woonwijken moet zoveel mogelijk wordt tegengegaan. De
                    gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn
                    velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde
                    vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen
                    spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte,
                    belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien
                    der gemeente enz. Deze bepaling geeft een verbod voor het doen of laten staan
                    van grote voertuigen in de bebouwde kom. De werking van het verbod is beperkt
                    tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen.
                    Daarnaast heeft het college de mogelijkheid om plaatsen binnen de bebouwde kom
                    aan te wijzen waar het verbod niet geldt.</al><tussenkop>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende
                    voertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of
                    overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of
                    overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden
                    gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij
                    voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</al><al>De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door het
                    bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter van”
                    (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in de
                    APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al>Tweede lid</al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><tussenkop>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met
                    stankverspreidende stoffen</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen</tussenkop><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van
                    groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te
                    verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen
                    beantwoorden. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een
                    “oneigenlijk” parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de
                    “weg” (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd
                    met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze
                    reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over
                    openbare beplantingen enz. wordt verboden. Doorgaans zal een groenstrook geen
                    deel uitmaken van de weg. Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de
                    bermen begrijpt, is het in artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot
                    groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het
                    voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt
                    van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). Bij een parkeerverbod is het
                    doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, indien zulks geschiedt om
                    personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen dan wel voor het laden of
                    lossen van goederen. Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen
                    niet van toepassing behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan
                    van voertuigen in groenvoorzieningen. Bewust is hier derhalve gekozen voor de
                    bestanddelen “doen of laten staan” in plaats van “parkeren”, omdat ook het tot
                    stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en
                    vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.</al><tussenkop>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</tussenkop><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><tussenkop>Afdeling 2: Collecteren</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><al>Eerste lid. </al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel. Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met
                    collectebussen die op de toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft
                    het hier een collectebus die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit
                    formeel vergunningplichtig is, wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan.
                    Het heeft nog nooit tot klachten van hetzij burgers hetzij organisaties op het
                    collecterooster geleid.</al><al>Tweede lid. </al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Het
                    venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de kosten van verspreiding
                    (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van gedrukte stukken. Het
                    aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de verspreiding. Van venten
                    of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze stukken een
                    reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. Denk
                    hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of tijdschriften. Verkrijgt
                    men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast,
                    maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een
                    bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar
                    liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake van een collecte.
                    De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                    uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><al>Derde lid. </al><al>In het derde lid van artikel 5:13 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><al>Vierde lid. </al><al>Het college kan vrijstelling verlenen voor bepaalde categorieën instellingen. Te
                    denken valt hierbij met name aan jaarlijks terugkerende collecten die op het
                    collectenrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) staan.</al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><tussenkop>Afdeling 3: Venten</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:14 Begripsbepaling</tussenkop><al>Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel waarbij
                    goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel
                    het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van
                    belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan
                    vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is
                    geen venten. Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van
                    venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële
                    contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe
                    worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen
                    van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een
                    willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                    contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te
                    overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel,
                    dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter
                    ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit
                    soort zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen
                    moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst
                    geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel. Het onderscheid tussen
                    venten en het innemen van een standplaats, betreft de periode gedurende welke
                    goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige
                    voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop
                    aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke
                    hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien
                    minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen
                    ventvergunning. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><tussenkop>Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop><al>Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als
                    met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. Wij hebben nu
                    gekozen voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als de
                    openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                    milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese
                    Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de
                    meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Tot het afschaffen van het
                    vergunningstelsel is besloten, omdat de praktijk van vergunningverlening is dat
                    de vergunning vrijwel altijd verleend wordt onder dezelfde voorwaarden. Het
                    tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters. Tevens biedt dit een
                    bevoegdheid voor het college om plaatsen aan te wijzen, waarvoor het onwenselijk
                    wordt geacht de vergunningplicht op te heffen. Hierbij kan gedacht worden aan de
                    binnenstad, waar het vrijgeven van het venten kan leiden tot de aanwezigheid van
                    een groot aantal venters. Het aantal venters en de wijze van benadering kan door
                    bezoekers als hinderlijk worden ervaren.</al><tussenkop>Artikel 5:16 Venten met gedrukte stukken</tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet. </al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.Wel kan de
                    verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid naar tijd
                    en plaats worden ingeperkt.</al><tussenkop>Afdeling 4: Standplaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet. Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste
                    lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de gemeente
                    ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats
                    wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze
                    zijn in veel gemeenten in een marktverordening neergelegd. Een afbakening met de
                    snuffelmarkt is niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en
                    standplaatsen worden ingenomen in de open lucht. Voor het innemen van een
                    standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4
                    nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij
                    de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van
                    toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en
                    weigeringsgronden</tussenkop><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig
                    ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Een vergunning
                    wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7). </al><al>Derde lid Weigeringsgronden. </al><al>De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1:8. Nadere uitleg
                    daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel. De weigeringsgrond
                    “redelijke eisen van welstand” kan gehanteerd worden indien een of meer
                    standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld
                    ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte
                    marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale
                    gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt
                    zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. </al><al>Redelijk verzorgingsniveau (derde lid onder b). </al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn
                    staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet
                    toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering
                    voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze
                    weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn
                    is daarop immers niet van toepassing. </al><al>Bestemmingsplan (derde lid onder c.). </al><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk
                    uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen
                    gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het
                    bestemmingsplan is daarom als weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie
                    is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                    planologische regeling bevat.</al><tussenkop>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><tussenkop>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</tussenkop><al>In het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer
                    rijkswaterstaatswerken en het Provinciaal wegenreglement, het tweede lid ziet op
                    afbakening met de Woningwet.</al><tussenkop>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Afdeling 5: Snuffelmarkten</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:22 Begripsbepaling</tussenkop><al>Evenals bij venten (artikel 5:14 e.v.) en standplaatsen (artikel 5:17 e.v.)
                    wordt in deze afdeling begonnen met een begripsbepaling van de snuffelmarkt in
                    artikel 5:22. </al><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="·"><al>Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de
                            regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil
                            zeggen: geen tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie
                            van een aantal standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de
                            karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden volstaan met
                            het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het college een
                            besluit te nemen over het instellen van een markt. De weekmarkt wordt in
                            Zutphen gereguleerd door de Marktverordening Zutphen 2006. </al></li><li nr="·"><al>evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of
                            plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of
                            vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van
                            toepassing, maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet
                            vergunningplichtig is op grond van artikel 2:25.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</tussenkop><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. In het belang van deze motieven
                    is een meldingsplicht met algemene regels opgenomen. Het voordeel van het
                    meldingssysteem is vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                    ondernemingen, en het verminderen van bestuurlijke lasten voor de gemeente. Het
                    nadeel is dat de gemeente geen voorwaarden kan stellen aan de organisator,
                    bijvoorbeeld met betrekking tot het beperken van overlast voor de buurt. </al><al>De bepaling omvat de bij de melding over te leggen gegevens. Op basis van het
                    derde lid kan de snuffelmarkt gehouden worden, als niet binnen een week bericht
                    is ontvangen dat de snuffelmarkt verboden wordt.</al><tussenkop>Afdeling 6: Openbaar water</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:24 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar
                    water</tussenkop><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement).
                    Dit artikel kent een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de overheid
                    nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste
                    instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar
                    of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en
                    onderhoud. Omdat er hierbij vaak gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit
                    artikel een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf
                    toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers
                    niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer
                    moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.</al><tussenkop>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                    vaartuigen</tussenkop><al>Het is alleen mogelijk om op door het college aangewezen gedeelten van het
                    openbaar water een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                    stellen.</al><al>Het tweede lid, onder a, biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te
                    stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via
                    deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan
                    woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen
                    met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. </al><al>Krachtens het tweede lid, onder b heeft het college ook de mogelijkheid om een
                    differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte
                    ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen
                    aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.</al><tussenkop>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</tussenkop><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5.26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag.</al><tussenkop>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 5:28 Beschadigen van
                    waterstaatswerken</tussenkop><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.De APV-bepaling heeft alleen
                    betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel
                    1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk
                    beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><tussenkop>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</tussenkop><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><tussenkop>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</tussenkop><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water. Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee
                    reglementen door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><tussenkop>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Afdeling 7: Crossterreinen en gemotoriseerd en
                    ruiterverkeer in natuurgebieden</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:32 Crossterreinen</tussenkop><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in
                    categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt.</al><al>In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al>Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming
                    van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                    orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of
                    de deelnemers.</al><al>In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 5:33 Beperking verkeer in
                    natuurgebieden</tussenkop><al>Op grond van het eerste lid van deze bepaling geldt een algeheel verbod om zich
                    met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden.
                    Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod
                    niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al>Daarnaast zijn in het derde lid een aantal bestuurders uitgezonderd van het
                    gestelde verbod.</al><tussenkop>Artikel 5:33a Voorschriften natuurgebieden en andere
                    terreinen</tussenkop><al>Deze bepaling vormt voor het college de basis om ten aanzien van door hen voor
                    publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                    gebruik bedoelde terreinen voorschriften stellen. Deze voorschriften kunnen
                    betrekking hebben op de openbare orde, de zedelijkheid, de volksgezondheid, het
                    voorkomen van gevaar, schade en overlast of de bescherming van het milieu.</al><tussenkop>Afdeling 8: Verbod vuur te stoken</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:34 Verbod vuur te stoken</tussenkop><al><cursief>Artikel 5:34a</cursief></al><al>Wensballonnen zijn papieren ballonnen die brandstof bevatten. Door de brandstof
                    aan te steken stijgt de ballon ongecontroleerd op. Het gevaar van de
                    wensballonnen schuilt in het feit dat open vuur ongecontroleerd de lucht in
                    gaat. Daarbij bestaat het risico dat brandende wensballonnen op rieten daken, in
                    natuurgebieden of op andere onwenselijke plaatsen landen. Met het oog op de
                    brandveiligheid is daarom een verbod om wensballonnen op te laten in de APV
                    opgenomen.</al><al/><tussenkop>Afdeling 9: Verstrooiing van as </tussenkop><al>(gereserveerd)</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225
                    en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al>Tweede lid</al><al>Overtredingen van bepalingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (zoals handelingen zonder of in strijd met een
                    omgevingsvergunning) zijn in de Wet op de economische delicten (Wed) aangeduid
                    als economische delicten. Dat heeft gevolgen voor de strafmaat, die onder de Wed
                    anders is dan onder de APV. Om dat onderscheid duidelijk te maken is het tweede
                    lid toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Toezichthouders</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. Toezichthouders zijn personen die bij
                    of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel
                    5:11 Awb). De aanwijzing van toezichthouders kan derhalve in de APV
                    plaatsvinden. Een deel van de toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen.
                    Dit is noodzakelijk indien een toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden
                    dient te krijgen. Hiernaast kunnen toezichthouders door het college dan wel de
                    burgemeester worden aangewezen. Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als
                    toezichthouders voorzover zij bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig
                    zijn aangewezen. Artikel 2 van de Politiewet, dat een algemene omschrijving van
                    de politietaak bevat, kan niet worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in
                    de zin van het artikel. Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal
                    worden aangewezen. Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht
                    belast door hen met name te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een
                    categorale aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd
                    waartoe de met toezicht belaste personen behoren.</al><al>Toezichthoudende ambtenaren zijn vanuit hun aanstelling in hun functie niet
                    automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook niet nodig zijn.
                    Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden. De aanwijzing
                    hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6:2, eerste lid),
                    maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien namelijk de
                    handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk bestuursrechtelijk
                    geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te beschikken over
                    opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men strafrechtelijk wil gaan
                    handhaven. </al><tussenkop>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. Het betreden van de woning zonder
                    toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. </al><al>In de Algemene wet op het binnentreden zijn de vormvoorschriften opgenomen die
                    een persoon die een woning wil betreden in acht moet nemen. </al><tussenkop>Artikel 6:4 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Het betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld
                    in artikel 6:4, eerste lid, dus de oude verordening. De besluiten waar het om
                    gaat zijn vergunningen, ontheffingen (het oude eerste lid), voorschriften en
                    beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel 1:4 (het oude tweede
                    lid), nadere regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten (het oude zevende
                    lid).</al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><tussenkop>Artikel 6.6 Citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>