<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR124795_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Regiobode, 7 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rioolheffing 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 228a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Lokale heffingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>2j</al><al/><al>De raad van de gemeente Doesburg;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8
                        november 2011;</al><al/><al>gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;</al><al>besluit:</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte
                                daarvan;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van
                                voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport
                                van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of
                                in onderhoud bij de gemeente;</al></li><li nr="c."><al> verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het
                                waterbedrijf betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of
                                grondwater.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aard van de belasting</titel></kop><al>Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter
                        bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en
                                bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk
                                afvalwater en</al></li><li nr="b."><al>de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het
                                ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde
                                structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de
                                grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te
                                beperken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit
                            water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt
                            afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebruiker wordt aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan
                                    niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                                    recht gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als
                                    bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat
                                    gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Zelfstandige gedeelten</titel></kop><al>Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel volgens hun indeling
                        bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de
                        rechten geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien
                        verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel
                        worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat
                            vanuit het perceel wordt afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke
                            meters leidingwater en grondwater dat in het belastingjaar naar het
                            perceel is toegevoerd of is opgepompt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
                            pompinstallatie zijn voorzien van een:</al><lijst><li nr="a)"><al>watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden
                                    afgelezen, of</al></li><li nr="b)"><al>bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
                                    pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan
                                    worden afgelezen.</al></li></lijst><al>De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de
                            hoeveelheid gepompt water geschiedt op grond van enig andere wettelijke
                            bepaling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of
                            gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is
                            afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien voor de in artikel 3, eerste lid, bedoelde percelen in verband
                            met het ontbreken van watermeters niet de hoeveelheid water kan worden
                            vastgesteld zoals hiervoor omschreven, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor tot woning dienende percelen het waterverbruik afhankelijk
                                    gesteld van het aantal personen dat op 1 januari van het
                                    betreffende belastingjaar gebruik maakt van het perceel. Hierbij
                                    wordt het waterverbruik bepaald op 45 m³ per persoon.</al></li><li nr="b."><al>voor de overige percelen de hoeveelheid water op 1 januari van
                                    het belastingjaar of bij aanvang van de belastingplicht bepaald
                                    op basis van schatting, door vergelijking soort bedrijf en
                                    aantal medewerkers met bekend zijnde verbruiksgegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een perceel bestaat uit twee of meer zelfstandige gedeeltes,
                            zoals bedoeld in artikel 4, welke gezamenlijk gebruik maken van een
                            watermeter dan wordt voor de gebruikers van deze zelfstandige gedeeltes
                            een verdeelsleutel gehanteerd zoals deze door de respectievelijke
                            gebruikers wordt gebruikt voor de onderlinge verdeling van de waternota
                            van het waterbedrijf Vitens en bij het ontbreken van een dergelijke
                            regeling overgaan tot een zo reëel mogelijke verdeling op basis van de
                            beschikbare gegevens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt per perceel voor elke volle eenheid
                            van één kubieke meter water € 1,61.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het tarief in de loop van het belastingtijdvak wordt gewijzigd,
                            wordt voor de berekening van de belasting de hoeveelheid water naar
                            tijdsgelang toegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingtijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het belastingtijdvak is in de gevallen waarin de belasting plaatsvindt
                            door middel van de afrekennota van het waterbedrijf de verbruiksperiode
                            zoals die voor de betrokken belastingplichtige voor het betreffende
                            perceel geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In andere gevallen dan in het eerste lid bedoeld is het belastingtijdvak
                            gelijk aan het kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In die gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, wordt de belasting
                            geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Deze
                            kan worden gesteld op de (eind)afrekening van het waterbedrijf. Als
                            dagtekening van de kennisgeving geldt in dat geval de dagtekening van de
                            (eind) afrekening. Als kennisgeving van voorlopig gevorderde bedragen
                            wordt aangemerkt de voorschotnota van het waterbedrijf. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt de belasting bij
                            wege van aanslag geheven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingtijdvak of,
                            zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van
                            het belastingtijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel
                            twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als
                            er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle
                            kalenderdagen overblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van
                            het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
                            zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde
                            belasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht,
                            nog volle kalenderdagen overblijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet gelden de
                        termijnen zoals gesteld in het eerste tot en met het vierde lid:</al><lijst><li nr="1."><al>De voorlopig gevorderde bedragen en het definitief gevorderde bedrag
                                moeten worden betaald zoals staat aangegeven op de (eind)afrekening
                                van het waterbedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De aanslagen moeten worden betaald in één termijn die vervalt op de
                                laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al></li><li nr="3."><al>In de gevallen dat de belastingplichtige toestemming heeft verleend
                                voor automatische betaling van de verschuldigde belastingbedragen,
                                moet worden betaald in vijf gelijke termijnen waarbij de eerste
                                termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en
                                elk van de volgende termijnen telkens één maand later. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde in het derde lid geldt: wanneer het
                                totaal verschuldigde belastingbedrag op een aanslagbiljet minder
                                bedraagt dan € 30,- en meer bedraagt dan € 1.750,- dient de aanslag
                                te worden betaald in één termijn die vervalt op de laatste dag van
                                de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld.</al></li><li nr="5."><al>Met betrekking tot een volgens artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
                                van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
                                beschikking betreffende een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt
                                opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al></li><li nr="6."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
                                gestelde termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en invordering van de rioolheffing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening rioolrecht 2011’ van 28 oktober 2010, nummer 7j,
                                wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                                van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing
                                blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking, doch niet eerder dan de in lid 3 genoemde
                                datum. </al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing
                                2012’.</al></li></lijst><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare
                        vergadering van</al><al>8 november 2011.</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al> J.B. Voorhof drs. C.J.G. Luesink</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>