<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR12382_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING PERSOONSGEBONDEN BUDGET BEGELEID WERKEN WET SOCIALE            WERKVOORZIENING</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Groningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.gemeente.groningen.nl">Gemeenteblad, 2008, 53</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken wet sociale werkvoorziening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.gemeente.groningen.nl">Wet sociale werkvoorziening, persoonsgebonden budget.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-09-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R 230</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Persoonsgebonden budget</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervallen van rechtswege</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING PERSOONSGEBONDEN BUDGET BEGELEID WERKEN WET SOCIALE
            WERKVOORZIENING</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>College : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Groningen;</al></li><li nr="b."><al>Wsw : de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>periodieke subsidie : de loonkostensubsidie en overige aan de
                                werkgever te verstrekken vergoedingen voor structurele kosten;</al></li><li nr="d."><al>periodieke vergoeding : de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie
                                te verstrekken in het kader van het begeleiden van de geïndiceerde
                                op een begeleid werken plaats. </al></li><li nr="e."><al>Geïndiceerde : mensen met een door het CWI verstrekte indicatie
                                waaruit blijkt dat zij tot de doelgroep van de Wsw behoren, als
                                bedoeld in artikel 11 van de Wsw en ingezetene zijn van de gemeente
                                Groningen.</al></li><li nr="f."><al>UWV : uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</al></li><li nr="g."><al>UWV-erkenning : erkenning door het UWV voor jobcoachorganisaties
                            </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bestanddelen persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget kent de volgende bestanddelen:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden gemeentelijke
                                uitvoeringskosten;</al></li><li nr="b."><al>de periodieke subsidie aan de werkgever waar de geïndiceerde in
                                dienst is, bedoeld als een tegemoetkoming in de loonkosten in
                                verband met de geringere arbeidsproductiviteit;</al></li><li nr="c."><al>de kosten voor de begeleiding van de geïndiceerde bij de
                                werkgever;</al></li><li nr="d."><al>de kosten voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                                omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                        uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het college stelt elk jaar voor 31 december de hoogte vast van de
                        rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk
                        te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende
                        kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Invulling voorwaarden adequate werkplek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt op aanvraag aan iedere geïndiceerde, die daar
                                recht op heeft op grond van artikel 7 lid 2 sub a van de Wsw, een
                                persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw, indien werkgever en
                                begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat de arbeidsplaats
                                voor de geïndiceerde adequaat wordt ingevuld.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>Zijn onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van
                                        Koophandel of is een publiekrechtelijke organisatie;</al></li><li nr="b."><al>De aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet
                                        op de indicatiestelling en mogelijkheden van de
                                        geïndiceerde, als passend aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>De duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt tenminste 6
                                        maanden, met een mogelijkheid tot verlenging;</al></li><li nr="d."><al>De werkplek en werkomstandigheden voldoen aan de arbo
                                        normen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>De begeleidingsorganisatie staat ingeschreven bij de Kamer
                                        van Koophandel;</al></li><li nr="b."><al>De begeleidingsorganisatie en/of haar medewerkers zijn
                                        gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep c.q. de
                                        geïndiceerde voor wie het persoonsgebonden budget is
                                        bestemd;</al></li><li nr="c."><al>De begeleidingsorganisatie heeft aantoonbare kennis en
                                        ervaring in het werkveld;</al></li><li nr="d."><al>De begeleidingsorganisatie is in het bezit van een UWV
                                        erkenning als jobcoach-organisatie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Wijze van vaststelling van de periodieke subsidie aan de werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt op voorstel van de geïndiceerde de hoogte van de
                                subsidie aan de werkgever vast.</al></li><li nr="2."><al>De berekening van de hoogte van de loonkostensubsidie wordt
                                vastgesteld op basis van de loonwaarde (procentuele inschatting
                                verdiencapaciteit van de Wsw-geïndiceerde in vergelijking met een
                                werknemer zonder arbeidsbeperking).</al></li><li nr="3."><al>Ingeval een voorgestelde loonkostensubsidie niet hoger is dan 50%
                                van het bruto loon (inclusief een vast percentage voor
                                werkgeverslasten van 30%) van de Wsw-geïndiceerde, wordt de
                                loonkostensubsidie door het college op dat bedrag vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Indien bij toepassing van het vorige lid het college gerede twijfel
                                heeft over de juiste hoogte van de loonwaarde respectievelijk de
                                loonkostensubsidie, vindt (in afwijking van het vorige lid) een
                                loonwaardeonderzoek plaats, op basis waarvan de hoogte van de
                                loonkostensubsidie wordt vastgesteld. Daarbij wordt een
                                arbeidsdeskundige van de gemeente Groningen ingeschakeld.</al></li><li nr="5."><al>In ieder geval vindt een loonwaardeonderzoek plaats als de
                                voorgestelde hoogte voor een loonkostensubsidie hoger is dan het
                                percentage genoemd in het tweede lid.</al></li><li nr="6."><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 en 11 van deze
                                verordening vindt een keer per jaar een loonwaardebepaling plaats in
                                geval er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Herziening van de loonkostensubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden
                                herzien als hier, gelet op de arbeidsproductiviteit van de
                                werknemer, aanleiding voor is.</al></li><li nr="2."><al>De loonkostensubsidie kan door het college ambtshalve worden
                                gewijzigd als hier gerede aanleiding voor is.</al></li><li nr="3."><al>De herziening van de loonkostensubsidie vindt plaats op basis van
                                een loonwaardeonderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie en de
                                omvang van het aantal uren begeleiding wordt door partijen in
                                onderling overleg vastgesteld. Tussentijdse aanpassingen hierin zijn
                                mogelijk indien partijen dit vooraf overeenkomen.</al></li><li nr="2."><al>De kosten van een begeleidingsorganisatie in verband met het zoeken
                                van een begeleid-werkenplaats komen niet voor vergoeding in
                                aanmerking.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel> Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                        omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige kosten
                                van aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht
                                als blijkt dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn,
                                persoonsgerelateerd zijn en het niet redelijk is dat deze kosten
                                door de werkgever worden gedragen. Hierbij kan gebruik worden
                                gemaakt van een deskundigenrapport. </al></li><li nr="2."><al>Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en
                                kosten voortvloeiend uit arbowetgeving die de werkgever uit hoofde
                                van normaal en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten
                                maken komen niet in aanmerking voor vergoeding door het
                                college.</al></li><li nr="3."><al>De investeringen als genoemd in het eerste lid dienen sober,
                                doelmatig en proportioneel te zijn, reëel bij te dragen aan het
                                vergroten van de duurzaamheid van de werkplek en ten behoud van de
                                arbeidsgeschiktheid, en kunnen niet door voorliggende voorzieningen
                                worden bekostigd. </al></li><li nr="4."><al>Voorzieningen worden bij voorkeur verstrekt aan de werknemer.</al></li><li nr="5."><al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt indien er sprake is van een
                                dienstverband van minimaal 6 maanden. </al></li><li nr="6."><al>Het college regelt de wijze van uitbetaling van de vergoeding. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indienen van de aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ingediend door
                                middel van een volledig ingevulde aanvraag. De aanvraag wordt mede
                                ondertekend door werkgever en de begeleidingsorganisatie.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ten behoeve van de aanvraag een aanvraagformulier
                                vaststellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen 4 weken na ontvangst van
                                alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste 4 weken verdagen. Het
                                college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Besluit tot verlenen van de periodieke subsidie</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een periodieke subsidie bevat in ieder
                        geval:</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte en de duur van de periodieke subsidie en de wijze waarop
                                deze kan worden aangepast;</al></li><li nr="2."><al>De wijze van bevoorschotting van de subsidie;</al></li><li nr="3."><al>De verplichtingen van de werkgever.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vaststellen van de periodieke subsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De werkgever verstrekt binnen 8 weken na afloop van het kalenderjaar
                                aan het college een schriftelijke opgave van het door hem in het
                                voorgaande jaar betaalde bruto (CAO-)loon van de geïndiceerde,
                                vermeerdert met alle werkgeverslasten.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de periodieke subsidie binnen acht weken na
                                ontvangst van deze opgave vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De subsidie wordt in overeenstemming met de vaststelling binnen 4 weken
                        betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het
                                college van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn
                                voor de verstrekking van de subsidie.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever bewaart alle bewijsstukken die aan de
                                subsidieverstrekking ten grondslag liggen ten minste drie jaren na
                                de vaststelling van de subsidie en stelt deze op verzoek ter
                                beschikking aan het college voor controledoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Deze verordening wordt aan het eind van 2009 geëvalueerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2008. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening Persoonsgebonden
                        Budget Begeleid werken Wet sociale werkvoorziening</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit van 18 juni 2008, nr. 5c. </ondertekening><ondertekening>Datum bekendmaking: 25 juni 2008.</ondertekening><ondertekening>Datum inwerkingtreding: 1 juli 2008.</ondertekening><ondertekening>Gemeenteblad 2008-53.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door geïndiceerden
                    bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de oude wet geregeld
                    in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. Bij deze
                    vorm van begeleid werken worden begeleid werkenplekken tot stand gebracht door
                    de gemeente. Deze wijze van tot stand brengen van begeleid werken blijft ook
                    onder de nieuwe wet bestaan. </al><al>Het verschil tussen begeleid werken dat door de gemeente wordt georganiseerd en
                    begeleid werken met een PGB is in principe uitsluitend gelegen in de procedurele
                    wijze waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht. Als de begeleid
                    werkenplek eenmaal is gerealiseerd zijn er in beginsel geen verschillen.</al><tussenkop>Waar bestaat het PGB uit?</tussenkop><al>Het PGB is geen rugzakje: de geïndiceerde krijgt geen budget mee. In feite moet
                    het PGB als hier bedoeld dan ook eerder worden gezien als een persoonsvolgend
                    budget. Het PGB wordt aangevraagd door de geïndiceerde, maar de subsidie en
                    vergoeding worden verstrekt aan de werkgever respectievelijk de
                    begeleidingsorganisatie. </al><al>De geïndiceerde heeft, zoals gezegd, geen recht op een bepaald budget. Het
                    uitgangspunt van de wet is dat een geïndiceerde recht heeft op begeleid werken
                    met een PGB. Enerzijds bestaat er dus een recht op een PGB, anderzijds heeft het
                    College de verantwoordelijkheid voor het zo efficiënt en effectief inzetten van
                    publieke middelen en het realiseren van de jaarlijkse (rijks)taakstelling voor
                    het realiseren van Wsw-plekken. En als de rijkstaakstelling eenmaal bereikt is,
                    is de gemeente niet verplicht extra Wsw-plekken te realiseren als daar geen
                    extra (gemeentelijke) middelen voor zijn.</al><al>Het PGB bestaat uit vier bestanddelen: </al><al>1.Een periodieke subsidie aan de werkgever waar de geïndiceerde in dienst is.
                    Deze subsidie is primair bedoeld als een tegemoetkoming in de loonkosten in
                    verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de geïndiceerde.</al><al>Daarnaast is de subsidie bedoeld voor de werkgever als tegemoetkoming in de
                    kosten die gemoeid zijn met extra begeleiding op de werkplek, in zoverre het
                    gaat om extra begeleiding die door de werkgever gegeven wordt. </al><al>De periodieke subsidie aan de werkgever is ook bestemd voor opleidingskosten die
                    in het kader van inpassing in de functie of functie uitoefening. </al><al>Ook kan deze subsidie worden gebruikt als een vergoeding voor structurele kosten
                    van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een
                    geïndiceerde. Daarbij kan worden gedacht aan reiskosten of kosten voor
                    intermediaire activiteiten ten behoeve van mensen met een visuele of auditieve
                    handicap (zoals een voorleeshulp of een doventolk).</al><lijst><li nr="2."><al>Een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de
                            begeleiding van de geïndiceerde verzorgt.</al></li><li nr="3."><al>Een vergoeding voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
                            de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht. Hieronder worden
                            bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt worden voor technische
                            aanpassingen in de werkplek. Gemeenten kunnen deze vergoedingen
                            verstrekken, ze zijn daartoe niet verplicht. </al></li><li nr="4."><al>Naast de hierboven genoemde bestanddelen van het persoonsgebonden budget
                            vormen de aan de subsidieverlening verbonden gemeentelijke
                            uitvoeringskosten het vierde onderdeel van de kosten. </al></li></lijst><al>Deze zijn niet persoonsgebonden en dienen jaarlijks door het College te worden
                    vastgesteld. De totale kosten van de periodieke subsidie aan de werkgever, de
                    periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie en de bijkomende kosten,
                    mogen niet hoger zijn dan het gemiddelde budget dat beschikbaar is voor een
                    Wsw-plaats. </al><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen opgenomen, omdat de Wsw voldoende
                    duidelijk is over gehanteerde termen en begrippen. Een uitgebreide(re)
                    begrippenlijst is daarom overbodig.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Artikel 7, tiende lid, onderdeel b van de Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt over de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan
                    de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis.
                    Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. </al><al>De gemeente bepaalt zelf welke uitvoeringskosten het toekennen van een PGB aan
                    een geïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft niet aan wat
                    precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder geval
                    gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn (artikel
                    7, tweede lid onderdeel b Wsw). Daarbij kan onder andere worden gedacht aan de
                    kosten in verband met de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>het beoordelen van aanvragen voor een PGB;</al></li><li nr="-"><al>de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van
                            subsidies en vergoedingen in het kader van een PGB;</al></li><li nr="-"><al>het monitoren van begeleid werken met een PGB;</al></li><li nr="-"><al>het bepalen van loonwaarde;</al></li><li nr="-"><al>het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en
                            werkgever;</al></li><li nr="-"><al>het ontwikkelen van PGB procedure en de daaraan verbonden
                            producten.</al></li></lijst><al>De uitvoeringskosten wordt afgetrokken van het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per geïndiceerde van het rijk ontvangt. Het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de (gemiddelde)
                    uitvoeringskosten per geïndiceerde levert vervolgens het bedrag op dat de
                    gemeente in beginsel beschikbaar heeft voor een PGB. </al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Het college zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de inpassing
                    in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek
                    adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid Wsw). In
                    verband hiermee kan de gemeente eisen stellen aan de werkgever en de door hem
                    aangeboden werkplek. In artikel 7, tiende lid Wsw dient de raad en zijn
                    verordening de voorwaarden te regelen waaronder het college een
                    begeleidingsorganisatie inschakelt die door de geïndiceerde is aangewezen. </al><al>De gemeente stelt (kwaliteits)eisen aan de begeleidingsorganisaties. Gelet op
                    kwetsbaarheid van de geïndiceerden en de risico’s bij niet voldoende
                    kwalitatieve begeleiding, is het wenselijk (kwaliteits)eisen te stellen aan de
                    begeleidingsorganisaties. Daarvoor wordt aangesloten bij de eisen die door het
                    UWV worden gesteld aan begeleidingsorganisaties. Dit betekent dat de
                    begeleidingsorganisatie een erkende jobcoachinstelling is volgens de criteria
                    van het UWV. De eisen hiervoor worden door het UWV actueel gehouden. Periodiek
                    worden de begeleidingsorganisaties middels een uitvraag / audit getoetst of zij
                    nog aan de eisen voldoen. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De raad dient bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot de
                    wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te
                    worden vastgesteld (artikel 7, tiende lid, onderdeel a Wsw). De periodieke
                    subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en eventueel ook uit een vergoeding
                    voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst
                    hebben van een geïndiceerde.</al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het onder andere het verstrekken van een
                    tegemoetkoming in de loonkosten in verband met de geringere
                    arbeidsproductiviteit van de geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte
                    van de loonkostensubsidie moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit
                    (loonwaarde) van de betrokken geïndiceerde. Ook het functieprofiel van de te
                    vervullen functie, het daarbij behorende (CAO)loon en de extra begeleiding die
                    een werkgever kwijt is aan de geïndiceerde ten opzichte van gemiddelde werknemer
                    maken vaak deel uit van dit proces. Opleidingskosten die gemaakt worden in het
                    kader van inpassing in de functie of functie-uitoefening maken ook onderdeel uit
                    van de loonkostensubsidie. </al><al>Gekozen is voor een methode waarbij een percentage van het bruto loon als
                    loonkostensubsidie wordt verstrekt en wordt door de gemeente zelf vastgesteld.
                    Deze methode is tevens uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting te
                    verkiezen. </al><al>Bovendien blijkt uit ervaringsgegevens onder Wsw-organisaties in de praktijk dat
                    dit een werkbare manier is. Om te voorkomen dat ook in gevallen waarbij gerede
                    twijfel is of de werkgever het betreffende (generiek vastgestelde percentage
                    loonkosten) wel nodig heeft, dus in het geval de verdiencapaciteit van de
                    Wsw-geïndiceerde door het college hoger wordt ingeschat dan dat het bedrag aan
                    loonkostensubsidie rechtvaardigt, vindt alsnog vooraf een loonwaardeonderzoek
                    plaats. Ook vindt deze loonwaardebepaling plaats als het voorstel voor de
                    loonkostensubsidie hoger is dan het bedrag dat volgt uit lid 2. Dit wordt
                    geregeld in lid 4.</al><al>De gemeente kan ook een reiskostenvergoeding woon- / werkverkeer toekennen.
                    Reiskosten zijn een kostenpost die in beginsel iedere werknemer heeft. Een
                    werkgever is wettelijk niet verplicht een reiskostenvergoeding te verstrekken.
                    Reiskostenvergoeding is vaak CAO gerelateerd. De wetgever beoogd de geïndiceerde
                    in een zo regulier mogelijke werkomgeving te laten participeren. Dat betekent
                    met alle bijkomende ‘ins en outs’. In het verlengde daarvan is het niet voor de
                    hand liggend een reiskostenvergoeding te verstrekken. Een reiskostenvergoeding
                    wordt alleen verstrekt indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven
                    of bijvoorbeeld medisch noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld bij rolstoelvervoer), en
                    daarvoor geen andere voorzieningen zijn.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>De productiviteit kan wijzigen, als deze persoon langer op een begeleid
                    werkenplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan de loonkostensubsidie worden
                    aangepast. De werkgever kan dan, als de productiviteit c.q. verdiencapaciteit
                    van de werknemer minder of meer wordt, met instemming van de werknemer, een
                    verzoek indienen om de loonkostensubsidie te herzien. De werkgever moet zijn
                    verzoek om herziening met redenen omkleden.</al><al>Ook ambtshalve kan het college, als er een gerede aanleiding is voor een
                    (tussentijdse) aanpassing van de subsidie, een hernieuwde beoordeling voor de
                    hoogte van de subsidie doen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als er sprake is
                    van onredelijkheid bij handhaving van een bestaande situatie. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Vergoedingen aan begeleidingsorganisaties vinden plaats op basis van een
                    overeenkomst na voorafgaand overleg. Op basis van ervaringsgegevens blijkt dat
                    de omvang van het aantal uren aan begeleiding in de tijd kan variëren,
                    afhankelijk van de behoefte hieraan en de aard van de handicap. Daarom is in de
                    verordening de mogelijkheid opgenomen om het aantal uren aan begeleiding, en dus
                    de vergoeding, aan te passen. Partijen (gemeente, geïndiceerde en
                    begeleidingsorganisatie) moeten het hier uiteraard wel over eens zijn en van te
                    voren met elkaar afspreken dat periodieke evaluaties over aanpassingen in de
                    omvang van het aantal begeleidingsuren plaats vinden. Op die manier kan maatwerk
                    in de begeleiding worden geleverd.</al><al>Kosten van een begeleidingsorganisatie in verband met het zoeken naar begeleid
                    werken komen niet voor vergoeding in aanmerking. Immers: het stelsel van de PGB
                    gaat uit van de veronderstelling dat een sw-geïndiceerde zelf met een werkgever
                    aankomt. Op het moment dat iemand daadwerkelijk werkt, komen de kosten van de
                    begeleidingsorganisatie dus wel voor vergoeding in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de voorwaarden
                    waaronder het college aan de werkgever een vergoeding (subsidie) verstrekt voor
                    de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder
                    arbeid wordt verricht (artikel 7, tiende lid Wsw). Dit artikel vormt de
                    uitwerking van deze verplichting.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding kan worden verstrekt.</al><al>Het vierde lid stelt voor dat indien het een roerende persoonsgebonden
                    aanpassing is, (bijvoorbeeld een aangepaste stoel) dat deze aanpassing aan de
                    geïndiceerde wordt toegekend. Hiermee wordt bereikt dat de roerende zaak met de
                    werknemer mee kan gaan indien die van werkgever wisselt. Het vijfde lid stelt
                    een minimale duur aan het dienstverband dat de werkgever met de betrokken
                    geïndiceerde moet aangaan, alvorens tot investeringen wordt overgegaan. Het
                    zesde lid bepaalt dat het college de wijze van uitbetaling van de vergoeding
                    regelt. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>De geïndiceerde zal het PGB moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met een PGB
                    leidt tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het verstrekken
                    van een periodieke subsidie) en contractrelatie met de begeleidingsorganisatie
                    (in verband met het verstrekken van een periodieke vergoeding), zullen ook de
                    werkgever en de begeleidingsorganisatie van de geïndiceerde de aanvraag moeten
                    ondertekenen. </al><al>Op basis van de aanvraag beslist het college vervolgens of een periodieke
                    subsidie aan de werkgever en een periodieke vergoeding aan de
                    begeleidingsorganisatie worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens
                    vindt de verstrekking van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op
                    basis van een beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan
                    de begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het
                    betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat
                    jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient
                    de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande
                    jaar betaalde bruto (CAO-)loon van de geïndiceerde, vermeerderd met alle
                    werkgeverslasten. Er zal gecontroleerd worden of de aangeleverde gegevens
                    kloppen en volledig zijn.</al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 15 </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>De verordening moet binnen 6 maanden na inwerkingtreden van de wet zijn
                    vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>