<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR12381_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften (Algemene wet bestuursrecht)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-09-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koerier 26-07-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften 2004 (Algemene wet bestuursrecht)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht art. 7:13</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 84</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-06-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-07-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-02-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Toevoeging artikel 2 lid 3; intrekking artikel 4 lid 4.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW06.01000</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften (Algemene wet bestuursrecht)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Beuningen;</al><al> ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van 16 mei 2006;</al><al/><al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>B E S L U I T E N:</al><al/><al>vast te stellen de volgende <vet>Verordening commissie
                            bezwaarschriften</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>In deze Verordening wordt verstaan onder:</al><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                        genomen;</al><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften ex artikel
                        7:13 van de Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie die bestaat uit een Algemene kamer en een Kleine
                            commissie ter voorberei- ding van de beslissing op bezwaren tegen
                            besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen:</al><lijst><li nr="a."><al>besluiten op grond van een wettelijk voorschrift inzake
                                    belastingen/heffingen/rechten of de Wet waardering onroerende
                                    zaken;</al></li><li nr="b."><al>rechtspositiebesluiten;</al></li><li nr="c."><al>een besluit of categorie besluiten waarvoor het bestuursorgaan
                                    een andere bezwarenprocedure heeft aangekondigd vóórdat een
                                    bezwaarschrift tegen dat besluit/die besluiten is/zijn
                                    ingediend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van bezwaarschriften die naar het oordeel van de voorzitter
                            en de secretaris kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond
                            zijn, volstaat advisering door de voorzitter en de secretaris aan het
                            bestuursorgaan. Van dit advies wordt mededeling gedaan aan de commissie.
                            De voorzitter beslist over toepassing van artikel 7:3 Awb. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van advisering op grond van lid 1 of lid 2 kan worden afgezien, wanneer
                            aanstonds tot volledige tegemoetkoming aan het bezwaar kan worden
                            overgegaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De kamers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Kleine commissie is belast met de afhandeling van
                                    bezwaarschriften in het kader van de Algemene bijstandswet, Wet
                                    voorzieningen gehandicapten, gehandicaptenparkeerkaarten,
                                    leerlingenvervoer en naar aard overeenkomstige bezwaarschriften.
                                </al></li><li nr="2."><al>De Algemene kamer is belast met de behandeling van de overige
                                    bezwaarschriften.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter van de Kleine commissie kan in bijzondere
                                    situaties bepalen dat bezwaarschriften als bedoeld in lid 1
                                    voorgelegd worden aan de Algemene kamer. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Algemene kamer bestaat uit een voorzitter en vier leden. De
                                    Kleine commissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd,
                                    geschorst en ontslagen. Het college benoemt een
                                    (plaatsvervangend) voorzitter en (plaatsvervangende) leden met
                                    in achtneming van het door de raad, het college en de
                                    burgemeester vastgesteld competentieprofiel.</al></li><li nr="3."><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter bij
                                    ontstentenis van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Secretaris</titel></kop><al>Het college benoemt een of meer ambtenaren als secretaris van de
                            commissie met haar kamers. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leden van de commissie, met uitzondering van de voorzitter,
                                    worden benoemd voor de periode tot en met het derde kalenderjaar
                                    volgend op de benoeming. </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                    ontslag nemen.</al></li><li nr="3."><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie
                                    blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                    voorzien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig
                            mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr/><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen
                            van de Awb worden voor de toepassing van deze Verordening uitgeoefend
                            door de secretaris van de commissie :</al><al>artikel 2:1, tweede lid (het verlangen van een machtiging van een
                            gemachtigde);</al><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een termijn
                            waarbinnen een verzuim ex artikel </al><al> 6:5 kan worden hersteld;</al><al>artikel 6:17, voorzover het de verzending van stukken betreft tijdens de
                            behandeling door de com-</al><al> missie;</al><al>artikel 7:4, tweede lid (het ter inzage leggen van stukken);</al><al>artikel 7:10 (het nemen van een verdagingsbesluit).</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr/><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr/><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid
                            worden gesteld zich door de commissie te laten horen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr/><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend
                            orgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al><al>Binnen drie werkdagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                            verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken de
                            datum van de zitting te wijzigen.</al><al>De beslissing op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor de zitting
                            aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld.</al><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van deze termijnen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum</titel></kop><lid><lidnr/><al/><al>Tenzij het horen overeenkomstig artikel 7:13 lid 3 van de Awb door de
                            commissie wordt opgedragen aan de voorzitter of een lid, is voor het
                            houden van een hoorzitting vereist dat de meerderheid van het aantal
                            leden met inbegrip van een voorzitter aanwezig is. Bij ontstentenis van
                            de vaste voorzitter of diens plaatsvervanger, wordt uit de aanwezige
                            leden een voorzitter aangewezen. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><lid><lidnr/><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de Algemene kamer van de commissie is openbaar.
                                    De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                    commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of
                                    indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet. Indien de
                                    commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                                    zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt
                                    de zitting plaats met gesloten deuren. </al></li><li nr="2."><al>De zitting van de Kleine commissie vindt plaats met gesloten
                                    deuren, tenzij de commissie anders oordeelt.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van
                            de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvond,
                            of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in
                            elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                            melding.</al><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
                            commissie.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr/><al/><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld,
                            nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen
                            beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek
                            houden.</al><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan
                            de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            toegezonden.</al><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze Verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr/><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten
                            deuren over het door haar uit te brengen advies.</al><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen
                            advies.</al><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                            voorzitter.</al><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien
                            die minderheid dat verlangt.</al><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift. Het advies wordt door de voorzitter en
                            de secretaris van de commissie ondertekend. </al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr/><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                            artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en
                            nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen. </al><al>Indien de termijn van 10 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid,
                            van de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                            advies en het nemen van een beslissing, verdaagt het bestuursorgaan of
                            namens deze de secretaris van de commissie, de beslissing. </al><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de belanghebbenden schriftelijk
                            bericht.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekking oude regeling; overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr/><al>De Verordening behandeling bezwaarschriften vastgesteld bij raadsbesluit
                            van 19 januari 1999 wordt ingetrokken met ingang van datum
                            inwerkingtreding van de Verordening commissie bezwaarschriften
                            2004.</al><al>De leden die zijn benoemd op basis van de Verordening van 19 januari
                            1999 blijven in functie totdat in de bezetting op basis van de nieuwe
                            Verordening is voorzien.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr/><al> Deze Verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken
                            van een termijn van zes weken na de datum van haar bekendmaking.
                            </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><lid><lidnr/><al> Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening commissie
                            bezwaarschriften 2004. </al><al/></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Beuningen, 1 juni 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van
                        11 mei 2004,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting op de Modelverordening commissie
                        bezwaarschriften</vet></al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1 Begripsbepaling</onderstreept> In dit artikel zijn
                    slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb voorkomen. Zo
                    ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan' hoewel dat op
                    meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan dat het
                    bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie
                    </onderstreept>In de algemene toelichting is de keuze
                    ver(ant)woord voor het horen en adviseren door een gemeentelijke commissie. Deze
                    commissie wordt via deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In
                    artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te
                    worden verstaan. Uiteraard is het tweede lid een facultatieve bepaling. Denkbaar
                    is dat van de hier geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt voor die
                    bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo specifieke materie of voor
                    onderwerpen waarover zulke grote aantallen bezwaarschriften te verwachten zijn
                    dat het wenselijk is daarvoor een andere methodiek van horen en adviseren te
                    hanteren. Over de belastingzaken en WOZ-zaken dient opgemerkt te worden dat de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen en de WOZ afwijkende of aanvullende
                    bepalingen bevatten over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. In
                    verband hiermee hebben wij ervoor gekozen ze in elk geval uit te zonderen.</al><al>Bezwaarschriften gericht tegen Rechtspositiebesluiten worden behartigd via de
                    afdeling Personeel en Organisatie.</al><al>Ten aanzien van het niet bevoegd verklaren van de commissie voor specifieke
                    besluiten of categorie van besluiten vereist het verbod van willekeur of
                    detournement de pouvoir dat vooraf vast staat dat er voor een andere wijze van
                    horen en advisering wordt gekozen. </al><al>In lid 2 wordt een laatste uitzondering geregeld, namelijk de categorie
                    bezwaarschriften die naar het oordeel van de voorzitter en de secretaris in
                    aanmerking komen voor een kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke
                    ongegrondheid. Ter vereenvoudiging in afdoening volstaat een advisering door de
                    onafhankelijk voorzitter en de secretaris van de commissie. Van deze adviezen
                    wordt mededeling gedaan aan de commissie. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 3 De kamers</onderstreept></al><al>Naar aard van de zaken worden bezwaarschriften voorgelegd aan de Algemene kamer
                    of aan de Kleine commissie. Lid 3 voorziet in de mogelijkheid om zaken van de
                    Kleine commissie op grond van bijzondere omstandigheden toch te bespreken in de
                    Algemene kamer. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4 Samenstelling van de commissie</onderstreept> Door de
                    bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van commissieleden aan
                    het college. In verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp is de
                    commissie opgesplitst in kamers. Voor de samenstelling van een commissie voor
                    bezwaarschriften ex artikel 7:13 Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb
                    (Raad van State, 31-5-99, JG 1999/179). </al><al>Ter bevordering van de kwaliteit van de commissie wordt een competentieprofiel
                    opgesteld, dat kan dienen bij de selectie van kandidaten. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 5 Secretaris</onderstreept> Hoewel in de Awb nergens over
                    een secretaris wordt gesproken, is het gebruikelijk dat een commissie beschikt
                    over een secretaris ter ondersteuning van de werkzaamheden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 6 Zittingsduur</onderstreept> Deze bepaling kan eventueel
                    worden aangevuld met een lid waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat leden van
                    een commissie die daarin zijn benoemd in verband met een bepaalde hoedanigheid,
                    aftreden indien zij deze hoedanigheid verliezen. Uiteraard is het mogelijk voor
                    een ander moment van aftreden te kiezen dan bedoeld in het eerste lid. Een lid
                    kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan ook een
                    later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van lopende
                    zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van orde. Een
                    ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie te blijven
                    vervullen. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 7 Ingediend bezwaarschrift</onderstreept> Dit artikel
                    spreekt voor zich. In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze
                    waarop een bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12):</al><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit
                    op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8).</al><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de verzend-
                    en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel 6:9, tweede lid).</al><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat ingediende
                    bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, is niet aan
                    een termijn gebonden (artikel 6:12).</al><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en met
                    6:15):</al><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij het
                    bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat een commissie over
                    het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een later stadium: zie ook de
                    opmerkingen in paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel 6:14).</al><al>Doorzendplicht (artikel 6:15).</al><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het verdient
                    aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van ontvangst op
                    het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren. Dit is gezien
                    het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van onnodige
                    geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax verzonden
                    bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn te zijn
                    ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen vóór
                    24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail behoort binnenkort in beginsel tot de
                    mogelijkheden na inwerkingtreding van de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer.
                    Het bestuur dient daarvoor eerst nadere regels te stellen, in het bijzonder met
                    betrekking tot de authentificatie en betrouwbaarheid. Een per e-mail ingediend
                    bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden verklaard. Het
                    aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb uitdrukkelijk
                    voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een onbevoegd
                    bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft betekenis
                    voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is ingediend.
                    Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de bevoegde
                    instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen indien
                    de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende. Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een
                    ingediend bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de
                    afhandeling geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo
                    spoedig mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. De in artikel 7:13, tweede lid,
                    bepaalde melding dat een commissie over het bezwaar zal adviseren, is van belang
                    omdat hierdoor de beslistermijn van zes weken wordt verlengd tot 10 weken met
                    een verdagingsmogelijkheid van vier weken (artikel 7:10). Wellicht ten
                    overvloede wordt hier opgemerkt dat het aanbeveling verdient indieners al in een
                    zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte te brengen van de te volgen procedure. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 8 Uitoefening bevoegdheden</onderstreept> Ingevolge
                    artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing van
                    artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift maakt
                    het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander lid) van
                    de commissie of door de secretaris wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde
                    bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De bevoegdheid terzake de overige bepalingen wordt gegeven aan de secretaris
                    omdat het om handelingen gaat die in het voortraject voorafgaand aan en ter
                    voorbereiding op de hoorzittingen in gang worden gezet en in de praktijk
                    administratief van aard zijn. De voorzitter en commissie blijven uiteindelijk de
                    regie houden omdat zij op basis van alle stukken en bevindingen tot behandeling
                    en advisering overgaan. De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden
                    van de Awb luiden als volgt. Artikel 2:1, tweede lid Een bestuursorgaan kan van
                    een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Artikel 6:6 Indien niet
                    is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor
                    het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk
                    worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te
                    herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Toelichting: Er is van
                    afgezien in de verordening een vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet
                    goed mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze
                    termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een
                    redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee weken na
                    het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de indiener een
                    reële mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te herstellen;
                    anderzijds moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de procedure wordt
                    vertraagd. Uit jurisprudentie over belastingen valt af te leiden dat na het
                    bieden van een hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook nog
                    gerappelleerd dient te worden. Een zorgvuldige formulering van de brief waarin
                    gewezen wordt op het verzuim en waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het
                    verzuim moet worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven
                    moeten worden welke consequentie verbonden is aan het niet-voldoen aan deze
                    verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is
                    geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan'
                    niet-ontvankelijk worden verklaard. De uiteindelijke beslissing ligt dus bij het
                    bestuursorgaan. Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er
                    in zo'n situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift
                    waardoor - ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien. Ten
                    slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften zijn
                    opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient te
                    worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de dag
                    waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken. Artikel 6:17 Indien iemand zich laat
                    vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen,
                    de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde.
                    Toelichting: Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door
                    de commissie betreft, ligt deze taak bij de voorzitter. Het is niet nodig om in
                    de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers van de belanghebbende
                    toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de aanvraag en het
                    primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196). Artikel 7:4, vierde lid Awb
                    staat toe om leges te heffen voor het verstrekken van afschriften van de
                    desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een belanghebbende (HR 20
                    september 2000, JG 2001/30). Artikel 7:4, tweede lid Het bestuursorgaan legt het
                    bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand
                    aan het horen gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter inzage.
                    Toelichting: Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een
                    goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe
                    van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er
                    niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.
                    Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19). Artikel 7:6, vierde lid Het
                    bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, toepassing
                    van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om gewichtige
                    redenen is geboden [...]. Het derde lid van dit artikel luidt: Wanneer
                    belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de hoogte
                    gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn aanwezigheid.</al><al>De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak
                    van 19 maart 2003, AB 2003, 301 beslist, dat de gemeentelijke bezwarencommissie
                    een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. De gemeentelijke bezwarencommissie
                    valt hiermee tevens onder de werking van de Wet openbaarheid van bestuur en is
                    bevoegd te beslissen op een verzoek om informatie, indien deze betrekking heeft
                    op gegevens in documenten welke bij de gemeentelijke bezwarencommissie
                    berusten.</al><al>Dit impliceert dat de commissie ook bevoegd is te beslissen over de toepassing
                    van artikel 7:6 vierde lid, waardoor de bevoegdheidsoverdracht bij verordening,
                    zoals die in het verleden wel heeft plaatsgevonden, niet meer noodzakelijk
                    is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9 Vooronderzoek</onderstreept> Het spreekt voor zich dat
                    de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te dragen dat al het
                    noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het bezwaarschrift genoegzaam
                    voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de gemeente - hij krijgt de
                    bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het
                    mogelijk zijn om met de klager in contact te treden om nadere informatie in te
                    winnen of bijvoorbeeld hem in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken. De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de
                    voorbereiding van de te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij
                    vallen gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te
                    denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van
                    externe deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat. Het mag niet zo zijn dat het college door zo'n toetsing
                    vooraf het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast. Evenwel mag verwacht worden dat de commissie bij te verwachten
                    hoge onderzoekskosten vooraf melding doet bij het college. In dit verband
                    verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan
                    waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de gegevens ter
                    beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede vervulling van
                    diens taak. Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van
                    het bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het
                    advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 10 Hoorzitting</onderstreept> Voor het bepaalde in het
                    eerste lid: zie de toelichting op artikel 11 van deze verordening. Artikel 7:3
                    van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van belanghebbenden kan
                    worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b)"><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c)"><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d)"><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><al>Ad d. Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    secretaris van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het bezwaar.
                    De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3. In deze verordening is dat
                    wettelijk voorschrift artikel 2 lid 2, dat betrekking heeft op situaties van
                    kennelijke niet-ontvankelijkheid en kennelijke ongegrondheid. Het bepaalde in
                    het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het uiteindelijk uit te
                    brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden. Dat is noodzakelijk
                    omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een bezwaarschrift, indien
                    van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op welke grond dat is
                    geschied.</al><al><onderstreept>Artikel 11 Uitnodiging zitting</onderstreept> Ingevolge het eerste
                    lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan uitgenodigd voor de
                    zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter zitting laat
                    vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de inbreng van
                    bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe
                    commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken. Het verdient aanbeveling een termijn vast
                    te stellen die ligt tussen de oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet
                    gedacht worden aan een zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige
                    belanghebbenden voldoende gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting
                    voor te bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om
                    hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd. Gekozen is
                    voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van 10 weken
                    waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie artikel
                    7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna). Voorts is een
                    regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip van de
                    zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend. Betrokkene
                    dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen. Een
                    verzoek om uitstel moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd
                    verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt
                    tot een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een
                    te grote vertraging kan ondervinden. De toelichting op dit artikel van deze
                    verordening is ook de plaats om te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8
                    van de Awb. Het verdient aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen bij de
                    uitnodiging van de hoorzitting mededeling te doen. Omdat de inhoud van deze
                    artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst ervan hier integraal op
                    te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8). Artikel 7:4 Awb</al><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid
                    en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
                    Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de
                    kosten afschriften verkrijgen.</al><al>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het tweede
                    lid achterwege worden gelaten.</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voorzover geheimhouding
                    om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze bepaling wordt
                    mededeling gedaan.</al><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de Wet
                    openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om informatie,
                    vervat in deze stukken, in te willigen.</al><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                    lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan inzage van de
                    desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij
                    advocaat, hetzij arts is.</al><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43). In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                    van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al> Artikel 7:8 Awb</al><al>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en
                    deskundigen worden gehoord.</al><al>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de belanghebbende
                    die hen heeft meegebracht.</al><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al>Uitzondering hierop wordt omschreven in artikel 7:15 lid 2 Awb, dat evenwel dat
                    de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar
                    redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend op verzoek van de belanghebbende
                    worden vergoed voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het
                    bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. </al><al><onderstreept>Artikel 12 Quorum</onderstreept> Dit artikel spreekt voor zich.
                    Bij benoeming van vier leden in de Algemene kamer en een voorzitter wordt aan
                    het quorum voldaan bij aanwezigheid van twee leden plus de voorzitter, of bij
                    ontstentenis van de vaste voorzitter of diens plaatsvervanger bij drie
                    leden.</al><al>Voor de Kleine commissie geld, dat de hoorzitting kan doorgaan bij aanwezigheid
                    van één lid en de voorzitter en bij ontstentenis van de voorzitter of diens
                    plaatsvervanger, indien twee leden aanwezig zijn.</al><al>Randvoorwaarde is, dat degene die de voorzitter of zijn plaatsvervanger vervangt
                    níet onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan werkzaam mag zijn (dit is
                    inherent aan een commissie ex art. 7:13 Awb). <cursief>Er is geen wettelijk
                        bezwaar tegen het horen in het kader van de bezwaarprocedure door de
                        voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl advisering door de
                        vo</cursief><cursief>l</cursief><cursief>tallige commissie heeft
                        plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119,
                        3).</cursief><onderstreept>Artikel 13 Niet-deelneming aan de behandeling
                    </onderstreept>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.
                    Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100). </al><al><onderstreept>Artikel 13 Openbaarheid zitting</onderstreept> Ingevolge artikel
                    7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar plaatsvindt. In
                    artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de commissie toegekend.
                    In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting van de
                    Algemene kamer in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze
                    regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van
                    familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk
                    karakter aan de orde komen. De zitting dient te worden onderscheiden van de
                    beraadslaging van de commissie, die ingevolge artikel 16 van de verordening
                    achter gesloten deuren plaatsheeft. De zittingen van de Kleine commissie vinden
                    achter gesloten deuren plaats, tenzij deze commissie anders oordeelt.
                    </al><al><onderstreept>Artikel 15 Schriftelijke verslaglegging</onderstreept> Artikel 7:7
                    Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De
                    wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet door de Awb
                    geregeld. Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van
                    al het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het
                    verslag duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat
                    door hen naar voren is gebracht. Gezien de betekenis van de hoorzitting in het
                    kader van de besluitvorming in de bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand
                    (hoewel niet voorgeschreven in de Awb) dat het verslag van de zitting uiterlijk
                    gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar aan belanghebbende wordt
                    toegezonden. Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies.
                    Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de
                    adviescommissie, hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet
                    opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23). </al><al>Artikel 16 Nader onderzoek Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan
                    het licht brengen die op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit
                    kan aanleiding zijn om belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen.
                    De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken
                    daartoe een nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat
                    indien het in het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor
                    de op bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan
                    belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden
                    gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe
                    informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de
                    belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de
                    hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek
                    (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt
                    ook in dat het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan
                    wenden zonder dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om
                    hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999,
                    JB, 1999/311). </al><al><onderstreept>Artikel 17 Raadkamer en advies </onderstreept>Zie
                    ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe openbaar; de
                    hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats. Het tweede lid,
                    onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel aanwezig
                    is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer leden dan wel hun
                    plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel 12) tijdens de
                    besluitvorming uit een even aantal personen bestaat. Het horen kan plaatsvinden
                    door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de advisering dient plaats te
                    vinden door een commissie die voldoet aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid,
                    onder a. Hoe het advies totstandkomt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke
                    consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5
                    januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621). Advisering
                    door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met artikel
                    7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel (mogelijkheid voor de
                    commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel
                    uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het
                    bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering kan worden opgedragen aan de
                    voorzitter en één lid. Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen
                    (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 06-01-1997). </al><al><onderstreept>Artikel 18 Uitbrengen advies</onderstreept> Volgens artikel 7:13,
                    zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het verslag van de hoorzitting
                    deel uit van het advies van de commissie en wordt het schriftelijk uitgebracht.
                    De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 10 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. Het besluit tot verdaging treedt niet in werking wanneer het niet
                    bekend is gemaakt. Het ligt voor de hand in verband hiermee belanghebbenden het
                    verdagingsbesluit toe te zenden. <onderstreept>Artikel 19 Intrekking oude
                        regeling en overgangsbepaling</onderstreept>Dit artikel
                    spreekt voor zich. </al><al><onderstreept>Artikel 20 Inwerkingtreding</onderstreept> In artikel 139 tot en
                    met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die
                    algemeen verbindende voorschriften inhouden geregeld. De bepalingen over
                    bekendmaking en mededeling van besluiten zoals opgenomen in afdeling 3.6 Awb
                    zijn niet van toepassing op algemeen verbindende voorschriften (zie artikel 3:1
                    Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en met 4A van toepassing zijn
                    en wel voorzover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet). Besluiten
                    van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden,
                    verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt zijn. De bekendmaking geschiedt door
                    plaatsing op de gemeentelijke informatie-pagina in een huis-aan-huisblad of
                    plaatselijk dagblad. </al><al><onderstreept>Artikel 20 Citeertitel</onderstreept> Deze verordening kan worden
                    aangehaald als: Verordening commissie bezwaarschriften.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>