<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR123790_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2012 (2)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maak kennis met Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 30-11-2011.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220 tot en met 220h​</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>MID 11/021.1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening onroerende zaakbelastingen 2011.</al><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2012 (2)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude;</al><al>Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9
                        augustus 2011;</al><al>Gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>Besluit:</al><al>Vast te stellen de:</al><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende
                        zaakbelastingen 2012</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1 Onder de naam “onroerende -zaakbelastingen” worden voor binnen de gemeente
                        gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                                dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen:
                                gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                eigenarenbelasting.</al></li></lijst><al/><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>gebruik door de degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik
                                door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de
                                gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig
                                te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                                gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak
                                ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst><al/><al>3 Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                        gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                                daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                                glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of
                                teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                                teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de
                                in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928 met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                                zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                                uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                aan te merken.</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                                de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van
                                zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                                het geven van onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                eigendommen- niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het
                                belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                                zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige
                                zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><al/></li></lijst><al>2 De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde
                        onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                        gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht.</al><al/><al>3 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1311%;</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="-"><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                            0,1040%;</al></li><li nr="-"><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,1743%.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het bedrag van de belasting beneden €. 10 blijft, wordt geen
                            belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het
                            totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aan
                            belastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden
                            afgerond op gehele euro’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet
                            de aanslag worden betaald uiterlijk 2 maanden na de dagtekening van het
                            aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de
                            op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan €. 70, en zolang de
                            verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso
                            kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in
                            zeven gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de
                            dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c van
                            de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
                            beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                            overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd
                            met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende
                        -zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De verordening “Verordening onroerende zaakbelastingen 2011”
                                vastgesteld bij raadsbesluit van 14 december 2010, wordt ingetrokken
                                met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan;</al></li><li nr="2"><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste
                                donderdag na die van de bekendmaking;</al></li><li nr="3"><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012;</al></li><li nr="4"><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende
                                zaakbelastingen 2012”. </al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 november 2011.</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>