<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR123610_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Zwolle 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Peperbus (30 november 2011)</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening langdurigheidstoeslag gemeente Zwolle 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 36 Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb1-2011.175</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregel bijzondere bijstand duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten gemeente Zwolle 2010</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wie komt in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag, hoe is de aanvraagprocedure en wat is de hoogte van de toeslag?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG GEMEENTE ZWOLLE 2012
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene begrippen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li>
              <li nr="b."><al>Wij: de Wet investeren in jongeren;</al></li>
              <li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Zwolle;</al></li>
              <li nr="d."><al>langdurigheidstoeslag: de toeslag als bedoeld in artikel 36
                                        van de wet;</al></li>
              <li nr="e."><al>referteperiode: een ononderbroken periode van 36
                                        kalendermaanden direct voorafgaand aan de peildatum;</al></li>
              <li nr="f."><al>peildatum:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>indien belanghebbende voor het eerst een aanvraag
                                langdurigheidstoeslag indient; de eerste dag van de kalendermaand
                                volgend op de maand waar in enig jaar het recht op de
                                langdurigheidstoeslag ontstaat;</al></li>
                  <li nr="2."><al>indien belanghebbende eerder een langdurigheidstoeslag heeft
                                ontvangen, de eerste dag van de 13<sup>e</sup> kalendermaand
                                gerekend vanaf de peildatum die bij de eerdere toekenning is
                                gehanteerd.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="g."><al>peilmaanden: de 1<sup>e</sup> maand, 12<sup>e</sup> maand,
                                        24<sup>e</sup> maand en de 36<sup>e</sup> maand voorafgaande
                                        aan de peildatum;</al></li>
              <li nr="h."><al>norm: bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                                        bestaan,</al><lijst>
                  <li nr="1°"><al>het bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                                                het bestaan zoals bedoeld in artikel 5 onder b van
                                                de wet;</al></li>
                  <li nr="2°"><al>het bedrag voor de algemeen noodzakelijke kosten van
                                                het bestaan wordt voor een alleenstaande of een
                                                alleenstaande ouder vermeerderd met de toeslag;</al></li>
                  <li nr="3°"><al>de uitkomst van het gestelde onder 1° en 2° wordt
                                                verminderd met de in de wet geldende
                                                vakantietoeslag;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="i."><al>toeslag: het bedrag van de toeslag als bedoeld in artikel
                                        25, 26 en 27 van de wet voor zover deze toeslag op de
                                        situatie van belanghebbende van toepassing is;</al></li>
              <li nr="j."><al>inkomen: het inkomen van belanghebbende zoals bedoeld in
                                        artikel 32 en 33 lid 1 van de wet verminderd met de
                                        ontvangen vakantietoeslag. Tot het inkomen wordt ook
                                        gerekend de bijstand voor algemeen noodzakelijke kosten van
                                        het bestaan zoals genoemd in artikel 5 onder b van de wet.
                                        Bij een gehuwde wordt uitgegaan van de som van het inkomen
                                        van belanghebbende en zijn partner;</al></li>
              <li nr="k."><al>partner: de persoon met wie de belanghebbende tijdens de
                                        referteperiode of op de peildatum al of niet gehuwd een
                                        gezamenlijke huishouding voert in de zin van artikel 3 van
                                        de wet;</al></li>
              <li nr="l."><al>vermogen: het vermogen van belanghebbende zoals bedoeld in
                                        artikel 34 van de wet. Bij een gehuwde wordt uitgegaan van
                                        de som van het vermogen van belanghebbende en zijn
                                        partner.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Langdurig laag inkomen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Er is sprake van een langdurig laag inkomen als het inkomen,
                                gedurende de referteperiode niet hoger was dan 110% van de
                                norm.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien het inkomen in de peilmaanden niet meer bedroeg dan 110% van
                                de norm wordt aangenomen dat voldaan wordt aan het gestelde in lid
                                1</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien als gevolg van wisselende of eenmalige inkomsten het inkomen
                                in een peilmaand hoger was dan 110% van de norm, wordt in afwijking
                                van het gestelde in lid 2, uitgegaan van een gemiddeld inkomen. Het
                                gemiddeld inkomen wordt berekend door de som van het inkomen dat
                                gedurende 36 maanden voorafgaand aan de peildatum is genoten te
                                delen door 36. Het gemiddelde inkomen mag niet meer bedragen dan
                                110% van de norm.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1, 2 en 3 is er eveneens sprake
                                van een langdurig laag inkomen als het inkomen gedurende de
                                referteperiode meer bedroeg dan 110% van de norm en het meerdere
                                gedurende de gehele referteperiode is aangewend ter aflossing van
                                een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling of
                                een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering
                                Natuurlijke Personen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1, 2 en 3 is er eveneens sprake
                                van een langdurig laag inkomen als:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>belanghebbende of diens partner in een periode van 12 maanden
                                voorafgaand aan de peildatum een uitkering voor levensonderhoud
                                heeft ontvangen op grond van een sociale verzekering of een sociale
                                voorziening en</al></li>
              <li nr="b."><al>deze uitkering is beëindigd als gevolg van het aanvaarden van
                                betaalde arbeid en</al></li>
              <li nr="c."><al>het inkomen in de referteperiode gedurende 12 maanden voorafgaand
                                aan de peildatum niet meer bedroeg dan 130% van de norm en</al></li>
              <li nr="d."><al>het inkomen in de 13<sup>e</sup> tot en met de 36<sup>e</sup> maand
                                voorafgaand aan de peildatum niet meer bedroeg dan 110% van de norm.
                            </al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Geen uitzicht op inkomensverbetering</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Er is geen uitzicht op inkomensverbetering als het inkomen,
                                gedurende de referteperiode was aan te merken als een langdurig laag
                                inkomen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1, is er sprake van uitzicht op
                                inkomensverbetering als een belanghebbende of diens partner op de
                                peildatum of in de referteperiode een inkomen geniet of heeft
                                genoten op grond van de Wet op de Studiefinanciering of de Wet
                                Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Wie komt voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Om voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>dient de belanghebbende en diens partner op de peildatum
                                ingeschreven te staan in de gemeentelijke basisadministratie van de
                                gemeente Zwolle en</al></li>
              <li nr="b."><al>dient er sprake te zijn van een langdurig laag inkomen zonder
                                uitzicht op inkomensverbetering en,</al></li>
              <li nr="c."><al>mag het inkomen in de maand voorafgaand aan de peildatum niet hoger
                                zijn dan 110% van de norm en</al></li>
              <li nr="d."><al>mag het vermogen in de maand voorafgaand aan de peildatum niet meer
                                zijn dan de vermogensgrens genoemd in artikel 34 lid 2 onder d en
                                lid 3 van de wet.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het gestelde in lid 1 onder c komt iemand in
                                aanmerking voor de langdurigheidstoeslag als:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>het inkomen in komen in de maand voorafgaand aan de peildatum niet
                                hoger is dan 130% van de norm en</al></li>
              <li nr="b."><al>voldaan wordt aan het gestelde in artikel 2 lid 4 of artikel 2 lid
                                5.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Indien er sprake is van eigenwoning bezit is artikel 50 lid 1 van de
                                wet op overeenkomstige wijze van toepassing</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Wie komt niet voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Er bestaat geen recht op langdurigheidstoeslag indien in een periode
                                van 12 maanden voorafgaand aan de peildatum langdurigheidstoeslag is
                                verstrekt aan belanghebbende of diens partner.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Er bestaat geen recht op een langdurigheidstoeslag als
                                belanghebbende en of diens partner in de referteperiode buiten
                                Nederland heeft verbleven en het verblijf buiten Nederland, per
                                kalenderjaar bezien, langer was dan de periode genoemd in artikel 13
                                lid 1 onder e of artikel 13 lid 4 onder a van de wet. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Hoogte langdurigheidstoeslag</titel>
          </kop>
          <al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag bedraagt voor een belanghebbende
                            die op de peildatum is aan te merken als:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>een gehuwde: 3% van de norm en toeslag, zoals deze gold op 1
                                    januari van het kalenderjaar volgend op de referteperiode.</al></li>
            <li nr="b."><al>een alleenstaande ouder: 3% van de norm en toeslag, zoals deze
                                    gold op 1 januari van het kalenderjaar volgend op de
                                    referteperiode.</al></li>
            <li nr="c."><al>een alleenstaande: 3% van de norm en toeslag, zoals deze gold op
                                    1 januari van het kalenderjaar volgend op de
                                    referteperiode.</al></li>
            <li nr="d."><al>De uitkomst van het gestelde onder a, b of c wordt
                                    vermenigvuldigd met 12.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Aanvraag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Voor het aanvragen van de langdurigheidstoeslag dient belanghebbende
                                gebruik te maken van een door het college vast te stellen
                                formulier.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De partner dient er schriftelijk mee in te stemmen dat
                                belanghebbende mede namens hem een aanvraag indient.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Bij de aanvraag dient belanghebbende de op het aanvraagformulier
                                gevraagde bewijsstukken te overleggen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Indien het naar het oordeel van het college noodzakelijk is, dient
                                de belanghebbende naast de op het aanvraagformulier aangegeven
                                bewijsstukken nadere informatie te verstrekken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan in bijzondere gevallen artikel 1 onder f, artikel 2 lid
                            4, artikel 4 lid 1 onder a, artikel 5 lid 2 buiten toepassing laten of
                            daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van
                            belanghebbende leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Ingangsdatum</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening
                            Langdurigheidstoeslag gemeente Zwolle 2012”</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>TOELICHTING VERORDENING LANGDURIGHEIDSTOESLAG GEMEENTE ZWOLLE
                            2012</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Aanleiding</vet>
        </al>
        <al>De langdurigheidstoeslag bestaat sinds 2004. In de Wet werk en bijstand
                            (WWB) die per 1 januari 2004 in werking is getreden zijn bepalingen
                            (artikel 36 WWB) opgenomen die het verstrekken van de
                            langdurigheidstoeslag regelen. De regering heeft als wens gemeenten meer
                            armslag te geven in de bestrijding van armoede door gerichte
                            inkomensondersteuning (coalitieakkoord). Deze wens is ook neergelegd als
                            afspraak in het Bestuursakkoord Rijk en Gemeenten “Samen aan de slag”.
                            Daarin is afgesproken dat de langdurigheidstoeslag wordt gedereguleerd.
                            Daarnaast stuit de langdurigheidstoeslag in de gemeentelijke praktijk
                            veelvuldig op uitvoeringsproblemen. Eén en ander heeft er toe geleid dat
                            het parlement op voorstel van het kabinet de bepalingen voor de
                            langdurigheidstoeslag met ingang van 1 januari 2009 heeft gewijzigd. Eén
                            van de gevolgen van deze wetswijziging is dat de gemeente vanaf 1
                            januari 2009 meer beleidsvrijheid krijgt. De gemeenteraad moet voor het
                            verstrekken van de langdurigheidstoeslag een verordening
                            vaststellen.</al>
        <al>
          <vet>Waarom langdurigheidstoeslag?</vet>
        </al>
        <al>In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de
                            bepalingen rond de langdurigheidstoeslag wordt aangegeven dat de
                            “rechtvaardiging van de langdurigheidsheidstoeslag is dat mensen die
                            langdurig van het sociaal minimum afhankelijk zijn, over het algemeen
                            geen mogelijkheden meer hebben om te reserveren voor (onverwachte) hoge
                            kosten, zoals vervangingsuitgaven die na verloop van tijd onvermijdelijk
                            zijn”. Ook wordt vermeld: “Om deze reden wordt de langdurigheidstoeslag
                            voor één jaar toegekend en in één belastingvrij bedrag uitbetaald.
                            Hiermee wordt bereikt dat er op het moment van uitbetaling ruimte
                            ontstaat binnen het budget waaruit hogere kosten kunnen worden voldaan,
                            bijvoorbeeld voor vervangingsuitgaven. Dat betekent dat bij bijzondere
                            bijstandsverlening voor een bepaald gebruiksgoed bijvoorbeeld, enerzijds
                            rekening kan worden gehouden met reeds verleende langdurigheidstoeslag.
                            Anderszijds moet nagegaan worden of er bijzondere omstandigheden zijn
                            waarom ook na ontvangst van de langdurigheidstoeslag bijzondere bijstand
                            nodig is”. Deze uitgangspunten golden bij de invoering van de Wet werk
                            en bijstand en blijven ook na de wetswijziging gehandhaafd.</al>
        <al>
          <vet>Verschil tussen de eerdere wetgeving van 2004 en latere wetgeving
                                2009?</vet>
        </al>
        <al>In beginsel kwam vóór 2009 iemand die 60 maanden of langer leeft van een
                            inkomen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en een vermogen heeft dat
                            niet meer is dan het vrij te laten bescheiden vermogen voor de
                            langdurigheidstoeslag in aanmerking. Cruciaal in de oude bepalingen was
                            het al of niet aanwezig zijn van arbeidsmarktperspectief (in het
                            verleden en in de toekomst). Alleen bij het ontbreken van arbeidsmarkt
                            perspectief kwam men voor langdurigheidstoeslag in aanmerking. In
                            artikel 36 WWB werd uitdrukkelijk aangegeven dat iemand die gedurende de
                            referteperiode (60 maanden) inkomsten uit of in verband met arbeid heeft
                            ontvangen niet voor langdurigheidstoeslag in aanmerking kwam. Aangezien
                            de bepalingen tot onbillijkheden leidden is één en ander in 2006 wat
                            versoepeld. De wettelijke bepalingen waren ingewikkeld en lastig uit te
                            voeren. Daarnaast heeft de Centrale Raad van Beroep een aantal
                            uitspraken gedaan die tot een aanzienlijke verruiming hebben geleid.
                            Onder de bepalingen vóór 2009 had de gemeente vrijwel geen
                            beleidsvrijheid. De langdurigheidstoeslag viel niet onder de
                            begripsomschrijving bijstand en de meeste WWB bepalingen golden niet
                            voor de langdurigheidstoeslag.</al>
        <al>Op grond van het nieuwe artikel 36 WWB kan iemand van 21 jaar in
                            aanmerking komen voor de langdurigheidstoeslag (was 23 jaar). Ook in de
                            nieuwe wetgeving is iemand van 65 jaar of ouder uitgesloten van het
                            recht op langdurigheidstoeslag. De rechtvaardiging hiervoor ligt in het
                            feit dat de hoogte van de AOW-uitkering hoger is dan de
                            bijstandsuitkering voor iemand die jonger dan 65 jaar is. Verder is de
                            bepaling gehandhaafd dat iemand slechts eenmaal binnen een periode van
                            12 maanden in aanmerking kan komen voor een langdurigheidstoeslag. In
                            tegenstelling tot de oude wetgeving zijn de meeste bepalingen van de WWB
                            van toepassing op de langdurigheidstoeslag. Het nieuwe artikel 36 geeft
                            aan dat iemand “die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te
                            nemen vermogen als in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op
                            inkomensverbetering” in aanmerking kan komen voor een
                            langdurigheidstoeslag. De WWB laat de invulling van deze begrippen over
                            aan de gemeente. De begrippen arbeidsmarktperspectief en inkomen uit
                            arbeid zijn in de nieuwe bepalingen niet meer opgenomen.</al>
        <al>Schematisch overzicht verschil wetgeving voor 2009</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="34*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Wetgeving voor 2009</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Wetgeving na 2009</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Doelgroep</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>23 tot 65 jaar</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>21 tot 65 jaar</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Aard inkomen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Geen inkomen uit arbeid</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Hoogte inkomen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Niet hoger dan WWB-norm</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Langdurig laag inkomen</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>60 maanden </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Arbeidsmarktperspectief</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Ldt alleen bij gebrek aan
                                                arbeidsmarktperspectief</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Begrip is niet meer opgenomen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Uitzicht op inkomensverbetering</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Begrip gold niet onder de oude wetgeving</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Ldt als er geen uitzicht is op inkomensverbetering.
                                                Gemeente moet begrip zelf invullen</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Vermogenstoets</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Zelfde als bij de WWB</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Zelfde als bij de WWB</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Aanvraag</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>Verplicht</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Verplicht</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Hoogte toeslag</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>In de wet geregeld ± 3% bijstandsnorm</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>Beleidsvrijheid gemeente</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Frequentie verstrekking</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>1x per 12 maanden</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>1x per 12 maanden</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De nieuwe langdurigheidstoeslag is een bijzondere vorm van bijzondere
                            bijstand. Hierdoor is de langdurigheidstoeslag niet langer vatbaar voor
                            beslag. In tegenstelling tot de reguliere bepalingen van de bijzondere
                            bijstand gelden de bepalingen bij de verlening van bijstand voor de
                            algemene bestaanskosten over in aanmerking te nemen en vrij te laten
                            middelen (inkomen en vermogen) ook voor de langdurigheidstoeslag. Het
                            feit dat de langdurigheidstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is
                            geworden, heeft gevolgen voor de financiering vanuit het rijk. In de
                            oude situatie kreeg de gemeente via het Inkomensdeel van het WWB-budget
                            een vergoeding voor het verstrekken van de langdurigheidstoeslag. In de
                            nieuwe situatie zijn de landelijke uitgaven voor de
                            langdurigheidstoeslag uit het Inkomensdeel van het WWB-budget genomen en
                            toegevoegd aan de middelen die via de algemene uitkering van het
                            gemeentefonds beschikbaar worden gesteld. Ook hier gaat het om een niet
                            geoormerkte toevoeging aan de algemene uitkering van het gemeentefonds. </al>
        <al>
          <vet>Wat regelt deze verordening?</vet>
        </al>
        <al>In artikel 8 WWB is aangegeven dat de gemeenteraad bij verordening
                            regels moet stellen voor de verstrekking van de langdurigheidstoeslag.
                            In ieder geval moet dit betrekking hebben op de hoogte van de
                            langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                            begrippen langdurig en laag inkomen. Met deze verordening wordt voldaan
                            aan de wettelijke opdracht. Daarnaast regelt deze verordening: wie er
                            wel of niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking komt en de
                            aanvraagprocedure. De bepalingen in deze verordening die betrekking
                            hebben op wie wel of niet in aanmerking komen voor de
                            langdurigheidstoeslag zijn een aanvulling op de bepalingen van artikel
                            11 WWB (rechthebbenden) en artikel 13 WWB (uitsluiting van het recht op
                            bijstand). </al>
        <al>
          <vet>Wat wil de gemeente Zwolle bereiken?</vet>
        </al>
        <al>De gemeente Zwolle wil bereiken dat de langdurigheidstoeslag meer dan
                            voorheen een middel is om armoede te bestrijden. Dit wordt bereikt door
                            de doelgroep van het armoedebeleid en de doelgroep voor de
                            langdurigheidstoeslag gelijk te trekken. Door de hoogte van de
                            langdurigheidstoeslag zodanig vast te stellen dat iemand daadwerkelijk
                            kan reserveren voor grotere uitgaven kan voorkomen worden dat men een
                            beroep op bijzondere bijstand voor deze uitgaven moet doen. Voor mensen
                            die langdurig van een laag inkomen moeten leven ontstaat er een situatie
                            dat zij meer zekerheid hebben en dat zij meer dan bij de bijzondere
                            bijstand zelf kunnen nagaan of er recht op een voorziening bestaat.
                        </al>
        <al/>
        <tussenkop>
          <vet>Toelichting per artikel</vet>
        </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>e.referteperiode</al>
        <al>Artikel 36 van de Wet werk en bijstand geeft aan dat een langdurigheidstoeslag
                    verstrekt kan worden aan iemand die langdurig een laag inkomen heeft en geen in
                    aanmerking te nemen vermogen heeft en geen uitzicht heeft op
                    inkomensverbetering. In deze verordening wordt bepaald dat gedurende een
                    referteperiode wordt getoetst of voldaan wordt aan langdurig, laag inkomen en
                    geen uitzicht op inkomensverbetering. Volgens het Nibud ontstaan er in de regel
                    bij mensen die langdurig moeten leven van een laag inkomen na 36 maanden
                    problemen bij de reservering voor duurdere uitgaven en of vervanging van
                    duurzame gebruiksgoederen. Hierbij is aansluiting gezocht door de referteperiode
                    vast te stellen op een aaneen gesloten periode van 36 maanden. Door deze periode
                    “in het verleden” te leggen ontstaat een beter beeld dan door een en ander “in
                    de toekomst” te bezien.</al>
        <al>f.peildatum</al>
        <al>Het is voor de duidelijkheid naar belanghebbenden en voor een eenduidige
                    uitvoering van belang om vast te leggen wanneer de referteperiode start. De WWB
                    regelt dit niet, zodat in deze verordening hiervoor bepalingen zijn opgenomen.
                    Het is mogelijk om geruime tijd (soms zelfs meer dan een jaar later) alsnog een
                    aanvraag in te dienen. Bepaald is dat de referteperiode aanvangt op de
                    1<sup>e</sup> van de maand volgend op de maand waarin de aanvraag is ingediend.
                    Vanaf deze datum wordt 36 maanden teruggekeken. Deze bepaling geldt voor de
                    eerste aanvraag langdurigheidstoeslag. Na 12 maanden kan iemand opnieuw voor
                    langdurigheidstoeslag in aanmerking komen. In een dergelijke situatie gaat de
                    referteperiode in op de 1<sup>e</sup> van de 13<sup>e</sup> maand volgend op de
                    vorige peildatum. Men mag bijvoorbeeld na 12 maanden een vervolgaanvraag
                    indienen. Het komt voor dat iemand in een andere gemeente een
                    langdurigheidstoeslag heeft ontvangen en bijvoorbeeld als gevolg van een
                    verhuizing vervolgens via de gemeente Zwolle aansluitend een
                    langdurigheidstoeslag wil ontvangen.</al>
        <al>In de volgende voorbeelden wordt de werking van de vaststelling van de
                    referteperiode nader toegelicht.</al>
        <tussenkop>Eerste aanvraag</tussenkop>
        <tussenkop>Voorbeeld 1</tussenkop>
        <al>Iemand dient op 12 maart 2009 voor het eerst een aanvraag ldt in en heeft nog
                    niet eerder ldt ontvangen:</al>
        <al>Peildatum wordt gesteld op de 1<sup>e</sup> van de maand volgend op de aanvraag
                    waarin de aanvraag is ingediend. In het voorbeeld dus 1 april 2009. De
                    referteperiode is een ononderbroken periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                    peildatum. In het voorbeeld is de referteperiode dus de periode: 1 april 2006
                    tot en met 31 maart 2009.</al>
        <tussenkop>Voorbeeld 2 </tussenkop>
        <al>Iemand leeft op 1 april 2009 36 maanden van een laag inkomen. De aanvraag wordt
                    pas in oktober 2009 ingediend. De referteperiode is de periode 1 april 2006 tot
                    1 april 2009.</al>
        <tussenkop>Vervolg aanvraag</tussenkop>
        <al>De wet geeft aan dat iemand 1x per 12 maanden in aanmerking komt voor de ldt. In
                    de verordening is bepaald dat de peildatum wordt gesteld op de 1<sup>e</sup> van
                    de 13<sup>e</sup> maand gerekend vanaf de eerdere peildatum.</al>
        <tussenkop>Voorbeeld 3</tussenkop>
        <al>Uitgaande van het eerste voorbeeld ontstaat de volgende situatie als iemand in
                    maart 2010 een vervolg aanvraag indient:</al>
        <al>Eerdere peildatum: 1 april 2009 </al>
        <al>Vervolg aanvraag: 3 maart 2010 </al>
        <al>Peildatum vervolg aanvraag: 1 april 2010</al>
        <al>Referteperiode: 1 april 2007 tot en met 31 maart 2010.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Langdurig laag inkomen </tussenkop>
        <al>Er is sprake van een langdurig laag inkomen als gedurende de referteperiode het
                    inkomen van belanghebbende of de som van het inkomen van belanghebbende en diens
                    partner niet hoger is dan 110% van de bijstandsnorm. Door voor 110% van de
                    bijstandsnorm te kiezen is aansluiting gezocht bij de doelgroep van het
                    armoedebeleid van de gemeente Zwolle. Voor mensen die een traject in het kader
                    van schuldhulpverlening volgen is een bepaling opgenomen die afwijkt van de 110%
                    grens. Mensen met een hoger inkomen hebben in een dergelijke situatie veelal een
                    besteedbaar inkomen dat lager ligt dan de bijstandsnorm. Ook is een bepaling
                    opgenomen die bij uitstroom uit een uitkering naar betaalde arbeid nog eenmaal
                    de verstrekking van de langdurigheidstoeslag mogelijk maakt als het inkomen na
                    uitstroom hoger is dan 110% van de bijstandsnorm.</al>
        <al>Om praktische redenen is er voor gekozen om het inkomen niet gedurende de hele
                    periode van 36 maanden te toetsen, maar dit slechts op 4 momenten te doen (de
                    1<sup>e</sup> maand, 12<sup>e</sup> maand, 24<sup>e</sup> maand en de
                    36<sup>e</sup> maand voorafgaande aan de peildatum). Op deze wijze wordt de
                    bewijslast voor belanghebbende verminderd en ontstaat er toch een redelijk beeld
                    over de inkomenssituatie. Bij een vervolg aanvraag wordt gebruik gemaakt van de
                    reeds bekende gegevens en kan belanghebbende volstaan met het verstrekken van
                    het inkomen voorafgaand aan de peilmaand. Het komt voor dat er sprake is van een
                    wisselend inkomen, waardoor het hanteren van de peilmaanden geen juist beeld
                    geeft. In een dergelijke situatie wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen
                    over 36 maanden. Ook komt het voor dat het hanteren van peilmaanden bij
                    zelfstandigen niet mogelijk is of geen juist beeld oplevert. In een dergelijke
                    situatie wordt individueel bepaald of iemand van een langdurig laag inkomen
                    leeft, en welke bewijsstukken hiervoor overlegd moeten worden.</al>
        <al>In tegenstelling tot wat bij de bijzondere bijstandsverlening is bepaald zijn de
                    WWB artikelen over het al of niet in aanmerking nemen van middelen (inkomsten en
                    vermogen) van toepassing op de verstrekking van de langdurigheidstoeslag.
                    Eveneens om praktische redenen wordt het inkomen verminderd met de ontvangen
                    vakantietoeslag en wordt dit vervolgens getoetst aan de op de gezinssituatie van
                    toepassing zijnde bijstandsnorm voor algemene bestaanskosten, nadat deze norm is
                    verminderd met de vakantietoeslag. </al>
        <al>De tekst van de verordening geeft aan dat bij de toetsing van het inkomen aan de
                    norm de toeslag meegenomen wordt voor zover deze toeslag op de situatie van
                    betrokkene van toepassing is. Om praktische reden wordt bij een alleenstaande
                    van 23 jaar of ouder of een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder ongeacht de
                    feitelijke situatie de landelijke basisnorm verhoogd met de toeslag op grond van
                    de WWB. Aan een alleenstaande van 21 of 22 jaar wordt volgens het
                    toeslagenbeleid van de gemeente Zwolle geen toeslag toegekend. Bij deze groep
                    vindt de toetsing in het kader van de langdurigheidstoeslag uitsluitend plaats
                    op de landelijke basisnorm.</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Geen uitzicht op inkomensverbetering</tussenkop>
        <al>Bij de beoordeling of er sprake is van uitzicht op inkomensverbetering wordt
                    niet uitgegaan of er in de toekomst sprake kan zijn van inkomensverbetering. Een
                    dergelijke beoordeling kan moeilijk plaatsvinden en kan veel discussie
                    opleveren. Gekozen is om als iemand langdurig van het zelfde inkomensniveau
                    leeft er van uit te gaan dat er geen sprake is van uitzicht op
                    inkomensverbetering. Om praktische redenen is er voor gekozen hiervoor dezelfde
                    periode en hetzelfde inkomensniveau te hanteren als bij de beoordeling of iemand
                    voldoet aan langdurig laag inkomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 en 5 Wie komt wel of niet voor langdurigheidstoeslag in
                    aanmerking?</tussenkop>
        <al>In artikel 11 WWB wordt aangegeven wie recht hebben op bijstand. Dit artikel is
                    eveneens van toepassing op de verstrekking van de langdurigheidstoeslag. Hieruit
                    volgt dat:</al>
        <al>alleen mensen die hier te lande verblijven recht hebben op de
                    langdurigheidstoeslag.</al>
        <al>vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en die voldoen aan het
                    gestelde in artikel 11 lid 2 en 3 recht hebben op een
                    langdurigheidstoeslag.</al>
        <al>Artikel 13 WWB lid 1 bepaalt wie uitgesloten zijn van het recht op bijstand. Het
                    betreft hier zowel de bijstand voor algemene bijstand als de bijzondere
                    bijstand. Ook dit artikel is van toepassing op de verstrekking van de
                    langdurigheidstoeslag. Voor de duidelijkheid wordt aangegeven dat er onder
                    andere geen recht op langdurigheidstoeslag bestaat als:</al>
        <al>iemand gedetineerd is, tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in
                    artikel 13 lid 3 (bijzondere vormen van detentie).</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn van belang bij de toetsing van
                            de situatie op het moment van de aanvraag cq de peildatum. Het is de
                            vraag of deze bepalingen ook toegepast kunnen worden op de situatie
                            tijdens de referteperiode. Om praktische redenen vindt deze toetsing
                            alleen plaats op het moment van aanvraag cq de peildatum. Hierop wordt
                            één uitzondering gemaakt. Bij een verblijf in het buitenland tijdens de
                            referteperiode is het niet objectief vast te stellen of iemand voldoet
                            aan de bepalingen rond langdurig laag inkomen en het al of niet aanwezig
                            zijn van vooruitzicht op inkomensverbetering. Bovendien is het niveau
                            van een buitenlands inkomen niet of nauwelijks te vergelijken met het
                            niveau van een Nederlands inkomen. In de verordening is een bepaling
                            opgenomen, vergelijkbaar met art 13 WWB lid d, die recht op
                            langdurigheidstoeslag uitsluit bij langdurig verblijf in buitenland
                            tijdens de referteperiode.</al></li>
          <li nr=""><al>Eén van de voorwaarden om voor de langdurigheidstoeslag in aanmerking te
                            komen is dat een belanghebbende voldoet aan de vermogensbepalingen. In
                            de wet worden voor eigen woning bezit vermogensvrijlatingen genoemd.
                            Deze vermogensvrijlatingen zijn ook van toepassing op de verlening van
                            de langdurigheidstoeslag. In de wet wordt echter aangegeven dat als
                            iemand als gevolg van het bezit van een eigen woning meer vermogen heeft
                            dan het vermogen dat vrijgelaten mag worden er onder voorwaarden
                            bijstand verleend kan worden in de vorm van een lening. Het is niet
                            toegestaan om de langdurigheidstoeslag in de vorm van een lening te
                            verstrekken. Een strikte toepassing van de wet, betekent dat er in een
                            dergelijke situatie geen langdurigheidstoeslag verleend kan worden,
                            hetgeen tot een onbillijke situatie kan leiden. In een situatie dat
                            iemand als gevolg van het eigen woning bezit meer vermogen heeft dan
                            toegestaan, het duidelijk is dat het inkomen in de referteperiode en in
                            de maand voorafgaand aan de peildatum niet meer is dan 110% van de
                            bijstandsnorm wordt de langdurigheidstoeslag wel verleend. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 6 Hoogte langdurigheidstoeslag </tussenkop>
        <al>Er is gekozen om de langdurigheidstoeslag op jaar basis vast te stellen op 3%
                    van bijstandsnorm voor algemene bijstand. Door de hoogte van de
                    langdurigheidstoeslag op 3% van de bijstandsnorm te stellen, beschikt iemand die
                    langdurig van een laag inkomen afhankelijk is over de mogelijkheid tot
                    reserveren voor duurdere uitgaven. </al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>