<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR123417_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gemeente Horst aan de Maas</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Horst aan de Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Horst aan de Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Electronisch gemeenteblad 15 december 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gemeente Horst aan de Maas.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gemeente Horst aan de Maas</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>raadsbesluit</vet></al><al>Bijlage van gemeenteblad 2011, no. 109b.</al><al><vet>De raad van de gemeente Horst aan de Maas;</vet></al><al>De raad van de gemeente Horst aan de Maas;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 september 2011 ,
                        gemeenteblad 2010, no. 109b;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 7, lid 10 van de Wet sociale
                        werkvoorziening; </al><al>gelet op de samenwerking van de gemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas en
                        Venray voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening in de
                        Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap NLW, en het belang van
                        genoemde Gemeenschappelijke Regeling bij eensluidende verordeningen met
                        betrekking tot de volgorde van het plaatsingsbeleid Wsw van de deelnemende
                        gemeenten;</al><al>gelet op het bepaalde in de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>onder intrekking van de Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken
                        Wet sociale werkvoorziening als vastgesteld in de voormalige gemeenten Horst
                        aan de Maas, Sevenum en Meerlo-Wanssum,</al><al>vast te stellen de: <vet>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken
                            Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gemeente Horst aan de Maas</vet></al><al>waarvan de inhoud als volgt luidt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst
                        aan de Maas.</al><al>De wet: de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).</al><al>Loonwaardeonderzoek: een methodiek waarbij verminderde arbeidsproductiviteit
                        in relatie tot de verdiencapaciteit wordt vastgesteld.</al><al>Voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de Wsw waarop
                        belanghebbende aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen ter
                        bekostiging van specifieke uitgaven.</al><al>Persoonsgebonden budget (PGB): Een persoonsgebonden budget kan bestaan uit
                        een periodieke subsidie aan de werkgever, een vergoeding aan de werkgever
                        voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden
                        waaronder de arbeid wordt verricht, een vergoeding aan de
                        begeleidingsorganisatie voor de noodzakelijke kosten van begeleiding op de
                        werkplek en een vergoeding aan de begeleidingsorganisatie ten behoeve van de
                        totstandkoming van de dienstbetrekking, een en ander als bedoeld in artikel
                        7 van de wet.</al><al>Overige begrippen: alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                        die niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wsw en de
                        Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                            uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het college stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van de
                        rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk
                        te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende kalender
                        jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden
                            budget begeleid werken Wsw</titel></kop><al>Het college verstrekt op aanvraag aan iedere Wsw-geïndiceerde die recht
                        heeft op plaatsing of een dienstverband in de zin van de Wsw, een
                        persoonsgebonden budget indien de werkgever en de begeleidingsorganisatie er
                        voor zorg dragen dat de arbeidsplaats voor de sw-geïndiceerde adequaat wordt
                        ingevuld.</al><al>De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>De werkgever is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, tenzij de
                                werkgever een publiekrechtelijk rechtspersoon is;</al></li><li nr="b."><al>De aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet op de
                                indicatiestelling en de mogelijkheden van de Sw-geïndiceerde, als
                                passend aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>De minimale aaneengesloten duur van het dienstverband bedraagt zes
                                maanden;</al></li><li nr="d."><al>De minimale omvang van het dienstverband bedraagt 16 uur per
                                week;</al></li><li nr="e."><al>De salariëring is gebaseerd op de voor het bedrijf of de betreffende
                                branche geldende CAO of arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst><al>De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>De begeleidingsorganisatie voldoet aan de certificeringeisen die
                                gelden in de re-integratiebranche;</al></li><li nr="b."><al>Zij heeft aantoonbare kennis en ervaring in het werkveld en wordt in
                                staat geacht de continuïteit van de dienstverlening te
                                waarborgen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt op verzoek van de Wsw-geindiceerde de hoogte van de
                            periodieke subsidie aan de werkgever vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken loonkostensubsidie wordt bepaald door de hoogte van de
                            loonwaarde van de Wsw-geindiceerde. Het college stelt de loonwaarde vast
                            aan de hand van een loonwaardeonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij verschil van inzicht tussen college en werkgever over de juistheid
                            van de vastgestelde loonwaarde, vindt een onafhankelijk
                            loonwaardeonderzoek plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periodieke subsidie aan de werkgever kan niet meer bedragen dan de
                            voor de aanvrager beschikbare rijkssubsidie minus de som van de
                            vastgestelde uitvoeringskosten, de vastgestelde vergoeding voor de
                            begeleidingsorganisatie (incl BTW) en de te verstrekken vergoeding op
                            grond van artikel 8 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De werkgever is gehouden om uit de periodieke subsidie eenmalig een door
                            het college vast te stellen stimuleringspremie uit te betalen aan de
                            werknemer. Het college stelt hiertoe nadere voorwaarden vast in een
                            uitvoeringsbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Herziening van de periodieke subsidie</titel></kop><al>De periodieke subsidie kan ambtshalve of op verzoek van de werkgever worden
                        herzien indien er gerede aanleiding is voor een herbeoordeling van de
                        loonwaarde van de Wsw-geindiceerde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beëindiging van de periodieke subsidie</titel></kop><al>De verstrekking van subsidie en vergoedingen op grond van deze verordening
                        wordt beëindigd in de bij wet aangegeven gevallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal uren aan begeleiding dat door het college wordt vergoed
                            bedraagt ten hoogste 15% van het aantal door de Wsw-geïndiceerde voor de
                            werkgever gewerkte uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten die een begeleidingsorganisatie maakt in verband met het
                            zoeken van een begeleid werkenplaats komen voor vergoeding in aanmerking
                            als dit leidt tot het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wijze van bepaling van de vergoeding en het vaststellen van nadere
                            voorwaarden worden in een uitvoeringsbesluit door het college nader
                            vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                            omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige kosten van
                            aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht als
                            uit een deskundigenrapport blijkt:</al><lijst><li nr="a."><al>dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn,</al></li><li nr="b."><al>deze persoonsgerelateerd zijn,</al></li><li nr="c."><al>er geen voorliggende voorzieningen zijn,</al></li><li nr="d."><al>het niet redelijk is dat deze kosten door de werkgever worden
                                    gedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en kosten
                            voortvloeiende uit arbowetgeving, die de werkgever uit hoofde van
                            normaal en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken,
                            komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere voorwaarden voor deze vergoeding door middel
                            van een uitvoeringsbesluit vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indienen van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een persoonsgebonden budget dient te zijn ondertekend
                            door de Wsw-geïndiceerde of diens wettelijke vertegenwoordiger en dient
                            te zijn vergezeld van een begeleidingsplan. De aanvraag wordt
                            meeondertekend door werkgever en de begeleidingsorganisatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in een uitvoeringsbesluit nadere eisen stellen
                            betreffende de indiening van de aanvraag en de vorm en inhoud van het
                            begeleidingsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen 8 weken na ontvangst van
                            alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste 4 weken verdagen. Het
                            college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van de periodieke subsidie bevat in ieder
                        geval:</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan
                                worden aangepast;</al></li><li nr="2."><al>De wijze van bevoorschotting van de subsidie;</al></li><li nr="3."><al>De verplichtingen van de werkgever.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het vaststellen van de periodieke subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever verstrekt op een daartoe vastgesteld formulier binnen 4
                            weken na afloop van het kalenderjaar een opgave van het door hem in het
                            voorgaande jaar betaalde bruto-CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde,
                            vermeerderd met alle werkgeverslasten, alsmede een kopie van de
                            loonstroken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de periodieke subsidie binnen 4 weken na ontvangst van
                            de in lid 1 genoemde bescheiden vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De subsidie wordt overeenkomstig de vaststelling binnen 4 weken betaald
                        onder verrekening van reeds betaalde voorschotten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever en begeleidingsorganisatie</titel></kop><al>De werkgever en begeleidingsorganisatie doen onmiddellijk schriftelijk
                        mededeling van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor
                        de verstrekking van de subsidie en of vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken
                        van de bepalingen in deze verordening indien onverkorte toepassing hiervan
                        tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening persoonsgebonden
                        budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening (Wsw) gemeente Horst aan
                        de Maas.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 11 oktober 2011</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>ir. C.H.C. van Rooij, mr. R.J.M. Poels,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking
                    getreden. Deze wet bevordert dat Wsw-geïndiceerden meer in een reguliere
                    werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken voert de wet
                    enkele belangrijke wijzigingen door. Zo worden regie en sturing op de Wsw
                    nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten worden hiermee
                    gestimuleerd een visie te ontwikkelen om het doel van de wet, het realiseren van
                    aangepaste arbeid die aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de
                    Wsw-geïndiceerde, het beste te kunnen verwezenlijken.</al><al>Een tweede verandering heeft betrekking op het geven van meer rechten en
                    keuzemogelijkheden aan Wsw-geïndiceerden, waaronder het recht op een
                    persoonsgebonden budget (PGB) om begeleid werken te realiseren.</al><al>De wet verplicht gemeenteraden om bij verordening nadere regels vast te stellen
                    over de wijze waarop het college vormgeeft aan het PGB (artikel 7, tiende lid,
                    Wsw). Gemeenteraden moeten binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet
                    deze verordening hebben vastgesteld.</al><tussenkop>Twee vormen van begeleid werken</tussenkop><al>Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door
                    Wsw-geïndiceerden bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de
                    oude wet geregeld in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid
                    werken. Bij deze vorm van begeleid werken worden begeleid werkenplekken tot
                    stand gebracht door gemeente of schap. Deze wijze van tot stand brengen van
                    begeleid werken blijft ook onder de nieuwe wet bestaan.</al><al>Naast het begeleid werken dat door gemeente of schap tot stand wordt gebracht,
                    introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via de figuur van het
                    persoonsgebonden budget (PGB). Dit vanuit de gedachte dat de Wsw als vrijwillige
                    voorziening voor een specifieke groep arbeidsgehandicapten zo goed mogelijk moet
                    aansluiten bij de capaciteiten en mogelijkheden van een Wsw-geïndiceerde.</al><al>Daarbij past ook dat Wsw-geïndiceerden de mogelijkheid moeten hebben om zelf te
                    bepalen op welke manier hun arbeidsplaats wordt gerealiseerd. Door de
                    Wsw-geïndiceerde een recht op een PGB te geven wordt hierin voorzien. Tussen
                    beide vormen van begeleid werken, totstandkoming via een PGB dan wel met behulp
                    van gemeente of schap, bestaat een aantal verschillen. Zo is begeleid werken met
                    een PGB als een recht voor elke Wsw-geïndiceerde geformuleerd. Deze heeft recht
                    op begeleid werken met een PGB als de aanvraag aan de wettelijke eisen en de
                    daarop gebaseerde gemeentelijke voorwaarden voldoet. Bovendien ligt bij begeleid
                    werken met een PGB het initiatief bij de Wsw-geïndiceerde zelf. De
                    Wsw-geïndiceerde, of iemand namens hem, zal een PGB bij de gemeente moeten
                    aanvragen en om dit te kunnen doen zal hij zelf een werkgever en een
                    begeleidingsorganisatie moeten aandragen en de wijze van werkplekaanpassing
                    moeten regelen, dan wel daar een voorstel voor doen. Als een Wsw-geïndiceerde
                    (of een door hem ingeschakelde begeleidingsorganisatie) een werkgever vindt die
                    hem een adequate werkplek aanbiedt, de begeleiding op de werkplek adequaat wordt
                    geregeld én de kosten van begeleid werken binnen het beschikbare budget vallen,
                    dan is de gemeente (na de aanvraag te hebben beoordeeld) verplicht de wens van
                    de Wsw-geïndiceerde te honoreren. Iedere Wsw-geïndiceerde komt in beginsel in
                    aanmerking voor begeleid werken met een PGB. Voor personen op de wachtlijst
                    geldt dat zij pas van het PGB gebruik kunnen maken als zij op grond van hun plek
                    op die wachtlijst aan de beurt zijn voor een wsw-plek. Voor het beroep op een
                    PGB is geen begeleid werken-indicatie van het CWI vereist. Hij of zij hoeft
                    daarvoor dus niet een positief advies begeleid werken te hebben gekregen. Een
                    sw-indicatie volstaat. Ook een sw- werknemer met een bestaand dienstverband kan
                    dus een beroep doen op een PGB.</al><al>Het verschil tussen begeleid werken dat door de gemeente of schap wordt
                    georganiseerd en begeleid werken met een PGB is in beginsel uitsluitend gelegen
                    in de procedurele wijze waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht.
                    Als de begeleid werkenplek eenmaal is gerealiseerd zijn er in principe geen
                    verschillen. Dit betekent dat gemeenten bij het stellen van regels voor begeleid
                    werken met een PGB zoveel mogelijk kunnen aansluiten bij de wijze waarop zij het
                    begeleid werken op dit moment organiseren. Dit geldt met name voor de eisen die
                    zij aan werkgevers, de werkplek en aan begeleidingsorganisaties stellen.</al><tussenkop>De regeling van begeleid werken met een PGB</tussenkop><al>Het begeleid werken met een PGB wordt geregeld in artikel 7 Wsw. De gemeente kan
                    een verzoek van een Wsw-geïndiceerde om voor een PGB in aanmerking te komen niet
                    weigeren, als:</al><lijst><li nr="3."><al>De betrokkene al een Wsw-dienstbetrekking heeft of recht heeft op
                            plaatsing vanaf de wachtlijst;</al></li><li nr="4."><al>De door de Wsw-geïndiceerde of de door hem aangedragen
                            begeleidingsorganisatie voorgestelde werkplek en begeleiding op de
                            werkplek adequaat zijn;</al></li><li nr="5."><al>De door de gemeente aan de werkgever te verstrekken periodieke subsidie
                            en de aan de begeleidingsorganisatie te verstrekken vergoeding, na
                            aftrek van de voor de gemeente rechtstreeks aan de subsidieverlening
                            verbonden uitvoeringskosten, niet hoger zijn dan het (gemiddelde) budget
                            dat beschikbaar is voor een Wsw-plaats. Komt het bedrag van de
                            periodieke subsidie en de periodieke vergoeding van begeleiding boven
                            het budget uit dat beschikbaar is voor een Wsw plaats, dan is het
                            college niet verplicht om subsidie te verstrekken, maar mag het dat wel
                            doen. (artikel 7, eerste lid, Wsw).</al></li></lijst><al>Het uitgangspunt van de wet is dat een Wsw-geïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Het college heeft de bevoegdheid om op grond van de wet en
                    de voorwaarden in deze verordening te toetsen of het aangevraagde bedrag voor
                    het PGB nodig is om de betreffende Wsw-geïndiceerde op een adequate wijze
                    begeleid te laten werken, dan wel dat zou kunnen worden volstaan met een lager
                    bedrag. Omgekeerd kan het college, hoewel hij de toekenning van een dergelijke
                    hogere aanvraag mag weigeren, ook besluiten een hoger bedrag toe te kennen dan
                    het beschikbare bedrag.</al><tussenkop>Het PGB bestaat uit drie bestanddelen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een periodieke subsidie aan de werkgever waar de Wsw-geïndiceerde in
                            dienst is. Deze subsidie is primair bedoeld als een tegemoetkoming in de
                            loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit. Ook kan
                            deze subsidie worden gebruikt als een vergoeding voor structurele kosten
                            van de werkgever die verband houden met het in dienst hebben van een
                            Wsw-geïndiceerde.</al></li><li nr="2."><al>Een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de
                            begeleiding van de Wsw-geïndiceerde verzorgt en eventueel een eenmalige
                            vergoeding voorzover de begeleidingsorgaisatie is ingeschakeld ten
                            behoeve van de totstandkoming van de dienstbetrekking</al></li><li nr="3."><al>Een vergoeding voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
                            de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht (artikel 7, derde
                            lid, Wsw). Hieronder worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt
                            worden voor technische aanpassingen in de werkplek. Gemeenten kunnen
                            deze vergoedingen verstrekken, ze zijn daartoe niet verplicht. Het PGB
                            is geen rugzakje: de Wsw-geïndiceerde krijgt geen budget mee. In feite
                            moet het PGB als hier bedoeld dan ook eerder worden gezien als een
                            persoonsvolgend budget. Het PGB wordt aangevraagd door de
                            Wsw-geïndiceerde, maar de subsidie en vergoeding worden door de gemeente
                            verstrekt aan de werkgever respectievelijk de begeleidingsorganisatie.
                            De Wsw-geïndiceerde heeft echter geen recht op een bepaald budget. Het
                            uitgangspunt van de wet is dat een Wsw-geïndiceerde recht heeft op
                            begeleid werken met een PGB. Enerzijds bestaat er dus een recht op een
                            PGB, anderzijds heeft het college de verantwoordelijkheid voor het zo
                            efficiënt en effectief inzetten van publieke middelen en het realiseren
                            van de jaarlijkse (rijks)taakstelling voor het realiseren van
                            wsw-plekken. Het bestaan van een PGB ontslaat het college ook niet van
                            de zorgplicht zoals die is geformuleerd in art. 1 lid 3 van de wet</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen opgenomen, omdat de wet voldoende
                    duidelijk is over gehanteerde termen en begrippen. Een uitgebreide(re)
                    begrippenlijst is derhalve overbodig.</al><tussenkop>Artikel 2 De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening
                    verbonden uitvoeringskosten</tussenkop><al>Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt over de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan
                    de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis.
                    Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit
                    artikel wordt bepaald dat het college elk jaar de hoogte van de gemeentelijke
                    uitvoeringskosten van begeleid werken met een PGB vaststelt. De gemeente zal
                    zelf moeten bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen van een PGB aan een
                    Wsw-geïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft niet aan wat
                    precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder geval
                    gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn (artikel
                    7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden gedacht aan kosten in
                    verband met de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="a."><al>het beoordelen van aanvragen voor een PGB;</al></li><li nr="b."><al>de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van
                            subsidies en vergoedingen in het kader van het PGB;</al></li><li nr="c."><al>het monitoren van het begeleid werken met een PGB;</al></li><li nr="d."><al>het tussentijds bepalen van loonwaarde;</al></li><li nr="e."><al>het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en
                            werkgever.</al></li></lijst><al>De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt, waarbij ook rekening
                    wordt gehouden met de mate van</al><al>arbeidshandicap. Het bedrag dat de gemeente (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van
                    het rijk ontvangt minus de (gemiddelde) uitvoeringskosten per Wsw-geïndiceerde
                    levert vervolgens het bedrag op dat de gemeente in beginsel beschikbaar heeft
                    voor een PGB.</al><tussenkop>Artikel 3 De voorwaarden om in aanmerking te komen voor een
                    persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw</tussenkop><al>Het college zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de inpassing
                    in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek
                    adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid, Wsw). In
                    verband hiermee heeft de gemeente eisen gesteld aan de werkgever en de door hem
                    aangeboden werkplek. </al><al>In artikel 7, tiende lid, Wsw dient de gemeenteraad in zijn verordening de
                    voorwaarden te regelen waaronder het college een begeleidingsorganisatie
                    inschakelt die door de Wsw-geïndiceerde is aangewezen.</al><al>Het 5<sup>e</sup> lid regelt dat de werkgever vanuit de aan hem verstrekte
                    periodieke subsidie aan de werknemer een eenmalige stimuleringspremie dient te
                    betalen. De werknemer heeft immers zelf ook de nodige inspanningen geleverd om
                    de dienstbetrekking tot stand te laten komen.</al><tussenkop>Artikel 4 De hoogte van de periodieke subsidie aan de
                    werkgever</tussenkop><al>De gemeenteraad dient bij verordening nadere regels te stellen met betrekking
                    tot de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient
                    te worden vastgesteld (artikel 7, tiende lid, onderdeel a, Wsw). De periodieke
                    subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en eventueel ook uit een vergoeding
                    voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst
                    hebben van een Wsw-geïndiceerde. </al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming in
                    de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de
                    Wsw-geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de loonkostensubsidie
                    moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van de
                    betrokken Wsw-geïndiceerde. In de praktijk wordt hierbij in alle gevallen
                    gebruik gemaakt van bestaande methodieken voor inschatting van de loonwaarde.
                    Ook het functieprofiel van de te vervullen functie en het daarbij behorende
                    (CAO-)loon maken vaak deel uit van dit proces.</al><al>Bij verschil van inzicht over de vastgestelde loonwaarde zal een nieuwe opdracht
                    tot onafhankelijke vaststelling van de loonwaarde door het college worden
                    verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 5 Herziening van de periodieke subsidie</tussenkop><al>De productiviteit van een sw-geïndiceerde kan wijzigen, als deze persoon langer
                    op een begeleid werkenplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan de
                    loonkostensubsidie worden aangepast. De werkgever kan dan, als de
                    productiviteit, c.q. verdiencapaciteit van de werknemer minder wordt, na overleg
                    en met instemming van de werknemer, een verzoek indienen om de
                    loonkostensubsidie te herzien. De werkgever moet zijn verzoek om herziening met
                    redenen omkleden.</al><al>Ook ambtshalve kan het college, als er een gerede aanleiding is voor een
                    (tussentijds) aanpassing van het subsidie, een hernieuwde beoordeling voor de
                    hoogte van het subsidie doen. Bijvoorbeeld als er sprake is van kennelijke
                    onredelijkheid bij handhaving van een bestaande situatie.</al><al>In de subsidiebeschikking aan de werkgever wordt opgenomen: hoe, en op welke
                    wijze, (tussentijdse) herbeoordelingen van loonwaarde zullen plaatsvinden (art.
                    4 lid 2 en art. 11) .</al><al>De herbeoordeling van de loonwaarde vindt plaats op basis van een
                    loonwaardeonderzoek. </al><tussenkop>Artikel 6 Beëindiging van de periodieke subsidie</tussenkop><al>Voor de criteria voor het beëindigen van de periodieke subsidies en vergoeding
                    wordt verwezen naar de wet, artikel 7, 5<sup>e</sup> en 6<sup>e</sup> lid.</al><tussenkop>Artikel 7 De hoogte van de vergoeding aan de
                    begeleidingsorganisatie</tussenkop><al>Het percentage onder lid 1 genoemd is:</al><lijst><li nr="1."><al>afgeleid van het percentage dat geldt voor de indicatie begeleid werken.
                            Boven 15% begeleiding betekent GEEN indicatie begeleid werken;</al></li><li nr="2."><al>de begeleidingsintensiteit die ook geldt voor het UWV en is vastgelegd
                            in het protocol jobcoach. Geeft aan de maximale hoeveelheid begeleiding
                            die aan een cliënt kan worden toegekend.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8 Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing
                    van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht</tussenkop><al>Dit artikel bevat regels die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder het
                    college aan de werkgever een vergoeding (subsidie) verstrekt voor de eenmalige
                    noodzakelijke kosten</al><al>van aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht (artikel 7,
                    tiende lid, Wsw).</al><tussenkop>Artikel 9 Indienen van de aanvraag</tussenkop><al>De Wsw-geïndiceerde zal het PGB moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met een
                    PGB leidt tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het
                    verstrekken van een periodieke subsidie) en een contractrelatie met de
                    begeleidingsorganisatie (in verband met het verstrekken van een periodieke
                    vergoeding), zullen ook de werkgever en de begeleidingsorganisatie van de
                    Wsw-geïndiceerde de aanvraag moeten ondertekenen.</al><al>Op basis van de aanvraag beslist het college vervolgens of een periodieke
                    subsidie aan de werkgever en een periodieke vergoeding aan de
                    begeleidingsorganisatie worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens
                    vindt de verstrekking van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op
                    basis van een beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan
                    de begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst.</al><tussenkop>Artikel 10 Beslistermijn</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11 Het besluit tot verlenen van de periodieke
                    subsidie</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 12 Het vaststellen van de periodieke subsidie</tussenkop><al>Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het
                    betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat
                    jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient
                    de werkgever een declaratieformulier in van het door hem in het voorgaande jaar
                    betaalde bruto CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde, vermeerderd met alle
                    werkgeverslasten, alsmede een kopie van de loonstroken.</al><tussenkop>Artikel 13 Verrekening met de voorschotten</tussenkop><al>Het kan hierbij zowel handelen om te betalen of te ontvangen bedragen.</al><tussenkop>Artikel 14 Verplichtingen van de werkgever en
                    begeleidingsorganisatie</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 15 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen kan afwijken van het
                    bepaalde in de verordening en dus niet van het bepaalde in de wet. Dit afwijken
                    kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van belanghebbende. Met nadruk zij
                    hierbij vermeld dat het gaat om uitzonderingsgevallen. In verband met
                    precedentwerking zal altijd goed moeten worden gemotiveerd waarom wordt
                    afgeweken van het bepaalde in de verordening.</al><tussenkop>Artikel 16 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 17 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>