<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR123243_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 1993</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gouda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Goudse Post, 21-03-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-03-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>14e serie wijzigingen Model-bouwverordening 1992</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>729909</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bouwen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16080</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening 1993</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1.</nr><titel>inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bevoegd gezag:</cursief> bestuursorgaan, als
                                        bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e,
                                        dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan, als
                                        bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                                        wethouders;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>bouwbesluit</cursief>: de algemene maatregel van
                                        bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="- "><al><cursief>bouwtoezicht</cursief>: degene, die ingevolge
                                        artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met
                                        artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                        belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige
                                        omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de
                                        plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                                        grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                        of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>gebruiksoppervlakte</cursief>: de
                                        gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al><cursief>hoogte van de weg</cursief>: de hoogte van de weg
                                        zoals die door of namens burgemeester en wethouders is
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NEN</cursief>: een door de Stichting Nederlands
                                        Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>NVN</cursief>: een door de Stichting Nederlands
                                        Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al><cursief>omgevingsvergunning voor het bouwen</cursief>:
                                        vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel
                                        2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de
                                        weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                        hoofdtoegang;</al></li><li nr=""><al>b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct
                                        aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van
                                        die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al><cursief>weg</cursief>: alle voor het openbaar rij- of ander
                                        verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                        daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al>- <cursief>bouwwerk</cursief>: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al>- <cursief>gebouw</cursief>: een gedeelte van een gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>termijnen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><al>a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>b. het gebied buiten de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 -</nr><titel>gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>in de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>het onderzoek naar bodemverontreiniging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>a. de resultaten van een recent standaard vooronderzoek
                                            verricht volgens NEN 5725 (uitgave 2009);</al><al/></li><li nr="b."><al> indien op basis van het vooronderzoek aanleiding
                                            bestaat te veronderstellen dat er een
                                            bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens
                                            ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            verkennend bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740,
                                            uitgave 2009, in overeenstemming met het
                                            onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="c."><al> indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend
                                            bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is
                                            van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden
                                            tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek,
                                            verricht volgens NTA 5755 (uitgave 2010);'</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                    Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze
                                    verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                    artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                    voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                    bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder cd, van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is, dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet
                                    rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt en er als gevolg van de aanwezige
                                    bouwwerken vooraf geen goed beeld kan worden verkregen van de
                                    bodemsituatie, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat
                                    is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Bodemonderzoekendienen geheel overeenkomstig
                                    vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig
                                    hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd.
                                    De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning
                                    op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van
                                        to<cursief>e</cursief>passing is het bepaalde in dit lid
                                    vooronderzoeken van voor 1 juli 2007. De rapportage
                                    moet als volgt worden ingediend:</al><al>- een papieren rapportage</al><al>- een digitaal exemplaar in pdf-bestand</al><al>- een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand (meest
                                    recenteversie.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning </titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 -</nr><titel>behandeling van de aanvraag om bouwvergunning </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>in behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>in behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 -</nr><titel><cursief>welstandstoetsing</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>welstandscriteria</titel></kop><al>Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst
                                aan de welstandscriteria als aangegeven in artikel 9.1.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4 -</nr><titel><cursief>het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al><al>b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor hte bouwen
                                is vereist; en</al><al>c. 1. dat de grond raakt, of </al><al> 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in paragraaf 1.2.5 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in het Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop kopopmaak="cur"><label>Paragraaf</label><nr>5 -</nr><titel><cursief>voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                    bereikbaarheidseisen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>richtlijnen voor de verlening van vrijstelling van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor
                                    wegverkeer, brandblusvoorzieningen </titel></kop><lid><lidnr/><al>Vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3a</nr><titel>brandweeringang</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen door
                                    gehandicapten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing: </al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                        zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels
                                        van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg
                                        geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waar­langs mag worden gebouwd: </al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg; </al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop kopopmaak="cur"><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II van het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van de veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II van het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr=""><al>2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                        grens van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>vergunningverlening in afwijling van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevel­rooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappehuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan een afwijking alleen worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                            weg;</al></li></lijst><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                    niet in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn - afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn ge­plaatst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooi­lijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daard­oor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen.</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begre­pen, en de
                                            daarbijbehorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ing­eschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooi­lijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende be­bouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegen­over elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van dag-licht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf ten minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten: </al><al>1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al><al>2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        16 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die
                                        vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel
                                        1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="k."><al>trappehuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwan­den, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al> bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                            aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                            tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan
                                            een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                                            spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat
                                            terrein slechts aan één van die zijden mag worden
                                            bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot
                                            stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                            bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van
                                            het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaan­de toestand
                                            verbeterd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwe­zige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aan-grenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daarte­gen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevel­rooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. </al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verstverwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorko­mende
                                    rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegen-overliggende achterge­velrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. </al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbij­zijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooi­ing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooi­lijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking </al><al> van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger
                                    is dan de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                                    tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan
                                    tot de vlakken die de verticale vlakken door de
                                    voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op de -
                                    krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en
                                    die met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>60 graden in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de
                                            bij de bouwverordening behorende kaart;</al></li><li nr="b."><al>45 graden in het overige deel van de bebouwde kom;</al></li><li nr="c."><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegen­over een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagstgelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedra­gen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en
                                    de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel
                                    vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouw­werk moet worden gemeten ten opzichte
                                    van straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen van
                                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7
                                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                        breedte van de topge­vel gemeten, niet groter is dan het
                                        produkt van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en indien:</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij toestaan van de afwijking
                                        is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner worden
                                        dan de bestaande;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li></lijst><lijst><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voor bereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er voor het desbetreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is; </al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is; </al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid; </al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing, en </al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>parkeergelegenheid en laad- en
                                    losmogelijkheden bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien het
                                    aantal parkeerplaatsen ten minste overeenkomt met het aantal
                                    parkeerplaatsen dat voor het betreffende gebied en de
                                    betreffende functie is genoemd in de tabel in bijlage 7a, met
                                    inachtneming van de toepassingsregels onder aan de tabel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto’s, inclusief de rijwegen om deze ruimten te bereiken,
                                    moeten redelijkerwijs bereikbaar zijn per auto en onafhankelijk
                                    van andere parkeerruimten kunnen functioneren. Voorts moet deze
                                    ruimte afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de desbetreffende afmetingen in overeenstemming
                                            zijn met het bepaalde in NEN 2443, uitgave 2000, de
                                            Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de
                                            bebouwde kom (ASVV 2004 van het Centrum voor Regelgeving
                                            in de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek,
                                            CROW) en de Ontwerpwijzer gebouwde parkeervoorzieningen
                                            (CROW, 1996) wat betreft de in de bijlage opgenomen
                                            afmetingen van parkeerwegen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte in overeenstemming is met de
                                            Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de
                                            bebouwde kom (ASVV 2004 van het Centrum voor Regelgeving
                                            in de Grond-, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek,
                                            CROW) en de Richtlijn integrale toegankelijkheid
                                            openbare ruimte (CROW 2002).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de <cursief>bestemming</cursief> van een gebouw
                                    aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor
                                    het laden of lossen van goederen, moet in de behoefte in
                                    voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
                                    wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                    hoort.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien. In het geval in het openbaar gebied wordt
                                            voorzien in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
                                            wel laad- of losruimte is het uitsluitend toegestaan op
                                            grond van dit onderdeel ontheffing te verlenen indien
                                            het naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                            redelijkerwijs fysiek onmogelijk of uit stedenbouwkundig
                                            oogpunt ongewenst is op eigen terrein in de nodige
                                            parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
                                            te voorzien of</al></li><li nr="b."><al> voor zover het gaat om het bezoekersdeel in
                                            de parkeernorm voor de binnenstad (zone A), of</al><al/></li><li nr="c."><al>in situaties waar het algemeen belang is gediend kan van
                                            de parkeernorm worden afgeweken. De gemeente kan in
                                            voorkomende gevallen maatwerk bieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In het geval ontheffing wordt verleend ingevolge het vijfde lid,
                                    op grond van het feit dat in het openbaar gebied wordt voorzien
                                    in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of
                                    losruimte zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan de
                                    ontheffing de verplichting tot betaling van een
                                    compensatiebedrag te verbinden, waarbij een bedrag van € 5.000,-
                                    per parkeerplaats dan wel laad- of losplaats wordt gehanteerd.
                                    Voor genoemde bedragen wordt het prijspeil 2010 gehanteerd en
                                    worden jaarlijks geïndexeerd op basis van het jaarlijkse
                                    prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6 -</nr><label>voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</label></kop><structuurtekst><al>Van rechtswege vervallen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7 -</nr><titel>aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3a</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                                    verwarming</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinenvallen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3.</nr><titel>de melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>de wijze van melden</titel></kop><al>Gereserveerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>welstandscriteria</titel></kop><al>Gereserveerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4.</nr><titel>plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturenn</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>VervallenVerbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5.</nr><titel>staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 -</nr><titel><cursief>staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                                    nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                                    gedierte</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>Vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 -</nr><titel><cursief>staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</cursief></titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen </al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 -</nr><titel><cursief>aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleidin</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4 -</nr><titel><cursief>het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte -
                                    reinheid</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6.</nr><titel>brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>7. overige gebruiksbepalingen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 -</nr><titel><cursief>Overbevolking</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 -</nr><titel><cursief>staken van het gebruik</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 -</nr><titel><cursief>gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>vergunningsplicht nachtverblijf- bepaling aantal
                                    personen nachtverblijf </titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op vier.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4 -</nr><titel><cursief>het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte -
                                    reinheid</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>preventie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5 -</nr><titel><cursief>watergebruik</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6 -</nr><titel><cursief>installaties</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8.</nr><titel>slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1 -</nr><titel><cursief>omgevingsvergunning voor het slopen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>in behandeling nemen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>termijn van beslissing</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen </titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2 -</nr><titel><cursief>uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                                    voor het slopen </cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>Vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 -</nr><titel>verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>Vervallen</lidnr><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4 -</nr><titel>vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen </titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9.</nr><titel>welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>de advisering door de
                                welstandcommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><cursief>De welstandscommissie adviseert als subcommissie van de </cursief><cursief>Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit over de
                                    welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning
                                    voor het bouwen van bouwwerken waarvoor geen sneltoetscriteria
                                    zijn opgenomen in de Welstandsnota. De welstandscommissie
                                    baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde
                                    welstandscriteria.</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>Het bevoegd gezag beoordeelt zonder advies van de
                                    welstandscommissie of bouwwerken waarvoor sneltoetscriteria in
                                    de welstandsnota staan niet in strijd zijn met redelijke eisen
                                    van welstand. Burgemeester en wethouders baseren hun standpunt
                                    op de in de welstandsnota genoemde sneltoetscriteria. </cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al><cursief>In het geval het bouwwerk als bedoeld in het vorige lid
                                    niet voldoet aan de betreffende sneltoetscriteria, legt het
                                    bevoegd gezag het bouwplan alsnog voor aan de
                                    welstandscommissie.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>samenstelling van de welstandcommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><cursief>De welstandscommissie, als subcommissie van de
                                    Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit,</cursief><cursief> bestaat uit een voorzitter en vier leden, waarvan
                                    tenminste twee leden deslundig zijn op het gebied van
                                    architectuur en tenminste twee leden deskundig zijn op het
                                    gebied van bouwhistorie en restauratie. </cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>Voor de voorzitter en leden kunnen plaatsvervangers worden
                                    aangewezen die hen bij</cursief><cursief> afwezigeheid kunnen vervangen. </cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al><cursief>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen
                                    indien ten minste drie leden aanwezig zijn.</cursief></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                plaatsvervanger.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur </titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                    uit de welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>opmerkelijke ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en de rol van
                                    het welstandstoezicht daarin;</al></li><li nr="-"><al>aard en betekenis van de belangrijkste bouwplannen en de wijze
                                    waarop het plan is behandeld en tot stand gekomen is;</al></li><li nr="-"><al>feitelijke (getalsmatige) informatie.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al><cursief>Het bevoegd gezag kan in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid
                                van de welstandscommissie is openbaar. De vergadering van de
                                welstandscommissie wordt aangekondigd in een van overheidswege
                                uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel
                                op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders -
                                al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot
                                niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders
                                daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid
                                geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de
                                adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>afdoening onder verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om
                                advies, in afwijking van artikel 9.2, derde lid, onder
                                verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere
                                daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                                adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>10.</nr><titel>overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>de aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>de aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>overdragen vergunningen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>overdragen mededeling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het kenteken met de woorden 'onbewoonbaar verklaard', bedoeld in
                                artikel 31 van de Woningwet, bestaat uit een bord van ten minste 120
                                mm lang en 70 mm hoog, waarop de tekst met duidelijke letters, van
                                ten minste 15 mm hoog, is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het kenteken wordt van gemeentewege aan de toegangsdeur van de
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen bevestigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover het in het tweede lid bedoelde kenteken niet tevens vanaf
                                de weg zichtbaar is, dient er een tweede kenteken met daarop de
                                aanduiding van de woning of woonwagen bevestigd dan wel geplaatst te
                                worden op een van de weg af in het oog vallende plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van
                                overeenkomstige toepassing op de onbruikbaar verklaarde
                                standplaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>11.</nr><titel>handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>stilleggen van de bouw</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>stilleggen van het slopen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd sloopwerkzaamheden stil te
                            leggen, indien er wordt gesloopt:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid
                                    van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>in afwijking van een sloopvergunning, als bedoeld in artikel
                                    8.1.1, eerste lid van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>zonder melding van het sloopvoornemen, als bedoel in artikel
                                    8.2.1, eerste lid van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>in afwijking van de voorschriften die zijn gegeven in de
                                    mededeling, als bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="e."><al>in afwijking van de voorschriften inzake de plichten bij het
                                    slopen, opgenomen in de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.5 van
                                    deze verordening;</al></li><li nr="f."><al>in afwijking van de voorschriften van het
                                    Asbestverwijderingsbesluit, zoals laatstelijk gewijzigd, zijnde
                                    de Algemene Maatregel van Bestuur, bedoeld in de artikelen 24,
                                    35, vierde lid en 39, derde lid van de Wet milieugevaarlijke
                                    stoffen, alsmede in de artikelen 8, achtste lid, juncto 8,
                                    tweede lid, onderdelen d en h en 110, eerste lid van de
                                    Woningwet; of</al></li><li nr="g."><al>in afwijking van artikel 8.4.1 van deze verordening, indien en
                                    voor zover het vergunningsvrij slopen betreft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>12.</nr><titel>straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>strafbare feiten</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>vervallen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt, met uitzondering van artikel 7.3.1, in
                                werking op de <cursief>derde </cursief>dag na die waarop zij is
                                afgekondigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                                            <cursief>30 januari 1989 </cursief>en alle daarin
                                        aangebrachte wijzigingen, <cursief>met
                                            uitzondering van artikel 352 van de bouwverordening
                                            (1965) en artikel 395 voor wat betreft de overtreding
                                            van artikel 352, leden 1 en 2;</cursief></al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                        raadsbesluit d.d. 23 februari 1987 en alle daarin
                                        aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                                        brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig
                                        gebruik van bouwwerken stelt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘bouwverordening’.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 29 maart 1993, met
                        uitzondering van artikel 7.3.1.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. J.H. Boone , voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. A.W. van der Spek , secretaris</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Voor zoveel nodig goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij
                        besluit van 28 mei 1993, nr. DRG/ARB/71951.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 16 juni 1993 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 19 juni 1993</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Eerste serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 30 mei
                        1994.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. J.H. Boone , voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. A.W. van der Spek , secretaris</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 8 juni 1994</ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 11 juni 1994</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Tweede serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 11
                        december 1995.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. J.H. Boone , voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. A.W. van der Spek , secretaris</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 15 december 1995</ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 20 december 1995</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Derde serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 20 mei
                        1996. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. J.H. Boone, voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. A.W. van der Spek, secretaris </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 12 juni 1996 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 20 juni 1996</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Vierde tot en met zesde serie wijzigingen vastgesteld in de openbare
                        vergadering van 7 december 1998.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. J.H. Boone, voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>drs. A.W. van der Spek, secretaris</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 16 december 1998</ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 17 december 1998</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Zevende en achtste serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering
                        van 14 april 2003. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter </ondertekening><ondertekening>M. Lint-Zwagemakers, griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 1 mei 2003 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 2 mei 2003</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Negende wijziging vastgesteld in de openbare vergadering van 28 juni
                        2004.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>S. Heerdink, plv. griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 28 juli 2004 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 9 september 2004</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Tiende serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 12
                        december 2005.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>H. Andeweg, griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 25 januari 2006</ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 26 januari 2006</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Elfde serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 31
                        januari 2007. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>W.M. Cornelis , voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mw. drs B. Lubbers , adjunct-griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 14 maart 2007 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 15 maart 2007</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Twaalfde serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 14
                        november 2007. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter </ondertekening><ondertekening>mw. drs B. Lubbers, griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 2007 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 2007</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>In de openbare vergadering van 25 maart 2009 is besloten artikel 7.3.1
                        (Vergunningplicht nachtverblijf) in de verordening op te nemen. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mw. drs B. Lubbers, griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd 29 april 2009 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden:: 30 april 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>In de openbare vergaderingen van 9 februari 2010 is besloten artikel 2.5.30
                        (parkeernormen en afkoopsommen) te wijzigen. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter </ondertekening><ondertekening>mw. drs B. Lubbers, griffier </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 24 februari 2010 </ondertekening><ondertekening>In werking getreden: 25 februari 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Dertiende serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 30
                        juni 2010, in verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht (Wabo)</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>mw. drs B. Lubbers, griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Afgekondigd: 28 juli 2010</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden: 1 oktober 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Veertiende serie wijzigingen vastgesteld in de openbare vergadering van 14
                        maart 2012, in verband met de inwerkingtreding op 1 april 2012 van het
                        nieuwe Bouwbesluit, aanpassing van de bepaling met betrekking tot het
                        bodemonderzoek en sneltoetscriteria. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>W.M. Cornelis, voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>mw. drs B. Lubbers, griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Inwerking getreden: 1 april 2012</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>bouwverordening 1965</titel></kop><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>3 -</nr><titel><cursief>gebruik van bouwwerken, open erven en terreinenovereenkomstig
                                de bestemming</cursief></titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>352</nr><titel>verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in
                            afwijking van de bestemming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als
                                uitbreidingsplan ex artikel 43 van de Woningwet 1901, hetzij na
                                inwerkingtreding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1962,
                                286) geen voorschriften zijn gegeven omtrent het gebruik van in die
                                plannen of voorschriften</al><al>begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan
                                de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaatsgevonden, is het
                                verboden die bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in
                                gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een
                                doel</al><al>strijdig met de uit dat plan of die voorschriften voortvloeiende
                                bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming
                                is verwezenlijkt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken en
                                hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die zij
                                blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.</al></li><li nr="3."><al>Niet van toepassing is het bepaalde in de leden 1 en 2 voor een
                                gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen
                                wijzigingen wordt gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in de leden 1 en
                                2.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Paragraaf</label><nr>11 -</nr><titel>straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>395</nr><titel>strafbare feiten ingevolge de gemeentewet</titel></kop><al>Overtreding van artikel 352, leden 1 en 2, wordt gestraft met een hechtenis
                        van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.</al><al/><al>Voor wat betreft artikel 352, aldus vastgesteld in de openbare vergadering
                        van 24 juni 1968.</al><al/><al>De raad voornoemd,</al><al/><al>drs. mr. R.M. van Reenen, voorzitter</al><al/><al>drs. Mantz, secretaris</al><al/><al>Voor zoveel nodig goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij
                        besluit van 24 juli 1968, G.S. nr. 790. </al><al/><al>Afgekondigd: 31 juli 1968 </al><al>In werking getreden: 1 augustus 1968 </al><al/><al>N.B. In alle latere wijzigingen van de Bouwverordening 1965 is het artikel
                        352 niet gewijzigd. </al><al/><al>Voor wat betreft artikel 395, aldus vastgesteld in de openbare vergadering
                        van 24 juni 1968, laatst gewijzigd bij raadsbesluit van 30 januari 1989. </al><al/><al>De raad voornoemd, </al><al/><al>drs. K.F. Broekens, voorzitter </al><al/><al>P. v.d. Brink, secretaris </al><al/><al>Voor zoveel nodig goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij
                        besluit van 23 mei 1989, nr. 89/122001. </al><al/><al>Afgekondigd: 10 juni 1989 </al><al>In werking getreden: 13 juni 1989</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Gouda/i3758.pdf">Bijlagen van de Bouwverordening</extref>bijlage 7 is vervallen per 1 april 2012</al></bijlage><bijlage><al><vet>inhoudsopgave</vet></al><al/><al><vet>1. inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>2. de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet></al><al>§1 gegevens en bescheiden</al><al>§2 behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>§3 welstandstoetsing</al><al>§4 het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</al><al>§5 voorschriften van stedenbouwkundige aard</al><al>§6 voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>§7 aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al/><al><vet>3. de melding</vet></al><al/><al><vet>4. plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                        van een bouwwerk</vet></al><al/><al><vet>5. staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                        aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                        gedierte</vet></al><al>§1 staat van open erven en terreinen</al><al>§2 staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</al><al>§3 aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>§4 het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte – reinheid</al><al/><al><vet>6. brandveilig gebruik</vet></al><al>§1 gebruiksvergunning</al><al>§2 het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</al><al>§3 het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</al><al/><al><vet>7. overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>§1 overbevolking</al><al>§2 staken van het gebruik</al><al>§3 gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>§4 het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte – reinheid</al><al>§5 watergebruik</al><al>§6 installaties</al><al/><al><vet>8. slopen</vet></al><al>§1 sloopvergunning</al><al>§2 uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</al><al>§3 verplichtingen tijden het slopen</al><al>§4 vrij slopen</al><al/><al><vet>9. welstand</vet></al><al/><al><vet>10. overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>11. handhaving</vet></al><al/><al><vet>12. straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>inhoudsopgave bijlagen</vet></al><al><vet>1. gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</vet></al><al><vet>2. gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al><vet>3. gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al><vet>4. gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezinshuizen en
                        woonwagens, behalve voor een- en meergezinshuizen waarin sprake is van
                        verminderde zelfredzaamheid van bewoners, in combinatie met permanent
                        toezicht op en begeleiding van de bewoners</vet></al><al><vet>5. toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al><vet>6. deze bijlage is vervallen</vet></al><al><vet>7. deze bijlage is vervallen</vet></al><al><vet>7a. parkeernormen als bedoeld in artikel 2.5.30 van de
                        Bouwverordening</vet></al><al><vet>8. deze bijlage is vervallen</vet></al><al><vet>9. reglement van orde voor de welstandscommissie</vet></al><al><vet>10 tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</vet></al><al><vet>11 tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie)</vet></al><al><vet>12 tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>