<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122799_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften 2010-20</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-68650.html">Elektronisch gemeenteblad, 31-05-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften 2010-20</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=7:13">Algemene wet bestuursrecht, art. 7:13</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR407334_1">Verordening commissie bezwaarschriften Maassluis 2016</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften 2010-20</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Maassluis;</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gezien het raadsvoorstel van het college d.d.22 juni 2010;</al><al>gelet op art. 7:13 en de overige bepalingen van de Algemene wet
                        bestuursrecht (Awb) en de bepalingen van de Gemeentewet;</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening commissie bezwaarschriften</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:- verwerend orgaan: bestuursorgaan
                        dat het bestreden besluit heeft genomen;- commissie: vaste commissie van
                        advies voor de bezwaarschriften. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><al>- Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen
                        besluiten van de raad, het college en de burgemeester.- De commissie is niet
                        bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten
                        op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet
                        waardering onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><al>- De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.- De
                        voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en
                        ontslagen.- Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.- De
                        voorzitter en de leden van de commissie kunnen geen deel uitmaken of
                        werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het verwerend orgaan.- De
                        commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan kamers instellen, die belast worden met de behandeling
                            van bezwaarschriften.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bepaalt het aantal kamers en stelt voor elke kamer vast
                            welke categorie of categorieën bezwaarschriften door haar zullen worden
                            behandeld. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden zijnde een voorzitter,
                            overeenkomstig artikel 7:13 Awb, en ten minste twee andere leden. Het
                            college benoemt de voorzitters van de kamers. De betreffende kamer
                            regelt de vervanging van de voorzitter. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de door het
                            college in te stellen kamers.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan in een kamer van de commissie leden en plaatsvervangende
                            leden benoemen die op basis van hun deskundigheid uitsluitend in de
                            betreffende kamer van de commissie zitting nemen. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De kamer kan beslissen dat de behandeling van een bezwaarschrift door de
                            commissie zal geschieden. </al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Op de werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo
                            veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><al>- De secretaris van de commissie en haar kamers is een door het college
                        aangewezen ambtenaar. Het college kan meerdere secretarissen aanwijzen.- Het
                        college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                        aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><al>- De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een termijn
                        van vier jaar. Zij kunnen worden herbenoemd.- De voorzitter en de leden van
                        de commissie kunnen op elk moment ontslag nemen. Zij doen daarvan
                        schriftelijk mededeling aan het college.- De aftredende of ontslag nemende
                        voorzitter of leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in
                        de opvolging is voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                        aangetekend.Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken alsmede
                        alle relevante stukken onder beheer van het verwerend orgaan worden zo
                        spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bemiddeling.</titel></kop><al>De commissie kan onderzoeken of de zaak in der minne kan worden geschikt
                        alvorens de zaak in behandeling wordt genomen. De secretaris verricht
                        daartoe de nodige handelingen.De voorzitter kan in het kader van bemiddeling
                        partijen horen, al dan niet in aanwezigheid van de secretaris. De voorzitter
                        kan zich laten vervangen door één van de commissieledenIngeval van
                        bemiddeling komen aan de voorzitter of zijn vervanger de bevoegdheden toe
                        als genoemd in deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>- De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:artikel 2:1, tweede lid;artikel 6:6, wat betreft het stellen
                        van een termijn aan de indiener;artikel 6:17, voor zover het de verzending
                        van stukken betreft tijdens de behandeling door de commissie;artikel 7:4,
                        tweede lid;artikel 7:6, vierde lid.- De secretaris verricht daartoe de
                        nodige handelingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><al>- De voorzitter van de commissie draagt er zorg voor dat al het
                        noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het bezwaarschrift
                        genoegzaam voor te bereiden. In verband met deze voorbereiding is hij
                        bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen of te laten
                        inwinnen.- De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                        commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                        uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan kosten
                        zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college vereist. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><al>- De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                        waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid worden
                        gesteld zich door de commissie te laten horen.- De voorzitter beslist over
                        de toepassing van artikel 7:3 van de Awb.- Indien de voorzitter op grond van
                        het tweede lid besluit af te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling
                        aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><al>- De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten minste
                        twee weken voor de zitting schriftelijk uit. De secretaris verricht daartoe
                        de nodige handelingen.- Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de
                        belanghebbenden of het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de
                        voorzitter verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.- De beslissing
                        van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week voor het tijdstip
                        van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld.-
                        De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                        afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste tot
                        en met het derde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><al>- De zitting van de commissie is openbaar.- De deuren kunnen worden gesloten
                        indien de voorzitter van de commissie of één van de aanwezige leden het
                        nodig oordeelt of indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet.Indien
                        de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig zijn die
                        zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats
                        met gesloten deuren.- De zitting van de commissie, dan wel een kamer, vindt
                        achter gesloten deuren plaats bij de behandeling van bezwaarschriften die
                        zijn ingediend tegen besluiten op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet
                        Inburgering en tegen rechtspositionele besluiten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><al>- Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van de
                        aanwezigen en hun hoedanigheid.- Het verslag houdt een zakelijke vermelding
                        in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter zitting is
                        voorgevallen.- Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                        plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet
                        in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                        melding.- Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                        die aan het verslag kunnen worden gehecht.- Het verslag wordt ter
                        vaststelling voorgelegd aan de commissie in de eerst volgende zitting.- Het
                        verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
                        commissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><al>- Indien na afloop van de zitting, maar voordat het advies wordt opgesteld,
                        nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen
                        beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek houden.-
                        De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan de
                        leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                        toegezonden.- De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                        belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                        informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het
                        beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op een dergelijk
                        verzoek.- Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening
                        die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><al>- De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het door
                        haar uit te brengen advies.- De commissie beslist bij meerderheid van
                        stemmen over het uit te brengen advies.- Indien bij een stemming de stemmen
                        staken, beslist de stem van de voorzitter.- Van een minderheidsstandpunt
                        wordt bij het advies melding gemaakt indien die minderheid dat verlangt.-
                        Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing
                        op het bezwaarschrift.- Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris
                        van de commissie ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><al>- Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in artikel
                        15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader
                        verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift
                        dient te beslissen.- Indien naar het oordeel van de voorzitter van de
                        commissie de termijn van 12 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid,
                        van de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                        advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan
                        tijdig de beslissing te verdagen.- Van een besluit tot verdaging ontvangen
                        de commissie en de belanghebbenden een afschrift.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Jaarverslag</titel></kop><al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de
                        gemeente cijfermatig verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande
                        kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening commissie bezwaarschriften - zoals vastgesteld door de raad
                        op 30 september 2003, door het college op 24 juni 2003, door de burgemeester
                        op 24 juni 2003 en de heffingsambtenaar belast met de gemeentelijke
                        belastingen op 24 juni 2003 - wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van
                        deze verordening ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken van
                        een termijn van 8 dagen na de datum van haar bekendmaking. De verordening
                        werkt terug tot en met 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Bezwaarschriften die voor het moment van inwerkingtreding van deze
                        verordening bij de gemeente Maassluis zijn ingekomen, worden behandeld
                        overeenkomstig de bepalingen van de toen geldende verordening, met
                        uitzondering van bezwaarschriften die zijn ingediend na 28 januari 2010 en
                        die zijn gericht tegen besluiten op grond van een wettelijk voorschrift
                        inzake belastingen of de Wet waardering onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening commissie
                        bezwaarschriften’.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 september 2010de
                        griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>R. van der Hoek J.A. Karssen</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van 22 juni 2010de
                        secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr A.J.T. Korthout J.A. Karssen</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de burgemeester op 29 juni 2010De burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.A. Karssen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening commissie bezwaarschriften</label><nr>1</nr></kop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet>In dit artikel zijn slechts die
                    begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb voorkomen. Zo ontbreekt er een
                    omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan' hoewel dat op meerdere plaatsen in
                    de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                    genomen, wordt in de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de
                    gemeenteraad betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de
                    burgemeester of een commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de
                    hiervoor genoemde bestuursorganen zijn overgedragen.</al><al><vet>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</vet>De adviescommissie wordt via
                    deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb
                    is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>Lid 2: Vanaf april 2001 tot en met december 2009 heeft er een aparte
                    belastingkamer bestaan. Maassluis was daarmee in den lande een uitzondering.
                    Gelet hierop en gelet op de wens om tot een praktische en efficiënte werkwijze
                    te komen, alsmede gelet op de ervaringen van de laatste jaren, is uiteindelijk
                    bewust gekozen voor een andere methodiek van horen en adviseren, zijnde het
                    ambtelijke horen. Daarmee is de belastingkamer afgeschaft.In de praktijk bleek
                    dat voorafgaand aan de behandeling door de belastingkamer de behandelende
                    afdeling veel bezwaarschriften kon afhandelen door zorgvuldige heroverweging en
                    rechtstreeks contact met bezwaarden. Dat heeft er toe geleid dat steeds minder
                    bezwaarden daadwerkelijk door de commissie gehoord wilden worden. Deze werkwijze
                    van de vakafdeling wordt gecontinueerd.</al><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</vet>Het eerste lid verwijst naar
                    de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13 Awb.De wet stelt als minimale
                    eisen aan de samenstelling van een adviescommissie:1. De commissie bestaat uit
                    een voorzitter en ten minste twee leden (artikel 7:13, eerste lid, onder a, van
                    de Awb)2. De voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid, onder b,
                    van de Awb)</al><al>In artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen voor
                    bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat leden van de
                    raad geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde
                    commissie.Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een
                    bezwaarschriftencommissie. In een dualistisch stelsel ligt het niet voor de hand
                    dat een raadslid onderdeel uitmaakt van een adviescommissie welke voornamelijk
                    adviseert over genomen collegebesluiten. In Maassluis is er voor gekozen dat
                    raadsleden geen deel kunnen uitmaken van een bezwaarcommissie, zie lid 4.</al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college.</al><al><vet>Artikel 3a</vet><cursief>Instelling kamers</cursief>Als, bijvoorbeeld gelet
                    op het grote aantal te behandelen geschriften of in verband met een wenselijke
                    splitsing naar onderwerp, daaraan behoefte bestaat, kan de commissie worden
                    opgesplitst in kamers. Artikel 3 a regelt de instelling van de kamers. Op de
                    werkwijze van de kamers is het bepaalde in deze verordening zo veel mogelijk van
                    overeenkomstige toepassing.</al><al>Voor de samenstelling van een commissie voor bezwaarschriften ex artikel 7:13
                    Awb gelden niet de eisen van artikel 7:5 Awb (Raad van State, 31-5-99, JG
                    1999/179).</al><al><vet>Artikel 4 Secretaris</vet>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris
                    wordt gesproken, is het gebruikelijk dat een commissie beschikt over een
                    secretaris ter ondersteuning van de werkzaamheden.</al><al><vet>Artikel 5 Zittingsduur</vet>Deze bepaling is gewijzigd bij de herziening
                    van 2010. In de voorgaande verordening was bepaald dat de zittingsduur van de
                    commissie gelijk liep met de zittingstermijn van de raad. Dat heeft alleen een
                    functie als raadsleden lid van de commissie zijn. Hoewel juridisch (nog)
                    mogelijk, is dit geen gewenste situatie, zie de toelichting op artikel 3. De
                    bepaling dat de zittingsduur van de commissie gelijk loopt met de
                    zittingstermijn van de raad is vervallen.</al><al>Door de wijziging is er een mate van continuïteit bij de commissie en is het in
                    theorie niet meer zo dat op één moment de hele commissie opstapt. Door
                    natuurlijk verloop zal dit meer gespreid zijn. De zittingsduur is onveranderd
                    vier jaar. Voor deze zittingsduur is gekozen omdat deze termijn in de praktijk
                    goed werkt.</al><al>Herbenoeming van voorzitter en leden is mogelijk, zonder tijdsbeperking.</al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Hij kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><al><vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</vet>In de Awb wordt uitgebreid aandacht
                    geschonken aan de wijze waarop een bezwaarschrift ingediend moet worden en de
                    daarmee samenhangende ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt
                    aangegeven welke onderwerpen in de Awb aan de orde komen:Vereisten te stellen
                    aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en
                    met 6:12):De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).De
                    indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op
                    de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8).De ontvangsttheorie
                    (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie van de verzend- en ontvangsttheorie
                    is van toepassing (artikel 6:9, tweede lid).Regeling voor de ontvankelijkheid
                    van te vroeg of te laat ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en
                    6:11).Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, is
                    niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12). </al><al><cursief>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                        met 6:15):</cursief>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan
                    waarbij het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat een
                    commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een later stadium: zie
                    ook de opmerkingen in paragraaf 3 onder ambtelijke commissie (artikel
                    6:14).Doorzendplicht (artikel 6:15).</al><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is (nog) niet mogelijk. Er is een
                    voorontwerp van wet om de Awb te wijzigen opdat e-mail verkeer mogelijk wordt
                    (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer). Wordt een bezwaarschrift per e-mail
                    ingediend, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te brengen van
                    het feit dat dit wettelijk nog niet mogelijk is en hem te verzoeken het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail
                    ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden
                    verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In de praktijk zal het bezwaarschrift
                    in handen worden gesteld van de secretaris van de commissie en zal deze namens –
                    de voorzitter van - de commissie de nodige handelingen verrichten om het
                    bezwaarschrift te kunnen agenderen voor een zitting.</al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes
                    weken (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het
                    aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte
                    te brengen van de te volgen procedure.</al><al><vet>Artikel 7. Bemiddeling</vet>Deze bepaling is bij de herziening van 2010
                    toegevoegd. Alternatieve geschillenbeslechting wordt bij de meeste
                    bestuursorganen en rechtbanken op een bepaalde manier toegepast. Veel
                    voorkomende vormen zijn (pre)mediation of een andere aanpak, waarbij vaak na
                    ontvangst van het bezwaarschrift meteen wordt gebeld naar de bezwaarde. Op deze
                    manier kunnen misverstanden worden rechtgezet, het besluit nader worden
                    toegelicht etc. Dit kan leiden tot intrekking van het bezwaarschrift.</al><al>Mediation is een formelere vorm. Hierbij kan onder begeleiding van een mediator
                    naar een oplossing gezocht worden waarmee beide partijen uit de voeten kunnen.
                    Belangrijk is dat beide partijen deze stap nemen en afspraken die hierbij horen
                    worden formeel in een overeenkomst vastgelegd. De keuze om al dan niet tot
                    mediation over te gaan is aan het bestuursorgaan, dat ook de grenzen van de
                    onderhandelingsruimte dient vast te stellen.</al><al>De bepaling over bemiddeling is opgenomen om de mogelijkheid te creëren om
                    tijdens de bezwaarprocedure het (juridische) conflict op een andere manier op te
                    lossen. Dit sluit aan bij de wens om in Maassluis deze vorm van alternatieve
                    geschilbeslechting te verkennen en waar mogelijk toe te passen, zonder dit
                    dwingend voor te schrijven. Het is de commissie die na ontvangst van een
                    bezwaarschrift kan beoordelen of een bemiddelingspoging zinvol is. In de
                    praktijk zal de secretaris een initiërende rol hebben om een
                    bemiddelingsvoorstel zowel bij de commissie als de behandelende afdeling voor te
                    leggen.</al><al>Door deze bepaling is procedureel vastgelegd dat een bemiddelingspoging mogelijk
                    is in het bezwaarschriftenproces. Door de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig
                    beslissen is het van belang dat, indien er gesproken wordt over mogelijke
                    oplossingen buiten de bezwaarprocedure om, formeel wordt vastgelegd dat de
                    beslistermijn van het bezwaarschrift wordt opgeschort tot het moment dat aan de
                    secretaris wordt meegedeeld wat de uitkomst van de bemiddelingspoging is.</al><al><vet>Artikel 8. Uitoefening bevoegdheden</vet>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist
                    de commissie over onder andere de toepassing van artikel 7:4, zesde lid,
                    (geheimhouding stukken) en 7:5, tweede lid (openbaarheid zitting). Dit
                    uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de
                    voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. Andere
                    bepalingen laten het wel toe dat de daarin genoemde bevoegdheden door de
                    voorzitter worden uitgeoefend. Artikel 8 geeft daarvan een opsomming. De in dit
                    artikel aangehaalde artikelen uit de Awb luiden als volgt.</al><al><cursief>Artikel 2:1, tweede lid</cursief>Een bestuursorgaan kan van een
                    gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de
                    voorzitter is dan ook vrij al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te
                    maken.</al><al><cursief>Artikel 6:6</cursief>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig
                    ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar
                    of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de
                    gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe
                    gestelde termijn.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden
                    hersteld, wordt vastgesteld door de voorzitter. Er is van afgezien in de
                    verordening een vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk
                    is in algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou
                    moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een redelijke
                    termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee weken na het einde
                    van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de indiener een reële
                    mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds
                    moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd.
                    Uit jurisprudentie over belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een
                    hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te
                    worden.Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het
                    verzuim en waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden
                    hersteld, is noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke
                    consequentie verbonden is aan het niet voldoen aan deze verplichting. Dit volgt
                    ook uit de facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg
                    van het in verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden
                    verklaard. De uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al><cursief>Artikel 6:17</cursief>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt
                    het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking
                    hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief>Deze bepaling spreekt voor zich. Voor zover het
                    de behandeling door de commissie betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.Het
                    is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers van
                    de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).Artikel 7:4,
                    vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken van afschriften
                    van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een belanghebbende (HR 20
                    september 2000, JG 2001/30).</al><al><cursief>Artikel 7:4, tweede lid</cursief>Het bestuursorgaan legt het
                    bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand
                    aan het horen gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter inzage. In
                    Maassluis worden de stukken twee weken voor de zittingsdatum toegezonden.</al><al><cursief>Toelichting:</cursief>Het inzagerecht is als een van de fundamentele
                    waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het
                    maakt het principe van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de
                    hoorzitting: wordt er niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte
                    ter inzage legging.</al><al><cursief>Artikel 7:6, vierde lid</cursief>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op
                    verzoek van een belanghebbende, toepassing van het derde lid achterwege laten,
                    voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden.Het derde lid van dit
                    artikel luidt:Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van
                    hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><al><cursief>Toelichting</cursief>In het tweede lid van artikel 7:6 wordt de
                    mogelijkheid gegeven om de belanghebbenden afzonderlijk te horen. Een reden om
                    dit te doen kan zijn dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend
                    zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Het vierde
                    lid geeft aan dat in dit geval de verschillende partijen niet geïnformeerd
                    hoeven te worden over wat er in de afzonderlijke hoorzittingen is
                    besproken.</al><al>Uit oogpunt van efficiëncy is er voor gekozen om de secretaris van de commissie
                    de nodige uitvoeringshandelingen te laten verrichten aangaande het uitoefenen
                    door de voorzitter van de genoemde bevoegdheden. De secretaris voert pas uit na
                    instemming van de voorzitter.</al><al><vet>Artikel 9. Vooronderzoek</vet>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van
                    de commissie er zorg voor dient te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan
                    om de behandeling van het bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt
                    zowel intern bij de gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste
                    inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de
                    bezwaarde in contact te treden om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld
                    hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het
                    bezwaarschrift in te trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om
                    bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><al><vet>Artikel 10. Hoorzitting</vet>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de
                    toelichting op artikel 8 van deze verordening.Artikel 7:3 van de Awb geeft aan
                    in welke gevallen van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien. Voor
                    een ingediend bezwaarschrift is dat indien:a. het bezwaarschrift kennelijk
                    niet-ontvankelijk is;b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;c. de belanghebbenden
                    verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
                    ofd. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden
                    daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.</al><al><cursief>Ad d.</cursief>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan
                    aan het bezwaar van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het
                    daarover met de voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband
                    wordt ook gewezen op artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het
                    tijdens het aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden
                    besluit. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n
                    intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede
                    gericht te zijn tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt
                    aan het bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><al><vet>Artikel 11. Uitnodiging zitting</vet>Ingevolge het eerste lid van deze
                    bepaling wordt ook het verwerend orgaan uitgenodigd voor de zitting. Het is van
                    groot belang dat dit orgaan zich ook ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee
                    kan worden voorkomen dat er, vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig
                    beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe commissie van groot belang om van
                    bestuurlijke zijde te vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders
                    kan het voor de commissie moeilijk worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>In Maassluis is gekozen voor een termijn van twee weken, mede in verband met de
                    termijn van 12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn
                    beslist (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie
                    hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om, indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op papier te bevestigen</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen.</al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de tekst
                    ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel 8).</al><al><cursief>Artikel 7:4</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het bezwaarschrift/beroepschrift
                            en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan
                            het horen, gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                            inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voor zover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                    van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al><cursief>Artikel 7:8</cursief>1. Op verzoek van de belanghebbende kunnen door
                    hem meegebrachte getuigen en deskundigen worden gehoord.2. De kosten van
                    getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de belanghebbende die hen heeft
                    meegebracht.</al><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al><vet>Artikel 12. Quorum</vet>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het
                    kader van de bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de
                    adviescommissie, terwijl advisering door de voltallige commissie heeft
                    plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/ 7119, 5).</al><al>In de Gemeentestem 2008, nr. 101 staat een artikel van mr. H. Piefers :
                        “<cursief>Horen en adviseren door een onvolledige
                        bezwaarschriftencommissie</cursief>”. Hieruit valt het volgende te
                    distilleren: Horen door een onvolledige commissie is niet verboden blijkens art.
                    7:13 lid 3 Awb.Aangaande het adviseren door een onvolledige commissie valt uit
                    jurisprudentie (sinds 1998) op te maken dat een werkwijze waarop een onvolledig
                    deel van de commissie <cursief>adviseert </cursief>strijdig is met de Awb. Het
                    horen door een onvolledige commissie waarbij een tweede en/of derde lid wordt
                    ingeschakeld dat reageert op het conceptadvies en het verslag, zodat de
                    voltallige commissie het advies vaststelt, is wel juist.</al><al>Hierbij speelt wel de bewijskwestie: Er moet blijken dat door de voltallige
                    commissie is geadviseerd. Er moet dus blijken dat het niet aanwezige lid kennis
                    draagt van het – meestal direct na de zitting – in raadkamer gevormde standpunt
                    van de voorzitter en het andere lid. Pas dan kan het niet aanwezige lid een
                    bijdrage leveren aan de gedachtewisseling en eventueel zelfs contact opnemen met
                    de voorzitter. Juist die onderlinge gedachtewisseling wordt van belang geacht.
                    De Afdeling accepteert een afdoening per e-mail, mits de inschakeling van de
                    voltallige commissie genoegzaam blijkt uit het dossier. Op één of andere wijze
                    moet een voldoende mate van zekerheid aanwezig zijn. Gemeenten moeten hun
                    bewijsvoering dus op orde hebben.</al><al>Om bewijsproblemen te voorkomen verdient het aanbeveling om hetzij het
                    schriftelijke – papieren – verzoek aan het bij de zitting ontbrekende lid om
                    zijn of haar standpunt kenbaar te maken hetzij een print van de e-mail met dat
                    verzoek, toe te voegen aan het dossier. Als het betreffende commissielid
                    reageert, ligt het voor de hand daarvan een telefoonnotitie te maken (bij een
                    telefonische reactie) of een print van de e-mail.</al><al><vet>Artikel 13. Niet-deelneming aan de behandeling</vet>Dit artikel behoeft
                    geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.Ook al is de voorzitter formeel
                    onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast dat automatisch ook op
                    inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is (Rb. Leeuwarden 8 februari
                    1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al><vet>Artikel 14. Openbaarheid zitting</vet>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb
                    besluit het bestuursorgaan, voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders is
                    bepaald, of het horen in het openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid
                    Awb wordt deze bevoegdheid aan de commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige bepaling uit de verordening is vastgelegd dat de hoorzitting
                    in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 17 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><al>Uit praktisch oogpunt is er voor gekozen om, ingeval de
                    bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op grond van de Wet werk en
                    bijstand en de Wet Inburgering, een bepaling op te nemen waaruit duidelijk wordt
                    dat deze zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 15. Schriftelijke verslaglegging</vet>Artikel 7:7 Awb vereist zeer
                    kort en bondig dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De wijze waarop en
                    de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden niet door de Awb geregeld. Dit
                    staat er overigens niet aan in de weg dat in de verordening een vaste procedure
                    wordt opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Het verslag speelt ook een rol in
                    de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en
                    de stemmen staken in de adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde behandeling
                    in de commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB
                    1997/23).</al><al><vet>Artikel 16. Nader onderzoek</vet>Een nader onderzoek kan feiten of
                    omstandigheden aan het licht brengen die op het moment van de zitting nog niet
                    bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om belanghebbenden en het verwerend orgaan
                    opnieuw te horen. De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de
                    commissie te verzoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb
                    wordt bepaald dat indien het in het hier bedoelde geval feiten of omstandigheden
                    betreft die voor de op bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang
                    kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de
                    gelegenheid worden gesteld te worden gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor).
                    Is de nieuwe informatie niet van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen
                    worden om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te
                    reageren. Na de hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als
                    nader onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige
                    procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de
                    adviescommissie kan wenden zonder dat de andere belanghebbenden in de
                    gelegenheid worden gesteld om hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken (Rb.
                    Rotterdam, 10 november 1999, JB, 1999/311).</al><al><vet>Artikel 17. Raadkamer en advies</vet>Zie ook de toelichting bij artikel 14.
                    De hoorzitting is in principe openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt
                    achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het derde lid is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel
                    aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer leden dan wel
                    hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel 13) tijdens de
                    besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 12); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 18. Uitbrengen advies en verdaging</vet>Volgens artikel 7:13, zesde
                    lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het verslag van de hoorzitting deel
                    uit van het advies van de commissie en wordt het schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald,
                    hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al><cursief>Afronding van de procedure</cursief>De verordening spitst zich toe op
                    de behandeling van bezwaarschriften en eindigt er in feite mee - zie artikel 18
                    - dat door de commissie schriftelijk advies wordt uitgebracht aan het
                    bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna dient te
                    gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift
                    niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al>Omdat in het verleden bestuursorganen nogal eens bij de beslissing op
                    bezwaarschriften louter toetsten op rechtmatigheid is in het eerste lid van art
                    7:11 vastgelegd dat het om een heroverweging gaat. Dat betekent dat de toetsing
                    niet beperkt moet blijven tot vragen van rechtmatigheid, maar binnen de grenzen
                    van de wet zich ook dient uit te strekken tot beleidsmatige en bestuurlijke
                    aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                    moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                    feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                    zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift
                    dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de
                    beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies
                    van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking
                    wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan
                    bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><al><vet>Artikel 19. Jaarverslag</vet>Deze bepaling is opgenomen bij de laatste
                    wijziging van de verordening in 2010. In de praktijk blijkt dat de
                    bezwaarschriftencommissie jaarlijks verslag uitbrengt. De invulling van dit
                    verslag is aan de commissie gelaten. Voor de hand ligt dat wordt aangegeven
                    welke aantallen bezwaren zijn ingediend, wat de werkvoorraad was bij aanvang van
                    het kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn uitgebracht, wat de adviezen inhielden
                    (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond etc.) of het bestuursorgaan contrair heeft
                    besloten, in welke gevallen beroep wordt ingediend en wat de uitkomst van dit
                    beroep is. Er is gekozen voor een cijfermatig verslag en niet voor een
                    uitgebreid inhoudelijk verslag. Waar nodig zullen de cijfers worden voorzien van
                    een beknopte toelichting. Het wordt aan de secretaris en de voorzitter
                    overgelaten of zij aan de cijfers nog andere overwegingen willen toevoegen.</al><al>Het jaarverslag kan worden gebruikt om aan de bestuursorganen adviezen te geven
                    over de verbeterpunten op het gebied van juridische kwaliteit.</al><al><vet>Artikel 20. Intrekking oude regeling</vet>Dit artikel spreekt voor
                    zich.</al><al><vet>Artikel 21. Inwerkingtreding</vet>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet
                    zijn de bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende
                    voorschriften inhouden geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling
                    van besluiten zoals opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op
                    algemeen verbindende voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op
                    besluiten, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk
                    slechts afdeling 2 tot en met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard
                    van de besluiten zich daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur
                    die algemeen verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze
                    bekendgemaakt zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad
                    of in een andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><al><vet>Artikel 22. Citeertitel</vet>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                    Verordening commissie bezwaarschriften.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>