<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122797_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening Gemeente Maassluis 2012 (2011-24)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Gemeentewet, artikel 147, eerste lid en artikel 156</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet Werk en Bijstand, artikelen 7,8, 10 en 10a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikelen 34,35,36 en 38a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikelen 34,35, 36 en 38a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Wet inburgering, artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>aard van de wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ADV-11-00315</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening Gemeente Maassluis 2012 (2011-24)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Maassluis;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 november 2011,
                        Adv-11-00315;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid en 156 van de Gemeentewet; gelet op de
                        artikelen 7, 8, 10 en 10a van de Wet Werk en Bijstand; gelet op de artikelen
                        34, 35, 36 en 38a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;gelet op de artikelen 34, 35, 36 en
                        38a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;gelet op de artikelen 8, 19, vijfde
                        lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet inburgering;</al><al>overwegende dat de gemeente Maassluis een hoge mate van participatie van
                        haar ingezetenen in de maatschappij onderschrijft en dat zij dit streven op
                        een integrale wijze wil vormgeven,</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>de Participatieverordening Gemeente Maassluis 2012 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>a. het college: het college van Burgemeester en Wethouders van
                            Maassluis;b. uitkeringsgerechtigden: personen jonger dan 65 jaar met een
                            uitkering ingevolge de Wet werk en Bijstand (WWB), de IOAW of de IOAZ;c.
                            inburgeringsplichtigen: personen zoals omschreven in artikel 3 van de
                            Wet Inburgering (Wl);d. vrijwillige inburgeraars: personen zoals
                            omschreven in artikel 1, onderdeel r, van de Wl;e. nuggers:
                            niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6, onderdeel a WWB;f.
                            doelgroep: de personen, die hun woonplaats hebben in Maassluis, en aan
                            wie op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, artikel 10 derde
                            lid onder a WWB, de artikelen 11, 34 en IOAW, de artikelen 11, 34 en 36
                            IOAZ, door het college ondersteuning kan worden geboden; g. voorziening:
                            een voorziening zoals bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a WWB,
                            artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZh. Ondersteuning: ondersteuning
                            bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWB, artikel 34,
                            eerste lid, onder a van de IOAW en artikel 34, eerste lid, onder a van
                            de IOAZ;i. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werknemers;j. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; k. UWV:
                            Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Uitvoerder van de WW, WAO,
                            WIA, Ziektewet, Wajong en Waz; l. premie: financiële beloning ter
                            bevordering van arbeidsinschakeling; m. algemeen geaccepteerde arbeid:
                            arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de WWB; n.
                            belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 1:2, eerste lid
                            Algemene wet bestuursrecht (Awb) die tot de doelgroep behoort;o.
                            inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorzieningen bedoeld in
                            hoofdstuk 5, paragraaf 2 van de Wet inburgeringp. startkwalificatie: een
                            diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
                            onderdelen b tot en met e, Wet educatie en beroepsonderwijs of een
                            diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                            wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8
                            van de Wet op het voortgezet onderwijs;q. Voorliggende voorziening: een
                            voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, onder e WWB; r.
                            vrijstellend examen: een examen zoals bedoeld in artikel 2.3 van het
                            Besluit inburgering s. eigen bijdrage: de bijdrage bedoeld in artikel 23
                            tweede lid, Wet inburgeringt. bestuurlijke boete: bestuurlijke boete,
                            bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 2, Wet inburgering.</al><al>2. De begripsbepalingen van de WWB en de WI zijn op deze verordening van
                            toepassing, tenzij daarvan in deze verordening uitdrukkelijk wordt
                            afgeweken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>re-integratie WWB, IOAW, IOAZ, BBZ,</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening vindt nadrukkelijk mede haar grondslag in de bepalingen
                            van de EG-verordeningen inzake werkgelegenheidssteun, met name waar het
                            betreft de vormgeving van het bepaalde in artikel 7 ten aanzien van
                            gesubsidieerde arbeid en loonkostensubsidies.Voorgenoemde grondslag
                            bepaalt mede de reikwijdte van deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Opdracht college en aanspraken doelgroep</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ingevolge artikel 7 WWB, artikel 34 IOAW en artikel 34 IOAZ biedt
                                het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan leden van
                                de doelgroep en zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                voorzieningen. Het college houdt daarbij rekening met de aard en de
                                omvang van door het college te bepalen doelgroepen en de
                                voorzieningen die het meest geschikt zijn voor de leden van die
                                doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en
                                met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de kaders die gesteld
                                zijn in de - op het lid van de doelgroep van toepassing zijnde -
                                wet, deze verordening en het in artikel 4 genoemde
                                participatieplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Leden van de doelgroep hebben op grond van de op hen van toepassing
                                zijnde wet ingevolge artikel 10 WWB, artikel 34 IOAW en artikel 34
                                IOAZ aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de
                                naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening
                                gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitvoeringsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                jaarlijks een participatieplan vast, waarin de doelstellingen, de
                                instrumenten en voorzieningen, het beschikbare budget en de daarmee
                                te behalen resultaten worden aangegeven;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het uitvoeringsplan wordt na vaststelling van de begroting voor het
                                desbetreffende kalenderjaar vastgesteld;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het uitvoeringsplan bevat een omschrijving van het beleid ten
                                aanzien van de arbeidsinschakeling en de wijze waarop aandacht wordt
                                besteed aan doelgroepen;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de raad een verslag over de
                                doeltreffendheid en de effecten van het beleid, conform art. 77
                                WWB.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Subsidieplafonds en plafonds betreffende voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan door middel van nadere regels in het uitvoeringsplan
                                een of meer subsidieplafonds - of plafonds betreffende voorzieningen
                                vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in deze nadere regels tevens een plafond instellen
                                voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke
                                voorziening;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een door het college ingesteld plafond vormt enkel een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op de desbetreffende specifieke
                                voorziening</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Leden van de doelgroep hebben aanspraak op ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ondersteuning kan bestaan uit:a.
                                Ondersteuning bij de verwerving van arbeid;b. Ondersteuning bij het
                                behoud van arbeid; alsmedec. Een voorziening als bedoeld in artikel
                                9 van deze verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een lid van de doelgroep aan wie door het college een voorziening
                                wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een lid van de doelgroep die deelneemt aan een voorziening is
                                gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op hem van
                                toepassing zijnde wet, de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen,
                                deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan
                                de aangeboden voorziening heeft verbonden;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij niet nakoming van de verplichtingen als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid kan het college het aanbod herzien of intrekken of voor
                                zover leden van de doelgroep een uitkering (of inkomensvoorziening)
                                ingevolge de WWB, IOAW of IOAZ ontvangen, deze uitkering verlagen
                                conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                maatregelenverordening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij niet nakoming van de verplichtingen als bedoeld in het eerste of
                                tweede lid, kan het college bij andere dan de in het derde lid
                                bedoelde personen de kosten van de ondersteuning en/of voorziening
                                bij deze persoon geheel of gedeeltelijk in rekening brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitbreiding Doelgroep</titel></kop><al>Het college kan de aanspraak op bepaalde vormen van ondersteuning ook
                            openstellen voor:a. Personen die in de gemeente Maassluis hun woonplaats
                            hebben en aan wie het UWV een uitkering verstrekt;b. Personen die in de
                            gemeente Schiedam of Vlaardingen woonachtig zijn, maar met uitzondering
                            van de woonplaats wel tot de doelgroep behoren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college legt in beleidsregels vast welke voorzieningen in ieder
                                geval aangeboden kunnen worden, alsmede nadere beleidsregels die
                                daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen
                                bepalingen zijn opgenomen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het College legt in beleidsregels vast op welke wijze zij invulling
                                geeft aan de eisen ten aanzien van houding en gedragingen als
                                bedoeld in artikel 43 lid 4 van de WWB</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college legt in beleidsregels vast op welke wijze zij invulling
                                geeft aan het verplicht stellen van de onbeloonde maatschappelijke
                                nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c
                                WWB;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de van toepassing zijnde wet en deze verordening, aan een
                                voorziening nadere verplichtingen verbinden;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan nuggers een eigen bijdrage opleggen in de kosten
                                verbonden aan een voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beëindiging of intrekking van een voorziening</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen:a. indien de persoon die aan
                            de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen
                            9, eerste lid, 17 en 18, eerste en tweede lid WWB, artikel 37, eerste
                            lid IOAW, artikel 37, eerste lid IOAZ en of artikel 30c van de Wet
                            structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet nakomt;b. indien
                            de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;c. indien de
                            persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik
                            wordt gemaakt van deze voorziening;d. indien naar het oordeel van het
                            college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle duurzame
                            arbeidsinschakeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten bij
                            arbeidsinschakeling voorzover daarvoor geen beroep op een voorliggende
                            voorziening kan worden gedaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Wet inburgering</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende
                                middelen: a. het inrichten van een informatiepunt in het
                                gemeentehuis;b. het verstrekken van schriftelijk
                                voorlichtingsmateriaal bij aanvragen omuitkeringen en/of bij
                                inschrijving in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA);c. het
                                verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal via derden,
                                zoalsbijvoorbeeld VluchtelingenWerk en de bibliotheek;d. het
                                inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                                website. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de 4 jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het aanbieden van een inburgeringsvoorziening, een
                            taalkennisvoorziening of een inburgeringsvoorziening in de vorm van een
                            persoonlijk inburgeringsbudget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college biedt een verplichte inburgeringsvoorziening aan
                                asielgerechtigde nieuw- en oudkomers;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college biedt de volgende doelgroepen met voorrang een
                                inburgeringsvoorziening aan: a. niet asiel gerechtigde oudkomers en
                                nieuwkomers met inkomsten uit uitkering;b. vrouwelijke
                                inburgeringsplichtige oudkomers zonder inkomsten uit werk of
                                uitkering; c. niet asiel gerechtigde inburgeringsplichtige oudkomers
                                en nieuwkomers met inkomsten uit werk </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, of de
                                taalkennisvoorziening af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening kan, naast
                                datgene dat in de wet is geregeld, het onderdeel trajectbegeleiding
                                bevatten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de WWB schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen 2 weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan
                                niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen 2 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit
                                tot toekenning van de inburgeringsvoorziening, overeenkomstig het
                                gedane aanbod.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige als zijnde een oudkomer het aanbod
                                afslaat, legt de gemeente op grond van artikel 26 van de Wet
                                inburgering een handhavingbeschikking op.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige als een nieuwkomer het aanbod
                                afslaat, stuurt de gemeente op grond van artikel 5.3 van Besluit
                                inburgering een schriftelijke kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college doet vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december allen
                                nog een aanbod aan nieuwkomers. Vanaf 1 januari 2014 vervalt het
                                aanbod als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De inburgeringsvoorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek van de inburgeringsplichtige kan het college een
                                inburgeringsvoorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget aanbieden, indien de inburgeringsplichtige een
                                trajectplan indient dat naar het oordeel van het college adequaat
                                voorbereidt op het binnen de termijn, bedoeld in artikel 7 van de
                                Wi, afleggen van een examen dat vrijstelling van de
                                inburgeringsplicht geeft. Daarvoor gelden de volgende criteria.a.
                                Inburgeraars die in een andere gemeente op de werkvloer willen en
                                kunnen inburgeren (bovengemeentelijke trajecten)b. Inburgeraars die
                                heel specifieke wensen hebben ten aanzien van hun
                                Inburgeringsvoorziening en niet passen binnen het reguliere
                                aanbod.c. Inburgeraars met een bepaalde beperking die hierdoor extra
                                faciliteiten nodig hebben om de inburgerdoelen te verwezenlijken,
                                zoals slechthorenden, slechtzienden, mensen met dyslexie en
                                epilepsie enz. d. Inburgeraars die een hoge opleiding in het land
                                van herkomst hebben gevolgd en hier verder willen studeren. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als het college de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget heeft vastgesteld, sluit het college een
                                overeenkomst met het inburgeringsbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college betaalt het persoonlijk inburgeringsbudget uit aan het
                                inburgeringsbedrijf waarmee de inburgeringsplichtige een
                                overeenkomst sluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 6 termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                dat in de beschikking vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inning vindt na de beëindiging van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening plaats.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan aan personen die voor het inburgeringsexamen zijn
                                geslaagd een vergoeding verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde vergoeding wordt verrekend met de
                                eigen bijdrage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: a. het deelnemen aan de
                            aangeboden inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening;b. het
                            deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;c. het deelnemen aan
                            voortgangsgesprekken;d. voor de eerste maal deelnemen aan het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II
                            binnen de termijn dat door het college wordt bepaald;e. het melden
                            indien door ziekte dan wel door andere relevante omstandigheden niet aan
                            de verplichtingen in de beschikking kan worden voldaan; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening;b. een opgave van de
                            rechten en verplichtingen van de inburgeringsplichtige; c. de datum
                            waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal
                            I of II moet zijn behaald;d. de termijnen en wijze van betaling. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Afzien van de bestuurlijke boete bij het ontbreken van
                                verwijtbaarheid</titel></kop><al>Het college ziet af van het opleggen van een boete, indien zij acht dat
                            elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Zulks ter beoordeling van het
                            college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Het aanbieden van een inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening
                            of een inburgeringsvoorziening in de vorm van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget aan vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Informatieverstrekking aan de vrijwillige inburgeraar</titel></kop><al>Artikel 2 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college biedt de volgende groepen met voorrang een
                            inburgeringsvoorziening aan.a. vrouwenb. inwoners van MOE landen die een
                            lang verblijf in Nederland tot doel hebben</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>Artikel 4 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens een aanbod te doen, informeert het college naar de wensen
                                van vrijwillige inburgeraar ten aanzien van de totstandkoming en
                                samenstelling van de inburgeringvoorziening en treedt mondeling in
                                overleg over de mogelijkheden om die wensen te verwezenlijken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Artikel 5, het eerste tot en met het derde lid, van deze verordening
                                is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>3. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod accepteert, ondertekent
                                hij een overeenkomst.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Artikel 6 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>Artikel 7 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan de vrijwillige inburgeraar in de overeenkomst, bedoeld
                            in artikel 24d, tweede lid van de Wi, opgenomen verplichtingen
                            opleggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid, van wet bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de
                            voorziening;b. een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                            vrijwillige inburgeraar;c. de datum waarop aan het inburgeringsexamen of
                            staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen;
                            d. de sancties die kunnen worden toegepast wanneer de verplichtingen
                            niet worden nagekomen, en indien van toepassing:e. de termijnen en wijze
                            van betaling van de eigen bijdrage. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd
                            in de overeenkomst niet of in onvoldoende nakomt, kan het college de
                            kosten van de overeengekomen voorziening geheel of gedeeltelijk
                            terugvorderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het moment dat het wetsvoorstel
                            tot ‘wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet
                            met de Wet investeren in jongeren’ in werking is getreden onder
                            gelijktijdige intrekking van de ‘Participatieverordening gemeente
                            Maassluis 2010’</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Gemeente
                            Maassluis 2012.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 november 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr R. van der Hoek drs. J.A. Karssen</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Toelichting op participatieverordening gemeente Maassluis 2012</titel></kop><al>Artikel 1 - Begrippen</al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Wet Inburgering.De omschrijving
                    van de doelgroep is zodanig dat de aanspraak op ondersteuning alleen geldt voor
                    personen woonachtig in Maassluis (met uitzondering van de uitbreiding van de
                    doelgroep, zoals beschreven in artikel 8 van deze verordening).Het begrip
                    voorliggende voorziening is een begrip dat alleen in de WWB voorkomt en houdt in
                    dat als er ondersteuning en/of een voorziening kan worden geboden die gezien
                    haar aard en doel toereikend en passend is, geen recht bestaat op ondersteuning
                    en/of een voorziening op grond van de WWB.</al><al>Artikel 2 - Reikwijdte</al><al>Bij de bepaling van het beleid op het gebied van gesubsidieerde arbeid zal
                    rekening moeten worden gehouden met Europese regelgeving omtrent staatssteun.
                    Het geven van dergelijke steun is aan regels gebonden om ervoor te waken dat er
                    tussen, maar ook binnen, de lidstaten geen sprake is van concurrentievervalsing.
                    Het verstrekken van subsidie aan bedrijven, ook de financiering van
                    detacheringsbanen, kan onder omstandigheden vallen onder het begrip staatssteun.
                    Indien dat bij de loonkostensubsidie die de gemeente verstrekt het geval is, zal
                    de gemeente zich houden aan de bepaling van de betreffende EG-verordeningen
                    omtrent werkgelegenheidssteun.</al><al>Artikel 3 - Opdrachtcollege en aanspraken doelgroep</al><al>De WWB, IOAW en de IOAZ geven aan het college de verantwoordelijkheid voor het
                    bieden van ondersteuning aan de doelgroep. Hoewel leden van de doelgroep
                    aanspraak kunnen maken op ondersteuning is er geen afdwingbaar recht op
                    ondersteuning op de manier zoals zij het zich bij voorkeur zouden wensen. Het is
                    aan het college om te zorgen voor een voldoende aanbod van voorzieningen, maar
                    het college heeft daarbij te maken met beperkte middelen terwijl de vraag naar
                    voorzieningen afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische
                    factoren.</al><al>Overigens kan een aanspraak op een voorziening niet geweigerd worden om reden
                    dat het budget ontoereikend is: er dient ten minste een alternatief voorhanden
                    te zijn in de vorm van klantmanagement waarbij praktische hulp wordt geboden en
                    advies wordt gegeven of doorverwijzing naar andere instanties plaatsvindt.. Het
                    college moet ondersteuning bieden en kan hierbij voorzieningen inzetten. Het
                    college kan besluiten geen aanbod te doen aan WWB-gerechtigden als het college
                    van mening is dat een voorziening niet noodzakelijk is omdat de persoon direct
                    aan het werk kan.</al><al>Artikel 4 - Uitvoeringsplan</al><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening jaarlijks een
                    participatieplan vast, waarin de doelstellingen, het beschikbare budget en de
                    daarmee te behalen resultaten worden aangegeven.Het participatieplan voor het
                    nieuwe jaar wordt vastgesteld nadat de begroting voor dat nieuwe jaar
                    vastgesteld.Het derde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid.
                    De WWB geeft aan dat het college elk jaar een ”beeld van de uitvoering” aan de
                    minister moet sturen. Dit betreft een louter financiële verantwoording,
                    daarnaast vindt jaarlijkse een verantwoording van de rechtmatigheid (uitvoering
                    in overeenstemming met de gelden regels) plaats richting de minister van
                    Binnenlandse Zaken. Deze verantwoording draagt de naam SISA (Single information
                    Single audit) en bestaat uit de jaarrekening, de accountantsverklaring en een
                    bijlage. De verantwoording van WWB, IOAW en IOAZ is daar een onderdeel van.
                    Tenslotte vindt er een verantwoording van de doelmatigheid plaats waarin de
                    effecten van het re-integratiebeleid worden verantwoord aan de raad. Dit gebeurt
                    eens per jaar.</al><al>Artikel 5 - Subsidieplafonds en plafonds betreffende voorzieningen</al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het uitvoeringsplan
                    gebeuren (zie artikel 4). De naderende uitputting van begrotingsposten kan
                    echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat
                    wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening subsidieplafonds en
                    plafonds betreffende voorzieningen instellen.De WWB stelt dat het ontbreken van
                    financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de afwijzing van een
                    aanvraag om ondersteuning, voorzieningen of een uitkering. De gemeente dient dan
                    na te gaan welke alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een
                    plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar het oordeel
                    van het college een andere noodzakelijk geachte voorziening wordt aangeboden. Er
                    dient ten minste een alternatief voorhanden te zijn. Dit kan zijn in de vorm van
                    klantmanagement waarbij praktische hulp wordt geboden en advies wordt gegeven,
                    of doorverwijzing naar andere instanties plaatsvindt.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. De mogelijkheid om deze bevoegheid over te dragen is geregels in
                    artikel 156 van de gemeentewet. In artikel 4:25, eerste lid van de Algemene wet
                    bestuursrecht is bepaald dat een subsidieplafond slechts bij of krachtens
                    wettelijk voorschirft kunnen worden vastgesteld. Een mogelijkheid is dat bij de
                    vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het
                    uitvoeringsplan of in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden
                    gereserveerd. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die in de vorm van
                    subsidies worden aangeboden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te
                    worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27, eerste lid, Awb). Een
                    plafond betreffende voorzieningen geldt voor de overige uitgaven die het college
                    doet in het kader van voorzieningen. Het tweede lid creëert teven de mogelijheid
                    om een plafond in te stellen voor het aantal personen dat in aanmerking kan
                    komen.</al><al>Artikel 6. Aanspraak op ondersteuningDe WWB, IOAW en IOAZ stellen niet zo
                    expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de verordening geregeld moet
                    worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld. Uit oogpunt van
                    kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een algemene bepaling over de
                    aanspraak op te nemen in het eerste lid. In het tweede lid wordt de reikwijdte
                    van de ondersteuning aangegeven. Deze kan zowel preventief (behoud van arbeid)
                    als curatief (verwerven van arbeid) van aard zijn. Dit houdt in dat het college
                    ook ondersteuning kan inzetten om (terug)val in de bijstand te voorkomen.</al><al>Ondersteuning wordt geboden door het aanbieden van een traject, waarbij zo nodig
                    voorzieningen worden ingezet of door het bieden van praktische hulp, advies of
                    doorverwijziging naar andere instanties.</al><al>Artikel 7 - Verplichtingen</al><al>Tegenover het recht op ondersteuning en/of een voorziening en/of een uitkering
                    staan de verplichtingen zoals genoemd in de van toepassing zijnde wetten, de Wet
                    Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening, alsmede de
                    verplichtingen die het college aan de aangeboden ondersteuning, voorziening
                    en/of uitkering heeft verbonden. In het derde lid wordt de verbinding met de
                    maatregelenverordening gelegd. Op het moment van het vaststellen van onderhavige
                    Participatieverordening is de maatregelenverordening Nieuwe Waterweg Noord 2004
                    van kracht. Mocht die maatregelenverordening wijzigen, dan zal de gewijzigde
                    versie op onderhavig artikel tevens van toepassing zijn. Deze
                    maatregelenverordening regelt het opleggen van een maatregel indien het lid van
                    de doelgroep niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze maatregel bestaat uit
                    het verlagen van de uitkering/inkomensvoorziening met een bepaald percentage en
                    voor een bepaalde duur. In Maassluis is het beleid m.b.t. de inzet van beide
                    instrumenten als volgt:</al><al>Toepassing van de maatregelenverordening bij:1. Het niet nakomen van de
                    arbeidsverplichtingen2. Het niet nakomen van de inlichtingenplicht3. Overige
                    gedragingen die leiden tot een maatregelBovenstaande gedragingen en de daarbij
                    horende maatregelen zijn nader beschreven in de maatregelenverordening.</al><al>Artikel 8. Uitbreiding van de doelgroep</al><al>Dit artikel biedt de mogelijheid om de doelgroep voor een aantal specifiek te
                    benoemen voorzieningen uit te breiden met:- Personen die een uitkering ontvangen
                    van het UWV; - Personen die woonachtig zijn in Vlaardingen of Schiedam (dit in
                    het kader van regionale samenwerking).</al><al>Artikel 9 - Algemene bepalingen over voorzieningen</al><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met de voorzieningen. Het gaat daarbij in
                    principe om de volgende voorzieningen: a. Werkstagesb. werkervaringsplaatsenc.
                    In/Opstapbanend. Loonkostensubsidies aan werkgeverse. Vangnetbanenf.
                    Uitstroompremies,g. Stimuleringspremiesh. Werkaanvaardingspremiesi. Premies voor
                    vrijwilligerswerkj. Inkomstenvrijlating. k. Sociale activering (als opstap naar
                    werk), l. Scholing m. Nazorg</al><al>Het college stelt nadere beleidsregels over de inhoud van de voorzieningen.</al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om inhoudelijke invulling te
                    geven aan de wijze waarop bijstandsgerechtigden, die jonger zijn dan 27 jaar
                    zich in het kader van de wachtperiode van 4 weken moeten inspannen teneinde werk
                    te vinden of een opleiding te starten.</al><al>Het derde lid draagt het college op om regels te stellen ten aanzien van de
                    wijzie waarop zij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden als tegenprestatie voor bijstand verplicht
                    te stellen.</al><al>Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat betrokkene gedurende het traject op gezette tijden met de
                    klantmanager de voortgang bespreekt. Of dat de client meewerkt aan een bepaald
                    onderzoek.</al><al>Artikel 10 - Beëindiging of intrekking van een voorziening</al><al>Het eerste lid geeft aan in welke gevallen het college een voorziening kan
                    beëindigen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de
                    subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een
                    opstapbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de
                    toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                    rechtspositieregeling in acht te worden genomen.Een bijzonder aandachtspunt is
                    hier het uitbesteden van voorzieningen aan re-integratiebedrijven. Immers, bij
                    uitbesteden wordt een deel van de regie uit handen gegeven. Het verdient dan ook
                    aanbeveling dat in het contract met het re-integratiebedrijf wordt verklaard dat
                    deze re-integratieverordening van toepassing is.</al><al>Artikel 11 - Vergoedingen</al><al>Het is denkbaar dat de gemeente besluit noodzakelijke kosten te vergoeden die
                    verband houden met arbeidsinschakeling, voor zover daarvoor geen beroep op
                    voorliggende voorzieningen kan worden gedaan.</al><al>Artikel 12 - De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                    inburgeraars</al><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te
                    bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt georganiseerd. Wel bepalen
                    de artikelen 8 WI en 24f WI dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststellen over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en
                    plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van inburgeringsplichtigen dienen
                    ook regels te worden vastgesteld ter zake van het aanbod van en de toegang tot
                    inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                    Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders vast te
                    stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan de
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. In dat geval kan met opnemen
                    van het eerste en derde lid in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor
                    worden gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het college
                    (in ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening te organiseren. In
                    dat geval moet het tweede lid in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens
                    een keuze moet worden gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet.
                    Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het college is belast met de
                    organisatie van de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek)
                    verantwoording af aan de raad. De informatievoorziening aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten (het
                    inburgeringsloket) al dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is ook
                    mogelijk om de informatievoorziening onder te brengen bij een centraal
                    informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen gemeenten bepaalde
                    organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of
                    andere zelforganisaties) een rol geven bij de informatievoorziening aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars.</al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een
                    aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars vorm te geven. Daarbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan: het inrichten van een informatiepunt in het
                    gemeentehuis;het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen
                    ten aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens uit het Bestand Potentiële
                    Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij
                    inburgeringsplichtig zijn;het verstrekken van schriftelijk
                    voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om uitkeringen;het organiseren van
                    voorlichtingsbijeenkomsten;het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                    gemeentelijke website.</al><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking. Om aan deze
                    verplichting efficiënt te kunnen voldoen, zou een informatieplan kunnen worden
                    opgesteld waarvan de informatieverstrekking onderdeel is. Een dergelijk
                    informatieplan zou vervolgens door de raad getoetst kunnen worden waarbij
                    eventuele verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om efficiënt aan de
                    verplichting van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht ook aansluiting
                    mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van het college aan
                    de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet.</al><al>Artikel 13 - Aanwijzen van de doelgroepen</al><al>Het college kan aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod doen voor een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 19, eerste lid, WI).
                    Het college is echter verplicht een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een
                    inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren. Op grond van artikel 19,
                    vijfde lid, onderdeel a, WI moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen
                    met betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                    aan inburgeringsplichtigen. Dit artikel vormt de uitwerking van deze
                    verplichting. In dit artikel wordt het college opgedragen om vast te stellen aan
                    welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een voorziening kan worden
                    aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen welke kaders het
                    college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het is van belang dat deze
                    kaders (in casu het aanwijzen van groepen waaraan een voorziening wordt
                    aangeboden) niet te eng te definiëren. Het college zal binnen deze kaders
                    gedurende een aantal jaren groepen moeten kunnen aanwijzen. Het alternatief is
                    dat de verordening op dit onderdeel steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een
                    andere reden om de kaders niet te strak vast te stellen is dat gemeenten op dit
                    moment wellicht geen duidelijk zicht hebben op de precieze omvang van bepaalde
                    mogelijke doelgroepen (bijvoorbeeld oudkomers zonder werk of uitkering). Te
                    strenge criteria zouden wel eens kunnen leiden tot het niet benutten van de
                    beschikbare middelen voor het aanbieden van voorzieningen.</al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst bij voorrang een
                    voorziening krijgen aangeboden. Dit betekent dat het college de ruimte heeft om
                    in bepaalde gevallen ook een voorziening aan te bieden aan
                    inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of groepen die hij heeft
                    aangewezen. Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep
                    of groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan
                    ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan
                    de groepen die hij aanwijst een voorziening kan aanbieden. Voorbeelden van
                    criteria die in de verordening kunnen worden neergelegd en op basis waarvan het
                    college de doelgroep(en) kan aanwijzen, zijn: hebben van een
                    opvoedingstaak;hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt; een
                    wijkgerichte aanpak;een bepaalde inkomensgrens;het ontvangen van een bepaalde
                    uitkering;bevordering van emancipatie van vrouwen.</al><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                    specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud- en
                    nieuwkomers die graag voor een voorziening in aanmerking willen komen
                    (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of motivatie). Criteria op
                    basis waarvan het college doelgroepen aanwijst, kunnen ook worden ontleend aan
                    andere beleidsterreinen, zoals bijvoorbeeld ‘leefbaar, sociaal en veilig’.
                    Daarmee kan de uitvoering van de WI een onderdeel vormen van een integrale
                    aanpak van sociaal beleid.</al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad (artikel
                    169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het college zijn besluit
                    aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een aanbod zal worden
                    gedaan ter kennisname aan de raad aanbiedt.</al><al>Artikel 14 - De samenstelling van de voorziening</al><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende (duale) inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling
                    van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel
                    worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor
                    iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden voorziening samen te stellen. In het eerste lid wordt aangegeven op
                    welke wijze het college een passende voorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de passendheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een
                    rol spelen:De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                    Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.De maatschappelijke rol
                    die de inburgeringsplichtige vervult of gaat vervullen in de Nederlandse
                    samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid
                    of het opvoeden van kinderen.De persoonlijke situatie van de
                    inburgeringsplichtige. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele
                    zorgtaken die de inburgeringsplichtige moet vervullen.</al><al>Voor de mogelijkheden van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen
                    wordt verwezen naar de toelichting bij het Besluit inburgering.De samenstelling
                    van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren wordt geregeld bij
                    ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de mogelijkheid om de
                    inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen
                    inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    voorziening daarmee te combineren. De Wet inburgering bepaalt dat de voorziening
                    gecombineerd moet worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (reïntegratievoorziening) als een voorziening wordt aangeboden aan een
                    inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op
                    grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én deze
                    verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid,
                    WI). Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                    voorziening (artikel 20, tweede lid, WI).</al><al>Artikel 19, vierde lid, WI draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene tot
                    arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op de
                    reïntegratievoorziening. Aangezien de reïntegratievoorziening in het kader van
                    de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen
                    ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 WI).</al><al>Het tweede lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. In de wet
                    is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een
                    cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                    als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende
                    examen (artikel 19, derde lid, WI).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de voorziening
                    (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het
                    college als onderdeel van de voorziening voor inburgeringsplichtigen kan
                    opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan
                    een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving.</al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening in combinatie met
                    een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                    onderdeel.</al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de voorziening ook
                    rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal
                    de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen.</al><al>Artikel 15 - De procedure van het doen van een aanbod</al><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het
                    college het aanbod van een voorziening aan de inburgeringsplichtige op
                    schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar
                    de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen
                    onduidelijk ontstaan over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een
                    aanbod heeft gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot het vaststellen van de
                    voorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking
                    moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). De
                    zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde
                    wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de
                    gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen.
                    Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen
                    termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen
                    moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke
                    situatie een handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26
                    WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn
                    indien het traject vóór 1 januari 2009 is begonnen en drieënhalf jaar indien het
                    traject na 1 januari 2009 is begonnen ). Aan nieuwkomers wordt een schriftelijke
                    kennisgeving gestuurd. Dit heeft hetzelfde status als een
                    handhavingsbeschikking. Het verdient de aanbeveling dat het college deze
                    handelwijze vastlegt in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk
                    is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod
                    voor een voorziening.</al><al>De gemeente doet na 31 december 2012 geen aanbod meer aan inburgeringplichtigen
                    die in Nederland wonen omdat de rijksbijdrage voor inburgering wordt afgebouwd.
                    Alleen asielgerechtigde nieuwkomers zijn hiervan tot en met 31 december 2013
                    uitgezonderd. Vanaf 1 januari 2014 heeft de gemeente geen bevoegdheden,
                    verplichtingen en budget meer om inbugeringsvoorzieningen aan te bieden.</al><al>Artikel 16 - De inburgeringvoorziening in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget</al><al>Op grond van artikel 19, tweede lid, WI kan het college de voorziening aanbieden
                    in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige
                    daarom verzoekt. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 WI moet de
                    gemeenteraad bij verordening regels stellen over de procedure die door het
                    college wordt gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een persoonlijk
                    inburgeringsbudget en de criteria die worden gehanteerd bij het toekennen van
                    een persoonlijk inburgeringsbudget.</al><al>In het eerste lid legt de gemeente vast op welke wijze verzoeken van
                    inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget
                    worden behandeld. In de verordening kunnen de volgende onderwerpen worden
                    geregeld:De wijze waarop het verzoek moet worden ingediend: schriftelijk of ook
                    mondeling.De wijze van begeleiding door de gemeente van de inburgeringsplichtige
                    bij vormgeving van zijn inburgering en de keuze van een inburgeringsbedrijf. Op
                    grond van artikel 4.27, eerste lid, Besluit inburgering moet het college deze
                    taak op zich nemen. De termijn die de inburgeringsplichtige krijgt om op zoek te
                    gaan naar een inburgeringsbedrijf dat past bij zijn voorkeur en ambities. De
                    hoge opleiding die de inburgeraar moet hebben genoten, is een universitaire
                    opleiding of een vooropleiding die de inburgeraar in staat stelt een
                    universitaire opleiding in Nederland te kunnen volgen.</al><al>Op grond van artikel 4.27, tweede lid, Besluit inburgering moet het college het
                    voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen van een
                    inburgeringsprogramma of taalkennisvoorziening goedkeuren. Dit voorstel zal in
                    de praktijk worden opgesteld door het inburgeringsbedrijf. Het tweede en derde
                    lid van dit artikel leggen de twee criteria vast aan de hand waarvan het college
                    het voorstel voor het volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma en
                    een taalkennisvoorziening goedkeurt. De eerste eis is dat het
                    inburgeringsprogramma naar het oordeel van het college passend is om de
                    inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                    inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II. De
                    taalkennisvoorziening dient gericht te zijn op de verwerving van de kennis van
                    de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                    beroepsopleiding (MBO 1 en 2).Het tweede vereiste is dat het
                    inburgeringsprogramma of de taalkennisvoorziening wordt verzorgd door een
                    inburgeringsbedrijf dat voldoet aan de eis of de eisen die de verordening aan
                    inburgeringsbedrijven stelt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een of
                    meer van de volgende voorwaarden: ingeschreven zijn bij de Kamer van
                    Koophandel;beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie;beschikken
                    over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het gebied van het verzorgen van
                    inburgeringsprogramma’s of taalkennisvoorzieningen.</al><al>Artikel 4.27, derde lid, Besluit inburgering bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening bepaalt wie met het inburgeringsbedrijf een overeenkomst met
                    betrekking tot de inburgering van de inburgeringsplichtige sluit. Dit kan de
                    inburgeringsplichtige zijn, het college,het college en de inburgeringsplichtige,
                    een andere partij of een combinatie van de hiervoor genoemde partijen.
                    gezamenlijk. In het vierde lid van dit artikel wordt dit geregeld, waarbij de
                    raad zelf een keuze zal moeten maken. Het kan van belang zijn de partijen in de
                    verordening niet te eng te definieren. Dat kan bijvoorbeeld van belang zijn ,
                    indien de gemeente samen met werkgevers inburgering op de werkvloer organiseert
                    of wil gaan organiseren.</al><al/><al>Artikel 17 - De inning van de eigen bijdrage</al><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte
                    van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit bedrag kan
                    bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid,
                    WI).</al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel
                    24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand
                    ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden
                    vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de voorziening. Als de
                    inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college het
                    UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV de
                    eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt
                    door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening
                    geregeld.</al><al>Artikel 18 - Opleggen van verplichtingen</al><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Dit artikel
                    delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                    worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te
                    leggen. Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                    voorziening deze verplichtingen vast.</al><al>Artikel 19 - De inhoud van de beschikking</al><al>Het besluit tot het vaststellen van een voorziening is een beschikking. Dit
                    betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in
                    bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in
                    ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23, eerste
                    lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de
                    inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder
                    andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt.</al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf jaar (artikel 7,
                    eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen
                    melding worden gemaakt (onderdeel c). Onderdeel d bepaalt dat in beschikking
                    moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald
                    en op welke wijze de betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening
                    met de bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 7 van de
                    verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige
                    oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan
                    moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22,
                    tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen drieënhalf jaar ná deze datum moet de
                    betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf
                    bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start
                    gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                    bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van start
                    gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd
                    bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                    vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht,
                    onafhankelijk van het moment waarop met de voorziening kan worden begonnen bij
                    het uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan
                    de inburgeringsplicht.</al><al>Artikel 20 - De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</al><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen.</al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling
                    brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal
                    moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van
                    de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde reïntegratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. Aangezien er in de Wet inburgering
                    expliciete bepalingen over zijn opgenomen, is het niet nodig het nog eens in
                    deze verordening op te nemen.</al><al>Artikel 21 - Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</al><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 10 mogelijk
                    is. Het eerste en tweede lid kunnen alleen de verordening worden opgenomen als
                    in artikel 10, eerste en tweede lid, lagere maximumboetebedragen zijn opgenomen
                    dan de maximumbedragen in de wet. De verhoogde boetebedragen ingeval van
                    herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan de
                    maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd. Om te kunnen spreken van
                    een herhaling van een overtreding, moeten de overtredingen zich wel binnen een
                    bepaalde tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld 12 maanden. Gemeenten kunnen een
                    kortere of langere termijn vaststellen. Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de
                    mogelijkheid voor gemeenten om de bestuurlijke boete te verhogen van maximaal €
                    500 naar maximaal € 1000 in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling
                    niet voldoet aan de verplichting binnen de gestelde termijn het
                    inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in het derde en vierde lid van
                    dit artikel.</al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 10,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het derde lid het mogelijk dat het college een hogere boete
                    vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel d, WI).
                    Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden
                    opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                    inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                    wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                    vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen
                    door de inburgeringsplichtige.</al><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het derde
                    lid niet het wettelijk maximum van € 1000 is vastgesteld. Alleen in dat geval is
                    er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de bestuurlijke boete (tot
                    maximaal € 1000).</al><al>Als in het derde lid het wettelijk maximum van € 1000 is opgenomen of als de
                    gemeente er geen behoefte aan heeft om een hogere maximumboetebedrag vast te
                    stellen wanneer termijnen bij herhaling worden overschreden, kan het vierde lid
                    worden geschrapt en dient het derde lid als volgt te luiden: De bestuurlijke
                    boete bedraagt ten hoogste indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door
                    het college op grond van artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald.</al><al>De artikelen 10 en 11 bieden in de vorm van het vaststellen van maximumbedragen
                    het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke
                    boetes in individuele gevallen. Het college zal binnen deze kaders zelf een
                    beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te bevelen dat het college in
                    beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit ziet: welke boete wordt in beginsel
                    opgelegd bij welke overtreding en met welk bedrag wordt de boete in beginsel
                    verhoogd als de betrokken inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals
                    pleegt.</al><al>Artikel 22 - Afzien van bestuurlijke boeten bij het ontbreken van
                    verwijtbaarheid</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Artikel 23 - Informatieverstrekking aan de vrijwillige inburgeraar</al><al>Zie artikel 10.</al><al>Artikel 24 - Aanwijzen van de doelgroepen</al><al>In dit artikel worden de criteria genoemd op grond waarvan het college
                    categorieën vrijwillige inburgeraars kan aanwijzen die bij voorrang in
                    aanmerking komen voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Het
                    ligt voor de hand om bij vrijwillige inburgeraars dezelfde criteria te hanteren
                    als bij inburgeringsplichtigen (artikel 3 van de verordening).</al><al>Artikel 25 - De samenstelling van de voorziening</al><al>Zie artikel 12.</al><al>Artikel 26 - De procedure van het doen van een aanbod</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Artikel 27 - De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget</al><al>Zie artikel 14.</al><al>Artikel 28 - De inning van de eigen bijdrage</al><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is overeengekomen een eigen
                    bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage is geregeld in artikel 23,
                    tweede lid, WI. Artikel 24f bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    moet stellen over de eventuele inning van de eigen bijdrage door het college en
                    de mogelijkheid van betaling in termijnen. Artikel 15 van deze verordening is de
                    uitwerking van deze verplichting.</al><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat vrijwillige inburgeraars geen
                    eigen bijdrage hoeven te betalen (artikel 24e, tweede lid, WI). Dit is geregeld
                    in de alternatieve bepaling van dit artikel.</al><al>Op grond van artikel 24e, tweede lid, WI is het ook mogelijk bij verordening te
                    regelen dat de vrijwillige inburgeraars een lagere eigen bijdrage betalen dan
                    het wettelijk geregelde bedrag of dat bepaalde categorieën vrijwillige
                    inburgeraars geen eigen bijdrage betalen of een lager bedrag.</al><al>In deze overeenkomst is gekozen voor de handhaving van de eigen bijdrage voor
                    vrijwillige inburgeraars.</al><al>Artikel 29 - Opleggen van verplichtingen</al><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                    neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een vrijwillige
                    inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de verplichtingen die het
                    college kan opnemen in de beschikking waarmee een voorziening voor een
                    inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie artikel 8 van de verordening).</al><al>Artikel 30 - De inhoud van de overeenkomst</al><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van een
                    voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot het
                    vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen.</al><al>Artikel 31 - Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</al><al>Op grond van artikel 24f moet de raad bij verordening regels stellen over de
                    niet-nakoming van de overeenkomst. In dit artikel legt de raad de sancties vast
                    die het college kan toepassen als de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen
                    die zijn neergelegd in de overeenkomst niet nakomt. Gedacht kan worden aan de
                    volgende soorten sancties: een maximale boete, waarbij het bedrag van de boete
                    vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke boetes die het college kan
                    opleggen als een inburgeringsplichtige de verschillende verplichtingen niet
                    nakomt;een maximale boete in de vorm van een bepaald percentage van de kosten
                    van de voorziening, waarbij de maximale hoogte van de boetebedragen
                    vergelijkbaar is met of lager dan de bestuurlijke boetes die het college kan
                    opleggen als een inburgeringsplichtige de verschillende verplichtingen niet
                    nakomt.</al><al>Naast het opleggen van sancties, hebben gemeenten ook de mogelijkheid om
                    prestaties te belonen, bijvoorbeeld in de vorm van een bonus als een vrijwillige
                    inburgeraar aan het inburgeringsexamen of staatsexamen heeft deelgenomen of
                    daarvoor geslaagd is. Ook de bonussen kunnen in de overeenkomst worden
                    opgenomen.</al><al>Artikel 32 - Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                    inburgeraar</al><al>Artikel 24f WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen
                    over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar. Dit
                    artikel van de verordening is een uitwerking van deze verplichting. Dit artikel
                    is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is geregeld op welke wijze het college de
                    identiteit van een inburgeringsplichtige vaststelt.</al><al>Artikel 33 Hardheidsclausule Dit artikel spreekt voor zich</al><al>Artikel 34 Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Artikel 35 Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>