<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122719_1</dcterms:identifier><dcterms:title>BIBOB beleidsregel horecabranche 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJssel- en Lekstreek van 07-09-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>BIBOB beleidsregel horecabranche 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Bibob, art. 3, 9, 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-02-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verseonnummer 239614</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>1.Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BIBOB beleidsregel horecabranche 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De burgemeester van Capelle aan den IJssel en het college van Capelle aan
                        den IJssel, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft,</al><al>gelet op de artikelen 3, 9 en 30 van de wet BIBOB, artikel 4:81 Algemene wet
                        bestuursrecht het Integraal Veiligheidsbeleid 2011-2014 zoals vastgesteld op
                        16 augustus 2011 en de beleidsnota BIBOB zoals vastgesteld op 25 oktober
                        2011, </al><al><vet>overwegende:</vet></al><al>eind jaren ’90 van de vorige eeuw heeft de onderzoeksgroep Fijnaut op
                        verzoek van de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa onderzoek gedaan
                        naar de dreiging van de georganiseerde misdaad in bepaalde economische
                        sectoren. Deze commissie heeft een aantal criteria benoemd dat kenmerkend is
                        voor branches die kwetsbaar zijn voor criminaliteit. Te denken valt aan
                        sectoren die een lage drempel van toetreding kennen (weinig diploma’s
                        vereist), waarvan de omzetcijfers onduidelijk zijn of sectoren waar weinig
                        is geregeld of de regels juist gecompliceerd zijn. </al><al>De horecabranche is één van de economische sectoren die deze kenmerken in
                        zich heeft. In de uitvoeringsmap BIBOB van het RIEC Rotterdam-Rijnmond is de
                        horecabranche mede daarom aangemerkt als kwetsbaar voor criminaliteit. Dat
                        wil niet zeggen dat iedere aanvrager van een vergunning uit deze branche
                        kwade bedoelingen heeft. Het tegendeel ligt meer voor de hand, maar
                        alertheid voor signalen van misstanden is geboden.</al><al>Een ondernemer die actief is of wil worden in de horecabranche is
                        afhankelijk van de medewerking van de gemeente, bijvoorbeeld als gevolg van
                        de noodzaak tot het hebben van een exploitatie-vergunning. Via instrumenten
                        zoals de APV 2009, het bestemmingsplan en bestuurlijke
                        handhavingbevoegdheden kan de gemeente sturing geven aan de horecabranche in </al><al>Capelle aan den IJssel. De gemeenten in regio Rotterdam-Rijnmond hebben
                        aangegeven hun bestuursrechtelijke bevoegdheden nadrukkelijker en
                        gecoördineerder in te zetten om daarmee barrières op te werpen tegen
                        infiltratie van de georganiseerde criminaliteit in de legale bovenwereld.
                        Het Regionale Informatie- en Expertisecentrum Rotterdam Rijnmond heeft
                        daarbij een faciliterende </al><al>en ondersteunende rol. </al><al>Naast de bestuurlijke bevoegdheden zoals het opleggen van bestuursdwang of
                        een last onder dwangsom kan de gemeente sinds 1 juni 2003 gebruik maken van
                        de wet BIBOB. Deze wet moet bestuursorganen, zoals het college en de
                        burgemeester, helpen in het bewaken van hun integriteit. </al><al>De wet BIBOB geeft bestuursorganen een extra weigerings- en/of
                        intrekkingsgrond op grond waarvan vergunningen kunnen worden geweigerd of
                        ingetrokken als blijkt dat de gevraagde of verleende beschikking gevaar
                        loopt gebruikt te worden voor het ontplooien van criminele
                        activiteiten.</al><al>In het Beleidskader BIBOB heeft de gemeente aangegeven de wet BIBOB toe te
                        willen passen op de horecabranche in Capelle aan den IJssel. Omdat het
                        gebruik van de wet BIBOB zwaar kan ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer
                        van personen en om willekeur te voorkomen, wordt in deze beleidsregel
                        aangegeven op welke wijze de wet BIBOB gebruikt zal worden bij de verlening
                        en/of intrekking van Exploitatievergunningen, Drank- en
                        Horecawetvergunningen en Aanwezigheidsvergunningen voor kansspelautomaten
                        (hierna gezamenlijk: horecavergunningen).</al><al><vet>Horecabranche in Capelle aan den IJssel</vet></al><al>Capelle aan den IJssel kent een in omvang relatief beperkte horecabranche en
                        kent geen grootschalig geconcentreerd horeca-uitgaansgebied. In 2009 telde
                        Capelle aan den IJssel 60 horecabedrijven en in deze sector waren 945
                        personen werkzaam. Halverwege 2011 waren erin totaal 88 vergunningen op
                        grond van de Drank- en Horecawet verleend (DHW) aan zowel commerciële
                        horecabedrijven als paracommerciële instellingen zoals kantines van
                        sportverenigingen. In 2011 zijn op last van de burgemeester twee
                        horeca-inrichtingen tijdelijk gesloten geweest op basis van artikel 13b van
                        de Opiumwet. </al><al>Tot 2009 was het exploiteren van een horecabedrijf vergunningsvrij voor
                        inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken. De APV 2009 stelt het
                        hebben van een exploitatievergunning voor het exploiteren van een
                        horecabedrijf verplicht. De APV 2009 bevat een overgangsbepaling die stelt
                        dat exploitanten die voor de vaststelling van de APV 2009 een horecabedrijf
                        exploiteerde, geacht wordt in het bezit te zijn van een voorlopige
                        vergunning van 2 jaar (artikel 2:25 APV 2009). Dat betekent dat de meeste
                        exploitanten van een horecabedrijf op basis van deze bepaling tot uiterlijk
                        1 december 2011 over een vergunning (geacht worden te) beschikken. Het
                        indienen en in behandeling nemen van de aanvragen voor
                        exploitatievergunningen vindt momenteel plaats. Horecabedrijven die over een
                        exploitatievergunning beschikken, kunnen een aanwezigheidsvergunning voor
                        kansspelautomaten aanvragen. Halverwege 2001 waren in Capelle aan den IJssel
                        20 aanwezigheidsvergunningen voor kansspelautomaten verleend. </al><al>In Capelle aan den IJssel is de exploitatie van een aantal bijzondere
                        inrichtingen niet toegestaan. </al><al>De Wet op de Kansspelen stelt dat het niet is toegestaan om een
                        speelautomatenhal te exploiteren zonder dat deze mogelijkheid is opgenomen
                        in de APV van de gemeente. In de APV 2009 is een dergelijke bepaling niet
                        opgenomen, dus in Capelle aan den IJssel kan geen vergunning verleend worden
                        voor het exploiteren van een speelautomatenhal. Aanvragen voor dergelijke
                        vergunningen worden niet in behandeling genomen. </al><al>De exploitatie van een coffeeshop is eveneens aan te merken als een
                        bijzondere vorm van een openbare inrichting. Op basis van de APV 2009 is het
                        echter niet mogelijk om een aanvraag voor een coffeeshop in te dienen
                        (artikel 2:47 APV 2009). Er is in Capelle aan den IJssel dan ook geen
                        coffeeshop gevestigd. </al><al><vet>Besluit vast te stellen:</vet></al><al><cursief>BIBOB-beleidsregel horecabranche.</cursief></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>1.<vet>Doelstelling beleidsregel</vet></al><al>Het gemeentebestuur van Capelle aan den IJssel wil met behulp van de wet
                        BIBOB en haar daarop gebaseerde BIBOB-beleid, zoals vastgesteld in de
                        beleidsnota BIBOB van 25 oktober 2011: </al><lijst><li nr="·"><al>de aantasting van de veiligheid en/of leefbaarheid van groepen
                                bewoners, bepaalde wijken of gebieden,</al></li><li nr="·"><al>zowel de daadwerkelijke aantasting van de rechtsorde en de
                                aantasting van de integriteit en bestuurlijke slagkracht van het
                                bestuur, </al></li><li nr="·"><al>als de verloedering door de aanwezigheid van criminaliteit en de
                                subjectieve gevoelens van (on)veiligheid tegengaan. </al></li></lijst><al>Daarom past het gemeentebestuur de wet BIBOB toe op:</al><lijst><li nr="·"><al>vergunningen op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="·"><al>vergunningen op grond van artikel 2:12 Algemene Plaatselijke
                                Verordening 2009 van Capelle aan den IJssel voor horecabedrijven
                                (exploitatievergunning); </al></li><li nr="·"><al>vergunningen op grond van artikel 2:27 Algemene Plaatselijke
                                Verordening 2009 van Capelle aan den IJssel voor speelautomaten;
                            </al></li><li nr="·"><al>vergunningen op grond van artikel 3:4van de Algemene Plaatselijke
                                Verordening 2009 van Capelle aan den IJssel voor seksinrichtingen en
                                escortbedrijven(exploitatievergunning).</al></li></lijst><al>2.<vet>BIBOB-onderzoek</vet></al><al>Een BIBOB-onderzoek bestaat uit twee stappen. De zogenaamde
                        eigenhuiswerkfase vormt de eerste stap. In deze fase raadpleegt het
                        gemeentebestuur (semi) openbare bronnen, zoals het handelsregister van de
                        Kamer van Koophandel, de GBA, et cetera. Daarnaast maakt het gemeentebestuur
                        gebruik van het Aanvraagformulier Exploitatievergunning om aanvullende
                        informatie van de aanvrager te vergaren. In artikel 30 van de wet BIBOB is
                        vermeld welke informatie het LBB in ieder geval noodzakelijk acht voor het
                        kunnen doen van onderzoek naar feiten en omstandigheden die wijzen op gevaar
                        voor faciliteren van criminele activiteiten via een gemeentelijke
                        beschikking. </al><al>Met behulp van het Aanvraagformulier Exploitatievergunning verzamelt de unit
                        Handhaving en Vergunningen de benodigde informatie zoals bedoeld in artikel
                        30 van de wet BIBOB. </al><al>Het Aanvraagformulier Exploitatieformulier verzoekt de aanvrager via het
                        daadwerkelijk overhandigen van achterliggende documenten (uittreksels,
                        contracten, et cetera) meer inzicht te geven in:</al><lijst><li nr="1."><al>het type vergunning &amp; eigendomsverhouding van het pand waar de
                                onderneming gevestigd is;</al></li><li nr="2."><al>de rechtsvorm van de onderneming;</al></li><li nr="3."><al>het bestuur en zeggenschap van de onderneming;</al></li><li nr="4."><al>betrokkenheid van de aanvrager bij andere ondernemingen;</al></li><li nr="5."><al>de (financiële) situatie van de onderneming;</al></li><li nr="6."><al>de wijze van financiering van de onderneming;</al></li><li nr="7."><al>eerder aangevraagde en/of verleende vergunningen.</al></li></lijst><al>De tweede stap in het BIBOB-onderzoek bestaat uit het vragen van een advies
                        bij het Landelijk Bureau BIBOB . Het LBB is bevoegd om in gesloten bronnen
                        informatie te verzamelen die van belang kan zijn om de mate van integriteit
                        van een aanvrager te kunnen vaststellen. Het gaat dan om gesloten bronnen
                        zoals de registers van de Belastingdienst, de politie, het Openbaar
                        Ministerie, </al><al>et cetera. </al><al>3.<vet>Aanvragen van horecavergunningen</vet></al><al>Degene die een horecavergunning, een DHW-vergunning en/of een
                        aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten wil aanvragen (of wijzigen),
                        moet dit via het Aanvraagformulier Exploitatie-vergunning doen bij de unit
                        Handhaving en Vergunningen van de afdeling Stadsbeheer. Op basis </al><al>van de aanvraag zal de unit Handhaving en Vergunningen onderzoek doen naar
                        de integriteit van de aanvrager in overeenstemming met de ‘eigen
                        huiswerkfase’ uit het beleidskader BIBOB. </al><al>Een intakegesprek maakt naast het Aanvraagformulier Exploitatievergunning
                        standaard onderdeel uit van de aanvraagprocedure.</al><al>De vragen uit het Aanvraagformulier Exploitatievergunning zijn bedoeld om
                        duidelijkheid te geven omtrent de zeggenschap en financiering van een
                        (horeca)inrichting. Het onderzoek dat hieruit volgt dient uitsluitsel te
                        geven of er sprake is van schijnbeheer en/of de inrichting/vergunning
                        gebruikt gaat worden om strafbare feiten te plegen, dan wel dat ter
                        verkrijging van de vergunning strafbare feiten zijn gepleegd. In de
                        onderstaande gevallen zal een aanvraag met extra zorg op risicosignalen
                        worden onderzocht:</al><lijst><li nr="·"><al>bij een nieuwe vestiging van een inrichting;</al></li><li nr="·"><al>bij overname of wijziging exploitant van een horecabedrijf of
                                seksinrichting;</al></li><li nr="·"><al>indien een voorafgaande aanvraag door de vorige aanvrager
                                ingetrokken is, omdat deze anders geweigerd zou worden;</al></li><li nr="·"><al>bij een weigering of buiten behandelingstelling van een voorafgaande
                                aanvraag (in verband met het niet dan wel onvolledig aanleveren van
                                BIBOB-bescheiden);</al></li><li nr="·"><al>een overname na een bestuurlijke maatregel, dan wel voorstel
                                bestuurlijke maatregel.</al></li></lijst><al>Alle vragen die in het formulier gesteld worden dienen volledig beantwoord
                        te worden door de exploitant(en). Tevens dienen alle documenten die
                        voortvloeien uit de beantwoorde vragen aangeleverd te worden. Het niet
                        compleet of onjuist aanleveren van bescheiden kan leiden tot een buiten
                        behandeling stelling of weigering van de aanvraag (artikel 4 wet BIBOB). Het
                        gemeentebestuur zal vervolgens naar aanleiding van de aangeleverde
                        informatie beslissen of er redenen aanwezig zijn om een BIBOB-advies aan te
                        vragen bij het Landelijk Bureau BIBOB (hierna: LBB). Indien dat het geval
                        is, vraagt het bevoegde bestuursorgaan (afhankelijk om welke vergunning het
                        gaat) een </al><al>BIBOB-advies aan bij het LBB. Deze aanvraag kan niet in mandaat worden
                        gedaan.</al><al>De burgemeester en het college zijn als bestuursorganen bevoegd tot het
                        verlenen van horeca-vergunningen. Op basis van de gemeentelijke
                        mandaatregeling 2011 is de algemeen directeur gemandateerd tot het verlenen
                        van de horecavergunningen (met uitzondering van de exploitatievergunning
                        voor een seksinrichting), met de mogelijkheid van doormandatering aan het
                        afdelingshoofd Stadsbeheer en het unithoofd Handhaving &amp; Vergunningen.
                        In het geval dat het bevoegde bestuursorgaan het LBB daadwerkelijk om advies
                        vraagt, wordt het besluit op de aanvraag niet meer in mandaat genomen, maar
                        door de burgemeester dan wel het college. </al><al>Indien er na verlening van een vergunning nieuwe feiten of omstandigheden
                        bekend worden, kan de gemeente een BIBOB-onderzoek opstarten. Hiervoor is
                        het niet altijd noodzakelijk dat een vragenlijst door de vergunninghouder
                        wordt ingevuld, maar in de meeste gevallen wel gewenst om een verklaring
                        voor goed betalingsgedrag van de Belastingdienst te overleggen. Door middel
                        van een notificatiebrief wordt de vergunninghouder op de hoogte gesteld dat
                        er een BIBOB-onderzoek gestart wordt en welke formulieren ingevuld dan wel
                        vragen beantwoord moeten worden.</al><al>4.<vet>Aanleidingen aanvragen advies bij het Landelijke Bureau BIBOB (het
                            LBB)</vet></al><al>Er zijn drie aanleidingen die in een concreet geval leiden tot een verzoek
                        om advies aan het LBB.</al><lijst><li nr="1."><al>De BIBOB-Officier van Justitie geeft een tip om in het kader van een
                                aanvraag van een vergunning, dan wel een bestaande vergunning, een
                                advies aan het LBB te vragen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van een bestaande vergunning komen nieuwe feiten of
                                omstandigheden aan de orde die reden geven tot een
                                BIBOB-onderzoek.</al></li><li nr="3."><al>Na de eigenhuiswerkfase blijven vragen bestaan over:</al><lijst><li nr="a."><al>de bedrijfsstructuur, of de activiteiten in en/of in de
                                        directe omgeving van de onderneming;</al></li><li nr="b."><al>de financiering van het bedrijf;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden in de persoon van de aanvrager, de
                                        financier van de onderneming of de eigenaar van het pand
                                        waarin de onderneming is gevestigd en/of de inventaris van
                                        de inrichting;</al></li><li nr="d."><al>(andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat
                                        er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning zal
                                        worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten, of het
                                        gebruiken van voordelen uit strafbare feiten;</al></li><li nr="e."><al>(andere) omstandigheden die de gemeente doen vermoeden dat
                                        ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven
                                        vergunning een strafbaar feit is gepleegd.</al></li></lijst></li></lijst><al>De aanvrager/vergunninghouder zal door de gemeente schriftelijk worden
                        geïnformeerd dat de gemeente voornemens is een BIBOB-advies bij het LBB aan
                        te vragen (door middel van een zogenoemde notificatiebrief). De
                        adviesaanvraag bij het LBB is geen beschikking in de zin van de Algemene wet
                        bestuursrecht. Hiertegen staat daarom geen bezwaar of beroep open. Wel is
                        het de aanvrager van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in
                        te trekken. Bij een reeds verleende vergunning kan een vergunninghouder
                        besluiten zijn vergunning in te leveren.</al><al>Indien dit het geval is, wordt hiervan aantekening gemaakt en wordt het RIEC
                        Rotterdam-Rijnmond hierover geïnformeerd om de effectiviteit van het
                        instrument BIBOB te meten.</al><al>5.<vet>Onderzoek door Landelijk Bureau BIBOB</vet></al><al>De wet BIBOB stelt in artikel 9 dat het LBB tot taak heeft om
                        bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid
                        hebben gekregen het bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te
                        brengen over de mate van gevaar. Concreet betekent dit dat het college
                        bevoegd is voor het vragen van een LBB-advies bij een aanvraag voor een
                        Drank- en Horecawetvergunning, en de burgemeester bij een aanvraag voor een
                        exploitatievergunning horecabedrijf of seksinrichting en een aanvraag voor
                        een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten. </al><al>Het LBB zal, als er een advies is gevraagd, een nader onderzoek instellen en
                        een advies uitbrengen over de mate van gevaar, als bedoeld in artikel 3 van
                        de wet BIBOB. Uiteraard wordt de betrokkene, </al><al>in dit geval de aanvrager van de vergunning zelf onderzocht. Daarnaast wordt
                        onderzocht of deze misschien een relatie heeft tot strafbare feiten als
                        bedoeld in de wet BIBOB. Dit betekent dat ook andere personen kunnen worden
                        betrokken in het onderzoek. </al><al>In artikel 3 van de wet BIBOB is bepaald dat betrokkene in relatie staat tot
                        strafbare feiten als die feiten door een ander gepleegd zijn en deze
                        personen: </al><lijst><li nr="·"><al>direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan betrokkene,
                                dan wel</al></li><li nr="·"><al>zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over betrokkene, dan wel</al></li><li nr="·"><al>vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, dan
                                wel</al></li><li nr="·"><al>in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.</al></li></lijst><al>In het Aanvraagformulier Exploitatievergunning wordt daarom onder meer
                        gevraagd wie de leidinggevenden dan wel vermogensverschaffers van betrokkene
                        zijn en wat de wijze van financiering is. Al deze personen moeten er daarom
                        rekening mee houden dat zij onderworpen kunnen worden aan een
                        BIBOB-onderzoek. </al><al>Het LLB kan op grond van artikel 12 wet BIBOB in bepaalde gevallen contact
                        opnemen met de aanvrager om aanvullende vragen te stelen. Het LBB moet in
                        beginsel binnen vier weken adviseren aan het bestuursorgaan. Deze termijn
                        kan eenmaal met vier weken worden verlengd . Het LBB zal hiervan het
                        bestuursorgaan in kennis stellen. Het bestuursorgaan zal de aanvrager
                        hiervan op haar beurt in kennis stellen. De beslistermijn voor de gemeente
                        om te beslissen op de vergunningaanvraag wordt opgeschort gedurende de
                        adviestermijn van het Landelijk Bureau BIBOB. </al><al>Het advies van LBB kan drie uitkomsten hebben met betrekking tot de mate
                        gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB:</al><lijst><li nr="·"><al>er is <vet><cursief>geen </cursief></vet>sprake van gevaar;</al></li><li nr="·"><al>er is sprake van een <vet><cursief>mindere</cursief></vet>mate van
                                gevaar;</al></li><li nr="·"><al>er is sprake van een <vet><cursief>ernstige</cursief></vet>mate van
                                gevaar.</al></li></lijst><al>Het bestuursorgaan kan wanneer er sprake is van een mindere of ernstige mate
                        van gevaar op basis van artikel 3 van de wet BIBOB een vergunning weigeren
                        of intrekken wanneer er sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking mede
                        gebruikt zal worden voor: </al><lijst><li nr="1."><al>het benutten van voordelen uit strafbare feiten;</al></li><li nr="2."><al>het plegen van strafbare feiten;</al></li><li nr="3."><al>wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de
                                aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is
                                gepleegd.</al></li></lijst><al>Het bestuursorgaan kan het advies gebruiken ter motivering van een besluit.
                        Het ligt voor de hand dat de vergunning in het eerste geval zal worden
                        verleend. In het tweede en derde geval zal het bestuursorgaan een extra
                        afweging dienen te maken of de vergunning wordt geweigerd dan wel
                        ingetrokken of dat de vergunning onder extra voorschriften kan worden
                        verleend. Voor de inhoud van het besluit blijft het bestuursorgaan
                        verantwoordelijk.</al><al>Het bestuursorgaan zal, indien er het voornemen bestaat een negatieve
                        beslissing te nemen op grond van een BIBOB-advies, de betrokkene in de
                        gelegenheid stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, betrokkene kan
                        dan het BIBOB-advies inzien. Derden die genoemd zijn in de beslissing worden
                        aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 4:8 Awb en moeten,
                        indien te verwachten is dat zij hiertegen bedenkingen hebben, ook in de
                        gelegenheid worden gebracht om hun zienswijze naar voren te brengen. Derden
                        hebben overigens niet het recht om het advies in zijn geheel in te zien.
                        Tegen de uiteindelijke beslissing van het bestuursorgaan waarin een BIBOB-
                        advies is verwerkt kan bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>6.<vet>Termijnen</vet></al><al>De APV 2009 en de Drank- en Horecawet bevatten de termijnen waarbinnen een
                        besluit moet worden genomen op een vergunningaanvraag. De termijn van een
                        aanvraag gaat lopen op de dag dat een Aanvraagformulier
                        Exploitatievergunning wordt ingediend. Voor een exploitatievergunning
                        horecabedrijf geldt een reguliere beslistermijn van maximaal 12 weken. Deze
                        termijn kan eenmaal verlengd worden met maximaal 12 weken. Voor de
                        behandeling van een Drank- en Horecawetvergunning geldt een termijn van
                        maximaal 12 weken. </al><al>Als na het indienen van een Aanvraagformulier Exploitatievergunning de
                        bescheiden niet (volledig) zijn aangeleverd, krijgt de aanvrager dan wel
                        exploitant 14 dagen de gelegenheid deze aan te leveren. De aanvraag wordt
                        dan opgeschort tot de dag dat de aanvraag compleet is gemaakt. Na deze
                        termijnen dient alles compleet aangeleverd te zijn. Indien dit niet het
                        geval is, zal de aanvraag op grond van artikel 4.:5 van de Algemene wet
                        bestuursrecht buiten behandeling gesteld worden. </al><al>Mocht na aanleveren van het Aanvraagformulier Exploitatievergunning vanuit
                        de gemeente behoefte zijn aan aanvullende informatie, dan kunnen er extra
                        vragen gesteld worden aan de aanvrager. </al><al>Deze aanvullende vragen dienen binnen 14 dagen beantwoord te zijn. De
                        aanvraag wordt in de tussentijd opgeschort tot de dag dat de vragen
                        beantwoord zijn. Indien dit niet het geval is kan de aanvrager bij hoge
                        uitzondering nogmaals 14 dagen uitstel verleend worden om de vragen te
                        beantwoorden. Bij het niet tijdig beantwoorden van desbetreffende vragen zal
                        de aanvraag op grond van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling
                        worden gesteld. Deze handelwijze zal door de gemeente strikt worden
                        toegepast met het oog op de Wet dwangsom bij niet-tijdig beslissen. </al><al>Indien het gemeentebestuur een advies vraagt aan het LBB, dan heeft dat een
                        opschortende werking voor de vergunningaanvraag. De wet BIBOB regelt dat het
                        LBB binnen maximaal 4 weken een advies verstrekt. Indien de gemeente niet
                        alle benodigde informatie bij het LBB heeft aangeleverd dan wordt deze
                        termijn bij het LBB opgeschort tot de dag waarop de gegevens door de
                        gemeente zijn aangeleverd. Indien het LBB niet binnen 4 weken advies kan
                        uitbrengen dan kan deze termijn eenmalig met maximaal 4 weken worden
                        verlengd. </al><al>7.<vet>Vergunningverlening in afwachting advies Landelijk Bureau
                        BIBOB</vet></al><al>Wanneer het advies van het LBB langer dan 8 weken op zich laat wachten en de
                        bovengenoemde termijn dreigt overschreden te worden, kan besloten worden om
                        de vergunning te verlenen. </al><al>Het verlenen van de vergunning in afwachting van het BIBOB-advies van het
                        LBB kan alleen na </al><al>24 weken van indiening van de aanvraag. In de vergunning staat de volgende
                        passage vermeld:</al><al><vet><cursief>“</cursief></vet><cursief>Deze vergunning wordt u
                            vooruitlopend op het nog te ontvangen BIBOB-advies verleend. Indien het
                            Landelijk Bureau BIBOB advies uitbrengt waaruit blijkt dat er feiten
                            en/of omstandigheden zijn die erop wijzen of redelijkerwijs doen
                            vermoeden, dat ter verkrijging van de aangevraagde vergunning een
                            strafbaar feit wordt gepleegd, alsmede indien er enige mate of ernstig
                            gevaar bestaat, dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare
                            feiten te plegen, kan de vergunning introkken
                                worden.</cursief><vet><cursief>”</cursief></vet></al><al>Bij gelijktijdige behandeling van een exploitatievergunning en drank- en
                        horecavergunning wordt gestreefd naar gelijktijdige besluitvorming binnen de
                        uiterste wettelijke termijn. Het niet kunnen verstrekken van drank terwijl
                        een inrichting wel geopend mag zijn, heeft zowel voor de ondernemer </al><al>als voor de maatschappij weinig toegevoegde waarde. Indien de behandeling
                        van een BIBOB-adviesprocedure langer duurt dan beoogt, wordt in dergelijke
                        gevallen de vergunning voor de exploitatie en de drank- en horecavergunning
                        verleend, voorzien van dezelfde passage als hierboven genoemd. </al><al>8.<vet>Seksinrichtingen</vet></al><al>De APV 2009 regelt dat het exploiteren van een seksinrichting of
                        escortbedrijf (artikel 3:4 APV 2009) niet is toegestaan zonder een
                        vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. Een seksinrichting is geen
                        horecabedrijf in de zin van artikel 2:11 van de APV 2009. Momenteel is er in </al><al>Capelle aan den IJssel geen vergunningen verleend voor een seksinrichting of
                        escortbedrijf. </al><al>De gemeenteraad van Capelle aan den IJssel heeft zich in 2000 uitgesproken
                        over seksinrichtingen. De raad heeft bepaald dat in ieder geval in de
                        bestemmingsplannen “Rivium” en “Hoofdweggebied” een maximum aantal m²
                        aangewezen worden waar in principe de vestiging van seksinrichtingen is
                        toegestaan. De raad heeft tevens bepaald dat er maximaal één vergunning voor
                        een seksinrichting verleend mag worden. Het bestemmingsplan “Rivium” wordt
                        momenteel aangepast. Vooralsnog is het beginnen van een seksinrichting in
                        strijd met het bestemmingsplan. Als binnen het bestemmingsplan van Capelle
                        aan den IJssel de vestiging van een seksinrichting mogelijk wordt, kan er
                        bij de unit Handhaving en Vergunningen een aanvraag voor een vergunning voor
                        het exploiteren van een seksinrichting worden ingediend. </al><al>In dat geval zal de unit Handhaving en Vergunningen de aanvrager verzoeken
                        een Aanvraagformulier Exploitatievergunning in te vullen. Daarnaast zal de
                        unit Handhaving en Vergunningen onderzoek doen naar het al dan niet voldoen
                        aan de gedragseisen zoals geformuleerd in artikel 3:5 van de APV 2009. De
                        aanvrager dient daartoe op verzoek van de unit Handhaving en Vergunningen
                        aanvullende informatie aan te leveren die geen onderdeel uitmaken van het
                        Aanvraagformulier Exploitatievergunning. </al><al>9.<vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de bekendmaking.</al><al>10.<vet>Citeertitel</vet></al><al>De beleidsregel wordt aangehaald als: <vet><cursief>BIBOB-beleidsregel
                                horecabranche 2011</cursief></vet>.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld op 29 november 2011.</ondertekening><ondertekening>Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>G.Kruijt. J.F. Koen.</ondertekening><ondertekening>De burgemeester voornoemd,</ondertekening><ondertekening>J.F. Koen.</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>