<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122707_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening bodemsanering 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening bodemsanering 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 en 154 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 28, 29, 37, 38, 39, 39c, 39d, 40, 52, 54, 88 en 96 van de Wet bodembescherming</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 15/2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening bodemsanering november 2009</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de verordening bodemsanering Schiedam 2007 (VR 107/2007) van 27 september 2007. In de Wet bodembescherming is bepaald dat de gemeente belast is met de uitvoering van bodemonderzoek en bodemsanering, het vaststellen van de ernst van een geval van bodemverontreiniging, de noodzaak van spoedige sanering, het instemmen met een saneringsplan, het instemmen met een evaluatieverslag van een uitgevoerde sanering en het beoordelen van nazorgplannen van de binnen haar grondgebied gelegen gevallen van bodemverontreiniging.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening bodemsanering 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1"><al><cursief>Wet</cursief>: Wet bodembescherming (Wbb);</al><al/></li><li nr="2"><al><cursief>Nader bodemonderzoek</cursief>: onderzoek met betrekking
                                tot de vraag of een geval van verontreiniging een geval van ernstige
                                bodemverontreiniging is (artikel 29 Wbb) en in hoeverre daarbij
                                sprake is van humane risico’s, verspreidingsrisico’s en ecologische
                                risico’s (artikel 37 Wbb);</al><al/></li><li nr="3"><al><cursief>saneringsplan</cursief>: plan zoals bedoeld in artikel 39
                                Wbb;</al><al/></li><li nr="4"><al><cursief>saneringsverslag</cursief>: schriftelijk verslag van de
                                uitvoering van de sanering of een fase van de sanering, zoals
                                bedoeld in artikel 39c Wbb;</al><al/></li><li nr="5"><al><cursief>nazorgplan</cursief>: plan zoals bedoeld in artikel 39d
                                Wbb, waarin gebruiksbeperkingen en/of nazorgmaatregelen worden
                                beschreven, inclusief een kostenbegroting van de
                                nazorgmaatregelen;</al><al/></li><li nr="6"><al><cursief>het bevoegd gezag</cursief>: het college van burgemeester
                                en wethouders in haar hoedanigheid van bevoegd gezag Wbb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Procedure bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Rapportages inzake een <cursief>nader bodemonderzoek, een saneringsplan,
                                een saneringsverslag en/of een nazorgplan</cursief> worden voor de
                            toepassing van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt als een
                            aanvraag tot het nemen van een beschikking als bedoeld in artikel 1:3,
                            derde lid van die wet, als deze vergezeld gaan van een daartoe bestemd
                            meldingsformulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de voorbereiding van een beschikking op een <cursief>(nader)
                                bodemonderzoek, een saneringsplan, een saneringsverslag en op een
                                nazorgplan </cursief>wordt standaard de in Titel 4.1 Awb geregelde
                            (verkorte) procedure gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al><cursief>Het bevoegd gezag</cursief> kan op verzoek van de aanvrager dan
                            wel zelf, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat sprake zal
                            zijn van een complexe belangenafweging, waarbij veel belanghebbenden hun
                            zienswijzen naar voren willen brengen, besluiten dat afdeling 3:4 Awb
                            wordt toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien <cursief>het bevoegd gezag</cursief> toepassing geeft aan het
                            tweede lid, vermelden zij dit in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28,
                            vijfde lid, van de <cursief>Wet</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een locatiebeheersplan, een raamsaneringsplan of een deelsaneringsplan
                            worden behandeld in overeenstemming met het eerste tot en met het vierde
                            lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Bodemsanering door of in opdracht van de gemeente of het bevoegd
                            gezag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met uitzondering van het tweede en derde lid geldt hetgeen in deze
                            verordening is geregeld, onverminderd voor de gemeente (in
                            privaatrechtelijke zin) of als bevoegd gezag (in publiekrechtelijke
                            zin), indien zij overgaan tot bodemonderzoek en of sanering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op de voorbereiding van een beschikking op een <cursief>(nader)
                                bodemonderzoek, een saneringsplan, een saneringsverslag en op een
                                nazorgplan</cursief> wordt standaard afdeling 3:4 Awb
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan besluiten dat afdeling 3.4 van de Awb niet wordt
                            toegepast, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de
                            toepassing van die afdeling geen behoefte bestaat. Het college vermeldt
                            de toepassing hiervan in de kennisgeving, bedoeld in artikel 28, vijfde
                            lid, van de <cursief>Wet</cursief>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Wijze van melden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor een melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid van de
                                <cursief>Wet</cursief>, evenals bij de indiening van een
                                <cursief>nader bodemonderzoek</cursief>, een
                                <cursief>saneringsplan</cursief>, een
                                <cursief>evaluatieverslag</cursief> of een
                                <cursief>nazorgplan</cursief> wordt gebruik gemaakt van een daartoe
                            bestemd meldingsformulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het meldingsformulier wordt volledig ingevuld en voorzien van alle
                            onderliggende stukken (zoals aangegeven op het meldingsformulier) in
                            enkelvoud ingediend bij burgemeester en wethouders van Schiedam, Postbus
                            1501, 3100 EA Schiedam.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een <cursief>(nader) bodemonderzoek</cursief>, een
                                <cursief>saneringsplan</cursief>, een
                                <cursief>evaluatieverslag</cursief> of een <cursief>Nazorgplan
                            </cursief>wordt in drievoud bij het college ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het <cursief>nader bodemonderzoek</cursief> mag bij indiening niet ouder
                            zijn dan 4 jaar. <cursief>Het bevoegd gezag</cursief> kan, op grond van
                            representativiteit van de gegevens, besluiten tot een andere
                            termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Inhoud saneringsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39, eerste lid, van de
                            Wbb en artikel 4 van deze verordening aan <cursief>het
                                saneringsplan</cursief> worden gesteld, worden in <cursief>het
                                saneringsplan</cursief> de gegevens vermeld die zijn opgenomen in
                            bijlage 1 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd artikel 39, eerste lid, van de <cursief>Wet</cursief> kan
                            het vermelden in <cursief>het saneringsplan</cursief> van gegevens, als
                            bedoeld in het eerste lid achterwege blijven, indien naar het oordeel
                            van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de indiening van het plan duidelijk is aangegeven welke
                                    gegevens ontbreken;</al></li><li nr="b."><al>deugdelijk gemotiveerd wordt aangegeven waarom die gegevens
                                    ontbreken, en</al></li><li nr="c."><al>die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van
                                        <cursief>het saneringsplan</cursief>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al><cursief>Een saneringsplan</cursief> is maximaal 4 jaar geldig vanaf de
                            dag waarop door <cursief>het bevoegd gezag</cursief> is ingestemd met
                                <cursief>het saneringsplan</cursief>. <cursief>Het bevoegd
                                gezag</cursief> kan, op grond van representativiteit van de
                            gegevens, besluiten tot een andere termijn. Indien na 4 jaar nog geen
                            aanvang is gemaakt met de feitelijke sanering, moet in ieder geval
                            worden overlegd met <cursief>het bevoegd gezag</cursief> in hoeverre er
                            een actualisatie onderzoek moet plaatsvinden naar de
                            verontreinigingsituatie. <cursief>Het bevoegd gezag</cursief> kan nadere
                            eisen stellen aan de wijze waarop dit actualisatie onderzoek moet
                            plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de instemming op <cursief>het saneringsplan</cursief> kan
                                <cursief>het bevoegd gezag</cursief> besluiten dat, indien de
                            grondwatersanering langer duurt dan de grondsanering, twee afzonderlijke
                            saneringsverslagen moeten worden ingediend, waarbij eerst wordt
                            gerapporteerd over de sanering van de grond en – op een later tijdstip –
                            over de sanering van het grondwater.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>De uitvoering van de sanering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De beschikking op <cursief>het saneringsplan</cursief> dient ten tijde
                            van saneren op het werk aanwezig te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene(n) die de sanering feitelijk uitvoert, moet voldoen aan de eisen
                            die het Besluit Uitvoeringskwaliteit bodembeheer verbindt aan de
                            personen en instanties die betrokken zijn bij de feitelijke
                            sanering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de locatie moet duidelijk zichtbaar van buiten de locatie zijn
                            aangegeven: naam en telefoonnummer van de uitvoerder, directievoerder en
                            de milieukundige begeleider.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De saneringslocatie en de depots moeten zo veel als redelijkerwijs
                            mogelijk is door middel van een hekwerk te zijn omgeven. Na het
                            beëindigen van de dagelijkse werkzaamheden dient het hekwerk te worden
                            afgesloten. De omheining moet aan de buitenzijden zijn voorzien van
                            duidelijk leesbaar opschrift, luidende: “VERBODEN TOEGANG VOOR
                            ONBEVOEGDEN”.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Partijen (verontreinigde) grond dienen naar aard, samenstelling en
                            verontreiniging gescheiden te blijven. Bij (tijdelijke) opslag van te
                            onderscheiden verontreinigde partijen grond dient een afstand van ten
                            minste één meter te worden aangehouden of een fysieke scheiding(swand)
                            te worden aangebracht. Opslag van sterk verontreinigde grond is alleen
                            toegestaan binnen de contouren van deze sterke verontreinigde bodem of
                            elders binnen de saneringslocatie als aanvullende maatregelen worden
                            genomen om vermenging met of besmetting van schonere grond te
                            voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het werken in of met grond dient op een zodanige wijze te gebeuren dat
                            geen verwaaiing en/of verstuiving kan plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien van toepassing dient op de saneringslocatie een reinigingsplaats
                            voor voertuigen ingericht te zijn. Voordat vervoermiddelen de
                            saneringslocatie verlaten, dienen deze op deze reinigingsplaats te
                            worden ontdaan van grond en andere bodemmaterialen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Vervoermiddelen die de saneringslocatie (op en) afrijden, dienen zodanig
                            te zijn geladen en afgedekt dat tijdens het transport (naar en) van de
                            saneringslocatie geen lading kan worden afgeschud, dan wel op andere
                            wijze verspreiding buiten de locatie kan optreden van grond en andere
                            bodemmaterialen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Meldingsplichten in verband met de uitvoering van de sanering</titel></kop><al>1. De in dit artikel opgenomen meldingen dienen te worden verricht door
                        degene die saneert dan wel degene die feitelijk leiding geeft aan de
                        uitvoering van een sanering.</al><al>2<onderstreept>. Melding start sanering:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering
                                of de grondwatersanering dient de aanvangsdatum te worden gemeld.
                                Voor deze melding wordt gebruik gemaakt van een daartoe bestemd
                                formulier ‘melding start (deel)sanering’.</al></li><li nr="b."><al>Het verwijderen van ondergrondse opslagtanks wordt apart vooraf
                                gemeld.</al></li><li nr="c."><al>Indien de grondsanering en/of de grondwatersanering niet zal worden
                                gestart op de overeenkomstig onder punt a gemelde aanvangsdatum of
                                de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, dient dit met
                                redenen omkleed onverwijld te worden gemeld onder opgaaf van een
                                nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment
                                nog niet bekend is, dient de nieuwe aanvangsdatum minimaal 2 weken
                                voor deze datum te worden gemeld.</al></li></lijst><al>4. <onderstreept>Melding wijziging saneringsplan:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Iedere wijziging van <cursief>het saneringsplan</cursief>,
                                voorafgaande en tijdens de feitelijke uitvoering van de sanering,
                                wordt terstond (binnen 24 uur na vaststelling van een verandering)
                                gemeld.</al></li><li nr="b."><al>Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="-"><al>de reden van de verandering;</al></li><li nr="-"><al>de inhoud van de verandering;</al></li><li nr="-"><al>de gevolgen (en milieuhygiënische risico’s) van de
                                        verandering voor de oorspronkelijke beoogde
                                        saneringsdoelstelling en </al></li><li nr="-"><al>ter uitvoering daarvan de te treffen saneringsmaatregelen en
                                        in hoeverre daarbij rekening wordt gehouden met belangen van
                                        derden.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Het onverwacht aantreffen van asbesthoudend(e) afval of grond dan
                                wel andere vormen van bodemverontreiniging dient direct te worden
                                gemeld.</al></li><li nr="d."><al>Voor de reikwijdte van het begrip ‘wijziging’, is door burgemeester
                                en wethouders de beleidsregel ‘wijzigingen op een saneringsplan’
                                opgesteld.</al></li></lijst><al>5 <onderstreept>Melding einddiepte sanering:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond
                                plaatsvindt, dient het tijdstip waarop over het gehele gebied van de
                                ontgraving de einddiepte zal worden bereikt te worden gemeld, zodra
                                van dat tijdstip een redelijk vermoeden bestaat en voordat tot
                                aanvulling van de ontgraving wordt overgegaan. </al></li><li nr="b."><al>Voor deze melding wordt gebruik gemaakt van een daartoe bestemd
                                formulier ‘melding einddiepte (deel)sanering’.</al></li><li nr="c."><al>Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes gelden voornoemde
                                verplichtingen tot melding per gedeelte.</al></li></lijst><al>6 <onderstreept>Melding einde sanering:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>De beëindiging van de grondsanering en/of de grondwatersanering
                                dient binnen een week na beëindiging van de grondsanering en/of de
                                grondwatersanering te worden gemeld.</al></li><li nr="b."><al>Voor deze melding wordt gebruik gemaakt van een daartoe bestemd
                                formulier ‘melding einde (deel)sanering’.</al></li><li nr="c."><al>Indien sprake is van een grondsanering en/of de grondwatersanering,
                                waarbij door burgemeester en wethouders is ingestemd met een aanpak
                                in overeenstemming met artikel 38, derde lid, van de
                                    <cursief>Wet</cursief>, wordt de beëindiging van ieder
                                afzonderlijke fase op de onder punt a beschreven wijze gemeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Strafbaarstelling meldingsplichten</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij artikel 7 is een strafbaar feit en kan
                        worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een
                        geldboete van de tweede categorie.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Milieukundige begeleiding</titel></kop><al/><al>De saneringswerkzaamheden worden milieukundig begeleid door personen die
                        voldoen aan de eisen die het Besluit Uitvoeringskwaliteit Bodembeheer aan
                        die personen verbindt, tenzij sprake is van een saneringsaanpak, die bestaat
                        uit het aanbrengen van een duurzaam aaneengesloten afdeklaag of
                        verhardingslaag, zonder dat sprake is van ontgraving van verontreinigde
                        grond, of het aanbrengen van een leeflaag met een op de gebruiksfunctie
                        afgestemde dikte en kwaliteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Het saneringsverslag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Uiterlijk 15 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden of na de
                            beëindiging van een fase van de sanering dient <cursief>het
                                (deel)saneringsverslag</cursief> aan burgemeester en wethouders te
                            worden overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Uiterlijk 15 weken na ontvangst van <cursief>het
                                saneringsverslag</cursief> nemen burgemeester en wethouders een
                            beslissing betreffende de beoordeling van <cursief>het
                                saneringsverslag</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39 c eerste lid, van de
                                <cursief>Wet </cursief>bodembescherming en artikel 4 van deze
                            verordening worden gesteld aan <cursief>het saneringsverslag</cursief>,
                            worden hierin de gegevens vermeld die zijn opgenomen in bijlage 2 van
                            deze verordening:</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd artikel 39c van de <cursief>Wet</cursief> kan het vermelden
                            in het evaluatieverslag van gegevens, als bedoeld in het derde lid
                            achterwege blijven, indien naar het oordeel van het college:</al><lijst><li nr="-"><al>bij de indiening van het plan duidelijk is aangegeven welke
                                    gegevens ontbreken;</al></li><li nr="-"><al>deugdelijk gemotiveerd wordt aangegeven waarom die gegevens
                                    ontbreken, en</al></li><li nr="-"><al>die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het
                                    evaluatieverslag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Het nazorgplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven
                            en in <cursief>het saneringsverslag</cursief> is aangegeven dat
                            beperkingen in het gebruik van de bodem of zorgmaatregelen noodzakelijk
                            zijn, dient <cursief>een nazorgplan</cursief> te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al><cursief>Een nazorgplan</cursief> wordt bij het college ingediend,
                            gelijktijdig met of uiterlijk binnen zes weken na de toezending van het
                            evaluatieverslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd de eisen, die op grond van artikel 39 d van de
                                <cursief>Wet</cursief> en artikel 4 van deze verordening aan
                                <cursief>het nazorgplan</cursief> worden gesteld, worden in
                                <cursief>het nazorgplan</cursief> de gegevens vermeld die zijn
                            opgenomen in bijlage 3 van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                                Bodemsanering Schiedam 2009”.</al></li><li nr="2"><al>Een fase van een sanering als bedoeld in artikel 2.1 van deze
                                verordening, die reeds in uitvoering is op het moment dat deze
                                verordening in werking treedt, wordt overeenkomstig de regeling
                                waaronder deze fase is gestart, afgehandeld.</al></li><li nr="3"><al>Bij het voorbereiden van een nieuwe fase van een sanering in het
                                project is de Verordening Bodemsanering Schiedam 2009 van
                                toepassing.</al></li><li nr="4"><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening
                                Bodemsanering Schiedam (VR 2007/107) ingetrokken.</al></li><li nr="5"><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag volgend op de
                                dag waarop deze verordening is bekend gemaakt.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 februari 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, J. Gordijn</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, W.M. Verver-Aartsen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop><vet>Bijlage 1 Aanvullende gegevens voor het
                    saneringsplan</vet></tussenkop><al/><tussenkop>Algemene gegevens:</tussenkop><al/><lijst><li nr="a."><al>een korte samenvatting van de gegevens over het huidig en toekomstig
                            gebruik van de bodem, bodemopbouw, geohydrologie, de situering van
                            kabels en leidingen, de bebouwingsituatie van de directe omgeving en de
                            hierbij behorende informatie over de fundering.</al></li><li nr="b."><al>de naam en het adres van degenen die een zakelijk of een persoonlijk
                            recht hebben op het grondgebied, bedoeld onder a, evenals van de
                            gebruiker(s) daarvan.</al></li><li nr="c."><al>een beschrijving van eventuele herinrichtingsplannen, bouwplannen en/of
                            grondverzet in relatie tot de te verrichten werkzaamheden.</al></li><li nr="d."><al>een situatietekening op schaal met de begrenzing van het
                            saneringsterrein.</al></li><li nr="e."><al>een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken
                            bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van
                                <cursief>het saneringsplan</cursief> bekend zijn.</al></li><li nr="f."><al>het tijdstip waarop met de sanering of handeling zal worden begonnen en
                            het tijdstip waarop de sanering of handeling naar verwachting zal zijn
                            beëindigd.</al></li><li nr="g."><al>een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en instemmingen
                            om het werk te kunnen uitvoeren.</al></li><li nr="h."><al>de voorgenomen meetmomenten ter controle op de voortgang van de sanering
                            en de voorgenomen controle op het bereikte eindresultaat.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Keuze saneringsvariant:</tussenkop><lijst><li nr="h."><al>de gekozen saneringsvariant moet blijken uit een saneringsonderzoek
                            waarin gemotiveerd is aangegeven waarom deze variant het meest geschikt
                            is en wat het saneringsresultaat zal zijn.</al></li><li nr="i."><al>indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd: de voorgenomen fasering,
                            evenals het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, derde lid,
                            van de <cursief>Wet</cursief>.</al></li><li nr="j."><al>indien slechts een deel van de verontreiniging wordt verwijderd of
                            verplaatst: het gemotiveerd verzoek om een besluit te nemen op grond van
                            artikel 40, eerste lid, van de <cursief>Wet</cursief>.</al></li><li nr="k."><al>indien de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en
                            plant heeft, niet worden hersteld: de argumentatie op grond waarvan dat
                            niet gebeurt.</al></li></lijst><tussenkop>De te nemen maatregelen:</tussenkop><al/><lijst><li nr="l."><al>een beschrijving van de wijze waarop de gekozen saneringsvariant zal
                            worden uitgevoerd.</al></li><li nr="m."><al>een beschrijving van de effecten die met de te treffen
                            saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere
                            beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering wordt
                            bereikt.</al></li><li nr="n."><al>een motivatie welke marges de saneerder hanteert in zijn/haar
                            geformuleerde doelstellingen en in de controle/voortgangsmetingen
                            daartoe, dit met het oog om meldingen van marginale veranderingen van
                            saneringsplannen zoveel mogelijk te voorkomen (zie ook de beleidsregel
                            voor wijzigingen van een saneringsplan).</al></li><li nr="o."><al>een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten
                            maken.</al></li><li nr="p."><al>een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en technische
                            voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de
                            omgeving.</al></li><li nr="q."><al>een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische
                            aspecten.</al></li><li nr="r."><al>een beschrijving van de maatregelen die milieuhygiënisch ongewenste
                            effecten en overlast als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel
                            mogelijk beperken.</al></li><li nr="s."><al>gegevens over de kwaliteit van de eventueel te gebruiken
                            aanvulgrond.</al></li><li nr="t."><al>gegevens over de bestemming van de overige verontreinigende
                            stoffen/materialen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de
                            sanering.</al></li><li nr="u."><al>indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd
                            grondwater zal worden onttrokken:</al><lijst><li nr="-"><al>de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te
                                    onttrekken hoeveelheid grondwater;</al></li><li nr="-"><al>een omschrijving van de bestemming van die grond of dat
                                    grondwater, waarbij wordt ingegaan op de mogelijkheden om op een
                                    milieuhygiënisch verantwoorde wijze de grond of het grondwater
                                    te verwerken;</al></li><li nr="-"><al>indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet
                                    zal worden gereinigd: de redenen hiervoor;</al></li><li nr="-"><al>een beschrijving van voorzieningen en (tussentijdse) gronddepots
                                    en de aanduiding van de ligging ervan op een situatietekening op
                                    schaal.</al></li></lijst></li><li nr="v."><al>een totale grondbalans, inclusief de oude en nieuwe maaiveldhoogten ten
                            opzichte van NAP.</al></li><li nr="w."><al>een beschrijving van de wijze waarop periodiek de voortgang van de
                            grond- en grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de
                            voortgang tot het beoogde saneringsresultaat in relatie tot het tijdspad
                            wordt gerapporteerd aan burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="x."><al>een beschrijving van de werkzaamheden op grond waarvan burgemeester en
                            wethouders nadien bij het evaluatieverslag kunnen beoordelen of de
                            sanering volgens plan is uitgevoerd, tot welke werkzaamheden in ieder
                            geval behoren:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding
                            plaatsvindt en op welke momenten tijdens de sanering de milieukundig
                            begeleider, in afwijking op het Normdocument <cursief>SIKB
                                6000</cursief>, niet aanwezig is/hoeft te zijn op locatie;</al></li><li nr="-"><al>het opstellen van een ontgravingkaart en een
                            grondwateronttrekkingkaart.</al></li><li nr="y"><al>een uitgewerkt faalscenario dat bij mobiele verontreinigingen voorziet
                            in aanvullende maatregelen, wanneer uit de voortgangsrapportage(s)
                            blijkt dat het beoogde saneringsresultaat binnen de gestelde tijdsduur
                            van de sanering niet haalbaar is.</al></li></lijst><tussenkop>Financiële gegevens:</tussenkop><al>z. Een begroting van de kosten van onderzoek en sanering alsmede inzicht in de
                    samenloop met bouwkosten.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 2 Aanvullende gegevens voor het saneringsverslag</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>samenvatting van de tijdens de sanering vastgestelde
                            verontreinigingsituatie, de bodemopbouw en de geohydrologie.</al></li><li nr="b."><al>opsomming van verleende vergunningen, gedane meldingen en verstrekte
                            afvalstroomnummers die van belang zijn voor de uitvoering van de
                            sanering (ook meldingen aan arbeidsinspectie, bouwstoffenbesluit
                            etc.).</al></li><li nr="c."><al>data van uitvoering van de grondsanering en de start en einddatum van de
                            periode van grondwatersanering/bodemluchtonttrekking waarop <cursief>het
                                saneringsverslag</cursief> betrekking heeft, evenals de totale duur
                            van de grondwatersanering.</al></li><li nr="d."><al>beschrijving van de voorbereidende werkzaamheden, zoals sloop van
                            opstallen, inrichting van werkterrein.</al></li><li nr="e."><al>maatregelen voor kabels en leidingen.</al></li><li nr="f."><al>beschrijving van de uitgevoerde bodemsaneringtechnieken.</al></li><li nr="g."><al>wijze van bemalen en zuiveren van het grondwater voor ontgraving in den
                            droge (filterstelling, debiet, gemeten invloed op de omgeving zoals
                            zettingen en influentconcentraties).</al></li><li nr="h."><al>overzicht van de herkomst van de grond, de hoeveelheid vrijgekomen grond
                            en de bestemming daarvan (inclusief de wijze van verwerking en
                            afvalstroomnummers).</al></li><li nr="i."><al>overzicht van de hoeveelheden overige vrijgekomen materialen (zoals
                            eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en ondergrondse tanks) en
                            hun bestemmingen.</al></li><li nr="j."><al> inrichting van gronddepot(s), waarbij een overzicht wordt gegeven van
                            de herkomst van de grond, de hoeveelheid en de kwaliteit.</al></li><li nr="k."><al> uiteindelijke invulling van de grondbalans uit <cursief>het
                                saneringsplan</cursief> en een verklaring van de verschillen uit
                                <cursief>het saneringsplan</cursief>.</al></li><li nr="l."><al>beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen ten
                            opzichte van de in <cursief>het saneringsplan</cursief> beschreven
                            (uitgangs)situatie of prognose en de reden daarvan.</al></li><li nr="m."><al>dimensionering, werking en verzamelde afvalstromen in geval van in-situ
                            sanering van de grond.</al></li><li nr="n."><al>wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van grondwater en lucht bij
                            in-situtechnieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten
                            verontreiniging). </al></li><li nr="o."><al>bespreking van analyseresultaten (inclusief labstaten) en plaatsbepaling
                            van controlemonsters, depotmonsters, monsters afgevoerde grond e.d. en
                            de consequenties daarvan.</al></li><li nr="p."><al>certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond en steenachtige
                            bouwmaterialen.</al></li><li nr="q."><al>bespreking van analyseresultaten van grondwatermonsters uit peilbuizen
                            (inclusief plaatsbepaling van peilbuizen en labstaten), dan wel
                            influentmonsters voor het volgen van het verloop van de sanering.</al></li><li nr="r."><al>risico evaluatie van eventuele restverontreiniging (en de noodzaak voor
                            het opstellen van een separaat <cursief>nazorgplan</cursief>).</al></li><li nr="s."><al>aard en omvang gebruiksbeperkingen en wie verantwoordelijk is met
                            betrekking tot de naleving daarvan.</al></li><li nr="t."><al>certificaten met betrekking tot gesaneerde (ondergrondse) tanks en
                            afvoerbewijzen van eventueel vrijgekomen gevaarlijke afvalstoffen (zoals
                            sludge), inclusief afvalstroomnummers en bestemming.</al></li><li nr="u."><al>wie de milieukundige begeleiding heeft gedaan, inclusief certificaat
                            alsmede een verklaring van de milieukundig begeleider op welke momenten
                            hij/zij bij de sanering aanwezig was en of is voldaan aan de
                            doelstellingen van de bodemsanering zoals die zijn geformuleerd in
                                <cursief>het saneringsplan</cursief>.</al></li><li nr="v."><al>locatiekaart met de begrenzing van het saneringsterrein.</al></li><li nr="w."><al>kadastrale tekeningen waarop de eventuele restverontreiniging in de
                            grond dan wel het grondwater is weergegeven.</al></li><li nr="x."><al>lijst van klachten en calamiteiten tijdens de uitvoering en de
                            afhandeling hiervan.</al></li><li nr="y."><al>ontgravingskaart waarop is weergegeven:</al><lijst><li nr="-"><al>ontgraven gebied, ontgravingsdiepten, talud, folies en
                                    isolatievoorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>civieltechnische voorzieningen (damwanden etc.);</al></li><li nr="-"><al>locatie van bemaling en lozingspunt tijdens de
                                    grondsanering;</al></li><li nr="-"><al>genomen grondmonsters van putwand en putbodem;</al></li><li nr="-"><al>aard en omvang restverontreinigingen (grond). </al></li></lijst></li></lijst><al/><al>De ontgravingskaart dient te zijn voorzien van een eenduidige maatvoering en
                    onderling vergelijkbare hoogteniveaus, voor, tijdens en na de sanering.</al><lijst><li nr="z."><al>grondwateronttrekkingkaart waarop is weergegeven:</al><lijst><li nr="-"><al>de plaats van het onttrekkingsysteem voor grondwatersanering of
                                    in-situ sanering;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van peilbuizen;</al></li><li nr="-"><al>de ligging van drains, pompen, folies en
                                    isolatievoorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van het zuiverings- en lozingspunt.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 3 Aanvullende gegevens voor het
                    nazorgplan</tussenkop><tussenkop>A. Algemene gegevens</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>overzicht van betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval
                            behoren: namen adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden.</al></li><li nr="b."><al>indien een ander dan de saneerder in <cursief>het nazorgplan</cursief>
                            wordt belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: een verklaring
                            waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt.</al></li></lijst><tussenkop>B. Aanvangssituatie</tussenkop><lijst><li nr="c."><al>globale beschrijving van de sanering en de reden voor het achterblijven
                            van verontreiniging.</al></li><li nr="d."><al>beschrijving van de soort, omvang, mate en situering op kaart van de
                            restverontreiniging van grond en grondwater.</al></li><li nr="e."><al>beschrijving locatie en omgeving: bodemopbouw, geohydrologie en
                            aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving.</al></li><li nr="f."><al>een kabel- en leidingenkaart.</al></li></lijst><tussenkop>C. Nazorgmaatregelen</tussenkop><lijst><li nr="g."><al>doelstelling nazorg.</al></li><li nr="h."><al>beschrijving van nazorgmaatregelen en -voorzieningen, alsmede de
                            verwachte levensduur daarvan en de vervangingsfrequentie, inclusief,
                            indien van toepassing,</al><lijst><li nr="-"><al>een kaart met daarop onder meer de ligging van signaleringsdoek
                                    (doorsnede), isolerende voorzieningen, onttrekkingsmiddelen en
                                    controlemeetpunten (peilbuizen);</al></li><li nr="-"><al>een grondwateronttrekkingkaart met noordpijl en
                                    grondwaterstromingsrichting waarop onder meer zijn aangegeven:
                                    de ligging van drains en pompen en de invloed van de onttrekking
                                    op de omgeving (isohypsen).</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>indien de (rest)verontreiniging wordt geïsoleerd:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze waarop de instandhouding van de isolerende
                                    voorzieningen wordt gewaarborgd en gecontroleerd;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het
                                    isoleren van de verontreiniging wordt beheerd;</al></li><li nr="-"><al>de relatie tussen de restverontreiniging en eventuele
                                    gebruiksbeperkingen.</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>indien de (rest)verontreiniging wordt gemonitoord:</al><lijst><li nr="-"><al>een monitoringsplan met bemonsteringsfrequentie, analysepakket,
                                    achtergrondwaarden, signaal- en actiewaarden, meetmomenten en
                                    verwachtte tijdsduur;</al></li><li nr="-"><al>een weergave van de te verwachten mobiliteit/verspreiding;</al></li><li nr="-"><al>plaats en filterstelling monitoringspeilbuizen;</al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop het huidige en toekomstige ruimtegebruik de
                                    monitoring Beïnvloedt.</al></li></lijst></li><li nr="k."><al>een beschrijving van de gebruiksbeperkingen, met bijbehorend
                            kaartmateriaal.</al></li><li nr="l."><al>een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten, waarbij een
                            aanspreekpunt wordt georganiseerd.</al></li><li nr="m."><al>een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen
                            om het werk te kunnen uitvoeren.</al></li><li nr="n."><al>een beschrijving van de te nemen maatregelen bij overschrijding van
                            signaalwaarden.</al><al/><al/></li><li nr=""><al><cursief>D. Rapportage en evaluatie</cursief></al></li><li nr="o."><al>De tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan <cursief>het
                                bevoegd gezag</cursief> verslag wordt gedaan.</al><al/></li></lijst><tussenkop>E. Financiële aspecten</tussenkop><al>p. Een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen inclusief de eventueel
                    noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen.</al><al/><al><vet>TOELICHTING BIJ DE VERORDENING BODEMSANERING SCHIEDAM 2010</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 15 mei 1994 is de eerste fase van de <cursief>Wet</cursief> houdende
                    uitbreiding van de <cursief>Wet</cursief> met een regeling inzake de sanering
                    van de bodem (Stb. 1994, 331), kortweg: de saneringsregeling ex Wbb, in werking
                    getreden. De Interimwet bodemsanering is per die datum vervallen. De tweede fase
                    van eerstgenoemde <cursief>Wet</cursief> is op 1 januari 1995 in werking
                    getreden. Op basis van deze <cursief>Wet</cursief> hebben naast de provincies
                    toentertijd de grote vier gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht)
                    op dit beleidsveld een provinciale status verkregen. </al><al>Na 1995 hebben er op het gebied van bodemsanering nog tal van ingrijpende
                    ontwikkelingen plaatsgevonden, die met name zijn ingegeven door de landelijke
                    beleidsvernieuwing (BEVER). Deze ontwikkelingen houden onder meer in dat
                    provinciale taken en bevoegdheden zijn gedecentraliseerd naar de rechtstreekse
                    gemeenten. Voor Schiedam betekent dit dat vanaf 1 januari 2004 burgemeester en
                    wethouders <cursief>bevoegd gezag</cursief> Wbb zijn voor het grondgebied van
                    Schiedam. De gemeenteraad van de gemeente Schiedam heeft de bevoegdheid om
                    nadere regels te stellen bij het uitvoeren van bodemonderzoek en -sanering. Deze
                    bevoegdheid is terug te lezen in de diverse artikelen in de
                        <cursief>Wet</cursief> (zoals art 39. eerste lid onder 2 Wbb). Tevens heeft
                    de gemeenteraad de bevoegdheid om aan burgemeester en wethouders op te dragen
                    nadere eisen te stellen aan gegevens die in een
                    <cursief>saneringsplan</cursief>, <cursief>saneringsverslag</cursief> of
                        <cursief>nazorgplan</cursief> moeten worden opgenomen. Daarnaast worden in
                    onderhavige verordening regels gesteld met betrekking tot het doen van een
                    melding op grond van artikel 28 Wbb.</al><al>Een melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen (als bedoeld in
                    artikel 39b Wbb) valt niet onder de reikwijdte van deze verordening. Het betreft
                    kleinschalige uniforme saneringen. Voor deze meldingen geldt een aparte
                    verplichte procedure die nader is geregeld in de Regeling Uniforme Saneringen.
                    Dit betreft een landelijke regeling die de status heeft van een Algemene
                    maatregel van bestuur (AmvB). </al><tussenkop>Structuur</tussenkop><al>Het beleid rond de aanvullende eisen die <cursief>het bevoegd gezag</cursief>
                    kan en mag stellen op grond van de <cursief>Wet</cursief> kent de volgende
                    getrapte structuur:</al><lijst><li nr="a."><al>Verordening Bodemsanering Schiedam 2009; vastgesteld door de Raad;</al></li><li nr="b."><al>Nadere uitwerking van de verordening in de betreffende
                            meldingsformulieren en Beleidsregels.</al></li></lijst><al>Op grond van de Gemeentewet heeft de Raad als enig orgaan binnen de gemeente de
                    bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen. In de verordening worden de
                    procedurele en inhoudelijke eisen vastgelegd waarbij aan het College de verdere
                    uitwerking daarvan wordt opgedragen. Deze nadere uitwerking vindt plaats aan de
                    hand van meldingsformulieren en beleidsregels voor de afzonderlijke fasen. Voor
                    deze wijze wordt gekozen omdat hiermee flexibiliteit kan worden geboden om
                    betrekkelijk snel bepaalde aanvullende eisen aan te passen of toe te voegen,
                    zodat binnen een korte periode kan worden ingespeeld op onvoorziene
                    omstandigheden en voortschrijdend inzicht in ondermeer saneringswijze en
                    -technieken.</al><al>Als nadere uitwerking van de verordening zijn de volgende meldingsformulieren
                    beschikbaar via de gemeentelijke website:</al><lijst><li nr="·"><al>Meldingsformulier Wet bodembescherming, versie 2 van augustus 2009;</al></li><li nr="·"><al>Meldingsformulier start (deel)sanering, versie 2 van augustus 2009;</al></li><li nr="·"><al>Meldingsformulier einddiepte (deel)sanering, versie 2 van augustus
                            2009;</al></li><li nr="·"><al>Meldingsformulier einde (deel)sanering, versie 2 van augustus 2009.</al></li></lijst><al>Als nadere uitwerking van de verordening is de volgende beleidsregel
                    gepubliceerd en beschikbaar via de gemeentelijke website:</al><al>·Beleidsregel voor wijzigingen op een saneringsplan.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Voor de inhoud van een aantal begrippen (zoals “bodem” en “geval van
                    verontreiniging”) hoeft geen omschrijving te worden gegeven, omdat artikel 1 van
                    de <cursief>Wet</cursief> bepaalt dat de daar gegeven omschrijvingen doorwerken
                    in de verordening. In deze bepaling worden slechts die begrippen omschreven die
                    niet als zodanig in de <cursief>Wet</cursief> zijn gedefinieerd.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2006 is de <cursief>Wet</cursief> herzien. In het kader
                    van de saneringsparagraaf uit de <cursief>Wet</cursief> zijn er met ingang van 1
                    januari 2006 vier besluiten die volgens de Algemene wet bestuursrecht tot stand
                    moeten komen.</al><al>Het <onderstreept>eerste besluit</onderstreept> is de beschikking op grond van
                    artikel 29 Wbb waarbij wordt vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige
                    verontreiniging. In deze beschikking wordt ook vastgesteld of er sprake is van
                    spoed en wordt bepaald voor welk tijdstip met de sanering dient te worden
                    begonnen (artikel 37 Wbb). Deze beschikking wordt zowel bij onderzoek in
                    opdracht van burgemeester en wethouders op grond van artikel 48 Wbb, als bij
                    onderzoek door anderen gegeven. In deze beschikking kunnen zij voorts aangeven
                    welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te
                    gaan.</al><al>Het <onderstreept>tweede besluit</onderstreept> is de instemming met
                        <cursief>het saneringsplan</cursief> op grond van artikel 39 Wbb. Indien een
                    melding als bedoeld in artikel 28 van de <cursief>Wet</cursief> betrekking heeft
                    op een geval van ernstige bodemverontreiniging en als daarbij het voornemen
                    bestaat te saneren, dient deze melding vergezeld te gaan van een
                        <cursief>saneringsplan</cursief>. Op dit <cursief>saneringsplan</cursief>
                    moeten burgemeester en wethouders een (positief of negatief) besluit nemen.</al><al>Het <onderstreept>derde besluit</onderstreept> betreft de instemming met
                        <cursief>het saneringsverslag</cursief> (voorheen: evaluatierapport) op
                    grond van artikel 39c van de <cursief>Wet</cursief>. Na afronding van (een fase
                    van) de sanering wordt een <cursief>saneringsverslag</cursief> opgesteld,
                    waarmee door burgemeester en wethouders moet worden ingestemd.</al><al>Het <onderstreept>vierde besluit</onderstreept> betreft de instemming met
                        <cursief>het nazorgplan</cursief> op grond van artikel 39d van de
                        <cursief>Wet</cursief>. Als uit <cursief>het saneringsverslag</cursief>
                    blijkt dat er een restverontreiniging na sanering is achterblijft wordt een
                        <cursief>nazorgplan</cursief> opgesteld, waarmee door burgemeester en
                    wethouders moet worden ingestemd.</al><al>Het derde en vierde besluit zijn nieuw in de <cursief>Wet</cursief>.</al><al>De procedure voor het indienen van een melding tot en met de definitieve
                    beschikking daarop duurt maximaal 15 weken.</al><al>Standaard wordt de in Titel 4.1 Awb geregelde (verkorte) procedure gevolgd. Met
                    de toepassing van titel 4.1 Awb, dat voorziet in de minimumeisen voor
                    besluitvorming, wordt in de meeste gevallen voldoende recht gedaan aan de
                    belangen van derden. Daarom is in deze verordening bepaald dat op de
                    voorbereiding van besluiten in het kader van de <cursief>Wet</cursief>, voor
                    zover het saneringen in eigen beheer betreft, titel 4.1 Awb van toepassing wordt
                    verklaard. Deze procedure biedt tevens meer mogelijkheden om versneld een
                    besluit te nemen.</al><al>Op verzoek van de aanvrager of in individuele situaties waarin een complexe
                    belangenafweging moet worden gemaakt en waarbij mogelijk veel (onbekende)
                    belanghebbenden hun zienswijze naar voren willen brengen, kan het college
                    besluiten van deze procedure af te wijken en toepassing te geven aan de uniforme
                    voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb. Hierbij zal eerst voor de duur van
                    zes weken een ontwerpbeschikking ter inzage worden gelegd. Een ieder heeft dan
                    het recht om binnen die termijn zienswijzen in te dienen. Vervolgens kunnen
                    uitsluitend belanghebbenden tegen de definitieve beschikking beroep instellen
                    bij de Raad van State, mits zij ook eerder tegen datgene waartegen ze beroep
                    instellen, een zienswijze hebben ingediend op de ontwerpbeschikking. Hieronder
                    is een aantal criteria opgenomen, aan de hand waarvan kan worden bepaald of
                    voldoende grond is om een besluit via afdeling 3.4 Awb voor te bereiden. Deze
                    criteria zijn niet limitatief, maar dienen te worden opgevat als richtlijn om te
                    beoordelen of toepassing van afdeling 3.4 Awb nodig of wenselijk is.</al><tussenkop>Criteria voor toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht op een voorbereiding van een beschikking Wbb</tussenkop><lijst><li nr="1"><al>Er zijn andere zakelijke of persoonlijk gerechtigden betrokken bij het
                            verontreinigde perceel, die mogelijk in hun belangen worden geschaad.
                            Hierbij moet worden gedacht aan (ver)huurders, erf(ver)pachters of
                            opstalhouders en houders van andere zakelijke rechten zoals het recht
                            van overpad. Gerechtigden worden niet in hun belangen geschaad indien
                            zij al op een ander wijze bij de voorbereiding van de beschikking zijn
                            of worden betrokken, of te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben
                            tegen de gevraagde beschikking.</al></li><li nr="2"><al>Er is een groot aantal derdebelanghebbenden betrokken bij het geval van
                            bodemverontreiniging dan wel bij de uitvoering van de sanering of de
                            nazorg, die in hun belangen kunnen worden geschaad. Bij
                            derdebelanghebbenden moet gedacht worden aan bijvoorbeeld omwonenden van
                            naburige percelen die gevolgen kunnen ondervinden van:</al><lijst><li nr="a."><al>de aan de orde zijnde bodemverontreiniging. Hierbij speelt
                                    vooral de afstand tot het geval van verontreiniging en de mate
                                    van verspreidingsrisico’s een rol. Hiervan kan bijvoorbeeld
                                    sprake zijn indien er een actueel blootstellingrisico aan de
                                    verontreinigde grond bestaat op een vrij toegankelijk terrein,
                                    zoals een park, een speeltuin of een openbare weg en/of wanneer
                                    de ontdekking van de verontreiniging heeft geleid tot
                                    maatschappelijke onrust.</al></li><li nr="b."><al>de beoogde sanering van het geval van bodemverontreiniging,
                                    en/of de beoogde nazorgmaatregelen. Bij de sanering speelt
                                    vooral de afstand tot de locatie in relatie tot de mogelijke
                                    negatieve invloed als gevolg van de uitvoering van de sanering
                                    een rol. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien openbare
                                    voorzieningen, zoals een openbare weg, een recreatieterrein of
                                    een algemeen parkeerterrein bij een winkelcentrum, niet normaal
                                    gebruikt kunnen worden tijdens de sanering en uitvoering van de
                                    nazorg. In dat geval is het van belang dat belanghebbenden de
                                    gelegenheid krijgen het ingediende saneringsplan of
                                        <cursief>nazorgplan</cursief> in te zien en eventueel hun
                                    zienswijzen hierop kenbaar kunnen maken. De reden voor deze
                                    regel is dat bij een groter aantal derdebelanghebbenden, zeker
                                    wanneer er mogelijk onbekende belanghebbenden aanwezig zijn,
                                    rechtstreeks horen op grond van artikel 4.8 Awb niet tot de
                                    mogelijkheden behoort. Deze uitzondering zal veelal, maar niet
                                    uitsluitend, aan de orde zijn bij complexe saneringen van
                                    grondwaterverontreiniging. </al><al/></li></lijst></li></lijst><al>De in afdeling 3.4 Awb geregelde voorbereidingsprocedure voorziet verder ook
                    in:</al><lijst><li nr="-"><al>de ter inzage legging van het stuk naar aanleiding waarvan de
                            beschikking wordt gegeven (het rapport van het nader onderzoek,
                                <cursief>het saneringsplan</cursief>, het evaluatieverslag of
                                <cursief>het nazorgplan</cursief>);</al></li><li nr="-"><al>een kennisgeving hiervan in een (regionaal) nieuwsblad.</al></li></lijst><al>De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift (bij toepassing van Titel
                    4.1 Awb) of een beroepschrift bedraagt 6 weken. De termijn voor het indienen van
                    een bezwaar- of beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop de
                    beschikking ter inzage is gelegd.</al><al>Voor de instemming met <cursief>het saneringsverslag</cursief> geldt geen
                    termijn waarbinnen <cursief>het bevoegd gezag</cursief> tot een besluit moet
                    komen. Voor de instemming op een <cursief>nazorgplan</cursief> geldt een termijn
                    van 6 maanden na ontvangst van <cursief>het nazorgplan</cursief> waarbinnen
                        <cursief>het bevoegd gezag</cursief> tot een besluit moet komen. Omwille van
                    de eenduidigheid is besloten de procedure voor alle meldingen te stellen op
                    maximaal 15 weken. Dat laat onverlet dat voor de instemming op een
                        <cursief>saneringsplan</cursief> in voorkomende gevallen bij complexe
                    saneringen, <cursief>het bevoegd gezag</cursief> de wettelijke bevoegdheid heeft
                    deze termijn van 15 weken met nog eens 15 weken te verlengen.</al><al>Om het risico van vertraging als gevolg van problemen bij de ontvankelijkheid
                    van het verzoek om instemming met <cursief>het saneringsplan</cursief> te
                    voorkomen, is bij twijfel aan de eisen die aan het plan zullen worden gesteld,
                    vooroverleg met de gemeente over die eisen raadzaam.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op <cursief>(nader) onderzoeken,
                        saneringsplannen, saneringsverslagen en nazorgplannen</cursief>, die in
                    opdracht van <cursief>het bevoegd gezag</cursief> of de gemeente Schiedam,
                    worden opgesteld en uitgevoerd. Het gaat hierbij om gevallen van ernstige
                    bodemverontreinigingen waarvoor geen initiatief bestaat tot saneren, maar
                    onderzoek of sanering vanuit milieuhygiënische noodzaak wel geboden is. Het
                    college stelt hiertoe een programma vast (Meerjarenprogramma Bodemsanering). De
                        <cursief>Wet</cursief> reguleert niets over de procedure voor de
                    vaststelling van <cursief>(nadere) bodemonderzoeken, saneringsplannen,
                        saneringsverslagen en nazorgplannen</cursief> voor de aanpak van deze
                    gevallen. In verband met rechtsgelijkheid zijn in dit artikel bepalingen voor de
                    vaststelling van bovengenoemde stukken en de hierbij te doorlopen
                    voorbereidingsprocedure opgenomen. Vanwege de bijzondere positie die
                        <cursief>het bevoegd gezag</cursief> of de gemeente als initiatiefnemer
                    heeft, evenals het feit dat bij onderzoek en sanering door <cursief>het bevoegd
                        gezag</cursief> of de gemeente eveneens vaak terreinen van derden betrokken
                    zijn, is bepaald dat standaard bij de voorbereiding van besluiten op grond van
                    de <cursief>Wet</cursief> afdeling 3.4 Awb van toepassing is.</al><al>Ook in deze situatie kan het volgen van afdeling 3.4 Awb in bepaalde situaties
                    als te zwaar en niet als voldoende toegesneden op de praktijk worden ervaren.
                    Daarom is in lid 3 opgenomen dat het college kan besluiten de in afdeling 3.4
                    Awb geregelde procedure niet toe te passen, indien redelijkerwijs kan worden
                    aangenomen dat aan de toepassing van de procedure geen behoefte bestaat. De
                    criteria die hiervoor bepalend zijn in wezen het spiegelbeeld van de onder
                    artikel 2 opgesomde criteria voor toepassing van afdeling 3.4 Awb. Een dergelijk
                    besluit dient te worden gepubliceerd en moet worden aangemerkt als een
                    voorbereidingshandeling waartegen op grond van artikel 6:3 Awb in beginsel geen
                    bezwaar of beroep open staat. </al><al>Ten onrechte wordt de gemeente vaak over dezelfde kam geschoren als <cursief>het
                        bevoegd gezag</cursief>. In deze verordening neemt de gemeente als
                    initiatiefnemer echter geen bijzondere positie in. Artikel 3 is dus niet van
                    toepassing op bodemonderzoek of bodemsanering door of in opdracht van de
                    gemeente vanwege een maatschappelijke ontwikkeling. Net als elke andere sanering
                    gebeurd dit initiatief onder de noemer van een ‘sanering in eigen beheer’.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat een aanvraag dient te geschieden door middel van een
                    meldingsformulier. Dit formulier zorgt ervoor dat de benodigde gegevens voor een
                    beslissing op de aanvraag direct herkenbaar en correct worden aangeleverd, zodat
                    de afhandeling van de aanvraag ordelijk en efficiënt kan verlopen. De gegevens
                    die door middel van dit formulier worden verlangd, sluiten aan bij de gegevens
                    die de <cursief>Wet</cursief> al verlangt. Het meldingsformulier bodemsanering
                    is te downloaden via de gemeentelijke website.</al><al>Voor een goede informatieverstrekking naar derden is het nodig om ook het
                    rapport van het onderliggende onderzoeken en het meldingsformulier ter inzage te
                    leggen. Daarom wordt een indiening van deze stukken in drievoud
                    voorgeschreven.</al><al>Zodra de technische mogelijkheden aanwezig zijn dienen de onderzoeksgegevens
                    tevens digitaal te worden aangeleverd conform de meest recente versie van SIKB
                    Protocol 0101.(Zie de site <onderstreept>www.sikb.nl</onderstreept> voor de
                    meest actuele versie). Het SIKB XML bestand kan worden aangemaakt met
                    Boormanager Special( zie de site <onderstreept>www.itworks.nl</onderstreept>
                    voor de meest actuele versie).</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al/><al>Zoals onder het kopje “structuur” (zie onder ‘algemeen’) is weergegeven, kan
                        <cursief>het bevoegd gezag</cursief> aanvullende eisen stellen. Deze
                    bepaling is een aanvulling op artikel 39, lid 1 Wbb. De functie van <cursief>het
                        saneringsplan</cursief> is, dat <cursief>het bevoegd gezag</cursief> zich
                    een goed oordeel kan vormen over de aard en omvang van de verontreiniging, over
                    de voorgenomen maatregelen en kan toetsen, daarbij alle criteria en
                    (omgeving)factoren in ogenschouw genomen, of op milieuhygiënisch toereikende en
                    aanvaardbare wijze zal worden gesaneerd. De ervaring van het college leert dat
                    de eisen van de <cursief>Wet</cursief> minimaal zijn en dat, om de uitvoering
                    van een sanering goed te kunnen beoordelen, verdere gegevens, waaronder
                    plattegronden, kaartmateriaal etc. noodzakelijk zijn. Verder dient te worden
                    vermeld dat in de praktijk naast het begrip “saneringsplan” begrippen worden
                    gehanteerd als “locatiebeheerplan” en “raamsaneringsplan”, terwijl de facto
                    sprake is van een saneringsplan. De onderhavige verordening is op dergelijke
                    locatiebeheerplannen of raamsaneringsplannen en daaronder vallende plannen van
                    aanpak van overeenkomstige toepassing.</al><al>Het tweede lid is opgenomen omdat in de praktijk blijkt het voldoen aan de eisen
                    die in de <cursief>Wet</cursief> en deze verordening ten aanzien van
                        <cursief>het saneringsplan</cursief> worden gesteld niet altijd mogelijk en
                    ten aanzien van de in Bijlage 1 opgenomen eisen niet altijd relevant. Daarom is
                    in het tweede lid een afwijkingsmogelijkheid ingebouwd. Het gaat in feite om een
                    tweetal situaties.</al><al>Ten eerste kunnen wettelijk gegevens vereist zijn, die in het desbetreffende
                    geval niet relevant zijn of waarvan de gegevens eenvoudigweg niet aanwezig zijn.
                    Als voorbeeld kan gelden de situatie waarin geen grondontgraving plaatsvindt,
                    maar alleen een grondwatersanering of de situatie waarin geen ontgraving of
                    sanering plaatsvindt maar isolatie geschiedt door het plaatsen van een gebouw.
                    In dergelijke situaties worden alleen die gegevens geleverd, waarvan in
                    redelijkheid kan worden gesteld dat deze ook geleverd kunnen worden.</al><al>Ten tweede kan zich de situatie voordoen waarin de verstrekking van bepaalde
                    gegevens de indiener van <cursief>het saneringsplan</cursief> (of <cursief>het
                        saneringsverslag</cursief> dan wel <cursief>het nazorgplan</cursief>) niet
                    zinvol voorkomt of het verzamelen van de gevraagde gegevens disproportioneel is
                    in verhouding tot het belang dat met de sanering is gediend.</al><al>Het vierde lid is opgenomen omdat het in toenemende mate voorkomt dat na een
                    grondsanering, een langdurige grondwatersanering plaats heeft. Zowel de melder
                    als <cursief>het bevoegd gezag</cursief> hebben behoefte aan duidelijkheid over
                    de reeds uitgevoerde grondsanering. Indien het oordeel over de uitgevoerde
                    grondsanering pas kan worden gegeven nadat de grondwatersanering is afgerond,
                    kan onnodige en ongewenste stagnatie in de verdere ontwikkeling van de
                    betreffende locatie optreden aangezien de melder geen zekerheid heeft van
                        <cursief>het bevoegd gezag</cursief> dat de grondsanering ook overeenkomstig
                        <cursief>het saneringsplan</cursief> is uitgevoerd. Vandaar dat <cursief>het
                        bevoegd gezag</cursief> kan besluiten dat op twee momenten een
                        <cursief>saneringsverslag</cursief> moet worden ingediend, te weten na
                    afronding van de grondsanering en na afronding van de grondwatersanering. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al/><al>In dit artikel zijn een aantal uitvoeringstechnische zaken opgenomen die
                    beleidsmatig gewenst zijn. Deze zijn ook opgenomen om overlast en hinder naar de
                    derden/omgeving zoveel mogelijk te voorkomen alsmede om een algemeen ogende
                    wijze van netheid te betrachten op de werklocatie. Dit moet ook de
                    toezichthoudende taak van <cursief>het bevoegd gezag</cursief>
                    vergemakkelijken.</al><al>In lid 2 is opgenomen dat het Ministerie van VROM in Kwalibo (het Besluit
                    Uitvoeringskwaliteit bodembeheer) regels stelt ten aanzien van de deskundigheid
                    en kwaliteit van personen en instanties die betrokken zijn bij de feitelijke
                    sanering om te voorkomen dat de verontreiniging op een onjuiste en niet
                    deskundige wijze gesaneerd wordt. Het Besluit Uitvoeringskwaliteit bodembeheer
                    is van kracht met ingang van 1 juli 2007.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen meldingen dienen te worden verzonden per e-mail via
                    bodemsanering@schiedam.nl.</al><al/><tussenkop>Artikel 7, tweede lid</tussenkop><al>Voor het toezicht op de uitvoering van <cursief>het saneringsplan</cursief> is
                    het van belang dat <cursief>het bevoegd gezag</cursief> op de hoogte is van het
                    werkelijke tijdstip waarop met de sanering een aanvang wordt gemaakt. Het
                    aangeven van de vermoedelijke datum in het plan zelf is daarvoor niet voldoende.
                    Regelmatig komt het voor dat de feitelijke aanvang van de werkzaamheden na
                    instemming van <cursief>het saneringsplan</cursief> door allerlei omstandigheden
                    (ontbrekende vergunningen, ontbrekende materialen, weersomstandigheden en
                    dergelijke) opschuift of dat door dergelijke voorzienbare onzekere
                    omstandigheden geen exacte datum kan worden gegeven. Door middel van een
                    mededeling uiterlijk twee weken vóór het begin van de daadwerkelijke sanering
                    wordt de noodzakelijke informatie verkregen.</al><tussenkop>Artikel 7, derde lid</tussenkop><al>Om goed zicht te houden op het verloop van de sanering wil <cursief>het bevoegd
                        gezag</cursief> dat iedere verandering binnen 24 uur na de vaststelling van
                    de verandering aan hen wordt medegedeeld. Het komt voor dat door diverse
                    oorzaken de feitelijke sanering afwijkt van <cursief>het saneringsplan</cursief>
                    dan wel (fundamenteel) wijzigt ten opzichte van <cursief>het
                        saneringsplan</cursief>. Met de melding van die verandering kan <cursief>het
                        bevoegd gezag</cursief> beoordelen of door die verandering de sanering kan
                    worden voortgezet (bij een (geringe) afwijking) of dat door die verandering de
                    sanering zodanig op essentiële punten moet worden bijgesteld, dat dit gepaard
                    gaat met een aanwijzing (nadere eisen bij de beschikking waar belanghebbenden
                    van in kennis moeten worden gesteld). Instemmen met de afwijking is geen
                    beschikking. Het geven van aanwijzingen naar aanleiding van de melding van een
                    dergelijke afwijking is evenmin sprake van een beschikking. Het betreft
                    wijzigingen ten opzichte van <cursief>het saneringsplan</cursief> en
                    aanwijzingen die binnen <cursief>het saneringsplan</cursief> vallen waarmee al
                    is ingestemd en die dus binnen deze al doorlopen procedure kunnen worden
                    afgehandeld.</al><al>Indien bevoegd gezag niet akkoord kan gaan met de wijziging, dan dient een
                    geheel nieuwe beschikking te worden genomen op een herzien/gewijzigd
                    saneringsplan.</al><al>Voor de procedure en het toetsen van meldingen van wijzigingen van
                    saneringsplannen is een Beleidsregel opgesteld welke is vastgesteld door het
                    college. De beleidsregel is beschikbaar op de website van Schiedam. </al><tussenkop>Artikel 7, vierde lid</tussenkop><al/><al>Eveneens uit een oogpunt van toezicht wordt het wenselijk geacht te vernemen
                    wanneer de sanering op het diepste punt is. Het is dan voor <cursief>het bevoegd
                        gezag</cursief> mogelijk om tussentijds, eventueel aan de hand van
                    controlemonsters, vast te stellen of daadwerkelijk de saneringsdoelstelling
                    wordt bereikt. Het spreekt voor zich dat saneerder hierover bij <cursief>het
                        bevoegd gezag</cursief> eerst consensus verkrijgt alvorens de saneringsput
                    aan te vullen. Zowel voor de melder als voor <cursief>het bevoegd
                        gezag</cursief> geeft deze melding zekerheid. Voor de melder bestaat die
                    zekerheid eruit dat hij met instemming van <cursief>het bevoegd gezag</cursief>
                    feitelijk het diepste punt heeft bereikt en hij na indiening van het
                    saneringsverslag niet meer voor verassingen komt te staan. Voor <cursief>het
                        bevoegd gezag</cursief> bestaat de zekerheid eruit dat de
                    saneringsdoelstelling is bereikt en niet achteraf handhavend hoeft op te treden,
                    voor zover zij dan al niet voor een voldongen feit komt te staan als de
                    saneringslocatie reeds is ingericht. Indien de sanering alleen bestaat uit het
                    aanbrengen van een leeflaag of gesloten verharding is deze melding niet van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 7, vijfde lid</tussenkop><al/><al>Op het moment dat de sanering feitelijk is afgerond wordt dat door de melder aan
                        <cursief>het bevoegd gezag</cursief> gemeld. Op grond van deze melding kan
                        <cursief>het bevoegd gezag</cursief> vaststellen of de sanering terecht is
                    afgerond of dat alsnog aanvullende sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Het
                    is ook voor de melder van belang dat <cursief>het bevoegd gezag</cursief>
                    instemt met de afronding van de sanering. Vervolgens kan de melder overgaan tot
                    het opstellen en indienen van het schriftelijke verslag van de uitgevoerde
                    sanering als bedoeld in artikel 10.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Artikel 7 van deze verordening is gebaseerd op artikel 96 van de
                        <cursief>Wet</cursief>. Het college heeft er bewust voor gekozen de
                    meldingsplichten op te nemen in de verordening, omdat het daarmee mogelijk is om
                    ten behoeve van een effectieve handhaving van de <cursief>Wet</cursief> meer
                    informatie te verkrijgen over de uitvoering van een sanering. Daardoor kan het
                    college zich een beter oordeel vormen over de uitvoering van <cursief>het
                        saneringsplan</cursief> en daardoor over de vraag of er gronden zijn om de
                    indiener van het plan met het bestuursrechtelijke handhavinginstrumentarium te
                    dwingen om te handelen volgens <cursief>het saneringsplan</cursief> waarmee zij
                    heeft ingestemd.</al><al>Om artikel 7 van de verordening direct strafrechtelijk te kunnen handhaven is de
                    overtreding ervan, gelet op artikel 1.2 van de Wet op de economische delicten
                    juncto artikel 96 van de <cursief>Wbb</cursief> en artikel 154 Gemeentewet
                    strafbaar gesteld in de verordening zelf. Naast bestuursrechtelijke handhaving
                    is er ook behoefte gebleken aan strafrechtelijk optreden. De preventieve werking
                    van strafrechtelijke sancties dient als praktische en noodzakelijke aanvulling
                    op de mogelijkheid tot het geven van een bestuurlijke last onder dwangsom of het
                    toepassen van bestuursdwang. </al><al>Ook bestaat de mogelijkheid de meldingsplichten op te nemen in de voorschriften
                    bij de beschikking betreffende de instemming met <cursief>het
                        saneringsplan</cursief> op grond van artikel 39, tweede lid, van de
                        <cursief>Wet</cursief>. De handhaving van deze voorschriften kan – in
                    theorie – zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk (Wet op de economische
                    delicten juncto artikel 39, tweede lid, van de <cursief>Wbb</cursief>)
                    plaatsvinden. Bestuursrechtelijke handhaving heeft niet altijd zin, omdat het
                    essentiële controlemoment dan al is verstreken en er daarom niet meer te
                    corrigeren valt. Ondanks dit alternatief om meldingsplichten op te nemen in de
                    voorschriften bij de beschikking op <cursief>het saneringsplan</cursief>, wordt
                    toch de voorkeur gegeven aan een regeling in de verordening. In de eerste plaats
                    leidt dit tot een meer uniforme en zorgvuldige regeling. In de tweede plaats is
                    de meldingsplicht in de verordening niet alleen gericht tot de initiatiefnemer
                    van de sanering maar ook tot degene die de sanering feitelijk uitvoert. Het
                    begrip “degene die de sanering feitelijk uitvoert” is ontleend aan artikel 39a
                    van de <cursief>Wet</cursief>. Dat artikel ziet op de handhaving van de
                    uitvoering van <cursief>het saneringsplan</cursief> en beoogt een brede groep
                    van personen hierop aan te kunnen spreken. Uit de toelichting bij de
                        <cursief>Wet</cursief> blijkt dat met “degene die de sanering feitelijk
                    uitvoert” de aannemer is bedoeld, maar ook de werknemer die op eigen houtje
                    afwijkt van <cursief>het saneringsplan</cursief>. Evident is dat bij de
                    meldingsplichten in de verordening met “degene die de sanering feitelijk
                    uitvoert” alleen de aannemer wordt bedoeld en niet zijn werknemer of
                    ondergeschikte. De aannemer bepaalt immers, ook voor zijn werknemers, hoe en
                    wanneer de sanering wordt uitgevoerd en is daarvoor ook verantwoordelijk. Hij is
                    zeer nauw betrokken bij de feitelijke uitvoering van de sanering op de locatie
                    en oefent direct invloed uit op de wijze waarop de sanering door zijn werknemers
                    wordt uitgevoerd, mede bezien vanuit zijn leidinggevende positie naar zijn
                    ondergeschikten toe. Daardoor is hij degene die het meeste inzicht heeft in het
                    tijdsverloop van de sanering en daarmee ook de meest geëigende partij om een
                    melding aan het college te doen van de ijkmomenten vóór, tijdens en na de
                    uitvoering van de sanering. Hij is daarom als "degene die de sanering feitelijk
                    uitvoert" verantwoordelijk voor de in artikel 6 opgenomen meldingsplichten. Voor
                    deze constructie is gekozen, omdat in de meeste gevallen de opdrachtgever (de
                    indiener van <cursief>het saneringsplan</cursief>) een leek op het gebied van
                    bodemsanering is en de meldverplichtingen zijn uitbesteed aan de aannemer. Omdat
                    in gevallen waarin niet gemeld wordt sprake kan zijn van slechts geringe schuld
                    van de opdrachtgever (de indiener van <cursief>het saneringsplan</cursief>)
                    volgt voor hem dan geen vervolging. Het is gewenst om in die gevallen tegen de
                    aannemer, als degene die de sanering feitelijk uitvoert, strafrechtelijk te
                    kunnen optreden. Juist deze partij kan een financieel belang hebben bij het
                    achterwege laten van een melding. Om deze reden is er in artikel 7 voor gekozen
                    degene die daadwerkelijk saneert, dat wil zeggen degene die de sanering
                    feitelijk uitvoert, op te nemen als beschikkinghouder. Doelstelling is hiermee
                    beter controle te kunnen uitoefenen op de uitvoering van de sanering en op de
                    afvoer van de grondstromen. Is er (nog) geen aannemer bij de sanering betrokken
                    dan blijven de verplichtingen uiteraard rusten bij degene die <cursief>het
                        saneringsplan</cursief> heeft ingediend. In die situatie is dat namelijk
                    tevens degene die de bodem feitelijk saneert en gelden de meldverplichtingen van
                    artikel 6 rechtstreeks voor hem. Een verplichting tot melding als bedoeld in
                    artikel 6 geldt overigens niet voor degene die de sanering feitelijk uitvoert
                    indien de in dat lid bedoelde melding al is gedaan door de opdrachtgever, dus
                    door de indiener van <cursief>het saneringsplan</cursief>. In een dergelijk
                    geval is het niet nodig de meldingsplicht ook nog neer te leggen bij degene die
                    de sanering feitelijk uitvoert.</al><al/><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>De <cursief>Wet </cursief>regelt niet dat bodemsaneringen, die op basis van een
                    saneringsplan worden uitgevoerd, milieukundig begeleid moeten worden. Het is
                    wettelijk verplicht om een <cursief>saneringsverslag</cursief> na uitvoering van
                    de bodemsanering ter goedkeuring aan het college van burgemeester en wethouders
                    in te dienen. Zonder milieukundige begeleiding kan echter geen
                        <cursief>saneringsverslag</cursief> worden opgesteld. Het is daarom
                    wenselijk dat bodemsaneringen wordt uitgevoerd onder milieukundige begeleiding.
                    Het Ministerie van VROM adviseert daarom ook om bij verordening de milieukundige
                    begeleiding verplicht voor te schrijven.</al><al>Er wordt echter een uitzondering op deze verplichting gemaakt bij de uitvoering
                    van bodemsaneringen waarbij geen verontreinigde grond verplaatst wordt. Dit zijn
                    bijvoorbeeld saneringen waarbij de sanerende maatregel bestaat uit het
                    aanbrengen van een isolerende voorziening (een betonvloer) of een leeflaag. De
                    milieukundige begeleiding heeft bij dergelijke bodemsaneringen vanuit
                    milieukundig oogpunt geen bijzondere rol van betekenis en kan achterwege
                    blijven.</al><al/><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Het is belangrijk dat na afloop van de sanering niet te lang wordt gewacht met
                    het indienen van het evaluatieverslag. Wil een adequate handhaving van
                        <cursief>het saneringsplan</cursief> en het behalen van de
                    saneringsdoelstelling van artikel 38 van de <cursief>Wet</cursief> kunnen
                    plaatsvinden dan is het belangrijk dat zo spoedig mogelijk na de feitelijke
                    afronding van de sanering <cursief>het saneringsverslag</cursief> wordt
                    opgesteld en ingediend bij het college. De <cursief>Wet</cursief> bepaalt ten
                    aanzien van de termijn waarop een <cursief>saneringsverslag</cursief> moet
                    worden ingediend slechts dat dit "zo spoedig mogelijk" na de uitvoering van de
                    sanering dient te geschieden. Deze ruime formulering maakt het mogelijk om in
                    dit artikel te bepalen dat uiterlijk binnen vijftien weken na afloop van (iedere
                    fase van) de sanering <cursief>het saneringsverslag</cursief> moet zijn
                    ingediend. Omdat op grond van artikel 7 het beëindigen van een sanering (of een
                    fase daarvan) moet worden gemeld, kan het college toezien op het moment waarop
                        <cursief>het saneringsverslag</cursief> uiterlijk moet worden ingediend. Een
                    termijn van vijftien weken moet haalbaar worden geacht voor het opstellen van
                    een <cursief>saneringsverslag</cursief>. </al><al>Omdat de <cursief>Wet</cursief> geen termijn stelt waarbinnen de instemming met
                        <cursief>het saneringsverslag</cursief> moet zijn gegeven, bepaalt dit
                    artikel dat de beslistermijn 15 weken is. In verband met de omvangrijke
                    samenloop tussen saneringsactiviteiten en bouwactiviteiten hecht het college
                    waarde aan een zo kort mogelijk beslistermijn voor het beoordelen van een
                        <cursief>saneringsverslag</cursief>.</al><al>Op grond van artikel 39c, derde lid, van de <cursief>Wet</cursief> kunnen bij
                    verordening regels worden gesteld over de inhoud van <cursief>het
                        saneringsverslag</cursief>. Deze regels zijn opgenomen in Bijlage 2, aldus
                    artikel 10, derde lid. Aan deze Bijlage 2 moet worden voldaan als na de
                    uitvoering van de sanering of een fase van de sanering een
                        <cursief>saneringsverslag</cursief> bij het college moet worden ingediend.
                    Het college stemt in met het verslag indien is gesaneerd in overeenstemming met
                    artikel 38 van de <cursief>Wet</cursief>. Indien niet afdoende volgens
                        <cursief>het saneringsplan</cursief> is gesaneerd, kan dit alsnog worden
                    afgedwongen op grond van artikel 39a van de <cursief>Wet</cursief>. Om te kunnen
                    beoordelen of een saneringsresultaat voldoet aan artikel 38 van de
                        <cursief>Wet</cursief>, wordt in artikel 39c van de <cursief>Wet</cursief>
                    een aantal eisen gesteld waaraan <cursief>het saneringsverslag</cursief> moet
                    voldoen. Artikel 10 stelt daarnaast nog een aantal extra eisen aan de inhoud van
                        <cursief>het saneringsverslag</cursief>. Deze extra eisen vormen een verdere
                    uitwerking van artikel 39c van de <cursief>Wet</cursief> en zijn nodig voor een
                    goede kwaliteit van <cursief>het saneringsverslag</cursief>.</al><al>De ervaring van het college leert dat de eisen van de <cursief>Wet</cursief>
                    minimaal zijn en dat om de uitgevoerde sanering goed te kunnen beoordelen
                    verdere gegevens, waaronder plattegronden, kaartmateriaal etc. noodzakelijk
                    zijn. Wel kan het in de praktijk zo zijn dat onder omstandigheden met minder dan
                    het gestelde kan worden volstaan. Hierbij moet worden gedacht aan eenvoudige
                    saneringen waarbij na afloop duidelijk is dat het in <cursief>het
                        saneringsplan</cursief> opgenomen saneringsdoel is bereikt en is voldaan aan
                    het wettelijke saneringsdoel van artikel 38 van de <cursief>Wet</cursief>. In
                    het vierde lid van artikel 10 is de mogelijkheid gecreëerd om gemotiveerd te
                    kunnen afwijken van de in de Bijlage 2 gestelde eisen aan <cursief>het
                        saneringsverslag</cursief>.</al><al>De eisen die aanvullend op artikel 39c van de <cursief>Wet</cursief> in Bijlage
                    2 aan <cursief>het saneringsverslag</cursief> worden gesteld, kunnen betrekking
                    hebben op de actualisatie van de gegevens zoals die zijn opgenomen in
                        <cursief>het saneringsplan</cursief>. Hierbij moet worden gedacht aan
                    actuele kadastrale kaarten en gegevens van persoonlijk en zakelijk gerechtigden
                    met betrekking tot de gesaneerde locatie. Deze kunnen in de periode waarin de
                    sanering is uitgevoerd gewijzigd zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van
                    de instemming met <cursief>het saneringsplan</cursief>. Daarnaast is het
                    belangrijk dat verslag wordt gedaan van het verloop van de sanering. Daarom is
                    in Bijlage 2 opgenomen welke onderdelen van de sanering in ieder geval in
                        <cursief>het saneringsverslag</cursief> moeten worden beschreven.</al><al>Grondwatersaneringen behoeven veelal meer tijd dan de sanering van de
                    verontreinigde grond. Daarom is bepaald dat als de sanering van het grondwater
                    langer duurt dan de sanering van de grond, over de sanering van het grondwater
                    een afzonderlijk <cursief>saneringsverslag</cursief> dient te worden ingediend.
                    Dit moet dan ook uiterlijk vijftien weken na afronding van die
                    grondwatersanering worden ingediend. In aanvulling op de wettelijke eisen kunnen
                    door <cursief>het bevoegd gezag</cursief> nadere gegevens verplicht worden
                    gesteld.</al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Op grond van artikel 39d, vijfde lid, van de <cursief>Wet</cursief> kunnen bij
                    verordening regels worden gesteld over de inhoud van <cursief>het
                        nazorgplan</cursief>. Deze regels zijn opgenomen in Bijlage 3. Aan deze
                    Bijlage 3 moet worden voldaan indien na de uitvoering van de sanering of een
                    fase van de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft, die
                    beperkingen in het gebruik tot gevolg heeft of nazorgmaatregelen noodzakelijk
                    maakt. In <cursief>het nazorgplan</cursief> moeten de gebruiksbeperkingen en de
                    nazorgmaatregelen worden beschreven. Gebruiksbeperkingen moeten voorkomen dat er
                    contactmogelijkheden kunnen optreden met de in de bodem achtergebleven
                    verontreiniging of dienen er toe dat verspreiding van de (rest-)verontreiniging
                    wordt voorkomen. Nazorgmaatregelen dienen er toe om er voor te zorgen dat het
                    bereikte saneringsresultaat in stand blijft. Om te voorkomen dat derden,
                    bijvoorbeeld (toekomstige) eigenaren, niet in een later stadium opnieuw met de
                    verontreiniging worden geconfronteerd, dient in <cursief>het
                        nazorgplan</cursief> duidelijk te worden aangegeven waaruit de nazorg
                    bestaat en wie daarvoor (financieel) verantwoordelijk is. Zo nodig kan het
                    college op grond van artikel 39 f, eerste lid, van de <cursief>Wet</cursief>
                    daartoe financiële zekerheid verlangen. Indien een eigenaar verantwoordelijk is
                    voor de uitvoering van de nazorg, zal die eigenaar er voor moeten zorgen dat een
                    opvolgende eigenaar ook de nazorgverplichting overneemt door dit contractueel
                    vast te leggen en dit ook te laten doorwerken in de adressering van <cursief>het
                        nazorgplan</cursief>. Dit laatste is mogelijk door middel van een wijziging
                    van de tenaamstelling van de beschikking instemming
                        <cursief>nazorgplan</cursief>.</al><al>Aan de hand van <cursief>het nazorgplan</cursief> kan het college zich een
                    oordeel vormen over de aard en omvang van de restverontreiniging en over de
                    (voorgenomen) maatregelen hieromtrent en kan worden beoordeeld of hier op
                    milieuhygiënisch toereikende en aanvaardbare wijze uitvoering aan wordt gegeven.
                    Het college stemt alleen in met <cursief>het nazorgplan</cursief> als de daarin
                    opgenomen gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen naar zijn oordeel voldoende
                    zijn om er voor te zorgen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot
                    kwaliteitsvermindering van de bodem.</al><al>Omdat artikel 39d van de <cursief>Wet</cursief> nauwelijks eisen stelt aan de
                    inhoud van <cursief>het nazorgplan</cursief>, zijn in Bijlage 3 de eisen die aan
                    een <cursief>nazorgplan</cursief> kunnen worden gesteld opgenomen. Hierbij is
                    aangesloten bij de praktijk die hieromtrent al bestaat.</al><al>Indien de gebruiksbeperkingen of nazorgmaatregelen gering zijn kunnen
                    burgemeester en wethouders besluiten dat een separaat
                        <cursief>nazorgplan</cursief> niet noodzakelijk is. De beperkingen in het
                    gebruik van de bodem en de maatregelen om te zorgen dat de (rest)verontreiniging
                    die na sanering is achtergebleven niet zal leiden tot vermindering van de
                    kwaliteit van de bodem, kunnen in dat geval in de vorm van een nazorgparagraaf
                    worden opgenomen in <cursief>het saneringsverslag</cursief>. Het besluit tot
                    instemming van <cursief>het nazorgplan</cursief> wordt dan opgenomen in de
                    beschikking op de beoordeling van <cursief>het saneringsverslag</cursief>.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>