<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122503_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.breda.nl, 11-07-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Breda</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=8">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=19">Wet inburgering, art. 19, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=23">Wet inburgering, art. 23, lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020611&amp;artikel=35">Wet inburgering, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-07-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>40331</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>sociale zaken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels Wet inburgering</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Breda, </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 mei 2007; nr
                        30469 inzake Beleidsplan en verordening Wet Inburgering </al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, en 35 van de Wet
                        inburgering; </al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld,
                        alsmede dat de raad bij verordening het bedrag dient vast te stellen van de
                        bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden
                        opgelegd; </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>VERORDENING WET INBURGERING </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Breda; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de 3 jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Op grond van artikel 19, eerste lid onder a en b, van de wet kan het
                            college een inburgeringsvoorziening aanbieden aan inburgeringsplichtigen
                            mits uitkeringsgerechtigde danwel oudkomer zonder inkomsten uit werk of
                            uitkering zijn. De gemeente legt prioriteit bij: </al><lijst><li nr="a."><al>inburgeraars met een uitkering</al></li><li nr="b."><al>oudkomers vrouwen met kinderen die in een geïsoleerde positie
                                    leven</al></li><li nr="c."><al>oudkomers die reeds eerder een inburgeringstraject hebben
                                    gevolgd en nog niet het examenniveau hebben gehaald</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening kan, naast datgene dat in de wet is
                                geregeld, een of meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>maatschappelijke begeleiding</al></li><li nr="b."><al>trajectbegeleiding</al></li><li nr="c."><al>onafhankelijke diagnosestelling.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in 1 termijn betaald, tenzij persoonlijke omstandigheden dit
                                onmogelijk maken. Nadere regels hiervoor zijn vastgelegd in de
                                beleidsnotitie Inburgering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Indien het
                                college de eigen bijdrage verrekent met de algemene bijstand, wordt
                                dat in de beschikking vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige/inburgeringsbehoeftige, na
                            acceptatie van het gemeentelijke aanbod van een inburgeringstraject, bij
                            beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus; </al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider; </al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken; </al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald; </al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan; </al></li><li nr="f."><al>deelnemen aan onafhankelijke diagnosestelling. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven. Indien noodzakelijk wordt de
                                inhoud van de met de inburgeringsplichtige/inburgeringsbehoeftige
                                mondeling toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en worden de rechten en
                                verplichtingen vermeld die aan de inburgeringsvoorziening worden
                                verbonden. Indien noodzakelijk wordt de inhoud van het aanbod aan de
                                inburgeringsplichtige/inburgeringsbehoeftige mondeling
                                toegelicht</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan,
                                deelt binnen 2 weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod
                                al dan niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen 6 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit
                                tot toekenning van de inburgeringsvoorziening, overeenkomstig het
                                gedane aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening; </al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald; </al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling; en </al></li><li nr="e."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan
                                worden opgelegd zal het college de inburgeringsplichtige eerst een
                                schriftelijke waarschuwing geven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van een schriftelijke waarschuwing voor overtredingen
                                waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd stelt het
                                college de inburgeringsplichtige in de gelegenheid deze mondeling of
                                schriftelijk toe te lichten dan wel te herstellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In geval dat na de onder punt 5 genoemde schriftelijke waarschuwing
                                de overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd
                                niet zijn opgeheven zal alsnog een bestuurlijke boete conform de
                                punten 1 t/m 3 volgen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de
                                hoogte hiervan af op de individuele omstandigheden van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De bestuurlijke boete wordt opgelegd conform de wettelijke
                                bepalingen in artikelen 31; 32 en 33 van de Wet inburgering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste maximaal € 1000 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Mandaatverlening</titel></kop><al>De uitvoering van de Wet inburgering wordt door het college opgedragen
                            aan de Commissie Sociale Zekerheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 3 dagen nadat publicatie in ‘het
                            Stadsblad’ heeft plaatsgevonden van het besluit van de gemeenteraad
                            waarin de verordening wordt vastgesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Breda. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al> De Wet inburgering (Wi) is op 1 januari 2007 in werking getreden en komt in de
                    plaats van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende
                    oudkomersregelingen. De Wet inburgering regelt de inburgeringsplicht voor in
                    beginsel alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in
                    Nederland willen en mogen verblijven. </al><al> Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                    verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgeringsverplichting is
                    voldaan wanneer het inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al/><al> Gemeenten krijgen in de Wet inburgering een aantal belangrijke taken
                    toebedeeld. Zo hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de
                    gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit
                    deze wet. Daarnaast hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een
                    inburgeringsvoorziening leidt inburgeringsplichtigen toe naar het
                    inburgeringsexamen. Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van
                    inburgeringsplichtigen handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete
                    opleggen als een inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet houdt aan de
                    verplichtingen die voor hem gelden. </al><al/><al> In verband met deze taken draagt de Wet inburgering gemeenten op om bij
                    verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen: </al><lijst><li nr="1."><al> Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 Wi). </al></li><li nr="2."><al> Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen
                            aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en
                            plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en
                            artikel 23, derde lid, Wi). </al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 Wi). </al></li></lijst><al/><al><vet>Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
                    </vet></al><al> Artikel 8 Wi bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen. Het gaat
                    dan om informatie over de rechten en plichten uit hoofde van de Wet inburgering
                    en informatie over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot
                    die voorzieningen. </al><al/><al><vet>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen
                    </vet></al><al> Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet extra
                    faciliteiten. Gemeenten krijgen de taak om voor deze groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Het gaat om de
                    volgende vier groepen inburgeringsplichtigen: </al><al/><lijst><li nr="1."><al> Nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering ontvangen
                            die is aangewezen in het Besluit inburgering;</al></li><li nr="2."><al>.Oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of
                            uitkering hebben; </al></li><li nr="3."><al>Asielgerechtigde nieuw- en oudkomers; </al></li><li nr="4."><al> Nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar. </al></li></lijst><al/><al>Aan inburgeringsplichtigen die behoren tot de eerste twee groepen (nieuw- en
                    oudkomers die een algemene bijstand of een nader aangeduide uitkering ontvangen
                    en oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben) kán het
                    college een inburgeringsvoorziening aanbieden (artikel 19, eerste lid, Wi). Het
                    college is verplicht een inburgeringsvoorziening aan te bieden aan alle
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- en nieuwkomers) en aan nieuw- en
                    oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar (artikel 19, tweede lid,
                    Wi). </al><al>Het aanbod behelst een inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                    inburgeringsexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat examen. Voor
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening ook
                    uit maatschappelijke begeleiding. </al><al/><al>De Wet inburgering draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te
                    stellen met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan deze
                    vier groepen. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval
                    regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al> De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            Wi). </al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, Wi). </al></li><li nr="-"><al> De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de
                            samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid,
                            onderdeel b, Wi). </al></li><li nr="-"><al> De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder
                            geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door het college en
                            de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, Wi).
                        </al></li></lijst><al/><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </vet></al><al> Artikel 35 van de Wi draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. Artikel 34 van de Wi bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </vet></al><al> Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen </vet></al><al> De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 Wi dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt over
                    de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake
                    van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsook van het aanbod van
                    en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al><al> Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                    Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders vast te
                    stellen voor een adequate informatievoorziening door het college aan de
                    inburgeringsplichtigen. </al><al> Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van de
                    informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af aan de
                    raad. </al><al> De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart informatiepunt inrichten (in
                    Breda loket Wegwijs) al dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het is
                    ook mogelijk om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te
                    brengen bij een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                    gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                    bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                    informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen. </al><al> Het tweede lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                    inburgeringsplichtigen. Om aan deze verplichting efficiënt te kunnen voldoen,
                    zou een informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan de informatieverstrekking
                    onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou vervolgens door de raad getoetst
                    kunnen worden waarbij eventuele verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om
                    efficiënt aan de verplichting van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht
                    ook aansluiting mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van
                    het college aan de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de
                    Gemeentewet. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen </vet></al><al> Artikel 19, eerste lid, Wi bepaalt dat het college aan twee groepen
                    inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening kán aanbieden: </al><al/><lijst><li nr="1."><al> inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op grond
                            een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen sociale
                            zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen ontvangen;</al></li><li nr="2."><al> oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of uitkering hebben. </al></li></lijst><al/><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                    criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze twee groepen
                    inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, Wi). Dit artikel
                    vorm de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het college
                    opgedragen om vast te stellen aan welke groepen inburgeringsplichtigen (binnen
                    de twee doelgroepen van artikel 19, eerste lid, Wi) bij voorrang een
                    inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel
                    vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet
                    komen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij voorrang
                    </cursief>een inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden. Dit betekent dat het
                    college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een inburgeringsvoorziening
                    aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of
                    groepen die hij heeft aangewezen (maar wel behoren tot de doelgroepen, bedoeld
                    in artikel 19, eerste lid, Wi). Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die
                    behoren tot de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze
                    aanwijzing een recht gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit
                    artikel dat het college aan de groepen die hij aanwijst een
                    inburgeringsvoorziening <cursief>kan </cursief>aanbieden. </al><al> Voor meer informatie over de prioritering binnen de totale groep inburgeraars
                    wordt verwezen naar de beleidsnotitie. </al><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening </vet></al><al> In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening, met in
                    begrip van de totstandkoming en samenstelling van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden de kaders
                    vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor iedere
                    inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al/><al> In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    inburgeringsvoorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van
                    een inburgeringsvoorziening, kunnen de volgende factoren een rol spelen: </al><lijst><li nr="-"><al> De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                            Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit. </al></li><li nr="-"><al> De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                            vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan
                            het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen. </al></li><li nr="-"><al> De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                            inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al/><al> De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al><al/><al> In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                    uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet
                    wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert. Bij de inkoop van
                    inburgeringstrajecten is er voor gekozen om re-integratie en inburgering zoveel
                    mogelijk naast elkaar te laten lopen. Daarnaast is er de mogelijkheid ingebouwd
                    om bij het eerder aanvaarden van werk de inburgering buiten de werkuren kan
                    worden afgemaakt. </al><al/><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                        <onderstreept>moet </onderstreept>worden met een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling (reïntegratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening
                    wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een
                    uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                    socialezekerheidsregeling <onderstreept>én </onderstreept>die verplicht is om
                    arbeid om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI).
                    Indien in deze specifieke situatie geen reïntegratievoorziening wordt
                    aangeboden, kan de gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het
                    college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                    inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van artikel
                    4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de reïntegratievoorziening. Aangezien
                    deze voorzieningen in het kader van de uitkeringsverstrekking op grond van
                    socialezekerheidswetten of –regelingen ook door andere partijen dan het college
                    (kunnen) worden verstrekt, zal het college afspraken moeten maken met de
                    verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling: het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of
                    overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al/><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan aanbieden. In de
                    wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan:
                    een cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen (artikel 19, derde lid, WI). Voor asielgerechtigde
                    inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke
                    begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening (artikel
                    19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college als
                    onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                    aanbieden, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden
                    van voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht
                    aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al/><al><vet>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage </vet></al><al> In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte
                    van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit bedrag kan
                    bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid,
                    WI). </al><al/><al> In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in een termijn te betalen. Artikel 24, eerste
                    lid, Wi maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen
                    mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het
                    college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de
                    beschikking tot toekenning van de inburgeringsvoorziening. </al><al/><al> Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                    college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op
                    de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV
                    de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening
                    geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze
                    verordening geregeld. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen </vet></al><al> Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, Wi dat bepaalt dat
                    de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Dit
                    artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het
                    artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een
                    inburgeringsvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot de
                    toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen vast. </al><al/><al><vet>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod </vet></al><al> Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgerings-voorziening. In het eerste lid
                    van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van een
                    inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet
                    en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige
                    staat ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan
                    over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al/><al> Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                    uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het
                    aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot de toekenning
                    van de inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd).
                    Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde
                    lid). </al><al/><al> De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al/><al> Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente
                    meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn
                    situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de
                    gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod
                    moeten aanpassen. </al><al/><al> Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen
                    termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen
                    moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke
                    situatie een handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26
                    Wi waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moeten hebben behaald (vijf jaar na aanvang van deze
                    termijn). Het verdient de aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt
                    in beleidsregels, zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen
                    zijn) wat de gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening. </al><al/><al><vet>Artikel 8 De inhoud van de beschikking </vet></al><al> Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een
                    beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft
                    tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld
                    welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd. </al><al/><al> In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de daaraan
                    verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten
                    worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, Wi). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de
                    verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de
                    betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al/><al> De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, Wi). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                    (onderdeel c). </al><al/><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening. </al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college
                    een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in
                    de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving
                    van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel
                    26 Wi). Binnen vijf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                    inburgeringexamen hebben behaald. </al><al/><al>Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de
                    inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct
                    te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de
                    inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze datum waarop de
                    inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend zijn op het
                    moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van een datum
                    van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het
                    moment waarop met de inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het
                    uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen
                    van het inburgeringsexamen. </al><al/><al><vet>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                        overtredingen </vet></al><al> Artikel 35 Wi draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 Wi zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al/><al> De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 38, tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                    passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    inburgeringsplichtige. </al><al/><al> In het kader van een de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 Wi bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                        overtreding </vet></al><al> Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9 mogelijk
                    is. </al><al/><al> De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                    uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 Wi worden
                    genoemd. </al><al/><al> Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich wel binnen 12 maanden voordoen. </al><al/><al>Artikel 34, onderdeel d, Wi biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het
                    geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                    verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit
                    is geregeld in het derde en vierde lid van artikel 10. </al><al/><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 Wi moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het derde lid van artikel 10 het mogelijk dat het college
                    een hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34,
                    onderdeel d, Wi). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                    moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moet behalen. </al><al/><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                    inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                    wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                    vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen
                    door de inburgeringsplichtige. </al><al/><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van maximumbedragen
                    het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke
                    boetes in individuele gevallen. Het college zal binnen deze kaders zelf een
                    beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te bevelen dat het college in
                    beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit ziet: welke boete wordt in beginsel
                    opgelegd bij welke overtreding en met welk bedrag wordt de boete in beginsel
                    verhoogd als de betrokken inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals
                    pleegt. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Mandaatverlening </vet></al><al> Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Inwerkingtreding </vet></al><al> Dit artikel spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Citeertitel </vet></al><al> Dit artikel spreekt voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>