<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122196_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening gemeente Horst aan de Maas</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Horst aan de Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Horst aan de Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Electronisch Gem.blad 27-10-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Horst aan de Maas</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 150 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Inspraakverordening gemeente Horst aan de Maas
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>raadsbesluit</vet>
          </al>
          <al>Bijlage van gemeenteblad 2011, no. 117.</al>
          <al>
            <vet>De raad van de gemeente Horst aan de Maas;</vet>
          </al>
          <al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 september 2011,
                        gemeenteblad 2011, no. 117;</al>
          <al>gelet op het bepaalde in artikel 150 van de Gemeentewet;</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>onder intrekking van de inspraakverordeningen als vastgesteld door de raden
                        van de voormalige gemeenten Horst aan de Maas, Sevenum en
                        Meerlo-Wanssum,</al>
          <al>vast te stellen de: <vet>Inspraakverordening gemeente</vet><vet> Horst aan
                            de Maas</vet></al>
          <al>waarvan de inhoud als volgt luidt:</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <al>De verordening verstaat onder:</al>
          <al>Inspraak: Het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al>
          <al>Inspraakprocedure: De wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;</al>
          <al>Beleidsvoornemen: Het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen
                        of wijzigen van beleid.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Onderwerp van inspraak</titel>
          </kop>
          <al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                        inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.</al>
          <al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al>
          <al>Geen inspraak wordt verleend:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>Ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li>
            <li nr="b."><al>Indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                uitgesloten;</al></li>
            <li nr="c."><al>Indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het
                                bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;</al></li>
            <li nr="d."><al>Inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening
                                en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;</al></li>
            <li nr="e."><al>Indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is
                                dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li>
            <li nr="f."><al>Indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de
                                verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de
                                samenleving.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Inspraakgerechtigden</titel>
          </kop>
          <al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Inspraakprocedure</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Eindverslag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li>
              <li nr="b."><al>Een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li>
              <li nr="c."><al>Een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Het bestuursorgaan maakt het verslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking
                        ervan. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als “Inspraakverordening gemeente Horst
                        aan de Maas”.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 11 oktober 2011.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening>
        <ondertekening>ir. C.H.C. van Rooij mr. R.J.M. Poels</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>Toelichting </tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen </tussenkop>
        <al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De Vereniging van
                    Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 1993 daarvoor een modelinspraakverordening
                    opgesteld. Die modelinspraakverordening is reeds verschillende malen aangepast
                    aan diverse wetswijzigingen op nationaal niveau, bijvoorbeeld aan het
                    klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb is opgenomen, de dualisering
                    van het gemeentebestuur (Wet dualisering gemeentebestuur) en de
                    inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere wetten. De
                    “Inspraakverordening Horst aan de Maas” is volledig op het model van de VNG
                    gebaseerd. </al>
        <al>De “Inspraakverordening Horst aan de Maas” (hierna: de inspraakverordening) is
                    aangepast aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002,
                    54). Tot 1 juli 2005 kende de Awb twee verschillende procedures ter
                    voorbereiding van besluiten, namelijk afdeling 3.4 Awb (eenvoudige openbare
                    voorbereidingsprocedure) en afdeling 3.5 Awb (uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure). Ter vereenvoudiging en harmonisering van deze twee los
                    van elkaar staande voorbereidingsprocedures, zijn deze per 1 juli 2005
                    samengevoegd tot één procedure, de zogenaamde uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure, neergelegd in een nieuwe afdeling 3.4 van de Awb. Met
                    het oog op uniformering van regelgeving is thans in artikel 150, lid 2, van de
                    Gemeentewet bepaald dat inspraak op basis van de inspraakverordening wordt
                    verleend door toepassing van de nieuwe afdeling 3.4 Awb, tenzij in de
                    inspraakverordening zelf een andere inspraakprocedure is voorgeschreven. </al>
        <tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering </tussenkop>
        <al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. De
                    inspraakverordening behelst een sobere regeling mede met het oog op het
                    dereguleringsstreven van opeenvolgende kabinetten. Door het van toepassing
                    verklaren van de procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen
                    van overbodige bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige
                    paragraafindeling, is de inspraakverordening verder gedereguleerd. Nu resteert
                    een bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen. Bovendien
                    maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan de
                    behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en
                    reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. </al>
        <tussenkop>Alternatieven voor inspraak </tussenkop>
        <al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet onderscheiden worden van de andere
                    mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te wenden. Te denken
                    valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en commissievergaderingen. Andere
                    mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn: het schrijven van brieven, het
                    bezoeken van spreekuren, het houden van informatiebijeenkomsten, referenda enz.
                    Inspraak is uiteraard ook van een andere orde dan de mogelijkheid om de
                    uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te vechten door middel van bezwaar en
                    beroep. Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. </al>
        <al>Interactieve beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van
                    betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of
                    nog niet wil bepalen - hoe deze opgelost zullen worden. </al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in
                            dit artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van
                            artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de
                            voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid en heeft een
                            tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid
                            geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken.
                            Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel
                            in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                            belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 Gemeentewet
                            'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met
                            het bestuursorgaan is inbegrepen. De VNG adviseert echter het
                            tweezijdige element van gedachtewisseling zo mogelijk wel onder de
                            inspraakprocedure te brengen, omdat hiermee een derde doel kan worden
                            gediend, te weten het creëren van draagvlak voor beleidsvoornemens.</al></li>
          <li nr="2."><al>Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een
                            regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij
                            de raad. Zoals in de algemene toelichting is vermeld, is in de
                            modelverordening afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard. Artikel 4,
                            tweede lid, van het model geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere
                            procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor
                            uitvoering, de nadere regeling en organisatie van de inspraak. </al></li>
          <li nr="3."><al>Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                            voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van
                            beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de
                            vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming
                            van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak </tussenkop>
        <al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                    inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij
                    raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de
                    mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van
                    inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een
                    besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt. </al>
        <al>Door de inwerkingtreding per 1 juli 2005 van de nieuwe voorbereidingsprocedure
                    van afdeling 3.4 Awb is artikel 6a WRO geschrapt. Dit betekent dat de
                    verplichting om inspraak te verlenen op een voorontwerpbestemmingsplan of een
                    voornemen om vrijstelling te verlenen, is vervallen. Sinds 1 juli 2005 moet
                    slechts een ontwerpbestemmingsplan dan wel een ontwerp-vrijstellingsbesluit (en
                    dus niet ook daarvoor nog een voorontwerp) gedurende zes weken ter inzage worden
                    gelegd zodat een ieder mondeling of schriftelijk zienswijzen kan indienen. </al>
        <al>Met het schrappen van de verplichte inspraak kan niet worden gezegd dat in
                    bepaalde gevallen er ook geen behoefte meer is om inspraak te verlenen,
                    bijvoorbeeld op basis van een voorontwerpbestemmingsplan. Het blijft derhalve de
                    keuze van het gemeentebestuur om dat al dan niet te doen. Concreet betekent dit
                    dat bij bestemmingsplannen de raad bevoegd is om te besluiten al dan niet een
                    voorafgaande inspraakronde in te stellen. Gelet op het besluit van 5 juli 2001,
                    waarbij de bevoegdheid tot het vaststellen van een vrijstellingsbesluit
                    ingevolge artikel 19, lid 1, WRO door de raad aan uw college is gedelegeerd, is
                    bij die vrijstellingsbesluiten het college bevoegd om in voorkomende gevallen te
                    besluiten wel of geen inspraak te verlenen.</al>
        <al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder staan enkele wettelijke
                    verplichtingen opgesomd. Er is van af gezien deze op te nemen in de tekst van
                    artikel 2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting
                    direct de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats heteen
                    dermate uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee onoverzichtelijk
                    wordt. </al>
        <al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij: </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>De voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7, lid 3, onder a, Wet stedelijke vernieuwing); </al></li>
          <li nr="2."><al>De voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            lid 3, Wet milieubeheer); </al></li>
          <li nr="3."><al>De voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10:21 Wet Milieubeheer
                            (artikel 10:26, lid 2 Wet Milieubeheer); </al></li>
          <li nr="4."><al>Vaststelling van regels die zijn gericht op de realisatie en de
                            vormgeving van clientenparticipatie (artikel 1a, lid 1, Wet
                            voorzieningen gehandicapten); </al></li>
          <li nr="5."><al>De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen (artikel 42) en de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42);
                        </al></li>
          <li nr="6."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, lid 2, onder a en b, van de Woningwet (artikel
                            12, lid 4 Woningwet). In artikel 2, derde lid, is opgenomen wanneer geen
                            inspraak wordt verleend. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden </tussenkop>
        <al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb. </al>
        <tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure </tussenkop>
        <al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:10 tot en met 3:18 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                    beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken (tot de
                    inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb: vier
                    weken) schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste
                    gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op
                    grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Zo kan
                    bijvoorbeeld de genoemde zeswekentermijn door het bestuursorgaan te lang worden
                    bevonden. Bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid kan
                    deze termijn worden aangepast. </al>
        <al>Het is uiteraard mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die
                    wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Zo zou voor artikel 19 WRO-procedures
                    een aparte procedure kunnen worden ontwikkeld met bijvoorbeeld een
                    standaardtermijn van twee in plaats van zes weken. </al>
        <tussenkop>Artikel 5 Eindverslag </tussenkop>
        <al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van
                    hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. Onder het
                    in het tweede lid, onder a, genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure
                    wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb
                    onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.? </al>
        <al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In het
                    verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren
                    gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren
                    hebben gebracht. Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat
                    het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. </al>
        <al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de in de
                    gemeente gebruikelijke wijze openbaar maakt. Dit kan per gemeente kan
                    verschillen. Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken een
                    exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen
                    worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal
                    insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene
                    bekendmaking. </al>
        <al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Concreet betekent dit dat de burgemeester
                    in het burgerjaarverslag rapporteert over de kwaliteit van de procedures op het
                    vlak van burgerparticipatie, zoals inspraak. </al>
        <tussenkop>Artikel 6 Inwerkingtreding </tussenkop>
        <al>Artikel 142 van de Gemeentewet regelt de inwerkingtreding van verordeningen. Op
                    grond van dit artikel treedt de nieuwe inspraakverordening in werking met ingang
                    van de dag na die van bekendmaking (publicatie).</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Citeertitel </tussenkop>
        <al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Inspraakverordening gemeente Horst aan
                    de Maas”. In de citeertitel wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de
                    schijn wordt gewekt dat de verordening slechts voor een jaar geldt. De raad
                    voornoemd,</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>