<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR122023_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering Geldrop-Mierlo 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-11-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Middenstandsbelangen, 16-11-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering Geldrop-Mierlo 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 23 lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-11-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-11-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM2011.0634</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inburgering</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering Geldrop-Mierlo 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening Inburgering Geldrop-Mierlo 2011</vet></al><al>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 september
                        2011;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 19a, eerste lid, 23, derde lid,
                        24a, vijfde lid, 24f en 35 van de Wet inburgering en artikel 4.27, derde
                        lid, van het Besluit inburgering;</al><al><vet>Besluit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In te trekken de Verordening inburgering Geldrop-Mierlo 2010.
                            </al></li><li nr="2."><al>Vast te stellen de Verordening Inburgering Geldrop-Mierlo 2011.
                            </al></li></lijst><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>College: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b)"><al>Wet: de Wet inburgering (WI);</al></li><li nr="c)"><al>WEB: Wet Educatie en Beroepsonderwijs;</al></li><li nr="d)"><al>Voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid,
                                        van de wet; </al></li><li nr="e)"><al>Inburgeringsvoorziening: een voorziening als bedoeld in de
                                        artikelen 19, derde lid, en 24a, derde lid, van de wet, die
                                        toe leidt naar het inburgeringexamen of het staatsexamen
                                        Nederlands als tweede taal I of II, bedoeld in artikel
                                        7.3.1, eerste lid, onder c, van de WEB en die het eenmaal
                                        kosteloos afleggen van het desbetreffende examen omvat;
                                    </al></li><li nr="f)"><al>Taalkennisvoorziening: een voorziening als bedoeld in de
                                        artikelen 19, derde lid, en 24a, derde lid, van de wet die
                                        is gericht op de verwerving van de kennis van de Nederlandse
                                        taal, die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                                        beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid,
                                        onderdelen a en b, van de WEB;</al></li><li nr="g)"><al>Gecombineerde voorziening: een inburgeringsvoorziening,
                                        gecombineerd met een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
                                        van de wet; </al></li><li nr="h)"><al>Participatievoorziening: opleiding educatie,
                                        inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening of
                                        re-integratievoorziening;</al></li><li nr="i)"><al>Inburgeringsexamen: het examen, zoals bedoeld in artikel 13,
                                        eerste lid van de wet;</al></li><li nr="j)"><al>Staatsexamen: de opleidingen, zoals bedoeld in artikel
                                        7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de WEB; </al></li><li nr="k)"><al>Trajectprijs: de prijs van een participatievoorziening
                                        bestaande uit een optelsom van de afzonderlijke prijzen van
                                        de benodigde modules conform het vastgesteld
                                        trajectplan;</al></li><li nr="l)"><al>Inburgeringsplichtige: de persoon die woonachtig is in de
                                        gemeente Geldrop-Mierlo en die op grond van artikel 3, 5 en
                                        6 van de wet inburgeringsplichtig is;</al></li><li nr="m)"><al> Vrijwillige inburgeraar: de Nederlander en een persoon als
                                        bedoeld in artikel 5, tweede lid van de wet, die: </al><lijst><li nr="1)"><al>woonachtig is in de gemeente Geldrop-Mierlo; en</al></li><li nr="2)"><al>ouder is dan 15 jaar; en </al></li><li nr="3)"><al>minder dan acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland
                                heeft verbleven; en </al></li><li nr="4)"><al>niet beschikt over een bij of krachtens algemene maatregel van
                                bestuur aangewezen diploma, certificaat of ander document; en </al></li><li nr="5)"><al>niet leerplichtig of kwalificatieplichtig is, dan wel een opleiding
                                volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een bij of
                                krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma,
                                certificaat of ander document;</al></li></lijst></li><li nr="n)"><al>Oudkomer: de vreemdeling die sinds het tijdstip van
                                        inwerkingtreding van de wet rechtmatig verblijf heeft in de
                                        zin van artikel 8, onderdelen a t/m e, dan wel l, van de
                                        Vreemdelingenwet 2000 en die op grond van de artikelen 3 en
                                        5 van de wet inburgeringsplichtig wordt, voor zover die
                                        vreemdeling op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
                                        van de wet geen nieuwkomer was in de zin van de Wet
                                        inburgering nieuwkomers;</al></li><li nr="o)"><al>Uitkeringsgerechtigde: iemand die algemene bijstand
                                        ontvangt, dan wel een uitkering op grond van de Wet
                                        investeren in jongeren, dan wel een van de bij de algemene
                                        maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, vierde lid van
                                        de wet, aan te wijzen socialezekerheidswetten of
                                        socialezekerheidsregelingen;</al></li><li nr="p)"><al>Asielgerechtigde: iemand die houder is van een
                                        verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 19, zesde lid van
                                        de wet; </al></li><li nr="q)"><al>Geestelijk bedienaar: de persoon als bedoeld in artikel 1,
                                        eerste lid, onder g van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>- De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de
                                vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de
                                wet en over het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in ieder geval
                                gebruik van de volgende middelen:</al><lijst><li nr="a)"><al>het verstrekken van schriftelijk
                                        voorlichtingsmateriaal;</al></li><li nr="b)"><al>een gemeentelijk informatiepunt;</al></li><li nr="c)"><al>het geven van digitale informatie op de website van de
                                        gemeente Geldrop-Mierlo.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Het vaststellen van een voorziening aan
                            inburgeringsplichtigen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>- Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen inburgeringsplichtigen aan waarvoor met
                            voorrang een voorziening kan worden vastgesteld op basis van de volgende
                            criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>Inburgeringsplichtigen met een bijstandsuitkering;</al></li><li nr="2."><al>Inburgeringsplichtigen met een opvoedingstaak;</al></li><li nr="3."><al>Inburgeringsplichtigen zonder werk en zonder uitkering;</al></li><li nr="4."><al>Inburgeringsplichtigen die werken en zich melden voor een
                                    inburgeringstraject.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>- De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a)"><al>NT-2 onderwijs (taalonderwijs);</al></li><li nr="b)"><al>maatschappelijke oriëntatie;</al></li><li nr="c)"><al>arbeidsmarktoriëntatie;</al></li><li nr="d)"><al>kennis en oriëntatie met betrekking tot opvoeding,
                                        gezondheid en onderwijs;</al></li><li nr="e)"><al>taalstage;</al></li><li nr="f)"><al>profiel ondernemerschap;</al></li><li nr="g)"><al>opvoedondersteuning;</al></li><li nr="h)"><al>voorzieningen zoals genoemd in de Re-integratieverordening
                                        WWB, IOAW en IOAZ Geldrop-Mierlo en in de Verordening
                                        werkleeraanbod Wet investeren in jongeren
                                        Geldrop-Mierlo;</al></li><li nr="i)"><al>activiteiten of voorzieningen die in het kader van maatwerk
                                        bijdragen tot verbetering van het inburgeringsproces in het algemeen en in de lokale
                                        samenleving in het bijzonder.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>– Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt
                                zijn in het kader van inburgering indien er geen voorliggende
                                voorziening voorhanden is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een eventuele vergoeding wordt vastgesteld op de goedkoopste
                                adequate voorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het inkomen van de inburgeringsplichtige hoger is dan de in
                                aanmerking te nemen middelen voor draagkracht op grond van richtlijn
                                B137 van de Beleidsregels WWB wordt geen vergoeding verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor het bepalen van een draagkracht is richtlijn B063 van de
                                Beleidsregels WWB van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een reiskostenvergoeding wordt niet toegekend tenzij er een medische
                                noodzaak is dat de inburgeringsplichtige zich niet met een fiets kan
                                vervoeren. Een medische noodzaak wordt aangetoond middels een advies
                                van de GGD.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>- De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Het college stelt voor de inburgeringsplichtige geen
                            inburgeringsvoorziening, geen taalkennisvoorziening en geen
                            inburgeringscomponent van de gecombineerde voorziening vast in de vorm
                            van een persoonlijk inburgeringsbudget als bedoeld in artikel 19, tweede
                            lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>- De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste zes termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                voorziening de betalingswijze en de termijnen van betaling vast.
                                Indien het college de eigen bijdrage verrekent met de algemene
                                bijstand, wordt dat in de beschikking vastgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigen bijdrage wordt niet opgelegd aan uitkeringsgerechtigde
                                inburgeringsplichtigen met een arbeidsplicht wiens
                                inburgeringstraject onderdeel uitmaakt van een re-integratietraject
                                ofwel de gecombineerde voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>- Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a)"><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="b)"><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c)"><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d)"><al>voor de eerste keer deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e)"><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f)"><al>overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de
                                    voorziening kunnen ondersteunen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>- De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a)"><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b)"><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige; </al></li><li nr="c)"><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d)"><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage bedoeld
                                    in artikel 2.5; en</al></li><li nr="e)"><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>- De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 125,00 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in
                                artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 2.6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 300,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet vastgestelde termijn of binnen de door het college op grond
                                van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde
                                termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst
                                van de nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging
                                aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten en houdt rekening
                                met de omstandigheden waarin de inburgeringsplichtige verkeert.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>- Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 3.1,
                                eerste lid, bedraagt € 250,00 indien de inburgeringsplichtige zich
                                binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 3.1,
                                tweede lid, bedraagt € 500,00 indien de inburgeringsplichtige zich
                                binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte
                                overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 600,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 1.000,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stemt de hoogte van de bestuurlijke boete af op de ernst
                                van de nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging
                                aan de inburgeringsplichtige kan worden verweten en houdt rekening
                                met de omstandigheden waarin de inburgeringsplichtige verkeert.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                            inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>- Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college wijst de groepen vrijwillige inburgeraars aan waarvoor met
                            voorrang een voorziening kan worden aangeboden op basis van de volgende
                            criteria:</al><lijst><li nr="1."><al>Vrijwillige inburgeraar met een bijstandsuitkering;</al></li><li nr="2."><al>Vrijwillige inburgeraar met een opvoedingstaak;</al></li><li nr="3."><al>Vrijwillige inburgeraar zonder werk en zonder uitkering;</al></li><li nr="4."><al>Vrijwillige inburgeraars die werken en zich melden voor een
                                    inburgeringstraject.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>- De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt in overleg met de vrijwillige inburgeraar,
                                uitgezonderd geestelijke bedienaren, de samenstelling van de
                                voorziening. De voorziening wordt afgestemd op het startniveau en de
                                vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke
                                positie van de vrijwillige inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a)"><al>NT-2 onderwijs (taalonderwijs);</al></li><li nr="b)"><al>maatschappelijke oriëntatie;</al></li><li nr="c)"><al>arbeidsmarktoriëntatie;</al></li><li nr="d)"><al>kennis en oriëntatie met betrekking tot opvoeding,
                                        gezondheid en onderwijs;</al></li><li nr="e)"><al>taalstage;</al></li><li nr="f)"><al>profiel ondernemerschap;</al></li><li nr="g)"><al>opvoedondersteuning;</al></li><li nr="h)"><al>voorzieningen zoals genoemd in de Re-integratieverordening
                                        WWB, IOAW en IOAZ Geldrop-Mierlo en in de Verordening
                                        werkleeraanbod Wet investeren in jongeren
                                        Geldrop-Mierlo;</al></li><li nr="i)"><al>activiteiten of voorzieningen die in het kader van maatwerk
                                        bijdragen tot verbetering van het inburgeringsproces in het algemeen en in de lokale
                                        samenleving in het bijzonder.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>- De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Het college stelt voor de vrijwillige inburgeraar geen
                            inburgeringsvoorziening, geen taalkennisvoorziening en geen
                            inburgeringscomponent van de gecombineerde voorziening vast in de vorm
                            van een persoonlijk inburgeringsbudget als bedoeld in artikel 24a,
                            tweede lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>- De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste zes termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de overeenkomst de termijnen van betaling vast.
                                Indien overeen gekomen is dat het college de eigen bijdrage
                                verrekent met de algemene bijstand, wordt dat in de overeenkomst,
                                bedoeld in artikel 4.6 vastgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigen bijdrage wordt niet opgelegd aan uitkeringsgerechtigde
                                vrijwillige inburgeraars met een arbeidsplicht wiens
                                inburgeringstraject onderdeel uitmaakt van een re-integratietraject
                                ofwel de gecombineerde voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>- Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan in de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar,
                            bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de wet een of meer van de
                            volgende verplichtingen opnemen:</al><lijst><li nr="a)"><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="b)"><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c)"><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d)"><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat in de overeenkomst wordt neergelegd; </al></li><li nr="e)"><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de overeenkomst kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f)"><al>overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de
                                    voorziening kunnen ondersteunen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>- De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid, van de wet bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a)"><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b)"><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                                    inburgeraar;</al></li><li nr="c)"><al>de datum waarop aan het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen; </al></li><li nr="d)"><al>de sancties die kunnen worden toegepast wanneer de
                                    verplichtingen niet worden nagekomen, en</al></li><li nr="e)"><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>- Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd
                            in de overeenkomst niet of in onvoldoende mate nakomt, kan het college,
                            conform artikel 24f van de wet, de volgende sancties opleggen:</al><lijst><li nr="a)"><al>De sanctie bedraagt € 250,00 indien de vrijwillige inburgeraar
                                    geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van
                                    de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel 24d van
                                    de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4.5 van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="b)"><al>Als de vrijwillige inburgeraar geen of onvoldoende medewerking
                                    blijft verlenen aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                                    voorziening kan de sanctie onder onderdeel a verhoogd worden tot
                                    de gemaakte kosten van het traject. Tevens kan het college
                                    besluiten de vrijwillige inburgeraar uit te sluiten van de
                                    voorziening.</al></li><li nr="c)"><al>Het college stemt de hoogte van de sanctie af op de ernst van de
                                    nalatige gedraging, de mate waarin deze nalatige gedraging aan
                                    de vrijwillige inburgeraar kan worden verweten en houdt rekening
                                    met de omstandigheden waarin de vrijwillige inburgeraar
                                    verkeert.</al></li><li nr="d)"><al>Het college kan afzien van het opleggen van een sanctie als
                                    daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></li><li nr="e)"><al>Indien de vrijwillige inburgeraar belanghebbende is in de zin
                                    van de Wet werk en bijstand (WWB) of de Wet investeren in
                                    jongeren (WIJ) wordt, met inachtneming artikel 37 van de wet,
                                    geen sanctie opgelegd, maar een maatregel in het kader van de
                                    WWB of WIJ. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>- Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>- Overgangsbepaling</titel></kop><al>De inburgeringsplichtige en de vrijwillige inburgeraar die reeds voor de
                            datum van inwerkingtreding van deze verordening gestart is met een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening, kan in aanmerking
                            blijven komen voor een premie als bedoeld in artikel 6 van de
                            Verordening Inburgering Geldrop-Mierlo 2010 wanneer voldaan wordt aan de
                            voorwaarden genoemd in dat artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>- Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening indien
                                strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de
                            bekendmaking.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november
                        2011</ondertekening><ondertekening>G.A.A. van Luijn M.J.D. Donders-de Leest</ondertekening><ondertekening>griffie voorzitter</ondertekening><ondertekening>Verordening Inburgering Geldrop-Mierlo 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>De Wet inburgering (WI) is op 1 januari 2007 in werking getreden.</al><al>De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle onderdanen van
                    derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen
                    verblijven. Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de
                    eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het
                    inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting). </al><al>Op 18 december 2009 is een wijziging van de WI gepubliceerd. Het gaat om de
                    volgende wijzigingen: </al><lijst><li nr="·"><al>De vrijwillige inburgering wordt in de wet geregeld (inwerkingtreding 1
                            januari 2010);</al></li><li nr="·"><al>De mogelijkheid om op verzoek van de inburgeringsplichtige of
                            vrijwillige inburgeraar een inburgeringvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan te bieden in de vorm van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget wordt in de wet opgenomen (inwerkingtreding 19
                            december 2009 resp. 1 januari 2010);</al></li><li nr="·"><al>De twee handhavingstermijnen die in de wet zijn opgenomen worden
                            geharmoniseerd. Voor alle inburgeringsplichtigen geldt dezelfde termijn
                            waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald. Deze termijn is
                            drieënhalf jaar (inwerkingtreding 19 december 2009);</al></li><li nr="·"><al>De eenmalige verlenging van de handhavingstermijn met ten hoogste
                            tweeënhalf jaar voor inburgeringsplichtigen die een alfabetiseringcursus
                            volgen of hebben gevolgd (inwerkingtreding 19 december 2009);</al></li><li nr="·"><al>De mogelijkheid voor gemeenten om zelf te bepalen of (bepaalde groepen)
                            vrijwillige inburgeraars een eigen bijdrage moeten betalen
                            (inwerkingtreding 1 januari 2010).</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de vrijwillige inburgeraars moeten gemeenten in de verordening
                    het volgende vastleggen: </al><lijst><li nr="·"><al>regels die betrekking hebben op het aanbieden van een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan een vrijwillige
                            inburgeraar, inclusief de mogelijkheid om deze voorzieningen aan te
                            bieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 24a,
                            vijfde lid, WI);</al></li><li nr="·"><al>regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige
                            inburgeraars ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                            wet, de inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid
                            van betaling in termijnen, de niet-nakoming van de overeenkomst alsmede
                            het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar
                            (artikel 24f WI);</al></li></lijst><al>In de WI is dus ook de vrijwillige inburgering geregeld. De bepalingen in de wet
                    over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk geformuleerd overeenkomstig de
                    bepalingen die gelden voor de inburgeringsplichtigen. </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit deze wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                    inburgeraars die daarvoor op grond van de wet of het gemeentelijk beleid in
                    aanmerking komen een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te
                    bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal. In plaats van een
                    inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan inburgeringsplichtigen en
                    vrijwillige inburgeraars die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan
                    volgen een taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder wordt zowel de
                    inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening begrepen. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven.
                    Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige
                    zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden. Ook dient
                    het college toezicht te houden of de overeenkomst door de vrijwillige
                    inburgeraar wordt nagekomen en indien dat niet het geval is zo nodig maatregelen
                    te nemen. </al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>De informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen en
                            vrijwillige inburgeraars (artikel 8 en artikel 24f WI). </al></li><li nr="2."><al>Het aanbieden van een voorziening en de rechten en plichten van de
                            inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld (artikel
                            19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al></li><li nr="4."><al>Facultatief: bepalen dat het college een voorziening kan vaststellen,
                            zonder dat eerst een aanbod wordt gedaan (artikel 19a, eerste lid,
                            WI).</al></li><li nr="5."><al>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars (artikel
                            24a tot en met 24f WI). </al></li><li nr="6."><al>Het persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, tweede lid en artikel
                            24a, tweede lid, WI). </al></li></lijst><tussenkop>Het vaststellingstelsel ten behoeve van
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>Artikel 19a, eerste lid, WI geeft de bevoegdheid aan de gemeenteraad om bij
                    verordening te bepalen dat het college een voorziening niet aanbiedt aan een
                    inburgeringsplichtige, maar deze direct vaststelt. </al><al>In deze verordening wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Het college kan
                    dan niet een voorziening aan een inburgeringsplichtige aanbieden, waarbij deze
                    de mogelijkheid heeft de aangeboden voorziening te weigeren. De
                    inburgeringsplichtige is direct verplicht medewerking te verlenen aan de
                    uitvoering van de vastgestelde voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). </al><al>Wanneer zoals i.c. gekozen is voor het vaststellingstelsel, geldt dat stelsel
                    voor alle inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars die voor een
                    voorziening in aanmerking komen. </al><tussenkop>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                    inburgeraars</tussenkop><al>Artikel 8 en 24f WI bepalen dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de wet. </al><tussenkop>Het vaststellen van voorzieningen voor inburgeringsplichtigen </tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door
                    het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening. Alle
                    inburgeringsplichtigen kunnen in beginsel in aanmerking komen voor een
                    voorziening. De gemeenteraad bepaalt welke groepen inburgeringsplichtigen bij
                    voorrang in aanmerking komen voor een voorziening en welke groepen op eigen
                    kracht dienen in te burgeren. Deze keuze dient te berusten op objectieve
                    criteria die in de verordening worden vastgelegd. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen. Een inburgeringsvoorziening is bij voorkeur een duale
                    inburgeringsvoorziening; hierbij staat de economische en maatschappelijke
                    participatie centraal. Dit is een inburgeringsvoorziening die met het oog op de
                    actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de Nederlandse samenleving
                    mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel
                    gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in
                    de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd.
                    Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de kennis van de
                    Nederlands taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                    mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270,00 te betalen
                    voor de voorziening.</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook uit
                    maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid, WI). </al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het vaststellen van een voorziening. In de wet is ook vastgelegd
                    over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld. Het gaat om
                    dezelfde onderwerpen als bij het aanbieden van een voorziening (artikel 19a,
                    tweede lid, onderdeel b, WI):</al><lijst><li nr="·"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het vaststellen van
                            voorzieningen voor inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid,
                            onderdeel a, WI).</al></li><li nr="·"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het vaststellen van voorzieningen
                            voor inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                            WI).</al></li><li nr="·"><al>De vaststelling door het college van een passende voorziening, met
                            inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening
                            (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="·"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            voorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking
                            op de inning van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid
                            van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). </al></li></lijst><tussenkop>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke
                    boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                    opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><tussenkop>Het aanbieden van voorzieningen aan vrijwillige inburgeraars </tussenkop><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                    geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                    inburgeringsplichtigen. In artikel 24a van de WI wordt geregeld dat het college
                    aan de vrijwillige inburgeraar een aanbod kan doen voor een (duale)
                    inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I en II, of een taalkennisvoorziening. </al><al>Artikel 24d van de wet regelt dat indien een vrijwillige inburgeraar in
                    aanmerking komt voor een voorziening, het college een aanbod doet aan de
                    vrijwillige inburgeraar. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod voor een
                    voorziening aanvaardt, sluit het college met hem een overeenkomst. </al><al>De gemeenteraad stelt in een verordening in ieder geval regels over de procedure
                    die het college volgt voor het doen van een aanbod en de criteria die daarbij
                    worden gehanteerd, de wijze waarop met de vrijwillige inburgeraar in overleg
                    wordt getreden om te komen tot een passende voorziening, met inbegrip van de
                    totstandkoming en samenstelling van die voorziening (artikel 24a, vijfde lid,
                    WI). </al><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                    voorziening is overeengekomen de in artikel 23, tweede lid vastgestelde eigen
                    bijdrage verschuldigd. Vrijwillige inburgeraars die een gecombineerde
                    voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid, van de wet, moeten volgen,
                    hoeven geen eigen bijdrage te betalen (artikel 24e, derde lid, WI). </al><al>In deze verordening is bepaald dat alle categorieën vrijwillige inburgeraars een
                    eigen bijdrage moeten betalen (artikel 24e, tweede lid, WI). </al><al>Artikel 24f WI draagt gemeenten op om bij verordening regels te stellen over de
                    informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige inburgeraars ter zake
                    van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, de inning van de eigen
                    bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen, de
                    niet-nakoming van de overeenkomst alsmede het vaststellen van de identiteit van
                    de vrijwillige inburgeraar. </al><tussenkop>Het persoonlijk inburgeringsbudget </tussenkop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid, WI kan het
                    college een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aanbieden
                    in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige
                    respectievelijk de vrijwillige inburgeraar daarom verzoekt. </al><al>Een inburgeringsplichtige of een vrijwillige inburgeraar kan niet zonder meer
                    aanspraak doen op een persoonlijk inburgeringsbudget. </al><al>Gemeenten moeten in hun verordening regels opnemen die betrekking hebben op het
                    aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening in de vorm
                    van een persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, vijfde lid, WI en artikel
                    24a, vijfde lid, WI).</al><al>In deze verordening is opgenomen dat hiervan geen gebruik wordt gemaakt.</al><tussenkop>De procedure van het vaststellen van een voorziening</tussenkop><al>Het vaststellen van een voorziening begint met het houden van de intake. In de
                    intake wordt met de inburgeringsplichtige gesproken over de voorziening die het
                    college voor betrokkene geschikt acht. Er zijn vervolgens vier mogelijkheden: </al><lijst><li nr="1."><al>In de intake blijkt dat het college aan de inburgeringsplichtige geen
                            voorziening wil verstrekken (bijvoorbeeld omdat betrokkene niet tot de
                            prioritaire groepen behoort). Het college stelt geen voorziening vast en
                            kan een handhavingsbeschikking nemen (voor de oudkomer) of een
                            kennisgeving afgeven (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="2."><al>De gemeente biedt een voorziening aan en de inburgeringsplichtige is het
                            hiermee eens. De gemeente geeft een beschikking af;</al></li><li nr="3."><al>De inburgeringsplichtige vindt de voorziening niet gepast en geeft aan
                            zelf op een andere wijze aan de inburgeringsplicht te zullen voldoen.
                            Het college stemt hiermee in en neemt alleen een handhavingsbeschikking
                            (voor een oudkomer) of een kennisgeving (voor een nieuwkomer);</al></li><li nr="4."><al>Het college acht een voorziening geschikt maar de inburgeringsplichtige
                            wil deze voorziening niet. Het college heeft de mogelijkheid om de
                            voorziening vast te stellen, tegen de zin van betrokkene in.</al></li></lijst><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 - Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 - Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een enkele
                    omschrijving verdient enige extra aandacht.</al><al>Omwille van leesbaarheid van de verordening wordt het begrip ‘voorziening’
                    gebruikt (eerste lid, onderdeel d). Een voorziening kan zowel een (duale)
                    inburgeringsvoorziening als een taalkennisvoorziening inhouden. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 1.2 - De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                    vrijwillige inburgeraars </tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te
                    bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt georganiseerd. Wel bepalen
                    de artikelen 8 WI en 24f WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars ter zake van hun rechten en
                    plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van inburgeringsplichtigen dienen
                    ook regels te worden vastgesteld ter zake van het aanbod van en de toegang tot
                    inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. Er is
                    voor gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het college (in
                    ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening te organiseren.</al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het college is belast met de
                    organisatie van de informatieverstrekking. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars
                    kan op allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart
                    informatiepunt inrichten al dan niet in combinatie met een digitaal loket. Het
                    is ook mogelijk om de informatievoorziening onder te brengen bij een centraal
                    informatiepunt. Ook kan de gemeente bepaalde organisaties (bijvoorbeeld
                    educatie-instellingen, bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een
                    rol geven bij de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                    inburgeraars. </al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder geval) een
                    aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars vorm te geven. Daarbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan: </al><lijst><li nr="·"><al>het inrichten van een informatiepunt;</al></li><li nr="·"><al>het toezenden van schriftelijk voorlichtingsmateriaal aan personen ten
                            aanzien van wie al dan niet op grond van gegevens uit het Bestand
                            Potentiële Inburgeringsplichtigen redelijkerwijs kan worden aangenomen
                            dat zij inburgeringsplichtig zijn;</al></li><li nr="·"><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om
                            uitkeringen;</al></li><li nr="·"><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="·"><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                            website.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2 - Het vaststellen van een voorziening aan
                    inburgeringsplichtigen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 - Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>In dit artikel is gebruik gemaakt van de bevoegdheid in artikel 19a, eerste lid,
                    WI om bij verordening te bepalen dat het college een voorziening kan vaststellen
                    zonder dat daaraan een procedure van aanbod (door het college) en aanvaarding
                    (door de inburgeringsplichtige) vooraf hoeft te gaan. Op grond van dit artikel
                    kan het college voor elke inburgeringsplichtige een voorziening vaststellen. </al><al>Op grond van artikel 19a, tweede lid, onderdeel b juncto artikel 19, vijfde lid,
                    onderdeel a, WI moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen met
                    betrekking tot de criteria die worden gehanteerd bij het vaststellen van een
                    voorziening. Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit
                    artikel wordt het college opgedragen om vast te stellen ten aanzien van welke
                    groepen inburgeringsplichtigen bij voorrang een voorziening kan worden
                    vastgesteld. </al><al>Dit artikel regelt dat voor de groepen die het college aanwijst <cursief>bij
                        voorrang </cursief>een voorziening wordt vastgesteld. Dit betekent dat het
                    college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een voorziening vast te
                    stellen voor inburgeringsplichtigen die niet behoren tot de groep of groepen die
                    hij heeft aangewezen. Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot
                    de groep of groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een
                    recht gaan ontlenen op het krijgen van een voorziening, bepaalt dit artikel dat
                    het college voor de groepen die hij aanwijst een voorziening <cursief>kan
                    </cursief>vaststellen.</al><tussenkop>Artikel 2.2 - De samenstelling van de voorziening</tussenkop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende (duale) inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling
                    van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel
                    worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor
                    iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden voorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    voorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van een
                    voorziening kunnen de volgende factoren een rol spelen:</al><lijst><li nr="·"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                            Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="·"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                            vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan
                            het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen.</al></li><li nr="·"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                            inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    voorziening daarmee te combineren. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de voorziening gecombineerd <onderstreept>moet
                    </onderstreept>worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (re-integratievoorziening) als een voorziening wordt aangeboden aan een
                    inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op
                    grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én deze
                    verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid,
                    WI). Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                    voorziening (artikel 20, tweede lid, WI). </al><al>Artikel 19, vierde lid, WI draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene tot
                    arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op de
                    re-integratievoorziening. Aangezien de re-integratievoorziening in het kader van
                    de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen
                    ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 WI). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. In de wet
                    is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een
                    cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                    als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende
                    examen (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de voorziening
                    (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het
                    college als onderdeel van de voorziening voor inburgeringsplichtigen kan
                    opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan
                    een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                    maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van
                    kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen voorziening in combinatie met
                    een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                    onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de voorziening ook
                    rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal
                    de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen. </al><tussenkop>Artikel 2.3 - Overige vergoedingen</tussenkop><al>Voor gemaakte kosten in het kader van inburgering kan, indien er geen
                    voorliggende voorziening aanwezig is, een vergoeding verstrekt worden.</al><al>Reiskosten worden niet vergoed, tenzij er een medische noodzaak is. Een
                    vergoeding wordt dan vastgesteld op de goedkoopste adequate voorziening.`</al><al>In dit artikel is opgenomen dat een eventuele medische noodzaak vastgesteld
                    wordt door de GGD, welke bekostigd wordt door de gemeente.</al><al>In dit artikel wordt verder bepaald dat wanneer het inkomen van de
                    inburgeringsplichtige hoger is dan de in aanmerking te nemen middelen voor
                    draagkracht op grond van richtlijn B137 van de Beleidsregels WWB (“In aanmerking
                    te nemen middelen voor draagkracht”) er geen vergoeding wordt verstrekt en dat
                    voor het bepalen van een draagkracht richtlijn B063 van de Beleidsregels WWB
                    (“Draagkrachtpercentages”) van overeenkomstige toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 2.4 - De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget</tussenkop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid, in combinatie met artikel 19a, tweede lid,
                    WI kan het college de voorziening vaststellen in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige daarom verzoekt. Op grond van
                    het vijfde lid van artikel 19 WI moet de gemeenteraad bij verordening regels
                    stellen over de procedure die door het college wordt gevolgd bij het behandelen
                    van verzoeken om een persoonlijk inburgeringsbudget en de criteria die worden
                    gehanteerd bij het toekennen van een persoonlijk inburgeringsbudget. </al><al>In deze verordening wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 2.5 - De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte
                    van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt € 270. Dit bedrag kan
                    bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid,
                    WI). </al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige
                    het recht heeft de eigen bijdrage in ten hoogste zes termijnen te betalen.
                    Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij inburgeringsplichtigen die algemene
                    bijstand ontvangen mogelijk dat het college de eigen bijdrage verrekent met deze
                    uitkering. Als het college wil overgaan tot verrekening, moet dat worden
                    vastgelegd in de beschikking tot vaststelling van de voorziening. </al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het college
                    het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                    uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit geval int het UWV de
                    eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt
                    door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet in deze verordening
                    geregeld. </al><tussenkop>Artikel 2.6 - Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Dit artikel
                    delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                    worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te
                    leggen. Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                    voorziening deze verplichtingen vast. </al><tussenkop>Artikel 2.7 - De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het vaststellen van een voorziening is een beschikking. Dit
                    betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in
                    bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in
                    ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23, eerste
                    lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de
                    inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder
                    andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf jaar (artikel 7,
                    eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen
                    melding worden gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 2.5 van de verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige
                    oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan
                    moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22,
                    tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen drieënhalf jaar ná deze datum moet de
                    betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald. Het college kan zelf
                    bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start
                    gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                    bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van start
                    gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd
                    bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                    vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht,
                    onafhankelijk van het moment waarop met de voorziening kan worden begonnen bij
                    het uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor voldoen aan
                    de inburgeringsplicht. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 - De bestuurlijke boete</tussenkop><tussenkop> Artikel 3.1 - De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al>In artikel 3.1 zijn lagere bedragen genoemd bij een eerste overtreding van een
                    bepaald voorschrift.</al><al>In artikel 3.2 is geregeld dat bij recidive een hogere boete kan worden
                    opgelegd.</al><al>De boetebedragen die in de verordening zijn opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling
                    brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal
                    moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van
                    de betrokken inburgeringsplichtige. </al><al>Het college heeft tevens de mogelijkheid om af te zien van het opleggen van een
                    bestuurlijke boete als daarvoor dringende redenen zijn. </al><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval
                    géén bestuurlijke boete kan opleggen. </al><tussenkop>Artikel 3.2 - Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 3.1 mogelijk
                    is. </al><al>De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding zijn
                    uiteraard niet hoger dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich voordoen binnen een tijdspanne van twaalf maanden. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het
                    geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                    verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit
                    is geregeld in het derde en vierde lid van dit artikel. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 3.1,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het derde lid van artikel 3.2 het mogelijk dat het college
                    een hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34,
                    onderdeel d, WI). In het derde lid is gekozen voor een boete van € 600. Ook in
                    dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden opgenomen
                    waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                    inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                    wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                    vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen
                    door de inburgeringsplichtige. </al><al>Ook hier geldt dat het college bij elke overtreding de bestuurlijke boete zal
                    moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                    overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig
                    rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd
                    (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met
                    zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten
                    nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de
                    betrokken inburgeringsplichtige. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4 - Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                    inburgeraars</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 - Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>In dit artikel worden de criteria genoemd op grond waarvan het college
                    categorieën vrijwillige inburgeraars kan aanwijzen die bij voorrang in
                    aanmerking komen voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Het
                    ligt voor de hand om bij vrijwillige inburgeraars dezelfde criteria te hanteren
                    als bij inburgeringsplichtigen (artikel 2.1 van de verordening). </al><tussenkop>Artikel 4.2 - De samenstelling van de voorziening</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 2.2 van de verordening. </al><tussenkop>Artikel 4.3 - De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                    inburgeringsbudget</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 2.4 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 4.4 - De inning van de eigen bijdrage </tussenkop><al>Op grond van artikel 24e WI is de vrijwillige inburgeraar met wie een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is overeengekomen een eigen
                    bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage is geregeld in artikel 23,
                    tweede lid, WI. Artikel 24f bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    moet stellen over de eventuele inning van de eigen bijdrage door het college en
                    de mogelijkheid van betaling in termijnen. Artikel 4.4 van deze verordening is
                    de uitwerking van deze verplichting. </al><tussenkop>Artikel 4.5 - Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                    neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een vrijwillige
                    inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de verplichtingen die het
                    college kan opnemen in de beschikking waarmee een voorziening voor een
                    inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie artikel 2.6 van de verordening). </al><tussenkop>Artikel 4.6 - De inhoud van de overeenkomst</tussenkop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van een
                    voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot het
                    vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen (zie artikel 2.7 van
                    de verordening). </al><tussenkop>Artikel 4.7 - Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst </tussenkop><al>Op grond van artikel 24f moet de raad bij verordening regels stellen over de
                    niet-nakoming van de overeenkomst. In dit artikel legt de raad de sancties vast
                    die het college kan toepassen als de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen
                    die zijn neergelegd in de overeenkomst niet nakomt. Gedacht kan worden aan de
                    volgende soorten sancties: </al><lijst><li nr="·"><al>een sanctie van € 250 vergelijkbaar met de bestuurlijke boetes die het
                            college kan opleggen als een inburgeringsplichtige geen of onvoldoende
                            medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                            voorziening;</al></li><li nr="·"><al>een sanctie ter hoogte van de gemaakte kosten van het traject wanneer de
                            vrijwillige inburgeraar geen of onvoldoende medewerking blijft verlenen
                            aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening.</al></li></lijst><al>In dit artikel is gekozen voor een sanctie gelijk aan de bestuurlijke boete die
                    aan een inburgeringsplichtige kan worden opgelegd bij het voor de eerste maal
                    niet nakomen van de verplichtingen (onderdeel a). Bij herhaling kan het college
                    besluiten tot een sanctie ter hoogte van de trajectkosten en de vrijwillige
                    inburgeraar tevens uit te sluiten van de voorziening (onderdeel b).</al><al>De sanctiebedragen die in de verordening zijn opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de sanctie moeten
                    afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                    overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig
                    rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd
                    (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met
                    zich mee dat het college bij elke op te leggen sanctie zal moeten nagaan welke
                    sanctie passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    vrijwillige inburgeraar (onderdeel c).</al><al>Onderdeel d geeft het college de mogelijkheid om af te zien van het opleggen van
                    een sanctie als daarvoor dringende redenen zijn. </al><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedragingen (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een sanctie als voor het
                    verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet
                    werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een
                    andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling voor
                    deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén
                    sanctie kan opleggen (onderdeel e).</al><tussenkop>Artikel 4.8 - Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                    inburgeraar</tussenkop><al>Artikel 24f WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen
                    over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar. Dit
                    artikel van de verordening is een uitwerking van deze verplichting. Dit artikel
                    is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is geregeld op welke wijze het college de
                    identiteit van een inburgeringsplichtige vaststelt. </al><tussenkop>Hoofdstuk 5 - Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 - Overgangsbepaling</tussenkop><al>Artikel 6 van de Verordening Inburgering Geldrop-Mierlo 2010 maakte het mogelijk
                    dat onder voorwaarden aan een inburgeringsplichtige en een vrijwillige
                    inburgeraar een premie ter hoogte van de eigen bijdrage kon worden
                    toegekend.</al><al>Deze mogelijkheid voor het toekennen van een dergelijke premie blijft behouden
                    voor de inburgeringsplichtige en de vrijwillige inburgeraar die reeds voor de
                    datum van inwerkingtreding van deze verordening gestart is met een
                    inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 5.2 - Hardheidsclausule</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college stelt de gemeenteraad
                    de beleidskaders vast in een verordening. Het college is belast met de
                    uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere uitwerking
                    daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte
                    toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van
                    overwegende aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                    recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het gemeentelijk
                    beleid en anderzijds het individuele belang van de inburgeringsplichtige of
                    vrijwillige inburgeraar. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten
                    worden genomen die afwijken van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5.3 - Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>