<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR121358_2</dcterms:identifier><dcterms:title>ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING OEGSTGEEST 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 08-07-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening Oegstgeest 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-25</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR371539_1">ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING OEGSTGEEST 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening Oegstgeest 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 april 2011, nr.
                        35/11;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING OEGSTGEEST 2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening verstaat onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="3.09*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. colleg:</al></entry><entry colname="col2"><al>college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Oegstgeest;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. raad:</al></entry><entry colname="col2"><al>raad van de gemeente Oegstgeest;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. jaarlijkse subsidie:</al></entry><entry colname="col2"><al>subsidie die voor één tot maximaal 4 (boek)jaren aan
                                                een instelling wordt verstrekt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. eenmalige subsidie:</al></entry><entry colname="col2"><al>subsidie ten behoeve van bijzondere incidentele
                                                projecten of activiteiten die niet behoren tot de
                                                reguliere bezigheden van de aanvrager en waarvoor
                                                het college slechts voor een van tevoren bepaalde
                                                tijd van maximaal vier jaar subsidie wil
                                                vertrekken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. subsidieplafond:</al></entry><entry colname="col2"><al>het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten
                                                hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van
                                                subsidies krachtens deze verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. egalisatiereserve:</al></entry><entry colname="col2"><al>een vrij aanwendbare reserve om tot een gelijkmatige
                                                verdeling over meerdere boekjaren te komen van de
                                                lasten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt vast dat voor de volgende beleidsterreinen subsidie
                                kan worden verstrekt:</al><lijst><li nr="-"><al>Natuur en Landschap</al></li><li nr="-"><al>Verkeer en Infrastructuur</al></li><li nr="-"><al>Wonen en Werken</al></li><li nr="-"><al>Sociale Infrastructuur</al></li><li nr="-"><al>Algemeen Bestuur</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren
                                activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie per
                                beleidsterrein zoals bedoeld in het eerste lid worden
                                omschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Subsidies kunnen worden aangevraagd door natuurlijke personen en
                                rechtspersonen, met dien verstande dat subsidies van € 5.000 of meer
                                slechts kunnen worden aangevraagd door een rechtspersoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van
                                subsidies met in achtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen
                                financiële middelen of het subsidieplafond en - indien de begroting
                                nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder de voorwaarde
                                dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot
                                subsidieverlening te verbinden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten
                                tot het instellen van subsidieplafond(s).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, met inachtneming van de ingevolge artikel 2, door
                                de raad vastgestelde beleidsterreinen en regels, nadere regels
                                stellen omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is
                                vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                                middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk met een
                                aanvraagformulier ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de activiteiten, de doelstellingen en
                                        de mate waarin de activiteiten gericht zijn op de gemeente
                                        of haar ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>een begroting van de baten en kosten van de activiteiten,
                                        waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Indien van
                                        toepassing bevat deze begroting een opgave van bij andere
                                        bestuursorganen of private organisaties of personen
                                        aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van
                                        dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van
                                        zaken daarvan;</al></li><li nr="c."><al>een beschrijving van de te behalen prestaties bij aanvraag
                                        van een subsidie van € 25.000 of meer;</al></li><li nr="d."><al>de stand per 31 december van het afgelopen boekjaar van de
                                        egalisatiereserve (het vrij besteedbaar vermogen) voor de te
                                        subsidiëren activiteiten bij een aanvraag van een jaarlijkse
                                        subsidie van € 25.000 of meer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een rechtspersoon voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie
                                aanvraagt, kan inzage worden gevraagd in de volgende documenten: de
                                oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening,
                                inclusief de balans. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd ook minder of andere dan in het tweede en
                                derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen
                                van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk of voldoende
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Subsidiëring mede door andere bestuursorganen</titel></kop><al>Indien een subsidieverzoek wordt ingediend voor activiteiten, die mede
                            door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan het college
                            afwijken van de verplichtingen genoemd in deze Algemene
                            subsidieverordening, met het oog op goede afstemming met de door die
                            andere bestuursorganen opgelegde verplichtingen en het gemeentelijk
                            belang waarvoor deze subsidie wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1
                                juni in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de
                                subsidieaanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend ten minste
                                8 weken vóórdat uitvoering van de activiteit plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een
                                aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen
                                8 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, of als het college
                                andere regels heeft opgesteld, 8 weken gerekend vanaf de uiterste
                                indieningtermijn voor het aanvragen van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie
                                uiterlijk vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar
                                waarvoor de aanvraag is ingediend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WEIGERING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie wordt naast het genoemde in artikel
                                4:25 lid 2 Awb geweigerd indien aantoonbare redenen bestaan om aan
                                te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet aanwijsbaar gericht zijn of ten goede
                                        komen aan de gemeente of haar ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal
                                        ontplooien die in strijd zijn met de wet- en regelgeving,
                                        het algemeen belang of de openbare orde;</al></li><li nr="c."><al>de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak het doel hebben
                                        het uitdragen van religieuze, levensbeschouwelijke of
                                        politieke aard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie kan naast de in artikel 4.35 Awb
                                genoemde gevallen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien
                                aantoonbare redenen bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds op andere
                                        wijze in voldoende inkomsten kan voorzien of door anderen
                                        hiervoor voldoende subsidie is verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet alle benodigde vergunningen en
                                        ontheffingen ten behoeve van de te subsidiëren activiteiten
                                        heeft verkregen;</al></li><li nr="c."><al>het subsidiëren van de activiteit zal leiden tot
                                        oneigenlijke concurrentie met plaatselijke ondernemers;</al></li><li nr="d."><al>de activiteiten voor een eenmalige subsidie behoren tot de
                                        reguliere activiteiten van de aanvrager.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor een subsidie van € 25.000 of meer kan geheel of
                                gedeeltelijk worden geweigerd indien het college van mening is dat
                                de egalisatiereserve voor deze activiteiten van dusdanige omvang is
                                dat de subsidie niet (geheel) nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERLENING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verlening subsidie</titel></kop><al>Bij het besluit tot verlenen van de subsidie geeft het college aan op
                            welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie
                            plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Betaling en bevoorschotting</titel></kop><al>Indien besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in het
                            besluit tot subsidieverlening, de hoogte en de termijnen van de
                            voorschotten bepaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>Bij subsidies van € 5.000 of meer, welke verleend worden voor
                            activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de
                            verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en
                            verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt
                            niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra
                                aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend,
                                niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet
                                geheel aan de in de beschikking tot subsidieverlening verbonden
                                voorwaarden zal worden voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als uit bewijsstukken blijkt dat niet is voldaan aan de
                                meldingsplicht, kan het college de subsidie lager vaststellen of
                                intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger verricht de activiteiten waarvoor de subsidie
                                is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieontvanger tracht van derden financiële steun te krijgen
                                en vraagt zo mogelijk haar leden, deelnemers of gebruikers een
                                redelijke eigen bijdrage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen
                                ontstaan of dreigen te ontstaan tussen werkelijke uitgaven en
                                inkomsten en begrote uitgaven en inkomsten en de verklaring van de
                                verschillen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk
                                schriftelijk over: </al><lijst><li nr="a."><al>besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging
                                        van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, dan wel
                                        ontbinding van de rechtspersoon;</al></li><li nr="b."><al>relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische
                                        verhouding met derden;</al></li><li nr="c."><al>ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de
                                        beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden
                                        geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van
                                        de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het
                                        doel van de rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor
                                handelingen als vermeld in artikel 4:71 Awb.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op verzoek van het college dient de subsidieontvanger mee te werken
                                aan een steekproefsgewijze controle ten aanzien van de
                                gesubsidieerde activiteiten. De subsidieontvanger dient desgevraagd
                                bewijsstukken te overleggen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verantwoording subsidies tot € 5.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies tot € 5.000 worden door het college:</al><lijst><li nr="a."><al>direct vastgesteld of</al></li><li nr="b."><al>ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten
                                        uiterlijk moeten zijn verricht of, indien van toepassing, 13
                                        weken nadat de op grond van lid 2 benodigde gegevens zijn
                                        ontvangen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op de door
                                haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor
                                subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan
                                de subsidie verbonden voorwaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Verantwoording subsidies van € 5.000 tot € 25.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de subsidieverlening € 5.000 of meer bedraagt, maar minder dan €
                                25.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in
                                bij het college: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk
                                        5 maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is
                                        verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk (jaar)verslag,
                                waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is
                                verleend, zijn verricht, inclusief een overzicht van de aan de
                                activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook minder of andere dan in dit artikel
                                bedoelde gegevens en bescheiden, die voor de vaststelling van belang
                                zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verantwoording subsidies van € 25.000 of meer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening € 25.000 of meer bedraagt, dient de
                                subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 juni
                                        in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk
                                        5 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is
                                        verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten
                                        waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de hieraan verbonden uitgaven en
                                        inkomsten, inclusief toelichting (financieel jaarverslag of
                                        jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak, inclusief
                                        toelichting;</al></li><li nr="d."><al>een accountantsverklaring, indien de subsidieverlening €
                                        50.000 of meer bedraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook minder of andere dan in dit artikel
                                bedoelde gegevens en bescheiden, die voor de vaststelling van belang
                                zijn, worden overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording
                                daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de
                                subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid
                                genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger
                                daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot
                                subsidievaststelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                                aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat
                                de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in
                                te dienen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het
                                eerste lid van artikel 16, respectievelijk artikel 17 genoemd
                                tijdstip is ontvangen, gaat het college 6 weken na een eenmalige
                                rappel over tot ambtshalve vaststelling. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, gelet op het belang van de
                            aanvrager, afwijken van bepalingen in deze verordening, met uitzondering
                            van de artikelen 1, 2, 3 en 9. Het van toepassing verklaren van dit
                            artikel wordt gemotiveerd in het besluit. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening 2009 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 1 augustus 2011 worden
                            beoordeeld volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening
                            2009. De vaststelling van deze subsidies vindt plaats op basis van de
                            Algemene subsidieverordening Oegstgeest 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 augustus 2011. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                            Oegstgeest 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 23 juni 2011.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING op de Algemene subsidieverordening Oegstgeest 2011</titel></kop><tussenkop>artikelsgewijzige toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, dat in de verordening
                    wordt gehanteerd. Er is in de definities een onderscheid gemaakt tussen
                    verschillende vormen van subsidie. De jaarlijkse subsidie, die in het kader van
                    lastenverlichting bij voorkeur voor meerdere jaren wordt verleend en veelal op
                    voortdurende activiteiten van een instelling betrekking heeft. In de onderhavige
                    verordening is bepaald dat deze voor een periode van ten hoogste 4 jaren worden
                    verstrekt. Na het verstrijken van die periode kan uiteraard opnieuw worden
                    besloten een jaarlijkse subsidie te verstrekken. Voor de periode van 4 jaren is
                    gekozen, omdat deze termijn én aansluit bij de zittingstermijn van de raad
                    (hoewel die termijnen uiteraard niet gelijk hoeven te lopen) én het een goede
                    termijn lijkt om te bezien of eerder vastgestelde beleidsdoelen nog gelden en,
                    zo ja, die met de verstrekte subsidies worden gediend. Als deze subsidie voor
                    langer dan drie jaar aan een instelling wordt verstrekt voor de uitvoering van
                    dezelfde activiteit(en), ontstaat er een subsidierelatie, zoals beschreven in
                    artikel 4:51 van de Awb en dient bij weigering van de subsidie voor een nieuw
                    tijdvak een redelijke termijn in acht te worden genomen. </al><al>In deze verordening is er bewust niet voor gekozen artikel 4.2.8 van de Awb in
                    zijn geheel van toepassing te verklaren op de jaarlijkse subsidie. Afdeling
                    4.2.8 biedt een regeling voor subsidies waarbij het bestuursorgaan financieel en
                    beleidsmatig sterk betrokken is, hetgeen niet bij iedere door de gemeente
                    verstrekte jaarlijkse subsidie gewenst is. Juist bij jaarlijks verstrekte
                    subsidies is de aard en grootte van de instelling en de hoogte van de subsidie
                    bepalend voor de omvang van (aanvullende) afspraken.</al><al-groep><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies die voor een eenmalige activiteit of een
                        activiteit, waarvoor het college slechts voor een van te voren bepaalde tijd
                        van maximaal 4 jaar subsidie wil verlenen. Te denken valt aan een subsidie
                        ten behoeve van het doorgang doen vinden van de gebruikelijke activiteiten
                        van de subsidieontvanger, terwijl die doorgang door bijzondere, incidentele
                        omstandigheden anders niet gewaarborgd zou zijn. Of aan projectsubsidies die
                        worden gegeven voor door de subsidieontvanger te realiseren bijzondere
                        projecten, zoals bijvoorbeeld een dansvoorstelling of kunstmanifestatie.
                        Eenmalige subsidies hebben een looptijd, afhankelijk van de duur van het
                        project en kunnen onder omstandigheden dus een looptijd hebben van langer
                        dan een jaar. Overigens is het wel mogelijk om achtereenvolgens meerdere
                        “eenmalige” waarderingssubsidies te verlenen. </al><al>Alle in deze verordening genoemde bedragen betreffen een subsidiebedrag of
                        subsidiegrens voor één kalenderjaar (jaarlijkse subsidies) of één tijdvak
                        (eenmalige subsidies).</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2. Reikwijdte verordening</tussenkop><al>In het eerste lid wordt aangegeven voor welke beleidsterreinen subsidies kunnen
                    worden verstrekt. De opsomming van beleidsterreinen sluit aan bij de indeling
                    van de programmabegroting. </al><al>Er is voor gekozen om zo veel mogelijk op te nemen in deze algemene verordening.
                    Op die manier wordt bereikt dat zowel burger als bestuur direct en zonder zich
                    teveel in onderliggende zaken als beleidsregels en raadsbesluiten, hoeven te
                    verdiepen om na te gaan aan welke voorwaarden zij moeten voldoen om voor
                    verlening van een subsidie in aanmerking te komen. </al><al>Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is uiteraard niet
                    te vermijden, dat op onderdelen nadere regels noodzakelijk zullen blijken. Die
                    verscheidenheid onderbrengen in een algemene verordening komt de nagestreefde
                    overzichtelijkheid niet ten goede. Daarbij komt dat beleidsdoelen en
                    prioriteiten wijzigen en dit, naar aangenomen mag worden, in een hoger tempo
                    zullen doen dan de Algemene subsidieverordening aan wijziging toe is. Wijziging
                    van een complexe en uitgebreide verordening, die veel beleidsterreinen
                    bestrijkt, gaat gepaard met aanzienlijke bestuurlijke en administratieve lasten.
                    Met deze algemene verordening, die de kaders geeft voor nadere regels, worden
                    deze lasten beperkt in aantal en kwaliteit. Zo zal het bij een eventuele
                    wijziging van de verordening niet noodzakelijk zijn alle beleidsafdelingen van
                    de gemeente daarbij anders dan in informerende zin te betrekken.</al><tussenkop>Artikel 3. Bevoegdheid college</tussenkop><al>Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de raad
                    vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze Algemene
                    subsidieverordening. Dit betekent dat het college geen subsidies kan verlenen,
                    die niet stroken met de door de raad vastgestelde algemene regels. Met besluiten
                    over het verstrekken van subsidies in plaats van verlenen van subsidies wordt
                    beoogd de bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook het
                    bevoorschotten, lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke.</al><al-groep><al>In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de gemeentebegroting en
                        subsidieplafonds in acht neemt. Als de gemeentebegroting nog niet is
                        vastgesteld en er formeel dus nog geen financiële ruimte door de raad
                        beschikbaar is gesteld, wordt subsidie slechts verleend onder de voorwaarde
                        dat de raad daarvoor geld beschikbaar zal stellen, het zogenoemde
                        begrotingsvoorbehoud.</al><al>In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden
                        aan de subsidie te verbinden (zie hiertoe ook artikel 4:37 Awb). Ook de
                        bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een uitvoeringsovereenkomst te
                        verbinden, berust bij het college. De VNG adviseert terughoudend te zijn met
                        het opstellen van uitvoeringsovereenkomsten, aangezien dan de vraag ontstaat
                        of dan niet sprake is van een opdracht situatie. Waar de subsidiebeschikking
                        slechts gericht is op één partij, kunnen wel meerdere partijen aan elkaar
                        worden gebonden middels een uitvoeringsovereenkomst. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</tussenkop><al>In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen
                    rondom het werken met een ‘subsidieplafond’ gegeven. Ingevolge het eerste lid
                    van artikel 4 kan de raad subsidieplafonds per beleidsterrein vaststellen. In de
                    regel valt dit qua tijdstip samen met de vaststelling van de begroting. De raad
                    stelt subsidieplafonds vast en maakt daarbij de wijze van verdeling van de
                    beschikbare middelen bekend. Eventueel kan het college nadere regels opstellen
                    omtrent de wijze van verdeling van de beschikbare middelen.</al><al-groep><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat het subsidieplafond
                        bekend wordt gemaakt, vóórdat de periode waarop het betrekking heeft,
                        ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld
                        beschikbaar is. Maar vooral van belang is, dat subsidieaanvragen zonder
                        nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond
                        bereikt is. Nadere regels zullen worden gesteld over de verdeling van de
                        beschikbare bedragen. </al><al>Bij de eenmalige welzijnssubsidies is een verdeelmechanisme van toepassing
                        op volgorde van binnenkomst, “wie het eerst komt, het eerst maalt”, waarbij
                        aanvragen in volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag worden
                        behandeld. Bij de jaarlijkse welzijnssubsidies wordt het beschikbare budget
                        verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge
                        vergelijking en aansluiting bij het Subsidieplan en beleidsnota’s. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 5. Bij aanvraag in te dienen gegevens</tussenkop><al-groep><al>Ingevolge artikel 4:29 Awb begint het subsidieproces met een aanvraag. In
                        het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient
                        te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier
                        geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het
                        college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar
                        heeft gesteld. </al><al>Volgens de Awb is aan het vereiste van ondertekening door een elektronische
                        handtekening voldaan, indien de methode, die daarbij voor authentificatie is
                        gebruikt, voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en inhoud van het
                        elektronische bericht en het doel, waarvoor het wordt gebruikt. DigiD is de
                        gemeenschappelijke authencificatievoorziening van en voor de Nederlandse
                        overheid. </al></al-groep><al-groep><al>In artikel 5, lid 2, is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te
                        overleggen bij zijn subsidieaanvraag. De bevoegdheid van het college ter
                        zake nadere regels te stellen, is geregeld in lid 4. Zo kan het college
                        regelen dat voor bepaalde categorieën subsidies met minder dan de standaard
                        te overleggen gegevens bij aanvraag van een subsidie kan worden volstaan.
                        Uitgangspunt is de administratieve en bestuurlijke lasten voor alle
                        betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden.</al><al>In artikel 5, lid 2, sub d, wordt verwezen naar de systematiek van
                        subsidieverlening en verrekening bij jaarlijks (per boekjaar) verstrekte
                        subsidies conform artikel 4:72 Awb. Een dergelijke verplichting dient in de
                        beschikking tot subsidieverlening te worden opgenomen. Inzage in de
                        financiële reserve van een instelling is slechts aan de orde voor de
                        beoordeling van een jaarlijkse subsidieaanvraag van een grote instelling met
                        overeenkomstige subsidiebehoefte.</al><al>In artikel 5, lid 3, worden meer formele eisen gesteld aan instellingen, die
                        voor de eerste maal subsidie aanvragen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 7. Aanvraagtermijn</tussenkop><al>De aanvraagtermijn voor jaarlijkse subsidies verschuift van 1 mei naar 1 juni.
                    Dit geldt eveneens voor de verantwoording van subsidies boven de € 5.000 (zie
                    artikel 16). Instellingen krijgen zo meer tijd voor het opstellen van de
                    begroting en jaarrekening. De datum van binnenkomst valt tevens niet meer samen
                    met feest- en vakantiedagen (rond 30 april). Vaststelling van jaarlijkse
                    subsidies onder de € 5.000 vindt direct of ambtshalve vóór 1 april plaats. Op
                    deze wijze wordt de administratieve last voor de (kleine) subsidieontvanger en
                    voor de gemeente gespreid. </al><al>Het concept-subsidieplan, met de mogelijkheid om tussentijds een zienswijze in
                    te dienen, komt als tussenstap te vervallen. In de praktijk werd hier nauwelijks
                    gebruik van gemaakt. De mogelijkheid voor het indienen van bezwaar naar
                    aanleiding van de beschikkingsbrief blijft uiteraard gehandhaafd.</al><tussenkop>Artikel 8. Beslistermijn</tussenkop><al>Hier worden de termijnen gegeven, waarbinnen het college gehouden is te
                    beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte
                    beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. In de regel wordt een termijn van
                    acht tot dertien weken bij eenvoudige aanvragen redelijk geacht. </al><tussenkop>Artikel 9. Weigeringsgronden</tussenkop><al-groep><al>De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb,
                        worden hier met een nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden grond
                        aangevuld. Dit betreft onder meer het niet of niet in overwegende mate
                        gericht zijn van de activiteiten van de aanvrager op de gemeente, dan wel
                        haar ingezetenen of daaraan niet of nauwelijks ten goede komen.</al><al>De weigeringsgronden, genoemd onder lid 1 en 2, waren voorheen niet
                        opgenomen in de Asv, maar in het vierjarige subsidieplan. Om bij
                        bezwaarschriften inzake geweigerde subsidieverzoeken juridisch sterker te
                        staan, wordt nu voorgesteld de weigeringsgronden in de Asv 2011 op te nemen.
                        Alleen in het geval dat de gemeente signalen bereiken, dat van genoemde
                        situaties sprake zou kunnen zijn, zal bij beoordeling van de
                        subsidieaanvraag nader onderzoek worden gedaan of extra gegevens worden
                        opgevraagd. De genoemde redenen in artikel 9, lid 1 en 2, worden niet bij
                        elke subsidieverlening automatisch standaard getoetst.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 10. Verlening van de subsidie</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid geeft het college al in het besluit tot verlening van
                    de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies
                    dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan wie de subsidie is
                    toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve
                    eisen hij dient te voldoen. </al><tussenkop>Artikel 11. Betaling en bevoorschotting</tussenkop><al>De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de
                    verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor
                    bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of
                    uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparingen bij zowel de
                    subsidieontvanger als de subsidieverstrekkende gemeente. Omdat de
                    bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit
                    is er voor gekozen om de termijnen, waarop de (automatische) bevoorschotting
                    plaats vindt, niet in de verordening te noemen. Het bevoorschottingsritme en de
                    hoogte van de voorschotten worden in verleningsbeschikking vermeld.</al><al>De subsidieontvanger is volgens artikel 13 verplicht te melden, indien er
                    omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag.
                    De subsidieverstrekker kan vervolgens, indien nodig, door een wijziging van de
                    verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten
                    aanpassen. Na vaststelling van de subsidie vindt verrekening plaats met de
                    bevoorschotting. Met de algemene formulering van dit artikel is de mogelijkheid
                    open gelaten om, zonder dat daartoe wijziging van de verordening noodzakelijk
                    is, recht te doen aan de wijziging van de voorschotregeling, die beslag heeft
                    gekregen met de invoering van de vierde tranche Awb. Indien in de
                    verleningsbeschikking niet anders is bepaald, vindt betaling van het voorschot
                    binnen zes weken na verzending van de verleningsbeschikking plaats. Zie artikel
                    4:87, lid 1, Awb.</al><tussenkop>Artikel 13. Meldingsplicht</tussenkop><al-groep><al>meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen
                        in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij
                        subsidies tot € 5.000, het vragen van minder tussenrapportages en
                        automatische bevoorschotting.</al><al>De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te
                        melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde
                        activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan
                        verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie
                        lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden
                        gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van
                        meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan
                        deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing
                        van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken,
                        omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist
                        was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente van het hele
                        subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de
                        ontvanger dan misbruik maakte van het gegeven vertrouwen, dat ten grondslag
                        ligt aan de onderhavige subsidieverordening.</al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                        vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de
                        belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van de
                        verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning uit te
                        voeren.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 14. Overige verplichtingen van de subsidieontvanger</tussenkop><al>In artikel 14 zijn de overige verplichtingen van de ontvanger van de subsidie
                    opgenomen, als ook de plicht belangrijke wijzigingen te melden aan het college.
                    Overigens moet “schriftelijk” hier niet al te letterlijk worden opgevat; een
                    melding per e-mail kan ook voldoende zijn. Niets belet de gemeente om bij
                    twijfel direct contact op te nemen met de subsidieontvanger en om nadere stukken
                    te vragen.</al><tussenkop>Artikel 15. Verantwoording subsidies tot € 5.000 </tussenkop><al-groep><al>aansluiting op de nota ‘Kaderbeheer financieel beheer rijkssubsidies’ is in
                        de artikelen 15, 16 en 17 de wijze van verantwoording afhankelijk gemaakt
                        van de hoogte van de subsidies. Kenmerkend voor subsidies tot € 5.000 is dat
                        een bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf
                        niet of weinig verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker.
                        Te denken valt aan subsidies van beperkte omvang of subsidies, die aan een
                        vertrouwde ontvanger worden verstrekt. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel
                        de subsidieaanvrager als de subsidie-verstrekker worden bespaard.</al><al>In het geval van directe vaststelling (eerste lid, onderdeel a) worden de
                        bewijsstukken van de prestatie direct met de aanvraag meegestuurd. Ook
                        indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan onderdeel a
                        worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard
                        van de subsidie (bijvoorbeeld een ‘waarderingssubsidie’) en risicoafweging
                        van de subsidieverstrekker. Steekproefsgewijze controle na de vaststelling
                        is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot
                        terugvordering./-===</al><al>Door te kiezen voor het systeem van ambtshalve vaststelling (eerste lid,
                        onderdeel b) is er juridisch meer mogelijkheid om op te treden, indien de
                        gemeente bemerkt dat de activiteit niet (geheel) is gerealiseerd. De
                        subsidie is immers niet bij verstrekking reeds vastgesteld. De
                        subsidieontvanger dient, desgevraagd, op een door het college in de
                        beschikking aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de
                        subsidie is verleend, zijn verricht (bijvoorbeeld een foto of persbericht)
                        en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De
                        subsidieverstrekker kan ook steekproefsgewijs van deze bevoegdheid gebruik
                        maken.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 16. Verantwoording subsidies vanaf € 5.000 tot € 25.000 </tussenkop><al-groep><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidiënt de aan hem
                        verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge artikel
                        10, eerste lid, wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot
                        verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt. In deze categorie
                        betreft het een beperkte verantwoording, waarbij niet standaard om een
                        uitgebreide jaarrekening en balans wordt gevraagd.</al><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting wordt in lid 3 van de artikelen 16
                        en 17 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen worden
                        gevraagd. Daarmee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt, dat de
                        verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het
                        subsidiebedrag. Ook kan hiermee worden voorkomen dat subsidieontvangers
                        speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij
                        gebruikelijk al doen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 17. Verantwoording subsidies vanaf € 25.000</tussenkop><al>Bij subsidies van € 25.000 of meer wordt uitgegaan van de traditionele meer
                    uitgebreide verantwoording van subsidies. Bij de financiële verantwoording vanaf
                    € 50.000 wordt door de subsidieverstrekker een door een accountant opgesteld
                    stuk gevraagd. Het is echter niet (wettelijk) verplicht daar in alle gevallen om
                    te vragen. </al><tussenkop>Artikel 18. Vaststelling subsidie</tussenkop><al-groep><al>In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake
                        van de vaststelling van de subsidie. Als een aanvraag tot
                        subsidieverantwoording, ook niet na rappel, wordt ingediend, dan kan de
                        gemeente toch overgaan tot ambtshalve vaststelling (vaststelling zonder
                        aanvraag) op grond van artikel 4:5 Awb. Voldoet de aanvrager niet aan zijn
                        verplichtingen dan kan de gemeente de subsidieverlening -in redelijkheid-
                        intrekken of wijzigen (artikelen 4:46 – 4:50 Awb). Voor het opleggen van een
                        boete ontbreekt een wettelijke basis</al><al>Ingevolge het derde lid kan het college zelf categorieën van subsidies of
                        subsidieontvangers aanwijzen voor wie de subsidie wordt vastgesteld zonder
                        dat hiervoor door de subsidieontvanger een aanvraag moet worden
                        ingediend.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 19. Hardheidsclausule</tussenkop><al>De toepassing van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele
                    gevallen. Zodra de toepassing van een hardheidsclausule voor bepaalde gevallen
                    voldoende is uitgekristalliseerd en daardoor een bestendig karakter heeft
                    gekregen, dient dit beleid in de Algemene subsidieverordening of
                    uitvoeringsregeling te worden neergelegd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>